Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: politieke correctheid

Het levende denken (1)

  

Een lezer vraagt me: hoe zie ik dat, levend denken cultiveren? Hij had me net zo goed kunnen vragen: hoe word je antroposoof? Want de core business van de antroposofie is het denken weer tot leven brengen. Die formulering kan op twee manieren begrepen worden: het denken levend maken en het denken nader tot het leven te brengen. Ze betekenen allebei hetzelfde. Dood denken is denken dat zich (te) ver van het leven verwijderd heeft. Levend denken cultiveren betekent dus de kloof tussen het dode denken en de levende werkelijkheid verkleinen. Dat is geen geringe opgave, want die kloof is ontzettend groot geworden. In de kranten kunnen we iedere dag lezen hoe er gedachten ontwikkeld worden die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben, ja die de werkelijkheid gewoon omkeren. Dat is dan ook de volgende fase in het sterfproces van het denken: het denken wordt kwaadaardig, het vergrijpt zich aan de werkelijkheid. Het gaat niet alleen dood, het wordt ook dodelijk.

Een stervend denken is een denken dat zich losmaakt van de levende werkelijkheid en overgeleverd wordt aan de zwaarte van de materie en de wetten die daar heersen. Dat betekent dat het denken mechanisch wordt, het verliest zijn beweeglijkheid en wordt stram. Ten slotte valt het helemaal stil en gaat tot ontbinding over. Het is soms pijnlijk om te lezen of te horen hoe onsamenhangend het moderne denken geworden is, hoe het niet meer bij machte is een logische gedachtengang te volgen. Het rijgt gedachten aan elkaar zonder enig verband, gedachten die elkaar tegenspreken. Mensen zeggen in de ene zin dat iets wit is en in de volgende zin dat het zwart is, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze lijken niet meer te weten wat ze denken, het is alsof ze niet meer zelf denken. En dat is ook het geval. Een denken dat sterft, maakt zich niet alleen los van de werkelijkheid maar ook van de denker, wiens plaats wordt ingenomen door krachten die het lijk systematisch afbreken. 

Een denken dat tot ontbinding overgaat, begint te stinken. De kranten – waar men dat dode denken aan het werk ziet – hebben het voortdurend over de riolen van het internet, over de bruine onderstroom van de samenleving, over de bagger in de sociale media. In feite hebben ze het over zichzelf, over hun eigen stinkende denken dat ze overal op projecteren. Het resultaat is haatzaaierij, oorlogspropaganda. Ontbindend denken werkt polariserend, zaait wantrouwen, zet mensen tegen elkaar op, verdeelt de wereld in links en rechts die elkaar naar het leven staan. En de mens realiseert zich dat niet, want zijn denken is in handen van de tegenmachten gevallen. Zij zijn het die de stank verspreiden en van het denken één grote, uniforme brij maken. Stront is overal hetzelfde, er is niks persoonlijks of menselijks meer aan. Het dode, tot ontbinding overgegane denken bestaat enkel nog uit de afvalstoffen van het levende denken, uit lege, abstracte gedachten die ieder verband verloren hebben, zowel met de werkelijkheid als met elkaar. 

Hedendaagse kunst giet dit dode, ontbindende denken in beelden. Daarom bestaat het – letterlijk en figuurlijk – uit rommel, afval, uitwerpselen. Het allereerste hedendaagse kunstwerk was een pispot, Marcel Duchamp vatte er op visionaire wijze de hele 20ste eeuwse kunst mee samen. In die kunst schuilt een diepe tragiek, want ze is waar: ze toont ons de realiteit van het ontbindende denken. Maar zo zien we het natuurlijk niet, want ons denken (dat ons denken niet meer is) keert de werkelijkheid om. We menen beelden van levend denken te zien en staan daar vol bewondering voor, maar ons zien is omgekeerde blindheid, onze bewondering omgekeerde angst. Wie deze beelden van het dode denken benadert met een levend denken – en dus ziet wat er werkelijk te zien is – deinst verschrikt achteruit voor de (geestelijke) stank die de tegenmachten verspreiden, maar ook voor hun dodelijke agressie. Want als hij durft te zeggen wat hij ziet, wordt hij aan alle kanten onder vuur genomen.  

Na de beelden komen de woorden. De stank en de agressie van het in staat van ontbinding verkerende denken manifesteert zich in toenemende mate ook buiten de kunstwereld. In de politieke correctheid zien we duidelijk hoe het denken zich tegen zichzelf keert: met onsamenhangende, tegenstrijdige, maar geraffineerde en intimiderende redeneringen wordt het denken verboden. Aan de Amerikaanse universiteiten wordt dat pijnlijk zichtbaar. De wetenschap wordt er stap voor stap het zwijgen opgelegd. Onderzoekers wier bevindingen niet stroken met de politiek correcte dogma’s worden ontslagen of krijgen geen geld meer. Professoren wordt het lesgeven onmogelijk gemaakt door schreeuwende studenten, die hen soms zelfs van de campus wegjagen. Tot nog toe zijn er geen doden gevallen, maar de protesterende studenten schuwen het geweld niet. Regelmatig moet de politie massaal uitrukken als het denken weer eens door wilde horden wordt aangevallen.  

Waar we vandaag getuige van zijn, is niets minder dan de terechtstelling van het denken. Die wordt uitgevoerd door het denken zelf, of beter gezegd, door de tegenmachten die het in hun greep hebben gekregen en het tegen zichzelf richten. Het hele wetenschappelijke apparaat wordt langzaam losgemaakt van de waarheid en verbonden met de leugen. Dat heeft verregaande gevolgen. Eén voorbeeld: op gezag van deze wetenschap wordt steeds meer aangedrongen op verplicht vaccineren. In Amerika is iedere 18-jarige reeds 75 keer ingeënt. De vaccins – die allesbehalve onschuldig zijn – worden steeds meer gecombineerd tot een cocktail die de mens van bij zijn geboorte moet beschermen tegen alle mogelijke ziekten. In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde: hij wordt weerloos tegen deze ziekten omdat zijn immuunlichaam systematisch verzwakt. Wat we hier zien opdoemen is het medicijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zou afsluiten voor de geest. 

Via de hedendaagse kunst dringt het dode denken door in de gevoelswereld en legt dat lam. Via de hedendaagse wetenschap dringt het door tot in de wil van de mens: het wordt hem fysiek onmogelijk gemaakt om nog zelf te denken. Het is een ontredderende ervaring om te discussiëren met mensen en vast te stellen dat ze vol goede wil zijn maar niet meer kunnen denken. Het is alsof ze door een denkberoerte getroffen zijn: ze maken innerlijk allerlei denkbewegingen maar hun lichaam luistert niet meer, het is ontoegankelijk geworden voor hun geest en diens goede wil. Zelf zijn ze zich daar niet van bewust, want ze nemen hun denken niet meer waar. Dat is namelijk wat de hersenen doen: ze maken het denken zichtbaar, ze zijn een spiegel waarin het denken zichzelf kan waarnemen en bewust worden van zichzelf. Maar die spiegel wordt kapot geslagen door het bombardement van chemicaliën waaraan de hedendaagse mens blootstaat.

En dat alles gebeurt op gezag van de wetenschap. Geen wonder dat uitgerekend studenten en jonge intellectuelen zich keren tegen het oude, nog waarheidsgetrouwe wetenschappelijke denken: hun denkapparaat is ontregeld, hun geest is niet meer in staat erin door te dringen en het te gebruiken, ze zijn hulpeloos overgeleverd aan de tegenmachten. Het is huiveringwekkend om de bezetenheid, maar ook de angst, te lezen in de ogen van deze jongeren, het kruim van de intelligentsia, de toekomstige leiders van de mensheid. Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden en dat is wat we vandaag overal zien gebeuren. Het dodelijke, rottende denken verspreidt zich als een infectie, een virus dat kinderen van jongs af wordt ingespoten, zowel geestelijk als lichamelijk. Niemand ontsnapt eraan, en wie zich verzet – omdat hij ziet wat het met kinderen doet – wordt verketterd, als een misdadiger te kijk gesteld, uit zijn ouderrechten gezet.  

Het cultiveren van het levende denken is een poging om de ziel van de mens te redden, en dat vergt een strijd op leven en dood tegen een verpletterende overmacht die zich op alle gebieden manifesteert, geestelijk, fysiek en sociaal. Op fysiek gebied wordt het immuniteitssysteem aangevallen, op sociaal gebied het vertrouwen, op geestelijk gebied de moraliteit. Deze overmacht keert alles in zijn tegendeel: het immuniteitssysteem begint zichzelf aan te vallen, het vertrouwen wordt wantrouwen, de moraliteit wordt immoraliteit. De ontketende tegenmachten vinden hun aangrijpingspunt in het dode denken van de mens: dat is hun bruggenhoofd, van daaruit lanceren ze hun geallieerde aanval op de ziel van de mens. Zolang die mens zijn denken niet herovert, zolang dat denken dood en dodelijk blijft, zullen al zijn pogingen om zich te verzetten tegen de ontmenselijking schipbreuk lijden. Want in alles wat de mens doet, is zijn denken werkzaam. Hij is een animal rationale

Schakelt men het denken van de mens uit, dan schakelt men ook zijn menselijkheid uit, dan wordt hij een dier. Geen dier echter dat geleid wordt door een geniaal instinct, maar een dier dat geleid wordt door wilde, chaotische en egoïstische driften. Deze dierlijke mens staat veel lager dan het dier, hij is een monster zoals we het in de dierenwereld nergens tegenkomen. De voorbije wereldoorlogen hebben dat ten overvloede geïllustreerd. De beestachtigheid van het mensdier kent geen grenzen. De redding van de ziel – de redding van de menselijkheid van de mens – begint bij het denken. Dat dode denken moet weer omgekeerd worden, het moet in zijn oorspronkelijke – levende en levenwekkende – staat worden hersteld. Het verleden – vanaf de schepping tot vandaag – was één langgerekt sterven van het levende denken. Het culmineerde in de vrije mens die nu de keuze heeft dat sterven voort te zetten of om te keren. Die keuze is de zin en het doel van het hele mensheidsverleden.

We beleven momenteel het Keerpunt der Tijden: de hele wereld wordt ‘omgekeerd’. Maar het dode denken beweegt niet mee, het blijft star in dezelfde richting verder gaan, het gaat steeds meer tot ontbinding over. Om de keuze te maken waarvoor we staan, hebben we maar een bepaalde tijdsspanne, de tijd van het dode denken zeg maar. Het is immers dat dode denken dat een vrije keuze mogelijk maakt. Begint het tot ontbinding over te gaan, dan verliezen we die vrijheid weer, dan raken we in de greep van de tegenmachten. Het komt er dus op aan dat dode denken te gebruiken voor het uiteen begint te vallen en onbruikbaar wordt. We moeten het gebruiken om na te denken over het denken, over de vrijheid die het ons biedt, maar ook over de grote gevaren die het inhoudt. Juist doordat het denken zich steeds meer van ons losmaakt en sterft, zijn we in staat het waar te nemen en erover na te denken. En dat is een voorwaarde om doordrongen te worden van de noodzaak om er ons weer mee te verbinden en het tot leven te wekken. 

Rudolf Steiner bekloeg er zich over dat de moderne mens zo ongelooflijk goed kan denken maar het niet doet. Hij maakt geen gebruik van het schitterende vermogen dat hij van het verleden gekregen heeft. Hij laat het zich ontfutselen door de tegenmachten, als een rijkeluiskind dat het familiefortuin erdoor jaagt. We leven in een tijd van grote beslissingen, aldus Rudolf Steiner, en die kunnen allemaal teruggebracht worden tot de beslissing om te denken, om het dode denken – dat kostbare instrument – ter hand te nemen en weer tot leven te wekken, om het uit handen van de tegenmachten te houden of te trekken. En daarmee ben ik weer terug bij het begin van deze uiteenzetting, want die beslissing werd genomen in het voorgeboortelijk leven, met name in de Michaëlschool en -cultus waarover Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven sprak. Daar werd de antroposofie verwekt, daar ontstond de wil om het denken weer tot leven te wekken.

Waar Rudolf Steiner zich dus eigenlijk over bekloeg was dat zo weinig mensen zich bewust werden van die wil, want er hadden veel meer mensen aan deze Michaëlbijeenkomst in de hemel deelgenomen, dan er op aarde tot de antroposofie kwamen. Hier duikt het thema op waar Rudolf Steiner steeds weer op hamerde: we moeten wakker worden. We moeten ons dode (maar bewuste) denken verbinden met onze levende (maar onbewuste) wil. Die twee moeten in elkaar doordringen: de wil moet het denken weer tot leven brengen, het denken moet licht ontsteken in de duistere gebieden van de wil. Dat is wakker worden. Levend denken is denken waarin onze wil werkzaam is. Maar die wil kan pas werkzaam worden als we hem kennen. Veel jonge mensen ontbreekt het aan wilskracht, ze zijn onverschillig, lusteloos, ten prooi aan hun driften. Maar dat komt niet doordat ze niks willen, het komt doordat ze niet weten wat ze willen. Hun denken en hun willen zijn ontkoppeld, ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Wakker worden is daarom nauw verbonden met karmabewustzijn. Als we erachter willen komen wat we willen in dit leven, wat onze levensopgave is, dan moeten we niet in onszelf kijken, want daar treffen we vooral wensen aan. We moeten naar buiten kijken, naar de concrete werkelijkheid van ons leven, want dat is een beeld van onze wil. Voor jonge mensen ligt dat moeilijk omdat ze nog niet veel beeldmateriaal hebben. Daarom moeten ze geholpen worden door oudere mensen die op een heel leven kunnen terugkijken en zich een veel duidelijker beeld kunnen vormen van hun wil. In dit karmaonderzoek overbrugt de mens de kloof tussen denken en willen. Het is dan ook in de eerste plaats een aangelegenheid van het hart. Levend denken is hartelijk denken, het is denken met het hart. Het is ook sociaal denken, denken in gesprek met anderen. Daarom stond in het centrum van Rudolf Steiners karmavoordrachten het gesprek tussen de oude (denkende) zielen en de jonge (willende) zielen. Dat is het hart van de antroposofie. 

Advertenties

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Brossen voor de bossen

  

Toen ik bovenstaande foto voor het eerst zag, moest ik lachen. Die man in de cirkel: dat had ik kunnen zijn! Niet dat ik er zo zeker van ben dat ik nooit met de nazi’s zou meegeheuld hebben – zoiets is gemakkelijk gezegd – maar het is me al meer dan eens overkomen dat ik in een menigte enthousiast juichende en applaudisserende mensen de enige was die weigerde mee te doen. Het is zelfs een beetje the story of my life. Vandaag is het weer zover. Tienduizenden scholieren betogen in Brussel ‘voor het klimaat’. Ze worden uitbundig geprezen door ouders, leerkrachten, schooldirecties, media, opiniemakers, ambtenaren, vakbonden, politici, ja zelfs door de koning. En weer lijk ik de enige te zijn die weigert mee te juichen. Mijn dissidentie heeft niets te maken met het feit dat de scholieren spijbelen, wel integendeel. Brosten ze maar omdat de school hen de keel uithangt, dan zou ik van harte applaudisseren. Ze doen het echter ‘voor het goede doel’ en dat geeft me een slecht gevoel. 

Ik zou het mezelf beslist gemakkelijker maken als ik dat gevoel negeerde, want je haalt je wat op de hals als je weigert mee te juichen. Dat was vroeger ook al het geval, en het is er zeker niet op gebeterd. Mensen horen het in Keulen donderen als ik zeg dat die betogende scholieren mij een slecht gevoel bezorgen. Ben ik misschien op mijn kop gevallen? Wat is er mis met jongeren die zich zorgen maken over hun toekomst en zich engageren om de planeet te redden? Ze verdienen juist onze bewondering! Ben ik weer een van die klimaatnegationisten die het meent beter te weten dan de wetenschap? Kan het mij dan niks schelen welke wereld ik achterlaat voor mijn kinderen en kleinkinderen? Ga maar vrolijk verder met het milieu te vernietigen, roepen ze me toe, de anderen zullen je rotzooi wel opruimen! Als ik mij probeer te verdedigen, verliezen ze helemaal hun geduld en weigeren nog langer met me te spreken. Aan zo’n verzuurde ouwe zak willen ze geen energie meer verspillen. 

Alleen al om die reden geven de spijbelende scholieren, ja geeft de hele klimaatbeweging, me een slecht gevoel: deze schreeuwende mensen verdelen de wereld – weer eens – in good guys en bad guys, in mensen die aan de juiste kant van de geschiedenis staan en mensen die aan de verkeerde kant staan. Klimaatactivisten en -sympathisanten zijn er meer dan ooit van overtuigd aan de goede kant te staan en daardoor menen ze het recht te hebben de slechteriken aan de andere kant hard aan te pakken. Wie vragen heeft bij de onheilsberichten die klimaatwetenschappers onophoudelijk de wereld insturen, wordt ervan beschuldigd een ‘klimaatnegationist’ te zijn. Dat is erger dan een holocaustontkenner, want het gaat nu om het voortbestaan van de hele mensheid. Er gaan dan ook stemmen op om deze ‘misdadigers’ achter de tralies te gooien. Zover is het gelukkig nog niet, maar als de temperatuur blijft stijgen – in de natuur of onder de betogers – dan zal het er vroeg of laat van komen. 

Wie de geschiedenis van de 20ste eeuw een beetje kent, schudt het hoofd en denkt: daar gaan we weer! Opnieuw trekken dichte drommen door de straten, roepend om een overheid die drastische maatregelen moet nemen. Opnieuw stellen ze – na jarenlange blootstelling aan propaganda – al hun hoop op sterke leiders die ‘hun verantwoordelijkheid nemen’, die met de vuist op tafel slaan en roepen: ‘het moet nu eens afgelopen zijn met die opwarming van de aarde!’ Opnieuw sluiten ze iedereen die het niet met hen eens is op achter prikkeldraad, sociale prikkeldraad weliswaar, maar prikkeldraad niettemin. Opnieuw is er geen tijd meer voor discussie en debat, want er moet gehandeld worden, ons leven is in gevaar! Opnieuw moeten denkers en critici zwijgen, want ze brengen het voortbestaan van de planeet in het gedrang. Er staat met andere woorden nog (veel) meer op het spel dan in de 20ste eeuw, en wat toen zo grandioos is mislukt is, moet nu lukken, anders halen we het einde van de eeuw niet.

Nu ook de kinderen zich in de strijd hebben geworpen, is de klimaatbeweging incontournable geworden. Haar nieuwe gezicht is een Zweeds meisje, Greta Thunberg. Op een dag besloot ze te gaan spijbelen voor het klimaat: Skolstrejk för Klimatet. Haar ouders vonden het fantastisch, haar school vond het fantastisch, de media vonden het fantastisch en drie maanden later was het meisje-met-de-vlechten wereldberoemd: ze kwam overal op televisie, ze sprak de Verenigde Naties toe, ze was de eregast op het Wereld Economisch Forum. Het leek wel een verhaal van Astrid Lindgren: Pipi Langkous redt de wereld. De grote mensen juichten haar toe, alsof ze gewacht hadden op deze nieuwe Jeanne d’ Arc om in actie te schieten, alsof de hemel zelf hen een helpende hand reikte. Overal wekte kleine Greta liefde en bewondering. Je moest echt wel een harteloze cynicus zijn om niet ontroerd te worden door zoveel kinderlijke onschuld, door zoveel jeugdige moed.

Merkwaardig hoe sterk volwassenen in sprookjes geloven. Pipi Langkous die de wereld komt redden en vloeiend Engels spreekt? Een autistisch meisje dat optreedt voor grote menigten? Een scholier die spijbelt en in plaats van straf applaus krijgt? Wat is er gebeurd met de veelgeroemde rationaliteit van de moderne mens? Laat hij zich zomaar inpakken door deze Hollywoodbeelden? Stelt hij zich geen vragen bij dit mediaspektakel? Fronst hij de wenkbrauwen niet als hij dit ‘onschuldige kind’ hoort zeggen dat we moeten panikeren, dat we drastische maatregelen moeten nemen, dat we de schuldigen moeten opsporen? Is er dan niemand die zich afvraagt: wie spreekt hier eigenlijk? Is dat kleine Greta of zijn het de volwassenen die haar omringen, en die blij zijn een kind als spreekbuis te hebben: de glunderende ouders, de trotse leerkrachten, de solidaire schooldirecties, de enthousiaste media, de applaudisserende politici? Krijgt niemand een vieze smaak in de mond van deze vermenging van kinderlijke onschuld en volwassen politiek?  

Valt het niemand op dat deze Pipi Langkous precies hetzelfde zegt wat de politiek correcten al jaren zeggen? Ziet niemand dat zij gewoon de volgende stap is in het opruien van de massa’s, het roepen om een sterke leider, het opdelen van de mensheid in schuldigen en onschuldigen, het eisen van drastische maatregelen tegen die schuldigen, het afschaffen van het debat? Komt niemand op de gedachte dat dit meisje wordt gebruikt, dat kinderen hier als politiek wapen worden ingezet? Is de moderne mens dan werkelijk zo naïef en wereldvreemd geworden dat hij gelooft dat de remedie die in de 20ste eeuw keer op keer (veel) erger is gebleken dan de kwaal dit keer wel voor genezing zal zorgen, gewoon omdat de kinderen meedoen? Begrijpt hij dan niet dat kinderen altijd meedoen, dat zij loyaal zijn aan hun opvoeders, ook al misleiden die hen? Is hij dan zelf zo kinderlijk en goedgelovig geworden dat hij loyaal blijft aan zijn politiek correcte ‘opvoeders’, ook al misbruiken ze hem in naam van het goede doel?

Wie zijn trouwens die ‘opvoeders’ waarin de moderne mens zo’n grenzeloos vertrouwen stelt dat hij bereid is zijn lot in hun handen te leggen? Daar kan sinds de klimaatbeweging geen twijfel meer over bestaan: het zijn de wetenschappers. Zij zijn het die zeggen dat de planeet in gevaar is, dat de overheid moet ingrijpen, dat er dringend maatregelen moeten komen. Zonder wetenschappers geen klimaatbeweging, geen Greta Thunberg, geen spijbelende scholieren, geen gejuich op alle banken. De wetenschap vertegenwoordigt het grootste gezag van onze tijd, ja het grootste gezag aller tijden. Dankzij die wetenschap hebben we eindelijk de waarheid ontdekt. Dankzij de wetenschap hebben we alle leugens uit het verleden ontmaskerd. We voelen ons dan ook ver verheven boven onze kinderlijk naïeve voorouders. Dat is trouwens het enige gevoel dat we nog ernstig nemen: het gevoel van afkeer en minachting voor iedereen die nog in sprookjes gelooft en de wetenschap niet als de enige, echte waarheid beschouwt.

De moderne wetenschap is de grootste geestelijke autoriteit die de wereld ooit gekend heeft. De moderne overheid is een wereldlijke autoriteit die zowat alle aspecten van ons leven bepaalt. Volgens de klimaatbeweging moeten die twee dringend de handen in elkaar slaan en een soort supergezag vormen dat de meest drastische maatregelen neemt die deze aarde ooit gezien heeft. Een mens zou van minder bang worden. Het lijkt er steeds meer op dat we op een ramp afstevenen. Als we niks doen, volgt er een natuurramp, proberen we die te vermijden, dan veroorzaken we een andere ramp. Want wat zal er gebeuren als de drastische maatregelen niet blijken te helpen? Dat is verre van onwaarschijnlijk, want de voorspellingen van de klimaatwetenschappers hebben nu reeds de neiging om niet uit te komen. Wat zal men in dat geval doen, nog drastischer maatregelen nemen? Volharden in de boosheid? Of zal de monstercoalitie van wetenschap en overheid toegeven: we hebben ons vergist?

De vraag stellen, is ze beantwoorden. Wanneer hebben we een politicus nog eens horen zeggen dat hij zich vergist heeft? En waar is de twijfel in de rangen van de wetenschap? Steeds weer worden we om de oren geslagen met de wereldwijde wetenschappelijke consensus over het klimaat. Niet minder dan 97 procent van alle klimaatwetenschappers ter wereld zijn het er roerend over eens: de aarde warmt op, het is de schuld van de mens, en er zijn dringend maatregelen nodig. Wie deze wetenschappelijke waarheid in twijfel trekt, is een idioot, ook al is hij zelf wetenschapper, ook al heeft hij een Nobelprijs op zak. Zoals Maarten Boudry onlangs op televisie verklaarde: alleen klimaatwetenschappers hebben recht van spreken, de rest moet zwijgen. Het schetst zo’n beetje de sfeer in wetenschappelijke kringen: een niet-klimaatwetenschapper verklaart dat niet-klimaatwetenschappers hun mond moeten houden. En in zo’n klimaat (sic) zou er iemand opstaan die zegt: we hebben ons vergist? 

Waarop baseren mensen als Maarten Boudry zich om te verklaren dat de ene wetenschapper mag spreken en de andere niet? Alvast niet op de rede. Maar waarop dan wel? Dat leren we uit een bericht dat in de krant verscheen in dezelfde week dat de scholieren gingen betogen. James Watson, Nobelprijswinnaar en ontdekker van de DNA-structuur, raakte al zijn eretitels kwijt nadat hij eerder al van al zijn functies werd ontheven. Wat had de beroemde wetenschapper dan wel op zijn geweten dat hij zo zwaar gestraft werd? Hij had een … wetenschappelijke uitspraak gedaan, een uitspraak op zijn eigen vakgebied nog wel, een uitspraak die niet alleen door wetenschappelijk onderzoek maar ook door het gezond verstand wordt aangetoond. Helaas strookte deze wetenschappelijke waarheid – er bestaan genetische bepaalde IQ-verschillen tussen de rassen – niet met de politiek-correcte dogma’s van onze tijd en dus werd de botte bijl bovengehaald. Tot zover het gezag van de wetenschap. 

De wetenschap is dus niet langer baas in eigen huis. Zolang ze de politiek niet in de weg loopt, is er niks aan de hand. Maar gaat zij ertegenin, dan merken we onmiddellijk wie het voor het zeggen heeft. Wat het geval van James Watson zo ontstellend maakt, is niet alleen de barbaarse behandeling die hij onderging, maar ook – en misschien zelfs vooral – het uitblijven van enig protest. Eén van de meest eminente wetenschappers van onze tijd wordt publiekelijk vernederd en geen enkele collega geeft een kik. Nergens is ook maar één woord van verzet of verontwaardiging te horen, alsof het geheel vanzelf spreekt dat de politiek de wetenschap op de vingers tikt wanneer ze buiten de lijntjes kleurt. En dat alles gebeurt in naam van de wetenschap: James Watson werd bij het groot vuil gezet omdat hij ‘tegen de wetenschap in ging’. Anders gezegd, de politiek correctheid presenteert zich als een hogere wetenschap, die het recht heeft de lagere wetenschap hardhandig tot de orde te roepen. 

Het meest tragische van de hele zaak is dat de stoottroepen van deze politieke wetenschap of wetenschappelijke politiek … jongeren zijn, schreeuwende jongeren die met kartonnen borden lopen te zwaaien. Iedere geleerde die zijn politiek-correcte boekje te buiten gaat, wordt door hen het spreken belet en soms zelfs letterlijk van de universiteit gejaagd. Er circuleren hallucinante beelden op het internet van grijze professoren die uitgescholden en geïntimideerd worden door studenten, vaak kinderen nog. Dat gebeurt aan de meest prestigieuze universiteiten ter wereld en telkens weer zien we hetzelfde: men laat begaan. Niemand steekt een vinger uit om de wetenschappers – zeg maar om de wetenschap – te beschermen. Het is een publiek geheim dat niemand vandaag nog zeker is van zijn job, zijn reputatie, zijn subsidies, en zelfs zijn fysieke integriteit, als hij zich niet voegt naar de eisen van de politieke correctheid. In die sfeer is de klimaatwetenschap ontstaan, in die sfeer opereert ze.

Deze gepolitiseerde wetenschap is het die aan de lopende band horrorverhalen de wereld instuurt, die alleen nog heil verwacht van een sterke overheid, die op hoge toon drastische maatregelen eist, die kritische stemmen brutaal de mond snoert en die onschuldige kinderen voor haar kar spant. Door deze ‘wetenschap’ spreekt een ideologie die al onvoorstelbare ellende heeft aangericht, maar toch juichen wij haar opnieuw toe, toch lopen wij weer als naïeve kinderen achter deze rattenvanger van Hamelen aan. Alsof we maar niet volwassen willen worden, alsof we – tegen beter weten in – willen blijven geloven in sprookjes, in meisjes-met-vlechten die de wereld komen redden, in kinderen die roepen dat de keizer prachtige kleren aan heeft. Wat is er met ons aan de hand? Is de aarde dan al zodanig opgewarmd dat we het hoofd niet langer koel kunnen houden? Gelukkig vriest het volop, en is het enthousiasme van de spijbelende scholieren al danig bekoeld. Laten we hun voorbeeld volgen en weer ons verstand gebruiken.

Gezocht: moraal

  

Een werknemer van Google schreef onlangs in een memo dat het lage percentage vrouwen in de technologiesector te wijten is aan de biologische verschillen tussen man en vrouw. Hij werd prompt ontslagen. ‘Dit is niet het standpunt van het bedrijf’ verklaarde de diversiteitsverantwoordelijke bij de technologiereus. Het is de typische politiek-correcte reactie: iedereen die er andere opvattingen op nahoudt, wordt monddood gemaakt, uitgesloten, ontslagen, gebroodroofd, karakterieel vermoord, enzovoort. En dat gebeurt allemaal in naam van de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid, de gelijkheid, de menselijkheid, de liefde. Anders gezegd, de linkerhand heeft geen idee wat de rechterhand uitspookt. Deze onbewuste contradictie – een klassiek gegeven – is door de politieke-correctheid tot een kunst verheven waarvan we het laatste nog niet gezien hebben. Dat bewijst de Google-affaire. Want wat is hier aan de hand? Een groot technologiebedrijf discrimineert vrouwen, en nog geen klein beetje. In de technologiesector werken namelijk dubbel zoveel mannen als vrouwen, en volgens het politiek-correcte dogma kan dat alleen te wijten zijn aan discriminatie. Google is dus absoluut niet politiek-correct bezig. Nu werkt er bij Google een ingenieur die dat tegenspreekt. Hij vindt dat Google helemaal niet discrimineert en dus wel politiek-correct is. Reactie van Google: de man wordt ontslagen. De vraag rijst wat er gebeurd zou zijn als hij Google had aangeklaagd wegens discriminatie. Waarschijnlijk zou hij promotie hebben gekregen. Moraal van het verhaal: geen. 

Ite missa est

  

De streek waar ik nu woon, de Vlaamse Ardennen, ligt bezaaid met dorpjes. Om de vijf kilometer steekt een kerktoren boven de bomen uit. Groot zijn ze niet, die kerkjes, maar ze vormen wel een duidelijk herkenningspunt in het landschap. Het uiterlijke landschap dan, want voor ons innerlijke landschap betekenen ze niets meer. Ze zijn dan ook allemaal gesloten. Af en toe gaat de deur nog eens open, als de pastoor passeert om een mis op te dragen. Dat is dan niet de pastoor van het dorp, maar een ‘vliegende’ pastoor die in het weekend van hot naar her rijdt om in zoveel mogelijk kerken een eucharistieviering te houden. Feestelijk is anders. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat er op zondag in iedere parochie meerdere misvieringen waren. Keuze genoeg. Later kwam daar ook nog de zaterdagavond bij. Maar dat was al een veeg teken.

Tijdens mijn leven is de ooit zo machtige katholieke kerk geruisloos ingestort. Mijn ouders gingen nog als vanzelfsprekend iedere zondag naar de mis. Even vanzelfsprekend ging ik (vanaf mijn 14de) niet meer, en mijn kinderen weten niet eens wat een mis is. Ze weten niks meer van het christendom, zoals de meeste jonge mensen. Dat betekent evenwel niet dat het christendom verdwenen is, wel integendeel. Het is langs de voordeur buitengeschopt, maar langs de achterdeur weer binnengekomen. De jongere generaties zijn even vanzelfsprekend politiek-correct als de oudere generaties christelijk waren, en politieke correctheid is niets anders dan onbewust, instinctief christendom. De idealen die de moderne mens in vuur en vlam zetten, zijn christelijke idealen. Alleen, hij weet het niet. En dat is de vloek van onze tijd.

Eigenlijk vieren we vandaag voortdurend Hemelvaart, maar dan in omgekeerde zin: we zijn blij dat Christus verdwenen is. Weg met religie! roepen we. Maar we bedoelen: weg met Christus! Want andere religies, de islam op kop, behandelen we met veel égards. De moderne mens is een christen-tegen-Christus geworden, en dat kan niet goed aflopen. Door gebrek aan bewustzijn is de wederkomst van Christus een zelfvernietigende impuls geworden, die de mens langzaam maar zeker ten gronde richt. Wat we meemaken is een omkering van het oerbeeld van Hemelvaart. In plaats dat we vooruitgaan naar Pinksteren keren we terug naar Golgotha en slaan in naam van de menselijkheid het wezen van alle menselijkheid aan het kruis. Meer dan ooit geldt het Christuswoord: heer, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Over beelden en woorden (2)

  

Om propaganda te doen slagen, moet je met twee zijn: degene die de propaganda maakt en degene die ze gelooft. De ‘boerkini-foto’ (waarop overigens geen boerkini te bekennen valt) is een voorbeeld van het raffinement van de moderne propagandamakers. Veel was er niet nodig: een moslima en een fotograaf. Onder hun tweetjes hebben ze ervoor gezorgd dat de plannen voor een boerkini-verbod elders in Europa opgeborgen werden en tevens dat de boerkini-verkoop steil de hoogte in ging. Allemaal door één enkel beeld. De hele moslimellende is trouwens begonnen met een beeld: de aanslag op de twin towers in New York. Alles wijst erop dat ook dat beeld zorgvuldig in scène werd gezet. De gevolgen waren – en zijn – desastreus. Het creëren van dat beeld was van een demonische genialiteit. 

Hoe komt het dat de moderne mens zo vatbaar is voor dergelijke propagandabeelden? Hoe komt het dat één zo’n beeld voldoende is om een vernietigende oorlog te ontketenen? Eén reden is alvast: de levensechtheid van die beelden. Een tekening van het instortende WTC of van de moslima in Cannes zou bijlange niet het effect hebben gehad dat de foto’s nu wel hebben. Iedereen kan immers tekenen wat hij wil, een tekening is fictie, een foto daarentegen is werkelijkheid. Foto- en filmbeelden worden ervaren als waarheidsgetrouw. Dat heeft tot gevolg dat de kijker passief wordt: hij spant zich niet meer in om het (dode) beeld tot leven te wekken, zoals hij dat wel doet bij een tekening of een schilderij. De ‘boerkini-foto’ is daar een mooi voorbeeld van: niemand stelt er zich vragen bij, men slikt gewoon de boodschap. 

Die boodschap of betekenis ligt niet in de foto zelf besloten, want die roept meer vragen op dan antwoorden. Nee, de betekenis wordt eraan toegevoegd. ‘Framing‘ heet dat in het moderne mediajargon. Het beeld wordt – door middel van ronkende woorden – zodanig gekaderd dat er een duidelijke boodschap uit spreekt die zonder nadenken wordt opgenomen. De reactie volgt onmiddellijk: een explosie van emoties. Het is dus de combinatie van woord en beeld die zo’n krachtige propaganda maakt. Als de boerkini-foto ongekaderd, zonder enig commentaar in de krant was verschenen, zouden de lezers zich afgevraagd hebben: wat gebeurt hier? Ze zouden het – allesbehalve eenduidige – beeld hebben moeten interpreteren en dat zou hen belet hebben in verontwaardiging uit te barsten. 

Dat zou ook het geval zijn geweest als er alleen maar woorden waren geweest, want dan zou de lezer zich een beeld hebben moeten vormen. ‘Politie dwingt moslima zich uit te kleden in Cannes’. Uitkleden? Wat bedoelen ze daarmee? Helemaal naakt? Nee, dat kan niet. Ze zal waarschijnlijk een boerka hebben aangehad. Enzovoort. Het is heel moeilijk om met woorden een tafereel zo goed te beschrijven dat de lezer het als het ware voor zich ziet. Lezers moeten zich dan ook altijd inspannen om van de woorden een beeld te maken, net zoals kijkers zich moeten inspannen om van een beeld de betekenis te vinden. Woorden en beelden zijn het halve werk: ze hebben elkaar nodig. Beelden willen woorden worden, woorden willen beeld worden. En dat des te meer naarmate de beelden levensecht zijn en de woorden levensloos en abstract.          

De propagandatechniek bestaat erin dat de mens, als bruggenbouwer tussen woord en beeld, uitgeschakeld wordt. Woord en beeld worden met elkaar verbonden zonder dat hij er moeite moet voor doen, zonder dat hij er als bewust en actief wezen aan te pas komt. Als gevolg daarvan slaan beeld en woord bij hem in als een bom en exploderen in zijn ziel. Dat is wat nu al jaren aan de gang is: via de media wordt de moderne mens onafgebroken gebombardeerd met beelden en woorden die zo innig met elkaar verstrengeld zijn dat hij er geen speld meer tussen krijgt. Deze ‘beeldwoorden’ of ‘woordbeelden’ zijn veel te talrijk dan dat hij de kans zou krijgen om ze te ontstrengelen en (daardoor) te ontmijnen. Ze dringen rechtstreeks in zijn onderbewuste door, zonder gefilterd te worden door een actief bewustzijn. 

Het resultaat is de politiek-correcte mens, die in een voortdurende staat van verontwaarding verkeert en bij het geringste ‘explodeert’ in verwijten en beschuldigingen. Deze geïndoctrineerde mens hebben we aan het werk (sic) gezien na het verschijnen van de fameuze ‘ontkledingsfoto’. Hij slikte beeld-en-boodschap als zoete koek en reageerde zoals verwacht mag worden van een soldaat die een bevel krijgt. Merkwaardig genoeg treft deze sluipende ‘militarisering’ vooral de intellectuele klasse, van wie verwacht mag worden dat ze kritisch kan denken en zich niet zomaar voor de kar van generaals en andere oorlogszuchtigen laat spannen. Toch is dat minder verwonderlijk dan het lijkt, want juist deze intellectuele klasse ontwikkelt het dode, abstracte denken, het denken-zonder-beelden. 

Haar hele jeugd wordt ze opgesloten in scholen en op een rantsoen van beeldloze woorden en abstracte begrippen gezet. Daardoor ontwikkelt ze, zonder het te beseffen, een razende honger naar beelden. Krijgt ze beelden te zien, dan worden die haastig naar binnen geslokt, zonder kauwen of proeven. Niet de inhoud of betekenis van de beelden zelf wordt opgenomen, maar de ‘geframede‘ betekenis, de bijgevoegde boodschap. Op die manier worden moderne intellectuelen het slachtoffer van mensen die beelden als propaganda gebruiken. En dat zijn eveneens intellectuelen, want het ligt in de aard van de moderne intellectueel om beelden louter te gebruiken als illustratie van ideeën. Waar zouden ze anders goed voor zijn? Het komt niet eens in hem op dat beelden een eigen taal, een eigen inhoud, een eigen betekenis zouden kunnen hebben.

Moderne intellectuelen behandelen beelden als domme blondjes: ze moeten mooi zijn en hun mond houden, want ze hebben niets te zeggen. Hun enige functie bestaat erin om ideeën te illustreren, te weerspiegelen en op te leuken. Zonder die ‘mannelijke’ ideeën zijn ze niets. In feite behandelt de Westerse intellectueel beelden zoals een moslim vrouwen behandelt: ze bestaan alleen ter meerdere eer en glorie van hemzelf. In de islamwereld is de ondergeschiktheid van de vrouw zo vanzelfsprekend dat moslima’s er geen doen aan zien om daar verandering in te brengen. Wanneer ze naar het Westen komen, wordt hun onmacht zo ondraaglijk dat ze proberen die te verdoven door macht uit te oefenen over Westerse mannen, iets waarvoor ze willige bondgenoten vinden in de Westerse feministen. 

Het middel dat ze daarvoor gebruiken is het beeld: het buitengewoon sprekende beeld van de gesluierde vrouw. In combinatie met de (abstracte) woorden van de Westerse intellectuelen vormt dat (levendige) beeld een machtig wapen waartegen het Westen geen verweer heeft. Dat voelen de moslima’s heel goed en daarom gebruiken ze het ook steeds meer. De boerkini is niets anders dan een uitbreiding van de hoofddoek waarmee moslima’s het Westen al zolang pesten. Het moet hen een intens gevoel van macht geven te zien hoe machteloos en radeloos het Westen reageert. Het doet hen hun eigen slaafse onderwerping vergeten. Misschien geldt dat trouwens wel voor de hele islam: misschien is de machtshonger die ervan uitgaat, niets anders dan de keerzijde – en compensatie – van de onderwerping die geëist wordt.  

Links is een ziekte

  

De Britse activiste en publiciste Anne Marie Waters is directeur van Shariawatch.org.uk en bestuurslid van Pegida UK. Zij schreef onlangs het geruchtmakende artikel Why Leftism Is A Mental Illness waarin zij betoogt dat het haar rotsvaste overtuiging als voormalig gematigd-links georiënteerd persoon is, dat de linkse beweging veranderd is in een zeer zorgwekkend verschijnsel dat eigenschappen vertoont van een bepaalde geestesziekte. 

De Duitse linkse activiste Selin Gören werd onlangs in Mannheim door drie mannen aangevallen en “gedwongen tot een sexuele handeling”. Toen zij naar de politie ging, loog zij over de identiteit van haar belagers door te beweren dat zij Duits hadden gesproken terwijl zij in feite “Arabisch of Farsi” hadden gesproken. Zij deed dit omdat ze geen aanleiding wilde geven tot racisme. Nog afgezien van het feit dat het onverantwoordelijk is om bewust valse informatie aan de politie te geven, hebben we hier te maken met een vrouw die gelooft dat zij zó weinig waarde heeft, dat zij bereid is een aanranding te ondergaan om een vals beeld van de werkelijkheid te kunnen schetsen uit naam van een politieke ideologie. Haar eigen menselijkheid en de gerechtigheid maakte zij ondergeschikt aan haar politieke narratief.

En zij is niet alleen. Een (mannelijke) Noorse politicus, die in zijn eigen huis was verkracht door een migrant, vertelde hoe schuldig hij zich voelde over het feit dat zijn verkrachter uitgewezen zou worden naar zijn geboorteland Somalië omdat hij daar een zwaar leven zou hebben. Zijn bezorgdheid over een veroordeelde verkrachter was dan ook groter dan zijn bezorgdheid over zichzelf en zijn Noorse medeburgers. Dit brengt me op een andere herkenbare en erkende persoonlijkheidsstoornis: haatgevoelens tegen de etnische groep waarbij je hoort. Deze stoornis is wijd verbreid in de linkse beweging.

Anti-blanke gevoelens zijn gebruikelijk onder radicaal-links en onder blanke activisten; iets wat ik vaak heb waargenomen tijdens mijn jarenlange ervaring met de politiek. Dit verschijnsel doet zich voor in het Verenigd Koninkrijk waar “Engelse anti-Engelsen” wonen die bijvoorbeeld weigeren de nationale feestdag te vieren omdat de stad waar zij wonen te “multicultureel” is en het niet doenlijk zou zijn om alle feestdagen van alle culturen te vieren. De opvatting dat in Engeland nou juist de Engelse cultuur een speciale plaats verdient, schijnt niet te worden onderschreven. De stad in kwestie, Bristol, is een Engelse stad die de nationale feestdag van Engeland weigert te vieren.

In 2007 schreef Leo McKinstrey in The Daily Express dat “voor het eerst in een volwassen democratie de overheid een agressieve discriminatiecampagne voert die is gericht tegen de autochtone bevolking”. De voorbeelden hadden betrekking op onder meer een tiener die afgewezen werd voor een baan bij de Environment Agency omdat ze blank was en Engels. De vacature was alleen opengesteld voor “etnische minderheden”, opmerkelijk genoeg inclusief Schotten, Ieren en Welshmen, maar zonder Engelsen. McKinstrey maakt ook duidelijk dat Ken Livingstone, de vroegere burgemeester van Londen, kandidaten voor de London Fire Authority heeft geweigerd omdat te veel van hen blank waren. “Te veel blanken” is een uitdrukking die je vaak hoort als je je tijd besteedt aan (de vaak blanke) linkse ideologen die vastbesloten zijn om links beleid uit te voeren. “Etnische diversiteit” schijnt overal en altijd het ideaal te zijn, dat meestal door een klagende blanke of Engelse meerderheid wordt nagestreefd. Een kleine basisschool in Lincolnshire werd dit jaar bestraft door de onderwijsinspectie omdat ze geen les gaf over andere culturen en omdat op de muren niet genoeg posters met zwarte of Aziatische personen te zien waren. We kunnen proberen dit te framen zoals we willen, maar de boodschap is heel duidelijk: er gebeuren teveel blanke en Engelse dingen.

De beklagenswaardige Zweedse bevolking heeft haar afkeer van de eigen etniciteit tot een bijzonder niveau weten te verheffen. Verkrachting en misbruik van Zweedse autochtonen door migranten doen zich op alarmerende schaal voor en toch houden ze hun grenzen open voor meer instroom. Niet alleen doen Zweedse politieke leiders niets om ernstige misdrijven tegen hun eigen bevolking te voorkomen of te bestraffen, ze maken het nog erger door te betogen dat hun land zelf in wezen geen waarde heeft. Mona Sahlin, de vroegere leider van de Zweedse sociaaldemocraten vertelde de Zweden dat zij geen cultuur hebben die de moeite waard is verdedigd te worden. Ze zei “Die vraag is mij vaak gesteld, maar ik kan niet bedenken wat de Zweedse cultuur precies is. Ik denk dat dat er juist voor zorgt dat veel Zweden jaloers zijn op groepen immigranten. Ze hebben een cultuur, een identiteit, een geschiedenis, iets dat je verbindt. Wat hebben wij? We hebben Midzomernacht en dat soort beschamende dingen“. Zweden heeft zelfs een minister-president gehad die de Zweedse bevolking vertelde dat het land niet langer van hun was: Zweden behoort nu aan de immigranten. Ik geef maar een enkel voorbeeld, er zijn eenvoudigweg teveel vergelijkbare uitspraken.

Over het geheel genomen blijken links geöriënteerde politici en journalisten ook onverklaarbare sympathie te kunnen opvatten voor degenen die Westerse landen aanvallen: “het is onze schuld, het komt door onze buitenlandse politiek en ons verleden”. Zelden of nooit beschouwen radicaal-linkse activisten de westerse mens, met name de blanke westerse mens, als de onschuldige partij. Het is altijd op een of andere manier onze schuld.

De narcistische persoonlijkheidsstoornis is, zoals de naam al suggereert, een bekende en erkende gesteldheid. In wezen is een narcist behept met een opgeblazen en geheel irrationeel besef van zijn eigen belangrijkheid, hij minacht degenen die dat ontkennen en hij presenteert zichzelf als de alwetende deskundige op elk gebied. Links is besmet met een raar soort narcisme dat velen er toe brengt te geloven dat zij weten wat goed is voor iedereen – ongeacht democratische consensus. Dit kan niet duidelijker worden geïllustreerd dan met de reactie van Links op de recente beslissing van de Britse kiezers om de Europese Unie te verlaten. Duizenden mensen kwamen naar Londen met de eis dat de meerderheid diende worden genegeerd en het VK lid van de EU moest blijven. Het Labour parlementslid David Lammy personifieerde deze houding door te verklaren ‘We kunnen deze waanzin stoppen’. Waanzin? De waanzin om de EU te willen verlaten? De waanzin om van mening te verschillen met een linkse elite? Wat een verbijsterende arrogantie is er voor nodig om te geloven dat zij die met je van mening verschillen over een politiek onderwerp dat doen omdat ze gek zijn. Het gaat om mensen die oprecht geloven dat hun standpunt meer waard is dan dat van anderen en dat iedereen die een andere mening is toegedaan hetzij gek is, dan wel een fascist of bevooroordeeld of eenvoudigweg een ongeschoolde idioot die niet weet wat hij doet.

Voeg aan dit giftige mengsel een verlammend schuldcomplex toe, dat linkse mensen er toe brengt zich zo extreem schuldig te voelen over bijvoorbeeld Europees kolonialisme dat zij vinden dat ze daarvoor gestraft moeten worden- hoewel zij er niks mee te maken hebben en er niet verantwoordelijk voor zijn. Dit laat opnieuw het mengsel van narcisme en zelfhaat zien: we zijn zo belangrijk dat we verantwoordelijk zijn voor alles, we zijn zo verschrikkelijk dat we voor alles moeten worden gestraft.

Ten slotte: voeg er een volledige en totale afsluiting voor de werkelijkheid aan toe. Toen ik kandidaat was voor een zetel in het parlement, nam ik deel aan verscheidene verkiezingsbijeenkomsten en was ik de enige kandidaat die rationelebezwaren aanvoerde tegen een open grenzen beleid. Natuurlijk werd ik voor rotte vis uitgemaakt. Geen enkele andere kandidaat op welke bijeenkomst dan ook had de moed om het met me eens te zijn. Dit omdat ze of zelf links waren of bang waren voor de onvermijdelijke gescheld dat je over je heen krijgt als je het oneens bent met Links.

Linksen weigeren om een grens te stellen aan immigratie, ongeacht de gevolgen ervan. Eenvoudige economie (vraag en aanbod die van invloed zijn op bijvoorbeeld de banenmarkt en de huizenmarkt) is niet van toepassing. Basale rekenkunde lijkt ook niet van toepassing te zijn – 100.000 mensen is hetzelfde als 1.000.000 mensen, dus wat maakt het uit? Laten we dus vele miljoenen opnemen. Hetzelfde kan worden gezegd over de linkse opvatting over de islam. Ieder die zelfs maar de gruwelijke taferelen in islamitische landen ter sprake durft te brengen of zegt wat islamitische geschriften zeggen over ongelovigen, wordt onmiddelijk uitgemaakt voor bevooroordeeld of voor racist, ongeacht het feit dat wat hij zegt een bewezen waarheid is.

Er bestaat een zegswijze “de gekken hebben het gekkenhuis overgenomen.” Ik denk dat dat al aardig begint te kloppen als we naar de politiek in het Westen kijken. Hoewel Links momenteel macht verliest, heeft zij het politieke debat zo lang beheerst, dat minachting voor onszelf en minachting voor hen die niet vinden dat we minachting voor onszelf horen te voelen, in wezen mainstream is geworden. Dat iedereen die tegen internationalisme of socialisme is, moreel inferieur is (of extreem-rechts, om de meeste recente aantijging te gebruiken), is nu een mainstream politieke opvatting die zelfs op school wordt uitgedragen.

Het najagen van linkse utopische idealen is momenteel belangrijker dan objectieve waarheid, rationaliteit en gezond verstand. Dit kan allemaal gebeuren omdat Links de macht heeft en heeft besloten die te houden, voor altijd. Alle anderen zijn gewoon gek.

(Bron: opiniez.com)

Selectief filteren

  

Many years ago, I was surprised to receive a letter from an old friend, saying that she had been told that I refused to see campus visitors from Africa. At the time, I was so bogged down with work that I had agreed to see only one visitor to the Stanford campus — and it so happens that he was from Africa. He just happened to come along when I had a little breathing room from the work I was doing in my office. I pointed out to my friend that whoever said what she heard might just as well have said that I refused to go sky-diving with blacks — which was true, because I refused to go sky-diving with anybody, whether black, white, Asian or whatever.

The kind of thinking that produced a passing misconception about me has, unfortunately, produced much bigger, much longer lasting, much more systematic and more poisonous distortions about the United States of America. Slavery is a classic example. The history of slavery across the centuries and in many countries around the world is a painful history to read — not only in terms of how slaves have been treated, but because of what that says about the whole human species — because slaves and enslavers alike have been of every race, religion and nationality.

If the history of slavery ought to teach us anything, it is that human beings cannot be trusted with unbridled power over other human beings — no matter what color or creed any of them are. The history of ancient despotism and modern totalitarianism practically shouts that same message from the blood-stained pages of history. But that is not the message that is being taught in our schools and colleges, or dramatized on television and in the movies. The message that is pounded home again and again is that white people enslaved black people.

It is true, just as it is true that I don’t go sky-diving with blacks. But it is also false in its implications for the same reason. Just as Europeans enslaved Africans, North Africans enslaved Europeans — more Europeans than there were Africans enslaved in the United States and in the 13 colonies from which it was formed. The treatment of white galley slaves was even worse than the treatment of black slaves picking cotton. But there are no movies or television dramas about it comparable to “Roots,” and our schools and colleges don’t pound it into the heads of students.

The inhumanity of human beings toward other human beings is not a new story, much less a local story. There is no need to hide it, because there are lessons we can learn from it. But there is also no need to distort it, so that sins of the whole human species around the world are presented as special defects of “our society” or the sins of a particular race.

If American society and Western civilization are different from other societies and civilization, it is that they eventually turned against slavery, and stamped it out, at a time when non-Western societies around the world were still maintaining slavery and resisting Western pressures to end slavery, including in some cases armed resistance. Only the fact that the West had more firepower than others put an end to slavery in many non-Western societies during the age of Western imperialism. Yet today there are Americans who have gone to Africa to apologize for slavery — on a continent where slavery has still not been completely ended, to this very moment.

It is not just the history of slavery that gets distorted beyond recognition by the selective filtering of facts. Those who go back to mine history, in order to find everything they can to undermine American society or Western civilization, have very little interest in the Bataan death march, the atrocities of the Ottoman Empire or similar atrocities in other times and places. Those who mine history for sins are not searching for truth but for opportunities to denigrate their own society, or for grievances that can be cashed in today, at the expense of people who were not even born when the sins of the past were committed.

An ancient adage says: “Sufficient for the day is the evil thereof.” But apparently that is not sufficient for many among our educators, the intelligentsia or the media. They are busy poisoning the present by the way they present the past.

(Thomas Sowell)

Bron: jewishworldreview.com

Humaan hart

  
Dit zijn Rami Amis, een Syrische vluchteling en zijn zwemtrainer Carine Verbauwen. Hij bereidt zich voor op de Olypische Spelen, zij maakt dat mogelijk. Het inspireerde journalist Koen Vidal tot de titel: ‘Hoe iemand die zijn humaan hart volgt tot een veel beter resultaat komt dan afkerige politici.’ Let op de uitdrukking ‘humaan hart’. Ze impliceert dat er ook ‘inhumane harten’ bestaan. En uiteraard weet iedereen wie de bezitters van die inhumane (kille, gevoelloze) harten zijn …

Fair play

  

De grote vraag na het Britse referendum is natuurlijk: zal Groot-Brittanië bij Europa blijven of niet? Vóór, zult u wellicht zeggen, dat was de vraag vóór het referendum! Uiteraard, maar bij een referendum gaat het niet om de vraag, en ook niet om het antwoord. Het gaat om wat de machthebbers met het antwoord doen. Want zomaar het volk laten beslissen, dat kán natuurlijk niet, dat begrijpt het kleinste kind. De vraag is dus: wat zullen ze doen, de grote meneren en mevrouwen? Het grote probleem is dat Groot-Brittanië zo verdeeld is. De ‘overwinning’ van de Brexiteers was nipt. Grof gezegd: de helft van de Britten was voor en de helft tegen. Wat doe je dáármee? Referenda – en de democratie in het algemeen – doen een beroep op de fair play van de bevolking: de minderheid dient zich neer te leggen bij de wil van de meerderheid, anders wordt het land onbestuurbaar. Kijk naar België. De regering voert de maatregelen uit waarvoor een meerderheid van de bevolking heeft gestemd, maar de minderheid weigert zich daar bij neer te leggen. Ze steekt voortdurend stokken in de wielen. De verliezers blijven hun verlies dus aanvechten. Het zijn met andere woorden slechte verliezers.

Fair play is een must in een democratie. Net zoals het dat is in het voetbal. Spelregels alléén zijn niet voldoende, er moet ook de – vrije – wil zijn om ze na te leven. Spelers die – zoals in het hedendaagse, gefeminiseerde voetbal – op alle mogelijke manieren proberen de spelregels te omzeilen en de scheidsrechter te bedotten, verzieken het spel en maken het steeds barbaarser. Het stuitende gedrag van de supporters op het EK is niets anders dan een afspiegeling van het gedrag van de spelers op het veld. En dat gedrag is dan weer een afspiegeling van het gedrag van de moderne burger. Die ziet de democratie niet meer als een (maatschappelijk) spel waarbij de verliezer zegt: gefeliciteerd, maar de volgende keer win ík! Nee, hij ziet politiek in toenemende mate als een straatgevecht, waarbij het erom gaat de ander definitief uit te schakelen. De moord op Jo Cox was daar een triest voorbeeld van. Dit was geen spel meer. Alle fair play was hier zoek. Dat bleek trouwens al uit de debatten, en het bleek nog meer uit de reacties op de moord. De voorstanders van de EU schilderden hun tegenstanders botweg af als barbaren die een bedreiging vormen voor de beschaving. 

Zoiets zeg je niet tegen mensen waarmee je moet samenleven, zeker niet als je ’t meent. Er leeft tegenwoordig zo’n diepe afkeer en zelfs haat voor andere mensen, dat je je afvraagt hoe dat verder moet. En we kunnen er niet omheen: die mensenhaat is het grootst bij de machthebbers, bij de elite en bij degenen die bij de elite willen horen – dat wil dus zeggen bij de politiek correcten. Het wantrouwen dat daar heerst voor de bevolking, voor de gewone burger, vormt de grootste bedreiging voor de democratie. Het is tegen dit wantrouwen – dat in Europa belichaamd wordt door de EU en Brussel – dat de Brexiteers een vuist hebben gemaakt, of beter misschien: een middenvinger hebben opgestoken. Want hun stem was geen weloverwogen besluit, het was een protest dat uit het hart kwam – dat ‘bange, boze hart’ zoals het door de politieke correctheid wordt genoemd. Misschien gaan ze het zich zwaar beklagen, en misschien zal de strijd tussen politiek-correct links en nationalistisch rechts er alleen maar grimmiger op worden, maar de aanstoker ervan moet gezocht worden in de smerige manier waarop politiek-correct links het spel (al jaren) speelt, in haar stuitende gebrek aan fair play.