Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: racisme

I can’t breathe (6)

  

BlackLivesMatter is de jongste weken uitgegroeid tot de antiracistische slogan bij uitstek. De drie woorden betekenen letterlijk: zwarte levens doen ertoe, ze tellen mee, ze zijn belangrijk. Dat spreekt natuurlijk vanzelf. Niemand twijfelt er anno 2020 nog aan dat black lives matter. Het gaat dus op het eerste gezicht om een onschuldige slogan. Er wordt echt niet veel gevraagd, gewoon een beetje respect voor de zwarte medemens, meer niet. Maar als je begint na te denken over deze slogan, dan blijkt onder het wollige uiterlijk van BlackLivesMatter een wolf schuil te gaan. Juist de vanzelfsprekendheid van de drie woorden geeft ze een heel andere betekenis. Ze suggereert dat er nog altijd mensen zijn die vinden dat een zwart leven er niet toe doet. Gelet op de heftigheid en verontwaardiging waarmee de slogan geskandeerd wordt, zijn deze racisten zelfs zo talrijk dat ze een bedreiging vormen voor de zwarte mens. En dat maakt van BlackLivesMatter een zware beschuldiging.

Iedereen weet aan wie die beschuldiging gericht is: niet aan de Aziaten, niet aan de Indianen, zelfs niet aan de Arabieren, de spreekwoordelijke handelaars in zwarte slaven. Nee, het zijn de blanken die ervan beschuldigd worden racisten te zijn die geen waarde hechten aan een zwart leven. Dat was ook de betekenis die gegeven werd aan de dood van George Floyd: hij was het zoveelste zwarte slachtoffer van blank racisme. Het beeld van een zwarte man die in koelen bloede gewurgd wordt door een blanke man is in feite de inhoud van de BlackLivesMatter-slogan: de zwarte bevolking wordt zodanig gediscrimineerd en onderdrukt dat ze langzaam stikt. Of het nu onderwijs is, economie, justitie, gezondheidszorg of wat dan ook, nergens telt de zwarte mens mee, nergens doet zijn leven ertoe. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt uit de woede en de wanhoop waarmee BlackLivesMatter wordt geschreeuwd: de blanken proberen de zwarten uit te roeien.

De BlackLivesMatter-beweging rechtvaardigt de gewelddadigheid van haar protesten door ze voor te stellen als een vorm van zelfverdediging: de zwarte bevolking vecht voor haar leven en dan kun je geen redelijkheid verwachten. BlackLivesMatter zou dan ook vertaald kunnen worden als: Stop de Uitroeiing van de Zwarten. De blanken worden er met andere woorden van beschuldigd nazi’s te zijn die een tweede holocaust voorbereiden. Dat is de werkelijke betekenis van BlackLivesMatter, de betekenis die zich verbergt onder de schaapsvacht van Show me some Respect. Door de slogan in zijn concrete context te zien – en niet als een in de lucht zwevende abstractie – verandert de vanzelfsprekende mededeling in de zwaarst mogelijke beschuldiging: de blanken proberen het zwarte ras uit te roeien. Het is precies dezelfde beschuldiging die we ook horen uit de mond van moslims: blanken maken moslims het leven onmogelijk. Daarom zijn moslims verplicht een nietsontziende overlevingsstrijd te voeren: de jihad. 

BlackLivesMatter is niet alleen de zwaarst mogelijke beschuldiging, het is tevens de grootst mogelijke leugen. Verre van de zwarten te willen uitroeien, zijn het in Amerika juist de blanken die vaak het slachtoffer zijn van zwart geweld. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen blanken en moslims. Hoeveel blanke aanslagen worden er op moslims gepleegd? Hun aantal verzinkt in het niets vergeleken bij het aantal moslimaanslagen op blanken. Bovendien gaat het meestal om represailles voor het niet aflatende moslimgeweld. Men kan zich zelfs de vraag stellen of het politiegeweld in Amerika geen vorm van zelfverdediging is, want politieagenten zijn er vaak het mikpunt van (vooral zwart) geweld. In Europa zien we hetzelfde: dagelijks belanden politieagenten in het ziekenhuis omdat ze worden aangevallen door moslims. Geen wonder dat de houding van de politie verhardt en dat er brutaliteit optreedt. Met racisme heeft dat niets te maken, met de agressie van de zogenaamde slachtoffers des te meer. 

BlackLivesMatter keert de zaken dus gewoon om: daders worden voorgesteld als slachtoffers, slachtoffers als daders. Deze schijnbaar antiracistische slogan is in werkelijkheid de meest racistische slogan die men kan bedenken: een welbepaald ras – het blanke – wordt ervan beschuldigd een ander ras – de people of color – te willen uitroeien, niet om hen te beroven van hun materiële of geestelijke rijkdom, maar uit puur en onversneden racisme, uit blinde rassenhaat. Die rassenhaat, zo wordt steeds weer betoogd, is zo diep geworteld in het blanke ras dat de blanken er zich niet bewust van zijn. Racisme is voor hen zo vanzelfsprekend als ademen. Het kenmerkt al hun gewoonten, al hun gebruiken, al hun instellingen. De blanke beschaving – daar kan volgens antiracisten niet genoeg op gewezen worden – is in wezen racistisch. Racisme is haar fundament, het is wat deze beschaving zo machtig heeft gemaakt: het onderdrukken en uitroeien van andere rassen.

BlackLivesMatter is een zo groteske leugen dat niemand kan geloven dat mensen zoiets zouden beweren als het niet waar was. En dus begint men te zoeken naar voorbeelden van dit blanke racisme. Uiteraard vindt men die, want racisme is van alle tijden en alle volkeren, en ofschoon het uitgerekend in het blanke ras duidelijk op de terugweg is, blijven er overal nog resten over. Gaat men het begrip racisme dan ook nog eens uitbreiden tot ver voorbij de oorspronkelijke betekenis en verkettert men de meest onschuldige zaken, dan wordt de indruk gewekt dat de leugen inderdaad waar is. Zo hebben de nazi’s het ook met de joden gedaan: kleine verschillen en karaktertrekken werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers uiteindelijk gingen geloven dat het waar was wat Hitler zei: de joden probeerden het Duitse volk te vernietigen. En dat gaf de Duitsers natuurlijk het recht om zich met alle mogelijke middelen te verdedigen tegen die kwaadaardige joden. 

Hitler wist het al: hoe groter de leugen, des te gemakkelijker wordt hij geloofd. Want niemand kan geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn dat ze dergelijke leugens verspreiden. Juist dat ongeloof stelde hem in staat bijna een heel volk uit te roeien. Om dezelfde reden geloven mensen vandaag de groteske leugen van BlackLivesMatter: omdat ze niet kunnen geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn. Ze verspreiden die leugen verder, omdat ze het als hun morele plicht zien (wat zij als) de waarheid (beschouwen) te verdedigen. Het is dus hun eigen goede inborst die hen ertoe brengt de kwaadaardigste beschuldigingen te uiten. Dat is het perverse effect van de BlackLivesMatter-leugen: hij keert niet alleen de waarheid in zijn tegendeel, hij verandert ook goedheid in kwaadaardigheid. Mensen worden leugenaars omdat ze de waarheid liefhebben, ze worden kwaadaardig omdat ze goed zijn. Dat is de tragedie van de antiracisten: bezield met de beste bedoelingen en de hoogste morele normen, plaveien ze de weg naar de hel.

Een leugen als BlackLivesMatter kan zich als een lopend vuurtje verspreiden, niet omdat mensen kwaadaardig zijn, maar juist omdat ze goedaardig zijn. Vooral de blanke mens is vandaag zo idealistisch, zo bevlogen, zo spiritueel dat hij alles wat negatief en laag bij de gronds is verafschuwt. Zelfs gewone kritische opmerkingen betitelt hij als hate speech en hij maakt ze strafbaar. Alles wat maar enigszins kwetsend of onaangenaam zou kunnen zijn, wil hij verbieden. Hij wil met andere woorden het kwaad uitroeien. Wat hij echter niet weet is dat het kwaad twee tegengestelde kanten heeft. Hij beseft niet dat al zijn (luciferische) positiviteit van hem geen goed mens maakt, wel integendeel, ze roept juist het (ahrimaans) negatieve op. Want beide horen samen, beide maken deel uit van het kwaad. Hoe positiever een mens wordt, des te sterker wordt ook het negatieve in hem, en omgekeerd. Wanneer beide polen ten slotte een bepaalde graad van intensiteit bereiken, ontstaat er een Steigerung.

Dat is wat we vandaag meemaken: de Steigerung van het kwaad. Lucifer en Ahriman hebben elkaars werkzaamheid zodanig geïntensiveerd dat uit de spanning tussen beide een nieuw soort kwaad geboren is, een kwaad dat zowel extreem positief als extreem negatief is. Beide tegenpolen vallen samen en dat maakt het nieuwe kwaad zo verwarrend dat we er geen verhaal tegen hebben. Degenen die het bestrijden – in de vorm van racisme, terrorisme, fascisme, Global Warming, coronavirus of wat dan ook – zijn buitengewoon positieve mensen, die zichzelf vervuld weten van liefde. Ze willen een betere wereld en een betere mensheid maken. Maar tegelijk zijn het buitengewoon negatieve mensen die vervuld zijn van haat, die anderen onophoudelijk beschuldigen, die drastische maatregelen eisen en het uitstekend vinden dat de overheid de onwillige mensheid opsluit ‘in haar kot’. Wat deze wereldverbeteraars zo gevaarlijk maakt is dat hun negativiteit niet te onderscheiden is van hun positiviteit. 

Het nieuwe kwaad kan niet bestreden worden zoals het oude: door evenwicht te scheppen tussen de tegenpolen, door het gulden midden te zoeken tussen Lucifer en Ahriman. Want dat midden is verdwenen, de tegenpolen zijn samengevallen. Wie het kwaad bestrijdt zonder onderscheid te maken tussen zijn twee gezichten, wordt er als het ware door opgeslokt en verandert zonder het te beseffen in een bestrijder van het goede. Wie bijvoorbeeld ten strijde trekt tegen het rechtse (ahrimaanse) gevaar kiest automatisch partij voor (luciferisch) links, want een centrum is er niet meer. Omdat links samenvalt met rechts kiest hij partij voor beide kwaden en keert zich tegen het goede. Zolang niet wordt ingezien dat links en rechts kanten van dezelfde medaille zijn, betekent het kwaad bestrijden niets anders dan het goede bestrijden. Al die activisten die als paddestoelen uit de grond schieten, al die fanatieke wereldverbeteraars die schreeuwend door de straten trekken: ze zijn de stoottroepen van het nieuwe, geallieerde kwaad. 

Wie vandaag de draak wil bevechten, wie een echte Michaëliet wil zijn, moet in de allereerste plaats het kwaad leren onderscheiden. Hij moet onderscheid leren maken tussen de wolf en de schaapsvacht, tussen Ahriman en de luciferische idealen waarin hij zich hult. Het kwaad heeft een nieuw gezicht gekregen, een heel verleidelijk, onschuldig gezicht. Want Lucifer is niet langer de wilde fanaticus, die godsdienstoorlogen ontketent omdat God aan zijn kant staat. Nee, hij legt nu op een rustige, schijnbaar redelijke, ja zelfs wetenschappelijke manier uit waarom hij het gelijk aan zijn kant heeft. Hij heeft zich met andere woorden een ‘ahrimaanse stijl’ aangemeten. De tegenmachten spreken vandaag als door één mond: Lucifer levert de – christelijke – inhoud en Ahriman de – antichristelijke – vorm. Wie deze twee niet van elkaar onderscheidt, kan onmogelijk weerstand bieden aan de newspeak van het Nieuwe Kwaad. Daar ligt dan ook de echte michaëlische strijd: in het ontwikkelen van een nieuw onderscheidingsvermogen, een nieuw zintuig voor het kwaad. 

Dat zintuig is tegelijk ook een zintuig voor het goede, want door Lucifer en Ahriman uit elkaar te halen, maken we ook Christus weer zichtbaar. Met ons gewone morele zintuig kunnen we Hem niet meer waarnemen: Hij is als het ware opgeslokt door de wolf. Om het christelijke midden weer te kunnen waarnemen, moeten we het kwaad transparant maken, we moeten erdoorheen leren kijken. Dat is de Parsifalweg die naar Christus leidt: dwars doorheen de draak. We ontwikkelen pas een (nieuw) zintuig voor Christus als we onze ogen openen voor het (nieuwe) kwaad. Het een gaat niet zonder het ander. We moeten ‘het zwaard omgorden’ zoals de bijbel zegt, en dat is niet het oude, materiële zwaard, maar het geestelijke Michaëlszwaard van ons scherp onderscheidende denken. Blijven we het oude, gedachtenloze zwaard gebruiken, zoals de hedendaagse activisten dat doen, dan keert het zich tegen ons, dan wordt het tot een werktuig van de tegenmachten en zullen we erdoor vergaan.

Dit Michaëlszwaard moeten we zelf smeden, met behulp van ons denken, ons voelen en – vooral – ons willen. Want er is moed nodig om tegen de ‘wilde horden’ in te gaan. Iedereen juicht hen toe: de media, de overheid, het bedrijfsleven, de sportwereld, het onderwijs, ouders, grootouders, kinderen. Allemaal roepen ze enthousiast BlackLivesMatter en andere vergelijkbare slogans. Wie weigert mee te doen, betaalt een zware prijs. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de zeldzame sportlui die weigeren te knielen en de vuist in de lucht te steken voor aanvang van een wedstrijd? Hoe zullen zij door hun ploegmaats bekeken en behandeld worden? Welke maatregelen zal het bestuur van hun club tegen hen nemen, bang als het is dat sponsors zullen afhaken? Hun carrière kan in een oogwenk voorbij zijn, enkel en alleen omdat ze de moed hadden niet in te stemmen met de oproep tot geweld die BlackLivesMatter in wezen is. En dat geldt niet alleen voor sportlui, het geldt voor iedereen.

De draak bevechten is een gevaarlijke onderneming. Ze maakt alleen kans op slagen als we een nieuw bewustzijn ontwikkelen, een bewustzijn dat zich niet laat meeslepen door holle slogans en massa-bewegingen, maar dat er denkend doorheen kijkt en de wolf leert zien die zich in al die wolligheid verbergt. BlackLivesMatter is een voorbeeld van een onschuldig lijkende slogan die door eenvoudig, logisch te denken stap voor stap ontmaskerd kan worden. Dat vergt tijd en uithoudingsvermogen want er moet lang gehamerd worden om een michaëlszwaard te smeden dat scherp genoeg is om Lucifer en Ahriman te scheiden. Iedereen die wel eens een zeis heeft ‘gehamerd’ weet dat het geen kwestie van kracht is. Het is een kunst – net als het gebruik van de zeis – en kunst vereist de inzet van alle menselijke vermogens. Het michaëlszwaard wordt gesmeed door ons Ik, dat zich met dat zwaard verdedigt tegen het geallieerde kwaad dat het menselijke Ik probeert voor te stellen als de bron van alle kwaad. 

I can’t breathe (3)

  

Eén van de meest verbluffende fenomenen van de jongste jaren zijn jonge zwarte vrouwen die uitvoerig hun beklag doen over het racisme in ons land. Meestal zijn het intellectuelen die aan de universiteit studeren, onderzoek doen of zelfs doceren en dus behoren tot het geprivilegieerde deel van de bevolking, om maar eens een van hun geliefde termen te gebruiken. Er zitten ook wel eens jonge mannen tussen, maar allemaal hebben ze één ding gemeen: ze doen het goed, ze maken carrière en hun stem wordt gehoord, wat lang niet van alle jonge mensen kan gezegd worden, ook niet van de blanke. Toch klagen deze welvarende jongeren steen en been over het blanke racisme. Wordt hen gevraagd wat het precies is waaronder ze te lijden hebben, dan blijken dat zaken te zijn als Zwarte Piet, standbeelden van Leopold II, een lelijke blik hier en een scheldwoord daar. Blijkt dan ook nog eens dat sommigen onder hen ontsnapt zijn aan de volkerenmoord in Ruanda, dan rijst onvermijdelijk de vraag: wat is hier aan de hand? 

Deze – vaak piepjonge – mensen kunnen hun mening natuurlijk alleen maar verkondigen omdat ze daar een forum voor krijgen. Er gaat geen week voorbij of we zien ze lief en onschuldig lachend in de media verschijnen om vervolgens de grofste beschuldigingen te uiten aan het adres van de Vlamingen en op hoge toon te eisen dat daar eindelijk eens iets aan gedaan wordt. Telkens weer vindt men nieuwe jongens en meisjes met onuitsprekelijke namen die de Vlaamse bevolking komen bolwassen. Komt er een zeldzame keer eens een zwarte volwassene aan het woord die een en ander relativeert of zelfs ontkent, dan wordt hij of zij de huid vol gescholden. De media – die zelf in toenemende mate bevolkt lijken te worden door jonge, pas afgestudeerde mensen – rollen de rode loper uit voor deze young angry black people. Waarom doen ze dat? Waarom maken ze van de media een soort Vlaamse versie van Radio Mille Collines en wakkeren ze onophoudelijk de rassenhaat aan?

Hun antwoord zal ongetwijfeld zijn dat zij die rassenhaat juist aanklagen, dat het hun journalistieke plicht is om te berichten over wat er in de samenleving gebeurt. Daar kan men twee vragen bij stellen: ten eerste, zijn Vlamingen werkelijk zo’n verstokte racisten? En ten tweede: los je dat probleem op door hen aan één stuk door uit te schelden? Want daar komen al die zwarte opiniestukken tenslotte op neer: het zijn mooi verpakte en met dure woorden als intersectionaliteit, dekolonisatie en white privilege gelardeerde scheldpartijen. De argumenten zijn flinterdun en de voorbeelden soms lachwekkend. Een genocideslachtoffer dat verklaart onnoemelijk te lijden als op 6 december Zwarte Piet door de straten loopt en snoep uitdeelt aan kinderen? Met dit soort groteske uitspraken ontkennen de jonge zwarte intellectuelen wat ze beweren. In een racistische samenleving zouden ze dergelijke uitspraken nooit kunnen doen. 

Het vermoeden rijst dat deze jeugdige aanklagers – zwart of blank – niet spreken met eigen stem, maar fungeren als spreekbuis voor anderen. Verleden jaar zagen we ze met tienduizenden door de straten lopen schreeuwend om drastische maatregelen voor het klimaat. Werd hen gevraagd waar het allemaal om ging, dan bleken de meesten dat niet te weten. Ze liepen gewoon mee, omdat de anderen dat ook deden, omdat ze een dag niet naar school hoefden. Merkwaardig genoeg vonden die scholen dat goed, in veel gevallen moedigden ze de leerlingen zelfs aan en organiseerden zelf de ‘uitstap’. De overheid, die anders streng optreedt bij schoolverzuim, gaf geen kik, zoals ze ook geen kik gaf toen de BlackLivesMatter-betogers massaal hun voeten veegden aan de lockdownmaatregelen. Niemand van die schreeuwende jonge mensen vroeg zich af hoe het komt dat hun idool Greta Thunberg steevast ontvangen wordt door de groten der aarde, en ook vandaag vragen ze zich niet af waarom de overheid hen straffeloos laat betogen, winkels vernielen en standbeelden neerhalen.

Het komt in deze jonge mensen niet op dat ze wel eens gebruikt zouden kunnen worden door degenen waartegen ze zo te keer gaan. Ze lijken niet te begrijpen dat de overheid niets liever heeft dan dat er massaal geschreeuwd wordt om drastische maatregelen, drastische maatregelen die niet helpen tegen de opwarming van de aarde, of tegen racisme, of tegen corona, of tegen drugs, of tegen terrorisme of tegen gelijk wat waar de overheid oorlog tegen voert, maar die deze overheid wel steeds meer macht geven. Hoe groot die macht intussen is geworden, hebben we tijdens de corona-crisis gezien. Het gaat hier natuurlijk niet om de dorpsburgemeesters of om de Vlaamse overheid. Het gaat ook niet om de federale overheid en zelfs niet om de Europese overheid. Het gaat om een ‘wereldoverheid’ die in staat is de hele mensheid op te sluiten, om de verborgen deep state die is doorgedrongen in alle overheden ter wereld, die ook is doorgedrongen in de hoofden van jonge mensen en hun hersenen dagelijks spoelt.

Het is een angstaanjagende gedachte dat deze gehersenspoelde jeugd over enkele generaties het gros van de mensheid zal uitmaken, een mensheid die klakkeloos alles zegt en doet wat Ahriman – de onzichtbare wereldheerser, het brein achter de deep state – haar influistert. En dat is altijd hetzelfde: bestrijdt mij, roei mij uit, want ik bedreig jullie leven en steel jullie toekomst! Die boodschap fluistert Ahriman in hun oren en ogen door middel van imaginaties: de klimaat-imaginatie, de corona-imaginatie, de racisme-imaginatie, de terreur-imaginatie, enzovoort. Telkens gaat het om een onzichtbare vijand die de mensheid bedreigt en waartegen ten strijde moet worden getrokken. Deze imaginaties oefenen zo’n onweerstaanbare invloed uit op de jonge mens omdat ze variaties zijn op die ene, grote imaginatie die volgens Rudolf Steiner in de ziel van ieder mens leeft: de Michaël-imaginatie, het beeld van de strijd met de draak. Dat beeld houdt Ahriman de jeugd onophoudelijk voor en het heeft zo’n geweldige invloed omdat het waar is.

Het beeld van Michaël die de draak bestrijdt, is de centrale imaginatie van onze tijd. Zij toont ons de grote opgave van de huidige en toekomstige mensheid: de confrontatie met het kwaad. De moderne jeugd reageert impulsief op dit grote ideaal: ze trekt enthousiast ten strijde. Zoals de jeugd in 1914 zingend naar het front vertrok, toegejuicht door ouders, grootouders, leerkrachten en overheden, zo trekt ze ook vandaag weer door de straten, strijdlustig op weg naar de hel, aangemoedigd door ontelbare volwassenen. Het is tragisch om te zien hoe de geschiedenis zich herhaalt en hoe honderd jaar na datum opnieuw een generatie haar ongeluk tegemoet loopt. Tegenhouden kunnen we ze niet, want dan keren ze zich tegen ons en worden we zelf beschouwd als de vijand. Het enige wat we kunnen doen, is onze ogen open houden en proberen de misleidingstechnieken van Ahriman te doorzien in de hoop dat Michaël ermee aan de slag kan, want hij kan pas optreden als wij hem dat mogelijk maken.  

We zullen nog lange tijd strijd moeten leveren met Ahriman en het is onze morele plicht tegenover de komende generaties om geestelijke munitie te verzamelen. Een belangrijke rol daarbij speelt het inzicht dat Ahriman – wat de grond van de zaak betreft – gelijk heeft. Wat hij (vooral) de jeugd influistert, is zonder meer waar: we moeten de strijd met hem aanbinden, hij vormt een grote en reële bedreiging. Die waarheid verandert echter in een leugen wanneer het gaat over de manier van strijden, over de strategie en de gebruikte wapens. Hier speelt Ahriman ten volle de kaart van het materialisme uit en verleidt hij ons de strijd louter en alleen op fysiek vlak te voeren: tegen virussen, tegen CO2, tegen drugs, tegen terroristen, tegen mensen, tegen iedereen behalve tegen hemzelf. Zijn leugens zijn zo overtuigend omdat ze niet ingaan tegen de waarheid, maar de waarheid gewoon omkeren. Ahriman ontkent de Michaëlimaginatie niet, wel integendeel, hij verwisselt alleen de strijdende partijen.

Hij brengt de idealistische jeugd ertoe Michaël te bevechten in plaats van hemzelf. Antiracisten, activisten en andere wereldverbeteraars: allemaal zijn ze ervan overtuigd het kwaad te bevechten, maar in werkelijkheid is hun strijd gericht tegen de christelijke grondslagen van de Europese beschaving. Het is beslist geen toeval dat ze de christenvervolgers bij uitstek – de moslims – als bondgenoten beschouwen. Hun recente (stand)beeldenstorm ligt in het verlengde van de islamitische beeldenstorm die overal ter wereld aan de gang is en die door de media zorgvuldig wordt doodgezwegen. Het racisme van de afgebeelden is slechts een voorwendsel, de storm is in wezen gericht tegen de beelden zelf en waar ze voor staan: de door het christendom gelegitimeerde beeldvorming. Ahriman haat beelden, want hij weet dat hij alleen door middel van kunstzinnige beelden ontmaskerd kan worden. Daarom doet hij er ook alles aan om beelden ‘om te keren’ en kunst te vernietigen.   

Als we deze omkeringstechniek doorzien, doorzien we ook Ahriman. Hij is de geest die alles omkeert. Maar die ahrimaanse omkering is buitengewoon moeilijk te doorgronden, omdat ze ingrijpt in het scheppingsproces en dat houdt eveneens een omkering in. Nemen we bijvoorbeeld het oerbeeld van de schepping: de geboorte van de mens. De 9 maanden durende innige verbinding tussen moeder en ongeboren kind wordt opeens omgekeerd in haar tegendeel: de moeder stoot het kind af. Liefde, zou je kunnen zeggen, verandert in haat. Maar wanneer de haat zijn scheidende werk heeft gedaan, verbindt de moeder zich weer met het kind en is de liefde groter dan ooit. Liefde en haat, lijden en vreugde, dood en leven liggen hier heel dicht bij elkaar en wanneer we het geboorteproces vertalen in abstracte begrippen kan het heel gemakkelijk verkeerd – en zelfs omgekeerd – begrepen worden. Dat is precies wat Ahriman doet: abstraheren en omkeren, zonder dat we het merken.

In ons abstracte cijferdenken is er geen verschil tussen één plus twee en twee plus één. Het levert in beide gevallen drie op. Wanneer we de geboorte vertalen in cijfers krijgt het kind twee ouders, de ouders krijgen één kind, en in beide gevallen ontstaat precies dezelfde drieëenheid: het gezin. Toch gaat het om twee zeer verschillende zaken. In het eerste geval gaat het om een geestelijk wezen dat mens wordt, in het tweede geval gaat het om twee mensen die een geschenk uit de hemel ontvangen. Twee tegengestelde processen die één gebeuren vormen. Verwissel je die processen, dan verandert er in abstracto niets, maar in concreto ontstaat er een chaos die het scheppen omkeert tot vernietigen. We kennen die vernietigende chaos maar al te goed uit de hedendaagse kunst. Want ook de kunst wordt geboren, net als de nieuwe mens en de nieuwe wereld: ze worden niet gemaakt. Het is dat geboorte- of scheppingsproces waarin Ahriman ingrijpt, en dat hij in zijn tegendeel omkeert. 

Om Ahriman te ontmaskeren, moeten we ons een beeld vormen van het scheppingsproces, want daar is hij werkzaam en injecteert hij zijn leugens. De voorbije eeuw is hij met zijn cijferdenken doorgedrongen in het fysieke geboorteproces, hij is ook doorgedrongen in de kunst, en vandaag dringt hij door in de schepping van de nieuwe mens en de nieuwe wereld. In alledrie deze gevallen zien we hetzelfde gebeuren: Ahriman gaat niet tegen het scheppingsproces in, wel integendeel, hij stimuleert het krachtig. Door zijn toedoen worden vandaag meer mensen geboren dan ooit tevoren, maar tegelijk worden er ook steeds meer geaborteerd. In de kunst is vandaag Jeder Mensch ein Künstler, maar zijn scheppen is niet meer te onderscheiden van vernietigen. En meer dan wat ook stimuleert Ahriman de geboorte van een nieuwe wereld waarin alle mensen gelijk zijn, want hij weet: hoe vroeger die wereld geboren wordt, des te minder kans op overleven heeft hij. 

De jonge zwarte (en blanke) intellectuelen ijveren voor een betere wereld, een wereld zonder racisme, zonder ongelijkheid, zonder discriminatie. Die wereld is volop aan het ontstaan, de geboorte is ingezet, het keerpunt bereikt. Maar het gaat hen allemaal niet vlug genoeg, zij willen dat hele pijnlijke en moeizame geboorteproces zo snel mogelijk achter de rug hebben. Eigenlijk willen ze het helemaal niet doormaken. Ze gedragen zich als een kind dat weigert mee te werken en zelfs denkt: hoe meer pijn mijn moeder heeft, des te vlugger kan ik van de vrijheid genieten. En dus schelden ze onophoudelijk op de blanke wereld, die de moeder is van de nieuwe world of color, die de vrije samenleving in haar schoot heeft laten groeien en nu gekweld wordt door de weeën van de geboorte. Uiteraard heeft ook het kind het moeilijk, het raakt in het nauw en heeft het gevoel te stikken. Maar de vijandschap die het zijn moeder, op influistering van Ahriman, toedraagt is niet van aard om de geboorte te versnellen, wel integendeel, ze blokkeert de hele zaak en brengt moeder en kind in gevaar.

Ahriman blokkeert het geboorteproces en maakt er een vernietigingsproces van door het te versnellen. Het onuitroeibare communisme – in Duitsland werd nog maar pas een standbeeld (sic) van Lenin onthuld – is daar het beste voorbeeld van: grote mensheidsidealen die pas in de verre toekomst gerealiseerd kunnen worden, dringen zich met geweld aan de hedendaagse werkelijkheid op. De angry young people van onze tijd sturen aan op een Culturele Revolutie naar Chinees model. Scholieren en studenten roepen – met de steun van de overheid en de grote bedrijven – hun leraren en hun hele culturele verleden op het matje alsof het Laatste Oordeel is aangebroken en de schuldige moet worden aangewezen, veroordeeld en gestraft. Het voorbeeld van China herinnert er ons aan dat ze het niet zullen laten bij opiniestukken in de kranten. Daar maken ze trouwens geen geheim van: steeds luider roepen ze dat de tijd van praten voorbij is en dat er gehandeld moet worden. Hun haast is een vorm van ahrimaanse bezetenheid waartegen we ons moeten vaccineren, anders raken we vroeg of laat zelf besmet, voor zover dat nog niet het geval is.

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Vakantielectuur (4)

  

De mensheid gaat over de drempel, en diep van binnen weet ze dat. De hedendaagse angst voor racisme is daar een teken van. Die angst wordt gerechtvaardigd door te wijzen op racistisch gedrag en heroplevend nazisme. Maar beide zijn marginale verschijnselen die geen noemenswaardig gevaar opleveren. Toch wordt racisme beschouwd als de grootste bedreiging voor de wereldvrede en brengt het talloze mensen buiten zichzelf van verontwaardiging. De oorzaak van hun irrationele gedrag moet dan ook niet op materieel maar op geestelijk vlak worden gezocht. Wie over de drempel gaat, wordt een ander mens. Aangezien dat vandaag onbewust gebeurt, kan het ten goede of ten kwade uitdraaien. Het gevolg is een scheiding der geesten die zo ingrijpend is dat ze uiteindelijk zal leiden tot een scheiding van twee menselijke ‘rassen’: degenen die hun ontwikkeling voortzetten en degenen die afglijden naar een dierlijke staat. De kloof tussen beide zal steeds groter worden tot ze ten slotte niet langer overbrugbaar is. 

Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht, en de hysterische reacties op alles wat mensen van elkaar scheidt (ras, geslacht, grenzen, religie, enzovoort) wijzen erop dat dit ‘drempelweten’ in de mens leeft. Het dringt echter niet door tot zijn bewustzijn, want dat accepteert geen geestelijke oorzaken. Als gevolg daarvan wordt de toekomstige ‘rassenscheiding’ geprojecteerd op het huidige rassenonderscheid en worden de onschuldigste verschillen tussen mensen opgeblazen tot misdaden tegen de mensheid. Paradoxaal genoeg veroorzaakt dat nu reeds de gevreesde scheiding: de mensheid wordt verdeeld in inferieure racisten en superieure antiracisten. Maar zou het beter zijn als het ‘drempelweten’ werkelijk doordrong tot het moderne bewustzijn en de mensheid besefte wat haar te wachten staat? Zou iedereen dan niet alles in het werk stellen om ‘aan de goede kant’ te staan en zich te distantiëren van het verdierlijkende, inferieure deel van de mensheid? Zou met andere woorden niet precies hetzelfde gebeuren als nu?

Dit onbewuste ‘drempelweten’ omtrent de toekomstige scheiding der mensheid leeft ook bij schrijvers en kunstenaars. Ook zij doen er alles aan om ‘aan de goede kant’ te staan, en dit onbewuste streven heeft ook in de kunstwereld een diepe kloof geslagen. Het heeft niet alleen twee totaal verschillende kunsten in het leven geroepen – een ‘hogere’ en een ‘lagere’ – het heeft ook het publiek verdeeld in twee kampen. Naast kunstliefhebbers bestaan er nu ook kunsthaters: mensen die een diepe afkeer voelen voor de nieuwe, hogere kunst en aldus verraden dat ze tot het oude, achterop rakende deel van de mensheid behoren. Deze scheiding der geesten is een novum. Nooit voordien is er sprake geweest van mensen die kunst haatten. De man in de straat voelde altijd een vanzelfsprekende bewondering en zelfs eerbied voor de kunst. Die was dan ook nauw verbonden met de religie. Pas na het verbreken van deze verbinding is de gewone man zich tegen de kunst beginnen keren.

In de kunstwereld zien we dus precies hetzelfde gebeuren als daarbuiten: het ‘drempelweten’ roert zich in kunstenaars en kunstliefhebbers, ze worden gegrepen door het apocalyptische beeld van de scheiding van kaf en koren, maar dat dringt niet tot hun bewustzijn door. Uit angst om bij het kaf terecht te komen, stellen ze alles in het werk om zich te onderscheiden van het achterblijvende, tot barbaarsheid vervallende deel van de mensheid en veroorzaken op die manier precies datgene wat ze willen vermijden. Want een mens verhoogt zich niet door anderen te verlagen, door hen voor te stellen als racisten of cultuurbarbaren. Daardoor creëert hij juist de uitzichtloze strijd die de hele mensheid naar beneden haalt: de strijd tussen de superieure culturelen en de inferieure barbaren. Aangezien die strijd aangevuurd wordt door het schrikbeeld dat het drempelweten in het onderbewuste van de mens heeft geplant, ligt de enige remedie tegen deze zelfvernietigende strijd in de bewustwording van dit drempelweten. 

Maar juist die bewustwording plaatst de mens voor een schijnbaar onoplosbaar dilemma. Wie zich bewust wordt van de drempeloverschrijding realiseert zich namelijk hoe cruciaal ze is. De moderne mens bevindt zich in dezelfde situatie als een pasgeboren kind. Met ontzettend veel moeite en pijn heeft hij zich losgemaakt van de geestelijke wereld – zijn moederlichaam – en is ‘op aarde’ gekomen. Hij is een zelfstandig wezen geworden, een vrij mens. Maar daarvoor heeft hij een zware prijs betaald: hij is weerloos geworden als een pasgeboren kind. Zonder zijn ‘moeder’ is hij een vogel voor de kat. Als hij er niet in slaagt zich weer te verbinden met de geestelijke wereld, dan kan hij zijn vrijheid niet overleven. De moderne mens begint dat steeds sterker aan te voelen naarmate zijn stuurloosheid toeneemt. Langzaam maar zeker dringt het besef van de drempel in zijn bewustzijn door en realiseert hij zich in welk gevaar hij verkeert. Zijn drang om over de drempel te gaan wordt steeds groter en onbedwingbaarder.

Maar hetzelfde bewustzijn dat hem zo dringend aanmaant om over de drempel te gaan, weerhoudt hem ook van die drempeloverschrijding. Niemand raakt immers over de drempel als hij zijn zelfbewustzijn niet opgeeft. Dat is een absolute voorwaarde om in de geestelijke wereld te kunnen komen, of het nu bij het inslapen is, het sterven, of het overschrijden van de drempel – drie variaties op hetzelfde thema. Telkens moet er afscheid worden genomen van het gewone, dagelijkse zelfbewustzijn. En juist dat valt de moderne mens heel zwaar. Niet alleen lijdt hij in toenemende mate aan slapeloosheid, ook zijn sterven wordt eindeloos lang gerekt, en voor de drempeloverschrijding deinst hij verschrikt terug. Hij zit zo vast in zijn lichaam dat hij er niet meer uit raakt, zijn zelfbewustzijn is zo groot geworden dat hij het niet meer opzij kan zetten. Als een onverbiddelijke wachter aan de drempel staat dit lichaamsbewustzijn, dit bewustzijn van zijn aardse zelf, de zo noodzakelijke drempeloverschrijding in de weg.

Deze ‘wachter aan de drempel’ is echter niet zomaar een spelbreker. Hij is van levensbelang, want hij verhindert de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid kwijt te spelen door roekeloos over de drempel te gaan. Dat is namelijk het grote gevaar dat hem momenteel bedreigt. Zijn drang om te overleven dwingt hem over de drempel te gaan en zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven. In feite bevindt hij zich in een vergelijkbare situatie als de concentratiekampbewoner na de bevrijding. Uitgehongerd werpt hij zich op het voedsel dat hem van alle kanten aangeboden wordt. Maar hij is zo zwak geworden dat hij het niet kan verteren en hij bezwijkt onder datgene wat hem moest redden. Wat vele jaren van ontbering en ellende niet gekund hebben, wordt door enkele dagen van overvloed bereikt. Hetzelfde overkomt de moderne mens: na eeuwen van materialisme gaat hij over de drempel en komt weer in contact met de geest. Zijn geestelijke honger is echter zo groot dat hij ‘zwelgt’ in de geest en eronder bezwijkt. 

Dankzij de geestelijke ‘uithongering’ van het materialisme heeft de mens zijn vrijheid veroverd en is hij een zelfstandig Ik geworden. Hij is met andere woorden ‘geboren’ en net als een pasgeboren kind kan hij maar aan één ding denken: drinken. De natuur heeft het zo geregeld dat een kind weer in slaap valt wanneer het genoeg gedronken heeft: het keert weer terug naar de (geestelijke) wereld waar het vandaan kwam. Slechts heel geleidelijk wordt het wakker voor zijn nieuwe, aardse wereld. Op geestelijk vlak bezit de ‘pasgeboren’ mens dat instinct echter niet meer. Hij is immers vrij geworden. Hij moet nu zelf beslissen hoeveel hij ‘drinkt’ en wanneer hij ‘in slaap valt’. Aangezien hij zich echter niet bewust is van het geestelijk voedsel dat nu opnieuw voorhanden is, blijft hij drinken om die bodemloze put in zijn ziel te vullen. Zijn zelfbewustzijn kan al die ‘geestelijke drank’ niet verteren en bezwijkt: hij raakt zijn zwaar bevochten vrijheid kwijt. Dat is het gevaar waarvoor de wachter aan de drempel hem wil behoeden.

Het onvermogen van de moderne mens om zichzelf te vergeten, zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven en over de drempel te gaan, is een ‘reddend’ onvermogen. Het belet de mens zijn Ik in te ruilen voor geestelijk voedsel á volonté en aldus zijn ziel aan de duivel te verkopen. Want het zijn de tegenmachten die de moderne mens overladen met geestelijk voedsel (dat zij in een materialistische ‘verpakking’ steken zodat de moderne mens geen argwaan krijgt). Achter de grote idealen die hem momenteel in vuur en vlam zetten – vrijheid, gelijkheid, solidariteit, naastenliefde, verdraagzaamheid, progressiviteit, diversiteit, enzovoort – gaan geestelijke wezens schuil waardoor hij ‘geknecht’ wordt omdat hij er zo mateloos in zwelgt. Op zich zijn deze wezens goed, maar ze worden een kwaad als hij er geen afstand kan van houden en zich blindelings in hun armen werpt. En dat is waar de tegenmachten de moderne mens toe aanzetten: ze willen dat hij ongecontroleerd en onbeheerst over de drempel gaat. 

Het dilemma waarmee de moderne mens geconfronteerd wordt, ziet er dus als volgt uit. Als hij er niet in slaagt over de drempel te gaan en zich weer verbinden met de geestelijke wereld, dan gaat hij ten gronde. Hij valt dan ten prooi aan aardse krachten die een hapklare brok in hem zien en zonder scrupules gebruik maken van zijn kinderlijke weerloosheid. Gaat hij echter over de drempel zoals hij dat nu doet en zwelgt hij onbewust in de geest, dan betekent dat eveneens zijn ondergang. Hij wordt dan tot slaaf van de tegenmachten die hem africhten als een dier. De oplossing ligt voor de hand: de mens moet voorzichtig, stap voor stap over de drempel gaan. Hij moet met mondjesmaat geestelijke voedsel tot zich nemen zodat hij het kan leren verteren. Anders gezegd, hij moet de gulden middenweg vinden tussen de geest die hem over de drempel wil trekken en de materie die hem daarvan wil terughouden. Het probleem is echter dat deze krachten allebei zo sterk zijn geworden dat het niet meer mogelijk is ze in evenwicht te houden. 

De tijd van het gulden midden is voorbij. Wat sinds oeroude tijden als het grootste goed werd beschouwd, wordt vandaag als het grootste kwaad ervaren. De moderne mens heeft een onoverwinnelijke afkeer ontwikkeld voor het gulden midden, denken we maar aan de haatrelatie tussen links en rechts. Het is een (zoveelste) teken dat de mens diep van binnen weet heeft van de scheiding der geesten en beseft dat er moet gekozen worden. Dat doet hij dan ook met een ongelooflijke hartstocht: hij kiest partij op alle mogelijke gebieden. Maar hij kiest niet bewust, hij beseft niet waartussen hij kiest. Deed hij dat wel dan zou het grote dilemma hem voor ogen staan en zou hij beseffen hoe ontzettend moeilijk, ja zelfs onmogelijk, die keuze is. Want wat hij ook kiest, het loopt verkeerd af. De onmacht waarmee (de bewustwording van) dit dilemma hem vervult, zal hem echter vroeg of laat doen beseffen dat er nog een derde mogelijkheid is, dat hij niet moet kiezen tussen wel of niet over de drempel gaan, want dat is een valse keuze.

De moderne mens heeft helemaal niet de keuze om al dan niet over de drempel te gaan. De drempeloverschrijding is een feit: de mens gaat over de drempel, of hij dat nu wil of niet. Hij komt in contact met een overvloed aan geestelijk voedsel, of hij dat nu weet of niet. En eten doet hij, hoe dan ook. Maar hoeveel en hoe snel hij eet, dat kan hij zelf bepalen. Zijn vrijheid ligt in de manier waarop hij over de drempel gaat: beheerst of onbeheerst. Daaruit bestaat ook de keuze die hij moet maken en die zal bepalen of hij uiteindelijk bij het kaf of het koren terechtkomt: hij moet kiezen tussen de goede en de slechte manier om over de drempel te gaan. Maar om te kunnen kiezen moet hij beide manieren eerst kennen. Eigenlijk is er geen onderscheid tussen kiezen en kennen. Een mens kan niet kiezen als hij beide keuzemogelijkheden niet kent. Hij gokt dan alleen maar, zijn keuze is willekeurig. Een vrije keuze is het pas wanneer er ook bewustzijn is, wanneer er duidelijk onderscheid gemaakt wordt.

En dat onderscheid kunnen we leren in de kunst. Zij toont ons de juiste manier om over de drempel te gaan want zij komt voort uit de oude mysteriën, zij is de openbaarmaking van de drempeloverschrijding die daar plaatsvond. Maar sinds de Grote Drempeloverschrijding begon, toont zij ons ook de verkeerde manier en maakt zij ons duidelijk hoe moeilijk de keuze is. Zij confronteert ons op een relatief veilige manier met de tegenmachten die proberen het onderscheid tussen beide ‘manieren’ te verdoezelen en een vrije keuze onmogelijk te maken. In de beeldende kunsten is de confrontatie brutaal en choquerend, want het gaat hier om de meest materiële en dus ‘harde’ onder de kunsten. In de veel ‘geestelijker’ literatuur verloopt de confrontatie geraffineerder en onopgemerkter, maar ook hier kan men hetzelfde onderscheid maken. En dat wil ik eens proberen aan de hand van twee boeken: ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans en een Maigretroman van Georges Simenon. 

Meteorologisch racisme

  

Het luchtverkeer op London Airport werd gisteren ernstig verstoord door een aantal antiracisten die actie voerden tegen de ‘racistische klimaatverandering’. 

Tussen twee vuren

  

De Franse minister Laurence Rossignol heeft een anti-racismecommissie ingeschakeld nadat op het internet een filmpje verscheen van een Franse restaurantuitbater die twee gesluierde vrouwen de toegang weigert. Ook het parket van Bobigny opende een onderzoek. De beelden werden opgenomen in het gastronomisch restaurant ‘Le Cénacle’ in de buurt van Parijs. Gisteren werden ze verspreid op de site Islam&info, waarna ze duchtig werden gedeeld op de sociale media. De Franse krant Le Parisien weet dat de uitbater van het restaurant ‘enkele jongeren en leden van de moslimgemeenschap’ ontmoet heeft. ‘Ik ben de controle over mezelf verloren’, vertelde de man nadien en hij bood zijn excuses aan ‘aan de volledige moslimgemeenschap’. Intussen heeft hij om veiligheidsredenen zijn woning verlaten. Het restaurant wordt beveiligd. Minister Laurence Rossignol liet weten in ieder geval ‘een onderzoek te starten, met sancties’. Het openbaar ministerie onderzoekt de mogelijkheid tot vervolging. Ook de burgemeester van Tremblay reageerde op de gebeurtenissen. ‘De bevolking van Tremblay voelt zich verontwaardigd door een attitude die tegenstrijdig is aan de waarden van de Republiek. Het is nu aan het gerecht om racistische daden streng te bestraffen’, laat hij weten in een communiqué. 

Een restaurantuitbater weigert twee gesluierde moslima’s. Dat is zijn goed recht: hij bepaalt wie hij binnenlaat in zijn zaak en wie niet. Daar heeft niemand zich mee te moeien, allerminst de Franse staat. Toch wordt hij nu beschuldigd van racisme en hangt er hem een boete of erger boven het hoofd. Maar dat is niet alles. De man heeft ook een ontmoeting gehad met moslimjongeren, waarna hij zich uitgebreid excuseerde en vervolgens op de vlucht sloeg. Men kan al raden wat die ‘ontmoeting’ inhield. De man is bedreigd. En waarschijnlijk is de hele zaak opgezet spel, want alweer werd de zaak ‘toevallig’ gefilmd. De boodschap is duidelijk: iedere restauranthouder in Frankrijk, ja iedereen die een zaak heeft waar klanten over de vloer komen, zal op eieren moeten lopen als er gesluierde moslima’s binnenkomen. Als ze om de een of andere reden ontstemd raken, krijgt hij niet alleen de politie op zijn dak maar ook moslimjongeren. En allebei dreigen ze zijn leven tot een hel te maken. Als de Fransen zich nu niet massaal solidair verklaren met deze man en hem steunen door bijvoorbeeld in grote getale bij hem te gaan eten, dan zullen ze stelselmatig gereduceerd worden tot dhimmi’s, tot tweederangsburgers. Want de boerkini-affaire heeft de moslims geleerd dat één foto of één filmpje voldoende zijn om de Fransen tegen elkaar op te zetten en zelf als winnaar uit de strijd te komen.

Racisme in zondagskleren

  

Een olijk Vlaams meisje

  

Dit olijke meisje is Tine Peeters, journaliste bij De Morgen. Zij is een van de velen die in de pen zijn gekropen om lucht te geven aan hun verontwaardiging over de onfatsoenlijke reacties in de sociale media op de dood van een Marokkaanse jongen. Ramzi, schrijft ze, is het slachtoffer geworden van een terreuraanslag. Dat is wel heel erg veel verontwaardiging, want de aanslag bestond uit een aantal Facebook-berichten zoals er vandaag ontelbare worden geschreven. Tine doet alsof dat onmachtige gescheld nauwelijks verschilt van de bloedbaden die moslims aanrichten, alsof iemand uitschelden hetzelfde is als iemand de keel oversnijden. Eigenlijk vindt ze het erger, want nergens spreekt ze over de mogelijke sociale achterstelling van deze Facebookklanten of over de psychiatrische problemen waarmee ze worstelen, zoals dat wel gebeurt als het om moslimterroristen gaat. Nee, Vlaamse woordterroristen vinden in haar ogen veel minder genade dan moslimterroristen. 

Het is duidelijk dat ze voor Vlamingen een veel hogere morele standaard hanteert dan voor moslims. Deze laatsten mogen op Facebook zeggen wat ze willen – en ze gaan daarin heel wat verder dan de Vlamingen – geen mediahaan die daarnaar kraait. Ze mogen zelfs bloedbaden aanrichten, nog altijd wordt er naar verontschuldigingen en verklaringen gezocht. Voor Vlamingen daarentegen volstaat het dat ze even hun goede manieren vergeten of ze worden door Tine Peeters en haar collega’s genadeloos aan de schandpaal genageld. Deze wel zeer uiteenlopende behandelingen ruiken verdacht veel naar racisme: alsof je moslims niet over dezelfde kam kunt scheren als Vlamingen, alsof je van hen niet hetzelfde kunt verwachten. Het gaat zelfs zover – de verontwaardiging over ongemanierde Vlamingen is veel groter dan over moordende moslims – dat je je afvraagt of Tine moslims wel als volwaardige mensen ziet. In ieder geval, ze trekt een scherpe grens tussen zij en wij. 

In het licht van dit onmiskenbaar discriminerende gedrag wordt de rest van haar betoog heel verhelderend. Ze schrijft: ‘Dit is rassendenken van het zuiverste soort. De daders nemen niet eens de moeite zich te verschuilen achter valse namen. De aanslagen, de vluchtelingencrisis en de economische stagnatie poken blijkbaar de angst op en doen alle schaamte wegsmelten. Zich neerleggen bij een dergelijke daad van onversneden racisme is geen optie. Negeren of banaliseren een totaal zwaktebod. Het siert de Vlaamse politici dat ze allemaal hun morele verontwaardiging tentoonspreiden. Het was haast aandoenlijk hoe ze over elkaar heen buitelden om de haatpraat te veroordelen. Als zij het echt meenden, staan hen twee zaken te doen. Ze moeten zichzelf aan een gewetensonderzoek onderwerpen en zich afvragen of hun eigen woorden van de laatste maanden de grenzen van het toelaatbare niet hebben doen verwateren.’

Deze woorden zouden heel erg moedig zijn als Tine Peeters ze had geschreven over zichzelf. Want zij en haar collega’s zijn – meer dan wie ook – degenen die zich bezondigen aan rassendenken van het zuiverste soort, die niet eens de moeite doen om zich te verschuilen achter valse namen, die zich neerleggen bij een dergelijke daad van onversneden racisme, die geen schaamte kennen, die hun morele verontwaardiging tentoonspreiden en over elkaar heen buitelen om de haatpraat te veroordelen, die zichzelf aan een gewetensonderzoek moeten onderwerpen en zich afvragen of hun eigen woorden de grenzen van het ontoelaatbare niet hebben overschreden.’ Ieder woord van dit rekwisitoor klopt. Tine Peeters heeft een onbarmhartig portret geschetst van de moderne journalist. Er ontbreekt maar één ding aan: bewustzijn. Tine heeft geen flauw idee dat ze een zelfportret gemaakt heeft. Ze verkeert in de overtuiging dat ze het over ‘de anderen’ heeft, degenen die haar maag doen keren.

Het is een mooi voorbeeld van wat er gebeurt als een olijk Vlaams meisje haar dubbelganger ontmoet en hem niet herkent. Ze denkt dat het iemand anders is en komt niet bij van ontzetting en verontwaardiging: dat dergelijke mensen kunnen bestaan! Het komt als een schok dat er in haar land, haar volk, haar stad en wellicht ook straat mensen wonen die niet veel beter zijn dan de ratten in de riolen. Ze ziet zich plotseling geconfronteerd met een onderwereld waarvan ze niet eens wist dat hij bestond. En moedig als ze is, begint ze de grauwe demonen te bevechten. Alleen is haar moed in werkelijkheid angst, want ze bevecht de demonen overal behalve daar waar ze bevochten moeten en kunnen worden: in haar eigen ziel. Want daar is het dat die dubbelganger leeft, daar is hij geboren en daar hoort hij thuis. De demonen die ze overal om zich heen ziet, zijn haar eigen demonen. Ze horen net zo goed bij haar als het olijke Vlaamse meisje op de foto.

Door haar eigen demonen voortdurend op anderen te projecteren en te doen alsof ze er niks mee te maken heeft, wekt Tine Peeters nog meer demonen. Want die anderen zijn geschokt wanneer een olijk Vlaams meisje hen opeens de huid begint vol te schelden en hen beschuldigt van de meest vreselijke dingen. Omdat ze in dat ‘takkenwijf’ – de Vlaamse Kundrie – hun eigen dubbelganger niet herkennen, reageren ze verontwaardigd en beginnen op hun beurt te schelden en te beschuldigen. Tine Peeters – die zich van geen kwaad bewust is en zichzelf nog altijd ziet als een olijk (maar moedig) Vlaams meisje – is geschokt door de verontwaardiging van de ‘ratten in de riolen’ en ontsteekt in nóg heiliger verontwaarding. Op die manier ontstaat er een opbod van verontwaardiging dat eindigt met louter heiligen die zich omringd zien door louter duivels. En het tragi-komische van de zaak is dat ze geen van allen geloven in heiligen of duivels …

Tine Peeters schrijft ten slotte nog: ‘Wie een constant doembeeld schept van een ondergaand Avondland dat beschermd dient te worden tegen de oprukkende barbaren moet niet schrikken wanneer hun volgelingen chargeren.’ Hier wordt het tragi-komische tragisch zonder meer. Tine en co scheppen al jarenlang een doembeeld van een Avondland dat overspoeld dreigt te worden door barbaren. Die ‘barbaren’ zijn niet de bloeddorstige moslims, nee, het zijn de racistische Vlamingen die moslims niet als volwaardige mensen beschouwen, Vlamingen zoals … Tine Peeters. Is het racisme van die Vlamingen ziekelijk, walgelijk, weerzinwekkend? Helemaal niet. Het is volkomen normaal als je leden van een cultuur die zijn hand niet omdraait voor een bloedbad meer of minder, die vrouwen stenigt, dieven handen afhakt, homo’s van de daken gooit en er andere barbaarse praktijken op nahoudt, niet als evenwaardig beschouwt.

Maar waarom schrikken Tine Peeters en haars gelijken zich dan zo te pletter van hun eigen discriminatie dat ze die instinctief op anderen projecteren? Dat kan redelijkerwijs alleen verklaard worden doordat ze niet alleen hun dubbelganger waarnemen, maar ook diens tegenbeeld, de ideale mens. Wanneer voelt een mens zich zo’n slecht wezen dat hij het niet kan verdragen? Als hij confronteerd wordt met een ondraaglijk goed wezen. Pas dan beseft hij hoe duister, hoe onvolmaakt, hoe ‘slecht’ hij wel is. Het is het licht van deze ideale mens die de dubbelganger zichtbaar maakt. We zien wat hij zichtbaar maakt, maar hemzelf zien we niet. Deze ‘ideale mens’ is het grote mysterie van onze tijd. Hij is degene die ten grondslag ligt aan de hele heksenjacht en toch wordt over hem nooit gesproken. Pas wanneer we ze allebei zien – het luciferische ideaalbeeld en de ahrimanische dubbelganger – kunnen we werkelijk aan de slag gaan in plaats van telkens weer te exploderen in schijn-heilige verontwaardiging. 

Zoals je hoort te denken

  

Er is weer een video opgedoken van een donker persoon, doodgeschoten door blanke agenten. Het maakt me misselijk. Niet de gedachte aan bloed, het lood in mensenvlees of de koude tranen van de weduwe. De ontkenning maakt mij misselijk. Niet alleen de ontkenning van Amerikanen, ook de ontkenning in Nederland. De grijze massa verandert in een stelletje egocentrische individuen die zich laten leiden door de oer-emotie: angst. We zijn bang voor de Mo’s en Fatima’s, we zijn bang voor de donkere Bijlmergemeenschap maar het meest zijn we bang voor onszelf. We durven niet eerlijk te zijn, niet recht in de spiegel te kijken en toe te geven dat discriminatie bestaat, óók binnen de Ring. We ontkennen het probleem, blank Nederland ontkent het probleem. 

Als Hollander met blond haar en blauwe ogen heb ik nog nooit te maken gehad met racisme of discriminatie. Mijn vriendin is half-Egyptisch en wordt regelmatig vies aangekeken in buurtcafés. Gewoon hier, in ons Amsterdamse dorpje. Wat weet ik, met blond haar en blauwe ogen, nu van discriminatie? Mijn beste vriend is ook half-Arabisch en mijdt blanke gemeenschappen. Bang om dood gestaard te worden. Ik daarentegen zeg dat het allemaal wel meevalt, dat ze zich niet zo moeten aanstellen. Hier gaat het dus mis. Want wat weet ik, Jesse Henderikus Moes, kleinzoon van een ras-Fries en zoon van een Henk, nu van discriminatie? Wanneer ik van mijn vriendin hoor dat zij zich niet veilig voelt in bruine, nee, witte kroegen, wie ben ik dan om te zeggen dat dat niet zo is? 

Een probleem kun je niet erkennen, als je het niet kunt herkennen. Maar het is er, recht voor onze blauwe ogen. Het wordt tijd dat wij racisme als maatschappij gaan erkennen. Durf het taboe te doorbreken, durf samen te komen en durf het vooral bespreekbaar te maken. Ik ben gisteren voor de spiegel gaan staan. In mijn nakie, met blond haar en blauwe ogen, en ik heb het gezegd. Gewoon, omdat iemand het moet zeggen en durven toe te geven: ‘Ik ben een racist’. Vuile klootzak, denk je dan, zoals je hoort te denken. Maar kijk jezelf eens aan in de spiegel en wees dan heel eerlijk: ben jij geen racist? Want als niemand het is, wie is het dan wel?

(Jesse Moes) 

Bron: Het Parool

It feels so good to lynch people! 

  

Deze meneer heet Sizzla en is reggae-zanger. Vandaag haalt hij het nieuws omdat zijn optreden op het muziekfestival Reggae Geel geschrapt werd na protest van de holebi-beweging. De man is namelijk homofoob: hij vindt dat homo’s niet verdienen te leven en bijgevolg gedood, verminkt, verbrand of op een andere manier kapotgemaakt moeten worden. Dat de man ook een onversneden racist is, komt in de krantenartikels veel minder of zelfs helemaal niet aan bod. Burn all the white people in Jamaica is een van zijn slogans, maar daar wordt duidelijk veel minder zwaar aan getild dan aan zijn homohaat. Weinig kans dat zijn optreden geschrapt zou zijn als hij alleen maar een blankofoob was geweest. 

Een ander aspect van de zaak is dat onderstaande foto van Sizzla massaal op Facebook werd verspreid én meteen verwijderd omdat … homofobe uitspraken niet toegelaten zijn op Facebook. Ten einde  homofobie tegen te gaan mag er op Facebook dus niet … geprotesteerd worden tegen homofobie. 
  

Maar er is nog een derde aspect aan de zaak. Toen bekend werd dat Rizzla dan toch niet zou optreden in Geel, kraaiden de Facebookers victorie: ze waren erin geslaagd – of hadden er toch aan meegewerkt – om de foute artiest het zingen te beletten, hip, hip, hoera! Ik kon mezelf niet beletten te denken: it feels so good to lynch people! Want zouden deze Facebookers niet met evenveel genot een islamofoob of gelijk welke andersdenkende aan de galg gepraat hebben? Wat Rizzla doet heeft weliswaar niets met vrije meningsuiting te maken, het is oproepen tot geweld, tot het lynchen van mensen, maar zouden ze dat onderscheid werkelijk maken? En is er zoveel verschil tussen het fysieke lynchen van mensen en het broodroven van artiesten?