Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: RVA

Kunst en maatschappij (1)

Vrijdag moest ik op bezoek bij de RVA.
Ik was uitgenodigd voor een gesprek omdat in Brugge vastgesteld was (zie 26 mei: een Memorabele Dag) dat ik als werkloze op de markt stond zonder in het bezit te zijn van een (aangekruiste) controlekaart.
In gewonemensentaal: ik moest het gaan uitleggen.
Veel viel er niet uit te leggen: ik verkeerde gewoon in de mening dat ik geen kaart meer hoefde bij te hebben.
Daar was ik twee jaar geleden, na 28 jaar stempelen, officieel van ontslagen wegens te oud, en dus onbruikbaar op de arbeidsmarkt.
Als ik van mijn (on)verdiende rust had genoten, was er dus niks aan de hand geweest.
Ik had echter de vergissing begaan iets te willen ondernemen.
En dan is de RVA er als de pinken bij om je het leven zuur te maken.
Ik had toelating moeten vragen.
Ik had een formulier C99 moeten invullen.
Ik had een stempelkaart moeten aanvragen.
Ik had die moeten aankruisen op de dagen dat ik op de markt stond.
Ik had met andere woorden weer in die vernederende tredmolen moeten stappen waarvan ik – eindelijk – verlost meende te zijn.
Niet dus.
Resultaat: ik moet boete doen.
Niet alleen moet ik het stempelgeld terugbetalen voor de dagen dat ik in Brugge stond, ik moet ook terugbetalen voor de dagen dat ik er niet stond (wegens niet klaar, geen zin, ziek, rugpijn, regen, wind, hagel, overmacht of vakantie).
Want ik kan niet bewijzen dat ik op die dagen elders was.
Ik moet dus dubbel zoveel terugbetalen als ik de Belgische Staat ‘schuldig’ ben.
Zo’n 1000 euro.
Dat is niet alleen een financiële maar ook een morele klap.
Ik zal nu de rest van het jaar naar Brugge moeten in het besef dat ik er geen euro zal mee verdienen.
Dat zou anders ook wel het geval zijn geweest, maar ik zou dan misschien uit de kosten zijn geraakt.
Nu zal ik flink mijn broek scheuren aan mijn eerste marktjaar.
En dat allemaal omdat ik wil schilderen.
Want de enige reden waarom ik marktkramer ben geworden, is om schildermateriaal te kunnen kopen.

De hele zaak drukt me weer eens met mijn neus op de status die een kunstenaar bekleedt in de maatschappij.
Met name voor de beeldende kunstenaar is dat: helemaal onder aan de sociale ladder.
Ik ben intussen 30 jaar werkloos.
Veel lager kun je niet zakken.
Voor mij was het echter de enige manier om kunstenaar te kunnen zijn, en ik ben zeker niet de enige in dat geval.
Hoe ging dat vroeger dan, zult u vragen, toen er nog geen sociale zekerheid was?
Eenvoudig: kunstenaars leden honger.
De meesten gaven de kunst eraan, sommigen slaagden erin als kunstenaar te overleven, en een enkele keer brachten ze het zelfs tot roem en rijkdom.
Maar dat waren de zeldzame uitzonderingen op de regel.

Toen ik eens aan de klaagmuur ging staan, zei mijn tekenleraar: ach jongen, het is vandaag véél gemakkelijker om kunstenaar te zijn dan vroeger!
En hij vertelde hoe vaak hij door de stad had gezworven met een lege maag, omdat hij al in dagen niets meer had gegeten.
Zijn eigen leraar durfde zelfs aan niemand te vertellen wat hij had had moeten doen om te overleven.

Nee, het is lang niet zo moeilijk meer om kunstenaar te zijn.
Althans financieel en materieel.
Geestelijk en psychisch: dat is een ander verhaal.
De houding van de RVA toont aan hoe bitter weinig begrip er is voor kunst, en dat in een tijd dat art is everywhere.
Vertegenwoordigt de RVA niet de Belgische Staat?
En zegt men niet dat een volk de overheid krijgt die het verdient?
Als dat waar is, dan kan kunst de Vlaming geen ene moer schelen.
De kunstenaar is in zijn ogen een mens als een ander: hij moet werken om zijn brood te verdienen en dat doet hij ofwel in loondienst ofwel als zelfstandige.
In het eerste geval moet hij doen wat zijn baas hem opdraagt, anders wordt hij ontslagen.
In het tweede geval moet hij doen wat de markt vraagt, anders verdient hij niks.

Dat een kunstenaar vrij moet zijn om te kunnen scheppen, daar heeft de Vlaming geen enkel begrip voor.
Een kunstenaar is voor hem simpelweg iemand die geld verdient met kunst.
Of dat nu is in de vorm van subsidies of in de vorm van verkoop, dat maakt niet uit.
Als het maar geld opbrengt.
Anders is het geen kunst.
De klassieke vraag die ik altijd weer te horen krijg als ik buiten sta te schilderen, luidt: doe je dat voor je beroep of is het een hobby?
Eigenlijk vragen ze mij: bent u een kunstenaar of niet?
Want een schilder die geen geld verdient met zijn schilderijen, is in hun ogen geen kunstenaar.
Geld en kunst, dat is voor de Vlaming hetzelfde.

Wie schildert zonder daar geld mee te verdienen – dus louter uit liefde voor de zaak zelf – wordt in dit land niet als kunstenaar beschouwd.
Elders zal het wel niet veel beter zijn.
België mag dan wel een karikatuur zijn, het is een gelijkende karikatuur.
Iedereen kan er zich in herkennen.

De hedendaagse houding tegenover kunst komt neer op een totale omkering van het begrip ‘kunstenaar’.
Wie kunst wil scheppen, doet dat uit liefde en liefde kan alleen in vrijheid bestaan.
Een kunstenaar laat zich dus niets voorschrijven door staat of markt.
Daardoor komt hij in het spanningsveld te staan tussen twee tegengestelde krachten, en net als Odysseus moet hij ertussen door laveren om te kunnen overleven.
Die gulden middenweg komt hem echter duur te staan.
Hij wordt als het ware in twee gescheurd door de Scylla en Charybdis van onze tijd, de staat en de vrije markt.
Dat resulteert in twee ‘soorten’ kunstenaars: de ‘gesubsidieerden’ en de ‘ondernemers’.
De enen doen wat de overheid hen opdraagt, de anderen wat de vrije markt van hen vraagt.

Het verschil tussen beide wordt echter steeds kleiner.
In feite vormen ze samen een nieuw soort kunstenaar: de gespleten extremist.
En die ‘nieuwe’ kunstenaar is het tegenovergestelde van de ‘oude’: hij bedient zowel de overheid als de vrije markt.
Hij heeft met andere woorden zijn vrijheid opgegeven.
Hij maakt kunst op bevel.
Nieuwe kunst.
Hedendaagse kunst.

Het begrip kunst heeft in onze tijd een totaal andere invulling gekregen.
Het betekent precies het omgekeerde van wat het vroeger betekende.
Door deze ‘begripsomkering’ kon de kunst vervangen worden door anti-kunst zonder dat iemand het merkte.
Het Lam Gods of een kakmachine: men ziet geen verschil meer.
Ze zijn allebei veel geld waard.
Dus ze zijn allebei kunst.

Wie wél nog onderscheid maakt tussen kunst en geld (of tussen kunst en stront) krijgt zowel de staat als de vrije markt tegen zich.
Dat ondervind ik momenteel aan den lijve.
Ik heb niet alleen van de RVA een financiële én morele oplawaai gekregen.
Ik heb die ook op de markt in Brugge gekregen.
De verkoop gaat namelijk niet goed.
Als het niet betert, zal ik ermee moeten stoppen.
Ik probeer er van alles aan te doen, maar dat jaagt me telkens weer op nieuwe kosten zodat de put nooit gevuld raakt.
Is mijn werk dan misschien niet goed genoeg?
Dat is het eeuwige filisterargument: goede kunst komt altijd bovendrijven.
Dat merk ik ook altijd als mijn toiletpot overloopt.
’t Is maar wat je onder kunst verstaat.
In ieder geval, het is alsof de markt me zegt: dit is jouw wereld niet, jij hoort hier niet thuis!
Precies wat ook de RVA me probeert diets te maken: werklozensteun dient niet om kunstenaars te onderhouden, ze is er voor mensen die willen werken.

Ze hebben natuurlijk allebei gelijk.
Ik hoor niet thuis onder de werklozen (ik heb werk zat) en ik hoor ook niet thuis op een markt (ik ben geen verkoper).
Maar waar hoor ik dan wél thuis?
Voor mensen zoals ik – kunstenaars die echt vrij willen zijn en noch aan de staat noch aan de markt willen toegeven – is er eenvoudig geen plaats in de maatschappij.
Dat is de harde realiteit: er is geen ruimte meer voor vrije scheppende geesten.
Ze horen niet thuis in de hedendaagse maatschappij.

Ik sta dus voor de keuze: ofwel geef ik mijn kunstenaarsdroom op (en word ambtenaar of sales manager) ofwel onderwerp ik mij aan de vernederingen van zowel staat als markt, wat overigens op hetzelfde neerkomt.
Zonder de RVA en de Brugse folkloremarkt kan ik als kunstenaar niet bestaan.
Dus moet ik maar staatsambtenaar en sales manager worden.
In ruil voor een staatsinkomen (dat me in leven houdt) moet ik formulieren invullen, aanwezigheidslijsten aankruisen, regelmatig ‘op den bureau’ komen, alle regels en regeltjes zorgvuldig nakomen.
Precies wat een ambtenaar dus doet.
En natuurlijk mag ik geen persoonlijk initiatief tonen, want dan moet ik nog meer formulieren invullen, nog meer lijsten aankruisen, nog meer verantwoording afleggen.
In ruil voor wat geld om schildermateriaal te kopen (daar voorziet de RVA niet in) moet ik dan weer een zelfstandig verkoper worden die zijn waren op de markt brengt.
Aan beide grote maatschappelijke machten moet ik tol betalen, want buiten hen is er niets.
Er is geen midden tussen staat en markt, geen vrije ruimte waar kunstenaars zouden kunnen gedijen zonder in het stof te moeten kruipen.

De ‘oude’ kunst heeft geen plek meer in de hedendaagse wereld, maar de ‘nieuwe’ kunst, de ‘omgekeerde’ kunst, voelt er zich volkomen thuis.
Ze wordt gesubsidieerd door de overheid, bejubeld in de pers, onderwezen in het onderwijs, verhandeld op de markt, vereerd in tempels en paleizen.
Toch is die anti-kunst niet de oorzaak van de penibele en vernederende situatie waarin ik me als kunstenaar bevind.
Het is immers nooit anders geweest.
Ook toen de Hedendaagse kunst nog niet bestond, hadden kunstenaars het bijzonder moeilijk.
Ze werden door de hogere klassen geduld omdat men ze nodig had om kunstwerken te maken, maar men wilde niet met hen in contact komen, daarvoor waren ze te ‘laag’.
Tot het gewone volk behoorden ze echter ook niet, want ze hielden zich bezig met dingen die nergens toe dienden.
Voor de hogere klassen behoorden ze dus tot de lagere klassen en voor de lagere klassen behoorden ze tot de hogere klassen.
Ze behoorden met andere woorden tot geen enkele klasse.
Ze waren ‘niet van deze wereld’.
Dat was in de oudheid al zo en het is nog altijd zo.

De anti-kunst is dus niet de oorzaak, ze is een gevolg.
Ze hangt een beeld op van een wereld zonder kunstenaars, een wereld waaruit de vrije scheppende geest verdwenen is.
Ze brengt de Grote Leegte in beeld.
En in die leegte leeft de aloude vijand van de kunst, hij die de maatschappij verdeeld heeft onder staat en markt.
De Grote Verdeler zeg maar.
En hij is niemand anders dan de dubbelganger van de kunst.
De kunst staat vandaag oog in oog met haar dubbelganger.
En die dubbelganger is tevens de dubbelganger van de mens, die in zijn diepste wezen een scheppende geest is, geroepen om een vrije schepper te worden, naar het voorbeeld van zijn maker.
Die mensheidsdubbelganger, die anti-scheppende geest, is het die de kunst vandaag onafgebroken afbeeldt.
Ze kan niet anders.
Ze maakt immers de geestelijke dimensie van de werkelijkheid zichtbaar.
Dat is wat ze doet, dat is haar wezen.
En de geestelijke dimensie van de hedendaagse werkelijkheid is de dubbelganger.
De hele mensheid gaat ‘over de drempel’ en ontmoet haar tegenbeeld: de ‘omgekeerde’ mens, de anti-mens.
Het hele hedendaagse leven wordt gekleurd – of beter: ontkleurd – door deze ontmoeting.
Alles verbleekt vergeleken bij dit kapitale gebeuren.
Dat zien we in de kunst: alles moet wijken voor de dubbelganger.

De tragiek is echter niet dat de kunst helemaal in de ban is geraakt van de dubbelganger.
Want om hem uitbeelden, moet ze zich aan hem overgeven.
De kunstenaar moet één worden met zijn onderwerp, anders kan hij geen kunst scheppen.
De Hedendaagse kunst – de kunst die in de greep zit van de dubbelganger – is dus onvermijdelijk.
Het stond als het ware in de sterren geschreven dat de kunst in het stof zou bijten, dat ze ten prooi zou vallen aan de vreselijkste geest die de mens kent.
Het was de enige manier om de moderne mens te tonen met wie hij te maken heeft.
Hoe zou hij, de grote ongelovige, anders geconfronteerd moeten worden met zijn grote geestelijke tegenstander?

Deze ‘zondeval’ van de kunst was dus noodzakelijk om de hedendaagse mens bewust te maken van de situatie waarin hij zich bevindt: de drempeloverschrijding, de ontmoeting met de dubbelganger.
Maar de mens is vrij, hij heeft een keuze.
Hij is niet verplicht zijn dubbelganger onder ogen te zien.
Hij is niet verplicht zijn ogen te openen voor diens geestelijke realiteit.
Hij kan gewoon verder slapen.
En dat is dan ook wat hij doet.
Hij houdt de ogen stijf dicht voor de dubbelganger die vlak voor hem staat, in de ontelbare beelden van de hedendaagse kunst.
Want in plaats van geschokt te zijn tot in het diepst van zijn ziel, applaudisseert hij.
Het is immers kunst, nietwaar?

Wereldwijd klinkt er een oorverdovend applaus op voor de dubbelganger van de mensheid.
De overheid, de vrije markt, de kunstliefhebbers, de hele intellectuele wereld, ja zelfs de antroposofen: allemaal zijn ze wild enthousiast over de (beelden van de) grote anti-menselijke geest.
Ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen.
De Hedendaagse anti-kunst wordt niet zomaar bewonderd, ze wordt vereerd, ze wordt aanbeden, ze wordt beschouwd als het hoogste wat de mens ooit bereikt heeft.

En dát stond niet in de sterren geschreven.
Daartoe was de mens niet verplicht.
Het is zijn eigen vrije keuze.
De keuze om de ogen te sluiten voor de weerzinwekkende beelden van de Hedendaagse kunst.
Iedereen kan dat bij zichzelf navoelen: je bewondert de Hedendaagse kunst niet spontaan.
Daar is een inspanning voor nodig.
Daar moet je echt voor kiezen.
Het gaat niet vanzelf.
En deze vrije keuze is dan ook de Grote Tragedie van onze tijd.
Want ze had helemaal niet hoeven te gebeuren.
De mens – de vrije mens, de bewuste, ontwikkelde mens – had ook zijn ogen kunnen openen voor het wezen van de Hedendaagse anti-kunst.
Maar dat heeft hij niet gedaan.
En daarmee heeft hij de kunst – die zich voor hem opgeofferd heeft en zich door de dubbelganger heeft laten grijpen – in de steek gelaten.
Hij heeft haar verraden.

Deze trahison des clercs is de meest tragische daad van onze tijd.

Als de hedendaagse kunstenaar zich overlevert aan de dubbelganger om zo zijn ‘portret’ te kunnen maken, dan is dat in wezen een offer.
Hij brengt dat offer om de mensheid haar dubbelganger te kunnen tonen, om haar over de drempel te helpen, om haar weer in contact te brengen met de geest.
Dat is trouwens altijd de taak van de kunst geweest.
Kunst is een drempeloverschrijding en de drempeloverschrijding is een kunst.
De voorwaarde voor die kunst is: de ontmoeting met de dubbelganger.
Hij bepaalt of je over de drempel kunt.
In de mate dat je hem onder ogen kunt zien, in die mate maak je ook weer contact met de geest.
En dat laatste is absoluut noodzakelijk.
Als de mensheid er niet in slaagt weer in contact te komen met de geestelijke wereld dan is ze ten dode opgeschreven.
Het offer van de kunst is dus noodzakelijk.

Toch brengt de kunstenaar dat offer uit vrije wil.
Hij is kunstenaar omdat hij dat wil, niet omdat hij het moet.
Niemand kan een mens verplichten om kunstenaar te worden.
Toch heeft iedere kunstenaar het gevoel dat hij niet anders kan.
Hij moét scheppen, hij ervaart zijn kunstenaarschap als een innerlijke dwang waaraan hij niet kan ontsnappen.
En alle gevolgen van die dwang – de vernederingen waaraan hij zich moet blootstellen om als kunstenaar te kunnen (over) leven – ervaart hij als een zinloos lijden.
De tragiek van de kunstenaar is dus dat hij niet weet dat hij vrij is.
Hij weet niet dat hij een vrijwillig offer brengt, laat staan waaróm hij het brengt.
Zelfs de Hedendaagse kunstenaar, die door zowel de overheid als de vrije markt op handen wordt gedragen, die met roem en geld wordt overladen, die kan doen wat hij wil en voor wie alle deuren opengaan, is een gekwelde ziel.
Want al die eer en roem is niet wat hij wil.
Wat hij wil, is begrip, inzicht, erkenning van zijn offer.
Hij wil weten waarom hij doet wat hij doet.

De hele Hedendaagse kunst is één grote schreeuw om begrip.
En in plaats daarvan krijgt ze … applaus.
Dat is het ten hemel schreiende verraad van de ‘klerken’: in plaats van tot in het diepst van hun ziel geschokt te zijn door de beelden van de Hedendaagse kunst, barsten ze uit in gejuich en gooien met geld, als zaten ze te kijken naar een ordinaire strip-tease.
Nooit heeft de kunst zo’n behoefte gehad aan begrip.
Nooit heeft ze er minder gekregen.
De miskenning en verloochening van de kunst die zichzelf vrijwillig aan het kruis heeft laten nagelen: ziedaar de Grote Tragedie van onze tijd, de tragedie waar alle andere tragedies een afspiegeling van zijn, en die op haar beurt zelf een afspiegeling is van de oertragedie van de mens.

(Wordt vervolgd)

Eén september

Er zijn dingen die nooit veranderen: het is één september en het is mooi weer.
Ik ben in Gent omdat ik met de vakbond moet bespreken hoe ik de RVA ervan kan weerhouden een Rijksdienst Voor Arbeidsontrading te worden (daarover later meer).
De stad loopt vol met jonge mensen en de sfeer is vrolijk en opgewekt.
Zo zie ik Gent niet vaak.
Op weg ernaartoe had ik ook al iets zeldzaams gezien, iets buitengewoon zeldzaams: iemand zat langs de Schelde te … etsen.
Buiten schilderen en tekenen is in Vlaanderen als bijzonder zeldzaam geworden, maar etsen?
Dat is als … pianospelen in openlucht.
Niemand doet dat.
Maar die vrouw deed het dus wel, en rond haar hing de strenge sfeer van scherpe naalden en bijtend zuur.

20140901-235756.jpg

Wat een verschil met de levendige, kleurrijke wereld die ik in Gent aantref!
Tussen haakjes, met ‘kleurrijk’ bedoel ik niet dat er veel zwarte mensen en zwartgesluierde moslima’s rondliepen.
Ik bedoel het in de pre-politiek-correcte betekenis van het woord: kleurrijk zoals in rood, geel, groen, blauw, enzovoort, kleurrijk zowel in letterlijke als figuurlijke zin.
Ja, het is een plezier om vandaag door Gent te fietsen.
Ik heb medelijden met de vakbondsman met wie ik een afspraak heb.
Hij moet heel deze schitterende dag binnen slijten, omringd door papieren en formulieren.
Als hij opstaat om mijn boekhouding te kopiëren – vier bladzijden in een agendaatje waarin Anna overal haar (rose fluorescerende) sporen heeft achtergelaten – zie ik dat hij loopt zoals inspector Morse: slepend met zijn ene voet.
Ik denk: wat ben ik toch een gelukkig mens dat ik straks weer naar buiten kan, dat ik niet meer naar school hoef, dat ik niet opgesloten hoef te zitten tussen vier muren!
Tussen haakjes: ik breng het grootste deel van mijn leven door tussen vier muren, maar ik doe dat uit vrije wil.
Niemand verplicht me daartoe.
Beetje ironisch is natuurlijk wel dat het de RVA is die me vandaag verplicht heeft naar buiten te gaan, naar de vakbond, naar Gent.
Anders was ik misschien wel binnen gebleven en dat zou zonde zijn geweest.
Er is zoveel te zien in Gent.
Overal lopen scholieren en studenten rond, honderduit pratend over wat ze tijdens de vakantie allemaal beleefd hebben.
Waarschijnlijk zijn ze zelfs blij dat die vakantie voorbij was en dat ze eindelijk weer aan de slag kunnen.
Jammer toch dat al die jonge goede wil in banen geleid wordt waar ze (meestal) niet terecht wil komen.
Zou die vakbondsman-met-de-slepende-voet als jonge student in de rechten gedroomd hebben van een loopbaan bij het ACV?
Ik hoop het voor hem, maar ik betwijfel het.
Hij ziet er zo … kleurloos uit.

20140902-000027.jpg

Ik ben te opgelucht dat ik weer naar buiten kan om daar verder aan te denken.
Jedem das Seine, zullen we maar zeggen.
Ik geniet dus van het vrolijke Gent en van het feit dat ik daarin vrij kan rondfietsen.
Ik duik de kasseistraatjes van het oude Gent in, achter het Gravensteen, waar de Lieve stroomt.
Je komt er terecht in een andere wereld, een wereld die – zoals het Patershol – van de sloop is gered, een stille wereld, een schilderachtige wereld.
Ik ga even op een trapje aan het water zitten, alleen en van geen mens gestoord.
Achter me liggen de smalle straatjes er bijna uitgestorven bij.
Voor me verrijst zwijgend het imposante Gravensteen.
Zonder het stadsgeraas in de verte, zou ik me in de 17de eeuw kunnen wanen.
Dát was nog eens een tijd voor schilders!

Vandaag zie je nergens nog schilders in Gent.
De oude stad is nochtans heel mooi.
Maar je kunt de moderne stad niet meer wegdenken.
En zij is verre van schilderachtig.
Zij is uitgesproken schildervijandig.

Ik rijd de Jan Breydelstraat in, opnieuw op weg naar de drukte.
In een kunstgalerij zie ik een schilderij van Hubert Malfait hangen: een koe met een boerderij.
Het lijkt wel geschilderd met een truweel.
Vlaams expressionisme weetuwel.
Maar het is tenminste nog een schilderij.
Het is omringd met ‘abstracte experimenten’.
Gent-in-het-klein …

20140902-000717.jpg

Ik steek de dichtbevolkte Koornmarkt over.
Ze is net opnieuw aangelegd en ze hadden er iets moois kunnen van maken, maar dat hebben ze duidelijk niet gewild.
Deze plek schreeuwt al jaren om groen, maar ze hebben zijn stenen-woestijn-karakter eerbiedigd.
Ook het plein achter de Sint-Niklaaskerk schreeuwde al lang om groen (heel Gent schreeuwt trouwens om groen) en dat is er – een beetje – gekomen.
Maar die toegeving moest zwaar betaald worden: de Gentenaars kregen de stadshal in de maag gesplitst: tot kunst verheven woestijn.
Eens kijken of het er nog altijd zo leeg en verlaten is, denk ik.

Dat blijkt niet het geval te zijn. Of toch niet helemaal.
Er staat namelijk een … vleugelpiano.
Stel je voor: een etser aan de Schelde en een piano in hartje Gent!
Alhoewel, hartje…
Als deze plek één ding niet heeft, dan is het een hart.
Men slaagt er maar niet in om deze lege zielloze plek, deze stenen leegte, gevuld te krijgen: mensen blijven ze instinctief mijden.
Dus heeft men er teneinde raad een piano neergepoot.
En blijkbaar wordt ze nog gebruikt ook.
Als ik er passeer, is een in het zwart gekleed meisje erop aan het spelen.
Ze speelt op de piano muziek uit … The Piano.
De film gaat over een piano die vanuit de beschaafde wereld verscheept wordt naar een plek in de brousse van Nieuw-Zeeland waar helemaal niks is.
Behalve Maori’s, getatoeëerde ‘wilden’ die nog nooit een piano hebben gezien.
(Iedere overeenkomst met de huidige tijd is natuurlijk geheel toevallig)
Goede film overigens.
Zeer sprekende beelden.
Zoals die vleugel onder de Gentse stadshal (die eigenlijk niet meer een gigantisch dak is).

20140902-001400.jpg

Natuurlijk zou het te mooi zijn geweest als men daar gewoon een piano had geplaatst.
Een stad die zichzelf respecteert, plaatst geen mooie dingen.
Dat deed men vroeger.
En vroeger is voorbij.
Daarom heeft men in het glanzende notelaren hout van het klassieke instrument een aantal ruwhouten balken geschroefd die samen een stellage vormden waarop een replica van een klassiek godenhoofd prijkt.
Kunst!
(Verdorie, ik moet weer een smartfoon-met-camera hebben, want u gelooft natuurlijk geen woord van wat ik nu vertel.)
Uit dat godenhoofd druipt namelijk een soort smurrie tot op de piano: de vleugel is bedekt met iets wat je moeilijk anders kan interpreteren dan als … een hoop stront.
Het vieze goedje is weliswaar wit, maar laat ik nu net vanmorgen op het internet gelezen hebben dat de bruine kleur van uitwerpselen afkomstig is van galkleurstoffen.
Ongekleurd zou stront eruitzien als de ‘hoop’ op de vleugelpiano.
Een veelzeggend beeld.
Een weerzinwekkend beeld ook.
Een mooie klassieke vleugelpiano zo toetakelen: dat doe je niet.
Een mooie oude stad als Gent toetakelen met een stadshal: dat doe je evenmin.
Maar blijkbaar is dat de prijs die vandaag moet betaald worden om überhaupt nog muziek te kunnen horen in het lawaaierige centrum van Gent.

20140902-001648.jpg

Na een tijdje geluisterd te hebben naar het meisje (dat trouwens prima speelt) rijd ik verder.
Ik aarzel: ga ik rechts- of ga ik linksaf?
Altijd een moeilijke keuze, vind ik, al zullen weinigen het daarmee eens zijn.
Vanuit de verte zie ik dat de hele Sint-Baafskathedraal verpakt is in stellingen zodat ze eruitziet als een bouwsel uit Lord of the Rings.
Boven de ingang prijkt een grote affiche met daarop een meisje met katogen.
The Wild Beauty of Music lees ik.
En voor de betere Gentenaar: La Sauvagerie.
Kijk eens aan, denk ik, zouden ze weer Jan De Loore ingeschakeld hebben?
Die had verleden getekend voor een pervers-demonische affiche, en dit jaar is het weer van dat.
Wild Beauty?
Sauvagerie?
Een meisje met roofdierenogen?
Dat is natuurlijk allemaal een beeld van Lucifer.
Pittig detail: het is blond meisje, iets wat ik helemaal niet associeer met Lucifer of met ‘wilde schoonheid’.
Lucifer, dat is een donkere furie zoals Tina Turner.
Maar misschien onderschat ik de perversiteit van dit beeld en gaat het niet om Lucifer alleen.
Misschien gaat het om een combinatie van Lucifer en Ahriman en dus om een nog veel kwalijker wezen.
In ieder geval, het is alweer even hoe-zal-ik-het-zeggen als verleden jaar.
Wat wil je ook: een VIP experience!

20140902-001759.jpg

Ik sla dus linksaf en bots daar op een … filmploeg.
Alweer iets wat je niet iedere dag ziet.
Even snel kijken: nee, geen Bekende Vlamingen te zien.
Ik sla nu rechts de Hoogpoort in en passeer het conservatorium waar iemand onzichtbaar van katoen geeft op de pauken.
De straten zijn nog altijd gevuld met scholieren, studenten, jonge mensen.
Zoals ik al zei: Gent bruist vandaag van leven!
Maar dat mindert zienderogen naarmate ik het centrum verlaat.
Aan ‘de Van Eyck’ (voor de Maori’s onder u: het zwembad van Gent-centrum) zie ik een meisje dat helemaal alleen zit te … blokken.
Want ook dat is september: herexamens.

Als ik de antroposofische bibliotheek op de Lousbergskaai passeer zie ik een affiche hangen met daarop in grote letters: ONTMOETEN IS LEVEN.
Kijk eens aan!
Het vat deze dag zo’n beetje samen.
Gent is vandaag één grote ontmoetingsplaats.

Maar als ik de kerk in de Forelstraat passeer, de kerk die haar deuren wijd open pleegt te zetten voor migranten allerhande, zie ik een ‘ontmoeting’ tussen twee Pakistani’s.
Het lijkt verdacht veel op een drugsdeal.
Hij vindt plaats op een steenworp van de Gentse Steinerschool.
Ook dát is leven, zullen we maar zeggen.

Ach, woorden: ze zeggen vandaag niet veel meer, ze kunnen van alles betekenen.
Beelden daarentegen lijken steeds veelzeggender te worden.
Je moet er natuurlijk wel naar luisteren.
Maar dat kostte me op deze eerste schooldag weinig moeite.
Als de ziele luistert, spreekt het al een taal …

20140902-001908.jpg

Iemand een poot uitdraaien

De regeringsonderhandelingen kunnen me maar matig boeien.
Zeg maar: helemaal niet.
De overwinning van Bart De Wever was niet groot genoeg om spijkers met koppen te kunnen slaan. Dus is men weer begonnen met het eeuwige Belgische getouwtrek waarbij altijd weer dezelfden aan het langste eind trekken.
Ik wil er me, om gevoelshygiënische redenen, niet druk over maken.

20140819-185110.jpg

Zijdelings heb ik vernomen dat De Wever geen nieuwe belastingen wil.
Hij wil alleen besparen door te snoeien in de overheidsuitgaven.
Dat kan ik alleen maar toejuichen want ik heb soms de indruk dat de helft van de Belgen betaald worden om de andere helft te controleren en het leven zuur te maken.
Zo lag er na ons weekendje Ardennen – wij houden de zaken graag in evenwicht – een brief van de RVA te wachten.
Ik moet mijn recht op een uitkering gaan verdedigen omdat ik bij een controle in Brugge (die merkwaardig genoeg alleen beide Gentenaars op de markt trof) geen ‘controlekaart’ (newspeak voor stempelkaart) kon voorleggen.
Maar ik ben al bijna twee jaar vrijgesteld van controle (wegens te oud).
Kennen ze dan hun eigen regels niet?
Of zijn er zoveel regels dat ze je altijd wel op iets kunnen pakken?
Blijkt dat ik verzuimd heb formulier C99 in te dienen waarin de RVA op de hoogte breng van mijn bijberoep.
Maar dat bijberoep oefen ik al 25 jaar uit, zij het zo sporadisch dat ‘beroep’ een tamelijk lachwekkende term is.
Ik heb het statuut echter nooit opgegeven voor-het-geval-dat.
Heel verstandig van me, want toen kwam het geval Brugge.
Snel gecontroleerd hoeveel ik van de RVA mocht bijverdienen, en dat bleek geen probleem: ik kwam niet eens in de buurt.
Maar blijkbaar had ik meer moeten doen dan alleen controleren.
Ik had de RVA middels één van haar honderden formulieren op de hoogte moeten brengen.
Ik had eerst toestemming moeten vragen en krijgen via een brief vol stempels en handtekeningen.
Ik had wellicht nog méér moeten doen.
Want nu is Big Brother watching me.

Zolang ik geen enkel initiatief toonde, heeft de RVA me nooit lastiggevallen.
Maar nu ik iets wil ondernemen, trekt ze haar kast met formulieren open en dien ik schriftelijk te getuigen, te bevestigen en te verklaren dat ik een oprecht en eerzaam burger ben, en geen crimineel die de Belgische Staat wil oplichten.
Ik takes one to know one, zegt men in het Engels.
De Belgische Staat is een oplichtersbende geworden die overal oplichters en bedriegers ziet.
Ik heb haar controleurs aan het werk gezien in Brugge.
Het was een beschamende vertoning.
En met dat soort mensen – die zich persoonlijk beledigd voelen als ze zelfs maar vermoeden dat je niet helemaal in orde bent met je papieren – moet ik volgende week een gesprek hebben.
Zucht.
Ik zal weer m’n trukendoos moeten bovenhalen waarmee ik destijds in Leuven een heus diploma heb behaald.

20140819-183618.jpg

Van dat diploma gesproken.
Toen ik in maart van dit jaar – na jaren wachten – een vergunning kreeg om in Brugge op de folkloremarkt te gaan staan, heb ik meteen een leurderskaart aangevraagd, een kaart dus waarmee je op een markt mag gaan staan (niet te verwarren met een marktvergunning).
Welnu, we zijn eind augustus en ik heb die kaart nog altijd niet.
Ik heb ervoor betaald en ik heb er al ettelijke formulieren voor ingevuld, maar m’n dossier is nog altijd niet compleet.
Ik zou dat dossier wel eens willen zien.
Laatst kreeg ik het verzoek om een kopie op te sturen van mijn universiteitsdiploma, anders zou ik een cursus economie moeten volgen.
Een mens houdt het niet voor mogelijk.
Ik had geen idee waar dat diploma zich bevond.
Sinds ik het kreeg, heb ik het nooit meer bovengehaald.
Maar nu heb ik dat diploma dus voor het eerst in m’n leven nodig omdat ik … op een rommelmarkt wil gaan staan.
Fernandel en Bourvil samen hadden het niet kunnen bedenken.
Gelukkig hebben we dat diploma gevonden.
Het zag eruit alsof ik het op … een rommelmarkt had gekocht.
Vlug op de scanner gelegd en doorgemaild.
Zou het de laatste horde zijn?
Nee gij!
Vandaag kreeg ik een mail: de kleine lettertjes op het diploma waren niet goed leesbaar, gelieve een echte kopie op te sturen.
Wat zal het volgende zijn?
Een kopie van mijn kandidatuurstelling voor de Nobelprijs marktonderzoek?

Hoe zou het zijn om in zo’n papieren dienst te werken en mensen dag in dag uit lastig te vallen met formulieren, attesten, getuigschriften, diploma’s, bewijzen, verklaringen, enzovoort?
Beseffen die mensen dat ze eigenlijk beroepspesters zijn en dat ze hun geld verdienen met het sarren van hun medemensen?
U wilt een leurderskaart?
Haha, dan willen wij van u achtereenvolgens …
En dan houdt niet meer op.
Dan ben je een vis aan de haak.

Wát als ik volgende week gecontroleerd word en ik blijk geen leurderskaart te hebben?
Ja maar, meneer de controleur, ik heb die kaart een half jaar geleden al aangevraagd!
En hoe komt het dat u ze niet gekregen hebt?
Dat moet u uw collega’s vragen!
Dat zijn mijn collega’s niet, meneer.
Dan weet ik het ook niet.
Maar u staat hier wel op de markt zonder kaart!
Ja, wat wilt u dat ik doe? Ik heb mijn marktvergunning betaald en ik heb mijn leurderskaart betaald, en nu zou ik hier niet mogen staan omdat ik niet krijg waarvoor ik betaald heb?
Meneer, dat zijn mijn zaken niet. Ik moet alleen nagaan of u in orde bent, en dat bent u niet.
Maar ik ben wél in orde! Het zijn de anderen die niet in orde zijn!
Meneer, met die anderen heb ik niks te maken. Ik heb alleen met u te maken en ik zie mij verplicht om een dossier tegen u te openen.
Doe wat u niet laten kunt, maar doe het liefst even traag als uw collega’s.
Meneer, ik heb het al gezegd, dat zijn mijn collega’s niet.
Vooruit dan, uw soortgenoten.
Wat bedoelt u daarmee?
Is dat een vraag?
Ja.
Wel, ik zal u een formulier opsturen waarop u uw vraag schriftelijk kunt stellen aan mijn bevoegde instanties. Die zullen waarschijnlijk bijkomende inlichtingen willen, dus ik zou mijn diploma’s maar gereed houden.
Drijft u de spot met mij, meneer?
Drijft ú de spot met mij?

Enzovoort.

Ik zal opgelucht zijn als Bart De Wever het mes in die ‘pestdiensten’ zet, want ze hebben de hele bevolking in de tang.
Zij die niet werken, worden gewantrouwd.
Zij die wel werken, worden ook gewantrouwd.
De moderne staat is een monster van wantrouwen.
Het wordt tijd dat het een poot wordt uitgedraaid.
Ik zal met plezier meedraaien.
Maar met draken en monsters moet je natuurlijk voorzichtig zijn.
Ze weten beter dan wie ook hoe ze iemand een poot moeten uitdraaien …

20140819-183951.jpg

In Memoriam Jan Hoet (1)

20140228-161817.jpg

Het moet zowat twintig jaar geleden zijn.
Ik had nel mezzo del camin di nostra vita besloten om het roer drastisch om te gooien en ‘mijn leven te wijden aan de kunst’.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan.
In de praktijk kwam het erop neer dat ik werkloos werd en niet wist van welk hout pijlen maken.
Het was in die dagen dat de RVA (de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) mij ‘uitnodigde voor een gesprek’.
Iedere werkloze weet wat dat betekent.
Het betekent net hetzelfde als wanneer een vrouw tegen haar man zegt: we moeten eens praten.
Stront aan de knikker dus.

Bleek dat ik moest bewijzen dat ik ‘werkwillig’ was.
Hoe moest ik dát aanpakken?
Solliciteren was uitgesloten.
Been there, done that.
Op m’n 33ste – ik herinner het me nog als de dag van gisteren – had ik in a split second besloten mijn oude leven vaarwel te zeggen en een nieuw leven te beginnen.
En ik was niet van plan dat besluit terug te draaien.
Nee, ik wilde tekenen en niets anders.
Dus besloot ik de RVA een plan voor te leggen om een bestaan op te bouwen als karikaturist, want daar was ik goed in, al zeg ik het zelf.

Het was best een gewaagd plan, maar de RVA was toen nog niet zo streng als nu.
Ik zag trouwens geen andere mogelijkheid.
Deel van mijn plan was om een reeks karikaturen te maken van bekende Gentenaars.
Ik heb er namelijk een ontzettende hekel aan om naar foto’s te tekenen, en dus moest ik op zoek naar Bekende Vlamingen die voor mij wilden poseren en die ik per fiets of bus kon bereiken.

20140228-162112.jpg

Zo kwam ik terecht bij Jan Hoet.

Ik had al Koen Crucke getekend, en Nolle Verseyp, en Jo Demeyere, en dat was best meegevallen. Dat gaf me de moed om een tandje bij te steken en mijn kans te wagen bij de grote Jan Hoet, kunstpaus en God in Gent.
Ik trok mijn stoutste schoenen aan en belde het Museum voor Hedendaagse Kunst.

‘Goeiemorgen, met het Museum voor Hedendaagse Kunst!’
Een vriendelijke meisjesstem.
‘Is het mogelijk om met meneer Hoet te spreken alstublieft?’
‘Een ogenblikje!’
Klik, een seconde stilte, en dan:
‘Met Jan Hoet!’

Ik was lichtjes verbouwereerd, want ik had er niet echt op gerekend hem te kunnen bereiken, laat staan zo gemakkelijk.
Hij luisterde aandachtig naar het ietwat meelijwekkende verhaal dat ik ophing en waarmee ik al verschillende keren succes had geboekt.
Hij zuchtte: ‘Geen tijd jong, geen tijd!’
Het leek uit de grond van zijn hart te komen.
Maar ik gaf niet af.
Ik had in Leuven geleerd hoe ik examinatoren – en Jan Hoet was toch een soort examinator? – om mijn vinger moest winden.
Ook dit keer lukte het.
Hoet gaf toe.
Allez vooruit, zei hij, kom donderdag om 10 uur naar ’t museum en dan zal ik zien of ik wat tijd voor je kan vrijmaken!
OK, antwoordde ik, ik zal er zijn!

Die donderdagochtend fietste ik van Destelbergen naar het Gentse Citadelpark met mijn tekenmap onder de snelbinder.
Het SMAK bestond nog niet en het Museum voor Hedendaagse Kunst was gewoon een afdeling van het Museum voor Schone Kunsten.
Terwijl ik de trappen opliep, hoorde vanuit het museum een ritmisch gedreun opklinken, alsof er ergens een paal in de grond werd geheid.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

‘Kunt u mij vertellen waar ik meneer Hoet kan vinden?’, vroeg ik aan de balie.
‘Heeft u een afspraak?’
‘Jawel.’
Ze wezen me de weg.
Binnen klonk het gedreun nog veel doordringender.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

20140228-162311.jpg

Ik wandelde door de zalen en begreep waarom dit museum onder (Antwerpse) kunstenaars smalend ‘het pissijn’ werd genoemd.
Gezellig was anders.
En dan dat gedreun!
Het werd steeds luider naarmate ik de Hedendaagse afdeling naderde.
Toen eindelijk voor de ingang stond, ontdekte ik de bron van al dat lawaai.
Een televisietoestel.
Op het scherm verscheen een stenen hoofd, in silhouet.
Na vijf tellen kwam er opeens een hamer op dat hoofd neer en vloog het in duizend stukken.

Boemmm!

Het dreunende geluid kwam uit twee grote boxen die verdekt opgesteld stonden.
Een installatie!
Kunst!
Ik had de drempel der Hedendaagsheid bereikt, dat leed geen twijfel.
Alvorens hem te overschrijden, bleef ik even naar dat filmpje kijken in de hoop dat er misschien iets zou veranderen.

Maar nee, het was alleen maar dat hoofd en dan … boemmm, aan gruizelementen.
Ik wilde al verder lopen toen ik plots zag dat het telkens een ander hoofd was.
Het was dus niet iedere keer dezelfde scène die herhaald werd, neenee, het was telkens een nieuw hoofd!
Hoeveel zouden ze er zo wel in stukken geslagen hebben?, vroeg ik me af.
Daar kon ik me helaas niet mee bezighouden, want ik had een afspraak.
En wát voor afspraak!

Ik verwachtte er mij eigenlijk aan dat Jan Hoet mij compleet vergeten zou zijn of dat hij mij door een secretaresse zou laten meedelen dat hij verhinderd was.
Maar niets was minder waar.
Toen ik de gang naar zijn kantoor insloeg, stond hij me voorwaar al op te wachten.
Meneer Debrouwere, riep hij, kom binnen, kom binnen!
Ik was lichtjes overrompeld.
Zo’n ontvangst had ik echt niet verwacht.

20140228-162411.jpg

Voor mij stond de aantrekkelijkste man die ik ooit had ontmoet.
Laag op de benen, soepel bewegend, donker van uiterlijk, open van karakter, joviaal, zonder enige pose.
En heel heel mannelijk.
Was ik een vrouw geweest (of een homo), ik had m’n knieën voelen knikken.
Er straalde iets onweerstaanbaars van hem uit, iets dat me helemaal deed ontdooien.
Wat een charisma had die man!
Niet te geloven.
Hoet bleek precies hetzelfde type te zijn als Raymond Goethals, de legendarische voetbaltrainer, en Julien Schoenaerts, de niet minder legendarische acteur (wiens zoon Matthias nu furore maakt in Hollywood).
Ja, Jan Hoet was een oertypische Vlaming, een volkse figuur, maar met stijl.
Je voelde in hem nog iets van de oerkracht van het volk.

Ik stapte zijn kantoor binnen, dat er al even onconventioneel uitzag als hijzelf.
‘Ga zitten, zei hij, ga zitten!’
Was dit de man die het zo druk had?
Ik kreeg het gevoel alsof hij alle tijd van de wereld had, en alsof die tijd helemaal voor mij was.
‘Zeg mij maar wat ik moet ik doen’, zei hij.
Dat was een makkelijke, die vraag had ik al honderden keren gehoord.
‘Zo weinig mogelijk’, antwoordde ik.
Daar moest hij om lachen, en hij nam plaats achter zijn bureau.

Ik had verwacht dat hij het moeilijk zou hebben met stilzitten, want Jan Hoet staat bekend als een hyperactief iemand, iemand die aan 100 per uur leeft.
Dat schrok me niet af.
De meeste mensen kalmeren als ze voor me poseren, zelfs kinderen.
Ze zijn gefascineerd en gevleid door de intense aandacht die ze krijgen.
Iemand vertelde me ooit dat het was alsof ik zijn gezicht met heel voorzichtige vingers aftastte.
Dat is inderdaad wat ik doe: ik kijk met mijn handen, ik tast mijn model met onzichtbare vingers af.
Waarschijnlijk ondervinden mensen dat als een soort geestelijke massage die hen doet ontspannen.
Natuurlijk zijn er ook mensen die niet op die manier willen aangeraakt worden.
Ze beseffen dat zelf niet, want het speelt zich op een diep innerlijk niveau af.
Maar ik ondervind het meteen als ik begin te tekenen.
Er ontstaat dan een intense geestelijke worsteling om die weerstand te overwinnen, iets waar uiterlijk niks van te zien is.
Zo’n worsteling treedt niet zelden op bij mensen van wie je ’t nooit zou verwachten, mensen die uiterlijk heel open en sociaal zijn, zoals Jan Hoet bijvoorbeeld.
Omgekeerd zijn er ook stugge en gereserveerde mensen die zich innerlijk volkomen overgeven en bij wie het portretteren als het ware vanzelf gaat.
Die tegenstelling tussen uiterlijk en innerlijk heb ik altijd als een mysterie ervaren, want zelfs met al mijn ervaring – ik heb al duizenden mensen geportretteerd – kan ik aan iemand niet zien of hij zich zal overgeven dan wel of er gevochten zal moeten worden.
Dat ondervind ik pas als ik hem of haar teken.

20140228-162531.jpg

Het ‘innerlijk’ waarover ik spreek, is natuurlijk niet het karakter.
Dat is iets uiterlijks, dat kun je aan een mens aflezen.
Nee, het gaat om een veel dieper innerlijk, een innerlijk dat zich aan de gewone zintuigen onttrekt en alleen kunstzinnig kan benaderd worden.
En dát innerlijk – een geestelijk, niet-lichamelijk innerlijk – is wat mij zo eindeloos fascineert bij mensen en dat vooral bij kinderen kan openbloeien tot iets onwaarschijnlijk moois.

Mijn excuses voor deze uitweiding, maar ik had ze nodig om enigszins duidelijk te maken wat er gebeurde toen ik Jan Hoet begon te tekenen.
Het werd namelijk een ontzettende worsteling.
Maar wonderlijk genoeg was dat niet omdat Jan Hoet zich innerlijk verzette.
Hij … verdween gewoon.
Hij gleed als het ware langzaam weg in een diepe put.
En ik moest me hevig verzetten om niet mee in die put te glijden.
Ik voelde hoe er in hem een zwart gat openging.
Gelukkig had ik mijn potlood en mijn geconcentreerde aandacht voor zijn uiterlijke, fysieke verschijning.
Daar klampte ik mij aan vast om niet mee in dat innerlijke zwarte gat gezogen te worden.

Als je een mens tekent, moet je voortdurend heen en weer bewegen tussen zijn fysieke uiterlijk en de geestelijke ‘binnenkant’ ervan.
Als ik met mijn ‘vingers’ een gezicht aftast, dan tast ik – uiteraard – niet het vlees af, ik tast de vormen af, en die vormen zijn in wezen geestelijk.
Ze drukken zich wel in de materie af, maar ze zijn geen materie.
In die geestelijke vormenwereld ben ik blind, want ieder helderziend vermogen ontbreekt mij.
Maar ik kan er wél tasten, en wat ik op die manier ‘voel’ kan ik in een beeld gieten, ik kan het (weer) in de materie afdrukken.

Wie zegt dat de klassieke, figuratieve kunst de zintuiglijke werkelijkheid nabootst, begrijpt er niks van.
Als je een mens portretteert, dan boots je hem niet na, je herschept hem.
Eerst herleid je hem tot geest, en vervolgens druk je die geest weer af in de materie, de materie van een tekening, een schilderij of een beeldhouwwerk.
Bij een karikatuur overdrijf je de tweede fase: je drukt de geest – het Ik van de geportretteerde – wat al te nadrukkelijk af in de uiterlijke vormen, die daardoor geweld worden aangedaan.

20140228-162640.jpg

Bij Jan Hoet bleek dat echter buitengewoon moeilijk omdat ik met mijn ‘innerlijke vingers’ helemaal niets voelde.
Ik tastte in het donker, ik voelde alleen maar leegte.
En nog eens, dat was niet omdat zijn Ik zich verborg of zich verzette – dat zou ik wel gevoeld hebben – het was omdat het er doodeenvoudigweg niet was.
Het was verdwenen, en het liet een duistere leegte achter die in toenemende mate ook op zijn gezicht te lezen stond.
Er zat een ‘lege’ mens voor mij, een mens die door zijn Ik verlaten was, en dat was een deerniswekkend, aangrijpend gezicht (sic).

Innerlijk voelde ik bij hem die grote leegte, dat peilloze zwarte gat.
Uiterlijk zag ik een man die ten prooi was aan een zo grote somberte en melancholie dat ik bijna niet kon geloven dat het dezelfde Jan Hoet was.
Het was alsof er iemand anders voor me zat.
Ik voelde me zelf verscheurd en moest al mijn wilskracht aanspreken om verder te kunnen tekenen.
Al een geluk dat de RVA met een stok achter de deur stond.

(Wordt vervolgd)