Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Scheldewindeke

De Laatste Oogst

  

65 (3)

  

Geloof kan bergen verzetten, zo heet het. Ik heb dat bergenverzettende geloof momenteel hard nodig, want ik sta voor een enorme berg: het vinden van een nieuw huis, een huis vergelijkbaar met het huidige, want ik wil en kan niet terug naar de stress, het lawaai en de lelijkheid van mijn oude leven. Na drie jaar Scheldewindeke – jaren van rust, stilte en schoonheid – zou ik dat innerlijk niet meer overleven. Ik heb een geloof nodig dat bergen kan verzetten omdat de kans dat we zo’n huis vinden langs de gebruikelijke weg zo goed als onbestaande is. Net als drie jaar geleden toen we Destelbergen moesten verlaten, is er opnieuw een mirakel nodig. Ons nieuwe huis zal met andere woorden uit de hemel moeten vallen, net als dat in Scheldewindeke. Sinds ik hier woon weet ik dat dergelijke mirakels gebeuren. En eigenlijk weet ik dat al langer, want er zijn wel meer onwaarschijnlijke dingen gebeurd in mijn leven. Maar de vraag is: kun je zo’n mirakel bewerkstelligen door erin te geloven?

We hebben jaren gezocht voor we het huis in Scheldewindeke vonden. Achteraf gezien had dat zoeken geen enkele zin, want hoe vaak we ons ook kandidaat stelden voor een huis, we werden telkens afgewezen wegens werkloos, wegens een te laag inkomen. Uiteraard werd die reden nooit vermeld, we kwamen er pas op het laatst achter. Dat vruchteloze zoeken had dus nog jaren kunnen doorgaan als we niet op het beslissende moment – toen de huisbaas met de rechtbank dreigde – een seintje van kennissen hadden gekregen dat er in Scheldewindeke een huis te huur stond. Er was geen immo-kantoor bij betrokken en de zaak was in een, twee, drie beklonken. We hadden ons die jarenlange vernederende zoektocht dus kunnen besparen. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Hoe meer huizen we gaan bekijken, hoe duidelijker het wordt dat het opnieuw geen zin heeft om te zoeken: een huis zoals het huidige zullen we niet vinden, tenzij er opnieuw een mirakel gebeurt.

We kunnen twee dingen doen. Ofwel wachten we vol vertrouwen op een nieuw mirakel, ofwel nemen we het eerste het beste huis dat we kunnen krijgen. Dat zal dan wel een huis zijn zoals in Destelbergen, een huis dat niemand anders wil. We zullen dan met andere woorden terugkeren naar ons oude leven, een leven temidden van lawaai en lelijkheid. Na drie jaar in het ‘beloofde land’ gewoond te hebben, omringd door rust, stilte en schoonheid, zou dat een enorme schok betekenen, niet alleen fysiek en mentaal, maar ook geestelijk. Het zou weinig heel laten van het geloof dat ik in de loop der jaren moeizaam heb opgebouwd, het karmische geloof dat de wereld – en dus ook mijn leven – een kunstwerk is. Het zou me met lege handen de woestijn weer in sturen, want dat geloof is het enige wat ik heb overgehouden aan een leven dat ik meer dan 30 jaar geleden aan de kunst heb gewijd, een leven dat me geen roem, geen eer, geen geld, en zeker geen huis heeft opgeleverd. 

Ik kan dat karmageloof niet zomaar opgeven in ruil voor een dak boven mijn hoofd. Als ik zou accepteren wat we normaal gezien kunnen krijgen, dan zou ik me neerleggen bij de nuchtere, concrete realiteit. Ik zou afstand doen van mijn dromen, mijn verlangens, mijn geloof. Ik zou denken: al die geestelijke aspiraties zijn mooi zolang je een huis hebt, maar als dat huis verdwijnt, kun je er niks mee aanvangen. Of nog: als puntje bij paaltje komt, dan speelt die zogenaamde geestelijke dimensie van het bestaan geen rol meer, dan gaat het enkel nog om de harde, materiële feiten. Die keuze voor de concrete, tastbare realiteit zou een salon-antroposoof van mij maken, iemand die de mond vol heeft van de geestelijke wereld zolang hij in een comfortabel huis woont, maar die op slag weer materialist wordt als hij dat huis kwijtraakt. Het zou van mijn leven een schijnvertoning maken en van de antroposofie wat mooi behang. Ik kan dus niet anders dan blijven geloven in een mirakel. 

Het doet me denken aan de begintijd van Vijgen na Pasen. We waren toen al op zoek naar een nieuw huis omdat het steeds duidelijker werd dat we niet in Destelbergen konden blijven wonen. Op een dag hadden we er eentje gevonden in Moortsele, niet ver van waar we nu wonen. Het was een buitenkans want was er geen immo-kantoor in het spel: als we ja zeiden, was het huis voor ons. De omgeving was precies wat we zochten: rust, stilte en groen alom. Het huis zelf was een ander verhaal: een badkamer kan ik me niet herinneren, de keuken was een ramp, de slaapkamer was alleen te bereiken via een steile ladder, en van de tuin zag je binnen helemaal niks. We moesten dus twee dingen tegen elkaar afwegen: de zeer aantrekkelijke omgeving en het zeer onaantrekkelijke interieur. Het was een dubbeltje op zijn kant, want we wisten dat we niet gauw meer zo’n kans zouden krijgen. Maar na lang nadenken kwamen we tot dezelfde conclusie: we nemen het niet. De reden: we vonden dat we meer verdienden dan dit. 

Het was dezelfde keuze waarvoor we ook vandaag weer staan. Financieel gezien kunnen we ons alleen dit soort huizen permitteren. Ofwel is de omgeving mooi maar ontbreekt de meest elementaire luxe, ofwel is het omgekeerd. Beide samen behoort niet tot onze mogelijkheden. Maar we weigerden ons neer te leggen bij de feiten en afstand te doen van ons geloof in de geest, ons geloof in de menselijke waardigheid. Wat we in feite weigerden te accepteren is dat materie en geest niet kunnen samengaan, dat je verplicht bent te kiezen tussen beide: ofwel wijd je je leven aan de geest en moet je afstand doen van rijkdom, luxe en zelfs elementair comfort, ofwel wijd je je leven aan de materie en blijven geest, kunst en antroposofie louter decoratie en versiering. Wij hadden allebei ons leven gewijd aan de ‘geest’ en dat had ons inderdaad veroordeeld tot materiële armoede. Door het huis in Moortsele af te wijzen, kwamen we in verzet tegen dat dualisme van geest en materie. 

Het bleek de juiste keuze te zijn, want uiteindelijk vonden we – als bij wonder – het huis in Scheldewindeke. Hier hadden we het allebei samen: een aantrekkelijke omgeving en een aantrekkelijk interieur. Deze overwinning op het dualisme kwam symbolisch tot uitdrukking in de drie schouwen op het huis: een schouw met één pijp, een schouw met twee pijpen en een schouw (de hoogste) met drie pijpen. Het was alsof er een derde element was verschenen dat beide andere verbond en oversteeg. In dit huis-met-de-drie-schouwen voerde ik ook drie karmaonderzoeken: het eerste naar het karma van de antroposofische beweging, het tweede naar mijn eigen karma, en het derde naar het karma van Adriaen Brouwer, wiens levenslot dat van de Lage Landen weerspiegelde en wiens werk als geen ander geest en materie verenigde. De eerste twee onderzoeken waren een herhaling van eerdere onderzoeken, maar Adriaen Brouwer was nieuw, hij kwam – net als het huis – uit de hemel vallen. 

Hoe nieuw en onverwacht ook, deze derde factor was eveneens een herhaling van het verleden. De drie karmaonderzoeken in Scheldewindeke weerspiegelden de drie karmaonderzoeken in Destelbergen. Het eerste begon toen ik nadacht over mijn mislukking in Brugge, over mijn eigen persoonlijke levenslot. Daarna dacht ik – ter voorbereiding van de zomeruniversiteit in Frandeux – een jaar lang na over oude en jonge zielen, over het bovenpersoonlijke karma van de antroposofische beweging. En ten slotte dacht ik – ter voorbereiding van de Lichtbakenconferentie in Antwerpen – ook na over de karikatuur, een thema dat persoonlijk en bovenpersoonlijk tegelijk was. Zowel de kunstzinnigheid van dit derde thema als het internationale karakter van de conferentie werden later weerspiegeld door de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde. Net zoals de karikatuur mij ‘van hogerhand’ als thema was aangewezen, zo was ook Adriaen Brouwer, wiens tentoonstelling een soort godsgeschenk was, een vingerwijzing ‘uit den hoge’. 

Ik kan het spoor van deze ‘hemelse’ derde factor nog verder terug volgen. Ik begon destijds met (persoonlijk) karmaonderzoek nog voor ik het woord kende. Later leerde ik ook het (bovenpersoonlijke) karmaonderzoek van Rudolf Steiner kennen, en ten slotte verscheen als een geschenk uit de hemel Basic Instinct, een kunstwerk dat het persoonlijke en het bovenpersoonlijke op weergaloze wijze verbond. In de loop van mijn leven duiken dus drie keer dezelfde drie vormen van karmaonderzoek op: het persoonlijke, het bovenpersoonlijke en het kunstzinnige dat beide omvat. Ze komen overeen met de drie plaatsen waar ik (samen met mijn vrouw) gewoond heb: Melle, Destelbergen en Scheldewindeke. Telkens was het derde kunstzinnige element het meest wonderlijke, het meest onverwachte, het meest michaëlische. Want wat ik in Brugge begon te vermoeden, werd in Antwerpen bevestigd: Michaël was de inspirerende kracht achter dit karmaonderzoek, en dan vooral achter de kunstzinnige verbinding van het persoonlijke met het bovenpersoonlijke. 

Ik ontdekte dat hij er altijd al geweest was en dat hij al heel vroeg een beslissende rol in mijn leven had gespeeld door mij een tekenleraar te geven die in alle opzichten michaëlisch te werk ging. Het eerste wat hij deed, toen ik als jongetje van 11 de (koninklijke) academie van Mechelen betrad, was … me de toegang tot de klas versperren en me terugsturen om materiaal te kopen. Daarna toonde hij me heel bondig hoe ik tewerk moest gaan en liet me verder met rust. Pas jaren later begon ik me bewust te worden van zijn aanwezigheid, want al die tijd had hij me volkomen vrij gelaten en was hij alleen verschenen op momenten dat ik helemaal in de knoei zat. Dan toonde hij mij opnieuw de weg, kordaat en zonder veel woorden. Pas lang nadat ik zijn klas had verlaten, begon ik te begrijpen wat een uitzonderlijk leraar hij was geweest. Zo is het me ook met Michaël vergaan. Hij toonde mij al heel vroeg welke weg ik moest gaan en verdween dan, om pas een halve eeuw later naar voor te treden en zich kenbaar te maken. 

Als ik terugdenk aan die allereerste ontmoeting met Michaël, in de persoon van mijn tekenleraar, dan zie ik een wachter op de drempel die mij terugstuurt. Ik was een kind en deed wat me gezegd werd, maar ik herinner mij de teleurstelling: ik had nog maar pas het heiligdom van de kunst betreden en ik werd al meteen teruggestuurd naar de wereld van de materie. Dit kleine voorval (dat ik me desondanks goed herinner) herhaalde zich 50 jaar later in Brugge waar ik op de markt ging staan in een laatste poging om de wereld van de schilderkunst te betreden. Op de drempel van die wereld ontmoette ik opnieuw een onverbiddelijke wachter. Net als toen gebeurde dat in het centrum van een historische stad op een plek met een geestelijk verleden. Net als toen stuurde Michaël me terug, dit keer niet om tekenmateriaal te kopen, maar om karmaonderzoek te doen. Ga ik te ver als ik ook daarin een herhaling zie en dat karmaonderzoek beschouw als het materiaal dat ik nodig heb om kunstzinnig aan de slag te gaan?

Ik kocht mijn tekenmateriaal destijds in een heel oud, middeleeuws aandoend winkeltje dat volgestouwd was met alles waar een kunstenaar maar van dromen kan. Het was mijn eerste kennismaking met een wereld die ik sindsdien altijd als een paradijs-op-aarde heb ervaren: de wereld van het teken- en schildermateriaal, de wereld van de onbeperkte mogelijkheden. Ik keek mijn ogen uit in dat winkeltje: wat een schatkamer! Toen ik in Brugge werd teruggestuurd, begon ik na te denken over mijn eigen leven en keek vol verbazing naar het ‘materiaal’ dat naar boven kwam. Die verbazing werd nog groter toen twee onverwachte vragen dat persoonlijke karmaonderzoek uitbreidden tot het bovenpersoonlijke en het kunstzinnig-verbindende karmaonderzoek. In Scheldewindeke herhaalde die drievoudige ontdekkingstocht zich en culmineerde ten slotte in de oude ridderzaal van het 16de eeuwse stadhuis van Oudenaarde waar ik het werk van Adriaen Brouwer zag (en waar bij de ingang een geopende schatkist stond).

Merkwaardig hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe het einde van een mensenleven het begin weerspiegelt. Toen Michaël me in Brugge de weg naar de kunst versperde, deed hij hetzelfde als toen ik 11 was en de tekenklas wilde binnenstappen: hij stuurde me terug om materiaal te kopen. In Mechelen was dat (drievoudig) tekenmateriaal: papier, houtskool en pluim. In Destelbergen en Scheldewindeke was het (drievoudig) karmamateriaal: persoonlijk, bovenpersoonlijk en kunstzinnig. Ik heb de afgelopen vijf jaar eigenlijk doorgebracht in een soort metamorfose van dat oude winkeltje op de hoek van het AB-straatje. Ik heb trouwens pas ontdekt dat het 16de eeuwse huis waar dat tekenwinkeltje gevestigd was In den Vijgenboom heet, en dat de letters AB – toevallig ook de initialen van Adriaen Brouwer – refereren naar een oude brouwerij die daar ooit gevestigd was. Of hoe de wonderen de wereld nog niet uit zijn, wonderen waarvan een mens zich in de verste verte niet bewust is. 

In de loop der jaren ben ik gaan inzien dat er in mijn leven verschillende wonderen zijn gebeurd, zaken die zo onwaarschijnlijk zijn dat ze niet aan het toeval toegeschreven kunnen worden. Op het moment zelf was ik me van die wonderen niet bewust, ik werd te veel in beslag genomen door de materiële werkelijkheid, met name dan door het mislukken van mijn plannen. Pas in Scheldewindeke begon ik het verband te zien tussen de wonderen en de mislukkingen, die in feite ontmoetingen met de wachter op de drempel waren. Ik werd me nu ook bewust van de rol die Michaël hierin speelde, de geest die me de weg naar het karmaonderzoek had gewezen. Deze bewustwording is op de een of andere manier een keerpunt, want voor het eerst kijk ik nu tegelijk achteruit en vooruit. Nadenken over de mislukkingen uit mijn verleden doet in mij het geloof en de hoop rijzen dat ook deze derde wegversperring in vijf jaar – na Brugge en Destelbergen moet ik nu ook Scheldewindeke verlaten – de voorwaarde is voor een nieuw wonder.    

65 (2)

  

Welke betekenis heeft kunst? Wat is haar waarde voor de samenleving? Welke plaats bekleedt zij daarin? Het zijn vragen die ik me al m’n hele leven stel, vragen die voor mij een existentiële lading hebben en vandaag bijzonder acuut zijn geworden. Op mijn 65ste moet ik nog op zoek naar een huis en dat is een rechtstreeks gevolg van de centrale plaats die de kunst in mijn leven heeft ingenomen. Ofschoon dat leven van me absoluut niet representatief is – wel integendeel – stel ik met verbazing vast dat de uiterst persoonlijke vragen die zich momenteel aan me opdringen, ook op het openbare toneel zijn verschenen. De besparingsmaatregelen van de regering hebben in Vlaanderen een ware brainstorm doen opsteken over de rol en de functie van kunst in de samenleving. Zowel in de reguliere als de sociale media wordt er heftig over gediscussieerd. Ik had nooit kunnen denken dat wat ik onlangs schreef over het oplaaien van emoties als kunst ter sprake komt, zo vlug geïllustreerd zou worden.

In wezen gaat het natuurlijk om de vraag: wat is kunst? Toen Peter De Roover onlangs op televisie verklaarde dat kunst ook met schoonheid te maken heeft en dat kunstenaars daar vroeger toch meer oog voor hadden, reageerde de linkse Katia Segers verontwaardigd: dit is oprecht akelig! Ze vertolkte daarmee de moderne mainstream-opvatting dat kunst niks met schoonheid te maken heeft en dat wie het tegendeel beweert sympathiseert met Hitler, want die vond eveneens dat kunst schoonheid moest brengen. Peter De Roover kreeg dan ook bakken kritiek over zich heen. Hij werd zowat aan de galg geschreeuwd, enkel en alleen omdat hij het gewaagd had kunst ook met schoonheid te associëren. De hele heisa ging dus niet over de vraag of kunst een belangrijke rol speelt in de samenleving – daarover is iedereen het wel eens, zonder kunst zou het leven ondraaglijk zijn – de echte vraag was: welk soort kunst achten we belangrijk (en willen we subsidiëren), de schone kunst of de lelijke?

Het antwoord van de culturele wereld was klaar en duidelijk: er werd unaniem gekozen voor de lelijke, hedendaagse kunst. Peter De Roover stond helemaal alleen met zijn mening. Niemand waagde het de schoonheid openlijk te steunen, zelfs zijn partijgenoten niet. Geen wonder, want sinds Hitler de term Entartete Kunst gebruikte, is iedere kritiek op de hedendaagse kunst taboe. Ook al spelen zich in die kunst taferelen af die niet anders dan ontaard genoemd kunnen worden, niemand durft er een opmerking over te maken uit schrik als neo-nazi bestempeld te worden. Zelf ga ik nog verder dan Peter De Roover: ik vind dat kunst enkel met schoonheid te maken heeft. De storm van verontwaardiging die hij deed losbreken en die hem tot het doelwit van de hele cultuursector maakte, riep een oude angst in me wakker: als de wereld wist wat ik denk, wat ik voel en wat ik wil – kortom wat ik ben – dan zou me hetzelfde lot beschoren zijn als Jozef K. in Het Proces van Kafka. 

Wie kunst associeert met lelijkheid, zoals dat in de hedendaagse kunst gebeurt, hoeft zich geen zorgen te maken: hij kan rekenen op subsidies, op lof en bewondering, op de steun van de powers to be. Een heel leger van intellectuelen, kunstenaars en kunstliefhebbers staat klaar om hem te verdedigen, we zien ze vandaag in actie. Wie kunst daarentegen met schoonheid associeert, staat moederziel alleen. Niemand durft het voor hem opnemen, want iedereen is bang om zoals Jozef K. in beschuldiging te worden gesteld en na een sluipend proces geruisloos geliquideerd te worden – in figuurlijke zin weliswaar maar daarom niet minder afschrikwekkend. Het is een vreemde gewaarwording om Kafka’s Proces te herlezen, want hij beschrijft in beelden precies wat er vandaag gaande is. Toen hij 100 jaar geleden zijn vrienden voorlas uit het manuscript rolden ze over de grond van het lachen. Wat een fantast was die Franz toch! Vandaag blijkt Franz een visionaire realist te zijn geweest wiens nachtmerrie werkelijkheid is geworden. 

Hoe wist Kafka wat er 100 jaar later zou gebeuren? Hoe kon hij in 1914 onze huidige tijd zo treffend beschrijven? Het antwoord vinden we bij Rudolf Steiner: volgens hem is alles wat op aarde gebeurt voordien reeds in de geestelijke wereld gebeurd. Daar, in de geest, wordt de werkelijkheid geschapen die pas lang daarna zichtbaar wordt op aarde. Wie, zoals Kafka, in staat is die geestelijke wereld op de een of andere manier waar te nemen, kan dus beschrijven of verbeelden wat pas veel later aardse realiteit zal worden. Dit vermogen maakt dat kunstenaars vaak hun tijd vooruit zijn en dat hun kunst een visionair karakter heeft. Dat is geen geruststellende gedachte, want hoe zal de wereld er over 100 jaar uitzien als het waar is dat kunstenaars vandaag reeds in de geest waarnemen wat pas dan zichtbare werkelijkheid zal geworden zijn? Zal de wereld er dan echt uitzien zoals in de hedendaagse kunst? Zal het weerzinwekkende overal bewonderd worden en zal de schoonheid vogelvrij zijn verklaard? 

Ik mag er niet aan denken. Ik heb er trouwens geen tijd voor, het hier en nu eisen mijn aandacht op. Mijn leven is een kunstwerk waarvan de schoonheid me momenteel ontgaat en dat er ‘hedendaagser’ uitziet dan me lief is. Volgens Rudolf Steiner is ieder mensenleven inderdaad een kunstwerk dat de mens vóór zijn geboorte in de geestelijke wereld schept en dat hij vervolgens vergeet als hij op aarde komt. Hij heeft dan geen idee meer hoe zijn leven zal zijn en de toekomst vervult hem bijwijlen met angst en beven, zoals dat nu bij mij het geval is. That’s life, zegt men dan, we weten niet wat morgen ons brengen zal! Maar wie gelooft in karma, kan zich daar niet zomaar bij neerleggen. Hij gaat ervan uit dat de toekomst reeds bestaat, ja dat hij ze zelf geschapen heeft vóór hij op aarde kwam. Hij weet ook dat het mogelijk is door te dringen tot de geestelijke dimensie van de werkelijkheid en de toekomst, die daar reeds bestaat, te leren kennen. Mensen als Rudolf Steiner en Franz Kafka bewijzen dat.

Maar waarom zouden we die toekomst willen kennen? Waarom zouden we willen doordringen tot de karmische dimensie van het bestaan? Wat voor zin heeft dat? Nu mijn eigen toekomst opeens zo onzeker en beangstigend is geworden, zijn dat heel reële vragen. Tegelijk sluiten ze nauw aan bij de discussie die momenteel aan de gang is over de rol van de kunst in de samenleving. De karmische dimensie van het bestaan is namelijk een kunstzinnige dimensie. Het is de dimensie waar de werkelijkheid wordt geschapen en die alleen op een kunstzinnige manier kan benaderd worden. Kunst is de kenwijze van de geestelijke wereld en wanneer we ons afvragen wat de zin van kunst is, vragen we ons ook af wat voor zin het heeft de wereld van de geest te leren kennen. Dat is in wezen de vraag die schuilgaat achter de hele commotie over de subsidiëring van de kunsten: welke waarde hechten wij aan geestelijke kennis? Anders gezegd: wat is de rol van de antroposofie in de moderne samenleving?

Hoe vreemd het ook moge klinken: in Vlaanderen komen vandaag duizenden mensen op straat voor … de antroposofie. Dat beseffen ze natuurlijk niet, want het materialisme belet hen door te dringen tot hun diepste drijfveren, het keert ze zelfs in hun tegendeel. Het heeft namelijk de schoonheid taboe verklaard en de kunst gereduceerd tot abstracte ideeën. Het tragische gevolg daarvan is dat men vandaag een kunst verdedigt die de mens niet langer in contact brengt met de geest maar hem er juist van afsluit. Alleen al daarom is het van het grootste belang dat we met ons bewustzijn doordringen in de geestelijk-karmische dimensie van het bestaan: om te voorkomen dat we ons – in naam van de kunst – tegen de kunst keren en daarmee ook tegen onze levensbron, de wereld van de geest. Wat zich vandaag in de kunst afspeelt, speelt zich overal af: de mens is zichzelf aan het vernietigen uit angst om … vernietigd te worden. Dat is wat het materialisme vandaag met de mens doet.

Ik ondervind dat momenteel aan den lijve. Doordat ik moet verhuizen, dreig ik afgesneden te worden van een wereld die voor mij iets hemels heeft: het Scheldewindeke waar ik nu al drie jaar woon. Ik voel me als iemand die een bijnadoodervaring heeft en niet meer terug wil naar zijn oude, aardse leven. De gedachte dat ik weer de struggle for life moet aangaan met andere mensen, dat ik me opnieuw moet blootstellen aan hebzucht van huiseigenaren en dat ik weer zal terechtkomen in een wereld vol lawaai, lelijkheid en stress is meer dan ik kan verdragen. Fysiek zal ik het wel overleven, maar ik ben bang dat het me innerlijk zal breken. De herinnering aan Scheldewindeke en alles waar het voor staat, zal zo pijnlijk voor me zijn dat ik, om te overleven, mijn eigen bewustzijn zal moeten uitschakelen. En is dat ook niet wat vandaag op grote schaal gebeurt? De herinnering aan de schoonheid van de oude wereld is zo pijnlijk dat we onszelf geestelijk beginnen te vernietigen. 

Het enige wat mij van die zelfvernietiging kan weerhouden, is mijn geloof in karma. Pas als ik kan geloven dat het sterven van mijn oude wereld – mijn zoveelste verdrijving uit het paradijs – zin heeft en deel uitmaakt van een groter kunstwerk, kan ik dit afscheid onder ogen zien zonder met mijn kop tegen de muur te slaan. Maar dan mag mijn geloof geen abstract geloof zijn, het mag zich niet enkel in mijn hoofd afspelen. Wat moet ik immers met de gedachte dat ik het verdiend heb om Scheldewindeke te moeten verlaten, ja dat ik dat zelf gewild heb? Dat maakt de pijn er niet minder op, integendeel, het verleidt me ertoe mijn karma-scheppende Ik te verwensen. Pas als ik weet waarom mijn Ik dit gewild heeft, kan ik de kracht opbrengen om ‘door het dal’ te gaan. En geldt dat niet voor iedereen? De wereld zoals we die tot nog toe gekend hebben, is voorbij. We moeten met z’n allen ‘verhuizen’ naar een andere wereld, of we dat nu willen of niet. Maar hoe kunnen we die overgang tot een goed einde brengen als we niet begrijpen wat er gebeurt?

In welke wereld zullen we terechtkomen? In welke wereld zal ik terechtkomen? Dat is de vraag. In beide gevallen is het heel, heel onwaarschijnlijk dat het een betere wereld zal zijn, of zelfs maar een wereld die even goed is. We staan machteloos tegenover de materialistische krachten die ons in hun greep hebben, meer zelfs: we werken met hen mee. Door ons eigen bewustzijn uit te schakelen, door niet meer te willen denken en de werkelijkheid niet meer te willen waarnemen, doen we precies wat deze krachten beogen: de mens ontmenselijken, hem geestelijk breken en vernietigen. Hoe kunnen we dat voorkomen? Hoe kunnen we beletten dat de pijn zo erg wordt dat we (geestelijk) zelfmoord plegen? Alleszins niet door een theoretisch geloof in karma dat zegt dat we het allemaal verdiend hebben, want dat maakt het nog erger. Geloof in karma werkt geestdodend als het abstract blijft, als het geen concreet, levend inzicht wordt in wat vandaag, hier en nu, gebeurt.

De grote vraag is dus: hoe brengen we dit geloof tot leven? Met die vraag word ik momenteel heel direct geconfronteerd. Ons grootste probleem is het vinden van een ander huis, en dan liefst een huis dat me niet voor de rest van mijn dagen zal doen treuren over mijn verloren gegane paradijs in Scheldewindeke. Dat zeer praktische probleem valt niet los te maken van de zeer theoretische vraag: hoe kan ik mijn huidige leven nog als een kunstwerk zien, hoe moet ik nog geloven in de karmische zin en betekenis van mijn verhuizing? Als ik daar niet in slaag, raak ik verlamd van angst, verdrink ik in een zee van emoties en zal ik nooit een ander huis vinden. Is dat trouwens niet wat er vandaag op grote schaal gebeurt? De moderne mens zwelgt zodanig in emoties van woede, verontwaardiging, ontzetting, wraakzucht enzovoort, dat hij niet helder meer kan denken en ook niet doet wat kan en moet gebeuren. Verre van het onheil af te wenden, roept hij het over zich af.

‘Wanneer de hele wereld uit haar voegen raakt, tracht ik alleen maar te begrijpen wat er gebeurt en waarom, en als ik dat gedaan heb, ben ik weer rustig en goed geluimd’, schreef Rosa Luxemburg ooit. Dat is ook wat ik probeer. Ik vul mijn dagen momenteel met nadenken over wat me overkomt en al levert dat geen nieuw huis op, het brengt mijn hart tot bedaren en belet me om gek te worden. Zonder karmisch denken zou ik trouwens al lang mijn verstand zijn verloren. Misschien zou ik dan wel een hedendaags kunstenaar zijn geworden, iemand die zijn dag vult met het vernietigen van de kunst, met het honen, bespotten en verminken van de schoonheid die hij niet meer kan bereiken. Dat ik dat niet gedaan heb, is omdat ik al vroeg met karmaonderzoek ben begonnen. Ik dacht al na over karma nog voor ik het begrip kende. Eigenlijk heb ik nooit iets anders gedaan, want ik zie mijn karmische denken als een metamorfose van mijn tekenen. Wanneer ik probeer mijn leven te begrijpen, doe ik dat op dezelfde manier als wanneer ik een portret maak. 

Mijn theoretische geloof in karma heb ik aan de antroposofie te danken. Door mijn omgang met kunst is het een hartsaangelegenheid geworden, een deel van mijn leven, een deel van wie ik ben. Het heeft mij gesteund, getroost en aangemoedigd om vol te houden. Maar dat volstaat nu niet meer: ik heb een huis nodig. Mijn karmische geloof moet nu ook doordringen tot in de wil, het moet armen en benen krijgen. Want wat betekent geloof in de geest als het geen bergen kan verzetten, als het niet scheppend werkzaam wordt in de materie, als het geen huis tevoorschijn kan toveren? Scheldewindeke leek zo’n getoverd huis te zijn en ik beschouwde het dan ook als een erkenning van mijn geloof in kunst en karma, een geloof dat mij in zekere zin dakloos had gemaakt. Maar nu wordt dat huis me weer afgenomen en rijst de vraag: wat heeft dit te betekenen? Het enige wat mij dat kan leren, is mijn karma zelf, het karma dat zich afspeelt op dit eigenste moment. Ik moet doordringen tot de geestelijke dimensie van het nu. 

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

De Tuin van Heden (2)

  

De tuin in Scheldewindeke is de derde in mijn (volwassen) leven, al zou je hem net zo goed de eerste kunnen noemen want de twee vorige waren de naam tuin niet waard. In Melle was het een smalle strook grond achter het huis waar alleen maar onkruid groeide. Toen ik besloot daar iets aan te doen, bleek het onkruid een laag assen te verbergen: iemand had er jarenlang de kolenkachel geleegd. Merkwaardig genoeg maakte mijn vader 25 jaar eerder precies hetzelfde mee toen we in de Mechelse Voetbalstraat gingen wonen. Het huis was gebouwd op het oude terrein van de Malinwa, het huidige KV Mechelen, en dat was er aan te zien: de rolluiken waren in de rood-gele kleuren van de club geschilderd. Het voetbalterrein zelf was al lang verdwenen, maar er had een assepiste bij gehoord en daar stootte mijn vader op toen hij zijn nieuwe tuin wilde omspitten. Ik hoor hem nu nog vloeken. Dat deed ik in Melle ook toen ik de assen ontdekte, maar ik realiseerde me (nog) niet dat de geschiedenis zich herhaalde.

Ook in Destelbergen hadden we een tuin waar niks mee aan te vangen was, zij het om een andere reden. Hij werd bijna helemaal ingenomen door een grote carport die een vrachtwagen onderdak had geboden. Het was een oerlelijk ding, maar de huisbaas wilde niet dat we het afbraken. Daardoor werd de tuin een soort Destelbergen-in-het-klein, want in het midden van deze groene gemeente is destijds een grote verkeerswisselaar neergepoot. Er was echter ook een link met mijn vorige tuin. Niet lang nadat we er kwamen wonen, begon vlak tegen de tuin van de buren, een kleine berk te groeien, precies zoals dat ook in Melle was gebeurd. Hij mocht daar eigenlijk niet staan, maar juist omdat hij me herinnerde aan mijn eerste berk, had ik het hart niet hem te kortwieken. Net als in Melle groeide hij in de loop der jaren uit tot een grote, majestueuze boom die in de herfst prachtig geel kleurde. En net als in Melle werd hij, onmiddellijk nadat we het huis verlaten hadden, omgezaagd. 

Ik merkte de berk in Melle pas op toen ik samen met mijn vader de tuin wat kindvriendelijker probeerde te maken. Mijn oudste dochter was net geboren. Het boompje was niet meer dan een grote twijg die van onder de muur van de buren kwam gekropen. Niet zonder moeite trok ik het los en keek meewarig naar wat er overbleef van de wortels. Gooi maar weg, zei mijn vader, dat is een verloren zaak! Louter om zijn ongelijk te bewijzen, besloot ik het berkje – het was nauwelijks een meter groot – in het midden van de tuin te planten. Ik droeg er goed zorg voor, praatte er zelfs tegen en moedigde het dagelijks aan. En zie, het wonder geschiedde: het kleine, kromme ding groeide uit tot een grote, rijzige berk met een loodrechte stam en een mooi gevormde kruin. Meer dan eens kwamen de buren ontzet aanbellen als onze oudste dochter weer eens tot helemaal in de top was geklommen. Maar ze viel er nooit uit. Het bleek een zeer kindvriendelijke boom te zijn en we beleefden er veel plezier aan.

Tot mijn verbazing herhaalde die geschiedenis zich in Destelbergen. Het leek wel of de ziel van de berk ons achterna was gekomen en zich opnieuw belichaamde in precies hetzelfde soort berk, die op precies dezelfde manier ter wereld kwam. Dit keer werd hij niet verplant, de carport maakte dat onmogelijk. Hij bleef gewoon staan, op de grens met de buren, en zorgde voor een verrassende continuïteit in een tuin die voor de rest niet leek op de oude. Net als in Melle was de boom een genot om te zien, frisgroen in de lente, een grote, gele toorts in de herfst. Maar net als in Melle was er ook reden tot bezorgdheid, dit keer niet omdat er kinderen konden uitvallen, maar omdat hij zo dicht bij het huis stond, zo dicht bij de tuin van de buren ook. Als hij was omgewaaid zou de schade niet te overzien zijn geweest. Maar hij waaide niet om en de buren maakten ook geen bezwaar. Hij bleef staan, trots en onwrikbaar, tot we verhuisden. Toen werd hij meteen omgezaagd, zoals dat ook met de berk in Melle was gebeurd.  

Stiekem hoop ik nog altijd dat hij ons opnieuw achterna zal komen en dat er ook in Scheldewindeke als bij wonder een jonge berk in de tuin zal verschijnen. Maar iets zegt me dat het niet zal gebeuren. In het midden van mijn nieuwe tuin – een echte tuin dit keer – prijkt nu een majestueuze notelaar met een kruinbreedte van veertien meter, en op de plek waar vroeger de berk groeide, staat nu een jonge eikeboom. Het is een heel andere tuin, niet te vergelijken met de twee vorige, maar toch staat hij er niet los van. Hij is ermee verbonden door kleine details en grote lijnen. Zo herinner ik me nog mijn blijdschap toen ik in Destelbergen uit het raam keek en grote bomen zag. Ze stonden wel niet in mijn tuin, maar dat maakte niet uit, ik kon ze zien. Dat was een enorme vooruitgang, want in Melle viel er vrijwel niets te zien. Het huis was als een gevangenis, met ramen en deuren van staal die traag opendraaiden en dreunend dichtsloegen. Geen straaltje zon kwam er binnen.

In Destelbergen was er weliswaar het onafgebroken lawaai van steenweg en autostrade, maar dat was een stuk draaglijker dan de apocalyptische geluiden die in Melle ’s nachts opstegen vanuit het nabijgelegen rangeerstation en de radio van de buurjongen die overdag door de ramen schalde. Vooral dat laatste was niet te harden. Protesteren hielp niet, ook niet bij de politie, en dus zat er niets anders op dan het huis zoveel mogelijk te ontvluchten, want een grotere kwelling dan electronisch lawaai ken ik niet. De duivel is een dj, daar twijfel ik niet aan, en in de hel klinkt onafgebroken keiharde ‘muziek’. Melle werd mijn persoonlijke hel, zeker nadat ik werkloos was geworden. Ik huiver nog als ik eraan terugdenk. Groot was de opluchting toen we eindelijk dat oord konden verlaten. Het nieuwe huis in Destelbergen was nog altijd donker en kil, de tuin nog altijd schraal en onaantrekkelijk, de omgeving nog altijd druk en lawaaierig. Maar desondanks was het een verbetering over de hele lijn. 

Was Melle mijn hel, dan was Destelbergen mijn vagevuur, en Scheldewindeke is mijn hemel. Beter kunnen deze drie perioden – en de overeenkomstige huizen – niet gekarakteriseerd worden. Wat zich begint af te tekenen, zijn de contouren van een metamorfose, van iets wat verandert en toch hetzelfde blijft. Het is niet gemakkelijk om die metamorfose in het vizier te krijgen, niet alleen omdat ze zo complex is, maar ook omdat je er als kijker deel van uitmaakt. Geen wonder dat ik er mij pas nu, op m’n 63ste, een beeld van begin te vormen. Pas nu kan ik de nodige afstand nemen en worden er verbanden zichtbaar waar ik me voordien niet bewust van was. Het is alsof het lichaam van mijn leven langzaam transparant wordt en ik het geraamte, de grote lijnen, het ontwerp zeg maar, begin te ontwaren. Eindelijk dring ik door tot de karmische dimensie van mijn leven, en daarmee ook tot de geestelijke dimensie van mezelf, tot het scheppende wezen dat dit leven ontworpen en gewild heeft. 

Eindelijk, zeg ik, omdat ik daar al lang naar op zoek ben. Al heel lang zoek ik een antwoord op de vraag waarom mijn leven is zoals het is, waarom ik ben zoals ik ben. Dat zijn vragen die een mens zich niet stelt als alles goed gaat. Ze drongen zich dan ook pas aan me op toen mijn leven een (innerlijke) hel werd. Die hel begon al vóór ik in Melle ging wonen, en er gingen ook een vagevuur en een hemel aan vooraf. Het beeld van de metamorfose breidt zich dus uit. Mijn leven begon met een hemel (de kindertijd), die langzaam veranderde in een vagevuur (de adolescentie) en ten slotte uitmondde in een hel (de volwassenheid). Daarna ging het weer bergop, naar het vagevuur van Destelbergen en de hemel van Scheldewindeke. Mijn leven kan dus samengevat worden als een stapsgewijze afdaling ter helle en een even stapsgewijze opstijging ter hemel. Dat is het globale beeld dat verschijnt wanneer ik mijn verleden bekijk vanuit het nieuwe perspectief, vanuit het nieuwe huis in Scheldewindeke. 

Het is een strikt persoonlijk beeld, maar tegelijk is het ook bovenpersoonlijk. Want kent niet ieder mensenleven deze op- en neergang, dit Stirb und Werde? Is deze metamorfose van hel, vagevuur en hemel geen oerbeeld dat het wezen van mens en menswording uitdrukt? De mens is een wezen dat het vermogen bezit om te sterven en te verrijzen, om af te dalen in de hel en daaruit weer op te stijgen naar de hemel. Hij kan de aarde in een fysiek lichaam bewonen en haar daarna als geest weer verlaten. Hij is met andere woorden een reïncarnerende geest. Karma en reïncarnatie maken deel uit van zijn wezen. Maar dat (geestelijke) wezen is ondergesneeuwd geraakt. Het is als het ware gestorven in het bewustzijn van de mens en moet daar nu weer uit verrijzen. Wellicht is dat de reden waarom ik mijn leven zo ontworpen heb dat het Stirb und Werde er duidelijk in tot uitdrukking komt. Wellicht heb ik er daarom een beetje een karikatuur van gemaakt: om mijn aandacht te vestigen op de Ik-kwaliteit ervan.

Ik ben mij in de loop der jaren inderdaad langzaam bewust geworden van de karmische Ik-dimensie van mijn leven. Nog vóór ik het begrip kende deed ik al aan karmaonderzoek. De hel waarin ik terecht was gekomen, deed in mijn ziel de vraag ontbranden: hoe is het zover kunnen komen, wat is er verkeerd gegaan? Ik leefde met een zondebesef dat niets met godsdienst te maken had, maar alles met de vrijheid en de mogelijkheid om fouten te maken. Keer op keer speelde ik de film van mijn leven af op zoek naar de fout die alles in het honderd had doen lopen. Maar ik vond ze niet. Ik kwam tot de onverwachte conclusie dat mijn leven – in de gegeven omstandigheden en met mijn karakter – niet anders had kunnen verlopen. Als ik het had kunnen herdoen, ik zou in dezelfde hel terecht zijn gekomen. Dat inzicht verloste me van een kwellend schuldgevoel, van de overtuiging dat die hel het gevolg was van verkeerde keuzes en dat ik hem dus enkel en alleen aan mezelf te wijten had.

Het besef dat ik geen keuze had gehad, kwam als een bevrijding. Want de vrijheid terroriseerde me. Ik was er diep van doordrongen dat iedere keuze die ik maakte, iedere beslissing die ik nam, gevolgen had die niet te voorzien – en vaak ook niet te overzien – waren. Waarop moest ik mij baseren om de juiste keuze maken? Hoe kon ik beletten dat de zaken uit de hand liepen? Het willekeurige karakter van de vrijheid moest vroeg of laat tot een hel leiden waar ik zelf verantwoordelijk voor was. Uit die hel bevrijdde ik mij door nuchter na te denken over mijn leven. Op die manier kwam ik tot de vaststelling dat ik helemaal niet vrij was geweest. De mogelijkheid was er wel, maar ik was (nog) niet sterk genoeg om ze in werkelijkheid om te zetten. Ik was in de hel terechtgekomen omdat het voorbestemd was. En zo begon mijn zoektocht naar wat vrijheid en voorbestemming met elkaar zou kunnen verzoenen, want die twee uitersten kwelden mij allebei even erg.  

Ik vond de verzoening in de leer van karma en reïncarnatie, of beter gezegd in de realiteit ervan, een realiteit waarvan ik me stap voor stap bewust werd. Een mijlpaal in die bewustwording is de verhuizing naar Scheldewindeke, want ze is het resultaat van zowel vrijheid als voorbestemming. Ik herinner me nog de eerste keer dat het nieuwe huis ter sprake kwam. Ik sprong meteen op mijn fiets om eens te gaan kijken. Het was alsof ik voelde dat het dit keer de goede keer zou zijn, want je fietst niet zomaar dat hele eind van Destelbergen naar Scheldewindeke. Toen ik de Morestraat in reed, dacht ik de toegang tot het paradijs gevonden te hebben. Alle geluid viel weg en ik hoorde alleen nog vogeltjes fluiten. Groter kon het verschil met Destelbergen niet zijn. Toch wezen we het huis af, met pijn in het hart. We waren bang de huurprijs niet te kunnen (blijven) betalen. Ook konden we niet geloven dat dit paradijs voor ons was weggelegd. We hadden al te lang in de hel en het vagevuur gezeten. 

Het bleek een fatale beslissing te zijn. Kort daarna kregen we bericht dat we het huis in Destelbergen moesten verlaten en een half jaar later deelde de huisbaas ons mee dat hij desnoods naar het gerecht zou stappen. We waren ten einde raad. Hoe zou ons in die korte tijd lukken wat ons de afgelopen drie jaar niet was gelukt? Intussen hadden we begrepen dat onze kandidatuur telkens afgewezen werd omdat ik werkloos was. We waren dus overgeleverd aan ons lot, en dat was een bangelijke ervaring. Maar zie, het wonder geschiedde: het huis in Scheldewindeke kwam opnieuw vrij. Alsof het voor ons bestemd was en onze afwijzing daar niets had kunnen aan veranderen. Het is vooral de combinatie van deze twee – vrijheid en voorbeschikking – die mij het gevoel geeft dat dit huis, ook al zijn we er niet de eigenaar van, het onze is. Scheldewindeke maakt deel uit van ons karma, daar kan geen twijfel over bestaan. En wat is er meer van een mens dan juist zijn karma, dat hij zelf geschapen heeft?

Dat zelfgeschapene komt op een bijzondere manier tot uitdrukking in ons nieuwe huis. De vader van onze huisbazin heeft het namelijk met zijn eigen handen gebouwd, met bakstenen die hij zelf gebakken heeft, uit klei die hij zelf uit de grond heeft gehaald waar nu de kelder is. Het maakt van dit huis een metafoor, een beeld van de scheppende kracht waarmee een mens zijn eigen leven schept, maar (in mijn geval) ook van de oordelende kracht waarmee hij zich daarvan bewust wordt. Die twee – scheppen en oordelen – waren van elkaar gescheiden en dat was de hel, maar nu beginnen ze langzaam weer naar elkaar toe te groeien. Door mijn leven uit te spitten, leer ik mezelf kennen als scheppend wezen en verenig ik me stap voor stap weer met mezelf. Steen voor steen bouw ik aan een geestelijk huis en dat wordt weerspiegeld in mijn materiële huizen. Het huis in Scheldewindeke is het werk van een amateur en dat is eraan te zien. Maar het is al een stuk beter dan beide vorige, en vooral: het is eigen werk. 

De Tuin van Heden (1)

  

Zelfs de niet zo aandachtige lezer zal het gemerkt hebben: er gebeurt niet zoveel meer op Vijgen na Pasen. De verklaring is eenvoudig: ik heb nu een tuin. Een vrij grote tuin zelfs, die ik niet zomaar zijn gang kan laten gaan, want dan krijg ik last met de buren. Dus breng ik de lente al spittend, rakelend, snoeiend, zaaiend, plantend, gietend en wiedend door. Als de zon haar hoogste punt bereikt, komt daar nog eens het plukken bij, een niet te onderschatten bezigheid, want mijn tuin produceert aanzienlijke hoeveelheden rode bessen, witte bessen, zwarte bessen, aardbeien, frambozen, kersen, pruimen, appelen, peren en noten. En dan zwijg ik nog over het gras, het gras dat maar blijft groeien en voortdurend gemaaid moet worden. Het houdt gewoon niet op. Voor het eerst in mijn leven ben ik blij als de winter aanbreekt. Dan kan ik me weer wijden aan zaken die ik vroeger het hele jaar door deed: lezen, schrijven, tekenen, schilderen, wandelen en fietsen. Ja, die tuin heeft mijn leven veranderd.

Voor die verandering heb ik niet gekozen. Had ik gekund, ik zou waarschijnlijk nee hebben gezegd tegen mijn nieuwe huis. Het onderhouden van die grote tuin zou ik niet hebben zien zitten. Maar ik had geen keuze. Het was dit of het was niets. Er is dus geen twijfel aan, hier was karma in het spel, en dat doet de vraag rijzen waarom ik op mijn oude dag, nu mijn botten kraken en mijn gewrichten pijn doen, opgezadeld word met zo’n tuin. Nooit eerder heb ik een tuin gehad die naam waardig, en afgezien van wat gras maaien, de haag scheren en een occasioneel radijsje zaaien, heb ik nooit getuinierd. Pas nu, in de herfst van mijn leven, ben ik daar – noodgedwongen – aan begonnen. Hoewel ik me soms afvraag of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft, ben ik er toch heel blij mee. Je zou voor minder. Na 21 jaar autodrukte en -lawaai is de groene rust van mijn tuin een enorme verademing. Het verschil is zelfs zo groot dat het van mijn tuin één grote vraag maakt, een karmische vraag. 

Het begint allemaal met de verplichting die tuin te onderhouden. Ik kan hem niet aan zijn lot overlaten, want het gras moet gemaaid, de brandnetels gekortwiekt, het onkruid binnen de perken gehouden. Daar kom ik niet onderuit. De volgende stap is dat ik de tuin verder fatsoeneer, dat ik bomen en struiken snoei, kale plekken opvul en andere cosmetische ingrepen uitvoer. Het oog wil namelijk ook wat. Een tuin is niet alleen een wild beest dat getemd moet worden, het is ook iets om naar te kijken. Als het uitzicht een beetje acceptabel is gemaakt, rijst de vraag wat ik ga doen met al die appels die op de grond liggen, al die bessen die aan de struiken hangen, al die aardbeien die tussen de bladeren verborgen zitten. Zonde om dat allemaal te laten wegrotten! En ten slotte komt de vraag of ik niet ook wat groenten kan kweken in mijn tuin, want een mens leeft niet van fruit alleen. Een tomaatje, een aardappeltje, een kropje sla van eigen grond, wie kan daaraan weerstaan!

Het is bijna een morele plicht om groenten te kweken in mijn tuin. Bijna. Want godzijdank moet ik niet leven van die tuin. Vreten de slakken mijn sla op, komen mijn worteltjes niet op, verpieteren mijn kolen, dan ga ik gewoon naar de winkel. Zelf je groenten kweken, is pure luxe. Het kost ook veel meer dan je groenten kopen. Ik heb al een fortuin besteed aan werktuigen, compost, potgrond, grondverbeteraar, zeewierkalk, mestkorrels, zaai- en plantgoed, stokken, netten, ladders, gaas en wat er allemaal nog meer komt kijken bij tuinieren. Nee, je bespaart echt niet door zelf je groenten te kweken, wel integendeel. En dan spreek ik nog niet over het werk en de tijd die je erin steekt, om maar te zwijgen van de rugpijn en de knarsende gewrichten. Ik kweek geen groenten omdat het moet, ik kweek groenten omdat ik het wil. Het is geen plicht, zelfs geen morele, want in feite onthoud je de boer – die wél van zijn tuin moet leven – zijn geld en draag je op die manier bij tot de verarming van de aarde. 

Als ik groenten kweek, is dat niet uit noodzaak maar uit vrije wil. Alhoewel. Zoals ik al zei, het is me niet duidelijk of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft. Het is een twijfelgeval. In de lente voel ik mij de koning te rijk. Ik hoef mijn erf niet te verlaten om tussen het groen te zijn en ik geniet van het wroeten in de grond. Maar als de winter aanbreekt ben opgelucht dat ik die hele tuin kan vergeten. Ik hou er immers ook van naar binnen te keren en een heel andere, geestelijker wereld op te zoeken. Die ommekeer begint trouwens al in de zomer, als de zon over haar hoogtepunt is. Dan begint de tuin te verdorren, de chaos slaat toe, het onkruid neemt de overhand. Er is nog van alles te doen, maar de drive van de lente is weg. Er groeit in mij dan een onmiskenbare antipathie voor al dat groen dat zijn gang gaat zonder mij iets te vragen. Voelde ik mij in de lente één met de natuur, dan ontstaat er nu afstand, wrevel, onverschilligheid. Een beetje zoals in een huwelijk, zeg maar. 

Sinds ik een tuin heb, beleef ik de gang der seizoenen een stuk intenser. Die jaarlijks terugkerende metamorfose van de natuur fascineerde me vroeger al. Maar nu ben ik niet enkel toeschouwer, ik ben ook deelnemer geworden. Mijn leven wordt nu veel sterker bepaald door de natuur en haar vier gezichten. Enerzijds is dat best aangenaam, geruststellend ook. Ik hoef me nu nooit meer af te vragen: wat zal ik vandaag eens gaan doen? Mijn tuin vertelt me iedere dag wat er gedaan moet worden. Maar dat is tegelijk ook het onaangename: ik ben niet vrij meer, ik ben aan handen en voeten gebonden. Sinds ik een tuin heb, kan ik me veel beter voorstellen hoe het leven vroeger geweest moet zijn, toen het nagenoeg helemaal gedicteerd werd door de natuur. Haar autoritaire stem gaf vorm en regelmaat aan het leven, ze liet geen ruimte voor twijfel, verveling of gepieker. Maar er was ook geen ruimte voor geestelijke ontwikkeling. Het werk veranderde nooit, het was een eeuwige herhaling van steeds hetzelfde. 

Het is dus heel dubbel, dat leven-met-de-natuur. Enerzijds geeft het rust, zekerheid en voldoening. Anderzijds is het een geestdodende sleur. Ik ben oprecht blij met mijn tuin, laat daar geen twijfel over bestaan, maar net zo goed voel ik er mij slaaf van. Nu eens weegt het ene door, dan weer het andere. De kunst bestaat erin die weegschaal onder controle te krijgen en zelf te bepalen of je deelneemt aan de natuur dan wel er afstand van neemt. Maar die kunst beheers ik nog lang niet. Zo stelde ik onlangs verbaasd vast dat ik, sinds ik die tuin heb, nog geen enkele keer ben gaan fietsen in de lente. Wel in de zomer en de herfst, maar niet in het seizoen wanneer de natuur op haar mooist is. Want dan eist mijn tuin mij op, dan heb ik geen tijd om wat anders te doen. Helemaal waar is dat natuurlijk niet. Niets belet mij om één namiddag per week vrijaf te nemen van mijn tuin. Maar dat doe ik dus niet, want het is zo’n genot om je leven niet langer zelf te regelen, om dat over te laten aan de natuur. 

Daardoor derf ik echter wel een ander genot: dat van het toeschouwer zijn. Ik ga echt niet fietsen om kilometers af te malen en spieren te kweken. Ik fiets om te kijken. Ik geniet ervan om de streek hier te verkennen en thuis te raken in mijn nieuwe omgeving. Maar ik geniet er ook van om die wereld te laten voor wat hij is en cultiver mon jardin. Ik heb het nog lang niet zover gebracht dat ik die twee in evenwicht kan brengen en daardoor dubbel genieten. Daarvoor mis ik de kunde en het inzicht: de kunde om efficiënter te tuinieren en het inzicht hoe ik dat moet doen. Onlangs zag ik een youtube-filmpje van The Barefoot Farmer, een Amerikaanse boer op blote voeten die uitlegde dat we vaak te veel doen in onze tuin. Hij zag eruit als een overjaarse hippie en ik was skeptisch, maar toen bleek dat hij bio-dynamisch tuinierde was mijn aandacht gewekt. Om daarna weer te verslappen. Want godlievehemel, wat een mens allemaal niet moet weten om efficiënter te kunnen tuinieren! Het is een wetenschap op zich.

Ik verspil heel veel tijd en energie in mijn tuin – en word er daardoor slaaf van – omdat het mij in hoge mate ontbreekt aan inzicht. Toen ik hier twee jaar geleden kwam wonen, wist ik helemaal niks van tuinieren. Mijn kennis heb ik bijeengesprokkeld uit boeken, websites en youtubefilmpjes. Maar het is allesbehalve levende kennis, want je kunt die mensen geen vragen stellen. En zelfs als dat wel kon, zouden ze waarschijnlijk geen antwoord kunnen geven. Juist omdat tuinieren zo nieuw voor me is, stel ik vragen waar ervaren tuiniers niet eens aan denken. Zoals: waarom moet je een zaadje in de grond steken? Dat klinkt als een domme vraag, maar als ik een zaadje op een schoteltje leg en het vochtig houdt, groeit het ook. En er bestaan fabrieken waar groenten worden gekweekt zonder dat er grond aan te pas komt. Dus waarom zou er gezaaid moeten worden? Welk verschil maakt het of een zaadje in de grond zit of niet? Wat is de betekenis van het zaaien? Dat soort dingen wil ik weten.

Ik heb intussen al met wisselend succes tomaten gekweekt, en sla, en aardappelen, en boontjes. Ik weet dus hoe het moet, maar toch heb ik het gevoel dat ik helemaal niks weet, dat ik maar doe alsof, dat ik voor tuinier speel. Ik heb eigenlijk geen idee wat ik doe, ik heb ook geen idee wat er gebeurt wanneer een zaadje ontkiemt, groeit en vrucht draagt. Ik doe gewoon wat me verteld wordt, ik kijk hoe alles groeit en daarna eet ik het op. Maar begrijpen doe ik er niks van. Mijn tuin confronteert mij op overweldigende wijze met mijn onwetendheid. En ook met die van andere tuiniers. Want ze kennen heel veel praktische weetjes, maar van echt inzicht is ook bij hen geen sprake. Ik verdenk ze ervan, net als ik, te doen alsof ze tuinieren. Dat geldt ook voor de boeren die ik hier aan het werk zie. Ze rijden met grote machines over hun land, zaaien genetisch gemanipuleerd zaad en spuiten stinkende chemische stoffen. Weten zij wat ze doen? Zelfs hun koeien weten niet meer dat ze gras moeten eten.

Door mijn tuin besef ik pas goed welke enorme afstand er is ontstaan tussen mens en natuur. Dankzij de wetenschap weten we vandaag heel veel over de natuur. Maar eigenlijk begrijpen we er niks meer van. Onze kennis is die van het gemiddelde tuinhandboek: doe dit, dan gebeurt er dat. Maar wat er precies gebeurt en waarom het gebeurt, dat vragen we ons niet af. Als we het maar kunnen gebruiken. Nu, als ik van mijn tuin moest leven, zou ik me die vragen ook niet stellen, ik zou al blij zijn dat ik te eten had. Maar dat betekent dat de moderne, wetenschappelijk onderlegde mens nog altijd redeneert zoals de boer waar hij zich zover verheven boven voelt: het kan hem niet schelen wat hij doet, als ’t maar opbrengt. Hoewel steeds meer mensen gaan tuinieren, en het allemaal luxe-tuiniers zijn die niet van hun tuin moeten leven, vragen ze zich niet af wat ze doen. Ze vragen zich wel af wat de chemo-boeren doen, en dat is een begin, maar de wil om echt te begrijpen wat ze doen, leeft ook bij hen niet.

Wat ik eigenlijk ‘aan den lijve’ ondervind sinds ik een tuin heb, is de nood aan antroposofie. Want alleen de antroposofie kan antwoord geven op de vragen die ik mij stel. Zonder antroposofie heeft het zelfs geen zin om die vragen te stellen. Maar de boeken die ik lees en de voordrachten die ik hoor, dalen als het ware uit de hemel neer. De grond waar ik op mijn knieën zit in te wroeten, bereiken ze niet. Antroposofische inzichten hebben iets overweldigends, iets verlammends, iets dat een mens zich klein en ontoereikend doet voelen. Ze zijn eigenlijk even overweldigend en verlammend als de onwetendheid waarmee mijn tuin mij confronteert. Als geweldige antwoorden dalen ze uit de geestelijke wereld neer, terwijl vanuit de aardse wereld ontelbare vragen opstijgen. Maar ze ontmoeten elkaar nauwelijks, er blijft een diepe kloof bestaan tussen hemel en aarde. En in die kloof bevind ik mij. Dat is waar mijn tuin mij plaatst: midden in dat spanningsveld tussen twee enorme uitersten die met elkaar verbonden willen worden. 

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, hebben de slakken vrijwel al mijn sla opgegeten, de vogels hebben mijn boontjes uit de grond gehaald en mijn aardappelplanten zitten vol coloradokevers. De aarde is kurkdroog, het gras is roest en alles verdort, behalve het onkruid. Ik kan het bijna niet meer aanzien en heb veel zin om er het bijltje bij neer te gooien en heel die verwilderende tuin aan zijn lot over te laten. Wat mij daar echter van weerhoudt, is zijn karmische dimensie. Ik heb die tuin niet gekozen, hij heeft mij gekozen. Op het moment dat wij uiterst dringend een huis nodig hadden, is hij samen met dat huis uit de hemel komen vallen. Met dat huis alleen zouden we al meer dan gelukkig zijn geweest, maar die grote tuin hoorde erbij. Hij is dus tegelijk een hemels geschenk en een aardse opgave, die twee kan ik niet meer van elkaar losmaken. En dat betekent dat die aardse opgave er niet alleen in bestaat om die tuin te bewerken, maar ook om hem te begrijpen, om de vragen te beantwoorden die hij in mij wekt.

Daarmee heb ik al een antwoord gevonden op de vraag waarom ik die tuin pas nu gekregen heb, op mijn oude dag, en niet vroeger, toen ik nog fitter was. Pas nu beschik ik over voldoende ervaring en inzicht om mijn tuin karmisch te benaderen, dat wil zeggen, niet enkel als een stuk natuur dat toevallig bij mijn huis hoort, maar als een onderdeel van mijn karma. En wat ik over dat karma geleerd heb, is dat het een kunstwerk is waarvan ieder onderdeel het geheel weerspiegelt. De tuin, die nu zo’n prominente rol speelt in mijn leven, zou dus een spiegel zijn van mijn leven, en daardoor ook van mezelf, want de theorie van het karma zegt dat ieder mens de schepper is van zijn leven. Dat is nogal wat: mijn tuin als spiegel van mezelf. En wat die spiegel me vertelt, is dat ik mezelf niet ken. Ik begrijp helemaal niks van de scheppende geest die ik in wezen ben. Ik ben één grote open vraag voor mezelf. Maar ik bezit wel de middelen om die vraag te beantwoorden en dat antwoord valt samen met het bewerken van mijn tuin.   

Hemelvaart (3)

  

Hemelvaart volgt 40 dagen na Pasen. Die tijdspanne is enerzijds een concrete tijdsaanduiding van wat zich 2000 jaar geleden (op fysiek vlak) in Palestina heeft afgespeeld. Anderzijds heeft ze ook een oerbeeldkarakter: ze verwijst naar een geestelijke kwaliteit die zich uitdrukt in een bepaald ritme. Zo staat het getal 40 voor een cyclus die afgelopen is, een ontwikkeling die doorgemaakt is, een cirkel die rond is. Tenminste, dat las ik ergens toen ik aan het 40ste nummer van Het Vijgeblad was toegekomen. Dat was meer dan een abstract gegeven, het was ook – en vooral – iets wat ik ‘aan den lijve’ ondervond. Na 4 jaar had ik het gevoel dat ik mezelf begon te herhalen. Bovendien maakte mijn rug me pijnlijk duidelijk dat het geen goed idee was om voort te doen. Het was genoeg geweest. En dus zette ik er een punt achter.

Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Het is precies 4 jaar geleden dat ik begon met Vijgen na Pasen en opnieuw speelt mijn rug me hevig parten. Het gevoel mezelf te herhalen is er dit keer niet, wel het inzicht dat ik in de grond altijd over hetzelfde schrijf en dat het ook niet anders kan. Ieder mens heeft zijn specifieke taak in het leven en de mijne lijkt te zijn erachter te komen wat ik wil. Volgens Rudolf Steiner heeft een mens alles wat hem overkomt, zelf gewild. Je karma bestuderen, is dus proberen je eigen wil te doorgronden. Het is zoeken naar je eigen Ik, en daarmee ook naar Christus, het grote mensheids-Ik en tevens ‘heer van het karma’. Dat kan wel kloppen met het feit dat ik als oude ziel een ‘Christuszoeker’ ben. Mijn zoektocht is nog lang niet ten einde, maar er is wel opnieuw een cyclus afgelopen. 

Ook de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen was het eind van een cyclus: ze voerde me terug naar mijn jeugd, toen ik karikaturen begon te tekenen. Ook dat was een zoektocht naar het Ik: het Ik van andere mensen (dat ik in m’n tekeningen zichtbaar wilde maken), het eigen Ik (dat ik in het tekenen – en eigenlijk alleen daar – beleefde), en ten slotte het mensheids-Ik Christus (wiens aangezicht de grootste gemene deler was van al individuele gezichten). Daar was ik me nooit bewust van geweest, maar nu begon die driegeleding me opeens te dagen. Aan het eind van mijn leven zag ik onverwachts het begin weer opduiken. Het was wel nog niet helemaal het eind en ook niet helemaal het begin, maar er was toch onmiskenbaar een cirkel rond. De conferentie sloot een cyclus af met de bewustwording ervan. 

Er werden nog meer cyclussen afgesloten. Zoals een 7-jaarscyclus. Ik word dit jaar 63 en begin dus aan mijn 10de zevenjaarsperiode. Die leeftijd is, naar verluidt, het begin van de voorbereiding op de dood. Ik begrijp dat als een terugblikken op het leven, want dat is toch waar een mens na de dood mee bezig is: het herbeleven en doorgronden van zijn voorbije leven? Zelf ben ik daar al veel vroeger mee begonnen – een autist leeft sowieso een beetje als een dode – dus zoveel verschil zal het niet maken. Maar toch is er iets veranderd. Brugge was een laatste poging om iets nieuws te beginnen in mijn leven. Dat zit er nu niet meer in, dat voel ik duidelijk. De mislukking van mijn marktloopbaan was een eindpunt, het afsluiten van een levenscyclus. Het ‘scheppende’ deel van mijn leven is voorbij, nu begint het (terug)kijken en oordelen.

Uiteraard was dat kijken en oordelen er voordien al. Een kunstenaar neemt tijdens het scheppen regelmatig afstand van zijn werk, maar nooit zoveel dat hij er los van komt. Dat laatste gebeurt pas wanneer het klaar is: dan wordt de navelstreng doorgeknipt. Uiterlijk is dat een kleine stap, maar innerlijk verandert er heel veel. De kunstenaar wordt nu toeschouwer en begint fouten en gebreken te zien die hij voordien niet zag. Hij ontwaakt uit de droom en dat komt soms hard aan. Ieder mens is de schepper van zijn eigen leven en als hij aan zijn 10de zevenjaarsperiode begint, moet hij de omslag naar het toeschouwerschap maken. In mijn geval werd dat nog eens extra beklemtoond doordat ik met pensioen ging. Uiterlijk veranderde er niets – ik was al lang ‘gepensioneerd’ – maar innerlijk was het toch duidelijk voelbaar.

Voor de meeste mensen is met pensioen gaan wél een grote verandering. Dat was het voor mij ook toen ik 30 jaar geleden besloot mijn leven ‘aan de kunst te wijden’. Ik kwam in een parallel universum terecht: ik hoorde er niet meer bij. De volgende vijf jaar vulde ik – zoals zoveel gepensioneerden – met een frenetieke activiteit die op hard werken leek maar in werkelijkheid ‘compenserend gedrag’ was. Pas toen ik begon te schrijven, kwam ik een beetje tot rust, want ik deed wat een gepensioneerde hoort te doen: reflecteren, beginnen met het ‘herkauwen’ van mijn leven. Daar was ik nog veel te jong voor en ik bleef dan ook pendelen tussen scheppen en oordelen. Maar nu ik 63 word en officieel met pensioen ben, heb ik het gevoel dat er genoeg afstand is ontstaan om werkelijk reflecteren mogelijk te maken.

Tegelijk begint het mij ook te dagen dat de moderne mensheid als geheel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een scheppende cyclus is afgelopen en de tijd is gekomen om te reflecteren. Maar dat keerpunt wordt genegeerd. Men doet alsof er niks aan de hand is en het leven gewoon doorgaat. Het gevolg is dat scheppen verandert in vernietigen. Wat in de geest moet gebeuren – reflecteren is een vorm van vernietigen (van levenskrachten) – gebeurt in de materie. Dat zien we zowel in de kunst als in de werkelijkheid: er vindt een explosie van geweld plaats, geweld dat wordt toegejuicht als was het het ontstaan van een nieuwe wereld. Maar die nieuwe wereld kan er nooit komen als de mens niet tot bezinning komt over de voorbije 2000 jaar, als hij daarover niet gaat reflecteren en zich een beeld vormt van wat er in dat ‘voorbije leven’ is gebeurd. 

Wat ik vandaag (en eigenlijk al m’n hele leven) in het klein meemaak, maakt de mensheid ook in het groot mee: de omslag van scheppen naar reflecteren. Daarom spreekt Rudolf Steiner ook over het Keerpunt der Tijden, een uitdrukking die hij zowel gebruikt voor de gebeurtenissen in Palestina 2000 jaar geleden, als voor onze tijd. Wat destijds op fysiek gebied gebeurde, moet nu op etherisch gebied gebeuren: het sterven van de levenskrachten en het verrijzen van het inzicht. Het eerste keerpunt vond in de materie plaats, het tweede dient in de geest plaats te vinden, in het bewustzijn van de mens. Daar is het dat we Christus moeten navolgen en ‘sterven’: we moeten erkennen dat er na die 2000 jaar scheppend werk voorlopig niks nieuws meer zal komen. Een werk (of cyclus) is af en moet nu beoordeeld worden. 

Pas als we ontwaken uit onze scheppingsroes (die meer en meer een vernietigingsroes wordt), zal de nodige afstand ontstaan om te reflecteren over die voorbije beschavingscyclus, om er de essentie uit te puren en mee te nemen naar een volgende cyclus. We moeten leren ‘met pensioen’ te gaan in plaats van onszelf blindelings in een frenetieke activiteit te storten. Hoe beschamend is het niet dat we in een wereld die volgestouwd is met machines die het werk van de mens overnemen, alsmaar harder en langer moeten werken! We raken op ons 30ste al ‘opgebrand’ maar de pensioengerechtigde leeftijd blijft opschuiven. Die vorm van krankzinnigheid is het gevolg van het onvermogen om ‘het keerpunt’ onder ogen te zien, om te erkennen dat er een tijdperk voorbij is, een cyclus afgelopen.  

Het grote weerspiegelt het kleine, het algemene het persoonlijke. Dat maakt het des te boeiender om aandachtig te kijken naar wat ik momenteel meemaak bij deze ommekeer in mijn leven. De opvallendste omslag was de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke. Na 21 jaar autolawaai woon ik nu in de stilte van het platteland. Zowel die stilte als dat platteland zijn zeer relatief, maar het verschil met vroeger is toch groot. Het is hetzelfde verschil als tussen het scheppen (op aarde) en het reflecteren (na de dood). Is het moderne leven niet één lange autorit: druk, snel, stresserend en lawaaierig? En heerst na de dood niet de rust en de stilte van ‘de buiten’? Hier in Scheldewindeke heb ik mezelf ‘begraven’. Ik kom mijn huis niet meer uit en onderhoud alleen nog via deze blog contact met de wereld.  

Ik ben als het ware van de aardbodem verdwenen, maar tegelijk ben ik er meer mee verbonden dan ooit. Want ik ben nu tuinier. Mijn hele leven heb ik me beziggehouden met ‘geestelijke’ zaken, maar nu wroet ik in de grond, plant sla en aardappelen, prei en selder, tomaten en aardbeien. Zowat iedere dag van de afgelopen lente heb ik buiten in de zon doorgebracht. Mijn rug en knieën protesteren daar hevig tegen, maar mijn ziel ziet een langgekoesterde wens in vervulling gaan. Ofschoon ik met volle overtuiging voor de kunst heb gekozen en daar nooit één moment spijt van heb gehad, heb ik het werken in een tuin altijd als een gemis ervaren. Ik had me dan ook al voorgenomen om in een volgend leven tuinier te worden. En zie, ik krijg daar al een voorproefje van!

Eindelijk ben ik verlost van het autolawaai dat me 21 jaar gekweld heeft. Ik voel me bevrijd uit een onderwereld vol razende demonen. Dat is natuurlijk een dichterlijke overdrijving, maar Scheldewindeke is in menig opzicht toch een hemel vergeleken bij Destelbergen: de rust, de stilte, het groen, de zuivere lucht, het degelijke huis, de grote tuin, en last but not least: de zon. De afgelopen jaren zat ik rond deze tijd van het jaar te kleumen naast de brandende kachel terwijl buiten de auto’s voorbijraasden. Nu leef ik al maanden in het licht van de zon en de stilte van de natuur. Ik heb een figuurlijke Hemelvaart beleefd: ik ben teruggekeerd naar de Vader, naar de wereld van de eeuwige zomer, maar tegelijk heb ik me verbonden met de aarde, met haar leven, haar ritmen en seizoenen. 

Aanvankelijk verzuchtte ik: waren we hier maar vroeger komen wonen, alles zou dan heel anders zijn geweest! Dat laatste is zeker waar, maar zou ik het ook werkelijk gewild hebben? Als autist heb ik het leven op aarde altijd ervaren als een verblijf in de onderwereld (met gelukkig af en toe een paar vrije dagen). Maar in die ‘onderwereld’ heb ik wel veel geleerd: ik heb er leren tekenen en schrijven, en ik heb er de antroposofie leren kennen. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als ik van jongs af in Scheldewindeke had gewoond en in de tuin had kunnen werken. De natuur zou me dan (zoals ik dat nu ondervind) volledig in beslag hebben genomen. Ze laat weinig ruimte voor ‘geestelijke’ dingen. De geest moet veroverd worden op de natuur en dat houdt een doodsproces in, een doodsproces dat ik heb gewild, dat lijdt geen twijfel. 

Mijn bestaan op aarde was één lange leerschool, want werken heb ik nauwelijks gedaan. Leven ook niet. Ik heb (of ben) hoofdzakelijk ‘gestorven’. Dat geldt overigens niet alleen voor mij. Vroeger leefde de mens veel dichter bij de natuur en haar eeuwig terugkerende ritmen en seizoenen. Hij werd er nagenoeg volledig door in beslag genomen en tijd voor bewustwording was er nauwelijks. Dat is vandaag heel anders: de mens is vervreemd van de natuur, hij is veel bewuster maar ook veel ‘doder’ geworden. Een uitzondering ben ik dus niet, hoogstens een karikatuur. We zijn vandaag allemaal meer dood dan levend, en in die zin lijken we op de leerlingen 2000 jaar geleden. Ze hadden het sterven van Christus zo intens meebeleefd dat ze zelf nauwelijks nog leefden. Hun ziel was helemaal omgeploegd en daar zaaide de Verrezene zijn woorden in. 

Dat doet hij ook vandaag weer. Aan het eind van de 19de eeuw werd Christus opnieuw gekruisigd, dit keer door het materialisme. Daarna verrees hij weer en kwam terug om de mensheid te onderrichten. Rudolf Steiner was de eerste om zijn ‘woorden’ te horen en te vertalen in moderne begrippen. Sindsdien is het onze opgave om Steiners voorbeeld te volgen en te ‘luisteren’ naar de wedergekomen Christus. Alleen dan kan er een Pinksteren komen en kan de Heilige Geest ons bewustzijn verlichten zodat we zien wat we willen en begrijpen waarvoor we op aarde zijn gekomen. Dit weten-wat-we-willen zal ons vrij maken, want vrijheid betekent niet dat we doen wat we willen maar dat we weten wat we doen. Om dat weten te verwerven, moeten we ons inspannen. We moeten zelf Pinksteren tot stand brengen.

We moeten leren luisteren naar de woorden van de wedergekomen Christus, dat wil zeggen naar zijn Heilige Geest. Maar eerst moeten we zijn beelden leren zien: de eeuwige beelden die hij ons in de natuur voorhoudt en de tijdelijke beelden die hij ons in de menselijke wereld toont. Imaginatie komt voor inspiratie. Die volgorde is belangrijk, want we zien vandaag wat er gebeurt wanneer de eerste stap wordt overgeslagen. De politiek-correcte mens meent de stem van Christus te horen, maar is blind voor zijn beelden. Dat maakt hem tot een (geestelijke) terrorist die denkt dat hij een heilige is. Ahriman doet hem een essentiële stap overslaan en dat leidt tot een omgekeerd Pinksteren: in plaats dat het bewustzijn van de mens verlicht wordt door de Geest, wordt het verduisterd door het Beest. 

Lichtbaken (5)

  

Eerst kwam er nog een andere verrassing. Toen me gevraagd werd om op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep te leiden, stond het al een tijdje vast dat we moesten verhuizen. De huisbaas wilde renoveren. Dat was dringend nodig en het was ook de reden waarom we al jaren op zoek waren naar een ander huis. Zonder resultaat evenwel. Het was al niet gemakkelijk om iets acceptabels te vinden binnen ons budget, maar als we dat dan vonden, vingen we telkens bot. Hoe vaak hadden we in de loop der jaren niet dat ritueel doorlopen van zoeken, bezichtigen, formulieren invullen en wachten! Soms kregen we bericht dat het huis naar een andere kandidaat was gegaan, meestal niet. Ten slotte begon het me te dagen dat de immo-kantoren ons automatisch van de lijst schrapten omdat we te weinig verdienden, omdat ik werkloos was, omdat we te oud waren. Eén vroeg het ons zelfs op de man af: hoe komt het dat jullie (zo oud zijn en) nog geen huis hebben? We maakten met andere woorden geen kans, en toen de huisbaas ermee dreigde naar de rechter te stappen, waren we de wanhoop nabij. We stonden machteloos, we hadden ons lot niet langer in eigen hand. Eén ding was zeker: als ze ons ‘hierboven’ niet hielpen, zou er van de conferentie niks in huis (sic) komen.   

Blijkbaar beseften ze dat hierboven want opeens viel er een huis uit de hemel. Ga zitten, zei mijn vrouw op een dag, ik moet je iets vertellen! Ze had een huis gevonden. Zomaar. Of toch niet eigenlijk. Er was een heel verhaal mee verbonden. We hádden dat huis namelijk al eens gevonden, en we zagen het allebei zitten. Bovendien was er geen immo-kantoor in het spel, dus de keuze was aan ons. Maar op het laatste moment kreeg mijn vrouw cold feet. Ze was bang dat we de huurprijs (die bijna de helft hoger lag dan in Destelbergen) niet zouden kunnen betalen. Aangezien zij de kost verdiende en over de financiën ging, kon ik daar niets tegen in brengen, maar het verwonderde me dat ze opeens terugkrabbelde. Dat lag niet in haar aard. Toen we alweer een paar afwijzingen verder waren, zei ik voorzichtig: ik vrees dat het een vergissing was dat huis in Scheldewindeke niet te nemen. Maar, voegde ik eraan toe om haar (en mezelf) te troosten, als we het genomen hadden, zou de zomeruniversiteit in het water zijn gevallen. Het was een een schrale troost, maar een andere vond ik niet. 

En zie: kort na mijn toezegging voor de conferentie in Antwerpen kwam datzelfde huis opnieuw op onze weg. Ik kon het nauwelijks geloven. We waren gered! We zouden dan toch niet op straat belanden. De verhuis viel precies in het midden van mijn voorbereiding – en in volle Sinterklaastijd – dus dat kwam goed uit. Bovendien verliep alles verrassend vlot. De kinderen en hun vrijers – twee ‘zwarte pieten’, ik verzin het niet – hielpen ons twee dagen lang met vereende krachten en op de avond van de 11de december reden we, met de ondergaande zon recht in ons gezicht, voorgoed naar Scheldewindeke. Het hoofdstuk Destelbergen was afgesloten. Precies 21 jaar hadden we er gewoond. Nog geen week later waren de verbouwingen al aan de gang. Ons oude huis zag eruit als een doodshoofd met grote zwarte gaten waar eens de vensters hadden gezeten. De mond (de voordeur) was dichtgespijkerd met planken. Van het lichaam bleef nauwelijks iets over: keuken en badkamer waren afgebroken, de loods in de tuin verdwenen, bomen omgehakt, struiken uitgetrokken, de grond omgewoeld. Alsof een of ander beest zich meteen na ons vertrek op het stoffelijk overschot had geworpen en het afgekloven had tot op het bot.

Dat beest lag trouwens al een hele tijd op de loer. Niet alleen had men ook het huis naast het onze reeds ontmanteld tot alleen de kale muren nog overeind stonden, maar aan de overkant van de steenweg was men begonnen met dichtbouwen van de open ruimte. Daar was al sprake van toen we er kwamen wonen, en we hadden in voortdurende vrees geleefd dat ons uitzicht op de ondergaande zon – één van de weinige aantrekkelijkheden van het huis – zou verdwijnen. Maar dat gebeurde niet – tot ik begon met de voorbereidingen op de conferentie. Op nagenoeg hetzelfde moment arriveerden de graafmachines, bulldozers, kranen, pompen, betonmolens, slijpschijven, radio’s en wat er niet nog allemaal lawaai maakt wanneer er vandaag gebouwd wordt. Het werk ging ’s nachts soms gewoon door (alsof ze lang genoeg hadden moeten wachten) en dan schenen er felle lampen in de duisternis. Het had bij momenten iets hallucinants. De ondergaande zon was verdreven door demonen uit de onderwereld. Maar hun danse macabre kon me niet meer deren. We hadden een nieuw huis gevonden, een zware last was van mijn schouders gevallen. 

Het begon vroeg te vriezen en het werk viel regelmatig stil. Ideaal weer om te gaan wandelen en luidop mijn betoog te oefenen. Ik voelde me zowaar een beetje als Demosthenes, met dat verschil dat ik niet probeerde het gebulder van de zee, maar dat van de autostrade te overstemmen. Af en toe keek ik over mijn schouder om te zien of niemand me hoorde. Op die manier – wandelend en sprekend – nam ik drie maanden lang afscheid van de streek waar ik zolang had gewoond en waarvan ik iedere uithoek kende. Op dezelfde manier maakte ik ook kennis met de nieuwe streek die het lot me had toegewezen. Drie maanden lang stond ik ’s ochtends op, zette me aan het schrijven om ‘de oogst van de nacht binnen te halen’ en trok er dan na de middag op uit om lange wandelingen te maken. Hier hoefde ik niet beducht te zijn voor stiekeme toehoorders want die waren er niet. Ik kwam vrijwel nooit een levende ziel tegen op mijn tochten. Alleen de paarden, ezels, geiten en schapen keken verbaasd op als ze me zagen passeren. Betere omstandigheden om de conferentie voor te bereiden had ik me niet kunnen dromen. 

De polariteit tussen beide omgevingen was opvallend. Destelbergen en Scheldewindeke hebben beide vier e’s in hun naam, maar ze klinken heel anders: moeizaam stappen tegenover speels waaien. Paradoxaal genoeg is de streek van de Destelse bergen (of waar die naam ook vandaan komt) helemaal plat en wordt ze beheerst door de Schelde die er doorheen stroomt. In Scheldewindeke is dan weer geen Schelde te bekennen, maar het landschap is er wel glooiend en heuvelachtig. Passeerden er in Destelbergen dagelijks tienduizenden auto’s onze voor- en achterdeur, dan zijn dat er in Scheldewindeke nog slechts enkele tientallen. Het huis in Destelbergen was kil, vochtig en donker. Alleen ’s avonds vielen de stralen van de ondergaande zon door het raam aan de voorkant. Het huis in Scheldewindeke is droog, goed geïsoleerd en het zit vol ramen. ’s Ochtends werpt de opkomende zon haar stralen door de ramen aan de achterkant. In Destelbergen werd ik ’s morgens begroet door het gebrul van de autostrade, in Scheldewindeke zijn het de vogels (en de hanen) die me wakker maken. En zo kan ik nog een tijdje doorgaan, het lijstje van polariteiten is lang. Maar één ding is duidelijk: dit kan geen mens bedenken, laat staan uitvoeren.  

De verhuis viel ook nog samen met een andere grote verandering in mijn leven: ik ging met pensioen. Uiterlijk veranderde er natuurlijk niks, want ik leefde al meer dan 30 jaar als een soort gepensioneerde. Maar nu hoefde ik het niet meer undercover te doen. Gedaan met het zoeken naar woorden als mensen me vroegen wat ik zoal deed. Gedaan met de schaamte en de verontschuldigingen voor het feit dat ik al zowat m’n hele leven ‘niks’ deed. Eindelijk had ik de officiële toestemming om langs de wegen te dwalen, te zitten schilderen of andere onnutte dingen te doen. Ik was niet langer vluchteling in eigen land. En dat voelde geweldig. Het was alsof er een nieuw leven begon en ik genoot van ieder moment. Paradoxaal genoeg werkte ik nu harder dan ooit. Bovendien was het winter. Ik hoefde niet in de tuin te werken (die ik nu eindelijk had) en ook de kartonnen dozen konden nog wel even in de garage blijven staan. De ‘geest van de conferentie’ had alles tot in de puntjes geregeld. Ik kon het nauwelijks geloven, maar ik moest wel, want ik had er zelf geen enkele verdienste aan.

Omhoog, omlaag

  
Na drie dagen in huis te hebben rondgelummeld, ben ik donderdag voor het eerst op de fiets gekropen om de omgeving te verkennen. Er valt hier veel te verkennen en daar verheug ik me op. Vroeger, in Mechelen, was er binnen een straal van 10 kilometer rond de Sint-Romboutstoren geen straat of zandweg die ik niet kende. Ook in Destelbergen kende ik alle paden, vooral die waar je zelden een mens tegenkomt. Ik hoop dat het hier in Scheldewindeke niet anders zal zijn en dat ze me hierboven de tijd en de gezondheid gunnen om de streek grondig te leren kennen. Ik ben alvast begonnen door de Hundelgemsesteenweg, de steenweg die naar de Vlaamse Ardennen leidt, helemaal af te fietsen tot in … jawel, Hundelgem. Al een geluk dat ik een nieuwe fiets heb, want heuvels, dat is nieuw voor me. Gelukkig ben ik oud en wijs genoeg geworden om gewoon af te stappen als het me te steil wordt en te voet verder te gaan. Iedereen denkt dan wel dat ik een platte band heb, maar er zijn erger dingen in het leven. 

Dat heuvellandschap is toch wel bijzonder. Ik ben een West-Vlaming die geboren en getogen is in de provincie Antwerpen: allemaal vlak land dus, ik kan me geen heuvel herinneren. En nu, op mijn oude dag, gaat het omhoog en omlaag. Wat zou dát te betekenen hebben? Alvast dat ik harder moet duwen. ’s Avonds lag ik om halftien al in m’n bed. Bobijntje helemaal af. Wellicht ook een overdosis frisse lucht. Toen ik verleden week in Destelbergen de ‘hangar’ opruimde, trof ik daar een tafeltje aan dat ik vlug even schoonmaakte met een papieren zakdoekje. Na afloop bleek het helemaal zwart te zijn, echt zwart, niet zomaar vuil. Dat gaf me toch een kleine schok. Wat doet het met een mens zijn longen als hij 21 jaar naast zo’n roetspuwende steenweg woont? En dan zwijg ik nog van de autostrade. Ik denk dus niet dat het inbeelding is als ik de lucht hier in Scheldewindeke een stuk frisser en properder vind. En ’s avonds geurt ze heerlijk naar het hout dat hier alom verstookt wordt.

Fietsend langs de vreselijk lawaaierige (want betonnen) Hundelgemsesteenweg, zag ik tussen de huizen door af en toe verlokkelijke vergezichten. Ik durfde de steenweg echter niet te verlaten uit vrees verloren te rijden – als ik eenmaal begin te verkennen is er geen houden meer aan. Wat me trof was het dubbele karakter van die huizen. Aan de voorkant bevonden ze zich in de drukte, het lawaai en de lelijkheid van de moderne wereld, aan de achterkant heerste de vrede van een landschap dat waarschijnlijk al in eeuwen niet meer veranderd is. Ik voelde die tegenstelling ook in mijn ziel. Hoe heerlijk moet het niet zijn om diep in de Vlaamse Ardennen, alleen en van geen mens gestoord, op zo’n heuveltop te wonen en uit te kijken over de weidse verten! Helaas ben je dan ook afgesneden van alles wat het leven in de stad opwindend maakt: de winkels, de drukte, de scholen, de gebouwen, de tentoonstellingen, de concerten, de evenementen, enzovoort. Geen eenvoudige keuze, dat is zeker. 

Die keuze wordt in onze tijd verdoezeld door het feit dat iedereen een auto heeft en dat er overal gebetonneerde en geasfalteerde wegen liggen. Maar tijdens het fietsen waren er momenten dat ik nog een vaag aanvoelen had van hoe het leven hier 100 jaar geleden was. Dat moet geen onverdeeld plezier zijn geweest. Ik kan het (een beetje) weten want ik heb de afgelopen tien jaar gestookt met kolen, zoals dat toendertijd gebruikelijk was. Kolen zijn goedkoper dan stookolie (en ze stinken ook niet zo), maar op de duur gaat het toch wegen, dat dagelijks sleuren met kolen, dat wegkieperen van de assen, die voortdurende zorg om de kachel brandend te houden, al dat stof en gruis. Hier in ons nieuwe huis staan twee gaskachels: ’s morgens hoef ik maar aan een knopje te draaien en tien minuten later is het warm. Wat een luxe! En er komt zelfs warm water uit de kraan, stel je voor! Dat bestond honderd jaar geleden allemaal niet, zeker niet in de dorpen die ik donderdag gepasseerd ben.

Daar staat dan weer tegenover dat de warmte van kolen veel aangenamer is dan die van mazout of gas. En dat kan als een metafoor gelden. Ik was gisteren nog geen kwartier onderweg of er stopte een camionette naast me. Een oudere man – hij had nog drie tanden in zijn mond – vroeg me waar een bepaalde straat was. Ik vertelde hem dat ik hier pas was komen wonen en dat de Hundelgemsesteenweg de enige straat was die ik kende. Tedju, tedju, antwoordde hij. Ook hij belichaamde een tegenstelling: aan de buitenkant zag hij er niet erg presentabel uit, maar aan de binnenkant, dat voelde je, was hij als een kolenkachel: zacht, aangenaam en niet opdringerig. Wat een verschil met de keurig verzorgde kerel (ongetwijfeld met een stralend wit gebit) die me even later bijna van de weg reed met zijn Mercedes! Het leven was vroeger harder, maar de mensen waren zachter. Vandaag is het omgekeerd: het leven is zacht en comfortabel, maar de mensen zijn hard geworden. 

Merkwaardig toch dat ik op mijn allereerste fietstocht al meteen iemand ontmoet die als het ware belichaamt wat deze streek vroeger moet geweest zijn! Waarschijnlijk is ze dat nog – een genius loci verandert zomaar niet, lijkt me – maar die geest wordt vandaag aan de waarneming onttrokken door de talloze huizen die hier na de oorlog gebouwd zijn. Hier en daar zie je nog een oud huis dat het karakter van de streek uitdrukt, en dat nog gebouwd is door mensen die (zonder dat zelf te beseffen) verbonden waren met de geest van de streek. Die geest is het die ik wil leren kennen. Het feit dat hij me begroet heeft in de persoon van de man-met-de-drie-tanden geeft me een gevoel van welkom. Door me de weg te vragen liet de geest blijken door mij gekend te willen worden. Het is tenslotte altijd door een buitenstaander dat je het best gekend wordt. Ik kijk alvast uit naar de kennismaking. Het is voor mij immers nog altijd een open vraag waarom ik uitgerekend in deze heuvelachtige streek, in dit Scheldewindeke-zonder-Schelde terecht moest komen. 

Alle goede dingen bestaan in drie