Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Parsifalvraag

Adriaen Brouwer (8)

  

Wanneer we voor De Rokers staan, het zelfportret van Adriaen Brouwer, staan we zonder het te weten voor de gewonde Visserkoning uit de graallegende. Er wordt een verlossende vraag van ons verwacht, maar daar zijn we ons totaal niet van bewust. Zelfs wanneer we de graallegende kennen, komt het geen moment in ons op dat de drinkende en rokende man op het schilderij, die zich best lijkt te amuseren, in wezen een lijdende koning is, en dat wij zelf een Parsifal zijn, geroepen om hem uit zijn lijden te verlossen. We zijn hier immers niet om te verlossen of te genezen maar om ons te amuseren, om onze ziel te laven aan beelden en even in een andere wereld te vertoeven. Ja, de schemerige tentoonstellingszaal is in feite een spiegelbeeld van de halfdonkere kroeg waarin Brouwer met zijn gezelschap zit te roken en te drinken. We kijken met andere woorden naar onszelf wanneer we voor dit schilderij staan, we zijn Parsifal én Visserkoning tegelijk. Maar we weten het niet, want we stellen ons geen vragen. 

Waarom zouden we ook? Kijken (of luisteren) naar kunst doen we niet om ons daar vragen bij te stellen, om erover na te denken en ons verstand te gebruiken. Daarvoor hebben we de wetenschap: om de wereld te bevragen en daar wakker aan te worden. Kunst heeft een heel andere taak: zij wil ons doen wegdromen, zij wil ons hart raken en gevoelens opwekken. In het geval van Brouwer zijn dat overwegend opgewekte gevoelens: hij doet ons lachen met zijn koddige tafereeltjes en vermakelijke tronies. Dat doen we dan ook al 400 jaar lang: we lachen met Brouwer, we vinden hem een olijke kerel, we amuseren ons met zijn werk. Verder gaan we niet, hem ernstig nemen is er niet bij. In het beste geval staan we vol bewondering voor zijn meesterlijke manier van schilderen en stellen we enigszins verrast vast dat deze kleine paneeltjes en kleine onderwerpen het werk zijn van een groot kunstenaar. Maar daar blijft het bij, we kijken niet door de schijn heen, we stappen niet over de drempel van zijn werk.

Nochtans is De Rokers één van die zeldzame kunstwerken die ons in staat stellen ‘over de drempel’ te gaan. Het is zelfs een heel bijzonder ‘drempelschilderij’. Vergelijken we het met De Man in de Stoel dan merken we dat bij De Braekeleer een heel andere, enigszins intimiderende sfeer hangt, die ons belet om vragen te stellen. Hetzelfde geldt voor de schilderijen van Rubens. Ze zijn niet alleen intimiderend door hun grootte, maar ook door de geheimen die ze verbergen. We moeten over heel wat kennis beschikken om die geheimen te kunnen ontraadselen, net zoals we over de nodige moed moeten beschikken om De Man in de Stoel onder ogen te durven komen. Hoe verschillend ook, De Braekeleer en Rubens houden de kijker allebei op afstand, hun werk is niet echt uitnodigend. Bij Brouwer is dat anders. We voelen ons niet in het minst geïntimideerd in zijn nabijheid. Deze koning houdt hof in een kroeg, en wanneer we binnenkomen, zegt hij: kom, zet je erbij!

Toch kijkt hij heel verbaasd, alsof hij niet verwacht had iemand over de drempel van zijn (geschilderde) kroeg te zien stappen. Die verbazing is vandaag actueler dan ooit, want Brouwer heeft 400 jaar moeten wachten op zijn eerste tentoonstelling. Dat roept vragen op, zeker wanneer men beseft dat deze schilder niet moet onderdoen voor Rubens of Rembrandt. Kan men zich voorstellen dat deze twee reuzen nooit een tentoonstelling zouden hebben gekregen, dat er nooit een boek over hen was verschenen, dat men hen vier eeuwen lang genegeerd zou hebben? Nee, dat is gewoon ondenkbaar. Maar het is wel wat met Brouwer gebeurd is. Wie een hart heeft voor schilderkunst kan niet anders dan diep getroffen worden door deze miskenning. Een louter kunstzinnige benadering van Brouwer leidt ons reeds tot het punt waarop er vragen beginnen te rijzen, indringende vragen. En wanneer we ons dan ook nog eens verbazen over zijn verbazing, staan we heel dicht bij de drempel.

Die drempel dient zich aan in de vorm van een keuze: stellen we de vragen die zich opdringen of stellen we ze niet? De 400 jaar lange miskenning van Brouwer – waarschijnlijk de grootste uit de hele kunstgeschiedenis – doet ons al vermoeden dat die vragen niet vrijblijvend zullen zijn en dat ze heel wat naar boven zullen halen dat we liever begraven zouden laten liggen. Reeds een onschuldige vraag als ‘wat ziet Adriaen Brouwer?’ leidt onmiddellijk tot andere, ongemakkelijke vragen. Waarom beweren de kunstgeleerden dat hij ons ziet, als dat duidelijk niet het geval is? Waarom vragen ze zich niet af wat Brouwer zo verbaasd doet kijken? Waarom zingen ze de lof van Brouwer als ze hem toch niet ernstig nemen, als ze niet eens de meest voor de hand liggende vragen over zijn zelfportret stellen? Ja, De Rokers plaatst ons voor een keuze: stellen we de vragen die zich opdringen en stappen we over de drempel van het schilderij, of blijven we veilig aan deze kant staan?

Een vraag, meer scheidt ons niet van een wonderlijke wereld waarvan we het bestaan niet vermoeden. Het is ons gevoel, onze liefde voor de schilderkunst die ons naar die vraag leidt. De tentoonstelling in Oudenaarde brengt dat gevoel in beweging. We komen ongemerkt van het ene uiterste in het andere terecht. Het begint al met het stadhuis dat er met zijn gouden versieringen uitziet als een grote juwelenkist. Gaan we binnen, dan komen we terecht in een kille, moderne wereld van glas, staal en beton. De ingang tot de tentoonstelling is een banale witte deur waar niet eens ‘toegang’ op staat. Achter die anonieme deur bevindt zich echter een prachtige oude zaal. Na de eerste verbazing over dit scherpe contrast volgt de ontgoocheling over het geringe aantal en de geringe grootte van Brouwers werken. Maar die maakt langzaam plaats voor stijgende bewondering, eerst voor de vrolijke kroegtaferelen, dan voor de weemoedige landschappen. Er kan geen twijfel over bestaan: ons hart wordt bewogen. 

Die beweging doet ons aanvankelijk over De Rokers heen kijken. We merken het schilderij wel op, want niet alleen is het een zelfportret, het is ook het meest kernachtige werk van de hele tentoonstelling. Maar pas wanneer de schommelende weegschaal van ons hart tot rust komt, blijven we erbij stilstaan. We moeten als het ware eerst Brouwers hele oeuvre beleven, met al zijn tegenstellingen en alle gevoelens die het oproept, om uiteindelijk in het middelpunt tot stilstand te komen. En dan valt de beslissing: stellen we de verlossende vraag of doen we dat niet? Stappen we over de drempel en worden we wakker in de droom of blijven we gewoon slapen? Brouwer lijkt ons de mogelijkheid van een ‘drempeloverschrijding’ voor te spiegelen in het tafereeltje dat we door het open raam zien: man en vrouw zitten gearmd naar een weg te kijken die kronkelend omhoog leidt. Het is alsof de schilder toont dat we deze donkere kroeg kunnen verlaten, op voorwaarde dat we ons (mannelijke) verstand verzoenen met ons (vrouwelijke) gevoel. 

De ‘drempel’ naar een andere wereld is natuurlijk slechts een beeld. In werkelijkheid gaat het om een ‘hoger’ bewustzijn dat ontstaat wanneer we verstand en gevoel op de juiste manier met elkaar verbinden. We benaderen de drempel met andere woorden van twee kanten en in de ontmoeting van die twee tegengestelde bewustzijnsvormen wordt langzaam een wonderlijke wereld zichtbaar. Die wereld was er altijd al, maar met ons gespleten bewustzijn konden we hem niet waarnemen. Het verbinden van ons dromerige gevoelsbewustzijn met het wakkere verstandsbewustzijn is niets minder dan een kunst, en het mag dan ook geen verwondering baren dat de kunst ons tot leidraad kan dienen bij het ontwikkelen van een ‘drempelbewustzijn’. Evenmin kan het ons verbazen dat Adriaen Brouwer – de meest over het hoofd geziene schilder ter wereld – ons daarbij de weg wijst, want het nieuwe bewustzijn kan alleen in vrijheid ontstaan, en niemand laat ons zo vrij als de schilder uit Oudenaarde. 

De verzoening van gevoel en verstand die ons over de drempel van De Rokers leidt, komt dan ook niet vanzelf tot stand. Het antwoord op de vraag ‘wat ziet Adriaen Brouwer?’ ligt allesbehalve voor de hand. Aanvankelijk hebben we geen idee waar hij naar kijkt. We weten alleen dat hij niet naar ons kijkt, maar naar iets wat in de kroeg zelf gebeurt. Het antwoord moet dus in die kroeg gezocht worden, dat wil zeggen in het schilderij. Het feit dat Brouwer niet naar ons kijkt, vestigt onze aandacht op het feit dat twee figuren op het schilderij wel naar ons kijken: Jan Lievens (links) en Jan de Heem (rechts). Ze zijn als het ware de twee ogen van het schilderij. Dat opent de mogelijkheid dat Brouwer ons misschien toch aankijkt. Hij kijkt ons niet aan met zijn fysieke ogen (die van de centrale figuur op het schilderij) maar met zijn ‘zieleogen’. De Rokers is als het ware één groot gezicht, waarin zich de ziel van Brouwer weerspiegelt, een (zeer complexe) ziel die ons oplettend en betekenisvol aankijkt.

De twee (elkaar kruisende) ‘zieleblikken’ die Brouwer op ons werpt, zijn heel verschillend. Jan de Heem kijkt ons afwachtend aan, hij lijkt benieuwd te zijn naar onze reactie. Uit zijn hele wezen spreekt bescheidenheid, terughouding, verlegenheid zelfs. Hij is niet iemand die zich opdringt, hij houdt afstand. Jan Lievens daarentegen wil de afstand juist overbruggen, hij wacht onze reactie niet af, hij wil ze beïnvloeden door ons een teken te geven. Met een vinger tikt hij tegen zijn neus, als om ons te waarschuwen: er is een reukje aan dit tafereel, laat je niet om de tuin leiden! Deze twee tegengestelde zielehoudingen – (passief) afwachtend en (actief) aanwijzend – zijn tekenend voor Brouwer. Op het eerste gezicht lijkt zijn werk geen andere bedoeling te hebben dan dat leven te tonen zoals het is, zonder commentaar. Maar tegelijk zitten zijn schilderijen, en vooral dan zijn zelfportret, vol met kleine vingerwijzingen die de kijker er attent op (te lijken willen) maken dat deze tafereeltjes niet zijn wat ze lijken te zijn.

Die ‘tekenen’ zijn niet alleen heel onopvallend – het is wonderlijk hoe Brouwer erin slaagt dingen te tonen en ze tegelijk te verbergen – ze zijn ook heel dubbelzinnig. Ze kunnen geïnterpreteerd worden als betekenisloze details, Spielereien, toevalligheden of zelfs ‘fouten’ van de schilder. Maar ze kunnen ook begrepen worden als elementen van een wereld die zich achter de schijn of onder de oppervlakte verbergt. Het is aan de kijker om te kiezen: glijdt hij er overheen (zonder de drempel zelfs maar op te merken) of blijft hij er bij stilstaan en gaat hij er dieper op in? Het gebaar dat Jan Lievens achter de rug van Brouwer maakt, kan model staan voor die keuze. Het kan op twee zeer verschillende manieren geïnterpreteerd worden: enerzijds als een veelbetekenend waarschuwingsgebaar, een duidelijke boodschap aan de kijker, en anderzijds als een onnozel kunstje zonder enige betekenis: Jan Lievens duwt zijn ene neusgat dicht zodat de rook van zijn pijp er door het andere uitkomt.

Hij gedraagt zich als de klassieke grapjas die in ieder gezelschap wel te vinden is. Niks aan de hand dus. Maar wanneer we nauwkeuriger kijken, stellen we vast dat Jan Lievens niet de enige grapjas op dit schilderij is. Ook uit Brouwers ene neusgat komt er rook. We moeten goed kijken om dat kleine rookpluimpje te zien, maar het is er, onmiskenbaar. Bovendien komt het uit het andere neusgat, wat een complementair verband tussen Lievens en Brouwer lijkt te suggereren. Maar voor hetzelfde geld hangt Brouwer gewoon de lolbroek uit, net als Lievens, en wil hij alleen maar zeggen: kijk, ik kan dat ook, zonder handen zelfs! Brouwer drijft de leutigheid dan wel heel ver, zover dat de vraag rijst: waarom maakt deze geniale schilder zoveel werk van een schilderij dat alleen maar mannen afbeeldt die de clown uithangen? En waarom laat hij Jan de Heem ons zo nieuwsgierig aankijken? Het brengt ons weer aan het twijfelen. Zou Brouwer dan toch niet de sotscop zijn zoals we hem kennen?

De rook uit Lievens’ ene neusgat heeft onze aandacht geleid naar de rook uit Brouwers andere neusgat, en die twee rookpluimen vestigen dan weer onze aandacht op de rook die uit Brouwers mond komt. Dat is geen rook die uitgeblazen wordt, het is rook die langzaam omhoogkringelt. Laten we dat – simpele – feit tot ons doordringen, krijgen we een kleine schok. Dit zelfportret is geen helemaal geen snapshot, het is niet zomaar uit het leven gegrepen, het is een zorgvuldig gecomponeerd tableau vivant. Brouwer zit daar al minstens een minuut met zijn mond open, de tijd die de rookpluim nodig heeft om rustig tot boven zijn hoofd te kunnen kringelen. Anders gezegd: hij neemt een pose aan. Maar hebben we Brouwer niet juist leren kennen als iemand die wars is van alle pose, die alle schijn wil doorprikken, die mensen wil schilderen zonder dat ze zich bespied wanen, zonder dat ze een masker opzetten? Hij blijkt ons dus op het verkeerde been te hebben gezet, he’s playing us.

Hoe dieper we ingaan op Brouwers zelfportret, des te duidelijker ondervinden we dat hij een spelletje met ons speelt. Er staan als het ware twee totaal verschillende Brouwers voor ons die allebei roepen: ik ben de echte! We kunnen ons levendig voorstellen dat de schilder in het echte leven ook zo was: verwarrend, misleidend, ongrijpbaar. Er is dat verhaal waarin hij zijn goedkope kleren beschildert zodat ze er heel duur uitzien en de kroegloper opeens een voorname jonker wordt, waarna hij de illusie verbreekt door de verf uit te vegen. Zo het leven, zo het werk. Of toch niet? Wie De Rokers aandachtig bekijkt, kan onmogelijk denken dat Brouwer dit zelfportret uitgeveegd zou kunnen hebben en dan geroepen: gefopt! Er spreekt een meesterschap uit dat maar bereikt kan worden door de allergrootste inspanningen. Zeker, Brouwer speelt een spelletje, maar het is een buitengewoon ernstig spelletje. Hij speelt als een kind, en in De Rokers speelt hij als een kind dat weet waarom het speelt. 

Advertenties

De Tuin van Heden (7)

  

Op het dieptepunt van mijn leven – tussen mijn 30ste en mijn 33ste levensjaar – vond ik eindelijk de toegang tot de antroposofie. Er was een lange worsteling aan voorafgegaan, maar de ‘intrede’ zelf verliep moeiteloos. Ze gebeurde in drie stappen, telkens door het lezen van een boek dat me toevallig in handen viel: De Filosofie der Vrijheid (denken), Tussen Bethlehem en de Jordaan (voelen) en Christussucher und Michaeldiener (willen). Alledrie waren het variaties op hetzelfde thema, het thema van de polariteit. Ik zette deze drie stappen in de antroposofie met groeiend enthousiasme. De Filosofie der Vrijheid bevrijdde me uit de gevangenis van het dualisme, het verhaal van de twee Jezuskinderen opende mijn hart weer voor de christelijke oerbeelden uit mijn jeugd, en met het thema van de oude en de jonge zielen kon ik zelf aan de slag, ik kon het verbinden met mijn eigen leven. Vooral dat laatste sprak me aan, het maakte van de antroposofie een persoonlijke zaak. 

Speelde De Filosofie der Vrijheid zich nog helemaal in de regionen van de geest af, de twee Jezuskinderen brachten die geest naar de aarde in de vorm van oerbeelden, en het zielenthema individualiseerde hem ten slotte. Stap voor stap kwam de antroposofie naar me toe, eerst als iets vreemds en onaantrekkelijks, dan als iets verhevens dat uit de hemel neerdaalde, en uiteindelijk als iets eenvoudigs, iets gewoon-menselijks. Zo werd het zielenthema door Rudolf Steiner ook voorgesteld: als iets heel gewoons, een kleinigheid die hij bijna terloops vermeldde. Maar die kleinigheid bracht hij wel in verband bracht met het allergrootste – het voortbestaan van de menselijke beschaving – en hij verbond ze bovendien met het persoonlijke lot van zijn toehoorders. Hoewel hij zijn best deed om een lichte toon aan te slaan, kon hij de ernst van de zaak toch niet verbergen. Zijn publiek deinsde dan ook terug, zoals het dat eerder al had gedaan toen hij over karma sprak. Maar dit keer zette hij door. 

Ook voor Rudolf Steiner was het zielenthema een persoonlijke aangelegenheid, want voor het eerst in zijn leven kon hij openlijk spreken over wat hem het nauwst aan het hart lag: zijn eigen levensopgave, karma en reïncarnatie. Tot nog toe had hij daarover moeten zwijgen omdat de weerstanden – uiterlijk zowel als innerlijk – te groot waren. Maar nu onthulde hij de ‘geïncarneerde’ versie van De Filosofie der Vrijheid. De relatie tussen waarnemen en denken was een relatie tussen mensen geworden, tussen oude en jonge zielen. Tijdens de Weihnachtstagung had Rudolf Steiner de antroposofische vereniging opnieuw opgericht. Hij begon als het ware helemaal opnieuw en hij deed dat met een metamorfose van De Filosofie der Vrijheid. Zoals dit boek de grondslag vormde voor de oude antroposofie, zo vormde het zielenthema de grondslag voor de nieuwe antroposofie. Het was de hoeksteen van het nieuwe (geestelijke) Goetheanum, van de nieuwe mysteriën. 

Het was een grote stap van de oude wijsheidsmysteriën naar de nieuwe wilsmysteriën, een stap van denken naar willen, een stap ook van de oude naar de jonge zielen. Reeds vóór de Weihnachtstagung had die overgang zware problemen veroorzaakt. De antroposofische vereniging was aanvankelijk een oude-zielenvereniging, een vereniging van mensen die de wijsheid van Rudolf Steiner opnamen en verzorgden. Na de eerste wereldoorlog stroomden echter talloze jonge zielen de vereniging binnen en dat waren mensen die iets wilden doen, die de wereld wilden veranderen. Daardoor botsten ze met de oude zielen, die gesteld waren op hun rust. De conflicten escaleerden en de verhitte gemoederen materialiseerden zich in de brand van het Goetheanum. Ze vernietigden de tot kunst geworden antroposofie, de brug tussen oud en nieuw stortte in. Rudolf Steiner zag zich genoopt de vereniging helemaal opnieuw op te richten, dit keer niet als een wijsheidsvereniging maar als een wilsvereniging.

De nieuwe wilsmysteriën waren openbare mysteriën. Esoterie en exoterie vielen samen, de vroegere (strenge) scheiding was opgeheven. In de karmavoordrachten sprak Rudolf Steiner openlijk over de vorige levens van zijn leerlingen. De Lohengrin-vraag (die niet gesteld mocht worden) was vervangen door de Parsifalvraag, de vraag naar het lijden van de antroposofie. Dat lijden werd veroorzaakt door de conflicten tussen oude en jonge zielen. De toehoorders kenden die – al te persoonlijke – conflicten uit eigen ervaring, maar nu werden ze gelieerd aan diepe esoterische waarheden, en daar schrokken ze van. De antroposofie kwam nu toch wel heel dichtbij. Moeten we daar echt over gaan nadenken? vroegen ze. Ja, antwoordde Rudolf Steiner, daar moeten jullie echt over nadenken, iedere antroposoof moet dat doen. Hij liet er geen twijfel over bestaan: de antroposofie moest een persoonlijke aangelegenheid worden. Daarin bestond de vernieuwing die hij tijdens de Weihnachtstagung had doorgevoerd.

Rudolf Steiner had de mysteriewijsheid ‘in de harten’ gelegd en daar leefde ze nu als de meest intieme beleving. Hij kreeg echter de kans niet om deze ‘menswording’ nader toe te lichten, want de tegenmachten reageerden furieus. Ze ontketenden reactionaire krachten die hem het leven kostten en de vereniging in twee scheurden. Honderd jaar later lijkt de wonde geheeld te zijn, maar het zielenthema blijft onbespreekbaar en de reactionaire krachten bestaan nog altijd. Nadenken over het eigen karma is not done. Het geldt nog altijd als ongepast om de antroposofie in verband te brengen met persoonlijke zaken. Ik kreeg dan ook het deksel op mijn neus met mijn enthousiasme over het zielenthema. Wat ik ook probeerde, ik botste op een muur van onverschilligheid. Pas toen ik een vooraanstaand antroposoof zijn publiek hoorde bezweren niet na te denken over dit thema, begon ik te vermoeden dat het om meer ging dan onverschilligheid alleen. Het was onwil, het was openlijk verzet tegen Rudolf Steiner zelf. 

Mijn stap in de wilswereld van de antroposofie, leidde tot de ontmoeting met de anti-antroposofie, de vijand-in-de-eigen-gelederen waar Rudolf Steiner meer dan eens over gesproken had. De nieuwe wilsmysteriën omvatten ook het mysterie van het kwaad, en met dat mysterie werd ik nu geconfronteerd. Dat gebeurde overigens niet alleen in de antroposofie, het gebeurde ook in de kunst. Ik ontmoette de anti-antroposofie op hetzelfde moment als de anti-kunst. Deze laatste was me al langer bekend, maar ik kwam er pas echt mee in contact nadat ik radicaal gekozen had voor de kunst. Deze gelijktijdigheid was geen toeval: anti-kunst en de anti-antroposofie werden bezield door één en dezelfde geest. Maar dat besefte ik toen nog niet. Het was me nog niet duidelijk wat kunst en antroposofie met elkaar te maken hadden. Dat begreep ik pas enkele jaren later toen ik de antroposofie onverwacht herkende in de kunst. Toevallig gebeurde dat vlakbij een brug over de Schelde …

Opnieuw weerspiegelde de buitenwereld wat er in mijn ziel gebeurde. Daar werd namelijk een brug geslagen tussen de wereld waarin ik leefde en de antroposofie (die zich voornamelijk in mijn gedachten en gevoelens afspeelde). De antroposofie verscheen hier niet voor een kleine groep uitverkorenen, maar voor het oog van de hele wereld en ze maakte miljoenen jonge mensen enthousiast. Ze deed dat in de vorm van een mysteriedrama dat enerzijds diep in de hedendaagse wereld wortelde en anderzijds reikte tot in de hoogste gebieden van de geest. Exoterie en esoterie vielen hier naadloos samen. Ik herkende de geest van de kunst, die ik gestorven waande en nu in een geheel nieuwe, eigentijdse vorm zag verrijzen. Maar ik herkende tegelijk ook de geest van de antroposofie, die nu pas echt tot leven kwam voor mij. En langzaam begon ik te begrijpen wat Rudolf Steiner bedoelde toen hij zei dat kunst en antroposofie dezelfde geest in de cultuur doen stromen. 

Voor de vierde keer op rij ontmoette ik het thema van de polariteit, dit keer niet in de vorm van een boek, maar in de vorm van een kunstzinnig drama. Nadat de antroposofie achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen had aangesproken, sprak ze nu rechtstreeks mijn Ik aan. Maar dit keer deed ze dat niet vanuit de antroposofische wereld maar – geheel onverwacht – vanuit de vijandige buitenwereld. Toch herkende ik in dit onwaarschijnlijke mysteriedrama meteen de geest die mij zo lief was, die uit mijn leven was verdwenen en die ik nergens meer terugvond: de geest van de kunst. Ik trof hem uitgerekend daar aan waar ik hem nooit had verwacht. Hetzelfde gold voor de geest van de antroposofie: ik zag hem verschijnen op een plek waar antroposofen hem nooit zouden zoeken. Nochtans zegt Rudolf Steiner dat het Ik van de mens van buitenaf op hem toekomt. Ik stelde vast dat het voor de antroposofie niet anders is: ik zag haar Ik vanuit de buitenwereld op haar toekomen. 

Ik beleefde dat Ik-wezen tot in de kern van mijn ziel, maar mijn denkende bewustzijn kon het nog niet bevatten. Daardoor was ik niet in staat de zaak uit te leggen aan mijn mede-antroposofen. Ze waren ervan overtuigd dat ik me maar wat inbeeldde. Sommigen vonden het zelfs blasfemisch dat ik de antroposofie in verband bracht met iets zo werelds en laag-bij-de-gronds als het drama waar ik hen op wees. Ik was op mijn beurt geschokt door zoveel gebrek aan kunstzinnig gevoel. Het grote struikelblok was dat de makers van dit moderne mysteriedrama geen antroposofen waren. Ze hadden geen antroposofische ideeën in hun werk gelegd en bijgevolg konden die ideeën daar ook niet in aanwezig zijn. Deze redenering druiste volkomen in tegen Rudolf Steiners opvattingen over kunst, maar dat wist ik toen nog niet. Ik kon de onverschilligen en verontwaardigden niet duidelijk maken hoe anti-antroposofisch hun houding wel was. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt. 

De dualistische leer van de twee werelden zit zo diep ingebakken in de ziel van de moderne mens dat zelfs de antroposofie daar niet tegenop kan. Antroposofen kunnen het monisme van De Filosofie der Vrijheid in theorie nog wel aanvaarden, maar zodra ze de grens met de wilswereld overschrijden en in de praktijk terechtkomen, vallen ze weer in het oude, dualistische spoor. Daarvan getuigt hun houding tegenover kunst. Ik had het hen vroeger al eens gevraagd: hoe komt het toch dat antroposofen op alle gebieden tegen de stroom inroeien, behalve op één gebied: dat van de kunst? Uitgerekend daar waar de tegenpolen (door een wilsdaad) met elkaar verbonden worden en het dualisme overwonnen wordt, roeien ze vrolijk met de stroom mee, de lof zingend van de hedendaagse kunst, dat toppunt van dualisme. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Net als het zielenthema is het thema kunst onbespreekbaar en wel om dezelfde reden: het confronteert antroposofen met hun dualisme, met hun anti-antroposofie. 

Ik heb nooit getwijfeld aan de goede wil van antroposofen (en doe dat nog altijd niet), maar in de loop der jaren is me steeds duidelijker geworden dat er in hun ziel ook een ‘slechte’ wil leeft, een wil die zich tegen de antroposofie keert. Ik leerde die anti-wil voor het eerst kennen in verband met het zielenthema. Toen ik een gerespecteerd antroposoof in dit verband dwars tegen Rudolf Steiner hoorde ingaan, viel ik van mijn stoel van verbazing. Die verbazing werd nog groter toen niemand bleek te protesteren tegen deze anti-antroposofie. En ze steeg ten top toen mijn – voorzichtige – vraag over dit ‘merkwaardige’ standpunt op verontwaardiging werd onthaald. Hoe durfde ik! Het was de omgekeerde wereld: ik nam het op voor Rudolf Steiner en ik werd beschouwd als een … anti-antroposoof. Aandringen had geen zin, want een gesprek was niet mogelijk. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik te maken had met een gevaarlijke vijand die je onmiddellijk met gelijke munt betaalde.

Niet alleen onder antroposofen zaaide hij twist en tweedracht, hij trok ook een muur op tussen antroposofen en de buitenwereld. Dat ondervond ik door de afwijzende reacties op het mysteriedrama waarin ik de antroposofie in kunstzinnige vorm had zien verschijnen. Ook hierover was geen gesprek mogelijk. Ik besloot er dan ook het zwijgen toe te doen, niet zozeer omdat ik mezelf onmogelijk maakte, maar vooral omdat ik de zaak zelf schade berokkende. En die zaak was dat dit mysteriedrama een brug sloeg naar miljoenen mensen over de hele wereld. Die (overwegend jonge) mensen waren enthousiast geworden over de antroposofie, maar ze beseften het niet, het moest hen verteld worden. Was dit geen uitgelezen kans om vele antroposofen-in-spe te bereiken door hen aan te spreken in een taal die zij begrepen? Was dat niet waar antroposofen naar streefden: aansluiting vinden bij de moderne wereld, de taal spreken van deze tijd? Dat was tenminste wat ze steeds weer beweerden.

Maar het was niet wat ze wilden. Ze toonden geen enkele belangstelling voor dit unieke kunstwerk. Ze haalden hun schouders op en zeiden: wat hebben wij daarmee te maken! Het klonk me in de oren als: wat hebben wij te maken met de wereld daarbuiten! Wat hebben wij te maken met al die jonge mensen die de antroposofie zoeken! Wat hebben wij te maken met … de antroposofie! Zoals ik het wezen van de antroposofie vanuit de buitenwereld op me toe had zien komen, zo zag ik nu het wezen van de anti-antroposofie vanuit de antroposofische wereld op me toe komen. En zo verrukt als ik was over het eerste, zo ontzet was ik over het tweede. Ik zou deze anti-antroposofische geest later nog twee keer zien verschijnen en telkens wekte hij een diepe afschuw en verontwaardiging in me op. Maar ik stond machteloos want telkens wekte ook ik diepe afschuw en verontwaardiging bij anderen op. Het was onmogelijk om deze anti-geest te confronteren zonder daar zelf het slachtoffer van te worden. 

Schoenaerts (5)

De zaak Schoenaerts blijft aanslepen.
Stan Lauryssens heeft zijn boek over Julien Schoenaerts al uit de handel genomen, maar nu eist Matthias Schoenaerts ook nog eens een schadevergoeding.
Dat klinkt allemaal behoorlijk overdreven voor een boek waarvan de auteur volhoudt dat alles wat erin staat waar is, een bewering die door het vonnis in kortgeding niet echt werd tegengesproken, want er was alleen sprake van ‘onjuistheden’, wat suggereert dat het om kleinigheden gaat, anders was het verdict wel zwaarder uitgevallen.
Het kwam dan ook als een verrassing dat Stan Lauryssens besloot om het boek uit de handel te nemen.
Vlak voor de opening van de boekenbeurs, en met een tweede druk op stapel, was dat toch wel een zeer drastische maatregel.
Was de auteur dan zo zwaar beledigd door de sticker die hij op z’n boek moest plakken?
Of zat er iets anders achter?
Was zijn onverwachte démarche wellicht een poging om Matthias Schoenaerts ertoe te bewegen een eis tot schadevergoeding te laten vallen?
Dat is wat een mens zou beginnen denken.

Maar we weten natuurlijk het fijne van de zaak niet.
De media hebben tot nog toe opvallend weinig aandacht aan de hele kwestie besteed.
Nochtans, een succesauteur die een boek uit de handel neemt precies op het moment dat het jaarlijkse Grote Boekenfeest begint: dat is, me dunkt, niet niks.
Dat ruikt naar een aanslag op de vrije meningsuiting.
Hoe kunnen de media, de uitgeverswereld, de schrijverswereld, kortom de hele culturele wereld, daar onverschillig voor blijven?
Toch lijken ze de schouders op te halen, alsof ze niks met de hele zaak te maken hebben.
Normaal staan de media altijd klaar om iets buiten proporties op te blazen, om er het laatste restje sensatie uit te persen, om er nog een flinke schep bovenop te doen, zeker als er Bekende Vlamingen bij betrokken zijn.
En nu: niets.
Nergens heb ik ook maar één commentaar of opinie-artikel gelezen.
Niemand in de hele schrijfwereld die zijn licht over de zaak liet schijnen.
Waarom niet?
Wisten zij iets wat wij niet weten?
Wilden ze geen slapende honden wakker maken?
Speelden er nog andere zaken mee?
Allemaal vragen, vragen die niet gesteld werden.
En dus doe ik dat maar zelf.

Ik stel me vragen bij het feit dat er over de zaak Schoenaerts geen vragen worden gesteld.
Het stilzwijgen is zo opvallend dat ik me de vraag stel: welke vraag wordt hier niét gesteld?
Wat is zo belangrijk dat er niet kan of mag naar gevraagd worden?
Het klinkt voorwaar een beetje als de Parsifalvraag, de vraag die (volgens de regels van de correctheid) niet mocht gesteld worden, maar die juist de verlossende vraag was, de vraag waar iedereen zat op te wachten.
Op zich is de Parsifalvraag geen moeilijke vraag, het is zelfs een voor de hand liggende vraag.
Maar de moeilijkheid is dat ze op de juiste manier moet worden gesteld.
Ze moet uit medelijden worden gesteld, letterlijk en figuurlijk.
Parsifal moet zichzelf herkennen in de lijdende Visserkoning.
Hij moet in diens lijden zijn eigen lijden zien.
Laat ik eens proberen in de zaak Schoenaerts de Parsifalvraag te stellen, de vraag die niet gesteld wordt.
Welke vraag zou dat wel kunnen zijn?
Welk lijden is het dat hier niet herkend wordt?

Alles begon met dat boek van Stan Lauryssens over Julien Schoenaerts.
Het is geschreven met een panache die grote betrokkenheid verraadt en ik heb het dan ook in één ruk uitgelezen.
Maar na afloop bleef ik met zitten met de vraag: waar loopt in dit boek de grens tussen fictie en werkelijkheid?
Al die scènes uit het leven van Julien Schoenaerts worden zo aanschouwelijk verteld dat het lijkt alsof schrijver er zelf bij was.
En dat kan niet.
Lauryssens kon onmogelijk weten hoe die soms intieme scènes zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.
Hij ging dus over de grens.
Hij vermengde fictie met werkelijkheid, fantasie met feiten.
Dat maakte het allemaal zo sappig, zo levensecht, zo opwindend.
Maar was het ook aanvaardbaar?
Ging hij niet te ver?
Lauryssens beweerde dat alles wat hij schreef, gestaafd worden met documenten, verslagen, getuigenissen en interviews.
Als dat klopte, dan was zijn boek een fraai stuk docudrama.
Maar ik geloofde het niet.
Mijn gevoel zei me dat Stan Lauryssens zich te ver had gewaagd.
In de roes van het schrijven had hij de grens uit het oog verloren en iets gedaan wat eigenlijk niet kon.

Ik begreep dan ook dat Matthias Schoenaerts klacht had neergelegd, en ik keek vol belangstelling uit naar de uitspraak van de rechter.
Ik verwachtte van hem te zullen horen waar Lauryssens precies over de grens was gegaan, want dat wilde ik wel eens weten.
Ik vond niet dat Stan Laryssens dit boek niet had mogen schrijven.
Ik vond het juist goed dat hij het geschreven had.
Hij had het alleen niet op de goede manier gedaan: hij had de grens tussen fictie en werkelijkheid niet gerespecteerd.

Ik was teleurgesteld toen bleek dat de rechter niet had aangegeven waar Stan Lauryssens precies ‘over de grens’ was gegaan.
Het bleef bij een uiterst vaag ‘dit boek bevat onjuistheden’.
Een soort Pontius-Pilatusoordeel dus, alsof de rechter zijn handen niet wilde vuilmaken.
Alsof hij een retorische vraag stelde: wat is fictie en wat is werkelijkheid?
Misschien was het in een kortgeding niet mogelijk om die grens te trekken.
In die zin is het dus goed dat Matthias Schoenaerts doorgaat.
Misschien wordt de zaak nu grondiger onderzocht en wordt eindelijk duidelijk of, waar en in welke mate Stan Lauryssens over de grens is gegaan.

Maar net als met het boek zelf heb ik er geen goed gevoel bij.
Wat denkt Matthias Schoenaerts eigenlijk te bereiken?
Hij beweert dat de goede naam van zijn vader is besmeurd, en dat is zeker waar.
Maar zal die naam gezuiverd worden als Lauryssens en uitgeverij Manteau veroordeeld worden tot een zware boete?
Ik betwijfel het ten zeerste.
Ik vrees zelfs dat de onverzoenlijke houding die Matthias Schoenaerts aanneemt wel eens een nieuwe smet zou kunnen werpen op de naam Schoenaerts.
Het heeft er namelijk de schijn van dat Matthias niet wil dat de (harde) waarheid over zijn vader aan het licht komt en dat hij de Schoenaerts-mythe in stand wil houden.
Je vader verdedigen door te zeggen dat dementie ‘wondermooi’ is: dat getuigt niet echt van veel werkelijkheidszin en daar kwets je ongetwijfeld heel wat mensen mee.

Als ik dat allemaal overloop dan duikt er in dit verhaal één constante op: de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Julien Schoenaerts zag die grens niet duidelijk.
Hij wist niet wanneer hij ze overschreed, in geen van beide richtingen: hij nam de werkelijkheid mee het toneel op en hij nam het toneel mee de werkelijkheid in.
Acteren en leven liepen door elkaar, en die vermenging maakte hem ziek.
Maar ook voor Stan Lauryssens was de grens tussen fictie en werkelijkheid niet duidelijk.
Ook hij haalde ze door elkaar, met als gevolg: een proces, het uit de handel nemen van zijn boek, een schadevergoeding, en wie weet tot wat nog meer.
Zag de rechtbank die zich over de kwestie moest uitspreken de grens duidelijker?
‘Dit boek bevat onjuistheden’: vager kan een oordeel moeilijk zijn.
Ook hier werd de grens tussen fictie en werkelijkheid niet scherp getrokken.
Resultaat: noch de klager noch de beklaagde waren tevreden met het verdict.
De eerste spande een nieuw proces aan, de laatste reageerde verontwaardigd.
En opnieuw gingen ze allebei over de grens.

Maakte Matthias Schoenaerts niet precies dezelfde fout?
Bleef ook hij niet blind voor de grens tussen fictie en werkelijkheid?
Stan Lauryssens schrijft over een leven dat (door Julien Schoenaerts zelf) opgevat werd als één groot toneelstuk.
Dat maakt van zijn boek dus eigenlijk een kunstkritiek.
Maar als je niet akkoord gaat met een kunstkritiek, dan stap je niet naar de rechter.
Als iedere kunstenaar dat zou doen, dan durfde niemand nog iets schrijven over kunst.
Het is in het belang van zowel kunstenaar als criticus dat tussen beiden een scherpe grens wordt getrokken. Ze moeten allebei in volle vrijheid hun ding kunnen doen.
Je kunt ook niet meer voetballen als iedere voetballer die op het veld een elleboog in het gezicht krijgt naar de rechtbank stapt.
De grens tussen spel en werkelijkheid mag niet overschreden worden.
Matthias Schoenaerts doet dat toch en het onvermijdelijke gebeurt: de zaak keert zich tegen hem.
Hij wordt nu iemand die een boek uit de handel heeft doen verdwijnen omdat hij zich erdoor gekwetst voelde.
Hij krijgt de reputatie van een nestbevuiler, want de kunst heeft haar bestaan juist te danken aan de grens die haar van de werkelijkheid scheidt.
Maar dat begrijpt hij niet, want hij is kwaad en gekwetst.
Hij gaat door en eist nu ook nog een schadevergoeding.
Als die hoog oploopt, zal hij een precedent hebben geschapen waardoor schrijvers zich in de toekomst wel twee keer zullen bedenken vóór ze een biografie schrijven.

Iedereen blijft dus blind voor de grens: Matthias Schoenaerts, Julien Schoenaerts, Stan Lauryssens, de rechtbank en ten slotte ook de media.
Geen van allen zien ze waar het allemaal om draait.
Toch is er een onderscheid.
Julien en Matthias Schoenaerts zijn kunstenaars.
Zij leven in twee werelden: die van de kunst en die van de werkelijkheid.
Voortdurend moeten zij de grens tussen beide werelden overschrijden.
Ze kunnen niet anders.
Degenen die over kunst oordelen – de rechtbank, de media, de critici, de kunstliefhebbers – leven daarentegen maar in één wereld.
In de wereld van de kunst zijn zij buitenstaanders.
Daarom kunnen ze ook wat een kunstenaar niet kan: objectief oordelen.
Stan Lauryssens staat dan weer tussen beiden in: hij is criticus én kunstenaar.
Als criticus is hij een buitenstaander in de kunst.
Als kunstenaar is hij een buitenstaander in de werkelijkheid.
Daarom is hij de gebeten hond in beide werelden.

Er tekent zich een drieledig beeld af, met aan de ene kant de kunst (vertegenwoordigd door Julien en Matthias Schoenaerts), aan de andere kant de werkelijkheid (vertegenwoordigd door de rechtbank en de media), en daartussenin Stan Lauryssens, de man waar het allemaal om draait.
Maar juist omdat hij op de grens staat tussen beide werelden, wordt een oordeel over hem onvermijdelijk ook een zelfbeoordeling.
En daar hebben we de reden voor het opvallende stilzwijgen over deze zaak.
Voor de kritisch oordelende intellectueel is ze als een spiegel.
En wat hij in die spiegel ziet, is zijn eigen grootste probleem.
Hij is ervan overtuigd de werkelijkheid te zien zoals ze is, maar hij is evenveel kunstenaar als wetenschapper: hij schept zijn eigen werkelijkheid en hij beseft het niet.
Hij maakt geen duidelijk onderscheid meer tussen scheppen en oordelen.
Beide polen van zijn denken lopen ongecontroleerd door elkaar.
En dat leidt tot een verward denken, een denken dat ziek is.
Wie over de zaak Schoenaerts begint na te denken, komt vroeg of laat tot de vaststelling dat hij in een spiegel kijkt, en dat hij in feite aan het nadenken is over zijn eigen denken. Hij wordt geconfronteerd met zijn eigen verwarring, met zijn eigen ziekte: het onvermogen om een grens te trekken tussen fictie en werkelijkheid.

Maar hier treedt er een paradox op.

Als de intellectueel er zich totaal niet van bewust is in een spiegel te kijken, waarom zwijgt hij dan als vermoord?
Waarom gaat hij niet tekeer tegen de spiegel?
Want dát is het effect dat een spiegel heeft op iemand die de spiegel niet ziet: het spiegelbeeld doet hem in verontwaardiging ontsteken.
Nergens heeft een mens zo’n hekel aan als aan iemand die behept is met dezelfde gebreken als hijzelf.
Het is het verhaal van de splinter en de balk: de splinter in andermans oog wekt hevige reacties uit bij de eigenaar van de balk.

Behalve in dit geval.

In de zaak Schoenaerts wordt het toneel bevolkt met acteurs die allemaal een splinter in het oog hebben: ze zien geen van allen de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Al die splinters weerspiegelen de balk in het oog van de kritische kijker.
En dus zou je verwachten dat hij tegen die splinters gaat fulmineren.
Maar dat doet hij nu juist NIET.
Dat is het meest verbazingwekkende in deze zaak: er wordt niet gereageerd, er worden geen vragen gesteld, er wordt unaniem gezwegen.

Dat kan maar één ding betekenen: de moderne intellectueel weet wel degelijk dat hij in een spiegel kijkt.
Hij weet het niet helemaal bewust, maar onbewust is het evenmin.
Op de een of andere manier voelt hij dat hij aan de zaak Schoenaerts zijn vingers gaat branden en hij deinst terug.
Hij doet niet als alle anderen in deze zaak: hij gaat niet over de grens.
Integendeel, hij trekt een scherpe grens die hij NIET overschrijdt.
En het is opnieuw de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Want het kritische denken verhoudt zich tot de zaak Schoenaerts zoals schijn tot werkelijkheid.
Door zijn reflectieve aard is het fictie, geen werkelijkheid.
Het speelt zich helemaal in de gedachten af.
En die gedachten keren zich van de werkelijkheid af.

We zien dus dat in de zaak Schoenaerts de grens tussen fictie en werkelijkheid WEL overschreden wordt, terwijl ze eigenlijk NIET mocht overschreden worden.
In het nadenken over die zaak gebeurt precies het omgekeerde: de grens die overschreden HAD MOETEN worden, wordt NIET overschreden.

Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt, komt hij als ridder tegenover de koning te staan.
Tussen beiden loopt een scherpe hiërarchische grens die niet mag overschreden worden.
Zijn ridderseed gebiedt hem dan ook te zwijgen.
Zijn hart daarentegen, dat ziet hoe de zieke koning lijdt, gebiedt hem te spreken.
Parsifal weet niet wat hij moet doen.
Zijn hoofd en zijn hart vechten met elkaar, maar zijn hoofd wint het.
Parsifal houdt zich aan de regels.
Daardoor laadt hij echter een zware schuld op zich, want het moment was gekomen om de wet te doorbreken en het hart te laten spreken.
Maar Parsifal was niet in staat de grens tussen wet en hart te overschrijden en de verlossende vraag te stellen.

In de graallegende was Parsifal bang dat hij te schande zou worden gemaakt door de hofhouding van de koning, door zijn leermeesters, door iedereen waar hij eerbied en ontzag voor voelt.
Maar waarvoor is de kritische denker, de intellectueel dus, bang in de zaak Schoenaerts?
Hij is bang voor zichzelf.
Hij is bang om in de spiegel te kijken en daar zijn eigen ziekte te zien.

Bruno Skerath

20130717-170457.jpg

Op 14 april 2013 overleed Bruno Skerath.
Ik kende de man alleen van een paar voordrachten en van de twee boeken die hij op het eind van zijn leven schreef:

(1) De aardse en de kosmische mens.
(2) Waar komen we vandaan? Waar willen we naartoe?

Merkwaardige boeken.
Merkwaardige man.

Ik denk dat ik hem voor het eerst zag toen hij afscheid nam als voorzitter van de Antroposofische Vereniging in België.
Dat gebeurde in Antwerpen, waar hij ook woonde.
Ik zag een oudere, gewichtig uitziende man die het publiek toesprak in het … Frans.
Waarschijnlijk was er een Franstalige Belg in de zaal, en uiteraard begreep die geen woord Nederlands, en uiteraard deed Skerath zijn speech daarom eerst in het Frans.
Hoffelijkheid, weet u wel.

Het nam me bepaald niet voor hem in.
Een oude krokodil, was mijn oordeel.

Ik zag hem later opnieuw toen hij in Gent een voordracht kwam houden over de Lijkwade van Turijn. Die Lijkwade interesseert me in hoge mate, en dus nam ik Skerath op de koop toe.
Ik herinner me nog dat ik er met K. naartoe reed en dat we aan het Citadelpark verblind werden door de ondergaande zon. Ze stond daar opeens als een enorme gloeiend oranje bol vlak voor ons en scheen ons recht in het gezicht.
We bevonden ons midden op een van de drukste kruispunten van Gent, waar verschillende grote wegen elkaar kruisen, maar op de een of andere manier bereikten we heelhuids de overkant en reden de schaduw van het park binnen, tussen het Museum voor Schone Kunsten en het Museum voor Lelijke Kunsten (beter bekend als SMAK).

In de St.Denijslaan, waar vroeger het therapeuticum was, trof ik dezelfde norse Skerath aan die ik al kende. Maar nu werd ik getroffen door een ander aspect van zijn wezen.
De man was namelijk buitengewoon flegmatiek.
Hij stond daar op zijn duizendste gemak achter zijn pupiter alsof hij gewoon een praatje kwam slaan. U weet wel, zoals oude mensen dat vroeger deden: even binnenlopen en erbij komen zitten, alsof ze thuis waren, alsof ze deel van de familie waren.
Ja, die indruk maakte hij nu op me: die van een bompa, een figuur uit voorbije tijden.
Hij straalde rust uit, hij was helemaal zichzelf.
En dat charmeerde me wel.
Hij nam alle tijd, sprak traag en zonder stemverheffing.
Af en toe moest hij iets zoeken tussen zijn papieren, en dat deed hij zonder haast, zonder ook maar één spoor van zenuwachtigheid.
Er viel dan een stilte, maar die was niet ongemakkelijk, integendeel, ze was rustgevend.
Ik liet me onderuit zakken en genoot.
Heel duidelijk en systematisch, stap voor stap, zette hij de situatie uiteen.
Was die Lijkwade een vervalsing, zoals de wetenschappers beweerden?
Dateerde ze werkelijk uit de Middeleeuwen?
Wat stond er eigenlijk op?
Wat was er allemaal mee gebeurd?

Skerath sprak anderhalf uur lang om tot slot te concluderen:
We hebben hier dus een portret van God!

In een impuls repliceerde ik:
Een zelfportret!
Iedereen barstte in lachen uit.
Skerath keek me uitdrukkingsloos aan over zijn bril.
Kon hij er ook om lachen?
Ik had geen idee.
Wat zich in die man afspeelde, was hermetisch afgesloten.
Mijn woorden waren trouwens niet bedoeld om te lachen.
Ik meende het: een portret is niet hetzelfde als een zelfportret!
Het leek me juist essentieel dat het beeld op de Lijkwade niét door een mens was gemaakt.
En daar twijfelde ik niet aan, evenmin als Skerath.

Een volgende keer hoorde ik Bruno Skerath toen hij in Munte, in de Christoforusgemeenschap, een voordracht kwam houden over Christian Rosencreutz.
Het was in de kersttijd en het was pikdonker toen we arriveerden.
We vonden nauwelijks de ingang.
De Christoforusgemeenschap (een instelling voor mentaal gehandicapten) ligt namelijk midden in de velden, ja, dezelfde velden als in Moortsele.
Binnen was het afgeladen vol en ik vond alleen nog een plaatsje áchter de spreker.

Net toen hij zou beginnen, ontstond er tumult aan de ingang van de zaal.
Ik kon er niks van zien, maar ik hoorde stemmen die ruzie maakten.
Wat was dat allemaal?
Skerath trok er zich niks van aan, hij was onverstoorbaar als altijd.
Na een tijdje keerde de rust weer en kon hij beginnen.
Wat hij zei was degelijk en boeiend als altijd.
U moet zich dat eens voorstellen, zei hij kalm maar met nadruk: Christian Rosencreutz gaf een opdracht aan Boeddha!
Op die manier plaatste hij de duizelingwekkende geestelijke statuur van deze geest in het licht.
Ja, het ging zeer hoog, die avond.

Toen ik achteraf vroeg wat dat tumult aan de ingang te betekenen had, kreeg ik als antwoord dat het een echtpaar was dat protesteerde omdat ze niet naar binnen mochten.

Niet naar binnen mochten?

Ja, ze lagen in ruzie met de directie van de Christoforusgemeenschap en daarom werd hen de toegang ontzegd.
Ik dacht bij mezelf: dat is kras!
In de kersttijd komt een echtpaar om (geestelijk) onderdak vragen en … er is geen plaats voor hen in de herberg.
Daar moet je verdorie antroposoof voor zijn!
Het beeld was duidelijk, maar ik bleek de enige te zijn die het zag, en die erover struikelde.

De derde en laatste keer dat ik Bruno Skerath zag, was in Mariakerke, in het atelier van een antroposofische kunstenares, waar hij kwam spreken over Oude en Jonge Zielen.
Ik was tamelijk opgewonden toen ik de aankondiging van die voordracht zag.
Oude en jonge zielen zijn namelijk een stokpaardje van me.
Het is mijn favoriete antroposofische thema, maar helaas is het min of meer taboe in antroposofische kringen. Er wordt zelden over gesproken, en dan meestal nog op een manier die me helemaal niet aanstaat.
Het was dus groot nieuws dat Bruno Skerath een voordracht over dit thema zou houden.
Ik kende hem intussen goed genoeg om te weten dat het een grondige en boeiende behandeling van deze stof zou worden.
Ik zou zeker iets bijleren.
En dat deed ik ook.

Het was, alweer, kersttijd.
We zouden meerijden met Pat en Mich en ze stelden een alternatieve route voor.
Doe maar, zei ik.
Daar kreeg ik alras spijt van, want de weg voerde door de meest deprimerende buurten van Gent.
Ik was een depressie nabij toen we de Lijnwaadstraat bereikten.
Tijdens het uitstappen foeterde ik: ze zouden het moeten verbieden om voordrachten in deze buurt te houden! Het is een echte lijdensweg om tot hier te raken!

Ik had geen idee dat die lijdensweg nog niet ten einde was.

Bruno Skerath was nog altijd dezelfde.
Alleen zijn buik was nog wat dikker geworden.
Hij moest achterover leunen om tegenwicht te bieden, anders viel hij om.
Zo’n buik was dat.
Hij begon zijn voordracht met de Schepping.
Ja, Skerath pakte het graag grondig aan: beginnen bij het begin.
De Schepping, zei hij, is eigenlijk een splitsing.
Als een eicel die zichzelf in twee deelt.
En na die eerste splitsing komt er een tweede, en dan een derde, en een vierde, enzovoort.
De evolutie is niets anders dan een zich steeds verder opsplitsen van het oerbegin.
Skerath volgde dat opsplitsen doorheen de hele mensheidsgeschiedenis.
En ten slotte bereikte hij de moderne tijd, de tijd van de opperste gespletenheid en versplintering, onze tijd dus.

Intussen was hij al bijna twee uur aan het spreken en hij had nog geen woord gezegd over oude en jonge zielen.
Ik zat al een uur met stijgende spanning te wachten tot hij zijn onderwerp zou aansnijden.
Nou, dacht ik, die man weet hoe je een spanningsboog moet opbouwen!
Dat zou nogal eens een schot worden!
Maar ik begon stilaan nattigheid te voelen.
Zou er nog wel een schot volgen?
Of zou de hele avond met een sisser aflopen?

Het werd geen van beide.
Na twee uur spreken, besloot Skerath:
We hebben vandaag de grens van het tweedelingsproces bereikt.
Onze moderne wereld is één en al versplintering.
We moeten nu de steven omkeren en weer naar eenheid streven.
De schepping kan maar voortgezet worden als we onze versplinterde wereld weer heel maken, als we de dualiteit stap voor stap overwinnen.
En daarom – nu kwam de klap op de vuurpijl – horen antroposofen zich niet bezig te houden met de tegenstelling tussen oude en jonge zielen!

Ik viel van mijn stoel.

Bruno Skerath zei hier precies het tegenovergestelde van wat Rudolf Steiner zei!

Op 8 juli (!) 1924, aan het eind van zijn leven, had hij Steiner in Dornach letterlijk het volgende gezegd:

‘Moeten we er nu misschien over gaan nadenken of we bij de ene of bij de andere groep horen? Op deze vraag wil ik een heel duidelijk antwoord geven. (…) Een van de dingen die we moeten leren inzien, is dat we ons in de loop van ons leven als vanzelfsprekend de zelfkennis moeten eigen maken: je hoort bij het ene of bij het andere type. (…) We moeten daarom in ieder geval in ons leven de mogelijkheid scheppen om de antroposofische beweging zodanig te verdiepen dat we ons met dergelijke dingen bezighouden.’

En hij voegde er nog aan toe dat nadenken over de zielengroep waartoe een antroposoof behoort geen oppervlakkige theorie is, maar een toepassing op het leven, een intensieve toepassing op het leven. En dat is precies waar het in de antroposofie om gaat, wat de antroposofie in de aardse cultuur wil brengen: geen theorie maar praktijk.

U kunt nu misschien denken dat ik uit die karmavoordrachten precies de citaten kies die in mijn kraam passen. Rudolf Steiner heeft namelijk zo ontzettend veel gezegd dat je altijd wel een citaat kunt vinden dat je standpunt ondersteunt. Maar ik heb die karmavoordrachten tamelijk grondig bestudeerd, vooral dan de voordrachten waarin hij spreekt over oude en jonge zielen, en ik kan u zeggen dat wat ik hierboven citeer niet alleen de letter maar ook de geest van die voordrachten vertolkt.
Ik stond er bij het lezen van die voordrachten versteld van met hoeveel nadruk Steiner over deze kwestie spreekt. Hij brengt ze zelfs – tot driemaal toe – in verband met de redding van onze beschaving, van de hele menselijke beschaving!

En dan komt Bruno Skerath doodleuk vertellen dat we ons daar niet moeten mee bezighouden! Alsof Steiner op het eind van zijn leven niet goed meer wist wat hij zei. Alsof hij na de Weihnachtstagung – de beroemde kerstbijeenkomst – een slag van de molen had gekregen.
En dat kwam Skerath – tijdens de kerstbijeenkomst in Mariakerke – eventjes rechtzetten.

Niet doen wat Steiner zegt, beste antroposofen!
Dat was zijn kerstboodschap.

Nadat ik van mijn stoel was gevallen, kroop ik er weer op.
En ik viel er ten tweede male af.
Want niemand leek graten te zien in Skeraths kerstboodschap.
Iedereen zat nog rustig op zijn stoel.
Ik begreep het niet.
Had dan niemand die karmavoordrachten gelezen?
Wist niemand wat Steiner over het zielenthema had gezegd?
Of kon het hen gewoon niet schelen?

Ik kon niet protesteren, want voor aanvang van de voordracht was uitdrukkelijk gezegd dat er géén vragen konden gesteld worden.
Dat vond ik al behoorlijk vreemd.
Een antroposoof houdt een voordracht en je mag geen vragen stellen?
Misschien had het iets te maken met de kersttijd.
U weet wel: vrede aan alle mensen van goede wil.
Geen vragen, geen discussies, geen choc des idées.
Alleen vrede.
Daar viel natuurlijk wel iets voor te zeggen, want als antroposofen het niet met elkaar eens zijn, is de vrede vaak ver te zoeken.
Maar waarom dan zo’n controversieel thema op de agenda plaatsen?
En waarom daar ook nog eens een controversiële voordracht over houden?

Ik hield dus beleefd mijn mond.
Maar achteraf moest ik mijn ei kwijt:
Wat vonden ze ervan dat een antroposoof op kerstavond kwam vertellen dat Steiner het bij het verkeerde eind had en dat daar geen vragen over mochten gesteld worden?

Ze begrepen het niet.
Waarover had ik het in godsnaam?
Ik legde het uit.
Toen werden ze verontwaardigd:
Hoe durfde ik Bruno Skerath zo beschuldigen?

Nu was het mijn beurt om het niet te begrijpen.
Ik beschuldigde niet, ik stelde gewoon iets vast.
Steiner zei: hierover moét je als antroposoof nadenken.
En Skerath zei: hierover mag je als antroposoof niét nadenken.
Conclusie: probleem, raadsel.
Niks geen beschuldiging.

Alleen een vraag: waarom zegt Skerath zoiets?

Nu de brave man dood is, heb ik er een beetje spijt van dat ik die vraag niet aan hem gesteld heb.
Een beetje.
Want ik was kwaad na die voordracht.
Een antroposoof mag voor mijn part zeggen wat hij wil, behalve één ding: dat ik er geen vragen over mag stellen.
Dan word ik kwaad.
Ik ben geen antroposoof geworden om weer naar de kerk te gaan en daar als een schaap te luisteren naar een goede herder.
Voor mij is de antroposofie in de allereerste plaats de Filosofie van de Vrijheid.
Al de rest is daaraan ondergeschikt.
En vrijheid betekent voor mij: vragen stellen.

Wellicht had ik niet moeten wachten op toelating om een vraag te stellen.
Wellicht had ik mijn stoute schoenen moeten aantrekken, en vragen:
Wat scheelt er met u meneer Skerath?
Waarom zegt u hier precies het tegenovergestelde als Rudolf Steiner?
En waarom doet u dat in zijn naam?

Zoals ik er nu op terugkijk, was het een Parsifal-situatie.
Ik zag een zieke Visserkoning (lees: ex-voorzitter van de Antroposofische Vereniging).
Maar in plaats van de vraag te stellen die op mijn lippen lag, zweeg ik.
Omwille van de lieve vrede,
Omwille van de kersttijd,
Omdat ik geïntimideerd was door die norse, gewichtige man.
Omdat ik verdorie niet durfde!

Ik heb daar nu spijt van, maar slechts een beetje.
Want ik zou de vraag niet om de goede reden gesteld hebben.
Ik zou de vraag niet uit mede-lijden gesteld hebben, maar uit kwaadheid.
Ik was nog te veel Parsifal de vechtersbaas.
Ik was nog te groen. Of te rood.
Hoe kon ik medelijden hebben met een man die tien treden boven mij stond op gelijk welke ladder!

Er ging iets van Skerath uit waar ik bang voor was:
de oude wereld van het vanzelfsprekende gezag,
de wereld van de oude mannen met de dikke buiken aan wier woord niet getwijfeld werd,
de wereld van de norse gezichten die niet konden lachen.
Ik heb Skerath nooit zien lachen.
Kon hij dat wel?
Hij was nochtans niet verstoken van humor.
Maar die was bijzonder droog.

Zoals ik er nu op terugkijk vertegenwoordigde Skerath de wereld van de oude zielen, de zielen wier tijd voorbij is.
We leven immers op het Keerpunt der Tijden.
De Oude Tijd is ten einde, de Nieuwe Tijd begint.
En de oude tijd was de tijd van de oude zielen.
Zij hadden het toen voor het zeggen.
Zij bekleedden toen het gezag.
Zij waren de koningen.
Maar het koningschap is ziek geworden.
Het is niet meer van onze tijd.
Het is nu de beurt aan de jonge zielen.
Zij zijn de bouwers van de Nieuwe Wereld.

Skerath was zo’n oude, zieke koning.
En ik zag het niet.
Ik zag wel de autoritaire, gewichtige, wetende koning.
Maar ik zag niet zijn ziekte, ik zag niet zijn lijden.
Ja, ze kunnen hun lijden en hun ziek-zijn goed verbergen, die oude zielen!
Ik loop er telkens weer in.
Mijn vrouw niet.
Zij kijkt daar los doorheen.
Hoe doet ze dat?
Wel, zij is om te beginnen een vrouw natuurlijk, maar zij is ook een jonge ziel.
Zij kijkt met haar hart.
Haar mede-lijden maakt haar ziende.
En zo kijkt ze doorheen dat vaak afschrikwekkende, intimiderende uiterlijk van de oude zielen.

Ik kan dat niet.
Ik kijk met mijn hoofd, met mijn fysieke zintuigen.
Die zien veel meer dan zo’n jonge ziel.
Maar ze zien alleen de buitenkant.
Ook van mensen.
Er is slechts één gebied waarop ik erin slaag niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant te zien, en dat is de kunst.
Daar kan ik, wat mijn vrouw in de dagelijkse werkelijkheid kan.
De kunst is het gebied waarop ik mij als oude ziel omschool tot jonge ziel.
De kunst is het gebied waarop beide zielensoorten elkaar de hand kunnen reiken.
En het is niet niks hoor, de ontmoeting van een oude en een jonge ziel.
Dat is echt een clash of civilisations.
Oud en nieuw botsen dan frontaal op elkaar.
En er moet hevig gevochten worden vóór die ontmoeting vrucht kan dragen.

Steiner wist dat, en daarom sprak hij met zo’n ongewone nadruk over de samenwerking tussen de platonici en de aristotelici, de denkers onder de oude en jonge zielen.
Van hun samenwerking hing volgens hem het voortbestaan van de menselijke beschaving af.
Je zou voor minder de daver op het lijf krijgen.

Ik begin te denken dat Bruno Skerath aan het eind van zijn leven heel erg de daver op het lijf had. In figuurlijke zin dan, want uiterlijk bleef hij volkomen onbewogen.
En die daver werd veroorzaakt door het naderen van de drempel.
Niet zozeer de drempel van de dood, al kan dat zeker meegespeeld hebben,
maar vooral de drempel tussen oud en nieuw,
De drempel tussen oude en jonge zielen.

Dat merk ik ook aan de twee boeken die hij op het eind van zijn leven geschreven heeft, en die zijn grensoverschrijding als het ware in beeld brengen.

Het eerste boek – De Aardse en de Kosmische Mens – is nog een typisch oude-zielenboek, al schemert er al iets nieuws in door.
Het tweede boek – Waar Komen we Vandaan? Waar Willen we Naartoe? – is geheel anders van aard en kwaliteit.

Beide boeken vormen duidelijk een neerslag van de ervaringen en inspanningen van een heel leven.
Zo zijn ze ongetwijfeld ook bedoeld: als de samenvatting en afsluiting van een leven.
Toen Skerath de laatste hand had gelegd aan het manuscript van zijn laatste boek en het verstuurd had naar de uitgever, ging hij bijna letterlijk op zijn bed liggen, sloot de ogen en stierf. Zijn werk zat erop.

Maar het werk is nooit af.
Ieder kunstwerk – en een mensenleven ís een kunstwerk – is de aanzet tot een volgend kunstwerk.
Kunst is a work in progress, a never ending story.

Daarom wil ik hier (en in een volgend deel, waarin ik zijn twee laatste boeken zal bespreken) de vraag stellen die ik bij zijn leven niet heb durven/kunnen stellen:

Wat was er met u aan de hand, Bruno Skerath?

Want, net als tijdens zijn voordrachten, gaat Skerath in zijn boeken een paar keer flink onderuit, en wel op zo’n manier dat het vragen oproept, indringende vragen, vragen die wellicht ongepast zullen lijken, maar die ik toch ga stellen.
Omdat Skerath dat volgens mij wilde.
Ik kan mij daarin vergissen.
Maar liever een vraag teveel gesteld, dan een vraag te weinig.
Beter een fout maken, dan geen fout durven maken.

Ik ga dit keer niet beleefd mijn mond houden, geïntimideerd door het ‘koningschap’ van Bruno Skerath. Ik ga zeggen wat ik denk en wat ik voel. En als ik me daarbij af en toe dwaas en ongepast gedraag, dan zal Bruno me dat zeker vergeven, want hij heeft het zelf ook een paar keer gedaan.

Ik weet niet of ze hierboven internet hebben en of hij mijn blog volgt, maar iets zegt me van wel.
Het is geen nieuwigheid dat zielen, oude en jonge, met elkaar converseren over de grens van de dood heen.
Het is weliswaar beter als ze dat kunnen tijdens hun leven,
maar alles op zijn tijd.

Ars longa, vita brevis.

(Wordt vervolgd)

20130717-170524.jpg