Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Rudolf Steiner

Adriaen Brouwer (14)

  

Er zijn grosso modo twee manieren waarop we Adriaen Brouwer kunnen benaderen: de wetenschappelijke manier en de kunstzinnige manier. In het eerste geval gaan we min of meer te werk zoals een wetenschapper dat doet: we stellen ons op de hoogte van wat er gepubliceerd is over het onderwerp en gewapend met die informatie gaan we dan de schilderijen zelf bekijken. Dat is hoe de meeste mensen vandaag kunst benaderen: goed geïnformeerd. Zelfs tijdens het kijken luisteren ze nog naar wat audio- of andere gidsen hen vertellen. Steeds zeldzamer worden de mensen die kiezen voor een kunstzinnige benadering en alle informatie afwijzen omdat ze de kunstwerken onbevangen willen bekijken. Een dergelijke houding wordt vandaag op onbegrip onthaald. Zoals iemand het ooit uitdrukte: wat heb je nu aan een tentoonstelling als je niks afweet van de kunstenaar of zijn werk! In zijn ogen sprak het vanzelf dat je kunst wetenschappelijk benaderde.

Nu is er in principe niets tegen een wetenschappelijke benadering van kunst, wel integendeel. In een kunstwereld die steeds willekeuriger en chaotischer wordt naarmate de kunsthandel er de lakens uitdeelt, is er zelfs grote nood aan nuchterheid en objectiviteit. Maar kunst kan niet benaderd worden door een wetenschap die onkunstzinnig te werk gaat, een wetenschap die alles reduceert tot louter materie en het bestaan van een scheppende geest afwijst. Juist die scheppende geest kan in de kunst niet ontkend worden: we weten met absolute zekerheid dat ieder kunstwerk gemaakt is door een kunstenaar. De methoden van de materialistische wetenschap werken dus niet voor de kunst. Het geval Adriaen Brouwer illustreert dat: niet alleen zijn de kunstwetenschappers eeuwenlang blind gebleven voor deze schilder, ook vandaag nog kijken ze niet verder dan de anekdotische aspecten van zijn werk. Ze beperken zich tot het wat en hebben geen enkele belangstelling voor het hoe. De Rokers is voor hen niet meer dan een 17de eeuws selfie.

Als geen ander vraagt Adriaen Brouwer om een nieuwe kunstwetenschap, een wetenschap die de kunst ernstig neemt en haar op een kunstzinnige manier benadert. Zo’n kunstzinnige wetenschap is ook buiten de kunst hoogst nodig. De wetenschap heeft een scherpe grens getrokken tussen zichzelf en de kunst. Dankzij die grens hebben zowel de objectieve als de subjectieve benadering van de werkelijkheid zich autonoom kunnen ontwikkelen. Maar vandaag wordt die grens voortdurend overschreden: kunst en wetenschap raken vermengd, subjectief en objectief lopen door elkaar. Om te voorkomen dat ons hele geestesleven daaraan ten gronde gaat, moeten beide tegenpolen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten in plaats van vernietigen. Die manier bestaat reeds. Het is de fenomenologische methode zoals ze ontwikkeld werd door Goethe en verder uitgewerkt door Rudolf Steiner. Wie kunst en wetenschap heeft, heeft ook religie, zei de eerste. De tweede gaf dat gestalte in de antroposofie of geesteswetenschap.

Hoewel de antroposofie al meer dan honderd jaar bestaat, blijft ze een marginaal verschijnsel in de moderne beschaving. Haar benadering van de werkelijkheid vereist dan ook niets minder dan een bewustzijnsomwenteling. Het menselijk bewustzijn is in de loop der eeuwen steeds wakkerder, rationeler en zelfstandiger geworden. Dat heeft geleid tot een diepe kloof met kunst en religie. Om die kloof te overbruggen moet het wakkere, wetenschappelijke bewustzijn zich opnieuw verbinden met de dromerige en subjectieve sfeer van de kunst. Dat wordt instinctief ervaren als een regressie, een terugkeer naar religie en bijgeloof. De weerstanden tegen de antroposofie zijn dan ook heel groot. Ze bestaan niet alleen buiten, maar ook binnen de antroposofie. Ze komen onder meer tot uiting in het nagenoeg volledig ontbreken van een fenomenologische benadering van de kunst. Nochtans is de fenomenologische methode nergens zo natuurlijk en vanzelfsprekend als in de kunst, maar uitgerekend daar wordt ze niet of nauwelijks toegepast.

Die interne weerstanden komen ook nog op een ander gebied tot uitdrukking: dat van het zielenthema. De antroposofische beweging bestaat – net als de hele mensheid trouwens – uit oude en jonge zielen. Het oerbeeld van deze tweedeling vinden we in het verhaal van de beide Jezuskinderen. Daar vinden we ook het oerbeeld van de bewustzijnsomwenteling die de antroposofie voorstaat. De oudste Jezus is de ‘wetenschapper’ par excellence, de meest wakkere en ontwikkelde ziel van de mensheid. Tijdens het paasfeest in de tempel verenigt hij zich met de jongere Jezus, de ‘kunstenaar’ bij uitstek, de ongerepte kinderziel die nog over al haar scheppende krachten beschikt. Deze vereniging is geen onbewuste vermenging maar een vrije liefdesdaad: de ‘wetenschapper’ duikt bewust en vrijwillig onder in de wereld van de scheppende krachten. Hij wordt kunstenaar, zonder evenwel op te houden wetenschapper te zijn. 

Rudolf Steiner was niet alleen de eerste die dit ‘geheim’ onthulde, aan het eind van zijn leven bracht hij het ook in de praktijk: tijdens de Weihnachtstagung ‘dook hij onder’ in de antroposofische vereniging. Hij verbond zich vrijwillig met het karma van zijn leerlingen, een offer dat hem het leven kostte. Hij wees er ook op dat dit oerbeeld tot het persoonlijke karma van iedere antroposoof behoort. Dat alles maakt de relatie tussen oude en jonge zielen tot het hart van de antroposofie. Willen we dit hart doen kloppen en de antroposofie tot leven brengen, dan moeten we het voorbeeld van Rudolf Steiner – en dus ook van de oudere Jezus – volgen en met ons moderne, wetenschappelijke bewustzijn onderduiken in de sfeer van de geestelijke scheppingskrachten. We kunnen dat op ieder denkbaar gebied doen, al naargelang onze aanleg en onze mogelijkheden, maar het gebied dat het nauwst aansluit bij ons moderne bewustzijn is dat van de kunst. Tenslotte is de antroposofie ontstaan uit de kunst en wil zij ook een kunst worden.

Welke plaats neemt Adriaen Brouwer in dit alles in? Wel, om te beginnen is hij een kunstenaar, een van de grootste die we ooit gehad hebben en ook een van de meest Vlaamse. Hij staat dus dicht bij ons, veel dichter dan we denken. Bovendien staat hij op de grens tussen Noord en Zuid. Hij is in alle opzichten een man van het midden, iemand die de uitersten kent en ze met elkaar verbindt. Hij is ook een van de weinige kunstenaars die zowel voor het gevoel als het verstand toegankelijk zijn. Vooral zijn zelfportret biedt ons de mogelijkheid om als wetenschapper onder te duiken in een kunstzinnige wereld. We kunnen dat op een onbevangen manier doen, want De Rokers is in hoge mate ‘ongerept’ gebleven. Het schilderij bleef vier eeuwen lang onopgemerkt, een unicum in de kunstgeschiedenis. In die zin doet Brouwer een beetje denken aan de jonge Jezusziel die lange tijd ‘achter de hand’ werd gehouden om zich op het juiste moment met de oude Jezusziel te kunnen verbinden. 

Deze ‘verborgenheid’ van Adriaen Brouwer is des te opmerkelijker omdat hij deel uitmaakte van een opmerkelijke bloeiperiode in de Europese kunst. In de 17de eeuw leefden en werkten in de Nederlanden beroemde schilders als Rubens, Rembrandt, Van Dijck, Jordaens, Frans Hals, Vermeer enzovoort. Een dergelijke concentratie van genieën vinden we alleen in de Italiaanse Renaissance en het Duitse idealisme. Nu wil het geval dat Rudolf Steiner tussen deze laatste twee perioden een karmisch verband legt. Volgens hem waren de schilder Rafaël en de dichter Novalis incarnaties van de oudste ziel van de mensheid, de Adamsziel. Ten tijde van Christus was ze geïncarneerd als Johannes de Doper, die zich na zijn dood verenigde met de verrezen Lazarusziel. Dat oerbeeld herhaalt zich tijdens haar volgende incarnaties: telkens duikt deze oude, profetische ziel onder in een geheel andere wereld: die van de kunst. En telkens wordt ze daarbij omringd door een indrukwekkende verzameling ‘kunstbroeders’. 

Net als Rafaël en Novalis sterft Brouwer zeer jong: op 35-jarige leeftijd. Hij maakt grote indruk op zijn tijdgenoten: iedereen bewondert hem, zelfs de allergrootsten. Ze beschouwen hem als een godenkind, een rijzende ster. Zijn manier van schilderen heeft dan ook iets ‘hemels’: zelden heeft iemand het penseel zo ‘etherisch’ gehanteerd. Zijn schilderijen verbergen tevens een ongewoon grote geestelijke diepte, alsof hier een heel oude, wetende ziel aan het werk is. Naast deze opvallende gelijkenissen zijn er echter ook grote verschillen. Bij Rafaël en Novalis zijn vorm en inhoud zeer verwant, bij Brouwer staan ze haaks op elkaar. Er kan geen grotere tegenstelling bestaan dan tussen zijn ‘etherische’ manier van schilderen en zijn zeer ‘aardse’ kroegtaferelen. Anders dan bij Rafaël en Novalis, houdt Brouwers roem ook geen stand. Het godenkind verbleekt tot een folkloristische figuur, zijn ‘hemelse’ aard wordt volkomen genegeerd. Terwijl de sterren van zijn tijdgenoten blijven stralen, wordt de zijne grondig verduisterd. 

Er kan nochtans geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer hoort thuis in het gezelschap van de allergrootsten, zowel op kunstzinnig als op geestelijk gebied. Hij maakt onmiskenbaar deel uit van het esoterische christendom dat als een rode draad doorheen de Europese kunstgeschiedenis loopt. Alles wijst erop dat we hem moeten situeren in de graaltraditie: het thema van de Visserkoning, de kruiken die zo prominent aanwezig zijn in zijn werk, het manicheïsche onderduiken in een duistere ‘onderwereld’. Door die graalthematiek wortelt Adriaen Brouwer enerzijds in de Middeleeuwen en reikt hij anderzijds tot in de 21ste eeuw. De (middeleeuwse) Parsifalweg – dwars door het dal – is volgens Rudolf Steiner bedoeld voor onze tijd. Dat wordt trouwens bevestigd door de buitengewone populariteit van hedendaagse versies van de graallegende. Misschien moeten we daar ook de reden zoeken waarom Adriaen Brouwer uitgerekend in onze tijd weer opduikt. 

Deze 17de eeuwse schilder roept tal van vragen op die voorlopig onbeantwoord moeten blijven. Maar één ding is zeker: hij houdt ons een spiegel voor, een lachspiegel. Adriaen Brouwer staat volop in de Uylenspiegeltraditie. Hij confronteert de kijker met zijn domheid, een domheid die echter geen kwestie is van gebrek aan verstand. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil, luidt het spreekwoord. De domheid is het gevolg van een niet-willen-zien. Dat blijkt overduidelijk uit de houding van de moderne kunstwetenschappers tegenover De Rokers: ze durven er niet naar kijken, omdat ze voelen dat ze dan een grens zullen overschrijden en in een heel andere wereld terechtkomen, een wereld die alles op zijn kop zal zetten: hun opvattingen over kunst, hun opvattingen over wetenschap, kortom hun hele wereldbeeld. Waar het hen aan ontbreekt is geestelijke moed, moed om de realiteit van de geest onder ogen te zien.

Men hoeft niet over een groot verstand te beschikken om de geestelijke dimensie van De Rokers te leren kennen. Ook gevoelsmatig stelt dit schilderij niet dezelfde eisen als de Madonna’s van Rafaël of de gedichten van Novalis. Het is gewoon een kroeg bevolkt met lieden van alle slag: een hansworst, een Tijl Uylenspieghel, een geleerde, een paar drugsverslaafden, een gearmd koppeltje. Iedereen kan er zich in herkennen. Dit vrolijke, volkse tafereel heeft geen geheimen voor ons, verstandelijke noch gevoelsmatige. De uitdaging ligt op een dieper vlak, het vlak waar verstand en gevoel met elkaar verbonden worden. Daar ligt het werkelijke geheim van dit schilderij: op het niveau van de oerbeelden, het oerbeeld van de twee Jezuskinderen en het oerbeeld van de twee Johannesen. In beide gevallen gaat het om de verbinding van een oude en een jonge ziel, een pre-christelijke verbinding in het eerste geval, een christelijke in het tweede. Telkenmale verbindt een ‘wetenschapper’ zich met een ‘kunstenaar’. 

Allebei deze oerbeelden zitten vervat in De Rokers. Doordringen tot de christelijke – of kunstzinnige – dimensie van dit werk vergt een dubbel offer: het intellect moet zijn trots inslikken om onder te kunnen duiken in de duistere wereld van kunst (de smerige kroegen van Brouwer), maar ook het gevoel moet op de tanden bijten om het scherpe, kritische intellect toe te laten in de kwetsbare wereld van de scheppende krachten. Door zich bloot te stellen aan het verstand wordt het gevoel langzaam gezuiverd van alle subjectieve voor- en afkeuren, het wordt geslepen tot een heldere lens, een zintuig waarmee de wezenlijke – kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers objectief kan worden waargenomen. Zeker in onze tijd, nu de gevoelens bijzonder subjectief en egoïstisch zijn geworden, vergt dit ontwikkelen van ‘een oog voor kunst’ een lange en vaak pijnlijke scholingsweg. Deze scholingsweg valt te vergelijken met wat Jezus beleefde in de jaren na het gebeuren in de tempel, toen hij de deplorabele toestand van de wereld steeds duidelijker ging zien.

Deze lijdensweg bracht hem steeds dichter bij Christus, zoals de artistieke scholingsweg ook onze ogen opent voor de christelijke – of kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers. Het waarnemen van deze kunstzinnigheid is een vorm van helderziendheid die liefde en vreugde in ons opwekt: a thing of beauty is a joy forever. Maar het betekent nog niet dat we begrijpen wat we zien. Onze liefde is nog geen wetende liefde. Daarvoor moeten we ons (heldere) gevoel weer verbinden met ons verstand. Dit keer gaat het om een vrije, broederlijke samenwerking, zoals tussen de twee Johannesen. Die samenwerking verleent ons toegang tot de dimensie van de Heilige Geest, een dimensie die nog veel zeldzamer is dan de christelijk-kunstzinnige. De Rokers omvat alledrie de dimensies: die van de Vader, de Zoon en de Geest. Daarom is dit schilderij als een kostbare edelsteen. Wat voor de graal geldt, geldt ook voor het wezen van Adriaen Brouwers zelfportret: je kunt het niet benaderen, het moet naar je toe komen.

Advertenties

Winter en lente

  

Vroeger dacht ik dat er geen groter tegenstelling kon bestaan dan tussen de winter en de lente. Nu weet ik beter. Beide seizoenen overlappen elkaar grotendeels. Eigenlijk begint de lente samen met de winter. Vanaf nieuwjaar duikt ze reeds op in de vorm van onverwacht zachte en zonnige dagen, vooruitgeschoven lentedagen zeg maar. Veel zijn dat er aanvankelijk niet, maar ze worden geleidelijk talrijker. Als sterren fonkelen ze in de duisternis van de winter. Ook het omgekeerde is het geval: tot diep in de lente zijn er barre, ijskoude dagen alsof de winter van geen wijken wil weten. Zo herinner ik me nog sneeuw op 5 mei, in volle lente dus. Die scherpe tegenstellingen horen bij de eerste helft van het jaar, wanneer de zon moeizaam uit het diepe dal van kerstmis klimt en langzaam omhoogstijgt naar de zomerse hoogten van Sint-Jan. Daarna gaat het weer bergaf en dat verloopt begrijpelijkerwijs veel gemakkelijker. Na de felle contrasten van de inspanning, het zachte vervloeien van de ontspanning in de tweede helft van het jaar. 

Het valt me ieder jaar meer op hoeveel moeite het de natuur kost om uit haar winterslaap te ontwaken. Tot halverwege de lente – de ijsheiligen – vervalt ze nog in winterse gewoonten. Zo was er verleden jaar in april een onverwachte vriesnacht die mijn vrolijk bloeiende notelaar in één klap veranderde in een zwartgeblakerd geraamte. Al het frisse groen was dood en verdord, het verkruimelde tussen mijn vingers. De boom herpakte zich wel, maar veel noten vielen er dat jaar niet te rapen. Dergelijke winterprikken kunnen heel wat schade aanrichten. Maar ze helpen me ook begrijpen waarom de mensheid zoveel moeite heeft om te ontwaken uit de winterslaap van het materialisme. Na duizenden jaren van godenschemering en geestverduistering – van zomer en herfst dus – is eindelijk het nieuwe Lichte Tijdperk aangebroken. Vanaf nu gaat het weer bergop met de geest. Maar dat betekent dat we nog maar aan het begin van de (kosmische) winter staan. Het is nog een lange, lange weg voor het lente wordt.

Gelukkig zijn er, net als in de natuur, ongewoon vroege ‘lentedagen’ waarop de geest verrassend dichtbij komt. Anders zouden we wellicht de moed verliezen en denken dat het nooit meer goed komt. Zo’n verrassend vroege lentedag in de winter van het materialisme was het optreden van Rudolf Steiner. Waar kwam die man opeens vandaan? Zijn ‘heilige’ geest stak zo schril af tegen de geestloosheid van zijn tijd dat slechts weinig mensen het konden geloven. De tegenstelling was veel te groot. Na zijn dood zakte de antroposofische beweging dan ook als een pudding in elkaar. Ze bestaat nog altijd, en dat is al een succes. Maar het is de vraag hoelang ze het nog zal volhouden in de bijtende materialistische vrieskou van onze tijd. De natuur troost ons echter: er zullen nog van die zonnige dagen komen, even onverwacht en even onbegrijpelijk als de antroposofie. Langzaam zullen ze talrijker worden, tot uiteindelijk, in een nog verre toekomst, de lente van de geest aanbreekt. 

La douce France

  

Naast een niet onaardige collectie Maigretromans (een 50-tal vergeelde en gescheurde pocketjes die ik in de loop der jaren voor een appel en een ei heb gekocht) heb ik ook een kleine verzameling cd’s met Franse chansons, eveneens in de loop der jaren voor weinig geld op de kop getikt. Charles Trenet, Mistinguett, Tino Rossi, Maurice Chevalier, Edith Piaf, Line Renaud, Juliette Greco, Luis Mariano, Yves Montand, Lys Gauti, Rina Ketty, enzovoort. Het lijstje is lang. Ik zet die muziek vaak op – ze is niet kapot te krijgen – en toen ik er verleden week weer eens naar luisterde trof het me hoe vaak en hoe ongeremd deze zangers en zangeressen de lof zingen van Parijs. Het chauvinisme van de Fransen is natuurlijk welbekend, maar er spreekt zoveel liefde, poëzie en innigheid uit deze liedjes dat er meer aan de hand is. Ze gaan niet alleen over Parijs, ze gaan ook over een wereld die niet meer bestaat, en die misschien nooit bestaan heeft. Ze gaan over la douce France, het land waar God woonde. 

Dat is ook wat deze liedjes in de eerste plaats zijn: doux, zacht. De popmuziek uit de jaren ’60 (The Beatles, The Mama’s and the Papa’s, The Seekers) klinkt lyrisch en harmonisch vergeleken bij het frenetieke gedram en gedreun van de hedendaagse rock (what’s in a name?), maar toch valt ze al niet meer te vergelijken met la douceur van het Franse chanson uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het zijn twee totaal verschillende werelden: een Europese en een Angelsaksische. Engels is de taal die het best past bij de harde, ruige, barbaarse muziek van vandaag. Franse rock is een contradictio in terminis, het is zonder meer lachwekkend. De Franse taal hoort bij Europese muziek, en die bestaat niet meer. Jonge mensen zingen al een halve eeuw als vanzelfsprekend in het Engels. Wat voor de muziek geldt, geldt voor de hele kunstwereld: die is vandaag per definitie Amerikaans of Engels (of etnisch). Europese kunst bestaat niet meer. We vinden ze alleen nog in musea, vergeelde boeken en vooroorlogse liedjes. 

Het Franse chanson is de zwanenzang van de Europese muziek. Dergelijke muziek wordt vandaag niet meer gemaakt. Ze zou ook een leugen zijn, ons levensgevoel is totaal veranderd. De twee wereldoorlogen hebben de Europese zielestemming vernietigd, de stemming die ook heerste in het Franse impressionisme. In de schilderijen van Monet en co proef ik dezelfde zonnige zoetheid als in het Franse chanson. Het is de zoetheid van Maagd, de zoetheid van september. De uitbundigheid van de zomer wordt getemperd door de naderende herfst, wier nakende kilte op haar beurt verwarmd wordt door de zon. Twee tegengestelde werelden raken elkaar en gaan dromend in elkaar over. Dat dromen geldt in eerste instantie de zomer die voorbij is. Het zoet en zacht worden van de vruchten is als een naar binnen keren van de zomerse warmte, een aards worden van wat hemels was. In het Franse chanson proef je een innigheid die je vandaag nergens meer terugvindt. Alles is aards geworden, van het hemelse is geen spoor meer. 

Een stukje hemel komt op aarde: is dat ook niet de essentie van het kind dat zich in de Maagd aankondigt? Die kinderlijke eenvoud en zoetheid proef ik in dat laatste oplichten van de Europese kunst, in het Franse impressionisme, in het Franse chanson. Er ligt een diepe tragiek in verborgen, want dat kind is nooit geboren. Het droomde van het Europese verleden, maar ook van de Europese toekomst, zoals elk ongeboren kind droomt van wat voorbij is en van wat nog moet komen. Maar die toekomst kwam niet. Er is geen nieuwe Europese kunst geboren waarin de kinderlijke kwaliteiten van het Franse chanson zich verder konden ontwikkelen en langzaam naar volwassenheid groeien. Het Europese kind is gestorven in de wereldoorlogen en het is vervangen door een ander kind, een kind van de onderwereld. Want hoe moet je het anders noemen als je La Mer van Charles Trenet plaatst naast pakweg een set van Tomorrowland? Dat is als de tedere relatie van moeder en kind tegenover stomende, stuwende, bonkende sex. 

In dezelfde tijd dat het impressionisme populair wordt en het Franse chanson zijn opgang maakt, stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon: de hedendaagse kunst wordt geboren. Aanvankelijk denkt men dat het om een smakeloze grap gaat, maar honderd jaar later weten we beter: het is bittere ernst. Duchamps pispot is de eersteling van een geheel nieuwe kunst, een kunst die de wereld zal veroveren, zoals ook het impressionisme en het Franse chanson dat doen. Maar de ‘hedendaagse’ kunst, zoals ze genoemd zal worden, is het volstrekte tegendeel van de nieuwe ‘kinderlijke’ Europese kunst. Al moet natuurlijk wel gezegd worden dat haar pispotten en kakmachines niet helemáál vreemd zijn aan het kleine kind. Dat draagt als het ware de tegenstelling in zich: als het slaapt daalt de hemel op aarde neer, maar als zijn poortje – boven of onder – opengaat, breekt de hel los. Hoe tegengesteld beide kunsten ook zijn, op de een of andere manier horen ze ook samen.

Hun relatie komt onder meer tot uiting in het feit dat Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelt in New York. Waarom in Amerika, aan de overkant van de oceaan, en niet in Frankrijk, zijn thuisland? Daar is me niets over bekend, maar het is wel een veelzeggend beeld. Het gebeurt in 1917, hetzelfde jaar waarin Amerika zich mengt in de oorlog en in Rusland de revolutie uitbreekt. Voor Europa is 1917 een noodlotsjaar want de twee grote tegenpolen die haar in twee zullen scheuren betreden het wereldtoneel. En die scheuring lijkt van Europa uit te gaan, want in hetzelfde jaar dat Marcel Duchamp naar Amerika reist en als het ware de culturele macht van Europa overdraagt, reist Lenin (vanuit hetzelfde Europa) naar Rusland waar hij het communisme zal invoeren. Je zou ook kunnen zeggen dat in 1917 het – nog ongeboren – kind van Europa in twee wordt gescheurd en beide delen in respectievelijk het Westen en het Oosten opgroeien tot groteske karikaturen die vervolgens weer naar Europa terugkeren.

Vandaag wordt Europa artistiek overheerst door Amerika – zowel in de muziek als de beeldende kunsten is vooral de onderbuik actief – en intellectueel door Rusland – de communistische ideeën hebben de hele Europese intelligentsia in hun greep. Merkwaardig genoeg steken die ideeën na de oorlog de plas over en maken furore aan de Amerikaanse universiteiten waar met name Franse filosofen (Foucault, Derrida, Lyotard, Lacan) het goede weer uitmaken. Tegelijk dringt de hedendaagse kunst ook door in Rusland en verspreidt zich over de hele wereld. De beweging die zichtbaar wordt, is de volgende. Het Europese kind wordt in twee gedeeld, beide delen verhuizen naar Amerika en Rusland waar ze wanstaltig groot worden, om vervolgens weer in elkaar door te dringen en een wereldomvattend wezen te vormen dat bestaat uit louter onderbuik en hoofd, uit de lage, dierlijke driften die we vooral in de rockmuziek beluisteren, en de intellectualistische ideeën van de postmoderniteit die we vooral in de beeldende kunsten aantreffen. 

In de hedendaagse kunst komen die dierlijkheid en dat intellectualisme samen. Meer dan in welke kunst ook komt hier de tweevoudige demonische aard van het nieuwe ‘wereldwezen’ tot uitdrukking. Het verbluffende is dat niemand die dubbele kwaadaardigheid onderkent. Er zijn mensen die hun buik vol hebben van de keiharde rockmuziek, en er zijn mensen die de spot drijven met de postmoderne ideeën. Maar wanneer die twee samenkomen verstomt alle kritiek. Waarom? Omdat we ons hart niet meer durven laten spreken. Alleen dat hart kan de gemengde demonie herkennen. Maar het wordt de mond gesnoerd door deze schijneenheid van dierlijkheid en intellectualisme die meer dan wat ook het wezen van onze tijd uitdrukt. En dat is een wezen zonder hart. In de hedendaagse kunst schittert het menselijk hart door zijn afwezigheid. De kunst van onze tijd is een harteloze kunst die niet méér kan verschillen van de Europese kunst die haar zwanenzang zong in het Franse chanson. 

Wanneer ik met dit alles in gedachten opnieuw luister naar Charles Trenet of Edith Piaf dan komt het me voor dat het Franse chanson louter hart is. Het is een droomwereld waar alles mooi en goed en zacht is: een hemel op aarde. Hetzelfde kan ook gezegd worden van het impressionisme: het is een zonnige kunst die als het ware vraagt om haar duistere tegenhanger: het Duitse expressionisme. Maar geldt dat ook niet voor Europa zelf? Als ik ‘De Wereld van Gisteren’ lees, het boek dat Stefan Zweig schreef over het Europa van voor de wereldoorlog, dan zie ik een wereld die te mooi is om waar te zijn. De keerzijde van die droomwereld duikt onverwacht op en confronteert het slaapwandelende Europa met de harde werkelijkheid. Na de oorlogen volgt in Europa opnieuw een periode van vrede, maar ze is lang niet zo zonnig en onbekommerd meer als la douce France waar Charles Trenet over zong. De cultuur is niet langer Europees, ze is Amerikaans en Russisch, een mengeling van Oost en West. Het hart is verdwenen.

Vandaag herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw duikt de keerzijde van de naoorlogse vrede op. Vanuit het Westen dringt de politieke correctheid Europa binnen. Dit (door Rudolf Steiner voorspelde) denkverbod is de Amerikaanse versie van de communistische onderwerping van het individu aan de staat. Vanuit het Oosten dringt dan weer de islam Europa binnen, de communistische versie van de Amerikaanse drang om de wereld te overheersen. En die twee vermengen zich momenteel (vooral) in Europa. Zonder politieke correctheid zou de islamisering nooit zo’n proporties kunnen aannemen, zonder islam zou de politieke correctheid nooit zo’n vlucht kunnen nemen. Het is alsof er in Europa een nieuw wereldhart ontstaat waarin Oost en West, materialisme en spiritualisme elkaar kruisen en bevruchten, waarin ze zich met elkaar vermengen, uit elkaar gaan en weer samenkomen. Maar het is geen zacht kloppend Europees hart meer, het is een luid bonkend onmenselijk hart, een hart als een loeiende motor.

In het Franse chanson en het Franse impressionisme, die twee zo zonnige, hartelijke kunstvormen, kondigde zich als in een droom het Europese kind aan. Tezelfdertijd werkte Rudolf Steiner in Duitsland het nieuwe Europese denken uit. Het kunstzinnige kind was één en al hart, het (geestes)wetenschappelijke denken drong zowel in de geestelijke als de materiële werkelijkheid door. Die twee hadden elkaar nodig: het denken miste een hart, het hart miste het denken. Ze hadden samen moeten komen. Rudolf Steiner drukte daar aan het eind van zijn leven steeds weer op: er moest gedacht worden vanuit het hart. Dat was de grote Michaëlische opgave van de antroposofie: het samenbrengen van hoofd en hart. Het hoofd moest zich ten dienste stellen van het hart: daardoor zou er een levend denken ontstaan. Het hart moest het denken opnemen: daardoor zou het ontwaken uit zijn droom. Maar Engeland stak daar een stokje tussen, het pookte de tegenstellingen tussen Frankrijk en Duitsland op en liet ze in een oorlog uitmonden.

De Franse kunst verbond zich niet met de Duitse, het impressionisme verbond zich niet met het expressionisme. Eén uitzondering: van Gogh. De Nederlandse domineeszoon met zijn donkere en zeer aardse palet verhuisde naar Frankrijk en ontwikkelde daar een kunst die kleuriger én expressiever was dan het impressionisme. Is het toeval dat uitgerekend hij uitgroeide tot de beroemdste en populairste kunstenaar van onze tijd? Dat zou nooit mogelijk zijn geweest zonder de onvoorwaardelijke steun van zijn broer Theo. Hun samenwerking doet onwillekeurig denken aan de samenwerking tussen oude en jonge zielen waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk op legde toen hij sprak over de Michaëlische opgave van de antroposofie, over het denken-met-het-hart. Maar noch die samenwerking, noch de verbinding van Noord en Zuid die Van Gogh belichaamde kreeg navolging. In plaats dat de Franse kunst zich verbond met de Duitse, emigreerde ze naar Amerika en ontwikkelde zich daar tot de hedendaagse kunst. 

Die kunst is een schoolvoorbeeld van hoe een levenloos Frans intellectualisme en een wilde Amerikaanse heerszucht samengaan zonder enige bemiddeling van het hart. Nergens schittert dat hart zo door zijn afwezigheid als juist in deze ‘onmenselijke’ wereldkunst. En nergens komt de tragiek van deze harteloosheid zo pijnlijk tot uiting als in het feit dat progressieve antroposofische kringen deze hedendaagse kunst tot een lichtend voorbeeld nemen. Wat ze daardoor bereiken, is dat het individuele ‘etherische’ hart dat ze verondersteld worden te ontwikkelen, ongemerkt vervangen wordt door het collectieve ‘wereldhart’ dat zich los van het menselijk Ik vormt. Dit onmenselijke hart – een levende contradictie – herschept de wereld in een onderwereld. Nergens loeit deze wereldmotor luider dan op de steeds talrijker wordende muziekfestivals die onze zomers teisteren en die voor steeds meer jonge mensen de ultieme droom zijn, de wereld waar ze zich thuisvoelen, de wereld van de toekomst, Tomorrowland

In mijn schamele verzameling Franse chansons beluister ik Yesterdayland, de wereld van gisteren die zo zonnig was, zo speels, zo kinderlijk. Het is dezelfde wereld waarin ik me ook onderdompel wanneer ik lees in mijn beduimelde, gescheurde en vergeelde Maigrets. Tussen haakjes, die zo Franse boekjes zijn geschreven door een Belg en ze ontstonden in Nederland. Alweer dus een verbinding tussen het voelende Zuiden en het denkende Noorden. Het is een teken dat het dromende hart niet van zichzelf wakker wordt. Het moet van buitenaf wakker worden gemaakt, door een liefdevol denken dat het hart niet komt vertellen wat het moet voelen (zoals in de hedendaagse kunst) maar dat in die gevoelens onderduikt en probeert ze van binnenuit te verstaan. Dat is wat ik hier geprobeerd heb. Mijn zoekende en tastende beschouwingen over het Franse chanson waren een poging een (gammele) brug te slaan tussen mijn hart en mijn hoofd, niet om dat hoofd met (nog meer) gedachten te vullen, maar uit liefde voor het Europese kind dat vandaag geen huis meer heeft. 

Hemelvaart (4)

  

Wat gebeurde er tussen Hemelvaart en Pinksteren? Dat weten we niet, maar we kunnen er ons wel iets bij voorstellen. Na de dood van hun meester moeten de leerlingen diep geschokt zijn geweest. Hij had hen weliswaar voorspeld dat hij zou sterven, maar weten dat iets zal gebeuren is één ding, het zien gebeuren een ander. Toen Christus uit de doden verrees, waren ze ongetwijfeld vervuld van vreugde, maar dat betekende nog niet dat hun ziel geheeld was. Daarvoor was ze te diep ontredderd. Wel deed de aanwezigheid van de Verrezene hen tijdens de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart boven zichzelf uitstijgen. Ze raakten niet in extase zoals in oude tijden, maar ze werden toch opgetild. 

Toen Christus op Hemelvaart in de wolken verdween, vielen ze weer op zichzelf terug. Hun bewustzijn nam opnieuw zijn normale proporties aan en alle geschoktheid, verbijstering en verdriet kwamen terug. Iets dergelijks gebeurde ook na de dood van Rudolf Steiner. Zijn geweldige geest had zijn leerlingen boven zichzelf doen uitstijgen, hij had hun hoger Ik wakker gemaakt. Maar toen hij stierf, viel het weer in slaap. De gevolgen zijn bekend: er ontstond ruzie en de vereniging werd helemaal lam gelegd. Voor dit beschamende gedrag is maar één acceptabele uitleg: Steiners dood maakte de weg vrij voor de tegenmachten. Zonder zijn beschermende aanwezigheid konden ze een frontale aanval openen op zijn leerlingen.

Zou iets dergelijks ook niet gebeurd zijn tijdens de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren? De tegenmachten, die op Goede Vrijdag nog meenden gezegevierd te hebben, bleken met Pasen het pleit verloren te hebben. Dat moet hen woedend hebben gemaakt. Zolang Christus nog bij zijn leerlingen was, konden ze niks doen. Maar daarna hebben ze ongetwijfeld geprobeerd hun slag te slaan. Tussen Hemelvaart en Pinksteren werd het bewustzijn van de leerlingen verduisterd en opende zich in hun ziel een diepe kloof die ze slechts met de grootste inspanning konden overbruggen. Het was de kloof tussen de etherische wereld (waarin Christus verdwenen was) en hun eigen (ontredderde) astrale wereld, een kloof die met demonen was gevuld. 

Is dat ook niet de kloof waarvoor de moderne mens vandaag staat nu Christus spoorloos (uit de samenleving) is verdwenen? Zoder dat hij het beseft, is het leeg geworden in zijn ziel en verlangt hij hevig naar wat hij kwijt is geraakt. Maar hij kan de stille stem van Christus niet onderscheiden van de luide stemmen die uit de afgrond opklinken. Daarvoor ontbreekt het hem aan innerlijke rust en reflectie. Hij is steeds minder in staat om een weloverwogen oordeel te vormen en het kaf van het koren te scheiden. Ahriman bestookt hem met (materialistische) leugens, Lucifer doet hem keer op keer ‘ontploffen’, en samen zorgen ze ervoor dat de mens zijn evenwicht niet vindt en van het ene uiterste in het andere valt. 

Voor eenzelfde kloof kwam ik omstreeks Hemelvaart te staan. Dankzij het uitzonderlijk mooie weer had ik zowat de hele lente in mijn tuin kunnen werken en dat voelde aan als een staat van genade. Vroeger was ik altijd een machteloze toeschouwer bij de lente. Ik zag dan ook heel erg op tegen haar komst en dacht ieder jaar weer: laat deze kelk aan mij voorbijgaan! Maar dit jaar was het anders. Voor het eerst kon ik meewerken aan de ‘bevalling’ van de natuur: ik was niet enkel vader meer, ik was ook moeder geworden. Het deed behoorlijk pijn – met een rug als de mijne is werken in de tuin geen sinecure – maar ik had het er graag voor over. Liever (dit soort) fysieke pijn dan de zielepijn van de onvruchtbaarheid. 

Ik voelde me dus als uit de doden verrezen. Na de kwellingen van het jarenlange vergeefse zoeken naar een huis kwam Scheldewindeke als een verlossing. De maanden die volgden waren één lange paastijd: alles was nieuw. Eindelijk was het ook lente in mezelf! Er was een brug geslagen tussen mijn ziel en de wereld. Maar toen Hemelvaart kwam, stortte ze weer in. De ‘genade’ verdween. De eerste barsten waren reeds ontstaan toen ik netten moest spannen om de vogels te beletten mijn aardbeien en bessen op te eten. Ik gunde die vogels heus wel iets, maar men had me gewaarschuwd: ze laten niet één vrucht hangen! Dat wilde ik niet riskeren en dus begon het geworstel met die akelige plastic netten.

Het werd nog erger toen ik mij realiseerde dat ik, als ik wilde plukken, die netten telkens weer moest verwijderen en opnieuw aanbrengen. Daar had ik niet aan gedacht. Wat een hoogtepunt had moeten worden, werd daardoor een dieptepunt. En dat was slechts één aspect van de omslag die plaatsvond omstreeks Hemelvaart. Er steeg een soort weerzin tegen al dat tuinieren in me op. Opeens had ik er genoeg van. Het leek me dat er een cyclus afgelopen was, dat alles nu moest groeien en rijpen, en dat ik me moest beperken tot algemeen onderhoud. Als om dat te bevestigen, begon het onkruid overal wild op te schieten. De natuur gaf dus zelf aan wat er gedaan moest worden. Maar ik luisterde niet.

De oorzaak was een combinatie van enthousiasme en onwetendheid. Ik had me laten meeslepen door zaai- en kweekgenot. Als gevolg daarvan stond mijn serre vol met plantjes die ik wekenlang met moederlijke zorg omringd had. Die kon ik toch niet allemaal op de composthoop gooien? En dus ging ik in tegen het gevoel dat ik los moest laten, dat ik afstand moest nemen. Het veroorzaakte chaos in mijn ziel: ook daar begon het onkruid nu wild te woekeren en algauw zag ik er geen gat meer aan. Ik had de zaken niet langer onder controle. Ik begon me te ergeren aan het lawaai van spelende kinderen, van krassende kauwen, van ronkende landbouwmachines. Nee, dit was geen hemel op aarde meer. 

Tijdens dat omslagmoment nam ik de zomer-in-de-lente waar. Merkwaardig genoeg gebeurde dat tijdens een autorit op weg naar mijn ouders, die in zekere zin een ‘terugkeer naar de Vader’ was. Voor het eerst in mijn leven kon ik met mijn vader – een hartstochtelijk tuinier – een gesprek voeren over tomaten en aardbeien. In extremis raakten onze interesses elkaar. Als om die terugkeer te bekrachtigen, bleef de ‘zomer’ aanhouden. De hele week was het verstikkend warm. Geen weer om buiten te werken. En dus maakte ik van de gelegenheid gebruik om na te denken over mijn Hemelvaartwaarneming, want hoe onaanzielijk ze op het eerste gezicht ook leek, ze bleef in mijn bewustzijn hangen. 

Aanvankelijk ging het vrij vlot. Ik maakte een korte schets van christelijke en antroposofische opvattingen over Hemelvaart en vergeleek die met de gang van de seizoenen. Maar toen ik de zaak wilde omdraaien en niet van abstracte ideeën uitgaan maar van (de waarneming van) de natuur zelf, keerde het tij. De moed zonk me opeens in de schoenen. Het werd donker in mijn ziel en voor mij opende zich een afgrond waarvan ik dacht: hier kom ik nooit overheen! Het was een soort herhaling van wat ik net in de tuin had meegemaakt. Tot overmaat van ramp viel ook nog eens mijn iPad uit, mijn electronisch schrijfinstrument. Wat ik ook deed, op welk knopje ik ook drukte, het scherm bleef zwart.

Intussen was het Pinksteren geworden, maar van verlichting was geen sprake. Wel integendeel, de zomer veranderde opeens in herfst. Er stak een storm op. Als een bezetene rukte de wind aan alles wat boven de grond uitstak. De plastic serre die ik in de gauwte geïmproviseerd had voor mijn wachtende tomatenplantjes, werd in een oogwenk gesloopt. De onderdelen lagen over de tuin verspreid, samen met afgerukte takken en vruchten. Wat een tempeest! Zoals de ‘zomer’ een week had geduurd, zo bleef ook de wind dagenlang razen, zonder ook maar één moment te gaan liggen. Verbaasd keek ik naar al dat natuurgeweld. Wat was hier aan de hand? Dit was echt geen (Schelde)windeke meer.

Extreme hitte, stormwinden, hooikoortsaanvallen, iPad in panne, chaos in mijn ziel. Nadat ik (bij wijze van spreken) maandenlang één was geweest met de wereld om me heen, werd ik er nu helemaal van afgesloten. Ik viel als het ware terug in mijn vorig leven. Maar tegelijk ontstond in mezelf de verbeten wil om mijn beschouwingen over Hemelvaart voort te zetten. Vanuit de chaos – zowel buiten als binnenin mezelf – baande ik mij weer een weg naar boven, stap voor stap, dag na dag. Met veel moeite klom ik uit de kloof waarin ik zo onverwacht gevallen was. En toch had ik het gevoel dat ik ‘gedragen’ werd, dit keer niet door de natuur maar door de geest. Ik beleefde als het ware mijn eigen kleine Pinksteren. 

Daarmee ben ik aan het eind van deze beschouwingen gekomen. Ik heb ze geschreven op mijn oude iPad, die het nog altijd prima doet (en alleen de WordPress-app niet meer kan draaien). Toen hij me door het moeilijkste heen had geholpen, begon mijn nieuwe iPad als bij wonder opnieuw te werken én hield het buiten op met stormen. Alles keerde weer terug naar het oude, maar niet helemaal. Ik had Hemelvaart en Pinksteren, twee feesten die ik – net als de meeste mensen – al lang niet meer vier, op een nieuwe manier beleefd. Dat was deels een geschenk, deels het resultaat van mijn eigen inspanningen. En dat ervaar ik als een oerbeeld. Onze tijd heeft meer dan ooit nood aan de Heilige Geest. Maar hij komt niet vanzelf, toen niet en nu niet. 

Kunst en kwaad

  

In het herfstnummer van Antroposofie Vandaag lees ik een artikel over Rudolf Steiners kunstbegrip van de hand van prof. dr. Roland Halfen, een van de sprekers op de komende Lichtbaken-conferentie. Professor Halfen gaat uit van de grondleggende voordracht ‘Goethe als vader van een nieuwe esthetiek’, die ik hier ooit besproken heb onder de titel ‘Steiner over kunst’. Ik zou een link plaatsen als ik wist hoe dat moet, maar ik weet het niet en dus zult u die bespreking zelf moeten opzoeken. Als het onderwerp u interesseert natuurlijk, maar dat zou het eigenlijk wel moeten doen, want het gaat niet alleen over kunst, het gaat ook over het kwaad: de twee meest actuele onderwerpen van deze tijd – reden trouwens waarom ze allebei hardnekkig genegeerd worden. 

Dat gebeurt helaas ook in de tekst van Roland Halfen. Zes bladzijden lang spreekt hij over ‘de esthetische ervaring’ zonder met één woord te reppen over de tegenmachten. Alsof de wereld van de kunst een veilige plek is waar we ons blindelings kunnen overgeven aan onze ervaringen. Het mag dan wel waar zijn dat die ervaringen ons op het spoor van de geestelijke wereld kunnen zetten, maar Halfen maakt geen onderscheid tussen boven- en onderwereld. Hij lijkt ervan uit te gaan dat de (geestelijke) onderwereld geen toegang heeft tot de kunst. Nochtans volstaat één blik op de hedendaagse kunst om vast te stellen dat de tegenmachten daar nadrukkelijk aanwezig zijn en dat professor Halfen dus met zijn hoofd in de wolken loopt.

Nu is het kwaad niet helemáál afwezig in zijn beschouwingen. Hij heeft het namelijk over het gevaar van vaste criteria in de kunst. De overtuiging dat je reeds weet wat kunst is, verhindert je om nieuwe esthetische ervaringen op te doen, aldus Roland Halfen. Hij haalt het geval aan van de bekende kunsthistoricus Hans Sedlmayer, die gevormd was door de Renaissance en daardoor niet meer in staat was de hedendaagse kunst te begrijpen. De kunst van de twintigste eeuw maakte hem alleen maar wanhopig. Je moet dus oppassen, schrijft Halfen, dat je de criteria die je ontleent aan de oude kunst niet overdraagt op de nieuwe kunst. Precies daarin schuilt voor hem het kwaad (een woord dat hij overigens zelf niet gebruikt): in het onbegrip voor de hedendaagse kunst. 

Professor Halfen uit Dornach doet twee dingen: enerzijds zwijgt hij over de tegenmachten, en anderzijds verwisselt hij goed en kwaad. Altans in mijn ogen. Wat ik als een kwaad zie – de kritiekloze, bijna religieuze verering van de hedendaagse kunst – ziet hij als een goed. Het openstaan voor nieuwe esthetische ervaringen associeert hij immers met spiritualiteit: ‘Een mens met veelzijdige geestelijke ervaringen is het best voorbereid op veelvoudige esthetische ervaringen. Omgekeerd wijst een gesloten kunstbegrip op een gebrek aan geestelijke ervaring.’ Anders gezegd: hoe spiritueler de kijker, hoe meer hij openstaat voor nieuwe kunstvormen. En dat is natuurlijk een bekend geluid: wie de hedendaagse kunst niet kan smaken, is een cultuurbarbaar.

Er vindt dus een kleine clash of civilisations plaats tussen de professor en mezelf. Terwijl ik de ‘wetenschappelijke’ benadering van kunst voorsta, kiest hij voor de ‘religieuze’. Artistieke criteria situeert hij in de geest, die onbegrensd en onuitputtelijk is. Daarom hanteren we vandaag andere criteria dan honderd jaar geleden, en zullen we er over honderd jaar weer andere hanteren. Wie nieuwe kunstvormen wil scheppen of appreciëren, moet de immer veranderende geest volgen, aldus Roland Halfen, iets wat ik niet zal tegenspreken. Maar ik verbind er wel een voorwaarde aan: de spirituele benadering van kunst mag geen blind geloof zijn, geen kritiekloze overgave. Ik wil weten welke geest ik volg en tot artistiek criterium kies, ik wil die geest kunnen zien

Daar is bij Roland Halfen geen sprake van. Hij kiest als criterium ‘geestelijke ervaringen die nieuwe esthetische ervaringen mogelijk maken’. Maar wat bedoelt hij daarmee? Wat zijn geestelijke ervaringen, en wat zijn esthetische ervaringen? Dat blijft allemaal in het vage. Hoe problematisch dat is, blijkt wanneer we de dingen concreet maken. Een schilderij van Rembrandt biedt ons een esthetische ervaring, dat ligt voor de hand. Maar doet de pispot van Duchamp dat ook? En hoe zit het met 9/11? Volgens sommigen waren de aanslagen ook een ‘esthetische ervaring’. Roland Halfen kan het alvast niet tegenspreken, want hij zegt zelf dat de esthetische ervaring zich niet beperkt tot de kunst en dat ook het schoonheidscriterium niet langer geldt. 

Dus waarom zou een terroristische aanslag geen esthetische ervaring kunnen zijn die ons in contact brengt met ‘reële kwaliteiten van de geest’? Aanhangers van IS zullen dat zeker kunnen beamen. Voor dergelijke ervaringen moeten we volgens professor Halfen dus openstaan, anders dreigen we ons af te sluiten voor de hedendaagse geest. En geest is geest. Onderscheid tussen goede en kwade geesten is er in zijn ogen niet. Volgens hem kunnen we de kritische instelling van de wetenschap opgeven zodra we het gebied van de kunst betreden en de drempel van de geest overschrijden. Uit vrees zich te laten inperken door vastgeroeste criteria uit het verleden, lijkt de professor alle criteria overboord te werpen. 

Roland Halfen wil – in naam van Goethe en Rudolf Steiner – ons kunstbegrip verruimen en vergeestelijken. Maar in feite doet hij niets anders dan wat de materialistische kunstwetenschap al bijna 100 jaar doet: alles op losse schroeven zetten tot het kunstbegrip oplost in een zee van ideeën en ervaringen zonder enige vorm of onderscheid. Zo ruim is het kunstbegrip vandaag geworden dat het de hele werkelijkheid omvat en dus eigenlijk ophoudt te bestaan. Want als alles kunst is, waarom zouden we dan nog over kunst spreken? Als ook 9/11 een esthetische ervaring kan zijn, wat is dan nog de betekenis van het woord ‘esthetiek’? Door de grens tussen goed en kwaad te negeren, negeert Roland Halfen de kunst zelf. 

Wat doet het begrip ‘kunst’ anders dan een grens trekken tussen goed en slecht? We noemen iets kunst omdat het goed gedaan is, ter onderscheiding van iets dat slecht gedaan is. Lang niet alle tekeningen, schilderijen of beeldhouwwerken zijn kunst. Slechts een klein aantal verdient die benaming, en wel omdat ze een specifieke (goede) geest belichamen. Iets is geen kunst omdat het een welbepaalde materiële vorm heeft, het is kunst omdat het een welbepaalde geestelijke vorm heeft, een vorm die weliswaar niet kan gemeten, gewogen of bewezen worden, maar die wel kan worden waargenomen. Over die vorm – en de geest die er zich in uitdrukt – zwijgt Roland Halfen in alle talen. 

Nochtans manifesteert die geest zich in alle kunstwerken, zij het niet in dezelfde mate. Hij is de reden waarom er niet alleen onderscheid kan gemaakt worden tussen wat kunst is en wat geen kunst is, maar ook waarom er in de (oude) kunst een duidelijke hiërarchie bestaat: er zijn grote en kleine meesters. Al die onderscheidingen berusten op de waarneming van deze ene geest: hij is het wezen en het criterium van de kunst. Zonder hem zou er eenvoudig geen kunst zijn. Het feit dat Roland Halfen spreekt over ‘de geest’ en over ‘esthetische ervaringen’ zonder enig onderscheid te maken, doet vermoeden dat hij de geest van de kunst niet kent, dat hij niet in staat is hem te onderscheiden.  

De reden waarom hedendaagse kunstwetenschappers zoals Roland Halfen het kunstbegrip willen ‘verruimen’, is dat ze dat begrip niet zien, ze kunnen het alleen maar denken. Wie de vorm van de geest werkelijk waarneemt, begrijpt dat het kunstcriterium niet verruimd hoeft te worden. Het is immers geestelijk van aard en bijgevolg onbegrensd en onuitputtelijk. De kunst heeft in het verleden ontelbare vormen aangenomen, maar dat heeft kunstliefhebbers nooit belet om ze te waarderen, want doorheen die zintuiglijke vormen namen ze bovenzintuiglijke geest waar. Pas in de 20ste eeuw, toen het intellectualisme de bovenzintuiglijke waarneming ‘uitdoofde’, begonnen ze in het duister te tasten en konden geen verschil meer zien tussen goede en kwade geesten. 

Roland Halfen spreekt over het dilemma van de kunstwetenschap, die de kunst benadert met intellectuele begrippen en daardoor dreigt zichzelf blind te maken voor haar onderwerp. Als oplossing stelt hij nieuwe kunstbegrippen voor, zoals hij die onder meer vindt bij Goethe en Rudolf Steiner. Zij zorgen er volgens hem voor dat we niet blind worden voor de kunst van onze tijd. Wat hij echter niet lijkt te beseffen, is dat deze antroposofische begrippen weliswaar spiritueel van inhoud zijn, maar niet van vorm (zeker wanneer ze uit hun context worden gehaald). Het blijven hoe dan ook intellectuele begrippen, en verre van onze ogen te openen voor de nieuwe kunst, dreigen ze die ogen juist te sluiten.  

Roland Halfens benadering van de kunst mag dan misschien wel spiritueel lijken, in wezen is ze materialistisch, materialistischer zelfs dan de kunstwetenschap die we nu kennen. Want deze laatste kan haar ontsporing maar moeilijk verbergen voor iemand die nog wat gezond verstand over heeft. Wordt die ‘ontsporing’ echter toegedekt door antroposofische ideeën, dan wordt het wel heel moeilijk om het rechte spoor terug te vinden. Het probleem dat hier rijst is dat van de moraliteit. Iedere stap op de inwijdingsweg, aldus Rudolf Steiner, dient vergezeld te gaan van drie morele stappen. Anders gezegd: op geestelijk gebied moet er niet minder, maar juist méér onderscheid gemaakt worden tussen goed en kwaad. 

Roland Halfen lijkt zich van die richtlijn niks aan te trekken, want hij maakt in de kunst helemaal géén onderscheid tussen goed en kwaad. Hij gaat met andere woorden dwars tegen Rudolf Steiner in, en wel in naam van Rudolf Steiner. De kans dat iemand daarover struikelt, is zo goed als onbestaande, want men doet met de kunst wat velen ook met Rudolf Steiner doen: men plaatst ze op een piedestal en vereert ze, maar men doet geen moeite om ze te begrijpen. Steiner vond dat het ergste wat een ingewijde kan overkomen en hij heeft er zich dan ook altijd hevig tegen verzet, in woord en daad. Maar de kunst kan dat niet, ze kan zich niet verzetten tegen de blinde verering die haar momenteel ten deel valt. Dat verzet moet van onszelf komen.

Hoe moeilijk ons dat valt, blijkt uit het wereldwijde succes van de hedendaagse kunst. Onze behoefte aan geest is zo groot dat we ons blindelings in de armen werpen van het enige reële contact dat we nog hebben met de geestelijke wereld: de kunst. In welke vorm die kunst zich aan ons voordoet (en welke geest zich in die vorm belichaamt) daar trekken we ons niks van aan. Onze geestelijke honger is zo groot dat we zonder onderscheid alles ‘binnenschrokken’ wat ons als kunst wordt voorgeschoteld. Wat daar de gevolgen van zijn, kunnen we afleiden uit het lot van zovele kampgevangenen die zich na hun bevrijding in 1945 letterlijk dood aten. Het gebrek aan terughouding en onderscheidingsvermogen werd hen fataal. 

Spirituele honger en materialisme: het is een dodelijke combinatie. In plaats van ons daarvoor te waarschuwen, doet professor Halfen net het tegenovergestelde. Hij waarschuwt ons voor het onderscheidingsvermogen dat we aan de ‘oude’ kunst ontwikkeld hebben. Volgens hem belet die achterhaalde artistieke moraliteit ons om open te staan voor nieuwe kunstvormen. In plaats van het oude criterium presenteert hij ons ‘de geest’, zonder onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Op die manier drijft hij de antroposofische kunstliefhebber in de armen van een bedrieglijke amorele geest, die zich voordoet als ‘de geest van de kunst’, maar die geen onderscheid maakt tussen een Rembrandt, een pispot of een terroristische aanslag. 

Ik verdenk professor Halfen geen moment van kwade bedoelingen, wel integendeel. Maar juist daarin ligt de tragiek van de moderne mens. Hij is vol goede wil en wordt bezield door de schitterendste christelijke idealen die hem de zwaarste inwijdingswegen doen gaan. Maar doordat hij die wegen gaat zonder moreel kompas, drijven ze hem in handen van een geest die hij niet kent en van wiens bestaan hij zich niet eens bewust is. In de vaste overtuiging dat hij de wereld tot een betere plek maakt, herschept hij die wereld tot een onderwereld. Zo’n welwillende naïeve geest is professor Halfen. Hij heeft me weer eens herinnerd aan de uitspraak van Rudolf Steiner dat de antroposofie een zeer, zeer gevaarlijke zaak is. 

Jeder Mensch ein Proletariër

  

Bijna 100 jaar geleden, in 1919, schreef Rudolf Steiner zijn ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ als een theoretische onderbouwing van de sociale driegeleding. Het was zijn antwoord op de eerste wereldoorlog, die volgens hem geen echte oorlog was maar een gevolg van de sociale onrust die in Europa was ontstaan door het verschijnen van een nieuwe bevolkingsklasse: het proletariaat. Op het eerste gezicht hebben de ‘Kernpunten’ ons vandaag niks meer te zeggen, want er bestaat geen proletariaat meer. De mensonterende omstandigheden waarin de arbeiders in de 19de eeuw moesten leven, zijn verdwenen. De arbeidersklasse heeft niks meer te klagen. Toch zijn de linkse, socialistische ideeën nog altijd springlevend. Ze lijken zelfs een tweede adem te krijgen nu er een nieuw proletariaat op het toneel is verschenen: de moslims. Ook de sociale onrust leeft weer op: spanningen tussen autochtonen en moslim-immigranten lopen steeds hoger op en leiden tot uitbarstingen van geweld.   

Met die uitbarstingen van geweld is iets merkwaardigs aan de hand. Ze worden doorgaans verklaard door te wijzen op de sociale achterstelling van de moslims, op hun proletarische status dus. Maar wat blijkt? De meeste terreuraanslagen in Europa worden niet gepleegd door slecht opgeleide moslims die geen werk vinden en in de armoede terechtkomen, maar door perfect geïntegreerde moslims, niet zelden hoger opgeleid en met een goede job. Het zijn juist deze ‘burgerlijke’ moslims die radicaliseren, niet hun ‘proletarische’ geloofsgenoten. Hoe valt dat te verklaren? Rudolf Steiner geeft daar in zijn ‘Kernpunten’ een even duidelijk als onverwacht antwoord op. Wat het proletariërsbestaan – vroeger dat van de arbeider, nu dat van de moslim – zo ondraaglijk maakt, is niet de materiële maar de geestelijke armoede. En die wordt veroorzaakt door het losgerukt worden uit de oude sociale verbanden.

Waarom lijdt het proletariaat (het oude zowel als het nieuwe) veel meer onder het materialisme dan de burgerij? Omdat, schrijft Rudolf Steiner, het materialisme bij deze laatste slechts een stukje van de ziel bezet. De materialistische burger gelooft weliswaar niet langer in de geest, maar hij maakt wel nog altijd deel uit van sociale en culturele verbanden die in de loop er eeuwen onder invloed van de geest zijn gegroeid. In zijn heldere bewustzijn is hij materialist, maar in zijn gevoel en in zijn onderbewustzijn staat hij nog altijd in contact met de geest. De proletariër daarentegen, losgescheurd als hij is uit de oude sociale verbanden, is dat contact kwijt. Hij moet een heel nieuw leven opbouwen en de enige grondslag die hij daarvoor heeft zijn materialistische ideeën over arbeid en kapitaal. Die ideeën blijven bij hem niet beperkt tot een klein stukje van zijn ziel, maar ze doordringen zijn hele wezen en zijn hele leven. Het is dit leven-zonder-geest dat voor de proletariër tot een ondraaglijke kwelling wordt.

Daartegen komt zijn menszijn in verzet, evenwel zonder te beseffen dat de oorzaak van zijn ellende in die geestloosheid ligt. Integendeel, hij denkt juist dat alles in orde komt als zijn economische omstandigheden veranderen. Hoe verkeerd die materialistische overtuiging is, bewijst het gedrag van de moslim-immigrant. Hij komt naar het Westen om zijn materiële levensomstandigheden te verbeteren en slaagt daar ook in. Hij heeft het hier veel beter dan in zijn thuisland. Toch is hij niet tevreden. Integendeel, zijn onvrede en zijn verzet tegen het land-waar-alles-beter-is, worden steeds groter. Tot hij uiteindelijk Allahu Akbar schreeuwt en de bom ontploft. Maar het is niet de islam die moslimproletariër tot geweld drijft, het is zijn geestloze, materialistische bestaan, dat hem – losgerukt als hij is uit alle oude (en nog van geest vervulde) verbanden – veel meer kwelt dan zowel de autochtone burger als de ouderwetse moslim die de oude sociale verbanden en geplogenheden nog in ere houdt. 

Het is veelzeggend dat deze ‘radicaliserende’ moslims – die meestal niet meer geloven en wier wezen helemaal doordrongen is van materialistische gedachten en denkwijzen – zich opeens tot de islam in zijn ‘zuiverste’ vorm wenden. Ze proberen zich instinctief weer te verbinden met de geest. In de abstracte en letterlijk geïnterpreteerde voorschriften van de koran leeft de geest echter niet meer. Hij leeft nog wel in de oude sociale en culturele verbanden van zijn thuisland, maar juist daar zijn de moslims uit losgescheurd en, vooral als ze verwesterd zijn, kunnen ze er zich niet opnieuw bij aansluiten. Het is dus niet de levende geest waartoe ze zich in hun innerlijke wanhoop wenden, maar de dode (en dodelijke) ahrimanische geest tot wiens werktuig ze worden. Iets dergelijks is ook honderd jaar geleden gebeurd, toen jonge mensen zingend ten oorlog trokken ‘voor het vaderland’ of zich lieten bedwelmen door communistische ideeën: in hun honger naar geest, kozen ze stenen in plaats van brood. 

Een ander aspect van deze ahrimanisering zijn de zogenaamde sociale media. Hun enorme succes wijst op een bijna wanhopig verlangen naar sociaal contact. Als gevolg van de verpletterende rol die de economie in zijn leven speelt, moet de moderne mens bijna al zijn tijd besteden aan geestloos en geestdodend werk. Daaruit ontstaat een onverzadigbare honger naar geest die hij instinctief zoekt in het gesprek. Maar op de sociale media wordt dat gesprek tot schijn: zowel Lucifer (de selfies) als Ahriman (de gore taal) verdrijven er alle levende geest uit. We vinden er stenen in plaats van brood en onze geestelijke honger wordt er alleen maar groter door. In feite zijn we vandaag allemaal proletariër. De één zoekt zijn verdoving liever bij Lucifer, de ander liever bij Ahriman, maar wat we gemeen hebben, is een razende, krankzinnig makende honger naar de geest, de levende geest die we nergens meer vinden. In die zin zijn de ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ allesbehalve voorbijgestreefd. Ze zijn juist actueler dan ooit.     

Goedschiks, kwaadschiks

  

Veel mensen zeggen tegenwoordig dat ze in een geestelijke wereld geloven, maar het zijn holle woorden. In hun gewaarwordingen, hun gevoelens en de impulsen van hun onderbewustzijn leeft iets anders: de neiging om materialistisch te denken. Deze neiging verleidt mensen ertoe alleen in het materiële leven te geloven, ook al maken ze zichzelf wijs ook in iets anders te geloven. En wie alleen in de fysieke werkelijkheid gelooft, kan slechts één ideaal hebben: die werkelijkheid zo in te richten dat ze een paradijs wordt. Wie de wereld niet voor onzin wil houden, heeft als materialist geen andere keuze dan zich over te geven aan de illusie dat het fysieke leven weliswaar nog zeer gebrekkig is, maar dat het toch volmaakt zou kunnen worden. (…) Het wordt tijd om bepaalde waarheden over de spirituele achtergronden van de uiterlijke wereld te leren kennen. Als de mensheid zich niet verwaardigt deze waarheden ‘welwillend’ te aanvaarden, dan zal ze met geweld gedwongen worden ze te leren van vreselijke gebeurtenissen.

(Rudolf Steiner – GA 177 – Dornach, oktober 1917)

De sociale hoofdwet

  

Twee dingen

  

Het eerste wat men moet leren om in de geestelijke wereld binnen te gaan, is een juiste wijze van denken. Daarvoor moet veel afgeschaft worden wat tot de hedendaagse opvoeding behoort, want de hedendaagse opvoeding bestaat juist uit onzelfstandig denken. Denkt u vooral niet dat wat tegenwoordig aan socialistische theorieën wordt ontwikkeld een uiting van vrij denken is. Een arbeider kan zich best het een of ander voornemen met zijn wil, maar als hij begint te denken, dan denkt hij helemaal in bourgeoisbegrippen.

Het tweede wat men moet leren, is niet alleen in het heden te leven, maar altijd weer terug te gaan naar het leven dat men heeft geleid, tot in de kindertijd toe. Wie in de geestelijke wereld wil doordringen, moet zichzelf vaak opdragen: ‘Ga terug naar de tijd dat je een jongen van twaalf jaar was. Wat heb je toen gedaan?’ En dat moet men zich niet oppervlakkig voorstellen, men moet het zich tot in de details voor de geest halen. 

(Rudolf Steiner)

GA 350 – Dornach, 28 juni 1923 

Met handen en voeten

  

Rudolf Steiner was geen fan van sport en al helemaal niet van voetbal. Volgens hem was de bal een beeld van de aarde en getuigde het van een verregaand gebrek aan eerbied (volgens Goethe het belangrijkste wat een kind moet bijgebracht worden) om daar met je voeten tegen schoppen. Bijgevolg was voetballen ‘pedagogisch niet verantwoord’. Zo werd het in ieder geval uitgelegd op steinerscholen om het aldaar geldende voetbalverbod te legitimeren. Maar dat is alweer een hele tijd geleden, 35 jaar om precies te zijn. Intussen is er veel veranderd. Het verbod op voetbal behoort allang tot het verleden, een verleden dat velen zich vandaag zelfs niet meer kunnen voorstellen. Voetballen verbieden? Waren ze dan helemaal op hun kop gevallen in die tijd? Gelukkig zijn wij vandaag niet zo fanatiek en bekrompen meer! 

Daar moest ik gisteren aan denken toen ik op youtube de playoffs van de Amerikaanse NBA – National Basket Association – volgde. Basket is big in de States, in alle opzichten. De kleinste spelers meten minstens 1.80 m, de grootste halen 2.20 m. De gemiddelde lengte is twee meter, en ook de schouderbreedte is niet min. Reusachtige spierbundels zijn het dus die op dat kleine veld heen en weer lopen, explosieve spierbundels bovendien, want het gaat vaak bliksemsnel. Basket is een zogenaamde no-contact sport: de spelers mogen elkaar niet raken. Althans in theorie. De praktijk ziet er heel anders uit. Spelers worden regelmatig van de sokken gelopen en tuimelen dan halsoverkop het publiek in. Ja, het gaat er hard aan toe in de NBA. Basket is beslist geen sport voor doetjes, ook al wordt het met de handen gespeeld.

De snelheid van uitvoering ligt soms zo hoog dat je nauwelijks kunt zien wat er gebeurt. De bal gaat dan bliksemsnel heen en weer tot hij op een bepaald moment op bijna miraculeuze in de korf – the basket – belandt. Het is een wonder dat de scheidsrechters het allemaal kunnen volgen. Ze zijn weliswaar met z’n drieën en worden bijgestaan door een tafel vol officials met televisieschermen die in geval van betwisting geraadpleegd kunnen worden, maar toch. Het is vaak een raadsel waarom ze iemand al dan niet een fout aansmeren. Ik heb vroeger, toen ik nog live naar het basket ging kijken, vaak gedacht: ze slaan er maar een slag in, het is onmogelijk om al die snelle bewegingen op die kleine oppervlakte juist te beoordelen. Ik had de indruk dat ze ‘op het gevoel’ floten, met de natte vinger zeg maar.

Welnu, die vaak lukraak lijkende beslissingen van de scheidsrechters worden in het basket zo goed als nooit aangevochten. Vaak komen de referees met moeite tot aan de schouders van die (veelal zwarte) reuzen, maar niemand zal het wagen ze te bedreigen, laat staan aan te raken. Heel af en toe wordt er een boze blik geworpen of een geërgerd commentaar geuit, maar verder dan dat gaat het nooit. Wat een hemelsbreed verschil met het voetbal! Ik heb het zelf nog meegemaakt dat een voetbalscheidsrechter tegen de grond werd geslagen en vervolgens geschopt tot hij bewusteloos bleef liggen en met de ziekenwagen moest afgevoerd worden. Naar verluidt is dat soort geweld schering en inslag in de lagere voetbalklassen. Er loopt daar geen enkele scheidsrechter rond die nog nooit fysiek is aangevallen.

Het gedrag van voetballers is niet alleen brutaal en agressief, het is ook achterbaks. Er wordt gescholden, gespuwd, getreiterd, gebeten zelfs, ellebogen worden in het gezicht geplant, edele delen vastgegrepen, truitjes aan flarden gescheurd, you name it. Maar tegelijk probeert men de scheidsrechter op alle mogelijke manieren om de tuin te leiden. Men laat zich theatraal vallen in het strafschopgebied om een penalty te versieren (de zogenaamde schwalbe), men rolt luid kermend over de grond om de tegenstrever een gele of rode kaart aan te smeren, men maakt vreselijk misbaar als een overtreding wordt gefloten alsof men het slachtoffer is van een gruwelijke onrechtvaardigheid, enzovoort. Soms zou je denken dat alle voetballers toneelschool gevolgd hebben. En je vraagt je wel eens af: zijn dat nu venten of wijven?

Van dat alles is in het basket geen spoor. Hoewel spelers elkaar wel eens in de haren vliegen, gaat het er verder beschaafd aan toe. Spelers geven elkaar geen verplichte hand vóór de wedstrijd, zoals in het voetbal, ze doen dat spontaan ná de wedstrijd. Ze verbroederen dan alsof het vanzelf spreekt, terwijl er in het voetbal niet zelden gevochten wordt tot in de kleedkamers en nadien de spelersbus ook nog eens met projectielen bestookt wordt door supporters die stijf staan van de adrenaline. Nee, vergeleken met voetbal is basket een feest. Het is echt nog een fair play, geen gladiatorengevecht dat het laagste in de mens naar boven haalt. Ik heb het basketpubliek destijds vaak genoeg helemaal uit de bol weten gaan en de sporthal zien veranderen in een heksenketel, maar nooit heb ik één klap weten vallen. 

En nu vraag ik me af: vanwaar dat enorme verschil? Zou het misschien kunnen liggen aan het feit dat voetballers hun … voeten gebruiken en basketters hun handen? Zou Rudolf Steiner met andere woorden (groot) gelijk hebben gehad? Het ergste is nog dat kinderen al heel vroeg beginnen voetballen en die laag-tegen-de-grondse voetbalmentaliteit als vanzelfsprekend overnemen. Je gelooft je ogen en oren niet als je zo’n kindervoetbalwedstrijd bijwoont. Met hun spillebeentjes lopen die moederskindjes dan achter die veel te zware bal aan terwijl de trainers onafgebroken staan te schreeuwen en de ouders langs de lijn tekeer gaan als stond er een premie van 50.000 euro op het spel. Om je dood te schamen! Met sport en spel heeft het niks meer te maken. Met kindermishandeling des te meer. 

Ik zie soms wel eens een training van die kindvoetballertjes op een van de voetbalvelden hier in de buurt. Het zijn werkelijk trainingen: de kinderen worden gedrild door sergeanten in adidas-outfit. Keer op keer moeten ze dezelfde bewegingen oefenen terwijl de trainer hen allerlei Engelse termen in de oren schreeuwt. Het lijdt geen twijfel: in gedachten traint hij de beloften van Anderlecht en ook de jongetjes wanen zich waarschijnlijk al op weg naar de Jupiler League. Ze gedragen zich alvast zoals de ‘grote mensen’. Als ze tijdens een wedstrijdje omver worden gelopen, rollen ze als volleerde professionals kermend over het gras tot ze merken dat niemand op hen let. Ze krabbelen dan verongelijkt recht en zetten net geen pruillip op: ziet die scheidsrechter dan niet dat ze het precies doen als hun grote voorbeelden op tv? 

Hoe meer ik van het hedendaagse voetbal zie, hoe meer begrip ik krijg voor Steiners afkeer. Wie zei ook weer dat voetbal oorlog is? Net als de echte oorlog is voetbal allang geen mannelijke aangelegenheid meer. Het is een straatgevecht geworden: smerig, geniepig, achterbaks. Regels zijn er om te overtreden, scheidsrechters om uit te schelden, tegenstrevers om het ziekenhuis in te trappen. Opvoedkundig is voetbal een regelrechte ramp. Als hij maar geen voetballer wordt, zong Boudewijn de Groot jaren geleden al, ze schoppen hem misschien halfdood! Dat risico loop je in het basket alleszins niet. Daar gaat het er nog écht mannelijk aan toe, daar heerst nog fair play en wordt er plezier gemaakt op het veld, zelfs in de play offs van de NBA, waar toch veel belangen op het spel staan.

Naar verluidt ben ik niet de enige die dat verschil heeft opgemerkt. Ik hoor van ouders dat ze hun kinderen weghalen van het voetbal en hen naar het basket sturen. Daar kunnen ze tenminste nog spelen – echt spelen, niet toneelspelen met de bedoeling anderen te bedriegen. Daar worden ze niet opgefokt en opgenaaid door volwassenen die niet meer weten wat sportiviteit is. Daar kunnen ze nog naar televisie kijken en een voorbeeld nemen aan wat ze zien. Uiteraard dringt in elke sport die vreselijke competiviteit door die mensen doet vergeten dat sport en spel bedoeld zijn om plezier aan te beleven. Maar zolang ze in het basket hun handen blijven gebruiken, is de kans klein dat ze zo diep zullen vallen als in het voetbal. Want dat laatste is echt geen voorbeeld voor kinderen. Het is dat zelfs niet meer voor volwassenen.