Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: school

Terug naar school! (2)

  

Michaël 2015  (3)

  

Mijn grote passie is: mensen tekenen. Aanvankelijk waren dat hele mensen. Als kleine jongen was ik een fan van Michelangelo en tekende ijverig zijn geweldige lijven na. Later aan de academie leerde ik dat veel grondiger doen. Er werd mij getoond hoe ik de menselijke figuur moest herleiden tot haar meest elementaire (abstracte) bouwstenen en ze met behulp daarvan vervolgens weer opbouwen. Het was zwaar werk om – louter op grond van waarneming  en dus zonder enige anatomische kennis – begrijpend door te dringen in de uiterst complexe vormen van het menselijk lichaam, maar als het lukte: wat een genot! Ik herinner me nog hoe ik op een dag overvallen werd door een wilde vreugde tijdens het tekenen van een … knie. Het (naakte) model was nochtans jong en aantrekkelijk en je zou verwachten dat andere lichaamsdelen meer geschikt waren om (al tekenend) genot aan te beleven, maar nee, het was haar rechterknie die zo’n explosie van vreugde in me veroorzaakte. Het was dan ook geen zinnelijk genot, het was een bovenzinnelijk genot, een soort deelachtig worden aan de scheppende geest die zo’n geweldig kunststuk als de knie tot stand had gebracht. 

Op een dag kwam mijn leraar naast me zitten. Je tekent voortreffelijk, zei hij (in de 40 jaar dat ik hem gekend heb, heeft hij dat maar één keer tegen me gezegd), maar het is allemaal wat braaf, het mist leven en bezieling. Ook dat heeft hij maar één keer gezegd. Kijk, zei hij, en hij tekende een vierkant, een cirkel en een ellips op m’n blad. Je moet eens proberen om het karakteristieke van een mens naar voor te halen. In de drie abstracte vormen tekende hij twee ogen, een neus en een mond. Een beetje zoals in een karikatuur, voegde hij eraan toe. Meer hoefde hij niet zeggen, ik had het begrepen. Vanaf dat moment begon ik verwoed karikaturen te tekenen. Het was alsof er olie was aangeboord: het spoot eruit. Ik kon er maar niet genoeg krijgen. Vijfentwintig jaar lang zou ik gepassioneerd gezichten tekenen, duizenden en duizenden gezichten. 

Het loutere kopiëren van een menselijk gelaat interesseerde me niet zo erg. Nee, ik wilde de kern raken, datgene wat een gezicht uniek maakt. Het Ik dat zich in een gezicht uitdrukt, daar baande ik mij rücksichtlos een weg naartoe, zonder rekening te houden met welke gevoeligheden ook. Integendeel, ik schepte er een demonisch plezier in alles uit de weg te ruimen wat me tegenhield. Ik liet het beest in me los en genoot ervan een gezicht zoveel mogelijk geweld aan te doen. Ik trok eraan, vervormde het, blies het op – maar steeds in functie van het onderliggende Ik dat ik bloot wilde leggen. Ja, de draak tekende beslist mee. En hij bracht leven en bezieling in mijn tekeningen. Een beetje veel zelfs. Mijn leraar schudde het hoofd en zei, tongue in cheek: had ik dát geweten! Maar hij legde me geen strobreed in de weg. Hij zag dat m’n tekeningen beter werden en daar ging het om. Je kunt beter slecht zijn dan niets zijn, grijnsde hij. En hij meende het. 

Het tekenen van gezichten was voor mij een gevecht met de draak, zowel mijn eigen draak (die ik onder controle moest houden) als die van anderen (die ik moest overwinnen om tot hun Ik door te dringen). Dat vergde soms een harde strijd, maar ik gaf me nooit gewonnen. Ik werkte verbeten door tot ik het unieke van mijn model had ‘getroffen’. Vaak waren het nipte overwinningen, maar in de loop der jaren gaf de draak zich langzaam gewonnen. Ik hoefde steeds minder geweld te gebruiken, wat tot uitdrukking kwam in het feit dat ik steeds meer kinderen begon te tekenen. Ik wilde dat aanvankelijk niet, maar ze vroegen er zelf om. Op die manier veranderde mijn strijd met de draak gaandeweg in een gevecht met de engel. Want met kinderen bestaat de kunst er niet in om door te dringen tot hun Ik – dat is nog niet afgesloten – maar om er niet in opgezogen te worden. Een pasgeboren kind is zo onweerstaanbaar dat er geweld nodig is om afstand te houden – wat een voorwaarde is om te kunnen tekenen. Mijn zwaarste gevechten heb ik dan ook met kinderen geleverd, want engelen zijn sterker dan draken. 

Als ik terugdenk aan de hele ‘scholingsweg’ die ik op die manier doorlopen heb – te beginnen met het tekenen van oude mensen (mijn oudste model was 102) en eindigend met pasgeboren kinderen (mijn jongste model was 6 uur oud) – dan begin ik te vermoeden waarom Michaël mij verleden jaar zo hardhandig de weg versperd heeft. Misschien wil hij niet dat ik terugkeer naar de dingen die ik reeds kan, maar wil hij dat ik verder ga, dat ik ook het portret leer tekenen waar ik tot dusver altijd mijn tanden heb op stukgebeten: mijn eigen portret. Niet dat van mijn fysieke, lagere zelf uiteraard, maar dat van mijn geestelijke, hogere Ik, zoals het van buitenaf op me toekomt in de vorm van mijn eigen leven. Ja, that makes sense. Ik kon tot nog toe niet begrijpen waarom de terugkeer naar mijn grootste passie – het tekenen van mensen – zo bruusk werd afgebroken. Maar als het waar is dat ik nu, in de herfst van mijn leven, een veel moeilijker portret te tekenen heb, ja dan kan ik het accepteren, ook al blijft het afscheid pijn doen.

Hoe begin je eraan om zo’n ‘hoger’ zelfportret te tekenen? Om te beginnen: door toeschouwer te worden bij je eigen leven. Volgens Rudolf Steiner moeten we leren om onszelf als een vreemde te zien. Dat is ontzettend moeilijk want ieder mens is zichzelf het meest vertrouwd. Om het duidelijker te zeggen: ieder mens is verliefd op zichzelf en bijgevolg blind voor hoe hij er werkelijk uitziet. Die eigenliefde hebben we aan Lucifer te danken en zonder dat ego-isme zouden we nooit vrij kunnen worden. Kijken naar jezelf met de ogen van een ander (die uiteraard niet verliefd op je is, maar je nuchter en afstandelijk ziet zoals je werkelijk bent) is misschien wel het moeilijkste wat er bestaat. Want een mens kan niet leven zonder liefde, evenmin als de aarde kan bestaan zonder zon. Pasgeboren kinderen hebben nog geen eigenliefde en zijn aangewezen op de liefde van hun fysieke moeder. Wie zonder eigenliefde naar zichzelf wil kijken, heeft de liefde van zijn geestelijke moeder nodig, van Sofia. Zonder haar lukt het niet.

Laat ik dus eens proberen, met behulp van wat (Antropo)Sofia me geleerd heeft, te kijken naar mezelf, dat wil zeggen naar mijn leven, dat vreemde leven waar ik zo weinig van begrijp. Waarom doet dat leven al m’n plannen mislukken? Als de goden mensen willen straffen, beweerden de oude Grieken, dan willigen ze hun wensen in. Wel, dat hebben ze bij mij alvast nooit gedaan. Geen enkele wens hebben ze ooit ingewilligd. Ze leken er zelfs plezier in te scheppen dwars tegen m’n wensen in te gaan en al m’n plannen te doen mislukken. Ik heb dat altijd ervaren als een straf, een vernedering, een noodlot. Ik leefde als kind al in de overtuiging dat er iets fundamenteels verkeerd was gegaan en dat alles wat eruit voortkwam alleen maar nog verkeerder kon zijn. Moet ik nu, 50 jaar later, werkelijk gaan geloven dat het verkeerde het juiste was, dat het noodlot mijn geluk was, dat mijn bewaarengel, die in geen velden of wegen te bespeuren was, juist heel goed voor me zorgde? Dát zou nog eens de wereld op zijn kop zijn! Maar Rudolf Steiner zei: de wereld stáát reeds op zijn kop, ik doe niets anders dan hem weer recht zetten. Dat laatste wil ik ook eens proberen met mijn eigen kleine wereld. 

Waren mijn schooljaren al een kwelling geweest, wat daarna kwam was nog erger. Ik wilde helemaal niet naar de universiteit. Maar iedereen vond dat ik verder moest studeren, ondanks m’n legendarisch slechte cijfers. Ik had het eens uitgerekend: in m’n laatste jaar van de middelbare school moest ik ongeveer 20 procent van de punten behaald hebben. Het was een complete ramp, de hele school wist dat. En toch lieten ze me erdoor. Ze vonden zelfs dat ik verder moest studeren. Kan het krankzinniger? Zelf was ik zo murw geslagen door alle schoolellende, dat ik me als een schaap naar de slachtbank liet leiden. Ik bezat de kracht niet meer om me te verzetten. 

Ik zag dat mijn tekenleraar een droomjob had. Hij verdiende evenveel als een middelbare-schoolleraar, moest geen lessen voorbereiden, geen huiswerk verbeteren, geen examens afnemen. Hij moest niet eens lesgeven als hij daar geen zin in had. En om dat te bereiken had hij niets anders moeten doen dan tekenen. Precies wat ik wilde, precies wat ik kon. Maar de gedachte dat zoiets voor me weggelegd kon zijn, kwam niet eens in me op. Het leven, was dat geen kwelling? Was dat geen straf die je moest uitzitten? Was dat niet: moeten doen wat je niet wilde doen, en niet mogen doen wat je wilde doen? Ik herinner me nog dat de examens op mijn school voorbij waren. Maar we mochten niet naar huis, we moesten op school blijven en de tijd doden. Ik stond op de gang en keek verlangend door het grote raam naar de overkant van de straat waar ik de (dag)leerlingen van de academie zag arriveren voor de proclamatie. Ik was weliswaar een weekendleerling, maar die hoorden er ook bij en ik dacht aan de vorige keer, toen ik onder luid applaus van de hele zaal naar voor was gelopen om de felicitaties van de jury in ontvangst te nemen. Dát was nog eens een pleister op mijn gekwelde hart! En dus vroeg ik de surveillant of ik de straat niet mocht oversteken. Ik legde het hem uit en zei dat ik niet lang zou wegblijven. Zoals het een Broeder van Liefde past, was hij onverbiddellijk: ik moest blijven en de dag in ledigheid doorbrengen. Slechts een straatbreedte scheidden academie en school, maar de grens was een Berlijnse muur geworden. In de jaren die volgden zou ik er zo gewoon aan worden dat ik hem niet meer zag. Ik vergat dat er ‘aan de overkant’ nog een Beloofde Land bestond waar ik iemand was, waar ik deed wat ik wilde, en waar ik nog applaus kreeg ook.

Moeten en niet mogen: daaruit bestond mijn leven ‘aan deze zijde’. En het werd er niet beter op, wel integendeel. In Leuven moest ik dingen leren die ik helemaal niet wilde leren, en wat ik wel wilde doen mocht ik niet doen. Ik probeerde het nochtans. Ik ging ’s avonds naar de Leuvense academie om naar model te tekenen. Maar na een paar dagen werd ik al aan de deur gezet. Ik had het namelijk bestaan om een karikatuur te tekenen van de leraar. Hij sprak toen de legendarische woorden: in mijn klas mag alles, maar dát niet! Het was de meest kernachtige typering van mijn leven die ik ooit gehoord had: ik mocht alles doen, behalve datgene wat ik wilde. Zijn verontwaardiging herinnerde me aan een ander veelbetekenend voorval. Ik liep met mijn moeder door de stad (kleren kopen waarschijnlijk) en ze bracht het gesprek nog maar eens op mijn lamlendige houding. Is er dan werkelijk niets dat je interesseert? riep ze wanhopig uit. Tekenen, antwoordde ik zonder aarzelen. Waarop ze zowat ontplofte van verontwaardiging: kun je dan werkelijk nóóit eens ernstig zijn? Ik was nog nooit zo ernstig geweest, maar ze zag precies het omgekeerde. Ook meneer Van Beckbergen, de beledigde kunstenaar-met-de-stofjas, begreep niet dat karikaturen voor mij een zeer ernstige zaak waren. Als je dát wil doen, moet je maar op de markt gaan staan! sprak hij visionair. 

(Wordt vervolgd)

Examens en karma

Vanmorgen ben ik (voor de zoveelste keer) ontwaakt uit een examen-droom. Ik zat in een lokaal tussen allemaal studenten die ijverig aan het schrijven waren op voorgedrukte examenformulieren. Zelf had ik alleen een gewone schrijfbloc, en welke vraag er moest beantwoord worden daar had ik het raden naar. De bereidwillige student die naast me zat, schreef ze op mijn blad: ‘wat is de rol van politieke commentatoren?’ Volgde ik een studie journalistiek of politicologie? Ik had geen idee. Waarom moest ik een examen afleggen zonder de vragen te hebben gekregen? Ik wist het niet. Ik wist alleen dat het moest. Verder begreep ik er niks van.

Ik heb dit soort dromen (of droomflarden) al zowat m’n hele leven. Niet alleen sluiten ze dicht aan bij de concrete werkelijkheid – ik heb vaak genoeg examens afgelegd waarvan ik de vragen niet eens begreep, laat staan ze kon beantwoorden – maar ze raken op de een of andere manier ook de kern van mijn bestaan. Ik ervaar mijn leven als één groot examen waarvan ik de vragen niet ken. Ik weet niet eens wat ik ‘studeer’. Eigenlijk is dat de examenopgave: erachter komen wat ik studeer en welke vragen ik moet beantwoorden. Het is een beetje de omgekeerde wereld: ik zoek geen antwoorden, ik zoek de vragen. 

Examens hebben me voor het eerst geconfronteerd met de realiteit van het karma. Ik ben namelijk (op één uitzondering na) altijd geslaagd voor mijn examens, en dat mag een half wonder heten want ik kan me niet herinneren ooit klaar te zijn geweest voor een examen. Wat ik me daarentegen wel herinner zijn examens waarop ik geen woord kon uitbrengen of opschrijven, examens bij proffen die ik nooit gezien had, examens over cursussen en boeken die ik nooit gelezen had. Want ik had een ontzettende hekel aan studeren, of beter gezegd: aan wat ik moest studeren. Studeren was voor mij: het overwinnen van mijn afkeer voor de leerstof. 

En toch heb ik een diploma behaald, een ‘master’ dan nog wel. Hoe ben ik dáár in geslaagd? Wel, dat is het ‘em juist: ik bén daar niet in geslaagd, het is gewoon gebeurd, tot mijn eigen stomme verbazing. Het was het resultaat van een reeks onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Ik heb ooit eens uitgerekend hoeveel punten ik in m’n laatste jaar van de humaniora werkelijk behaald moest hebben. Ik kwam uit op 20%. Maar ik was geslaagd, en nog wel zonder herexamens. Aan de universiteit herhaalde die grap zich: ik haalde er ooit 53% van de punten, alweer zonder één herexamen. Dat betekent dat ik voor elk vak precies de helft had behaald, en zo scherp kan niemand mikken. Ik raakte er dan ook van overtuigd dat mijn diploma in de sterren geschreven stond en besloot niet langer naar de les te gaan. Het maakte toch niks uit. And guess what? Het bleek nog waar te zijn ook.         

Sindsdien geloof ik in karma, wat zeg ik, ik wéét dat het bestaat. Maar echt vrolijk word ik er niet van. Zeker, ik schep er een grimmig genoegen in om te vertellen hoe ik aan mijn diploma ben geraakt, hoe ik professoren om de tuin heb geleid, hoe ik examens afpende zonder zelfs maar te begrijpen wat ik afpende, hoe ik papers en thesissen rechtstreeks uit m’n tikmachine ramde, hoe ik van mijn studie één groot pokerspel maakte. Maar de prijs die ik daarvoor betaal zijn levenslange ‘examen-nachtmerries’ waaruit ik met hartkloppingen ontwaak en grenzeloos opgelucht vaststel: goddank, ik hoef nooit meer naar school! 

Gedurende mijn hele schoolcarrière (en nog lang daarna) leefde ik in de overtuiging dat er een fatale vergissing was gebeurd. Ik was in het verkeerde leven terechtgekomen. Ik speelde een rol die ik niet kende en waar ik niks mee te maken had. Pas nel mezzo del camin di nostra vita slaagde ik erin zelf het roer in handen te nemen. Ik ruilde de wereld van de wetenschap (en alles wat daaruit voortvloeide) voor die van de kunst en ervoer dat als een ongelooflijke bevrijding. Ik keerde terug naar de academie, naar de plek waar ik mij als kind zo thuis had gevoeld en waar ik niet hoefde te denken aan diploma’s en examens. 

Maar terwijl me op school alles in de schoot werd geworpen, kreeg ik op de academie niet wat ik verdiende. Ik slaagde er met glans, maar mijn diploma heb ik nooit gezien. Het kon me niets schelen. Ik had vastgesteld dat de academie een … school was geworden en ik was niet van plan een tweede keer in die valstrik te trappen. Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: een academie is geen school waar je les volgt, het is een plek waar je ingewijd wordt. En dat was precies hoe ik de ‘oude’ academie had ervaren: als een mysterietempel, een oase van geest in een woestijn van materialisme. Maar de bron was opgedroogd, de geest was verdwenen. In de ‘nieuwe’ academie maakten jonge leerkrachten die niks konden oude leerlingen wijs dat ze kunstenaars waren. Het was alsof ik mezelf tegenkwam als student die oude professoren wijsmaakte dat hij de stof beheerste. Het verschil was dat ik heel goed wist wat ik deed terwijl die jonge academisten zelf geloofden in de onzin die ze verkochten.

Ik had geen medelijden met de ouwelui die door hen om de tuin werden geleid, evenmin als ik dat had met de professoren die ik vroeger een rad voor de ogen draaide. Maar als ik dacht aan de talloze jonge mensen die overal ingewijd werden in de mysteries van de ‘nieuwe’ artistieke geest, dan werd het me droef te moede. Het begon me te dagen voor welk gevaar mijn karma me had behoed door me de woestijn in te sturen. Ik dacht terug aan mezelf als het jongetje dat met wijdopen ziel de mysterietempel van de kunst betrad en zich met volle teugen laafde aan de geest die er heerste. Die geest had vreselijke dingen kunnen aanrichten in mijn kinderziel, maar in plaats daarvan betoonde hij mij een respect dat ik in de buitenwereld nergens tegenkwam. Het is de diepste ervaring die ik aan de (oude) academie opdeed: dat grenzeloze respect voor mijn ‘ik’ – niet te verwarren met mijn ‘ego’ want daar veegde mijn leraar vierkant zijn voeten aan. 

Ook mijn karma trekt zich niks aan van mijn wensen, verwachtingen en verzuchtingen. Gaat mijn hart uit naar de kunst? Wel, het stuurt me de richting van de wetenschap uit. Daarna laat het me wél terugkeren, als om te zeggen: begrijp je nu waarom ik je de woestijn in stuurde? Ja, ik begin de Geest van het Karma te herkennen in mijn oude tekenleraar. Ondanks zijn onbetwiste autoriteit, had hij niks vaderlijks. Hij stond niet boven maar naast je en behandelde je als een gelijke, hoe jong en onkundig je ook was. Hij zei nooit wat je moest doen, hij hielp je alleen bij wat je zelf wilde. Toen ik hem bijvoorbeeld vertelde dat ik naar de universiteit ging, vond hij dat een kostelijke grap, maar hij deed niets om me van dat plan af te brengen. Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten. 

Ik heb hem dat lang kwalijk genomen. Ik vond dat hij me had moeten tegenhouden en voelde mij door hem in de steek had gelaten. Pas later begreep ik dat hij in de geest van het karma had gehandeld en mij behoed had voor de onderwereldgeest die zo vreselijk tekeer ging in de kunstwereld. Ik voelde daarvoor een diepe dankbaarheid, dezelfde dankbaarheid die ik na mijn dood waarschijnlijk zal voelen als ik terugkijk op m’n leven en het karmische weefsel leer kennen dat eraan ten grondslag ligt. Ik begin daar nu reeds iets van te bespeuren en ik kan alleen maar verbluft kijken naar zoveel … kunstzinnigheid. Want dat is hoe ik karma ervaar: als een levend kunstwerk, een kunstwerk dat de werkelijkheid als materiaal heeft. Dat is ook hoe ik de Geest van het Karma beleef: als een kunstenaar, een scheppende geest die ieder bevattingsvermogen te boven gaat. Maar hij bestaat en je kunt hem ook leren kennen. Niet rechtstreeks misschien, maar wel via zijn werk, via het karma.

Net als bij een gewoon kunstwerk moet je daarvoor afstand kunnen nemen. Als je met je neus op een schilderij staat, zie je niks anders dan betekenisloze verfvlekken. Zo ziet het leven er in eerste instantie ook uit: als een rommeltje, het werk van een knoeier. Pas als je het vanop een afstand bekijkt, verschijnen er herkenbare patronen. Maar juist dat afstand nemen is zo moeilijk, want als je tegenover je leven gaat staan, kun je het niet meer leven. Je kunt niet tegelijk kunstenaar en kijker zijn. Afstand nemen van je eigen leven is dan ook een soort sterven: je maakt je los uit jezelf zoals je je losmaakt uit je lichaam wanneer je doodgaat. Ik zou dat hoogstwaarschijnlijk niet kunnen als ik het niet eerst in de kunst had beleefd, als ik niet uit dat paradijs was verdreven en niet ondervonden had dat die verdrijving ondanks alles toch een goede zaak was. 

Dit afstand nemen, niet alleen in de kunst maar ook van de kunst, was als één groot examen voor me en de opgave was de geest van het karma te leren kennen. Ook de ‘kleine’ examens waren voor mij een soort doodservaringen. Ik bestierf het telkens van de zenuwen, maar van zodra ik de drempel van het examenlokaal had overschreden, viel alles van me af en dacht ik: hoe gaan we dit varkentje wassen? Ik voelde niet de minste angst meer en beschikte over al m’n vermogens. Die waren vooral van niet-academische aard, want wat ik tekort kwam aan wetenschappelijke kennis compenseerde ik met kunstgrepen allerhande, het artistieke adagium indachtig dat alleen het resultaat telt, niet de manier waarop je het bereikt. Ja, ik pakte de examens heel kreatief aan. Ik beschouwde ze als een spel, maar verloor het doel nooit uit het oog.

Dit drempeloverschrijdende karakter heb ik ooit eens heel sterk beleefd in de voorbereiding op mijn proeflessen, want dat waren examens-in-het-kwadraat. Op een gegeven moment voelde ik me zodanig in het nauw gedreven dat ik als het ware uit mezelf werd geperst: ik steeg – letterlijk – boven mezelf uit en kwam terecht in een sfeer van louter rust en aanvaarding. Alle benauwdheid was op slag verdwenen en ik zei heel nuchter tegen mezelf: je moet hier doorheen, niks aan te doen, probeer er dus gewoon het beste van te maken! En dat deed ik. Er was niks veranderd, maar ik had me verzoend met mijn lot en daardoor werd alles een stuk eenvoudiger. 

Ik had, zou je kunnen zeggen, de Geest van het Karma ontmoet en hij bleek verrassend nuchter: hij verloste me van alle overtollige ballast zodat ik me kon concentreren op wat er moest gebeuren. Ik herkende hem ook in die heel speciale sfeer van broederlijkheid die tijdens de examens onder de studenten ontstond: we zaten allemaal in hetzelfde schuitje en wat ons tijdens het jaar had verdeeld werd nu opeens bijkomstig. We voelden ons één. Daardoor had de examenperiode toch ook iets aantrekkelijks, iets opwindends, alsof doorheen de uiterlijke ellende iets van de karmasfeer voelbaar werd. Op die manier waren examens voor mij een soort voorbereidende karma-oefeningen. Ze leerden me het karma kennen als iets wat in eerste instantie volkomen vreemd en zelfs verkeerd lijkt, maar dat bij nader inzien steeds kunstzinniger en steeds vertrouwder wordt. 

In mijn droom kreeg ik de examenvraag niet van een examinator (die hoog boven mij stond) maar van een behulpzame medestudent (die naast me zat). Het is dus alsof de vragen steeds dichter komen ook al is hun inhoud me nog altijd vreemd. Het doet me denken aan de zomeruniversiteit waarop ik straks zal moeten spreken. Dat is alweer een examen voor me, en nog geen kleintje. Maar dit keer wordt het me niet opgelegd. En ik heb de vraag van een ‘medestudent’ gekregen. Wel weet ik opnieuw veel te weinig van het onderwerp af en zal ik me dus weer op kunstzinnige wijze uit de slag moeten trekken. Maar als de Geest van het Karma me niet in de steek laat, zal ik er wel doorheen raken. Ik herken zijn hand trouwens in de ironie van het geval: ik ga niet alleen spreken op een ‘universiteit’, ik doe dat ook nog eens in de ‘sociale sectie’. Ja, hij heeft beslist gevoel voor humor, de Geest van het Karma …

Mijn Michaël (3)

Het is volle maan.
’s Nachts staat de melkwitte schijf als een groot vraagteken boven een verduisterde wereld.
Ik hou niet van de maan.
Als ik haar kille licht zie, wil ik zo vlug mogelijk naar binnen.
Als ik daarentegen het warme licht van de zon zie, wil ik zo vlug mogelijk naar buiten.
De zon is geen vraagteken, ze is een antwoord.
In deze Michaëlstijd zoek ik de zon, want mijn leven is één groot vraagteken geworden.
Ik zit klem, ik raak niet meer vooruit.
Er is bruusk een eind gekomen aan mijn oude leven.
En een begin van nieuw leven is nog niet in zicht.
De toekomst is gehuld in duister.
En in dat duister zoek ik het licht van een nieuwe zon.
Maar ik zal dat licht niet vinden als ik het raadsel van de oude maan niet oplos.
Om de toekomst in te kunnen stappen, moet ik mij omkeren naar het verleden.
Want ik ben een oude ziel, ik kan niet blindelings in actie schieten, ik mis de innerlijke zon van de jonge zielen.
Zij vinden instinctief hun weg in de toekomst, ik dwaal daar hulpeloos in rond.
Ik moet zien voor ik kan handelen, anders struikel ik over iedere steen.
Ik moet weten waarom ik iets doe, anders doe ik niks.
En vandaag MOET ik iets doen, anders verlies ik alles.

Dus keer ik mij om en kijk naar de weg die ik heb afgelegd in de hoop daar de richting te vinden die ik nu moet uitgaan.
Ik begin op het moment dat ik voor het eerst wakker werd en moest beslissen wat ik met mijn leven zou doen. Net als vandaag dus.
Ik was 18 en de poort het Mechelse Scheppersinstituut viel achter me dicht.
Eindelijk verlost van de school die haar naam alle oneer aandeed en gefixeerd was op wiskunde en wetenschap!
Tot dan had ik twee paden bewandeld: tijdens de week ging ik naar school (en werd ik wetenschappelijk gevormd), op zondag volgde ik academie (en werd kunstzinnig gevormd).
Nu moest ik kiezen.
Welke vorming zou ik voortzetten?
Mijn hart ging uit naar de kunst, maar de ratio sprak met vele stemmen.
De enige die mijn hart had kunnen steunen, was mijn tekenleraar aan de academie, maar hij gaf geen kik.
Alle anderen vonden dat ik naar de universiteit moest.
Daarna kon ik nog altijd kiezen, meenden ze.
Het klonk logisch en mijn hart kon er niet tegenop.
Dus sloeg ik de wetenschappelijke richting in, de weg van het verstand.

Vlak daarvoor had m’n tekenleraar, bijna terloops, tegen me gezegd: als je eens werk wilt zien van iemand die het tekenen tot in zijn uiterste consequenties heeft doorgevoerd, dan moet je gaan kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.
Het was de allereerste keer dat ik mijn leraar hoorde spreken over zijn eigen leraar, en iets in zijn stem trof me.
Vlak voordat ik naar Leuven zou vertrekken – het moet dus rond Michaël zijn geweest – besloot ik in een opwelling de tentoonstelling te bezoeken.
Omdat ik niet alleen wilde gaan, zocht ik gezelschap.
Dat vond ik in Paul S., het wiskundige genie van de klas.
Later zou hij computerprogramma’s voor hersenchirurgen gaan schrijven, maar nu vergezelde hij mij (vreemd genoeg) naar een kunsttentoonstelling.
Die tentoonstelling maakte een verpletterende indruk op me.
Pas 20 jaar later, toen ik in Brussel het werk van William Turner zag, zou een tentoonstelling me nog eens met zo’n kracht raken, de kracht van het genie.
Toen ik op die late septemberdag weer buiten kwam, was de wereld veranderd: ik zag hem niet meer met dezelfde ogen.
De volgende dag werd ik rillend en koortsig wakker.
Nierontsteking! zei de dokter en hij beval platte rust en een zoutloos dieet.
Mijn eerste week in Leuven bracht ik in volstrekte afzondering door, liggend op bed, starend naar witte muren, en levend op appelsap en zoutloze beschuiten.
Het zou een beeld blijken te zijn van mijn jaren aan de universiteit: opgesloten in een kale wereld, gedwongen tot de strengste ascese.

De keuze tussen kunst en wetenschap trof me in hart en nieren.
Het was het begin van een lijdensweg, of beter, een voortzetting ervan, want eigenlijk was hij al in de kleuterklas begonnen: mijn allereerste schooldag had ik namelijk ‘in de hoek’ doorgebracht.
De volgende dag was ik met geen stokken meer naar die strafinstelling te krijgen.
Maar wat vermag een kinderhart tegen de wereld van de volwassenen!
Ik zou in de loop der jaren een onoverwinnelijke afkeer voor de school ontwikkelen en een onverwoestbare liefde voor de kunst.
Wat me op school zo kwelde, was in de grond de tegenstelling tussen kunst en wetenschap.
De wereld van de wetenschap bleek van een vreselijke onkunstzinnigheid.
Alles wat ik in de kunst vond, miste ik op school.
Kunst en wetenschap stonden in mijn beleving tegenover elkaar als leven en dood, licht en duisternis, geest en materie.
In de wereld van de kunst vond ik louter schoonheid, vrijheid en menselijkheid, in de wereld van de wetenschap trof ik alleen maar lelijkheid, dwang en bedrog aan.

Ik trof er echter – geheel onverwachts – ook nog iets anders aan.
Af en toe ging er in de wetenschappelijke duisternis een licht schijnen.
Ik herinner me nog hoe ik op een dag, tijdens een les zinsontleding, opeens verliefd werd op de rede. Anders kan ik het niet uitdrukken. Het was alsof ik doorheen het dorre wetenschappelijke uiterlijk van die zinsanalyse keek en daar een wezen zag waarvoor ik meteen ‘viel’.
Later, in de nog diepere duisternis van de universiteit, zou ik opnieuw zo’n licht zien schijnen.
Ik vond er namelijk mijn vrouw en de antroposofie, beiden zeer nauw met elkaar verbonden, beiden zeer ‘wetenschappelijk’, beiden zeer ‘lichtgevend’.
En opnieuw viel ik, zij het niet meer zo vlug.

Na de universiteit moest ik opnieuw kiezen: wat wilde ik gaan doen?
Het plan was: ik ga lesgeven, want dan heb ik veel vrije tijd en kan ik naar hartelust tekenen zonder me zorgen te hoeven maken over geld.
Dat plan werd echter getorpedeerd tijdens mijn eerste proefles.
Ik was volkomen ongeschikt voor het onderwijs, dat leed geen twijfel.
Bovendien interesseerde de leerstof me totaal niet.
Ik had de richting gekozen waar ik het minst weerstand voor voelde, maar het was en bleef wetenschap.
En ik kon niet meer terug.

Daar stond ik dan.
Wat moest ik doen? Lees: hoe moest ik geld verdienen?
De kunst was inmiddels van de radar verdwenen.
Ik was zo diep in de duistere, wetenschappelijke wereld verwikkeld geraakt, dat ik haar uit het oog had verloren.
Ze was nog slechts een vage herinnering uit een vorig leven.
De keuze was nog moeilijker dan vijf jaar tevoren.
Toen moest ik kiezen tussen kunst en wetenschap.
Nu bleef er alleen nog wetenschap over.
Ik wilde niet kiezen, ik kon niet kiezen, ik tastte volkomen in het duister.

Dus liet ik opnieuw anderen voor me kiezen.
Zo belandde ik in Brussel, als ambtenaar op een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Opnieuw een grauwe, kleurloze wereld vol regels en wetten waar ik niks van begreep.
Er leek geen einde te komen aan de duisternis.
Gelukkig brandde er ook hier een lichtje: ik vond er Brigitte, een flamboyante, zelfverzekerde Waalse. Ze was mijn complete tegendeel, maar het klikte meteen.
De hele dienst was ervan overtuigd dat we een relatie hadden, en daar moesten we allebei hard om lachen.
Maar ondanks die vriendschap had ik het gevoel een rol te spelen in een toneelstuk waarmee ik geen enkele affiniteit voelde.
Ik leefde andermans leven, niet het mijne.
Uiterlijk ging alles goed: ik trouwde, we kregen kinderen, we konden ieder jaar op vakantie, we hadden geen geldzorgen.
Maar innerlijk ging ik langzaam dood.

Aan dat schijnbestaan kwam een eind toen mijn (tijdelijke) contract niet hernieuwd werd.
Het was mei: de wereld stond in bloei en de vogeltjes floten.
Ik voelde me als een vogel die uit zijn kooi ontsnapt.
Maar de lentevreugde was van korte duur.
Niet alleen moesten we nu met vijf mensen zien rond te komen van mijn stempelgeld (An was gestopt met werken om bij de kinderen te kunnen zijn), maar na de zomer viel ik ook nog eens in het welbekende zwarte gat.
Er was een eind gekomen aan mijn ‘wetenschappelijke’ weg, maar nu bleef er helemaal géén weg meer over.
Ik zag geen hand voor de ogen: alles was één grote duisternis.

Vlak voor ik die duisternis in ging, was er opnieuw een licht gaan schijnen.
Op mijn 30ste verjaardag zat ik lusteloos voor me uit te staren. Zonder te kijken greep ik in de boeken die naast de zetel op de grond lagen.

Mijn onschuldige hand haalde de ‘Filosofie der Vrijheid‘ van Rudolf Steiner boven.
Ik dacht: ach ja, waarom ook niet!
Dat boek of een ander: alles was goed om de leegte te vullen en de tijd te doden.
Ik begon te lezen en las het boek in één ruk uit.
Toen ik het dichtsloeg, was ik antroposoof geworden.
Zomaar, in één klap.
Ik had al talloze discussies gevoerd met An, die van bij haar eerste kennismaking met de antroposofie (op een ‘onderwijsbeurs’ in Leuven) overtuigd was, maar in al die jaren was ze er niet in geslaagd ook mij te overtuigen.
Onze kinderen gingen naar de steinerschool en dat vond ik prima want ze konden er naar hartelust tekenen en schilderen. Maar de achterliggende ‘wetenschap’, de antroposofie, nee daar moesten ze bij mij niet mee afkomen.
Mijn afkeer voor wetenschap zat veel te diep.

Toen ik op die novemberavond de Filosofie der Vrijheid las, overkwam me hetzelfde als destijds tijdens die les zinsontleding: ik keek dwars door het dorre, wetenschappelijke uiterlijk van dat boek heen. En wat ik zag deed de ijzeren banden rond mijn hart losspringen.
Ik werd verlost van de kwellende overtuiging dat wat er in mezelf gebeurde niets te maken had met de wereld daarbuiten en dat ik me dus aan die buitenwereld diende aan te passen om niet in peilloze eenzaamheid weg te zinken.
Er was maar één werkelijkheid, vertelde Rudolf Steiner me, en binnen en buiten waren de twee kanten van dezelfde medaille.
Op slag sloot ik de man in mijn hart, niet omdat ik hem begreep maar omdat hij mij bevrijdde.
Ik had me zeven jaar lang tegen hem verzet, hevig verzet, maar nu gaf ik me over, onvoorwaardelijk.
De Filosofie der Vrijheid, een boek waar ik met mijn verstand niet bij kon, had rechtstreeks tot mijn hart gesproken en dat hart – neergeslagen en verpletterd als het was door de moderne wetenschap – was opgesprongen.

Een week later trof ik in de boekhandel een ander antroposofisch boek aan: Van Bethlehem tot de Jordaan. Het ging over de kinderjaren van Jezus en was geschreven door ene Emil Bock.
Ik herinner me nog de aarzeling die me overviel.
Jezus?
Die had ik al lang achter me gelaten. Ik had met kerk of christendom niks meer te maken. Religie deed me alleen nog geeuwen.
Maar ik redeneerde: als Steiner de waarheid sprak – en dat geloofde ik – waarom zou hij dat dan ook niet doen over Christus?
Ik kocht het boek.
Al van bij de eerste bladzijde was ik verrukt.
Zo wetenschappelijk als de Filosofie der Vrijheid was, zo kunstzinnig was datgene wat Emil Bock in beeld bracht.
Ik had nog nooit gehoord over twee Jezuskinderen.
Mijn verstand begreep dat het ketterij was, maar voor mijn gevoel sprak het vanzelf.
Natuurlijk waren er twee Jezussen!
Hoe kon het ook anders!
De ene Jezus, de oudere ziel, was een wetenschapper: de verstandigste man ter wereld.
De jongere Jezusziel was een kunstenaar: een scheppende dromer, één en al hart.
De oudere had de jongere zo lief dat hij zich opofferde en één werd met de ander.
De wetenschapper werd kunstenaar en de kunstenaar werd wetenschapper.
Met die ‘verenigde’ mens verbond zich vervolgens de Christusgeest.
De nieuwe ‘drieledige’ mens leefde drie jaar op aarde tot hij zich opofferde en één werd met de hele mensheid.

Het verhaal van de twee Jezuskinderen sprak me zo diep aan dat het mijn liefste thema uit de hele antroposofie werd.
Het was de kunstzinnige, beeldende versie van wat Steiner in de Filosofie der Vrijheid in droge, scherpe, wetenschappelijke begrippen had uitgedrukt.
De twee Jezuskinderen, de oude en de jonge ziel, waren de twee kanten van dezelfde medaille, net als het (wetenschappelijke) denken en het (kunstzinnige) waarnemen. Samen openden ze de blik op de werkelijkheid waarin we leven: Christus.

Ik leerde dus vlak na elkaar de wetenschappelijke én de kunstzinnige antroposofie kennen.
De eerste richtte zich tot mijn verstand en bevrijdde me: ze maakte de weg naar de toekomst en de wereld vrij.
De tweede sprak mijn gevoel aan en verzoende me weer met het verleden: het was dus toch niet alles leugen en bedrog geweest op school!
De Broeders van Liefde die me zo gekweld hadden met hun wetenschap, hadden me ook de beelden van het christendom leren kennen.
Daar was aan de academie geen sprake van geweest.
Daar heerste de Griekse geest: de geest van de schoonheid, de geest van de filosofie ook. Want leren denken heb ik niet op school gedaan, dat heb ik aan de academie geleerd, van de rabiate atheïst die mijn tekenleraar was.
In de antroposofie leken die twee ‘geesten’ – de geest van de wetenschap en de geest van de kunst – samen te komen en het voertuig te vormen voor een derde, alomvattende geest. En welke taal die geest ook sprak – die van de wetenschap of die van de kunst – hij sprak rechtstreeks tot mijn hart.

Mijn ontmoeting met de antroposofie was dus drieledig, maar het buitengewoon complexe samenspel van die drie leden – wetenschap, kunst en religie – kon ik toen niet begrijpen, ik kon het alleen maar beleven.
Het werd me allemaal karmisch aangereikt in de vorm van een leven dat ik lijdzaam onderging en waar ik geen enkele greep op had.
Ik had geen flauw vermoeden dat het in wezen een kunstwerk was, een mysteriespel vol verborgen betekenissen.
In mijn ogen was het een opeenstapeling van toevalligheden, verkeerde beslissingen en mislukkingen. Ik vond dan ook de kracht niet om er tegenover te gaan staan. Ik viel er gewoon mee samen.

De mensheid gaat vandaag over de drempel.
Ieder leven is een mysteriespel geworden.
Mensen verliezen de greep op hun leven, ze worden meegesleurd in een maalstroom en ze zijn al blij als ze het hoofd boven water kunnen houden.
Rari nantes in gurgite vasto.
‘Zeldzaam waren de zwemmers in de grote draaikolk.’
Het is het enige latijnse zinnetje dat me uit mijn schooltijd is bijgebleven.
Onbewust herkende ik er mijn eigen leven in, onbewust herkende ik er onze tijd in.
Het moderne leven is een draaikolk waardoor we naar beneden worden gezogen.
Mensen hebben het steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden.
800.000 dosissen antidepressiva per dag: zo stond het onlangs in de krant.
Bijna een miljoen Vlamingen die zonder dagelijkse pillen kopje onder zouden gaan.
We verliezen langzaam het hoofd, letterlijk en figuurlijk.
En toch hebben we dat hoofd nodig. De draaikolk van het moderne bestaan zal niet tot bedaren komen zolang we de oorzaak ervan niet begrijpen.
Er moet licht ontstaan in de duisternis en dat licht moet de mens zelf aansteken.
Hij moet het mysteriespel van het moderne leven leren begrijpen.
En welk mysteriespel kent hij beter dan zijn eigen leven!
Hij kent het van binnen, maar hij moet het nu ook van buiten leren kennen.
Hij moet het beleven in zijn hart, maar hij moet er ook tegenover gaan staan met zijn hoofd.
Het eerste kan hij niet vermijden: het is zijn karma.
Maar het tweede kan hij alleen vrijwillig doen.
Niemand kan hem verplichten om naar zijn eigen leven te kijken.
Niemand kan hem verplichten om zon én maan zijn.
En toch is dat de enige manier om licht te ontsteken in de duisternis.
Toch is het de enige manier om verder te kunnen.

(wordt vervolgd)

Klasseuh!

Aha, Klasse in de bus!
Dat betekent weer lekker griezelen.
Lezen over school en weten dat je er nooit, nooit meer naartoe moet: héérlijk!

Wat heeft het hippe maandblad voor onderwijs in Vlaanderen dit keer in de aanbieding?

Drie lezersbrieven over ICT op school.

De eerste begint als volgt: ‘Als leraar zedenleer haal ik graag de wereld binnen via de computer. Er bestaat zoveel op YouTube, nieuw- en radiowebsites, websites zoals Mobile School, WWF, Unicef …’
En dan volgt de klacht dat er niet genoeg geld is voor ICT.
Getekend, Anouk Leys.
De derde brief is één lange lofzang op ICT in het onderwijs: ‘Niets zo leuk en aanschouwelijk als werken met beamer en laptop in je klas. Voor jongeren wordt wiskunde leuker, actualiteit actueler en taal levendiger. Na dertig jaar les voor een bord kan ik me nu als leraar op een veel gevarieerdere en interessantere wijze uitleven. Met de beamer leer je gevarieerd en spelenderwijs leren. De lessen zijn ook veel interactiever.’ Enzovoort, enzovoort.
Ondertekend, Stefan Noppen.

Maar wat lees ik daartussenin, in de korte tweede brief, ondertekend met ‘naam en adres gekend bij de redactie’?

20140104-222921.jpg

‘De waarde van computers in het onderwijs wordt mijns inziens overschat, de schade onderschat. Mijn dochter oefende voor nieuw aangebrachte leerstof Nederlands online. Steeds alles juist. Toen de test op school klassikaal werd ingevoerd, behaalde ze niet eens de helft van de punten. Sindsdien zijn online oefeningen afgeschaft, en oefenen ze terug op de klassieke manier. De vooruitgang is verbluffend. In de lagere school worden klassieke methoden ten onrechte vervangen. Als ik de taalregels op een klassieke manier uitleg, wordt alles plots veel duidelijker en eenvoudiger.’

In your face, zou monnik Giel vanuit Tibet zeggen.

Dan volgen 10 bladzijden ellende van beginnende leerkrachten.
Je vraagt je af wat mensen bezielt om nog les te willen geven.

Maar wacht! Er is nog meer slecht nieuws.
Volgens een nieuwe Pisa-studie zijn de Vlaamse leerlingen er de afgelopen 9 jaar sterk op achteruitgegaan. Ze scoren beduidend slechter. Ze leveren minder topprestaties. Vlaanderen zakt weg uit de groep van de toplanden. Het behoort nu tot de subtoppers.
Het lijkt verdorie de Jupiler League wel!
Maar Pisa maakt wel duidelijk waar het in het moderne onderwijs om gaat en wat iedere leerling héél goed weet: om de punten natuurlijk!
Of wat had u gedacht?

20140104-224226.jpg

Ik vraag me af of het geen goed idee zou zijn om play offs in te voeren, een eindronde waarin de toppers nog extra punten kunnen scoren en aldus nog topperder worden.
Wie weet kan Vlaanderen in de vaart der volkeren dan weer aanpikken bij topperdetoplanden als Macao-China, Taipei-China, Hongkong-China, en – de crème de la crème, het topland der toplanden: Shanghai-China!
Misschien moeten we er gewoon korte metten mee maken en het communisme invoeren.
Liefst vóór de moslims de sharia invoeren, want dan is ’t helemaal afgelopen met PISA-rangschikkingen en OESO-gemiddelden.

De vraag dringt zich natuurlijk op waarom Vlaanderen niet meer top is, waarom ons onderwijs zo achteruitboert in vergelijking met Macao-China, Taipei-China, Hongkong-China en andere parels der beschaving.
Klasse zou geen klasse hebben als het daar geen antwoord op zocht.
Het vond dat antwoord in Parijs, het Mekka van de OESO, alwaar Vlaams topman Dirk van Damme op topniveau onderwijssystemen onderzoekt en vergelijkt.

20140104-224509.jpg

Top-Dirk ziet het somber in: ‘Ons onderwijs is niet klaar voor de 21ste eeuw.’

AAAARGHHH !!!

Ik wist dat het slecht ging met ons onderwijs (dat weet ik al van mijn eerste dag in de kleuterklas) maar zó erg?
Niet klaar voor de 21ste eeuw, dat betekent … de aansluiting verliezen met Macao-China, Taipei-China, Hongkong-China, kortom met alle Chinezen.
Het wordt dan, zoals ze in Antwerpen zeggen: mè alle chinèèze, mor ni metten dèèze.
En dat is in één woord: afgraasselak!

Wat heeft deze ramp over ons afgeroepen?
Dat vertelt ons Dirk van Damme, onze topman in het OESO-hoofdkwartier, vanachter zijn bureau en studies vol grafieken en vergelijkende analyses van de 34 OESO-landen.
Het probleem zijn … de ouders.
‘Het gezin, zegt hij, functioneert op dit moment als instelling minder goed dan het onderwijssysteem.’
Maar het zijn niet alleen de ouders, het zijn ook … de leraars.
Vlaamse leraars staan heel erg op hun individuele autonomie.
Een omzendbrief, een minister die plannen maakt, dat ervaren ze als bedreigend.
En, zegt blozende Dirk, dat strookt helemaal niet met de professionaliteit die we van een leraar in de 21ste eeuw verwachten.
We moeten meer collectief gaan denken.
Zoals de Chinezen.

Dat romantische beeld van de individuele leraar die zijn leerlingen begeestert, dat is volgens slimme Dirk ‘een ongelofelijk probleem’.
Vlaamse leraren moeten dringend aan team-teaching en differentiatie doen.
De diversiteit van de leerlingen begrijpen, analyseren en ermee omgaan, dat is wat moet gebeuren.

Er is nog een ander ernstig probleem: de instroom in het eerste jaar van de lerarenopleiding is niet goed genoeg.
Maar er is meer aan de hand.
De Vlaamse leraren zijn niet wetenschappelijk genoeg.
Dirk: ‘Ik kan wel begrijpen dat het enkele jaren duurt vooraleer wetenschappelijke kennis doorsijpelt, maar toch geen honderd jaar, zoals bij de leraren?’

20140104-224928.jpg

U merkt het, Dirk van Damme, professor onderwijskunde en hoofd van de ‘Innovation and Measuring Progress Division’ van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, u weet wel, die instelling waar ze Yves Leterme gedumpt hebben toen ze er niks meer konden mee aanvangen, wel deze OESO-Dirk vindt de Vlaamse leraar een achterlijke, bekrompen zak die nog in het begin van de 20ste eeuw leeft, zo ergens tussen de Grote Oorlog en de opkomst van Rik Coppens baa den Beirschot.
Hij drukt het wel niet zo wetenschappelijk uit, maar het komt op hetzelfde neer.
In één woord (het zijne): hallucinant!

Kijk, dat is waarom ik zo graag Klasse lees: ik word er helemaal vrolijk van!
Denk u even met mij mee:
Slechte ouders, achterlijke leraren, hallucinante opleiding, onbestaande ICT-support, 100 jaar achterstand op wetenschappelijk gebied, en toch halen de Vlaamse kindertjes nog de subtop, vlak na Macao-China, Taipei-China, Hongkong-China en Pingpong-China?
Dat kan maar één ding betekenen: Vlaamse kinderen zijn … geniaal.
Al stuurde je ze NIET naar school, ze zouden nóg de subtop halen, na jeweetwel, al die Chinezen.

Als dát geen goed nieuws is om 2014 mee te beginnen, dan weet ik het ook niet meer.

20140104-225017.jpg

Een Pad in de korf

Fnac start haar Back to School campagne met het beeld van een lessenaartje en een stoel.
Ik had u dat beeld graag willen tonen, maar om de een of andere reden wil de foto niet op mijn blog verschijnen.
Hoe zou je zelf zijn!
Het werkblad van de lessenaar is namelijk een … iPad.
Jawel!
Moderne coole kindertjes worden verondersteld op een iPad te leren, en die iPad kunnen ze kopen bij Fnac.
Je kunt daar ook het boek ‘Digitale Dimensie’ kopen, maar daar wordt geen reclame voor gemaakt, en zeker niet op manshoge affiches zoals voor de school-iPad.
Aan boeken valt immers veel minder te verdienen.
Geen enkel kind zaagt zijn ouders de oren van het hoofd om … een boek.
Om iPads daarentegen…
En iPods, en iPhones!

Ja, de kortste weg naar de portemonnee van de ouders loopt via de kinderen.
Daar hoeven ze bij Fnac geen boeken voor te lezen.

is te koop bij Fnac, maar zelf lezen is er blijkbaar niet bij.
Het zou trouwens geen verschil maken.
Aan een iPad verdien je véél meer dan aan een boek.
En de kinderen?
Die moeten het geld juist uit de zakken van hun ouders kloppen, dummie!

Constipatie en indoctrinatie

Nog een dikke week en het is Grote Vakantie. Voor mij maakt dat niet veel verschil, ik heb altijd vakantie. Maar als ik in de antroposofische bibliotheek wat vakantielectuur wil inslaan, dan zal het nu ongeveer moeten gebeuren, want de ‘sofische bib’ volgt het schoolritme.
Ik kijk naar de lucht. Zal ik het wagen?
Ze voorspellen zware buien, dramatische toestanden. Maar ‘ze’ zitten er vaak naast. Behalve natuurlijk wanneer ze voorspellen dat de opwarming van de aarde zal leiden tot de overstroming van de Lage Landen. Wanneer zou dat ook weer gebeuren? In 2010. Ja, ik weet het nog. Grote kop in De Morgen: Den Haag in 2010 onder water! Ik was in 2011 toevallig in Den Haag en het zag er daar behoorlijk droog uit. Niks te merken van enige overstroming. Geen probleem echter voor het WWF (Warming Warning Front). Schuiven ze die datum gewoon een paar jaar op. Dat doen alle ondergangsprofeten. En weersvoorspellers. Het gaat regenen, dat staat vast. Is het vandaag niet, dan morgen. Of overmorgen. Of volgende week.
Maar ik moet het dus nú weten.
Ik besluit op mijn eigen buienradar te vertrouwen.
Die zegt me dat het vandaag waarschijnlijk precies zo zal zijn als gisteren en eergisteren: er zit regen in de lucht, maar ze komt er niet uit. Om het wetenschappelijk uit te drukken: het weer is geconstipeerd. En dat kan lang duren, ik kan ervan meepraten.
Ik besluit het erop te wagen.
Paraplu onder de snelbinder (je moet de weergoden niet uitdagen) en hop, de fiets op.
Van Destelbergen naar Gent is een kleine 10 kilometer. Langs de Schelde. Ik doe er een klein halfuur over. Wie vakantie heeft hoeft zich niet te haasten.
Als ik aan de Lousbergskaai binnenstap zie ik zowel Hélène als Mieke zitten.
Is dat om de grote stormloop op te vangen? vraag ik.
Tuurlijk, zegt Hélène, twee maanden voor hetzelfde geld, zo’n kans laat niemand voorbijgaan!
Ze bedoelt: wie nu boeken ontleent, hoeft ze pas na de vakantie terug te brengen.
Dat is ook de reden waarom ik nog eens binnenspring.

Ik lees niet zoveel meer. Misschien nog meer dan een gemiddeld mens, maar véél minder dan vroeger. Als kind las ik alles wat ik te pakken kon krijgen. Vooral Vlaamse Filmkens (waar háálden ze die naam?) en de boeken van Karl May (de avonturen van Winnetou en Old Shatterhand). Van zodra ik mocht, ging ik naar de bibliotheek. Die van Mechelen. Wie ze kent, weet wat dat betekent. Beter kon ik het niet getroffen hebben. Ik las ooit ergens dat het een van de beste openbare bibliotheken van West-Europa was. Of dat waar is, weet ik niet. Maar je vond er wel de Verzamelde Werken van Tsjechow, Tolstoj, Dostojewsky, Gogol, enzovoort. In het Nederlands én in het Russisch. Ga daar vandaag maar eens naar zoeken!
Wel, die voortreffelijke bibliotheek heb ik zowat half uitgelezen. Iedere zaterdag vijf boeken. Jaar in jaar uit. Ik heb zelfs nooit een boek moeten kopen toen ik Germaanse studeerde. Ze hadden ze allemaal in Mechelen. Dat is nog eens opvoeding des volks!
Toen ik de antroposofie leerde kennen, had ik zowat de hele wereldliteratuur achter de kiezen. Er ging nu een nieuwe bibliotheek voor me open. Rudolf Steiner heeft namelijk in zijn eentje een hele bibliotheek volgeschreven en -gesproken. Zijn Verzameld Werk is het grootste ter wereld: 500 boekdelen! Voeg daarbij nog eens al de boeken van zijn volgelingen, en men begrijpt dat ik alweer zoet was voor vele jaren.
Rond mijn 40ste begon ik zelf te schrijven, en dat vond ik veel leuker dan alleen maar lezen.
Dat laatste begon er langzaam maar zeker bij in te schieten. Wie Steiner een beetje kent, begrijpt dat. Zware lectuur! Vraagt veel spijsvertering. En daar had ik steeds minder geduld voor. Moge Herr Doctor het mij vergeven.
Nu lees ik eigenlijk alleen nog wat thrillers, en nieuwe antroposofische boeken. In het Nederlands. Duits lees ik niet. Ben ik veel te lui voor. In de antroposofische wereld scheelt dat een slok op een borrel, want Duits is daar de voertaal.

Wat was er voor nieuws in de aanbieding?

Het nieuwe boek van Bruno Skerath!
Ik had zijn vorige na veel aarzelen gelezen en was niet bedrogen uitgekomen. Er stond niet veel nieuws in, behalve dan zijn hoofdstuk over het ‘Absoluut Boze’. Dat was even slikken! Ik mocht dan wel een slecht karakter hebben en behept zijn met een meer dan gemiddeld aantal ondeugden, maar diep van binnen was ik ondanks alles een mens van goede wil. Vond ik. En daarin wist ik me gesteund door Rudolf Steiner. Komt Bruno Skerath me nu vertellen dat het net omgekeerd is: in zijn diepste wezen is de mens slecht, want een schepping van het Absoluut Boze. Maar gelukkig is hij geadopteerd door de Goede God die rond die rotte kern een mooi kleedje geweven heeft.
Dié theorie had ik nog nooit gehoord, zeker niet in de antroposofie. En nu kwam een vooraanstaand antroposoof doodleuk vertellen dat wat goed is eigenlijk slecht is, en omgekeerd.
Welpotjandorie!
U begrijpt dat ik Skeraths nieuwe boek (Waar komen we vandaan? waar willen we naartoe?) met een argwanend oog bekeek. Maar ik bladerde er even in en gaf me gewonnen. Geen dubieuze en mensonluisterende theorieën dit keer, maar feiten. Ongewone, weinig bekende feiten. Spannend!
Nam ik ook nog mee: een dun boekje van Sergej Prokofieff. Dat moet gesteund worden, vind ik: Prokofieff die dunne boekjes schrijft! Gewoonlijk zijn het dikke turven die ik graag lees maar meteen weer vergeet. Te veel is te veel. Wat zei Goethe ook alweer? In der Beschränkung zeigt sich der Meister. Prokofieff zou Goethe toch eens moeten lezen.
Nam ik eveneens mee: de Kosmische Christus door Hans-Werner Schroeder. Niet mijn favoriete schrijver, maar als het over Christus gaat, kijk ik niet nauw. Ik wil álles over hem – ik bedoel natuurlijk Hem – weten. Krijg ik nooit genoeg van. Een oude ziel weetuwel.

Ziezo. Nu ben ik literair gewapend tegen de Grote Vakantie. Een beetje spiritualiteit tussen al dat zomerse dionysische gedoe door is nooit weg. Even afrekenen. Mieke scheldt me voorwaar 5 cent kwijt! Het geluk zit in kleine dingen.

En het regent nog altijd niet.

Op de hoek van de Eendrachtstraat met de kleine ring (ik ben altijd blij als ik de Schelde in zicht krijg) zie ik aan de overkant een steinerschoolklas staan wachten om over te steken. Kijk, denk ik, een groepje zwaar geïndoctrineerde jongeren! Dat las ik namelijk gisteren nog op een bekende lasterblog: kinderen worden op Steinerscholen van jongs af stiekem geïndoctrineerd met de verderfelijke Steiner-ideologie. Welja, laat de bloempotten maar vliegen!
Die arme jongeren kwamen van het ‘landbouweiland’, een merkwaardige plek die midden in de Schelde ligt (of wat daar op die plek nog van de Schelde overblijft). Daar hadden ze die middag met hun handen (stel je voor!) in de grond (stel je voor!) zitten woelen. Ajuinen planten (of oogsten), prei snoeien, tomaten oppoetsen, onkruid wieden, water gieten, enfin u kent dat wel.m

Ik zou zeggen: leve dat soort ‘indoctrinatie’!

In de Teunisbloem, de tweede Gentse Steinerschool, maken ze het nog bonter. Ze hebben daar bij de kleuters namelijk een ‘buitenklas’. Dat houdt in dat de kleuters de hele ochtend buiten doorbrengen in een nabijgelegen natuurgebied. Weer of geen weer, ze zijn de hele tijd buiten. Zomer én winter. Of het nu gloeiend heet is of vriest dat het kraakt, of het nu regent of stormt, het kleine grut wordt de deur uitgejaagd. ’s Middags komen ze terug en de rest van de dag slapen ze, want die kleine ukjes zijn natuurlijk helemaal afgepeigerd.
Dat is geen indoctrinatie meer, dat is pure kindermishandeling!
Ik hoor de verontwaardiging al trillen.
Dat de kinderen de tijd van hun leven beleven, dat ze blaken van gezondheid, dat ze veel minder vaak ziek zijn, dat is allemaal niet van tel. Die vermaledijde Steinerscholen moeten in het gareel! De Staat betaalt en dus moeten ze luisteren! Ja, steinercritici zijn heel staatsminded! Correcte jongens allemaal. Figuurlijk gesproken dan.
Vroeger had ik flink wat medelijden met mezelf omdat er in mijn tijd vrijwel geen Steinerscholen waren in Vlaanderen. Nu is dat over. Ik denk nu aan al die kinderen die opgesloten zitten in reguliere scholen en daar niet buiten kunnen spelen, niet met hun handen in de grond wroeten, niet zingen, geen hout bewerken, geen koper slaan, niet weven en breien, geen muziek maken, geen toneel spelen, en ik vergeet nog wel een paar indoctrinatiemethoden. Ik ben op mijn oude dag nog altijd blij dat ik niet meer naar zo’n indoctrinatievrije school hoef. Het is alweer een tijdje geleden dat ik in paniek wakker schoot omdat ik gedroomd had dat ik nog op school zat. Een gewone reguliere eindtermenschool, niet zo’n indoctrinerend Steinerkamp.