Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Schelling

Steiner over kunst (2)

Onze moderne cultuur moet uitgaan van Goethe. Doet ze dat niet, dan raakt ze op een dwaalspoor. Aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica (zie mijn blogbericht van 29 mei).
Alle denkers over kunst hebben Goethe links laten liggen omdat ze hem wetenschappelijk niet voor vol aanzagen.
Slechts één uitzondering: Friedrich Schiller.
Hij baseerde zijn ‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’ op het genie van Goethe en Steiner rekent ze dan ook tot het belangrijkste wat de esthetica ooit heeft voortgebracht.

20140612-130032.jpg

Schiller vertrekt in zijn brieven van Kant, die in zijn Kritik der Urteilskraft alle belangrijke vraagstukken van de esthetica op de agenda heeft geplaatst.
Kant vraagt zich af waarom we genot beleven aan kunst.
Kunstgenot, zegt hij, is verschillend van ieder ander genot omdat het belangeloos is.
Als we kijken naar iets uit de natuur of iets dat door de mens is gemaakt, dan vraagt ons verstand altijd naar het nut ervan.
Het is niet tevreden vóór het weet waartoe iets dient.
Als we echter naar kunst kijken, dan vragen we niet naar het waartoe, want dat ligt in de kunstwerken zelf.
Het verstand hoeft daar niet aan te pas te komen.

In deze Kantiaanse redenering introduceert Schiller nu de idee van de vrijheid.
Eerst onderscheidt hij twee driften die in de mens voortdurend tegenover elkaar staan: de zintuiglijke waarnemingsdrift (de zogenaamde Stofftrieb) en de verstandelijke ordeningsdrift (de zogenaamde Formtrieb).
Deze Trieben worden vaak vertaald als ‘drijfveren’, maar Schiller koos bewust voor het woordje ‘drift’ omdat hij duidelijk wilde maken dat er noch in de waarneming noch in het verstand vrijheid heerst.
We moeten waarnemen en we moeten die waarnemingen ordenen.
Het zijn allebei driften die ons kluisteren.
Alleen in de kunst kunnen we er ons van bevrijden.
Alleen in de kunst heerst vrijheid.

Schiller vergelijkt de kunst met het spel van een kind.
Het spelende kind laat zich niets gelegen aan de wetten van de natuur noch aan die van het verstand.
Het drukt, in de woorden van Steiner, ‘het stempel van zijn subjectiviteit op de werkelijkheid, en aan die subjectiviteit geeft het dan weer objectieve waarde’.
In het spel vloeien beide driften – de Stofftrieb en de Formtrieb – in elkaar over en worden daardoor vrij: het natuurlijke wordt geestelijk en het geestelijke wordt natuurlijk.
Schiller ziet in de kunst dan ook een hogere vorm van spelen, en dat brengt hem tot zijn beroemde uitspraak: ‘De mens is pas helemaal mens wanneer hij speelt, en hij speelt pas wanneer hij helemaal mens is.’

20140612-130138.jpg

Tussen de Stofftrieb en de Formtrieb plaatst hij dan ook de Spieltrieb, de speldrift.
Deze doet in de kunstenaar werken ontstaan wier zintuiglijkheid ons verstand bevredigt en waarvan de verstandelijke inhoud direct in de zintuiglijkheid aanwezig is.
In kunstwerken wordt de natuur dus verheven tot de geest en de geest daalt af in de natuur.
De natuur wordt daardoor veredeld en de geest wordt zichtbaar.
Aangezien natuur en geest elkaar in de werkelijkheid nergens dekken, is kunst geen werkelijkheid maar schijn.
Ze moét dat echter zijn, anders kan ze geen waarachtige kunst zijn.
Met dit begrip ‘schijn’ staat Friedrich Schiller volgens Steiner helemaal alleen als estheticus, onovertroffen en ongeëvenaard.
En daarop, voegt hij eraan toe, had men moeten voortbouwen.
In plaats daarvan heeft men voortgebouwd op Friedrich Schelling die ‘een dwaling introduceert die de Duitse esthetica nooit meer te boven is gekomen.’

20140612-130232.jpg
(Schelling)

Waaruit bestaat nu deze dwaling, deze ‘fundamentele mening die volkomen fout is’ en die het denken over kunst de verkeerde richting heeft uitgestuurd?

Net als de hele moderne filosofie, aldus Steiner, beschouwt Schelling het vatten van de eeuwige oerbeelden der dingen als het hoogste streven van de mens.
Alles wat waarheid en schoonheid is, bevindt zich in hogere sferen waar het goddelijke troont.
Echte schoonheid kan volgens Schelling alleen worden waargenomen door degene die zich verheft tot de hoogste waarheid, want die twee zijn één en hetzelfde.
Zintuiglijke schoonheid is slechts een zwakke weerschijn van de oneindige schoonheid die we niet met de zintuigen kunnen waarnemen.
We zien, zegt Steiner, waar dat op neerkomt: het kunstwerk is niet schoon omwille van zichzelf, maar omwille van de idee van de schoonheid die het afbeeldt.
De consequentie van deze opvatting kan alleen maar zijn dat kunst dezelfde inhoud heeft als de wetenschap, te weten de eeuwige waarheid van de ideeën.
Voor Schelling is kunst slechts geobjectiveerde wetenschap.

Waar het nu op aankomt, vervolgt Steiner, is de vraag: wat verschaft ons genot in de kunst?
Volgens Schelling is dat niets anders dan de idee.
Het zintuiglijke beeld is slechts een uitdrukkingsmiddel, een vorm waarin zich een bovenzinnelijke inhoud uitdrukt.
Hierin volgen alle esthetici Schelling.
Ook Hegel.
Voor hem is het schone ‘het zintuiglijke schijnen van de idee’.
‘De harde schors van de natuur en van de gewone wereld maken het voor de geest moeilijker om door te dringen tot de idee dan de werken van de kunst.’
Het doel van de kunst is voor Hegel dus hetzelfde als dat van de wetenschap, namelijk: doordringen tot de idee.
Ook Friedrich Theodor Vischer noemt de schoonheid ‘de verschijning van de idee’ en maakt de inhoud van de kunst identiek aan de waarheid.
Welke zelfstandige taak de kunst dan nog zou hebben, is niet duidelijk.
Wat zij ons biedt, vinden we in de wetenschap immers in een zuiverder, helderder vorm.
Uitgaande van het standpunt van deze esthetica kan men alleen nog maar door middel van drogredeneringen uitkomen onder de in feite compromitterende gevolgtrekking dat de hoogste vorm van beeldende kunst de allegorie zou zijn, en de hoogste vorm van dichtkunst de didactische poëzie.
Deze esthetica kan het zelfstandige belang van de kunst niet begrijpen.
Zij is dan ook onvruchtbaar gebleken.

20140612-130329.jpg
(Hegel)

20140612-130358.jpg

Steiner maakt hier brandhout van de hele kunstwetenschap.
Alleen Friedrich Schiller vindt genade in zijn ogen.
Steiner hield zijn voordracht echter in 1888, dat wil zeggen meer dan 125 jaar geleden.
De vraag rijst dus of zijn woorden nog altijd geldig zijn.
Op het eerste gezicht lijkt dat weinig waarschijnlijk, want welke filosoof spreekt vandaag nog over de ideeënwereld als ‘een bovenzinnelijke werkelijkheid waar de goddelijke waarheid troont’?
In het postmoderne denken bestaat de waarheid eenvoudig niet meer.
Al het bovenzinnelijke is afgeschaft, alleen het zintuiglijke is overgebleven.
Men zou dus verwachten dat niemand nog de idealistische opvattingen van Schelling over kunst deelt.

Maar niets is minder waar.

Iederéén deelt vandaag de opvattingen van Schelling.
Meer dan ooit wordt kunst beschouwd als ‘de zintuiglijke verschijning van de idee’.
Het verschil is alleen dat de ideeën niet langer gesitueerd worden in bovenzinnelijke en zelfs goddelijke hoogten, maar gewoon in de hersenen van de mens.
Werden ze vroeger een geestelijke aard toegedicht, dan worden ze nu beschouwd als producten van de materie, de grijze materie in ons hoofd.
De ideeën zijn dus als het ware uit de hemel neergedaald en op aarde gekomen.
Ze zijn bij wijze van spreken ‘geïncarneerd’.
Wie vandaag naar kunst kijkt, dient zich dan ook niet langer te verheffen tot de geest.
Het volstaat dat hij kijkt in het hoofd van de kunstenaar en zoekt naar de gedachten die hij heeft willen uitdrukken in zijn kunst.

20140612-130517.jpg

De Hedendaagse Kunst is dan ook één grote toepassing van de (verkeerde) ideeën van Schelling.
Eén blik volstaat om te weten dat het in deze kunst niet langer gaat om zintuiglijke schoonheid.
Ze is vaak lelijk, soms zelfs weerzinwekkend.
De kunstliefhebber vindt geen enkel genot in het kijken naar Hedendaagse kunst, wel integendeel.
Zijn Stofftrieb wordt de weg versperd en zijn aandacht wordt omgeleid naar de Formtrieb.
Hij wordt verplicht om na te denken, om door te dringen tot de ideeën die ten grondslag liggen aan het kunstwerk, anders beleeft hij er niks meer aan.
Zijn esthetisch genot is vervangen door intellectueel genot.

Deze ‘omleiding’ van Stofftrieb naar Formtrieb, of van waarneming naar denken, bestaat nu al zolang dat we niet beter weten of het is de rechte weg, de weg van de kunst.
Bij het kijken naar kunst, stellen we vandaag als vanzelfsprekend de vraag: wat heeft de kunstenaar bedoeld, welke ideeën heeft hij in zijn werk tot uitdrukking willen brengen?
We zoeken het wezen van de kunst dus niet in de zintuiglijke verschijning (die we kunnen zien), maar in een daarachter liggende ideeënwereld (die we alleen denkend kunnen betreden).
Als blijkt dat er geen ideeën zijn en dat de kunstenaar alleen maar iets moois heeft willen maken, dan is onze minachting zijn deel.
We beschouwen hem dan niet als een echte kunstenaar.
Echte kunstenaars gaan immers uit van ideeën.
Geen ideeën, geen kunst.
Zo wordt het ons al 100 jaar voorgehouden door de Hedendaagse Kunst.
Zo peperen filosofen en kunsttheoretici het ons al 200 jaar in.

20140612-130916.jpg

Als gevolg van deze eeuwenoude misvatting heeft kunst vandaag geen bestaansrecht meer zonder ideeën.
Kunstenaars zijn echter van nature niet sterk op het vlak van ideeën.
In het Frans zegt men zelfs: bête comme un peintre.
Ook de moderne kijker, met zijn materialistische bewustzijn, is niet meer in staat om andere dan nuttigheidsideeën te ontdekken in de zintuiglijke werkelijkheid.
Dus doen beiden een beroep op specialisten, op denkers en theoretici, die zich thuis voelen in de wereld der ideeën.
Deze intellectuelen treden op als bemiddelaar tussen kunstenaar en kijker.
Zij inspireren de kunstenaar met hun ideeën, en helpen de kijker om deze ideeën in het kunstwerk terug te vinden.
Zonder hen zouden kunstenaar en kijker hulpeloos zijn.
Zonder hen zou er doodeenvoudig geen Hedendaagse Kunst zijn.

De oude kunstenaar, die bewonderd werd om zijn kunnen, is dus vervangen door de intellectueel die bewonderd wordt om zijn weten.
Maar ook de oude kunstliefhebber, die zich vol genot overgaf aan de zintuiglijke schoonheid van de kunst, heeft de plaats moeten ruimen voor de intellectueel die alleen geïnteresseerd is in ideeën.
Daardoor is het onderscheid tussen beiden vervaagd: zowel kunstenaar als kijker zijn intellectuelen geworden, die genot scheppen in het denken en niet in de waarneming.
Kunst is dus ‘geobjectiveerde wetenschap’ geworden.
Haar taak is niet langer om de kijker esthetisch genot te verschaffen.
Haar taak is om hem aan het denken te zetten, om hem wakker te schudden, om van hem een kritische burger te maken.
Kunst wordt dan ook steevast voorgesteld als een maatschappijkritiek, en de kunstenaar als een luis in de pels van de gevestigde orde.

20140612-131024.jpg

Kunst is met andere woorden een soort light-versie geworden van de wetenschap, bedoeld voor gevoelige magen die de wetenschappelijke waarheden niet goed kunnen verteren.
We zouden de Hedendaagse Kunst een wetenschap-voor-dummies kunnen noemen: wat de wetenschap rechtstreeks doet, door middel van heldere ideeën, dat doet de kunst onrechtstreeks, door middel van beelden.
We hebben de kunst om de waarheid te overleven, zegt Nietzsche.
En inderdaad, vandaag dient de kunst om de schokkende waarheden van de wetenschap verbloemen, om ze te verbergen achter een doorzichtige sluier die alles wat verleidelijker maakt.
De taak van de moderne kunstenaar is niet om ideeën te produceren, maar om ze te illustreren, om ze te vertalen in beelden.
Dat maakt hem tot het knechtje van de wetenschapper, diens public relations manager.

Dat alles kunnen we aflezen aan de Hedendaagse Kunst.
We hoeven de boeken van de moderne kunstfilosofen en -theoretici niet te lezen om te begrijpen dat deze kunst de ideeën van Schelling tot hun uiterste consequenties doordrijft.
We hoeven het zelfs niet te begrijpen: we voelen onmiddellijk dat deze kunst en de ideeën die ze belichaamt ziek is, en dat ze allesbehalve een ‘gezond fundament’ is voor de antroposofie.
Je zou dan ook verwachten dat antroposofen deze vleesgeworden ‘misvatting’ met hart en ziel bestrijden.
Maar niets is minder waar.
Ondanks de vernietigende kritiek van Rudolf Steiner op de ‘misvatting’ van Schelling, neemt het enthousiasme voor de Hedendaagse Kunst hand over hand toe in de antroposofische wereld.
Antroposofen van naam en faam zingen de lof van de Nieuwe Kunst.
Dat de ideeën waarop de ze kunst gebaseerd is volkomen haaks staan op die van Steiner, lijken ze niet te beseffen.

20140612-131128.jpg
(Kunst am Goetheanum)

Het is dan ook niet overdreven te zeggen dat we in de Hedendaagse Kunst te maken hebben met het materialisme in zijn meest gevaarlijke vorm.
Want het materialisme is geenszins gekant tegen de geest en zijn uitingen.
Het ziet de geest alleen als een product van de materie, de grijze materie in het hoofd van de mens. En het juicht alle toepassingen en realisaties van die ‘geest’ toe.
Nergens klinkt dat gejuich luider dan in de Hedendaagse Kunst.
De (materialistisch gedachte) geest wordt hier niet bewonderd omwille van het nut dat hij de mens oplevert.
Hij wordt bewonderd omwille van zichzelf.
De musea voor Hedendaagse Kunst, die overal ter wereld als paddestoelen uit de grond schieten – iedere stad moet er een hebben – zijn evenzovele tempels waar de Geest van het Materialisme met religieuze geestdrift wordt vereerd.
Hier verschijnt hij dan ook in zijn gevaarlijkste vorm, namelijk als kunst.
Hier duldt hij geen enkele tegenspraak, geen enkele kritiek.
Hier dwingt hij iedereen op de knieën.
Ook antroposofen.

20140612-131313.jpg

De bekendste vertegenwoordiger van dit ‘artistieke materialisme’ is natuurlijk Joseph Beuys, een naam die in de antroposofische wereld (en ook daarbuiten) klinkt als een klok.
Veel antroposofen zien deze beroemde kunstenaar als een lichtend voorbeeld, iemand waardoor ze zich laten inspireren.
De reden ligt voor de hand: Joseph Beuys was een antroposoof, hij verkondigde antroposofische ideeën en goot ze in een hedendaagse vorm.
Zijn kunstwerken prijken vandaag in musea overal ter wereld en er worden enorme bedragen voor betaald.
Dat is natuurlijk de natte droom van iedere antroposoof: de antroposofie in de wereld plaatsen, ze in een moderne, eigentijdse vorm gieten en er op die manier een echte cultuurfactor van maken.
Het valt dan ook te begrijpen dat velen Joseph Beuys zien als de antroposoof-van-de-toekomst, iemand die de enge grenzen van de antroposofische wereld overschrijdt en de antroposofie zichtbaar maakt voor de hele wereld.

Rudolf Steiner heeft er steeds weer op gewezen dat de antroposofie een kunst moet worden: geneeskunde moet geneeskunst worden, landbouwkunde landbouwkunst, onderwijskunde onderwijskunst, enzovoort.
De hele geesteswetenschap moet tot een kunst verheven worden en iedere antroposoof moet een kunstenaar worden, niet in de beperkte klassieke zin maar in de ‘verruimde’ zin van … Joseph Beuys.
Jeder Mensch ein Künstler, was zijn devies.
Het was ook het devies van Rudolf Steiner.
Nooit wellicht heeft een antroposoof de antroposofie op zo voorbeeldige en kreatieve wijze belichaamd als Joseph Beuys.
Maar juist daardoor belichaamde hij het gevaarlijkste materialisme: het materialisme dat een wolf in een schaapsvel is en zich voordoet als … antroposofie.

20140612-131415.jpg

Hoe is dat mogelijk?
Hoe kan de grootste antroposoof tegelijk de grootste materialist zijn?
Hoe kan – om het eens antroposofisch uit te drukken – iemand zowel geïnspireerd worden door Christus als door Ahriman?
Of nog: hoe kunnen de allergrootste tegenpolen broederlijk samengaan?
Het antwoord luidt: door de kunst.
Het is de kunst die geest en materie met elkaar verbindt en tot een eenheid smeedt.
Het is ook de kunst die antroposofie en materialisme kan samensmelten.
Een tegelijk christelijke én ahrimanische figuur als Joseph Beuys kon alleen een kunstenaar zijn.
Alleen de kunst is in staat die enorme kloof te overbruggen.

Maar.

Als een overtuigd antroposoof tegelijk een materialist in hart en nieren kan zijn, als hij tegelijk een volgeling én een tegenstander van Steiner kan zijn, hoe onderscheiden we dan het lam van de wolf, de antroposoof van de materialist, Christus van de Antichrist?
Het antwoord luidt: door onderscheid te maken tussen echte kunst en valse kunst.
Want echte kunst kan nooit goed en kwaad tot een eenheid smeden.
Kunst en moraliteit zijn broer en zus, aldus Steiner.
Kunst kan nooit ofte nimmer immoreel zijn.
Dat kan alleen de valse kunst die zich voordoet als echte kunst maar er in werkelijkheid het tegendeel van is.
Die anti-kunst kan inderdaad goed en kwaad met elkaar verzoenen, of beter: ze zodanig met elkaar verbinden dat we het onderscheid niet meer zien.
En alle antroposofie ter wereld kan ons niet helpen bij dat onderscheid.
Alleen ons oog voor kunst kan dat.
Maar juist dat oog is gesloten door de eeuwenlange inwerking van de (tegelijk materialistische en idealistische) ideeën over kunst van Schelling.

20140612-131535.jpg
(Dodenmasker Schiller)

Er is maar één manier om dat oog weer te openen, en dat is door juiste ideeën over kunst zoals we die vinden bij Schiller en Steiner.
Het is dus hoog tijd dat antroposofen de esthetica van Steiner gaan bestuderen en onderscheid leren maken tussen de (valse) kunst die uitgaat van Schelling en de (ware) kunst die uitgaat van Goethe.
Want als hun ogen niet opengaan, als zij zich laten misleiden door figuren als Joseph Beuys, dan dreigt het gevaar dat ze ongemerkt veranderen in een ahrimanische avant-garde.
Ze gaan dan deel uitmaken van de keurtroepen van Ahriman in de stellige overtuiging dat ze Michaël volgen.
Wie een beetje zijn antroposofische geschiedenis kent, weet dat dit gevaar allesbehalve denkbeeldig is …

20140612-131729.jpg

Steiner over kunst (1)

Na Tolstoj wil een mens wel eens een echte denker aan het woord horen over kunst.
Om geen tijd te verliezen, kies ik meteen de allergrootste: Rudolf Steiner.
Op 9 november 1888 hield hij in Wenen een voordracht die nadien werd uitgegeven onder de titel ‘Goethe als vader van een nieuwe esthetica‘. (GA 271)
De bijna 28-jarige Steiner vat in deze voordracht zijn ideeën over kunst op zeer gebalde wijze samen.
Twintig jaar later schrijft hij in het voorwoord bij de tweede druk dat hij niet één zin heeft hoeven te veranderen en dat de inhoud alleen maar actueler geworden is.
In hetzelfde voorwoord noemt hij zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en de antroposofie noemt hij ‘de aangewezen manier om deze ideeën te begrijpen’.

20140529-115957.jpg
(Dit is geen reclame voor het boek, het gaat alleen om de foto)

Het doet onwillekeurig denken aan ‘De Filosofie der Vrijheid’, een werk dat in 1893 verschijnt en eveneens geldt als een grondslag van de antroposofie.
Steiner noemt dus zowel zijn ideeën over kunst als zijn ideeën over denken en vrijheid fundamenten waar de antroposofie op rust.
Hij spreekt daarbij over ‘gezonde’ fundamenten, wat impliceert dat er ook ‘ongezonde’ bestaan.
En inderdaad, zowel Steiners esthetica als zijn vrijheidsfilosofie zijn gericht tegen een misvatting die het hele moderne denken beheerst.
Op het vlak van de wetenschap is dat de Kantiaanse opvatting van das Ding an sich als een werkelijkheid die niet te kennen valt.
Op het vlak van de kunst is het de opvatting van Schelling die de kunst ziet als de zintuiglijke verschijningsvorm van de idee.

Als Steiner twintig jaar na het verschijnen van zijn voordracht schrijft dat zijn ideeën over kunst alleen maar actueler zijn geworden, doelt hij op een evolutie die tot op de huidige dag voortduurt.
Schellings misvatting beheerst de hedendaagse kunstwereld namelijk als nooit tevoren.
En eigenlijk geldt hetzelfde voor Kants misvatting, want de bottomline van de hedendaagse esthetica is dat kunst een poging is om ‘das Ding an sich’ zichtbaar te maken.
De twee fundamentele misvattingen die Steiner bestrijdt – die van Kant en die van Schelling – komen dus samen in de Hedendaagse Kunst.
Tot wat voor ziekelijke toestanden dat leidt, is inmiddels bekend.

20140529-120558.jpg
(Friedrich Schelling)

Genezing is volgens Steiner alleen mogelijk wanneer we onze opvattingen over kunst (en wetenschap) baseren op Goethe.
Goethe moet het uitgangspunt zijn van de moderne cultuur, vindt hij.

‘Alleen wie in staat is, op welk punt dan ook, aansluiting te vinden bij Goethe en zijn tijd, kan tot helderheid komen over de weg die onze cultuur inslaat en zich bewust worden van de doelen waar de moderne mensheid op af moet gaan. Wie zo’n relatie tot de grootste geest van de jongste tijd niet vindt, wordt eenvoudigweg meegetrokken door zijn medemensen en als een blinde geleid. Alle dingen verschijnen voor ons in een nieuwe samenhang als we ze bekijken met de blik die zich gescherpt heeft aan deze bron van onze cultuur.’

Het is niet niks wat Steiner hier in een paar zinnen zegt.
Het komt erop neer dat onze gehele moderne cultuur op het verkeerde spoor zit, want het leidt geen twijfel dat de moderne mensheid geen aansluiting heeft gevonden bij Goethe.
De gevolgen van deze ‘ontsporing’ zijn precies wat Steiner aangeeft.
Met name op het gebied van de kunst is de grootste bekommernis van de moderne mens om ‘erbij te horen’, om te doen en te denken zoals de anderen.
Een eigen oordeel vormen, is er niet meer bij.

Hoe meer ik Steiner lees (en dat doe ik helaas veel te weinig) des te meer valt het me op hoe zorgvuldig hij zijn woorden kiest.
Steiner zegt nooit ‘zomaar’ iets.
Zijn woorden zijn doordrongen van bewustzijn en betekenis.
Hij spreekt niet zoals wij spreken.
Ons taalgebruik is in hoge mate abstract: we bedienen ons van woorden en begrippen die grotendeels los staan van de werkelijkheid en daardoor hun eigen (schijn)leven leiden.
Steiners woorden en begrippen daarentegen – hoewel uiterlijk op de onze lijkend – zitten innerlijk boordevol werkelijkheid, een werkelijkheid die we vaak niet zien omdat we opgesloten zitten in de schijnwereld van ons hoofddenken.
We staan niet stil bij de woorden ‘meegetrokken door onze medemensen’ en ‘als blinden geleid’ omdat we ze als een abstracte formulering opvatten, een manier-van-zeggen.
Maar ze zijn heel concreet bedoeld.
Steiner beschreef er een werkelijkheid mee die in zijn tijd al in de kiem aanwezig was, maar pas vandaag in al haar ziekelijkheid aan het licht komt.

20140529-121140.jpg

Als er in dat ene, bijna terloopse zinnetje al zoveel waarheid en werkelijkheid schuilgaat, hoeveel te meer moet dat dan niet het geval zijn met wat Steiner in deze voordracht over Goethe zegt!
Hij noemt Goethe de grootste geest van onze tijd, de geest die de moderne mens de weg naar de toekomst wijst.
Hij verheugt zich dan ook over de grote belangstelling die deze wegbereider geniet, maar hij is verre van gelukkig met de aard van die belangstelling.
Volgens Steiner wordt er te veel gekeken naar de resultaten van Goethes onderzoekingen, en te weinig naar zijn manier van onderzoeken.
De resultaten mogen dan wel achterhaald zijn, de onderzoeksmethode is dat allerminst.
Het komt er eigenlijk op neer dat we Goethe niet kunstzinnig genoeg benaderen.
We kijken te veel naar het wat, en te weinig naar het hoe.
We bezondigen ons met andere woorden aan Schellings misvatting en daardoor blijven we blind voor wat Goethe zo groot maakt: zijn kunstzinnige wetenschap.
En precies die wetenschap, die tegelijk een kunst is, vormt de grondslag van de antroposofie.

Het is dankzij Goethes ‘wetenschappelijke methode’ dat Rudolf Steiner erin slaagde een brug te slaan tussen de twee werelden die hij allebei zo goed kende, maar die in zijn beleving naast elkaar bleven staan: de zintuiglijke (of materiële) wereld en de bovenzintuiglijke (of geestelijke) wereld.
De antroposofie is dus in feite een verdere uitwerking van Goethes ‘methode’, en aangezien dat een kunstzinnige methode is, zouden we de antroposofie een esthetica kunnen noemen, een wetenschap van de kunst in de ruimste zin van het woord.
Dat maakt begrijpelijk waarom Steiner zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ noemt: ze zijn reeds een vorm van antroposofie.
De antroposofie in wezen een denken over kunst.
Zij denkt immers na over mens en wereld, beide scheppingen van de geest, beide kunstwerken dus.

20140529-121521.jpg

In zijn voordracht wil Steiner Goethes ideeën toepassen op de esthetica, ‘een van de jongste en tegelijk meest omstreden wetenschappen’.
Die wetenschap neemt een aanvang wanneer de Duitse filosoof Alexander Baumgarten in 1750 zijn Aesthetica publiceert.
Alles wat daarvóór over kunst werd geschreven, verdient volgens Steiner de naam wetenschap niet.
Zelfs de grote Aristoteles had ‘helemaal geen verstand van kunst’.
Het is geen toeval, zegt Steiner, dat de wetenschap van het schone pas zo laat is ontstaan.
Zolang de mens nog één was met de natuur, zoals in het oude Griekenland, kon er geen kunstwetenschap ontstaan.
Daar is immers afstand voor nodig, en die was er toen niet.
In de Middeleeuwen was die afstand er wel, maar ook toen kon er geen kunstwetenschap ontstaan, want de natuur – met wier middelen de kunstenaar werkt – werd gezien als een onverzoenlijke tegenstelling met de geest.
Pas toen de mens erin slaagde (opnieuw) een brug te slaan tussen natuur en geest, kon er een wetenschap van de kunst ontstaan.

Voor Goethe was er geen principiële scheiding tussen geest en natuur.
De natuur was voor hem één groot geheel waar ook de mens, met zijn bewustzijn, deel van uitmaakt. Wanneer die mens tot inzicht komt in dat omvattende geheel, juicht het heelal en bewondert het zichzelf.
Met die opvatting stijgt Goethe volgens Steiner ver boven de directe natuur uit, zonder er zich evenwel ook maar in het minst van te verwijderen.
Hij vindt, zou je kunnen zeggen, een synthese tussen de Griekse en de Middeleeuwse mens.

20140529-122149.jpg

Goethe trekt zich niet terug uit de werkelijkheid om in zichzelf een ‘geestelijke’ wereld te vormen.
Nee, hij verdiept zich juist in de werkelijkheid om in haar veranderlijkheid het onveranderlijke te ontdekken.
Dat onveranderlijke noemt hij: het oerbeeld.
Het oerbeeld van de plant bijvoorbeeld – de ‘oerplant’ – is niets anders dan de ‘idee’ van de plant.
Deze idee mag echter niet begrepen worden als een abstract begrip dat deel uitmaakt van een kleurloze theorie.
Voor Goethe is ze de wezenlijke grondslag van de concrete plant en derhalve boordevol leven en aanschouwelijke rijkdom.
Deze oerplant is weliswaar niet zichtbaar voor de uiterlijke zintuigen, maar ze is dat wel voor een ‘hoger’ zintuig dat de mens verwerft door middel van wat Goethe ‘Anschauende Urteilskraft‘ noemt.
Wie deze ‘aanschouwelijke oordeelskracht’ ontwikkelt, ziet de ideeën of oerbeelden van de dingen even objectief als hun kleuren en vormen.
Wie deze oordeelskracht niet ontwikkelt en alleen met zijn gewone zintuigen waarneemt, ziet deze oerbeelden evenmin als een blinde kleuren of vormen ziet.

Goethe verwerft dit hogere zintuig door de natuur in gedachten ‘na te scheppen’.
Hij blijft dus niet staan bij de natuur zoals ze zich aan onze gewone zintuigen voordoet, maar dringt door in haar ontstaan.
Hij ‘beluistert de natuur in haar scheppen’, zoals Steiner het uitdrukt.
Op die manier stijgt hij op tot datgene wat we als het ‘goddelijke’ vereren en wat we in de wetenschap kennen als de ‘idee’.

20140529-122535.jpg

Maar ‘terwijl de pure ervaring niet kan leiden tot verzoening van de tegenstellingen omdat ze wel de werkelijkheid heeft maar nog niet de idee, kan de wetenschap evenmin tot die verzoening leiden omdat ze wel de idee heeft maar niet meer de werkelijkheid.’
Tussen deze twee in, zegt Steiner, heeft de mens een nieuw gebied nodig, een noodzakelijk derde rijk tussen dat van de zintuigen en dat van het denken: de wereld van de kunst.
‘Het goddelijke dat de dingen van de natuur missen, moet daarin door de mens zelf worden geplant en daarin ligt de grote opgave voor de kunstenaars: zij moeten om zo te zeggen het Rijk Gods op aarde brengen.’

Deze ‘religieuze missie’ van de kunst spreekt Goethe als volgt uit:

‘Doordat de mens aan de top van de natuur is geplaatst, ziet hij er op zijn beurt uit als een totale natuur die in zichzelf weer een top moet voortbrengen. Daartoe klimt hij op doordat hij zich met alle volmaaktheden en deugden doordringt, bij zichzelf ordeningen, keuzes, harmonie en betekenis oproept, en zich ten slotte verheft tot het vervaardigen van het kunstwerk, iets dat naast zijn andere daden en werkstukken een schitterende plaats inneemt. Is het kunstwerk eenmaal ontstaan, staat het in zijn ideale werkelijkheid in de wereld, dan heeft het een duurzame, verheven uitwerking. Want doordat het zich geestelijk ontwikkelt uit de gezamenlijke krachten, neemt het al het prachtige, respectabele en liefdevolle in zich op. En doordat het de menselijke gestalte bezielt, heft het de mens boven zichzelf uit, sluit het zijn levens- en werkgebied af en vergoddelijkt het hem voor de tegenwoordige tijd waarbij verleden en toekomst zijn inbegrepen. Door zulke gevoelens – zo kunnen wij opmaken uit de beschrijvingen, berichten en getuigenissen van de Grieken en de Romeinen – werden de mensen getroffen die de olympische Jupiter aanschouwden. De god was tot mens geworden om de mens tot god te verheffen. Men aanschouwde de hoogste waardigheid en werd geestdriftig voor de verhevenste schoonheid.’

20140529-123329.jpg

‘Daarmee, zegt Steiner, werd aan de kunst het grote belang toegekend die ze heeft voor de vooruitgang van de menselijke cultuur. En het is typerend voor het machtige ethos van het Duitse volk dat juist bij haar als eerste dit inzicht opkwam. Het is ook typerend dat alle Duitse filosofen al een eeuw lang worstelen om een wetenschappelijke vorm te vinden voor de unieke wijze waarop in het kunstwerk het geestelijke en het natuurlijke, het ideële en het reële met elkaar versmelten. De taak van de esthetica is immers geen andere dan de aard van deze wederzijdse doordringing te begrijpen, en dit uit te werken voor de afzonderlijke vormen waarin die doordringing zich op de verschillende gebieden van de kunst manifesteert.’

Wanneer we deze woorden lezen, begrijpen we waarom Steiner de esthetica een grondslag van de antroposofie noemt.
Want ook in de antroposofie gaat het om het begrijpen van de ‘wederzijdse doordringing’ van geest en materie, van zintuiglijk en bovenzintuiglijk, van idee en werkelijkheid.
De geestelijke wereld waar Steiner over spreekt, staat immers niet los van de materiële wereld.
Hij doordringt die wereld, zoals de geest van de kunstenaar de materie doordringt wanneer hij schept.
Een geestelijke wereld die dat niet doet en los van de materie wordt waargenomen, is in feite een schijnwereld, een luciferische wereld.
Hetzelfde geldt voor een wereld die louter met de zintuigen en dus los van enige geest wordt waargenomen: dat is een ahrimanische schijnwereld.
De wereld waar de antroposofie over spreekt, is de echte werkelijkheid: een werkelijkheid die zowel materieel als geestelijk is, een wereld die dus in wezen een kunstwerk is.
Het is de wederzijdse doordringing van materie en geest die de antroposofie wil begrijpen, en daarom is ze in wezen een esthetica, een wetenschap van de kunst.
Nadenken over kunst (in de allerruimste zin) is dan ook de core business van de antroposoof.

(Wordt vervolgd)

20140529-124547.jpg