Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: religie

De madonna en het kind

  

Wie de geestelijke wereld wil binnengaan, aldus Rudolf Steiner, moet enerzijds op de juiste manier leren denken, en anderzijds telkens weer terugkeren naar zijn eigen verleden, tot in de kindertijd toe. (Zie mijn blogbericht Twee dingen.) Als antroposoof wordt een mens natuurlijk verondersteld de geestelijke wereld met graagte te willen betreden, maar zelf ben ik daar nooit zo happig op geweest. De zintuiglijke wereld is me veel te lief dan dat ik hem zou willen ruilen voor een wereld die ik niet ken en waarbij ik me niks kan voorstellen. En toch doe ik al m’n hele leven precies wat Rudolf Steiner zegt: ik probeer zo juist mogelijk te denken en ik keer telkens weer terug naar mijn verleden. Ik doe dat niet omdat Steiner het zegt, maar omdat ik niet anders kan, omdat mijn leven mij daar als het ware toe dwingt. Maar dat leven heb ik zelf ontworpen, wat het mij verplicht te doen, heb ik dus eigenlijk zelf gewild. En dat betekent dat ik wel degelijk de geestelijke wereld wil binnengaan.

Er leven dus twee tegengestelde ‘willen’ in mijn ziel: één die streeft naar de geestelijke wereld en één die streeft naar de zintuiglijke wereld. Oftewel een luciferische wil en een ahrimaanse wil. Maar daar ben ik mij niet echt bewust van. Ik zie mezelf niet als iemand die de geestelijke wereld wil binnengaan (daarvoor hang ik te zeer aan de zintuiglijke werkelijkheid), maar ik zie mezelf evenmin als iemand wiens wil gericht is op de materie (daarvoor gaat mijn belangstelling te veel uit naar geestelijke zaken). Het is alsof deze twee ‘willen’ elkaar onzichtbaar maken. Pas wanneer ik ze duidelijk van elkaar onderscheid, begin ik te begrijpen hoe sterk en dwingend ze allebei zijn in mijn leven. Dat ik me daar zo moeilijk van bewust word, komt wellicht doordat er nog een ‘derde wil’ in mijn ziel leeft: mijn kunstzinnige, scheppende wil, die beide andere met elkaar verbindt tot één enkele wil. Want kunst is onmiskenbaar geestelijk van aard, maar zonder zintuiglijke wereld kan ze niet bestaan. Geen kunst zonder materie

Kunst is zowel een doen als een denken. Normaal gezien treden deze twee polen gescheiden op, maar in de kunst vormen ze een eenheid. Het gewone (bewuste) doen vertrekt van een plan, een gedachte, iets dat men begrijpt. Vervolgens wordt dat plan uitgevoerd: het denken wordt in doen omgezet en het resultaat wordt verondersteld overeen te komen met de oorspronkelijke gedachte. In de kunst daarentegen vertrekt men niet van een gedachte, maar van een waarneming: men wil bijvoorbeeld een boom tekenen. Om dat te kunnen moet men die boom begrijpen, niet door hem te vertalen in begrippen (die enkel gedacht worden) maar door hem te vertalen in vormen (die meteen getekend worden). Er is met andere woorden geen afstand tussen denken en doen: tekenen is een begrijpen. Het is niet het uitvoeren van iets wat men gedacht heeft, het is het zichtbaar gemaakte denken zelf. Dat denken is hetzelfde als het wetenschappelijke denken, maar in een zintuiglijker – en daarom levendiger maar tegelijk ook minder heldere – vorm. 

In mijn jeugd lagen deze twee vormen nog dicht bij elkaar. Dat kwam zelfs tot uitdrukking in het feit dat school en academie vlak tegenover elkaar lagen. Pas vanaf mijn 14de werd ik mij bewust van de diepe kloof tussen beide. Terwijl het kunstzinnige begrijpen me steeds beter af ging, kreeg ik een intense hekel aan het wetenschappelijke begrijpen. Het was voor mij trouwens geen begrijpen, het was het nabootsen van gedachten die los stonden van de werkelijkheid. Die kloof tussen dode abstractie en levende zintuiglijkheid kon ik niet verdragen. Ik verafschuwde de exclusiviteit en onverdraagzaamheid van de wetenschap. Aan de academie leerde ik tekenen door middel van wiskunde: de abstracte meetkunde ging er als vanzelf over in zintuiglijke kunst, ze vormden geen tegenstelling. Het kunstzinnige begrijpen was met andere woorden inclusief. Op school daarentegen was er alleen plaats voor wetenschap. Wiskunde ging hier niet over in kunst, wel integendeel, ze sloot de kunst uit.

Die uitsluiting maakte mijn schooltijd uiteindelijk tot een hel, terwijl de inclusiviteit van de kunst mijn academietijd tot een hemel maakte. De harmonische eenheid die er heerste, werd belichaamd door de vlakbij gelegen St.Romboutskathedraal: een schitterend kunstwerk, maar tegelijk ook een indrukwekkend staaltje vakmanschap en technisch-wetenschappelijk inzicht. Is het trouwens niet uit de schoot van die oude kunstzinnig-religieuze wereld dat wetenschap zich heeft ontwikkeld? Ze is er het kind van. Dat beleefde ik ook aan de academie: het was niet alleen een ‘gewijde ruimte’ waar ik leerde tekenen, het was ook de plek waar ik leerde denken, waar ik wakker werd. Op school daarentegen – waar die levende eenheid van religie, kunst en wetenschap totaal verbroken was – raakte mijn bewustzijn steeds meer afgestompt. Ik kwam er uiteindelijk in een toestand van verdoving terecht waarin ik niets meer begreep van de wereld om me heen, die me volkomen absurd voorkwam.

Kunst was voor mij synoniem met leven, wetenschap met dood. En tot mijn stijgende ontzetting zag en beleefde ik hoe de doodskrachten de levenskrachten steeds meer in het nauw dreven. Enkel aan de academie kon ik mij overgeven aan de kunst, en dan nog alleen op zondag. Maar die paar uur per week maakten voor mij alle verschil, want ze toonden mij dat er een wereld bestond waar geen tegenstellingen heersten, waar ik innerlijk niet uit elkaar werd gescheurd, en waar ik kon zijn wie ik was. Die kunstzinnige wereld stond echter op het punt te verdwijnen, niet alleen uit mijn eigen leven, maar uit de wereld tout court. Ik was er getuige van hoe de oude, niet-dualistische kunst vervangen werd door een uiterst dualistische nieuwe kunst. Deze ‘hedendaagse kunst’ was geen kunst, maar ook geen wetenschap. Ze was de belichaming van de kloof tussen beide: er was geen enkel waarneembaar verband tussen het (zogenaamde) kunstwerk en de (zogenaamde) wetenschappelijke uitleg. 

Waar ik altijd zoveel vreugde had aan beleefd: die mysterieuze eenheid van kunst en wetenschap – als de eenheid van moeder en ongeboren kind – ontbrak geheel en al in de hedendaagse kunst. Daar beleefde ik de scheiding van moeder en kind – het uit elkaar drijven van kunst en wetenschap – als een ondraaglijke kwelling. Maar zo begreep ik het toen nog niet, ik begreep er helemaal niets van. Hoe kwamen mensen er in godsnaam toe om tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken te vervangen door pispotten, kartonnen dozen en bananenschillen? Ik luisterde naar de redenen die ze daarvoor opgaven, maar die klonken me al even onwetenschappelijk in de oren als de kunst er onkunstzinnig uitzag. Ze sloegen nergens op, ze verklaarden helemaal niets. Hedendaagse kunst was geen kunst, het was geen wetenschap, het was … niets. Maar dat ‘niets’ vervulde me wel met verbijstering en ontzetting, want er ging een enorme kracht vanuit, een kracht die alles vernietigde waar ik zo van hield.

Het was dit ‘vernietigende niets’ dat me aan het denken zette over kunst. Dat was trouwens het enige wat ik kon doen, want het was zelfmoord om je (in de praktijk) te verzetten tegen de nieuwe onkunst. De weinige kunstenaars die dat probeerden, hielden het niet lang vol: ze gingen één voor één door de knieën. De sociale, economische en geestelijke druk om de oude kunst in te ruilen voor de nieuwe was dan ook enorm. Ik had het geluk de kunstwereld tijdig te verlaten en over te stappen naar de wetenschappelijke wereld. Maar deze ingreep van het lot beleefde ik niet als een geluk, wel integendeel. Ik beleefde het als een ongeluk, een vreselijke vergissing, iets wat nooit had mogen gebeuren. Ik vond het vreselijk afgesneden te worden van de alomvattende kunstzinnige moederwereld waar ik me altijd zo thuis had gevoeld. En ofschoon ik aanvankelijk contact probeerde te houden, werd dat algauw veel te pijnlijk. De kloof tussen kunst en wetenschap was veel te groot, ik kon die spagaat niet volhouden. 

Mijn overgang van de academie naar de universiteit was als een – bijzonder pijnlijke – geboorte. Ik werd verdreven uit een wereld waar ik me als een vis in het water had gevoeld, ik werd op het droge geworpen. De wereld waar ik terechtkwam, was kaal en kleurloos, ik had geen idee wat ik er kwam doen. Maar in die grauwe wetenschappelijke wereld vond ik wel zaken die ik in de wereld van de kunst niet had gevonden. Om te beginnen het contact met andere mensen: dat was er aan de academie niet geweest. Alles stond daar in het teken van de kunst en kunst was een strikt individuele zaak. Kunstenaars zijn in wezen solitaire mensen, wetenschappers zijn veel socialer. Dat volgt uit het verschil tussen het rationele denken – dat in feite één groot gesprek is – en het kunstzinnige denken – dat een vorm van eenzaam dromen is. Ik vond aan de universiteit dan ook mijn vrouw, een veel wetenschappelijker en socialer wezen dan ikzelf. En ik vond er de antroposofie, eveneens een wetenschappelijk en sociaal vrouwelijk wezen: Antroposofia

In de wereld van het dode denken vond ik inderdaad de kiem van een nieuw, levend denken, een kiem die zich in twee richtingen ontwikkelde: mijn beginnende, aarzelende nadenken over kunst, en mijn niet minder aarzelende nadenken over (geestes)wetenschap. Die eerste manier van denken was heel persoonlijk, intiem zelfs. Ik dacht na over iets waar ik intens van hield en daar had niemand wat mee te maken, het was iets tussen mij en de kunst. Het kon me dan ook niet schelen wat anderen dachten over de kunst, ik wilde mijn gedachten enkel en alleen halen uit wat ik met mijn eigen ogen zag. Ten aanzien van de antroposofie kon ik dat natuurlijk niet, want ik had geen enkele waarneming van de geestelijke wereld. Hier was ik helemaal aangewezen op wat anderen daarover dachten, in de eerste plaats dan Rudolf Steiner. Ging het in de kunst om het geloof en het vertrouwen in mezelf, dan ging het in de (geestes)wetenschap om het geloof en het vertrouwen in anderen. 

In beide gevallen gebruikte ik hetzelfde ‘ontwakende’ denken, maar ik hield de twee sporen waarlangs het verliep zorgvuldig gescheiden. Ik liet geen antroposofische gedachten toe in mijn denken over kunst, en met dat zeer persoonlijke denken kon ik ook niks aanvangen in de onpersoonlijke antroposofische wereld, waar alleen de gedachten van Rudolf Steiner als juist golden. Maar volkomen onverwacht kruisten die twee sporen elkaar. Ik zag Basic Instinct, een film die me enerzijds dieper trof en meer vreugde verschafte dan enig kunstwerk ooit gedaan had, en die me anderzijds ook aan het denken zette, logischer en nauwkeuriger dan ik ooit had gedaan. Juist door dat samengaan van (uiterste) gevoelsmatige betrokkenheid en (uiterste) rationele afstandelijkheid begon het me te dagen dat Basic Instinct antroposofie-in-beeld was. Wat in mijn denken altijd gescheiden had geleefd, was in de kunst als een eenheid verschenen. Moeder en kind waren weer verenigd.

Het was de ontdekking van mijn leven. Zoiets had ik nog nooit gezien, ik had het zelfs niet voor mogelijk gehouden. Zeven jaar tevoren had ik de toegang tot de antroposofie gevonden via het meest abstracte boek dat Rudolf Steiner ooit geschreven had – De Filosofie van de Vrijheid – en nu vond ik die toegang opnieuw via Basic Instinct, het meest zinnelijke kunstwerk dat ik ooit gezien had. Zoals ik doorheen de droge wetenschappelijkheid van het boek de kunstzinnige kern had waargenomen, zo nam ik nu doorheen de zintuiglijke kunstzinnigheid van de film zijn (geestes)wetenschappelijke kern waar. Beide – wetenschap en kunst – waren hier zijden van dezelfde medaille. Dat begreep ik op dat moment nog niet – het hoofd is zeer traag – maar mijn hart reageerde meteen op die hereniging van moeder en kind: het werd overspoeld door vreugde. Het was het begin van een nieuwe – dit keer veel bewustere – relatie tussen kunst en wetenschap. Ik begon nu pas echt na te denken over kunst en de antroposofie kwam nu pas echt tot leven.

Op die vreugde volgde echter een diep verdriet: niemand herkende deze hereniging van moeder en kind, de antroposofische wereld nog het minst van al. Verre van zichzelf te herkennen in de spiegel die Basic Instinct was, wezen antroposofen dit kunstwerk verontwaardigd af. Ze slaagden er niet in door het zeer aardse, zintuiglijke uiterlijk van deze film heen te kijken. Ze zeiden: wat voor goeds kan er uit Hollywood komen! De koninklijke Rudolf Steiner met zijn indrukwekkende wijsheid, ja die ontvingen ze met open armen, maar de herderlijke versie die in de donkere grot van de bioscoop verscheen, daar voelden ze alleen maar minachting en afkeer voor. Ik was niet bij machte hen uit te leggen wat mijn hart gezien en beleefd had: ik was maar een ‘simpele ziel’ die door het lot naar een grot was geleid waar ik tot mijn opperste verbazing een moeder en haar kind had aangetroffen. Het was pas door die ontmoeting dat ik begon na te denken over de beelden die ik had gezien en die een ander mens van me hadden gemaakt.

Ontelbare keren heb ik de film (sic) van deze ontmoeting in gedachten afgespeeld, proberend haar te begrijpen. Door er steeds weer en steeds beter over na te denken, stel ik tot mijn verbazing vast dat het oerbeeld van de madonna met het kind mijn hele leven beheerst. Ik kan het zelfs terugvolgen tot in mijn vroege jeugd. Het is een beeld van wat ik altijd gewild heb, een beeld van mijn leven. Door na te denken over dat beeld realiseer ik het ook, stap voor stap. Want mijn denken komt langzaam tot leven en verbindt zich daardoor, heel langzaam, weer met zijn kunstzinnig-geestelijke moeder. Dat is een buitengewoon ingewikkeld proces dat de samenwerking van de ‘drie willen’ impliceert: de luciferische, de ahrimaanse en de kunstzinnige. Alleen al het beeld van deze samenwerking doet me duizelen, laat staan dat de realiteit ervan reeds aan de orde zou zijn. En toch, het is een begin. De nieuwe wereld begint met de moeizame verrijzenis van het dode denken, met de hereniging van moeder en kind. 

  

Adriaen Brouwer (14)

  

Er zijn grosso modo twee manieren waarop we Adriaen Brouwer kunnen benaderen: de wetenschappelijke manier en de kunstzinnige manier. In het eerste geval gaan we min of meer te werk zoals een wetenschapper dat doet: we stellen ons op de hoogte van wat er gepubliceerd is over het onderwerp en gewapend met die informatie gaan we dan de schilderijen zelf bekijken. Dat is hoe de meeste mensen vandaag kunst benaderen: goed geïnformeerd. Zelfs tijdens het kijken luisteren ze nog naar wat audio- of andere gidsen hen vertellen. Steeds zeldzamer worden de mensen die kiezen voor een kunstzinnige benadering en alle informatie afwijzen omdat ze de kunstwerken onbevangen willen bekijken. Een dergelijke houding wordt vandaag op onbegrip onthaald. Zoals iemand het ooit uitdrukte: wat heb je nu aan een tentoonstelling als je niks afweet van de kunstenaar of zijn werk! In zijn ogen sprak het vanzelf dat je kunst wetenschappelijk benaderde.

Nu is er in principe niets tegen een wetenschappelijke benadering van kunst, wel integendeel. In een kunstwereld die steeds willekeuriger en chaotischer wordt naarmate de kunsthandel er de lakens uitdeelt, is er zelfs grote nood aan nuchterheid en objectiviteit. Maar kunst kan niet benaderd worden door een wetenschap die onkunstzinnig te werk gaat, een wetenschap die alles reduceert tot louter materie en het bestaan van een scheppende geest afwijst. Juist die scheppende geest kan in de kunst niet ontkend worden: we weten met absolute zekerheid dat ieder kunstwerk gemaakt is door een kunstenaar. De methoden van de materialistische wetenschap werken dus niet voor de kunst. Het geval Adriaen Brouwer illustreert dat: niet alleen zijn de kunstwetenschappers eeuwenlang blind gebleven voor deze schilder, ook vandaag nog kijken ze niet verder dan de anekdotische aspecten van zijn werk. Ze beperken zich tot het wat en hebben geen enkele belangstelling voor het hoe. De Rokers is voor hen niet meer dan een 17de eeuws selfie.

Als geen ander vraagt Adriaen Brouwer om een nieuwe kunstwetenschap, een wetenschap die de kunst ernstig neemt en haar op een kunstzinnige manier benadert. Zo’n kunstzinnige wetenschap is ook buiten de kunst hoogst nodig. De wetenschap heeft een scherpe grens getrokken tussen zichzelf en de kunst. Dankzij die grens hebben zowel de objectieve als de subjectieve benadering van de werkelijkheid zich autonoom kunnen ontwikkelen. Maar vandaag wordt die grens voortdurend overschreden: kunst en wetenschap raken vermengd, subjectief en objectief lopen door elkaar. Om te voorkomen dat ons hele geestesleven daaraan ten gronde gaat, moeten beide tegenpolen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten in plaats van vernietigen. Die manier bestaat reeds. Het is de fenomenologische methode zoals ze ontwikkeld werd door Goethe en verder uitgewerkt door Rudolf Steiner. Wie kunst en wetenschap heeft, heeft ook religie, zei de eerste. De tweede gaf dat gestalte in de antroposofie of geesteswetenschap.

Hoewel de antroposofie al meer dan honderd jaar bestaat, blijft ze een marginaal verschijnsel in de moderne beschaving. Haar benadering van de werkelijkheid vereist dan ook niets minder dan een bewustzijnsomwenteling. Het menselijk bewustzijn is in de loop der eeuwen steeds wakkerder, rationeler en zelfstandiger geworden. Dat heeft geleid tot een diepe kloof met kunst en religie. Om die kloof te overbruggen moet het wakkere, wetenschappelijke bewustzijn zich opnieuw verbinden met de dromerige en subjectieve sfeer van de kunst. Dat wordt instinctief ervaren als een regressie, een terugkeer naar religie en bijgeloof. De weerstanden tegen de antroposofie zijn dan ook heel groot. Ze bestaan niet alleen buiten, maar ook binnen de antroposofie. Ze komen onder meer tot uiting in het nagenoeg volledig ontbreken van een fenomenologische benadering van de kunst. Nochtans is de fenomenologische methode nergens zo natuurlijk en vanzelfsprekend als in de kunst, maar uitgerekend daar wordt ze niet of nauwelijks toegepast.

Die interne weerstanden komen ook nog op een ander gebied tot uitdrukking: dat van het zielenthema. De antroposofische beweging bestaat – net als de hele mensheid trouwens – uit oude en jonge zielen. Het oerbeeld van deze tweedeling vinden we in het verhaal van de beide Jezuskinderen. Daar vinden we ook het oerbeeld van de bewustzijnsomwenteling die de antroposofie voorstaat. De oudste Jezus is de ‘wetenschapper’ par excellence, de meest wakkere en ontwikkelde ziel van de mensheid. Tijdens het paasfeest in de tempel verenigt hij zich met de jongere Jezus, de ‘kunstenaar’ bij uitstek, de ongerepte kinderziel die nog over al haar scheppende krachten beschikt. Deze vereniging is geen onbewuste vermenging maar een vrije liefdesdaad: de ‘wetenschapper’ duikt bewust en vrijwillig onder in de wereld van de scheppende krachten. Hij wordt kunstenaar, zonder evenwel op te houden wetenschapper te zijn. 

Rudolf Steiner was niet alleen de eerste die dit ‘geheim’ onthulde, aan het eind van zijn leven bracht hij het ook in de praktijk: tijdens de Weihnachtstagung ‘dook hij onder’ in de antroposofische vereniging. Hij verbond zich vrijwillig met het karma van zijn leerlingen, een offer dat hem het leven kostte. Hij wees er ook op dat dit oerbeeld tot het persoonlijke karma van iedere antroposoof behoort. Dat alles maakt de relatie tussen oude en jonge zielen tot het hart van de antroposofie. Willen we dit hart doen kloppen en de antroposofie tot leven brengen, dan moeten we het voorbeeld van Rudolf Steiner – en dus ook van de oudere Jezus – volgen en met ons moderne, wetenschappelijke bewustzijn onderduiken in de sfeer van de geestelijke scheppingskrachten. We kunnen dat op ieder denkbaar gebied doen, al naargelang onze aanleg en onze mogelijkheden, maar het gebied dat het nauwst aansluit bij ons moderne bewustzijn is dat van de kunst. Tenslotte is de antroposofie ontstaan uit de kunst en wil zij ook een kunst worden.

Welke plaats neemt Adriaen Brouwer in dit alles in? Wel, om te beginnen is hij een kunstenaar, een van de grootste die we ooit gehad hebben en ook een van de meest Vlaamse. Hij staat dus dicht bij ons, veel dichter dan we denken. Bovendien staat hij op de grens tussen Noord en Zuid. Hij is in alle opzichten een man van het midden, iemand die de uitersten kent en ze met elkaar verbindt. Hij is ook een van de weinige kunstenaars die zowel voor het gevoel als het verstand toegankelijk zijn. Vooral zijn zelfportret biedt ons de mogelijkheid om als wetenschapper onder te duiken in een kunstzinnige wereld. We kunnen dat op een onbevangen manier doen, want De Rokers is in hoge mate ‘ongerept’ gebleven. Het schilderij bleef vier eeuwen lang onopgemerkt, een unicum in de kunstgeschiedenis. In die zin doet Brouwer een beetje denken aan de jonge Jezusziel die lange tijd ‘achter de hand’ werd gehouden om zich op het juiste moment met de oude Jezusziel te kunnen verbinden. 

Deze ‘verborgenheid’ van Adriaen Brouwer is des te opmerkelijker omdat hij deel uitmaakte van een opmerkelijke bloeiperiode in de Europese kunst. In de 17de eeuw leefden en werkten in de Nederlanden beroemde schilders als Rubens, Rembrandt, Van Dijck, Jordaens, Frans Hals, Vermeer enzovoort. Een dergelijke concentratie van genieën vinden we alleen in de Italiaanse Renaissance en het Duitse idealisme. Nu wil het geval dat Rudolf Steiner tussen deze laatste twee perioden een karmisch verband legt. Volgens hem waren de schilder Rafaël en de dichter Novalis incarnaties van de oudste ziel van de mensheid, de Adamsziel. Ten tijde van Christus was ze geïncarneerd als Johannes de Doper, die zich na zijn dood verenigde met de verrezen Lazarusziel. Dat oerbeeld herhaalt zich tijdens haar volgende incarnaties: telkens duikt deze oude, profetische ziel onder in een geheel andere wereld: die van de kunst. En telkens wordt ze daarbij omringd door een indrukwekkende verzameling ‘kunstbroeders’. 

Net als Rafaël en Novalis sterft Brouwer zeer jong: op 35-jarige leeftijd. Hij maakt grote indruk op zijn tijdgenoten: iedereen bewondert hem, zelfs de allergrootsten. Ze beschouwen hem als een godenkind, een rijzende ster. Zijn manier van schilderen heeft dan ook iets ‘hemels’: zelden heeft iemand het penseel zo ‘etherisch’ gehanteerd. Zijn schilderijen verbergen tevens een ongewoon grote geestelijke diepte, alsof hier een heel oude, wetende ziel aan het werk is. Naast deze opvallende gelijkenissen zijn er echter ook grote verschillen. Bij Rafaël en Novalis zijn vorm en inhoud zeer verwant, bij Brouwer staan ze haaks op elkaar. Er kan geen grotere tegenstelling bestaan dan tussen zijn ‘etherische’ manier van schilderen en zijn zeer ‘aardse’ kroegtaferelen. Anders dan bij Rafaël en Novalis, houdt Brouwers roem ook geen stand. Het godenkind verbleekt tot een folkloristische figuur, zijn ‘hemelse’ aard wordt volkomen genegeerd. Terwijl de sterren van zijn tijdgenoten blijven stralen, wordt de zijne grondig verduisterd. 

Er kan nochtans geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer hoort thuis in het gezelschap van de allergrootsten, zowel op kunstzinnig als op geestelijk gebied. Hij maakt onmiskenbaar deel uit van het esoterische christendom dat als een rode draad doorheen de Europese kunstgeschiedenis loopt. Alles wijst erop dat we hem moeten situeren in de graaltraditie: het thema van de Visserkoning, de kruiken die zo prominent aanwezig zijn in zijn werk, het manicheïsche onderduiken in een duistere ‘onderwereld’. Door die graalthematiek wortelt Adriaen Brouwer enerzijds in de Middeleeuwen en reikt hij anderzijds tot in de 21ste eeuw. De (middeleeuwse) Parsifalweg – dwars door het dal – is volgens Rudolf Steiner bedoeld voor onze tijd. Dat wordt trouwens bevestigd door de buitengewone populariteit van hedendaagse versies van de graallegende. Misschien moeten we daar ook de reden zoeken waarom Adriaen Brouwer uitgerekend in onze tijd weer opduikt. 

Deze 17de eeuwse schilder roept tal van vragen op die voorlopig onbeantwoord moeten blijven. Maar één ding is zeker: hij houdt ons een spiegel voor, een lachspiegel. Adriaen Brouwer staat volop in de Uylenspiegeltraditie. Hij confronteert de kijker met zijn domheid, een domheid die echter geen kwestie is van gebrek aan verstand. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil, luidt het spreekwoord. De domheid is het gevolg van een niet-willen-zien. Dat blijkt overduidelijk uit de houding van de moderne kunstwetenschappers tegenover De Rokers: ze durven er niet naar kijken, omdat ze voelen dat ze dan een grens zullen overschrijden en in een heel andere wereld terechtkomen, een wereld die alles op zijn kop zal zetten: hun opvattingen over kunst, hun opvattingen over wetenschap, kortom hun hele wereldbeeld. Waar het hen aan ontbreekt is geestelijke moed, moed om de realiteit van de geest onder ogen te zien.

Men hoeft niet over een groot verstand te beschikken om de geestelijke dimensie van De Rokers te leren kennen. Ook gevoelsmatig stelt dit schilderij niet dezelfde eisen als de Madonna’s van Rafaël of de gedichten van Novalis. Het is gewoon een kroeg bevolkt met lieden van alle slag: een hansworst, een Tijl Uylenspieghel, een geleerde, een paar drugsverslaafden, een gearmd koppeltje. Iedereen kan er zich in herkennen. Dit vrolijke, volkse tafereel heeft geen geheimen voor ons, verstandelijke noch gevoelsmatige. De uitdaging ligt op een dieper vlak, het vlak waar verstand en gevoel met elkaar verbonden worden. Daar ligt het werkelijke geheim van dit schilderij: op het niveau van de oerbeelden, het oerbeeld van de twee Jezuskinderen en het oerbeeld van de twee Johannesen. In beide gevallen gaat het om de verbinding van een oude en een jonge ziel, een pre-christelijke verbinding in het eerste geval, een christelijke in het tweede. Telkenmale verbindt een ‘wetenschapper’ zich met een ‘kunstenaar’. 

Allebei deze oerbeelden zitten vervat in De Rokers. Doordringen tot de christelijke – of kunstzinnige – dimensie van dit werk vergt een dubbel offer: het intellect moet zijn trots inslikken om onder te kunnen duiken in de duistere wereld van kunst (de smerige kroegen van Brouwer), maar ook het gevoel moet op de tanden bijten om het scherpe, kritische intellect toe te laten in de kwetsbare wereld van de scheppende krachten. Door zich bloot te stellen aan het verstand wordt het gevoel langzaam gezuiverd van alle subjectieve voor- en afkeuren, het wordt geslepen tot een heldere lens, een zintuig waarmee de wezenlijke – kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers objectief kan worden waargenomen. Zeker in onze tijd, nu de gevoelens bijzonder subjectief en egoïstisch zijn geworden, vergt dit ontwikkelen van ‘een oog voor kunst’ een lange en vaak pijnlijke scholingsweg. Deze scholingsweg valt te vergelijken met wat Jezus beleefde in de jaren na het gebeuren in de tempel, toen hij de deplorabele toestand van de wereld steeds duidelijker ging zien.

Deze lijdensweg bracht hem steeds dichter bij Christus, zoals de artistieke scholingsweg ook onze ogen opent voor de christelijke – of kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers. Het waarnemen van deze kunstzinnigheid is een vorm van helderziendheid die liefde en vreugde in ons opwekt: a thing of beauty is a joy forever. Maar het betekent nog niet dat we begrijpen wat we zien. Onze liefde is nog geen wetende liefde. Daarvoor moeten we ons (heldere) gevoel weer verbinden met ons verstand. Dit keer gaat het om een vrije, broederlijke samenwerking, zoals tussen de twee Johannesen. Die samenwerking verleent ons toegang tot de dimensie van de Heilige Geest, een dimensie die nog veel zeldzamer is dan de christelijk-kunstzinnige. De Rokers omvat alledrie de dimensies: die van de Vader, de Zoon en de Geest. Daarom is dit schilderij als een kostbare edelsteen. Wat voor de graal geldt, geldt ook voor het wezen van Adriaen Brouwers zelfportret: je kunt het niet benaderen, het moet naar je toe komen.

De Tuin van Heden (4)

  

Voor het eerst in mijn leven woon ik op het platteland, tussen de velden en weiden. Tevoren woonde ik altijd op de grens tussen stad en platteland. In Mechelen bijvoorbeeld, waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht, woonde ik tijdens mijn tweede zevenjaarsperiode net buiten de stad. Vijf minuten stappen in de ene richting en ik stond op de Grote Markt. Honderd meter de andere richting uit begon er een – in mijn kinderogen eindeloze – wereld van velden, bossen en rivieren. Het platteland kwam er nog tot vlak bij de stad. Om deze laatste te bereiken moest ik de Dijle oversteken via de Winketbrug. Met haar vier torens zag ze eruit als de metalen versie van een middeleeuwse stadspoort. Ik passeerde ze dagelijks op weg naar school, of op weg naar het spel. Tussen die twee polen pendelde ik als kind heen en weer. In de stad zat ik op school in de klas. Buiten de stad speelde ik in ‘den bemd’ of op straat, of ik zat thuis te tekenen of te lezen. 

School en spel lagen nog dicht bij elkaar, letterlijk en figuurlijk. Ik leerde spelenderwijs, het kostte me geen enkele moeite. Spelen, binnen of buiten, had dan weer regels die geleerd moesten te worden. In de Winketbrug – enerzijds een fraai staaltje techniek, anderzijds een kunstwerk in ijzer – werden beide polen symbolisch verenigd. Ook hemel en aarde kwamen hier samen. Als een schip met bouwmaterialen passeerde, stond ik vol ontzag te kijken hoe de brug omhoog werd getakeld aan de vier wielen in haar torens. Als een roekeloze motorrijder met een sierlijke boog in het water verdween, volgde ik ademloos de reddingspogingen van de brandweer. Het met slijk overdekte lijk dat ze ten slotte bovenhaalden, was de eerste dode die ik zag. Het was ook mijn eerste confrontatie met het gevaar dat verbonden is met het overschrijden van de grens tussen twee werelden. Maar geen van die onderbrekingen kon mij uit de droom halen. Het leven was nog een spel.

Toen mijn derde zevenjaarsperiode aanbrak, verhuisden we naar de andere kant van de stad. Opnieuw woonden we op de grens met het platteland, opnieuw moest ik een brug oversteken om de stad te bereiken. Maar dit keer duurde het wel een half uur voor ik in het centrum stond en ook de velden en weiden lagen heel wat verder weg. Het was niet langer de kronkelende, slijkerige Dijle die ik moest oversteken, maar de propere, kaarsrechte Leuvense vaart. Er lag ook geen monumentale Winketbrug meer over, maar een belachelijk kleine Colomabrug, die nog met de hand moest open- en dichtgedraaid worden en zo smal was dat ze slechts verkeer in één richting toeliet. Dat bemoeilijkte het oversteken van de grens tussen stad en platteland in aanzienlijke mate en ik moest soms lang staan wachten tot de auto’s uit de andere richting de gammele Colomabrug waren overgestoken. Het verkeer tussen beide werelden verliep nu met horten en stoten. Het leven had zijn speelse, dromerige karakter verloren. 

Die uiterlijke verandering weerspiegelde mijn zieleleven. Ik werd langzaam wakker. De puberteit – of ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt – begon. Zoals stad en platteland zich van elkaar verwijderden, zo verwijderden zich ook binnen- en buitenwereld van elkaar. Ik speelde niet langer op straat of in ‘den bemd’, maar had voor het eerst een eigen kamer waar ik me kon terugtrekken. Mijn gedachten en gevoelens gingen niet langer dromerig en organisch heen en weer, ze werden nu gescheiden door een strakke, rechte lijn en het verkeer tussen beide verliep moeizaam. Nu eens kregen verhitte emoties de voorrang, dan weer was het de beurt aan de kille ratio. Het evenwicht was zoek en de balans kantelde in de richting van de stad. Zoals het platteland verdween uit mijn leven, zo verdween ook de godsdienst. Van beide had ik slechts een laatste uitloper meegemaakt, en toen ik van mijn geloof afviel, gebeurde dat zoals een appel van de boom valt. Ik was rijp voor de aarde, rijp voor de stad.

Ik herinner me nog altijd het moment waarop het gebeurde. Ik zat in de zondagsmis te dromen, toen ik plots opkeek en dacht: wat doe ik hier? Ik realiseerde me opeens dat ik hier niet langer thuishoorde en in één klap viel het hele godsdienstige leven van me af, alsof het er nooit geweest was. Zelfs de straatnamen weerspiegelden die plotse overgang. Van de Bethaniënstraat (vanwaar we de Sint-Romboutstoren konden zien) waren we verhuisd naar de Voetbalstraat. De bijbel had plaats gemaakt voor de sport, de seculiere religie van onze tijd. Ik zat niet langer in de mis te dromen, maar supporterde in de Winkethal voor het legendarische Racing Mechelen. De appollinische terughouding van de godsdienst had plaats gemaakt voor de dionysische extase van de sport. Zo’n basketwedstrijd was een echte heksenketel, en als het afgelopen was, liep ik als op wolken, ik voelde me herboren, mijn ziel was gezuiverd. Zo’n katharsis had ik in de kerk nooit meegemaakt.

Hoe groot de stap van godsdienst naar sport was, ondervond ik aan den lijve. Tijdens een volleybalwedstrijd op school kwam ik ongelukkig op een bal terecht en mijn linkerknie ging aan flarden. Na drie operaties door de oude dokter Thoen (what’s in a name) hoorde ik zijn assistenten zeggen dat hij een mirakel had verricht. Het ongeval was een beeld van wat mijn ziel was overkomen: ze was uit de hemel op aarde gevallen en onderuit gegaan. In het ziekenhuis maakte ik kennis met lijden en dood. Mijn eigen revalidatie was lang en pijnlijk. Zij was een beeld van wat me te wachten stond. Ik was schijnbaar moeiteloos van mijn geloof afgevallen, maar diep in mijn ziel had zich precies hetzelfde afgespeeld als in de turnzaal. Mijn spelende leven was bruusk afgebroken, ik kwam met een smak terecht in een duistere wereld zonder zin of betekenis, een wereld vol pijn en kwellingen, een wereld die geregeerd werd door het blinde toeval. Mijn voyage au bout de l’enfer was begonnen. 

Wat ik in de mis had beleefd, beleefde ik nu op school. De wetenschap was – samen met de sport – de nieuwe religie en opnieuw had ik geen idee waarover het ging. Ik begreep niet wat de man vooraan stond te vertellen, het ging mijn ene oor in en het andere weer uit. Wat vroeger een spel was geweest, kostte me nu de grootste moeite. Mijn schoolresultaten, die altijd uitstekend waren geweest, gingen in vrije val. Alles leek te vallen toen mijn puberteit begon, mijn hele leven brak in stukken. Maar net als mijn knie werd mijn schoolcarrière – middels verschillende ‘operaties’ – op miraculeuze wijze gered. Die knie speelde daar trouwens een beslissende rol in. Na het ongeval had de turnleraar mij aan mijn lot overgelaten. Uiteindelijk was het de tekenleraar die me naar huis bracht en me daar voor de deur achterliet, want er was niemand thuis. Toen de ernst van de situatie tot de schoolleiding doordrong, voelde ze zich waarschijnlijk schuldig en besloot me terug te betalen. Dat jaar kreeg ik de examenvragen op voorhand. 

Na bijna een jaar afwezigheid was ik blij eindelijk weer naar de academie te kunnen gaan, het enige lichtpunt in mijn leven. Toen de leraar me weer zag verschijnen, barstte hij in woede uit. Waar had ik in godsnaam gezeten? Waarom had ik hem niets laten weten? Mijn hart sprong op: ik betekende iets voor die man, ik was belangrijk voor hem! Zijn woedeaanval was het grootste compliment dat ik ooit had gekregen. Vanaf dat moment werd hij mijn leraar, degene die me met vaste hand doorheen de steeds dieper wordende duisternis van mijn leven zou leiden. Terwijl ik op school leugen en bedrog leerde kennen, was hij een toonbeeld van integriteit en waarheidsliefde. Hij leerde mij de kunst kennen en zij werd mijn nieuwe religie, de bron van alles wat goed, waar en mooi was in mijn leven. Ondanks haar strikte regels liet ze me volkomen vrij, want de regels werden me niet van buitenaf opgelegd, ze spraken uit de zaak zelf, de zaak die ik boven alles liefhad. De kunst werd mijn nieuwe Winketbrug, ze verbond buiten en binnen, hemel en aarde. 

De academie was gehuisvest in een nieuw gebouw dat eruitzag als een ziekenhuis. Het was dan ook bedoeld om in tijden van oorlog dienst te kunnen doen als hospitaal. Dit ‘academische’ ziekenhuis bevond zich op de plek waar vroeger een minderbroedersklooster had gestaan. Aan de ene kant werd het geflankeerd door de Sint-Romboutskathedraal, aan de andere kant door het Scheppersinstituut waar ik school liep. Religie, kunst en wetenschap lagen er vlak naast elkaar, alsof ze samenhoorden, maar ze werden wel gescheiden door twee straten. Ofschoon godsdienst me volkomen onverschillig liet, passeerde ik de kathedraal nooit zonder even stil te staan en vol ontzag omhoog te kijken naar de indrukwekkende Sint-Romboutstoren. ’s Zondags strooide hij zijn beiaardklanken uit over de academie, als om haar te zegenen. In mijn beleving was er dan ook geen tegenstelling tussen beide. De kathedraal was een kunstwerk, tekenen was een eredienst, en aan beide beleefde ik grote vreugde. 

Heel anders was het aan de andere kant. Daar keek ik in een duistere diepte vol kwellingen. Ondanks haar naam was er op mijn school geen ruimte voor kunst, alles stond er in het teken van wiskunde en wetenschap. Dezelfde dubbelzinnigheid vertoonde de Melaan, de straat die het school en academie van elkaar scheidde. Vroeger, in de tijd toen Mechelen er nog uitzag als een Brugge-in-het-groot, liep hier een van de vele reien die de stad doorkruisten. De Melaan was dus in feite een brede brug, maar desondanks werd het (onzichtbare) water tussen kunst en wetenschap steeds dieper. Een voorval illustreerde dat. Toen we op een dag na de examens de tijd zaten te doden in de klas, zag ik door het raam hoe de leerlingen van de academie aan de overkant toestroomden voor de proclamatie. Vol verlangen vroeg ik de toezichthoudende leraar of ik de straat mocht oversteken om mijn getuigschrift (en de felicitaties van de jury) in ontvangst te nemen. Maar daar kon geen sprake van zijn. 

Toen mijn leraar aan de academie vernam dat ik naar de universiteit zou gaan, schoot hij in de lach. Hij vond het een kostelijke grap, maar zei er verder niets over. Vlak voor ik zou vertrekken, sprak hij echter voor het eerst over zijn eigen leraar, die toen net gestorven was en wiens werk in het museum van Antwerpen tentoongesteld werd. ‘Als je eens iemand wil zien die het tekenen tot de uiterste consequenties heeft doorgedreven …’ Meer zei hij niet. Ik had de naam Jos Hendrickx nog nooit gehoord en dacht er verder niet over na. Ik had wel andere dingen aan mijn hoofd. Op school zat ik in een rollercoaster die me deed duizelen. Sinds mijn ongeval had men mij op alle mogelijke manieren door de examens gesleurd. Ik had het spel meegespeeld, maar uiteindelijk werd het me teveel. Tijdens de laatste examenperiode deed ik mijn mond nauwelijks open, de meeste vragen beantwoordde ik met een schouderophalen. De Broeders van Liefde kenden echter geen genade, ze dwongen me de rit tot het bittere eind uit te zitten.

Ten slotte brak de dag des oordeels aan. Op de achterste rij van een overvolle schoolkapel zat ik samen met mijn ouders te wachten op mijn doodvonnis. Ik had het eens nagerekend: meer dan 20 percent van de punten kon ik onmogelijk behaald hebben. En ik had besloten naar de universiteit te gaan! Wat een farce! Toen hoorde ik in de verte de directeur opeens trots verklaren dat dit jaar iedereen geslaagd was- een unicum in de schoolgeschiedenis! Ik dacht: waar hééft die man het over? Pas toen iedereen iedereen begon te feliciteren drong het tot me door: ik was geslaagd! Ik begreep er helemaal niks meer van. Drie jaar later zou me dat in Leuven nog eens overkomen. Toen kreeg ik een lachbui waar geen eind aan kwam, maar nu was ik als verdoofd. De zinloosheid en absurditeit van mijn bestaan waren ten top gestegen. De tegenstelling tussen school en academie, tussen wetenschap en kunst, tussen plicht en spel was nooit groter geweest. 

Met een zucht van opluchting trok ik de schoolpoort achter me dicht, maar tegelijk overviel me het besef dat ik er nu alleen voor stond. Voortaan zou ik het moeten doen zonder de – ondanks alles – vertrouwde omhulling van de school. De universiteit was dan ook gewoon een nieuwe omhulling waar ik naartoe vluchtte. Maar op de valreep ging ik eerst kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in Antwerpen. Het werd een verpletterende ervaring. Als een Sint-Romboutstoren rees deze machtige scheppende geest voor me op. Zijn monumentale tekeningen waren als kathedralen vol heilige stilte. Toen ik weer buitenkwam, zag de wereld er anders uit. Ik bekeek hem nu met de ogen van deze geniale tekenaar. De volgende dag had ik hoge koorts. Nierontsteking, constateerde de dokter en hij schreef me platte rust en een streng dieet voor. Zo bracht ik mijn eerste week in Leuven door: liggend op bed, starend naar vier witte muren, levend op beschuit en appelsap. Ik was 18 en bevond me in het hol van de leeuw.

De wereld als een kunstwerk zien (1)

  

Het motto van deze blog – de wereld als een kunstwerk zien – kan op twee manieren begrepen worden: als theorie en als praktijk. De theorie houdt in dat we de wereld beschouwen als een kunstwerk en er dus van uitgaan dat er ook een kunstenaar is. Immers, geen kunst zonder kunstenaar. Achter de zichtbare werkelijkheid verbergt zich dus een scheppende geest. Die overtuiging gaat dwars in tegen de moderne wetenschap, die volhoudt dat de wereld ‘vanzelf’ ontstaan is en dat er helemaal geen oorzakelijke geest bestaat. Het gevolg is een clash of civilisations, een botsing van twee tegengestelde wereldbeelden: een wetenschappelijk en een religieus. Als theorie is de wereld als een kunstwerk zien inderdaad een ‘religieus’ standpunt en als dusdanig maakt het deel uit van het centrale probleem van onze tijd.

Als praktijk draagt het echter bij tot de oplossing van datzelfde probleem. De tweede betekenis van het motto is namelijk: de wereld op dezelfde manier zien als een kunstwerk. Ging het bij de theorie om de inhoud – wat zien we? – dan gaat het bij de praktijk om de vorm: hoe zien we? Daarmee verlaten we het gebied van het geloof (dat van een stellige inhoud uitgaat) en betreden we het gebied van de wetenschap, die niet uitgaat van een inhoud maar van een vorm, en die enkel een onderzoeksmethode toepast. Kijken we naar de wereld op dezelfde manier waarop we naar kunst kijken, dan is de gedachte dat achter die wereld een scheppende geest schuilgaat geen overtuiging maar een hypothese. We gaan er niet zomaar vanuit dat God bestaat (of niet bestaat), we willen die theorie eerst onderzoeken. 

Hoe doen we dat? Op dezelfde manier waarop we ook een kunstwerk onderzoeken. Als we dat tenminste doen, want het is de gewoonte geworden om op gezag van anderen – kunstpausen bijvoorbeeld – zonder meer aan te nemen dat iets kunst is. Deze pseudo-religieuze benadering strookt echter niet met het bewustzijnsniveau van de moderne mens. Het is niet meer van deze tijd om blindelings te geloven zonder te begrijpen. De instelling die bij onze tijd past is de ‘wetenschappelijke’: we onderzoeken alles en behouden alleen het goede. Deze zelfstandige oordeelsvorming garandeert onze vrijheid, en met name op het gebied van de kunst is ze heel belangrijk, want hier is de meest vernietigende aanval op de menselijke vrijheid ontketend. 

Sinds het verdwijnen van de laatste resten van onze oude ‘helderziendheid’, zijn er twee manieren om kunst te benaderen: de wetenschappelijke en de religieuze. In het eerste geval probeert de kijker zich een oordeel te vormen over het kunstwerk door het kritisch te onderzoeken, in het tweede geval gelooft hij voetstoots alles wat ‘deskundigen’ hem vertellen. Deze pseudo-religieuze benadering is in wezen materialistisch, want de kunstliefhebber die niet zelfstandig oordeelt (en ook niet helderziend meer is), komt niet verder dan het materiële uiterlijk van het kunstwerk. Hij dringt niet meer door tot de geestelijke kern ervan. Deze laatste is vandaag alleen nog bereikbaar voor wie het kunstwerk wetenschappelijk benadert. Wetenschappelijk betekent in dit geval dus hetzelfde als religieus, maar dan in de echte, spirituele betekenis van het woord. 

In deze paradox ligt de oplossing van de clash of civilisations: wanneer we kunst wetenschappelijk benaderen, vallen religie en wetenschap samen en is er geen sprake meer van een botsing. Uiteraard gaat het hier om religie en wetenschap in hun oorspronkelijke betekenis. Daar blijft vandaag nauwelijks nog iets van over: beide zitten stevig in de greep van het materialisme. Het is dat materialisme dat de clash of civilisations veroorzaakt, het zijn de materialistische wetenschap en de materialistische religie die op elkaar botsen. Niet toevallig is daarbij nooit sprake van de kunst: die wordt door het materialisme zonder meer buitenspel geplaatst. En daar is een goede reden voor, want als de wetenschap zich richt op de kunst, dan wordt ze vanzelf religieus en overwint ze het materialisme.

De clash of civilisations kan dus in feite herleid worden tot een gebrek aan kunstwetenschap. Wat ontbreekt is een nuchtere, rationele benadering van de kunst. Daarmee wordt vanzelfsprekend niet bedoeld wat vandaag voor kunstwetenschap of kunstkritiek doorgaat, want dat is de overtreffende trap van materialisme. In de moderne kunstwetenschap wordt het materialisme verheven tot een religie en dat is het absolute tegendeel van een echte wetenschap van de kunst. Zo’n echte, niet-materialistische kunstwetenschap is in de grond niets anders dan de bewustwording van de gewone, spontane manier waarop we kunst benaderen. Die bewustwording verandert niet alleen de (materialistische) manier waarop we naar kunst kijken, ze verandert ook de (materialistische) manier waarop we aan wetenschap doen. 

Wanneer we een kunstwerk spontaan benaderen, laten we ons leiden door ons gevoel. Met ons verstand kunnen we namelijk niet doordringen tot een kunstwerk. We blijven dan aan de buitenkant staan en komen er nooit achter wat een tekening, een schilderij of wat dan ook tot kunst maakt. Kunst is een tegelijk uiterlijke én innerlijke ruimte. De uiterlijke ruimte benaderen we met ons verstand, de innerlijke is alleen toegankelijk voor ons gevoel. En hier ligt het ‘revolutionaire’ van de wereld als een kunstwerk zien: het vraagt om een wetenschap die het gevoel niet aan de kant schuift, maar er innig mee samenwerkt. Dat is niets minder dan een radicale omkering, want in de klassieke wetenschap zegt het verstand tegen het gevoel: tais-toi et soit belle! In de nieuwe, kunstzinnige wetenschap zegt het gevoel tegen het verstand: luister naar mij!

We kennen de wetenschap als een methode die het subjectieve gevoel uitsluit om tot objectieve kennis te komen. Maar hoe geschikt deze kennismethode ook is voor de dode materie, ze kan niet dienen voor de levende materie. Juist daarin ligt het materialistische van de moderne wetenschap: ze past op het levende een methode toe die alleen geschikt is voor het dode. Dat houdt een verregaande miskenning in van het levende, zelfs in die zin dat de wetenschap ophoudt wetenschap te zijn. Ze is geen kennismethode meer maar een methode om macht uit te oefenen, om het levende te onderwerpen en zelfs te doden. In die machtsroes ligt de reden waarom een wetenschap van het levende niet van de grond komt: zo’n wetenschap vereist het opgeven van die macht, ze vereist juist het tegenovergestelde. 

Een wetenschap van het levende veronderstelt eerbied voor haar onderwerp. Die eerbied is niet nodig tegenover de dode materie. Als men een steen in twee hakt, dan heeft men twee stenen en verandert er niets wezenlijks. Hakt men daarentegen iets levends in twee, dan houdt men iets doods over. Een wetenschap die het levende wil bestuderen, moet een andere methode vinden dan het analyseren of in twee hakken van de werkelijkheid. Of beter: ze moet deze methode uitbreiden, want de dode materie maakt uiteraard deel uit van de levende, ze is er een aspect van. Een levende wetenschap mag de analyserende methode niet zomaar weggooien, wel integendeel. Ze moet het onderscheidingsvermogen dat ze aan de dode materie ontwikkeld heeft niet alleen behouden, ze moet het nog versterken. 

Want de levende materie is veel beweeglijker, complexer en ongrijpbaarder dan de dode materie. Wanneer het wakkere bewustzijn dit gebied betreedt, dreigt het gevaar dat het zijn helderheid verliest. Daarom moest de materialistische wetenschap vóór de kunstzinnige wetenschap komen: om aan de dode materie een onderscheidingsvermogen te ontwikkelen dat stand kon houden in de wereld van de levende materie. De rationeel denkende mens moest bij wijze van spreken eerst leren lopen op vaste bodem vóór hij kon leren zwemmen in de ‘waterige’ omgeving van het levende. Zijn individuele denken moest eerst gestaald worden, zodat het niet zou ‘oplossen’ in de wereld van de geest. Want leven is geestelijk. Een wetenschap van het levende is noodzakelijkerwijs een wetenschap van de geest.                

Gebrek aan empathie

In De Morgen stond onlangs het verontwaardigde verslag van Yassine Channouf, een jonge Marokkaan die samen met zijn broers van bed werd gelicht en twee dagen in de cel moest doorbrengen op verdenking van diefstal.
In geuren en kleuren beschrijft hij de vernederingen die hij moest ondergaan terwijl hij volkomen onschuldig was.
Zijn conclusie: België is geen rechtstaat, België is een onrechtstaat.
Uiteraard werd dit schokkende relaas breed uitgemeten in de kranten en de reacties waren voorspelbaar: iedereen schaamde zich om in een land te wonen waar onschuldigen opgesloten worden.
Yassine Channouf zelf, een twintiger, besloot om de tijd die hem nog restte te wijden aan het verzamelen van getuigenissen van racisme-slachtoffers.
De tijd die hem nog restte?
Het klonk alsof zijn leven permanent in gevaar was en hij ieder moment door de politie – of door Vlaamse racisten – vermoord kon worden.

Een paar dagen later was het de beurt aan Wouter Van Bellingen, de nieuwe (zwarte) directeur van het Minderhedenforum.
‘Vlamingen hebben blijkbaar meer empathie met dieren dan met migranten,’ vertelde hij tijdens een interview in Knack.
Hij voegde er nog aan toe: : ik denk soms dat Vlaanderen een psycholoog nodig heeft, om eindelijk eens in het reine te komen met zijn trauma’s: van de weigering om de wreedheden van het kolonialisme onder ogen te zien, via collaboratie en repressie, tot de moeizame omgang met migranten en nieuwkomers.’

Het zal wel niet het laatste schot voor de Vlaamse boeg zijn, want zwarte Wouter krijgt in Knack een vaste column waar hij zijn gal kan spuwen op het racistische, xenofobe, onverdraagzame Vlaanderen.
Voor wie het al vergeten is: Wouter Van Bellingen is de ex-schepen van Sint Niklaas die van de ene dag op de andere een Bekende Vlaming werd toen twee koppels weigerden door hem getrouwd te worden ‘omdat hij zwart was’.
De affaire heeft hem geen windeieren gelegd want vandaag is hij dus benoemd tot directeur van het Minderhedenforum.
De twee racistische koppels die zijn carrière gelanceerd hebben, zijn nooit gevonden.
Geruchten gaan dat de zaak met racisme niks te maken had en dat de weigering stoelde op het feit van Van Bellingen stamde uit – lees: geadopteerd was door – een familie van collaborateurs, van ‘zwarten’ dus.
Maar het schandaal was intussen zo groot geworden dat het ‘opportuner’ werd geacht om het misverstand onopgehelderd te laten.
Later is Van Bellingen nog eens in het (wereld)nieuws gekomen door een soort massa-trouwpartij op de (zeer) Grote Markt van Sint Niklaas.
En vandaag haalt hij dus weer het nieuws met de uitspraak dat Vlaanderen naar de psychiater moet om eindelijk eens iets te doen aan zijn racistische inborst.

Ja, hij weet het goed aan boord te leggen, deze immer breed glimlachende Wouter Van Bellingen. Ik verdenk er hem dan ook van een platte politieke opportunist te zijn, iemand die naast zijn ellebogen ook de kleur van zijn huid gebruikt om zich een weg te banen naar de top.
En ik verdenk Yassine Channouf ervan van hetzelfde laken een broek te zijn.
In zijn aangrijpende verslag van de vernederingen die hij moest ondergaan, schreeuwt hij zijn onschuld annex verontwaardiging uit.
Maar een dag later reageerde justitie al door te zeggen dat er wel degelijk aanwijzingen waren voor zijn betrokkenheid bij een diefstal.
De vluchtauto werd namelijk gehuurd op zijn naam en met gebruik van zijn identiteitskaart.
Hij werd ook vlakbij Channoufs huis teruggevonden, terwijl in datzelfde huis ook een grote som geld werd aangetroffen.
En daar zou de onschuldige Channouf helemaal niks vanaf geweten hebben?
Pittig detail: Channouf is mede-oprichter van Mouvement X, een ‘burgerrechtenbeweging’ die vecht tegen uitsluiting, discriminatie en racisme. Aan het hoofd staat niemand minder dan Abou Jahjah, nog zo’n onschuldige migrant.

Wat me vooral trof in de tekst van Yassine Channouf was het totale gebrek aan empathie met de Vlamingen.
Hoeveel jaar is het nu al dat de Vlamingen de pesterijen van Marokkaanse jongeren moeten ondergaan?
Het verhaal is bekend: deze soms nog zeer jonge jongeren overvallen iemand, worden aangehouden door de politie, dezelfde dag nog vrijgelaten wegens te jong of geen plaats in de gevangenissen, en de volgende dag beginnen ze opnieuw.
Een tijdje geleden werd zo’n jongere aangehouden die al meer dan 60 overvallen op zijn actief had en nog nooit veroordeeld was.
Ook hem moesten ze weer laten gaan.
Rekening houdend met het feit dat dergelijke berichten slechts met mondjesmaat in de krant komen (wegens stigmatiserend voor de Marokkaanse gemeenschap), mag je ervan uitgaan dat er in dit land heel wat Marokkaanse jongeren rondlopen die hun dagen vullen met het pesten (of moeten we zeggen: terroriseren?) van burgers en politie.

Het kost mij dan ook weinig moeite om me te verplaatsen in zo’n politieman die al jaren getreiterd en uitgelachen word door Marokkaanse jongeren en daar volkomen machteloos tegenover staat.
Kun je van zo’n politieman menselijkerwijs verwachten dat hij beleefd blijft als een zoveelste jonge Marokkaan wordt aangehouden en vol verontwaardiging zijn onschuld uitschreeuwt?
Ik vind het juist van een bewonderenswaardige verdraagzaamheid getuigen als hij alleen maar zegt: ook niks gedaan, zeker?

Yassine Channouf is zo vol van zijn eigen vernedering dat er in zijn bewustzijn geen plaats is voor de – veel grotere – vernederingen van de Vlamingen.
Als Marokkaan zou hij zich moeten schamen voor het gedrag van zijn landgenoten, want als er ergens rellen zijn, als er ergens een overval wordt gepleegd, als er ergens een schoolbus met kinderen wordt aangevallen, als er ergens mensen in elkaar worden geslagen, als er ergens vrouwen worden lastiggevallen: altijd weer zijn er Marokkanen bij betrokken.
Ze staan in heel Europa dan ook bekend als ruziemakers, en dat is nog zwak uitgedrukt.
Ik beweer niet dat alle Marokkanen zo zijn.
Ik beweer ook niet dat er geen schatten van Marokkanen bestaan.
Maar Marokkanen die hun eigen reputatie niet kennen, zijn als Duitsers die niet weten wat nazi’s zijn.
Natuurlijk kun je de misdaden van de Marokkanen niet vergelijken met die van de nazi’s.
Maar het zijn wel misdaden die nú gepleegd worden, dagelijks en op grote schaal.
Er leeft in Europa dan ook zoveel wrok tegenover Marokkanen dat er onafgebroken moet gewaarschuwd worden voor stigmatisering en demonisering.

Toch doet Yassine Channouf alsof er geen vuiltje aan de lucht is.
Meer zelfs, hij vindt het wraakroepend dat Marokkanen niet met meer respect behandeld worden.
Hij is zo verontwaardigd over de onvriendelijke houding van politie en justitie tegenover Marokkanen dat hij begint te spuwen, te schelden en te schreeuwen dat België een onrechtstaat is.
Channouf is nochtans geen onontwikkelde straatjongere die niet weet wat er in de wereld gebeurt.
Nee, hij heeft een master en studeert aan de universiteit van Leiden.
Hij is dus een intellectueel van wie je toch énige nuancering en zelfkritiek zou mogen verwachten.
Maar die ontbreken totaal.
Yassine Channouf toont niet het minste begrip voor het wantrouwen van de Belgen.
En hij is niet de enige.
Nog nooit heb ik uit de mond van Marokkanen of andere moslims één blijk van begrip vernomen voor de wrok van de autochtone Vlamingen.
In al die honderden artikels en opiniestukken van hun hand heb ik nog nooit één teken van empathie aangetroffen.
Altijd weer zijn het klachten, beschuldigingen, waarschuwingen en zelfs bedreigingen.
Met deze week dus als klap op de vuurpijl de bewering van Wouter Van Bellingen dat Vlamingen meer empathie hebben voor dieren dan voor migranten.

Als ik die groteske woorden lees, kan ik niet anders dan denken: deze man heeft het over zichzelf.
Hij projecteert zijn eigen gebrek aan empathie op de Vlamingen.
Hij doet daarmee niets anders dan wat allochtonen al tientallen jaren doen.
Ze verwijten de Vlamingen, de Belgen, de Europeanen, kortom het hele Westen waar ze zelf mank aan gaan: een totaal gebrek aan inlevingsvermogen.
Hoe is het in godsnaam mogelijk, roepen ze, dat de Vlamingen niets doen aan hun racisme! Ze blijven ongestoord verder discrimineren en behandelen allochtonen alsof het geen mensen zijn! Hebben ze dan werkelijk geen greintje empathie? Wat zijn dit toch voor wezens!
Ze kunnen er echt niet bij dat er zulke mensen bestaan.
De Westerse mens is voor hen een volslagen raadsel, een wezen waar ze totaal geen hoogte van krijgen, waar ze zich onmogelijk kunnen in verplaatsen.

Kunnen?

Als ik pasgeboren kinderen zie lachen naar wildvreemde mensen die zich over hun wieg buigen, dan lijdt het voor mij geen twijfel dat ze beschikken over een aangeboren inlevingsvermogen.
Ze hebben nog nooit mensen gezien, en die volwassenen moeten hen voorkomen als monsterachtig grote en vreemde wezens, maar toch glimlachen ze alsof ze hen herkennen, alsof ze voelen: die reuzen zijn mensen, net als ik.
Hetzelfde stel ik vast wanneer Westerse camera-ploegen doordringen in het Amazone-oerwoud en daar Indianen ontmoeten die nog nooit contact hebben gehad met de buitenwereld.
Ik zie dan mensen die op een kinderlijke manier reageren op die vreemde Westerlingen: ze lachen, ze zijn nieuwsgierig, er is een soort elementaire menselijke verstandhouding.
Nee, gebrek aan inlevingsvermogen is de mens niet aangeboren.
Empathie maakt deel uit van zijn menselijke natuur.

Als mensen blijk geven van een totaal gebrek aan empathie, als ze er niet in slagen zich in te leven in andere mensen, dan is dat geen kwestie van kunnen, maar van niet-willen.
Als deze onwil een hele volksgemeenschap kenmerkt, dan is dat geen kwestie van natuur, maar van cultuur.
Het is een bewust verzet tegen een aangeboren menselijke eigenschap: de empathie, het inlevingsvermogen.

In de woorden van zowel Yassine Channouf als Wouter Van Bellingen klinkt de ‘clash of civilisations‘ door, de botsing tussen culturen.
Om welke culturen gaat het hier?
Er is natuurlijk de botsing tussen de islamitische en de Westerse cultuur.
Maar er is ook nog een andere botsing.
Wouter Van Bellingen werpt de Vlamingen dezelfde beschuldigingen in het gezicht die we altijd horen van moslims.
Maar Van Bellingen is geen moslim, Van Bellingen is een … Vlaming.
Of belet zijn zwarte huid hem om een Vlaming te zijn?
Kunnen Vlamingen alleen maar blank zijn?
Veel mensen zouden dat een racistische gedachte vinden, en daar wil ik hem niet van verdenken.
Dus hebben we hier te maken met een Vlaming die zichzelf – met een brede glimlach – beschuldigt van een schrijnend gebrek aan empathie.
Ofwel is deze Van Bellingen zwakzinnig, ofwel gaat hij er vanuit dat er twee soorten Vlamingen, of beter gezegd, twee Vlaamse culturen zijn: een cultuur (waar hij uiteraard zelf toe behoort) die vreemdelingen met open armen ontvangt, en een cultuur die meer van honden dan van migranten houdt, een racistische cultuur dus.

Ook onder Vlamingen vindt er dus een ‘clash of civilisations’ plaats.
Het gaat met andere woorden niet om één botsing maar om twee ‘botsingen van culturen’.

Laat we eens naar de eerste botsing kijken, de botsing tussen de islam en het Westen.
Die komt tot uitdrukking in twee kapitale verwijten:
De moslims willen zich niet integreren en de Westerlingen zijn racistisch.
Goed en wel bekeken, gaat het hier om één en hetzelfde verwijt: het ontbreekt de anderen aan inlevingsvermogen.
Alleen gaat het in het ene geval om een ‘fysiek’ inlevingsvermogen: de moslims weigeren zich aan te passen aan de gewoonten en gebruiken van het Westen.
In het andere geval gaat het om een ‘geestelijk’ inlevingsvermogen: de Westerling kan zich niet verplaatsen in de geest van de moslim en behandelt hem daarom zonder respect.

Het begint bekend te klinken, maar ze hebben allebei gelijk.
De moslims weigeren zich inderdaad ‘in te leven’ of te integreren: ze vragen aparte wetten, ze willen apart zwemmen, ze willen apart slachten, ze willen apart vlees. Ze willen kortom niet op gelijke voet behandeld worden.
De Westerlingen van hun kant zijn niet bereid zich in te leven in de geest van de moslim, die in de eerste plaats een religieuze geest is. Moderne Westerlingen willen niets meer te maken hebben met religie. Ze peinzen er niet over om religieuze wetten op voet van gelijkheid met seculiere wetten te plaatsen.

Het gaat dus niet zomaar om de botsing tussen twee culturen, het gaat om de botsing tussen de wereldbeelden die aan die culturen ten grondslag liggen.
In het Westen is dat het wetenschappelijke wereldbeeld.
In de islam is dat het religieuze wereldbeeld.
En beide wijzen elkaar radicaal af.
In het materialistische wereldbeeld van het Westen is er geen plaats voor religie of geest, tenzij als een soort bijproduct van de materie. Van gelijkheid tussen geest en materie kan geen sprake zijn. Een dialoog op voet van gelijkheid tussen materialistische en religieuze denkbeelden is dan ook uitgesloten.
Omgekeerd is het niet anders.
In het religieuze wereldbeeld van de islam is er geen plaats voor wetenschap, tenzij als een commentaar op de koran. Dat de Westerse wetenschap op gelijke voet zou staan met het woord van God is ondenkbaar voor de moslim. Een dialoog tussen beide is dan ook uitgesloten.

Van zodra de islam en het Westen doordringen tot de grondslagen van hun cultuur houdt de verstandhouding op en vindt er een frontale botsing plaats.
Ten aanzien van die geestelijke grondslagen gelden de woorden van Kipling: East is East and West is West, and the twin shall never meet.
Anders gezegd: tussen de religieuze islam en het materialistische Westen heerst de broedertwist.

(wordt vervolgd)

Kunst en geloof (2)

Het moet omstreeks mijn 14de geweest zijn dat ik van mijn geloof afviel, zoals dat heet.
Met vallen had het niet veel te maken, want het kostte me geen greintje pijn.
Het was veeleer een ontwaken.
Ik viel als een rijpe appel van de boom des geloofs.
Tegelijk vond ik een nieuw geloof, of beter: ik werd er mij gaandeweg van bewust dat ik altijd maar in één ding geloofd had: in de kunst.
In dezelfde tijd vond ik nog een ander nieuw geloof: dat in de rede.
Ik kan me zelfs nog het moment herinneren waarop ik verliefd werd op de rede, want zo beleefde ik het.
Wat ik geloof noem, zou je dus net zo goed liefde kunnen noemen.
Ik geloof niet in de oude God, want ik kan me niks bij hem voorstellen, laat staan dat ik hem zou kunnen liefhebben.
Maar van de kunst en de rede hou ik wel.
Daar hoef ik niet eens moeite voor te doen.

20140511-233825.jpg

In feite heb ik als kind alleen maar beleefd wat ieder modern mens beleeft: het oude religieuze geloof ontvalt hem en in plaats daarvan komt het nieuwe geloof in kunst en wetenschap.
Maar daar is hij zich niet van bewust.
Hij ziet die overgang niet als een geloofswisseling, maar als een ontwaken uit een droom.
Hij is ervan overtuigd dat de religieuze mens zich vroeger van alles inbeeldde, maar dat de niet-gelovige mens de werkelijkheid ziet zoals ze is.
Die overtuiging blijkt echter niet opgewassen tegen de heropleving van het oude geloof zoals we die momenteel meemaken.
De kunst heeft al langer bakzeil gehaald en de waarneming vervangen door blind geloof.
Maar nu geeft ook de rede stap voor stap haar verworvenheden op.
Het nieuwe geloof lijkt dus geen stand te kunnen houden.
Nadat het zich met veel moeite losgemaakt had van het oude geloof, wordt het er nu weer door opgepeuzeld.
En toch is het nieuwe geloof niet zwak. Het is zelfs heel sterk.
Maar het bewustzijn van dat geloof is heel zwak.
De moderne mens denkt namelijk dat hij niet meer gelooft.
Hij denkt dat kunst en wetenschap gewoon feiten zijn die hij vaststelt.
Hij realiseert zich niet dat aan beide een mysterie ten grondslag ligt, een mysterie dat hij niet onder ogen durft te zien.
Het is het gebrek aan bewustzijn van dat mysterie dat hem zo zwak maakt tegenover een oude religie wier tijd voorbij is.

20140511-233923.jpg

De moderne mens gelooft niet dat hij … gelooft.
Daar ligt het probleem.
Hij gelooft met hart en ziel in kunst en wetenschap, net zoals hij vroeger met hart en ziel geloofde in wat de religie hem vertelde.
Maar zijn bewustzijn heeft die stap nog niet gezet.
Het is nog niet tot het inzicht gekomen dat de mens (nog altijd) gelooft en aan dat geloof niet kan ontsnappen.
Het is namelijk de grondslag van alles: als de mens niet gelooft, dan kan hij niets.
Hij kan dan zelfs niet meer denken, want het denken steunt op geloof-in-het-denken.
Niemand kan bewijzen dat het denken waar is zonder te denken.
Ofwel gelooft men in de rede, ofwel houdt men op redelijk te zijn.
Dat laatste is wat vandaag gebeurt.
De moderne mens keert langzaam terug naar een pre-rationele, instinctieve staat van zijn.
En dat komt doordat hij niet doordringt tot de grondslag van de rede: het geloof (in de rede).
Hij gelooft wel in de rede, maar hij doet het op een onbewuste manier, zonder te beseffen dát hij gelooft.

De moderne mens bestaat in feite uit twee delen: een onbewust deel dat sterk gelooft in kunst en wetenschap, en een bewust deel dat niet gelooft dat het (nog steeds) gelooft.
Die combinatie van een gelovig en een ongelovig deel maakt van de moderne mens precies datgene wat hij de oude, religieuze mens altijd verwijt te zijn: een blinde gelovige.
Wie niet inziet dat de kern van kunst en wetenschap een geloof is, een overgave aan een grondeloos mysterie, ziet de zaken niet helder.
Hij leeft in een droom en laat zich blindelings leiden.
De moderne mens denkt wel dat hij ontwaakt is en dat hij de werkelijkheid (eindelijk) ziet zoals ze is, maar in feite is hij alleen in een andere droom terechtgekomen.
Hij slaapt weliswaar niet zo diep meer, maar wakker is hij nog lang niet.
Daarvoor moet hij nog een beslissende stap zetten: hij moet zich bewust worden van zijn geloof, van zijn fundamentele gelovig-zijn.
Pas dan wordt zijn geloof een weten.
Pas dan ontwaakt hij echt en gaat er een nieuwe wereld voor hem open.

20140511-234051.jpg

Toen ik als kind ontwaakte uit mijn religieuze droom (die reeds zijn kracht verloren had) dacht ik de werkelijkheid te zien zoals ze was.
Ik beschouwde gelovigen als mensen die nog sliepen.
Hoe kon je anders geloven in al die religieuze nonsens!
Maar ik ergerde me er niet aan.
Ik was te opgelucht wakker te zijn geworden en ik wilde m’n tijd niet langer verspelen aan religie: ik had immers de kunst en de rede!
Gaandeweg begon het me echter te dagen dat kunst en wetenschap me niet echt met de werkelijkheid verbonden.
Ik was bij wijze van spreken wel opgestaan, maar ik had het huis (of zelfs mijn slaapkamer) nog niet verlaten.
Dat verzwakte mijn (nieuwe) geloof echter niet, maar ik realiseerde me wel in toenemende mate dat er heel wat problemen waren en dat er bijvoorbeeld kunst en kunst was, zoals er ook wetenschap en wetenschap was.
De zaken waren met andere woorden lang niet helder en eenduidig, integendeel, ze liepen door elkaar, als in een droom.

Uit die nieuwe droom (die aanvankelijk zo ‘wakker’ had geleken) ontwaakte ik toen ik de antroposofie leerde kennen, wat overigens gepaard ging met een hevige worsteling.
Eindelijk had ik het gevoel dat er een brug werd geslagen tussen mijn innerlijke wereld en de werkelijkheid daarbuiten.
Die brug had ik in de reguliere wetenschap, zoals ik die op school in de maag kreeg gesplitst, nooit kunnen ontdekken.
Ik begreep niet wat al die getallen en formules die ik uit het hoofd moest leren met de werkelijkheid te maken hadden.
In de kunst had ik die brug wél gevonden, maar ik beleefde tegelijk hoe ik in het nauw werd gedreven door een ‘nieuwe’ kunst die zich radicaal tegen de werkelijkheid keerde.
Ik ontmoette in de kunst en de wetenschap dus hetzelfde probleem, zij het op een andere manier.

20140511-234745.jpg

Op rationeel, wetenschappelijk vlak werd dat probleem opgelost door de antroposofie.
Zij sloeg een brug tussen rede en werkelijkheid, en tegelijk ook tussen kunst en wetenschap.
Maar ik was er me zeer van bewust dat die brug op geloof berustte.
Ik werd antroposoof op het moment dat ik geloofde wat Rudolf Steiner schreef.
Dat geloof was een vorm van herkenning: Steiner drukte in woorden en begrippen uit wat er diep in mijn eigen ziel sluimerde.
Tegelijk was mijn geloof een daad van vertrouwen: op basis van wat ik van en over hem gelezen had, gaf ik de man mijn vertrouwen.
Van het een kwam het ander: ik vond ook weer de brug naar het (christelijke) geloof.
Ik dacht: als ik de man kan vertrouwen als het over wetenschap en kunst gaat, dan kan ik hem ook vertrouwen als het over religie gaat.

Dat klinkt waarschijnlijk kinderlijk en naïef, maar voor mij was het realistisch.
Ik kon niet oordelen over de waarachtigheid van wat Rudolf Steiner zei over de geestelijke wereld, want ik had geen benul van die wereld.
Nog minder kon ik zeggen dat ik hem begreep, want ik hoorde het vaak in Keulen donderen als ik zijn boeken las.
Mijn vertrouwen in de man (of mijn geloof in de antroposofie) was weliswaar niet gespeend van rationaliteit en kritische zin, maar het was toch voornamelijk een gevoelsmatige, intuïtieve kwestie.
Hoe weet je dat je iemand kunt vertrouwen?
Vertrouwen is geen exacte wetenschap.
Het is een daad van geloof.
Het is een uiting van liefde.

20140511-235554.jpg

Daar ben ik me altijd bewust van geweest: antroposofie was (en is) voor mij een geloof.
Ik herinner me nog mijn eerste gesprekken met antroposofen.
Ze praatten over engelen en kabouters en geestelijke wezens alsof het niks was.
Ik zat er verbaasd naar te luisteren.
Toen ik ten slotte vroeg: maar hebben jullie zelf wel eens zo’n kabouter gezien? viel er een ongemakkelijke stilte aan de tafel.
Ik begreep meteen: zoiets vraag je niet!
Antroposofen wilden blijkbaar niet geconfronteerd worden met het feit dat ze gewoon geloofden in kabouters en engelen.
En dat stoorde me.
Niet het feit dat ze dat geloofden stoorde me, maar het feit dat ze het niet wilden toegeven.
Hun geloof was misschien wel sterk, maar hun bewustzijn ervan was zeer zwak.
Ze wilden of konden hun geloof niet onder ogen zien, en juist daardoor bleef het een privé-aangelegenheid die voor mij nauwelijks betekenis had.
Als ze nu hadden toegegeven dat antroposofie voor hen een geloof was, dan hadden we daarover kunnen praten, dan was er misschien een boeiende discussie ontstaan.
Nu viel er alleen een stilte en voelde ik me buitengesloten.

20140511-235654.jpg

Het is niet het geloof zelf dat mensen van elkaar scheidt, het is het gebrek aan bewustzijn ervan, het niet willen erkennen dát men gelooft.
Dat is bijvoorbeeld ook het grote probleem met de islam: veel moslims beschouwen de islam niet als een geloof maar als een feit. Ze zijn niet bereid of in staat dat geloof kritisch te benaderen. Ze vrezen dan de grond onder hun voeten te verliezen. Dat is namelijk wat ze zien gebeuren bij de moderne Westerse mens.
Die heeft zijn geloof wél kritisch benaderd en het heeft van hem een zwalpend schip gemaakt.

Toch hoeft het geloof niet bang te zijn voor de kritische rede, want die rede berust zelf op een geloof.
Het probleem is dus niet dat moslims of christenen of antroposofen geloven wat ze geloven.
Het probleem is dat de moderne rationele mens gelooft dat hij niet gelooft.
Of niet gelooft dat hij gelooft.
Want dat is wat in zijn bewustzijn leeft: de overtuiging dat hij niet gelooft, dat hij een ongelovige is.

Dit ongeloof is echter niet bestand tegen een kritische, rationele benadering.
Dat ondervind ik telkens weer als ik in discussie ga met ‘ongelovigen’, met atheïsten of materialisten die menen de wereld te zien zoals hij werkelijk is.
Als ik hun overtuiging aanval (wat in een rationele context volkomen normaal is) reageren ze vaak emotioneel, verontwaardigd of zelfs agressief.
Hun redelijkheid, waar ze zelf hoog van opgeven, laat hen dan in de steek en het eindigt er steevast mee dat ze het gesprek afbreken.
Ze gedragen zich met andere woorden als ‘gelovigen’.
Hun ongeloof – de overtuiging dat ze niet geloven – is in feite een geloof dat ze niet ter discussie willen stellen.
Het komt er uiteindelijk op neer dat ze niet willen denken over het denken.
Ze willen de kritische rede niet op zichzelf richten.
Ze weigeren de laatste stap te zetten en het rationele denken helemaal tot het eind door te voeren.
Want aan dat eind staat … het geloof.

20140511-235904.jpg

Maar dit ‘ultieme’ geloof is niet hetzelfde als het oude religieuze geloof.
Het is een ontwaakt geloof, een bewust geloof, een geloof dat tegelijk een weten is.
En dat weten – het weten dat de mens gelooft en niet anders kan dán geloven – is het enige echte houvast dat hij heeft.
Alle weten dat niet beseft dat het berust op een geloofsdaad, kan onderuit worden gehaald.
Het is geen zeker weten.
Zeker is alleen het weten dat we in de grond gelovige mensen zijn, dat geloof in onze natuur ligt en dat we geen mens kunnen zijn zonder te geloven.

Kijken we maar naar een kind: het is één en al geloof in de wereld.
Het zou eenvoudig niet kunnen bestaan zonder het onvoorwaardelijke vertrouwen dat het uitstraalt en dat beantwoord wordt met louter liefde.
Naarmate het kind echter opgroeit, wordt zijn vertrouwen beschaamd.
Vuur bijvoorbeeld blijkt niet te vertrouwen te zijn.
Als je het streelt, spint het niet als een kat maar bijt het als een leeuw.
En zo blijkt de wereld in toenemende mate niét te vertrouwen.
Als gevolg daarvan wordt het kind wantrouwig, het trekt zich terug, het sluit de wereld niet langer in zijn armen.
Maar dankzij dat wantrouwen ontwikkelt het een ik en groeit het op tot een zelfstandig wezen.
De ‘zondeval’ die ieder mens ondergaat, is voorwaarde voor zijn vrijheid.

20140512-000225.jpg

Die vrijheid – waarvoor hij steeds meer banden met de wereld doorknipt tot hij helemaal alleen staat – maakt hem echter buitengewoon zwak en kwetsbaar.
Dat zien (en ervaren) we vandaag maar al te duidelijk: de moderne mens is een vrije, maar tegelijk ook machteloze mens.
Hij is eigenlijk een vogel voor de kat als hij er niet in slaagt zich weer te verbinden met de wereld waarin hij leeft, als hij niet opnieuw leert vertrouwen te hebben.
Maar juist dát lijkt vandaag een onmogelijke opgave te worden, want de moderne wereld is vergeven van wantrouwen, leugen en misleiding.
Zelfs de lucht die we inademen, valt niet meer te vertrouwen.
De moderne mens sluit zich dan ook steeds meer af voor de wereld: hij leeft in toenemende mate in een virtuele werkelijkheid die hem nóg zwakker maakt dan hij al is.

20140512-000319.jpg

Uit die machteloosheid is er maar één uitweg, en dat is de bewustwording van het feit dat de mens niet kan leven zonder te geloven, zonder te vertrouwen.
En dat is iets wat hij moet ondervinden.
Hij moet op de een of andere manier het punt bereiken waar hij voor de keuze staat: vertrouwen of niet vertrouwen, geloven of niet geloven.
Als hij dat punt bewust bereikt, zal de keuze niet moeilijk zijn: hij zal dan beseffen dat kiezen voor ongeloof en wantrouwen een doodlopende straat is.
Bereikt hij dat punt echter onbewust, dan zal hij gewoon de weg volgen die hij al gaat: de weg van het ongeloof.

20140512-001750.jpg

Een moderne magiër

Toen ik vernam dat Jan Hoet was overleden, dacht ik bij mezelf: nu breekt de hel los!
En zo gebeurde.
Alleen bestond die ‘hel’ uit een duizendkoppig Hallelujah zonder één valse noot.
In ontelbare lofzangen werd Jan Hoet nét niet heilig verklaard.

De populaire kunstpaus wordt woensdag begraven in de Gentse St. Pauluskerk en iedereen is – naar zijn eigen uitdrukkelijke wens – welkom.
Wie de St. Pauluskerk kent en weet waar ze ligt – vlak bij het station, in een wirwar van smalle eenrichtingsstraatjes die vol geparkeerde auto’s staan – weet dat het een enorme chaos zal worden.
And Hoet would have liked it.

20140301-201052.jpg

Zelf vind ik het eigenlijk ook best opwindend.
Het heeft iets van kerstmis: een dag dat iedereen aan hetzelfde denkt en met hetzelfde bezig is.
Niemand zal woensdag vragen: wat is hier allemaal aan de hand?
Iedereen zal het weten.
De begrafenis van Jan Hoet zal in méér dan één betekenis een religieuze gebeurtenis zijn.
En hoe zeldzaam is dat in onze moderne tijd!
Hoe vaak komt het voor dat een mens sterft die door iedereen geliefd werd, van koningin tot WC-madam?
Hoe vaak zien we in de media een mens verschijnen die authentiek en volks is en toch de meest intellectuele en culturele kringen aanspreekt!
Hoe groot is het verlangen van de moderne mens niet naar het ‘eenheidsgevoel’ dat dergelijke zeldzaam charismatische mensen opwekken!

Jan Hoet verenigde wat onverenigbaar werd geacht.
Hij was niet alleen in de oude maar ook in de nieuwe betekenis religieus – van het werkwoord religare: her-verbinden, helen wat gebroken was.

Toch is er ook een deel van me dat de modern-religieuze geestdrift die vandaag uit de media opstijgt verontrustend vindt.
Want tenslotte is Jan Hoet de man die als een moderne Christus de ‘tempel van de kunst’ reinigde … nee, niet van de kooplieden (want die bracht hij er juist binnen) maar van alles wat naar het Oude Testament in de kunst rook.
Met bijna goddelijke toorn ging hij tekeer tegen de bekrompen, traditionele ‘gelovigen’ en liet geen gelegenheid voorbijgaan om hen te choqueren en te bruskeren.
Hij zocht letterlijk en figuurlijk voortdurend ruzie met hen.
Deze kunstpaus deed niets liever dan knetterend vloeken in de oude kerk van de kunst.
Hij haalde er varkens binnen, stront, porno, afval, enfin alles wat maar blasfemisch was.
Eén van zijn laatste wapenfeiten was een tentoonstelling van Hedendaagse Kunst in de Gentse St.Baafskathedraal, de verblijfplaats van het Lam Gods.

20140301-201355.jpg

Ik verafschuw uit de grond van mijn hart wat Jan Hoet deed en waar hij voor stond.
En ik ben niet de enige.
Ik maak me zelfs sterk dat de mééste mensen verafschuwden wat Hoet allemaal uitspookte.
Maar zij komen in de media niet aan bod.
Niet één.
Het is alsof ze niet bestaan, terwijl ze de meerderheid vormen.

Wat je nergens leest en nergens hoort, is dat er een onzichtbare grens loopt tussen degenen die Jan Hoet heilig verklaren en degenen die in hem een baarlijke duivel zien.
Die grens wordt zorgvuldig verborgen door degenen die ze trekken.
Nochtans is het een beproefde techniek in de moderne journalistiek om, als er ergens een uitgesproken mening wordt verkondigd, er meteen de tegenovergestelde mening naast te plaatsen.
Alleen als het over Hedendaagse Kunst gaat, doet men dat nooit.
Men doet dan alsof er geen tegenovergestelde mening bestaat.
Of dat ze de moeite van het vermelden niet waard is.
Men beschouwt de meerderheid gewoon als quantité negligeable.

Er bestaat in de culturele wereld (en niet alleen daar) een minderheid, een kleine elite, die zo arrogant is dat ze de meerderheid gewoon negeert.
Als die meerderheid haar stem verheft, dan wordt ze uitgelachen, weggehoond.
Ze wordt met zo’n vernietigende spot overladen dat ze haar mond niet meer durft opendoen.

Het krasse is dat die meerderheid de vijandige elite steunt en onderhoudt.
Ze betaalt de culturele elite die haar … minacht, uitscheldt, uitlacht en negeert.
Ze buigt deemoedig het hoofd voor haar spot, hoon en afkeer.

20140301-201518.jpg

Onvermijdelijk rijst de vraag: waarom doet ze dat?
Waarom steunt de meerderheid een minderheid die haar op de meest arrogante en neerbuigende manier behandelt?
Vreemd genoeg vinden we in ons land precies dezelfde situatie op politiek gebied: de Vlaamse meerderheid steunt een Franstalige minderheid die haar behandelt als het vuil van de straat.
Eigenlijk treffen we deze situatie vandaag overal aan: de macht en rijkdom in de wereld is vandaag in handen van een zeer kleine, internationale elite die de meerderheid van de wereldbevolking als slaven behandelt.

Wat ligt er ten grondslag aan deze verbijsterende tegenstelling, aan deze Grote Breuk die dwars door de wereld loopt?
Daar bestaan verschillende antwoorden op, die we allemaal kennen.
Maar het overlijden van Jan Hoet wijst op een antwoord dat zelden aan bod komt: religie.
In onze moderne hedendaagse wereld onderwerpt de meerderheid zich slaafs aan een arrogante en agressieve minderheid om … religieuze redenen.
En dat gebeurt niet alleen in de islamwereld of in andere oude, religieuze samenlevingen.
Het gebeurt ook in zeer moderne, seculiere samenlevingen als de onze, waar de oude religie van geen tel meer is.

20140301-201717.jpg

Nee, dat Jan Hoet een kunstpaus werd genoemd, is geen toeval.
Hij was de belichaming van een nieuw type heerser: seculier, artistiek en religieus tegelijk.
Hij was … een moderne magiër.
En de enorme, onweerstaanbare invloed die van hem uitging, verontrust me zeer.

Ik voel hoe die invloed mij in twee deelt.
Een deel van me wil zich overgeven aan de religieuze roes die hij opwekt door zijn fascinerende, overweldigende persoonlijkheid.
Hoe graag zou ik erbij horen en ongeremd een mens kunnen bewonderen en liefhebben!
Hoe sterk verlang ik niet naar dat eenheidsgevoel, naar dat samen vereren!
Maar een deel van me weigert zich over te geven en deinst in afschuw terug voor wat deze magiër allemaal teweegbrengt.
Een deel van me verzet zich tegen die religieuze dronkenschap en wil nuchter blijven waarnemen en denken.

En ik weet niet hoe ik die twee delen met elkaar moet verbinden.

Waarschijnlijk is dát de kern van de magische invloed van mensen als Jan Hoet: ze drijven een wig in je ziel. Ze maken van je iemand die tegelijk bewondert en verafschuwt en daardoor zichzelf blokkeert.
En waarschijnlijk is tegen deze ‘moderne religie’ maar één kruid gewassen: een andere ‘moderne religie’, een nuchtere, wetenschappelijke re-ligie die de in twee gespleten ziel van de moderne mens weer heelt.

20140301-201901.jpg

Is kunst wetenschap?

Ik lees en hoor steeds vaker de vraag: is kunst wetenschap?
Waar komt zo’n vraag in ’s hemelsnaam vandaan?
Niemand vraagt toch ook: is religie wetenschap?
Religie en wetenschap zijn immers gezworen vijanden.
Maar kunst en wetenschap zijn dat ook.
Wetenschap streeft naar objectiviteit.
Kunst naar subjectiviteit.
Ze staan dus lijnrecht tegenover elkaar.
En toch vraagt men of ze hetzelfde zijn.
Alsof hun tegenstelling niet bestaat.
Alsof men geen verschil ziet tussen beide.

Wat zit daarachter?

20131023-120947.jpg

Ooit vormden kunst, wetenschap en religie een eenheid.
Die eenheid raakte in de loop der tijden opgesplitst in drie delen, die ieder hun eigen weg gingen.
Omstreeks 1900 hadden ze niets meer met elkaar gemeen, behalve hun onderlinge vijandigheid.
Die vijandigheid was het gevolg van hun aards-worden.
Naarmate de mens het contact met de geestelijke wereld verloor, verloren ook kunst, wetenschap en religie het contact met elkaar.

Hun zelfstandig worden betekende ook het zelfstandig worden van de mens.
De vrije ruimte die tussen hen in ontstond, was de ‘baarmoeder’ waarin het Ik zich kon ontwikkelen.
Ze was de ‘huid van de draak’, want het was immers de draak die de mens losscheurde van de geestelijke wereld, en kunst, wetenschap en religie uit elkaar dreef.

Vandaag zijn we echter op een keerpunt gekomen.
Het Kali Yuga is afgelopen, het ‘duistere’ tijdperk waarin de mens het contact met de geest verloor en het materialisme gestaag toenam.
Omstreeks 1900, bereikte dat materialisme zijn hoogtepunt en sloeg om in zijn tegendeel: het nieuwe ‘lichte’ tijdperk begon, waarin de mens het contact met de geest herstelt en de spiritualiteit gestaag toeneemt.
Dit keerpunt heeft tot gevolg dat kunst, wetenschap en religie weer naar elkaar toe groeien.
Stap voor stap wordt hun onderlinge afstand kleiner en vandaag zien we zelfs hoe ze in elkaar beginnen over te vloeien.

Een paar voorbeelden.

In haar ijver om de evolutietheorie te verkondigen, heeft de wetenschap iets van een religie gekregen, en door in te grijpen in genetische structuren gedraagt zij zich als een kunst die nieuwe vormen wil scheppen.
De religie van haar kant is, net als de wetenschap, verstard tot een geheel van dogma’s en voorschriften, en door deel te nemen aan de politiek wil zij, net als de kunst, de wereld veranderen.
De kunst ten slotte is niet langer denkbaar zonder wetenschappelijke verklaringen, en tegelijk is ze georganiseerd als een kerk, met een paus aan het hoofd.

20131023-121149.jpg

De grenzen tussen kunst, wetenschap en religie vervagen en we stevenen af op een hereniging.

Maar de oude, oorspronkelijke eenheid kan niet meer hersteld worden.

Twee zaken verhinderen dat.
Enerzijds de ‘drakenkrachten’ die kunst, wetenschap en religie uit elkaar hebben gedreven.
En anderzijds de vrijheid die de mens in hun tussenruimte ontwikkeld heeft.
De draak denkt er niet over om zijn macht op te geven, en de mens wil zijn vrijheid evenmin afstaan.
Geen van beiden, drakenmacht of menselijke vrijheid, kan nog ongedaan worden gemaakt.
De eenheid waar we sinds 1900 op afstevenen, kan dus nooit de oude, door de geestelijke wereld geïnspireerde en door de religie geleide eenheid zijn.
Het zal noodzakelijkerwijs een nieuwe eenheid zijn, die zowel de draak als de vrije mens zal insluiten.
En die twee zullen met elkaar uitvechten wie de leiding krijgt over de nieuwe eenheid die tot stand komt.

We leven in een Michaëlstijd, een tijd van grote beslissingen.
De scheiding der geesten begint.
De mensheid raakt verdeeld.
Een deel plaatst zich onder leiding van de draak.
Een ander deel plaatst zich onder leiding van Michaël.

Die scheiding is het gevolg van een keuze,
een keuze tussen goed en kwaad.
Maar het gaat niet om goede of slechte daden, goede of slechte gedachten, goede of slechte gevoelens.
Het gaat om het wezen van goed en kwaad.
Het gaat om twee (geestelijke) wezens waartussen we moeten kiezen.
En een derde is er niet.

Het probleem is natuurlijk dat we geen geestelijke wezens (meer) kunnen waarnemen.
We kunnen het wezenlijk goede en het wezenlijk kwade niet onderscheiden.
Nochtans is dat juist wat we zozeer nodig hebben, want in hun uitingen – in gedachten, gevoelens en daden – zijn goed en kwaad zodanig met elkaar verstrengeld dat ze niet meer uit elkaar te houden zijn.
Met ons moderne, heldere onderscheidingsvermogen zien we geen verschil meer tussen beide.
Goed en kwaad zien er net hetzelfde uit.

20131023-122210.jpg

Tot nog toe maakten we onderscheid tussen beide met ons geweten.
Dat geweten is een soort herinnering aan wat we vroeger ge-weten hebben.
En we wisten het omdat we het zagen.
We konden de geestelijke wereld nog waarnemen en onderscheid maken tussen de verschillende wezens die hem bevolkten.
Van dat oude (helder ziende) weten is vandaag nog slechts een (slecht ziend, tastend) geweten overgebleven.
Dat moderne geweten is een gevoelszintuig: we maken onderscheid tussen goed en kwaad met ons ‘hart’.

Maar dat hart is nagenoeg blind geworden.
Het heeft ook bijna geen stem meer.
Het wordt het zwijgen opgelegd door het hoofd, dat Oost-Indisch doof blijft voor alles wat wezenlijk of geestelijk is.
En dus zijn onze morele keuzes in toenemende mate blinde en willekeurige keuzes.
We tasten letterlijk en figuurlijk in het duister.

Maar een willekeurige keuze is geen vrije keuze.
Het is geen keuze van de vrije mens, maar van … de draak.
Zonder het te beseffen, laten we de draak in onze plaats kiezen.
Door niet (goed) te weten waarvoor we kiezen, geven we ons leven steeds meer in handen van de draak.
En de enige manier om het zelf weer in handen te nemen, is door vrije keuzes te maken, dat wil zeggen, keuzes waarbij we weten waartussen we kiezen.
En daarvoor is het noodzakelijk dat we goed en kwaad leren onderscheiden, dat we hun geestelijke wezen leren waarnemen.

Niemand die bij goed bij zijn hoofd is, zal namelijk voor het kwaad kiezen.
Het volstaat het wezen van het kwaad te zien, om het af te wijzen.
Maar daar ligt juist het probleem: we zien het niet.
We zijn (met ons hart dat moet kiezen) niet goed bij ons hoofd (dat onderscheidt).
Ons bewustzijn is verdeeld.
Er gaapt een kloof tussen hoofd en hart.
Ons denken bestaat uit abstracte, dode gedachten.
Onze gevoelens worden vertroebeld door brandende begeerten.
En onze wil is verlamd omdat hij de kloof tussen beide niet kan overbruggen.

Van het oude eenheidsbewustzijn rest ons niets meer dan kille gedachten, verhitte emoties, een verlamde wil, en daartussen … niets.
Althans, dat denken we.
Want het is de draak die zich genesteld heeft in die lege ruimte tussen denken, voelen en willen.
De draak met de twee koppen: een luciferische kop die ons hart in brand steekt, en een ahrimanische kop die ons hoofd bevriest.
Zolang we die twee koppen niet onderscheiden, kunnen we ook de draak zelf niet onderscheiden.
En zolang we de draak (het wezen van het kwade) niet onderscheiden, kunnen we ook Christus (het wezen van het goede) niet onderscheiden.

20131023-122719.jpg

Op dit keerpunt der tijden moeten we een nieuw moreel zintuig ontwikkelen.
Het oude werkt niet meer.
Zonder dat nieuwe zintuig zullen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
We zullen geen vrije keuzes meer kunnen maken.
We zullen onze vrijheid verliezen.
Alle keuzes zullen in onze plaats gemaakt worden, door de draak.
We zullen stap voor stap zelf draken worden.
En we zullen het niet weten.
Want we zullen geen verschil meer zien tussen goed en kwaad.
We zullen de vreselijkste dingen doen in de overtuiging dat we het goede doen.
Ja, hoe beestachtiger we ons zullen gedragen, des te betere mensen zullen we ons voelen, des te groter zal ons morele superioriteitsgevoel worden.
En dat is al lang geen apocalyptische toekomstvoorspelling meer.
Het is gewoon een waarneming van wat reeds aan de gang is.
Dat we de Nobelprijs voor de Vrede geven aan de grootste terroristenleider ter wereld is geen krankzinnige fictie maar harde werkelijkheid, een werkelijkheid die zich onder onze bijna blinde ogen afspeelt.

Het openen van onze nieuwe ‘morele ogen’ is dan ook geen spirituele prietpraat maar dringende noodzaak.
Tenminste als we niet werkloos willen toekijken hoe de menselijke beschaving systematisch vernietigd wordt en het leven van miljoenen mensen tot een hel maakt.
Als we nog een hart in ons lijf hebben en niet helemaal afgestompt zijn door de luxe en de leugens die dagelijks over ons uitgestort worden, dan moet het ontwikkelen van dit innerlijke zintuig een absolute prioriteit zijn.
Onze ene mensenplicht tegenover alle mensenrechten.

Als we beweren dat niets belangrijker is dan vrede, dan vergissen we ons.
Als we denken dat we het hier zo goed hebben in ‘ons landje’, dan zijn we al flink verdwaasd.
We worden bedreigd door het allergrootste gevaar: het gevaar op te houden mens te zijn, het gevaar ongemerkt te veranderen in een beest dat zich moreel superieur waant en daaraan het recht ontleent ‘de inferieuren’ uit te roeien.
Wie denkt dat hij dat gevaar niet loopt, droomt.
Denken we maar aan wat er nog niet zolang geleden gebeurd is in Duitsland, het meest ontwikkelde, meest progressieve en cultureel meest hoogstaande land ter wereld, het land waar wetenschap en kunst de hoogste toppen scheerden.
Uitgerekend daar sloeg de draak ongenadig toe, en hij kreeg nagenoeg iedereen in zijn macht, de intelligentsia op kop.
We denken dat zoiets niet nog eens kan gebeuren, maar het is al volop bezig en we zien het niet.
Tientallen jaren reeds voert de overheid een door de media en de hele intellectuele wereld gesteunde propagandacampagne waarin mensen dag in dag uit aan de schandpaal worden genageld en afgeschilderd als het grootste gevaar voor de samenleving: de zogenaamde racisten, de onverdraagzamen, de haatzaaiers, de islamofoben, de fascisten, de verzuurden, de extreem-rechtsen, de ‘onmensen’ kortom.
En we trappen er met beide voeten in.
Want de draak is buitengewoon sluw en intelligent.
Hij weet precies waar onze achillespees ligt.

En wij weten dat niet.

20131023-123204.jpg

Ons fel verzwakte morele zintuig, dát is onze achillespees.
Daar richt de draak zijn pijlen op.
En we hoeven ons geen illusies te maken: hij zal ons geweten vernietigen.
Hij zal de herinnering aan ons oude menszijn helemaal uitwissen.
Hij zal ons tot gewetenloze mensen maken, mensen die niet meer weten wat menszijn is.
En in ruil zal hij ons een nieuw geweten geven.
Hij zal van ons mensen maken die bij het minste kwaad vol verontwaardiging opspringen en roepen: we moéten iets doen, we moeten dat kwaad uitroeien!
Alleen zal dat kwaad geen kwaad zijn, maar goed.
Het nieuwe ‘geweten’ zal immers alles omdraaien: het zal goed en kwaad verwisselen.
De draak zal van ons mensen maken die het goede in naam van het goede willen uitroeien.

Het grote gevaar is dus niet dat onze morele ogen helemaal gesloten worden.
Het grote gevaar is dat ze opnieuw opengaan en alles omgekeerd zien.
Het grote gevaar is dat het nieuwe morele zintuig niet óns zintuig wordt maar dat van de draak.

De enige manier om dat te voorkomen, is door wakker te blijven.

Waar we vandaag getuige van zijn, is het verdwijnen van de oude moraliteit, het volledig dichtgaan van ons innerlijke oog, het uitsterven van de oude gewetensvolle mens.
Maar tegelijk zijn we getuige van het ontstaan van een nieuwe moraliteit, van het opengaan een nieuw moreel zintuig.
We zijn wereldwijd getuige van de geboorte van de nieuwe mens, de nieuwe mens die zich een nieuwe wereld schept.
Maar zijn we wakkere getuigen?
Zien we dat de nieuwe moraliteit een omgekeerde moraliteit is, die goed en kwaad gewoon verwisselt?
Zien we dat de moreel o zo gevoelige nieuwe mens in feite een drakenmens is, die in naam van het goede de vreselijkste dingen doet?
Zien we dat de nieuwe wereld niets anders is dan de vernietiging van de oude?

De vraag stellen, is ze beantwoorden.
We zien het niet.
Het zou overdreven zijn te zeggen dat we er compleet blind voor zijn, want ons oude morele zintuig werkt nog genoeg om ons te doen lijden onder de situatie waarin mens en wereld zich vandaag bevinden.
Maar we zien niet helder meer.
We begrijpen niet meer wat er gebeurt.
In feite raken we steeds meer in de war.
We kunnen goed en kwaad niet langer van elkaar onderscheiden.
Ons bewustzijn dooft langzaam maar zeker uit.

En daar ligt het werkelijke gevaar.

20131023-124001.jpg

We kunnen het sterven van de oude wereld niet tegenhouden, het maakt dat sterven alleen maar pijnlijker.
We kunnen ook niet beletten dat er een nieuw moreel zintuig – en daarmee ook een nieuw soort mens – ontstaat.
Dit wereldwijde Stirb und Werde, dit sterven en weer geboren worden, zal hoe dan ook plaatsvinden.
Het is een kosmische wetmatigheid waaraan de hele wereld en de hele mensheid op dit moment onderworpen is.
Maar wat we wél in de hand hebben, is of we dit sterven-en-geboren-worden bewust meemaken of niet.
Knijpen we onze ogen dicht of houden we ze open?
That is the question.

In feite is dát onze Michaëlische opgave: wakker blijven, kijken, zien wat er gebeurt.
En daar is moed voor nodig, want zowel sterven als geboren worden zijn ingrijpende, schokkende en zelfs gewelddadige processen.
Maar het zijn juist deze processen die we moeten leren zien en doorzien.
We moeten leren zien dat ze samen een ingewikkelde omkering vormen.
En om getuige te kunnen zijn van deze omkering moet ons bewustzijn die omkering zelf meemaken.
Alleen een ‘omgekeerd’ bewustzijn is in staat om in de nieuwe wereld onderscheid te maken tussen goed en kwaad.

Dat het nieuwe Lichte Tijdperk nog niets anders opgeleverd heeft dan oorlog en geweld is niet te wijten aan het feit dat het wezen van de mens door een diepgaande transformatie gaat, het is te wijten aan het feit dat zijn bewustzijn die transformatie niet meemaakt.
Het keert er zich van af, het sluit de ogen, het valt in slaap.

Het oerbeeld van dit omkeringsproces is natuurlijk het sterven en verrijzen van Christus.
Wanneer dat sterven inzet, in de tuin van Gethsemane, vraagt Christus maar één ding van zijn leerlingen: waakt met mij!
Hij wil niet dat ze zijn gevangenneming verhinderen of zich verzetten tegen zijn kruisdood, want die dingen moeten juist gebeuren, daarvoor is hij op aarde gekomen.
Hij wil alleen dat zijn leerlingen wakker blijven, dat ze getuige zijn.
Maar het lukt hen niet, ze ‘vallen in slaap’.
Hun bewustzijn wordt overweldigd, het is niet sterk genoeg..
Alleen het vrouwelijke bewustzijn kan het zien van dit lijden verdragen.
Het zijn ‘de vrouwen’ die getuige zijn van de kruisdood van Christus.
Volgens Mattheus, Marcus en Lucas kijken ze ‘uit de verte’ toe.
Alleen volgens Johannes staan ze onder het kruis.
Ze zijn nu echter ook vergezeld van ‘de leerling die Jezus liefhad’.
Tegen hem zegt de stervende Christus: zie, uw moeder.
En tegen zijn moeder zegt hij: vrouw, zie, uw zoon.

20131023-124436.jpg

Met deze woorden verenigt Christus het mannelijke en het vrouwelijke bewustzijn en vormt daarmee het oerbeeld van het nieuwe Michaëlische bewustzijn dat in staat is wakker te blijven en zijn sterven van dichtbij waar te nemen.
Michaël is namelijk de engel die voor het aangezicht van Christus staat.
Hij is degene die de blik niet neerslaat bij het zien van het lijden en sterven van degene die hij boven alles liefheeft en die hij bij zijn neerdaling ‘uit de hemel’ gevolgd is.
Hij is Christus evenwel niet tot in de materie gevolgd.
Hij is blijven staan in de geestelijke wereld.
En van daaruit kijkt hij toe.
Hij maakt het lijden en sterven van Christus in zijn bewustzijn mee.
Hij is de mede-lijdende getuige.
Hij is degene die zowel Maria als Johannes de kracht geeft om ‘wakker’ onder het kruis te staan en toe te kijken.

De oude, gewetensvolle mens herkennen we in Petrus.
Hij is degene die de gevangenneming van Christus wil verhinderen en naar het zwaard grijpt.
Hij is ook degene die Christus, uit angst voor zijn eigen leven, verloochent.
En wanneer zijn geliefde meester sterft, dwaalt hij ergens rond in de nacht, verteerd door schaamte en schuldgevoel.
Het oude bewustzijn van Petrus is niet sterk genoeg om het sterven van Christus onder ogen te zien.
Daarvoor is een nieuw bewustzijn nodig, een ‘geheeld’ bewustzijn, dat het meevoelende moederhart van Maria verbindt met de scherpe blik van Johannes, de ‘adelaar’ onder de evangelisten.
Het is dít bewustzijn dat ook in staat is de verrezen Christus te herkennen.
Maria Magdalena, de ‘adelaar’ onder de vrouwen, is de eerste die de ‘nieuwe’ Christus ontmoet en herkent.
Zij staat aan het lege graf, samen met Johannes en Petrus.
In dit beeld heeft het nieuwe Michaëlische bewustzijn van Maria en Johannes zich verbonden met het oude bewustzijn van Petrus.
Zoals Christus zich verbonden heeft met de aarde, zo heeft Michaël zich verbonden met de aardse Petrus.

20131023-124820.jpg

Dit is het oerbeeld:
van het oude, gespleten bewustzijn,
over het nieuwe geheelde bewustzijn,
naar het drieledige aardse bewustzijn.

Dit bijbelse oerbeeld is op zijn beurt drieledig.
Het transformatieproces dat ons bewustzijn moet doormaken als we (een vrij) mens willen blijven, begint bij het oude dualistische bewustzijn en eindigt met een nieuw, drieledig bewustzijn.
Over dit deel van het proces hebben we geen zeggenschap.
Ons oude gespleten bewustzijn zal onherroepelijk sterven en het zal even onherroepelijk verrijzen als een nieuw eenheidsbewustzijn.
Vrij zijn we alleen in de tweede en middelste fase van het transformatieproces: de verbinding van hoofd en hart.
Daar valt de beslissing.
Daar wordt uitgemaakt of het nieuwe bewustzijn een menselijke bewustzijn zal zijn dan wel een drakenbewustzijn.
Het is déze fase die we niet mogen verslapen.

En daarmee komen we weer terug bij de oorspronkelijke vraag: is kunst wetenschap?

Kunst en wetenschap zijn namelijk uitdrukking van hart en hoofd.
Ze zijn de spiegel van wat zich in ons bewustzijn afspeelt.
Zij geven ons een objectief beeld van de tweede, centrale fase in de bewustzijnstransformatie die we vandaag doormaken.
En aan dat beeld kunnen we aflezen dat hoofd en hart inderdaad verbonden worden.
Kunst en wetenschap groeien naar elkaar toe en gaan in elkaar over.
Maar we kunnen er ook aan aflezen dat dit volgens de regels van het hart gaat, dat wil zeggen: blind, gevoelsmatig, meedrijvend op de grote kosmische verbindingskrachten die sinds het einde van het Kali Yuga de plaats hebben ingenomen van de oude scheidende krachten.
Het gaat met andere woorden om een vrouwelijke verbinding, een samensmelten met de kosmisch-vrouwelijke krachten die op alle gebieden streven naar een hereniging van wat gescheiden is.
Aan deze verbinding heeft het wakkere hoofd part noch deel.
Het is er veeleer het slachtoffer van.
De ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen van het hoofd lost langzaam maar zeker op in die zee van ‘vrouwelijke’ krachten.
In de beslissende fase van het aan de gang zijnde bewustwordingsproces vallen we met andere woorden in slaap.
We slagen er niet in om wakker te blijven.

De gevolgen daarvan zijn duidelijk.
De wetenschap houdt op wetenschap te zijn,
en de kunst houdt op kunst te zijn.
Ze vermengen zich tot een heksenbrouwsel vol leugens en lelijkheid, waarin alle menselijkheid en moraliteit oplost en verdwijnt.
De wetenschap stelt de mens voor als minder dan een aap, als een kruipende worm.
En de kunst doet eigenlijk net hetzelfde, zij het iets ‘plastischer’: zij stelt de mens voor als een stuk stront, een uitwerpsel.

20131023-125337.jpg

De vraag ‘is kunst wetenschap?’ is – op cultureel gebied – de meest prangende vraag die men kan stellen.
Enerzijds is zij uitdrukking van ons falende ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen, dat beide niet meer uit elkaar kan houden.
Anderzijds is zij een appèl aan ons Ik om wakker te worden, om vragen te stellen over de relatie tussen kunst en wetenschap, om te zien wat er met beide aan de hand.
En die vragen komen uiteindelijk neer op die ene Michaëlische vraag: wie is als God?
Het antwoord op die vraag is: de mens.
Maar in zijn abstractie is dat antwoord natuurlijk een leugen.
Verre van ‘als God’ te zijn, is de moderne mens veel meer ‘als een worm’ of nog minder.
De Michaëlische vraag moet dus heel concreet gesteld worden.
Het is de vraag naar de mens en het menselijke op ieder gebied.
Het is het afwegen tussen wat ‘als God’ is en wat ‘als de draak’ is.
Het is, kortom, het maken van onderscheid tussen goed en kwaad.

Om een Michaëlvraag te zijn moet de vraag ‘is kunst wetenschap?’ heel concreet gesteld worden.
Van ieder afzonderlijk kunstwerk moeten we ons afvragen wat er subjectief aan is en wat objectief.
En ten aanzien van de wetenschap moeten we eigenlijk precies hetzelfde doen.
Iedere wetenschappelijke bewering moet onderzocht worden op haar wetenschappelijkheid. De objectieve elementen moeten gescheiden worden van de subjectieve.

In beide gevallen betekent dat een strijd met de draak.
Want de draak spant zich tot het uiterste in om zowel het objectieve in de kunst als het subjectieve in de wetenschap te verbergen.
Hij stelt de kunst voor als een zuiver subjectieve aangelegenheid waarover niets objectiefs te vertellen valt (met als gevolg dat anything goes).
En hij stelt de wetenschap voor als een volkomen objectieve aangelegenheid waar geen subjectiviteit aan te pas komt (met als gevolg dat er niet meer kan getwijfeld worden aan de wetenschap).

Dit is de achillespees van de draak.
Als men heel bewust en heel concreet de vinger legt op het samengaan van objectief en subjectief in zowel kunst als wetenschap, dan wordt de draak woest, dan laat hij zich kennen.
En dan is het zaak om goed te kijken.
Want zonder kennis van de draak kunnen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
De draak zal zich dan diep in ons verborgen hebben en vanuit zijn schuilplaats heel ons denken en doen bepalen, zonder dat we het beseffen.
Daarom moeten we de draak zichtbaar maken, want alleen een onzichtbare draak kan ons in zijn greep krijgen.

20131023-125656.jpg

De beweeglijke blik

Het gelijke kan alleen door het gelijke worden waargenomen.
Volgens Goethe kunnen we het zonlicht zien omdat onze ogen verwant zijn met de zon.
Op dezelfde manier kunnen we kunst alleen zien met een ‘kunstzinnige blik’.

De kunstzinnige blik is een beweeglijke blik.
Dat kunnen we in ieder museum waarnemen.
We zien daar hoe kunstliefhebbers telkens weer dezelfde beweging maken:
ze bekijken een schilderij afwisselend van dichtbij en van op een afstand.
Ze pendelen voortdurend tussen deze twee standpunten.

Ze maken deze beweging instinctief, zonder dat ze er zich van bewust zijn.
Het schilderij vráágt erom, zonder dat ze het echt horen.
De pendelbeweging die ze maken, is de lichamelijke uitdrukking van de ‘kunstzinnige blik’.
En deze blik weerspiegelt het kunstzinnnige van het schilderij, want dat is het resultaat van precies dezelfde beweging.
Tijdens het schilderen heeft de kunstenaar zijn werk telkens weer onderbroken om het schilderij-in-wording van op afstand te bekijken.
Maar ook tijdens het werken heeft hij de blik telkens verplaatst van het doek naar het onderwerp.

Deze pendelbeweging is kenmerkend voor het kunstzinnige proces.
Ze stolt als het ware in het kunstwerk en wordt daar weer uit bevrijd door de kijker.
Het kunstwerk is het resultaat van een beweging en het veroorzaakt eenzelfde beweging.
Het is als een soort rustpunt in een voortgaande beweging tussen twee polen.

Maar daar zijn we ons helemaal niet van bewust als we naar een kunstwerk kijken.
We reageren er instinctief op, en bekijken het afwisselend van dichtbij en van op een afstand.
Niemand moet ons dat leren, we doen het spontaan.
Het ligt in de aard van het kunstwerk.

Ieder kunstwerk vertoont dan ook twee aspecten, afhankelijk van het standpunt dat we innemen.

Bekijken we het van dichtbij dan zien we alleen materie.
We staan dan bijvoorbeeld met onze neus op een schilderij gedrukt en zien alleen maar … verf.
We zien een chaotische verzameling verfvlekken zonder enige betekenis.
We kunnen immers niet zien wat ze voorstellen.
Dat is heel in het bijzonder het geval met modernere schilderijen.
Wanneer we een oud schilderij, van bijvoorbeeld Jan Van Eyck, van dichtbij bekijken, dan zien we nog altijd wat het voorstelt. Het is namelijk een soort miniatuurkunst: met hele fijne verfstreken wordt op een klein oppervlak een heel gedetailleerde voorstelling geschilderd.
Totaal anders is het wanneer we een impressionisch schilderij van dichtbij bekijken.
Wat Van Eyck op een vierkante decimeter schilderde, schildert Monet op een vierkante meter.
Het resultaat is dat we niks meer herkennen als we een impressionistisch schilderij van dichtbij bekijken.
We zien niet meer wat het voorstelt.
We zien alleen nog verf die lukraak op een doek gesmeerd is.

William Blake kon nog zeggen: to see the world in a grain of sand.
Maar dat vermogen bezitten we vandaag niet meer.
Van dichtbij kunnen we niets meer zien.
Behalve vormeloze, betekenisloze materie.
Het is niet moeilijk om hierin de moderne, wetenschappelijke blik te zien, die de wereld van heel dichtbij bestudeert en niets anders dan materie waarneemt.

Wanneer we echter achteruit stappen om een schilderij van op afstand te bekijken, verlaten we het wetenschappelijk-materialistische standpunt.
Alles wordt nu anders.
De verfvlekken vervagen. Ze verliezen hun afzonderlijke, zelfstandige karakter en vloeien langzaam in elkaar tot vormen die uiteindelijke een herkenbaar beeld vormen.
Vooral bij een impressionistisch schilderij is deze verandering heel opvallend.
Wat van dichtbij gezien nog een chaos van ruwe verfvlekken was, blijkt van op afstand een landschap te zijn, een duidelijk herkenbaar landschap.
Het ziet er zelfs zo realistisch en zo levendig uit dat we bijna het gras kunnen ruiken, de bomen horen ruisen, de zon op onze huid voelen.
We worden als het ware in een andere wereld verplaatst, een wereld die zo levendig en natuurlijk is als het museum met zijn schilderijen doods en kunstmatig is.

De eerste impressionistische schilderijen choqueerden het publiek omdat het als het ware gevangen zat in de ‘wetenschappelijke blik’.
Het was gewend schilderijen van heel dichtbij te bekijken.
Maar toen het eenmaal in beweging was gekomen en in staat was de schilderijen van op afstand te bekijken, groeide het impressionisme in geen tijd uit tot de populairste kunstrichting ooit.
Algauw was men vergeten dat de schilderijen zelf bijzonder grof en ‘materieel’ waren.
Men zag alleen nog dat levendige, kleurrijke beeld.
Hoe een schilderij er van dichtbij uitzag, deed er niet meer toe.
Integendeel, hoe grover hoe liever.
Want dat droeg bij tot de levendigheid van de voorstelling.

Dat die voorstelling zo aards was – de impressionisten schilderden het gewone dagelijkse leven op het platteland en in de stad – doet ons gemakkelijk vergeten dat het nieuwe standpunt van waarop deze schilderijen bekeken werden, in wezen hetzelfde is als het religieuze standpunt.
Anders dan de wetenschapper bekijkt de religieuze mens de wereld van op grote afstand.
Hij heeft geen oog voor de concrete, materiële aard der dingen.
Hij ziet alleen het grote geheel.
En dat geheel toont hem een zo levendige beeld dat hij er helemaal in opgaat en de aardse werkelijkheid vergeet.
Het maakt hem niet uit dat die werkelijkheid grof en rauw is, integendeel.
Hoe onaantrekkelijker ze is, des te beter, want dan wordt hij niet gestoord door haar zinnelijke aantrekkingskracht en kan hij zich helemaal concentreren op die ‘andere’ wereld, de ‘geestelijke’ wereld van de voorstellingen en beelden, een wereld die voor hem veel reëler is dan de materiële werkelijkheid.

De ‘wetenschappelijke blik’ is voor ons, moderne mensen, zo vanzelfsprekend geworden, dat we ons geen voorstelling meer kunnen maken van de ‘religieuze blik’.
Alleen wanneer een kunstwerk ons zo diep treft dat we niet meer weten waar we zijn en als het ware in een andere wereld terechtkomen, ervaren we nog iets van het oude, religieuze beleven van onze voorvaderen.
Wanneer zij naar de wereld keken, zagen zij geen verzameling van op zichzelf staande objecten zonder enige betekenis, zij zagen een levendig en kleurrijk beeld dat één en al betekenis was.
Zij zagen een grote harmonie waarin alles met alles samenhing.
Zij zagen een … kunstwerk.
En het kwam niet in hen op om dat kunstwerk van dichtbij te gaan bestuderen en de bestanddelen ervan te analyseren, want dat droeg niets bij tot het genot dat ze eraan beleefden.
Wel integendeel, die wetenschappelijke benadering deed afbreuk aan hun vreugde.
Ze bracht hen in verwarring, ze konden ze niet rijmen met de grote harmonie die ze overal zagen.

Pas langzaam, heel langzaam kon de mens zich losmaken uit de betovering van de ‘religieuze blik’ en overgaan naar de zakelijkheid van de ‘wetenschappelijke blik’.
De geschiedenis van de ratio is het verhaal van een ontnuchtering.
De religieuze mens is als het ware dronken van beelden, beelden die hem in een andere dimensie doen terechtkomen waar alles harmonie en vrede is.
De wetenschappelijke mens is helemaal nuchter geworden.
Hij ziet de dingen zoals ze werkelijk zijn.
Althans dat denkt hij.

Want zowel de wetenschappelijke als de religieuze blik zijn slechts de twee polen van de kunstzinnige blik, die zich tussen deze uitersten heen en weer beweegt.
Maar dat beseft de moderne, wetenschappelijke mens niet.
Als hij kunst bekijkt, doet hij dat instinctief.
Hij bekijkt schilderijen afwisselend van dichtbij en van op afstand, zonder daar bij stil te staan (sic).
Hij staat inderdaad – letterlijk en figuurlijk – niet meer stil bij hoe hij kunst benadert.
Hij beweegt zonder te weten wat hij doet.

En dat is een treffende beschrijving van hoe de moderne mens vandaag leeft.
Hij is voortdurend in beweging, maar hij is er met zijn gedachten niet bij.
Hij holt van hot naar her, en hij kan zichzelf niet meer ‘stilzetten’.
De moderne mens beweegt niet meer zelf, hij wórdt bewogen.

En dat is het grote mysterie van deze tijd.
De moderne mens ziet de wereld als een kunstwerk, maar hij weet het niet.
Hij wordt hevig bewogen door dat kunstwerk, maar het gebeurt buiten hem om.
Hij pendelt als een gek heen en weer tussen wetenschap en religie, en hij raakt steeds meer in de war.
Het kunstwerk dat hij – onbewust – waarneemt, maakt hem gek.

Iedereen die ooit al eens diep getroffen is door een kunstwerk, weet that it blows your mind.
Je kunt er behoorlijk door van streek raken.

Rilke zei het al: schoonheid is het begin van het verschrikkelijke.

Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel
Ordnungen? und gesetzt selbst, es nähme
einer mich plötzlich ans Herz: ich verginge von seinem
stärkeren Dasein. Denn das Schöne ist nichts
als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen,
und wir bewundern es so, weil es gelassen verschmäht,
uns zu zerstören. Ein jeder Engel ist schrecklich.

Juist doordat de moderne mens de wereld als een kunstwerk ziet, wordt hij er in toenemende mate door geterroriseerd.
En daar helpt maar één ding tegen: inzicht krijgen in de oorzaak van de terreur.
Met andere woorden: de wereld – bewust – als een kunstwerk zien.

Wat is kunst?

Tijdens een gesprek op Ardeense hoogten zei An opeens: ‘je moet er rekening mee houden dat de meeste mensen onder het begrip ‘kunst’ niet hetzelfde verstaan als jij. Als ik je bezig hoor, moet ik mezelf er steeds weer aan herinneren dat jij dat begrip veel ruimer ziet dan algemeen gebruikelijk is.’

Ik realiseerde me dat ze gelijk had.

Wat voor zin heeft het over kunst te spreken als dat begrip verschillend wordt ingevuld?
Was het niet Aristoteles die zei dat een goed gesprek begint met het definiëren van de begrippen?
Welaan dan.

Wat versta ik onder kunst?

Het probleem is dat het begrip ‘kunst’ niet te definiëren valt.
Niemand heeft ooit een sluitende definitie kunnen geven van het fenomeen kunst.
Dat wil echter niet zeggen dat het geen zin heeft om het te proberen.

Niemand heeft ooit een volmaakt kunstwerk gemaakt, en toch blijft iedereen het proberen.
Het ideaal is juist wat de kunstenaar tot scheppen aanzet.
En dat hij er nooit in slaagt om het te bereiken, houdt hem niet tegen, integendeel.

Met het definiëren van ‘kunst’ is het niet anders.
Het is een onderneming die gedoemd is te mislukken.
Maar dat maakt ze niet minder zinvol.
Het begrijpen van kunst is namelijk … een kunst.
Kunst laat zich immers alleen door kunst benaderen.
Met wetenschap of religie komen we nergens.
Religie richt zich op datgene wat zintuiglijk niet waarneembaar is.
Maar kunst is wel degelijk zintuiglijk waarneembaar.
Kunst is zelfs bij uitstek zinnelijk.
Geen geschikt onderwerp dus voor een religieuze benadering.
Maar ook de wetenschap, die zich nochtans exclusief richt op het zintuiglijke, kan niets zeggen over kunst.
Ze kan wel iets zeggen over kunstwerken voor zover ze deel uitmaken van de zintuiglijke werkelijkheid, maar wat die kunstwerken tot kunst maakt, dat kan ze zelfs met de meest verfijnde instrumenten niet detecteren.

20130902-183714.jpg

Niet ieder schilderij is immers een kunstwerk.
Anders zou iedereen die verf op een doek kan smeren kunstenaar zijn.
Nee, om van een schilderij een kunstwerk te maken, is meer nodig.
En om dat ‘meer’ gaat het.
Daarin ligt het wezen van de kunst, dat voor zowel de geestelijke als de wetenschapper onzichtbaar blijft.
Alleen aan de kunstenaar toont het zich.
Alleen op een kunstzinnige manier kan men kunst waarnemen.

Betekent dat dan dat men zelf kunstenaar moet zijn om kunst te kunnen zien?
Moet men zelf kunnen schilderen om een schilderij te appreciëren?
Of zelf muziek spelen om van muziek te kunnen genieten?
Uiteraard niet.
Maar schilderen en muziek maken, is niet hetzelfde als kunstenaar zijn.
In feite is er geen enkel verband tussen beide.
Schilderen en muziek maken zijn technieken.
Ze behoren tot de materiële werkelijkheid en iedereen die dat wil, kan ze leren.
Maar niet iedereen wil dat.
En juist in die wil leeft de kunstenaar.
De kunstenaar is niet degene die kán tekenen of schilderen, maar degene die wíl tekenen of schilderen.
Of beeldhouwen, of etsen, of muziek maken, of dansen, of om het even wat.
Want kunst beperkt zich niet tot specifieke technieken.
In feite kan álles wat een mens doet tot kunst worden verheven.
Schilderen met olieverf zowel als aardappelen schillen.
Het eerste biedt natuurlijk meer mogelijkheden, maar het biedt geen garantie voor kunst.
Kunst wordt het pas wanneer iemand meer wil dan iets kunnen.
In dat ‘meer’ ligt de kunst, niet in de techniek.
Iedereen kan die techniek leren.
Iedereen kan leren schilderen of aardappelen schillen.
Maar niet iedereen wil er een kunst van maken.

20130902-185623.jpg

Men zegt wel eens: schilders kun je maken, kunstenaars niet.
Of nog: kunstenaar ben je of je bent het niet.

Dat is waar, maar tegelijk ook niet.
Niet ieder mens heeft de ambitie om kunstenaar te worden, dat klopt.
Zelfs niet iedere schilder heeft die ambitie.
Wellicht had hij ze wel toen hij besliste om te leren schilderen.
Maar: velen zijn geroepen en slechts weinigen uitverkoren.
De meeste ‘geroepenen’ blijken het naderhand niet in zich te hebben om kunstenaar te worden.
Ze geven het op.
Omdat het schilderen hen niet langer kan boeien.
Omdat de omstandigheden te zwaar worden.
Omdat ze zich tevreden stellen met wat ze kunnen.

Een kunstenaar is in wezen iemand die blijft proberen het beter te doen.
En ‘het’ kan letterlijk alles zijn.
Van schilderen tot aardappelen schillen.
Iemand die blijft proberen beter aardappelen te schillen is meer kunstenaar dan iemand die voortreffelijk kan schilderen maar niet langer probeert het (nog) beter te doen.
In die zin valt kunstenaarschap samen met menszijn.
Want is het niet eigen aan de mens dat hij het altijd probeert beter te doen?

Men vergelijkt de mens tegenwoordig graag met de aap.
Maar wat men daarbij niet lijkt te zien, is dat de aap vandaag nog precies hetzelfde doet als 10.000 jaar geleden.
Nooit heeft hij geprobeerd iets anders of iets beters te doen.
De mens daarentegen heeft nooit opgehouden te zoeken naar verbetering.
En zo is hij mens geworden.

De mens is het wezen dat steeds iets anders wil, dat nooit tevreden is met wat hij bereikt heeft, maar onophoudelijk voortgestuwd wordt door het volmaaktheidsideaal.
Daarin verschilt hij van alle andere wezens op aarde.
Daarin is hij mens.

De mens is dus mens in zoverre hij kunstenaar is.
En hij is kunstenaar in zoverre hij mens is.
Mens-zijn en kunstenaarschap zijn één en hetzelfde.

20130902-190634.jpg

Betekent dat dan dat ‘Jeder Mensch ein Kunstler’ is, zoals Joseph Beuys beweert?
In potentie wel, ja.
Ieder mens is in wezen een kunstenaar, een scheppende geest.
Dat is wat hem tot mens maakt.
Maar een mens is ook nog een lichaam.
Zonder lichaam kan een geest niet scheppen.
Zonder lichaam kan een mens geen kunstenaar zijn.
De mens is geest én lichaam.
Maar daarmee is nog niet alles gezegd.
Want dan zouden religie en wetenschap volstaan om hem te definiëren.
En dat is niet zo.
Juist op de kunst zelf hebben geen van beide greep.
Ieder mens is in potentie (als geest dus) kunstenaar.
Maar niet ieder mens is in realiteit (als lichaam) kunstenaar.
Anders zou het begrip ‘kunstenaar’ geen inhoud hebben.
Als iedereen kunstenaar was, had het geen zin meer om dat begrip nog te gebruiken.
Als het allemaal kunst is wat een mens maakt, waarom dan nog over kunst spreken?

Nee, een mens is nooit zonder meer kunstenaar, evenmin als hij zomaar mens is.
Hij is beide maar in bepaalde mate.
Vandaar ook het begrip ‘menselijk’.
Een mens kan menselijk maar ook onmenselijk zijn.
Hij kan zich gedragen als een hoogstaand mens, maar hij kan zich ook gedragen als een beest.
Op dezelfde manier kan hij een groot kunstenaar zijn, maar hij kan ook dingen maken die de naam ‘kunst’ niet waard zijn.
Het hangt van de mens zelf af of en in hoeverre hij het ideaal ‘mens’ en het ideaal ‘kunst’ realiseert.
En die ‘mens zelf’ valt niet te reduceren tot lichaam of geest.
Hij is iets daartussenin, iets wat op zichzelf staat.
Noch lichaam, noch geest, en tegelijk beide samen.
Dát is het mysterie van zowel de mens als de kunst.

Dat mysterie is ongrijpbaar voor religie (geest) en wetenschap (lichaam) omdat het voortdurend in wording is.
De mens kan alleen op kunstzinnige wijze begrepen worden, omdat de kunst – anders dan religie en wetenschap – altijd in wording is, altijd anders en toch altijd zichzelf.

De wetenschap is overal ter wereld dezelfde.
Er is maar één wetenschap.
Religie daarentegen is overal ter wereld anders.
Geen twee religies zijn gelijk.
De kunst is nog véél diverser dan de religie.
Er zijn ontelbare kunstwerken, en toch zijn ze allemaal verschillend.
Geen twee zijn er gelijk.
Dat neemt echter niet weg dat ze allemaal iets gemeen hebben, iets dat door alle mensen van alle tijden herkend, bewonderd en geliefd wordt.
Dat ‘iets’ is het wezen van de kunst, het ‘meer’ dat een kunstwerk tot kunstwerk maakt, tot a joy forever.
Het is overal en altijd hetzelfde.
Het is overal en altijd anders.

We kunnen deze staat-van-zijn nog het best aanduiden met het begrip ‘metamorfose’.
De kunst metamorfoseert zich voortdurend.
Ze is voortdurend in wording en blijft toch steeds zichzelf gelijk.

20130902-190727.jpg

Er liggen 15.000 jaar tussen de grotschilderingen van Altamira en de kunst van onze tijd en toch hebben we er geen moeite mee om deze ‘primitieve’ kunst te bewonderen.
Hetzelfde geldt voor Chinese kunst of Azteekse kunst of noem maar op.
De kunst kent geen grenzen, noch in ruimte, noch in tijd.
Door haar schier onbeperkte vermogen om zich te metamorfoseren, kan ze zich aan alle omstandigheden aanpassen zonder zichzelf ontrouw te worden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat het begrip ‘kunst’ drieledig is.
Enerzijds is het onmiskenbaar geestelijk van aard.
Het stijgt uit boven tijd en ruimte.
Het kan niet gemeten of op een andere manier wetenschappelijk vastgesteld worden.
Er bestaat geen enkel bewijs van zijn bestaan.
Anderzijds is het begrip ‘kunst’ onmiskenbaar zintuiglijk, materieel van aard.
Er bestaat geen niet-materiële kunst.
Kunst die alleen uit gedachten bestaat, is geen kunst.

Deze beide eigenschappen zijn in zekere zin absoluut.
Iets is kunst of het is het niet.
Dat wil zeggen: het geestelijke wezen ‘kunst’ is aanwezig of niet.
Anders heeft het geen zin om over kunst te spreken.
Anderzijds bestaat een kunstwerk of het bestaat niet.
Als we een schilderij vernietigen dan bestaat het niet meer.
Het kan op geen enkele manier weer herschapen worden.
Het is absoluut uniek en eenmalig.

Maar er is ook nog de derde eigenschap en die is niet absoluut.
Niet alle kunst is even groot.
Het wezen ‘kunst’ is niet in ieder kunstwerk in dezelfde mate aanwezig.
Rubens en Renoir zijn allebei kunstenaars, geen twijfel mogelijk.
Maar er is een enorm verschil in kwaliteit tussen beide.
Renoir komt nog niet tot aan de knieën van de artistieke reus die Rubens is.
En er zijn nog veel kleinere kunstenaars dan Renoir.
Al die kunstenaars hebben deel aan het wezen ‘kunst’, maar lang niet in dezelfde mate.

De geest ‘kunst’ kan zich dus zo groot en zo klein maken als hij maar wil.
Hij kan zich uitdrukken in schitterende meesterwerken, maar ook in kleine, bescheiden werkjes.
In geen enkel kunstwerk, hoe groot ook, drukt hij zich helemaal, dat wil zeggen volmaakt uit. Zelfs de grootste meesterwerken zijn armzalige mislukkingen vergeleken bij de immense potentie die de kunst in zich heeft.
Maar hoe klein de kunst zich ook maakt en hoe bescheiden ze zich ook uitdrukt, haar aanwezigheid maakt alle verschil.
Het verschil tussen een klein kunstwerk en een groot kunstwerk is niet zo groot als het verschil tussen een kunstwerk en iets wat geen kunstwerk is.

En hier raken we de kern van het begrip ‘kunst’, de kern die tegelijk absoluut en relatief is.
Ieder kunstwerk is relatief in die zin dat het altijd maar in bepaalde mate kunst is.
Geen enkel kunstwerk is volmaakt.
Maar ieder kunstwerk is tevens absoluut omdat het de specifieke kwaliteit bezit – het ‘meer’ – die het tot kunstwerk maakt.
En deze kwaliteit is er of ze is er niet.
Iets is een kunstwerk of het is het niet.

20130902-191007.jpg

We kunnen eindeloos spreken over de kunst als ‘geest’.
En we kunnen eindeloos spreken over de kunst als ‘materie’.
Dat is eindeloos boeiend, zoals ook religie en wetenschap dat zijn.
Maar het blijft theorie.
Praktijk wordt het pas wanneer we gaan spreken over de derde, wezenlijk kunstzinnige eigenschap, over datgene wat een kunstwerk tot kunst maakt.
En hier stellen we vast dat er … geen woorden voor zijn.
We kunnen helemaal niets zeggen over … ja, hoe moeten we het noemen?
De kern, het wezen, het ‘meer’, het eigenlijk kunstzinnige?
We kunnen dit derde, centrale ‘element’ alleen waarnemen, beleven, ervaren.
En bij het waarnemen ervan ontvallen ons alle woorden.
We zijn sprakeloos.
We beleven een mysterie dat ons vervult met eerbied, bewondering, vreugde, liefde.
We betreden een gebied dat op een heel bijzondere manier ‘heilig’ is en dat is ons louter verering wekt.
Ieder woord, iedere gedachte, iedere theorie werkt hier als een profanatie.

En toch willen we erover spreken.
Juist over déze onuitsprekelijke ervaring (hoe klein of hoe groot ze ook was) willen we spreken.
Want we willen ze delen.
Er is niets vanzelfsprekender dan dat we kunst willen delen.
We willen dat andere mensen dat schilderij ook zien, dat ze die muziek ook beluisteren.
Het is eigen aan de kunst dat we elkaar vragen: wat vind je ervan?
We willen weten wat anderen beleefd hebben.
En het is een vreugde als we onze eigen beleving herkennen, als we een kunstwerk kunnen ‘delen’.
Maar het is ook een teleurstelling als anderen niét hetzelfde beleven, als ze iets heel anders beleven, als ze zelfs het omgekeerde beleven.
Kunstwerken waar we een diepe vreugde aan beleven, kunnen bij anderen afschuw opwekken. Of omgekeerd.
Dat gebeurt in onze moderne tijd, nu de kunst zich op diepgaande wijze lijkt te metamorfoseren, meer en meer.
Zolang we op theoretisch gebied blijven en over kunst als geest of materie spreken, is er weinig aan de hand.
Maar als we de praktijk betreden en gaan spreken over welbepaalde kunstwerken, is het afgelopen met de vrijblijvendheid.
Gesprekken hebben dan de neiging te verzanden in relativisme (dat is joúw mening) of te ontaarden in ruzie (je begrijpt het niet).
En altijd draait het om de vraag: is iets kunst of niet?
Op de een of andere manier laat het wezen van de kunst niemand onverschillig.
Niemand kan zeggen wat kunst is, dat wordt algemeen aanvaard.
En toch blijft die vraag de gemoederen bewegen.
Dat is het vreemde.

Wat is kunst?
In theorie kan die vraag niet beantwoord worden.
In praktijk echter wel.
Dan kunnen we zonder aarzelen zeggen: dát is kunst!
Maar dat moeten we tegelijk ook kunnen zeggen: dát is geen kunst!
Want lang niet alles wat zich als kunst presenteert ís ook werkelijk kunst.
In theorie kunnen we over kunst zeggen wat we willen.
Juist omdat kunst zowel een geestelijk als een lichamelijk aspect heeft, kunnen we er zelfs tegengestelde dingen over zeggen en toch gelijk hebben.
Maar in de praktijk is het het één of het ander.
Iets is kunst of het is géén kunst.
Tertium non datur.
Hier moeten we kiezen.
Hier moeten we onderscheiden.
En dat moeten we zelf doen.
Geen mens kan dat in onze plaats.

Maar dat is voor een andere keer.

20130902-191307.jpg