Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Schorpioen

Adriaen Brouwer (15)

  

Toen ik voor de tweede keer naar Adriaen Brouwer ging kijken, was het Allerzielen. De zon scheen stralend en onderweg naar Oudenaarde keek ik mijn ogen uit naar de grijsbruine herstkleuren met hun stralend gele en gloeiend rode accenten. Opeens viel het me in: dit zijn precies de kleuren waarmee Brouwer schildert! Hij is een bij uitstek ‘herfstige’ schilder. Zijn werk vertoont de typische transparantie die de natuur krijgt in november: de bomen verliezen hun bladeren en je kunt overal doorheen kijken. Zo kijkt ook Scorpio naar de wereld: niets blijft verborgen voor zijn doordringende blik. Zoals hij de natuur uitkleedt, zo kleedt ook Brouwer de mens uit: hij zet hem in zijn hemd. Dat levert ontluisterende beelden op, maar doet tevens een mysterieuze schoonheid verschijnen: de schoonheid van de stervende ziel die zich losmaakt uit het lichaam en zich hult in louter kleuren. Zoals de aarde een beetje zon wordt als gele en rode bladeren haar bedekken, zo heeft ook de herfstige wereld van Adriaen Brouwer zonnekwaliteiten.

Natuurlijk heeft Scorpio ook een duistere kant: de kille, door merg en been gaande natheid van de herfst, die onder je huid kruipt en waartegen je je niet kunt verweren. Dat aspect wordt bij Brouwer zichtbaar in zijn gore kroegen, maar ook in de onheilspellende figuren die er zich in verbergen. Soms dragen ze een masker, soms hebben ze een dierenkop. Lugubere schimmen zijn het, echte dubbelgangersfiguren. Vreemd genoeg merk je hun aanwezigheid niet op, evenmin als het feit dat Brouwer sommige andere figuren ‘verminkt’: ze missen een arm, een been, een hand of zelfs een hele onderkant. Heel bizar. Waarom zou hij dat doen? Eén ding is zeker: Brouwer weet de onheilspellende Schorpioen heel goed te camoufleren. Ook dat hoort bij dit teken: camoufleren en verbergen is zijn tweede natuur, de keerzijde van zijn transparantie. Niemand komt op het idee iets te zoeken achter Brouwers transparante schilderijen. Wat zouden ze kunnen verbergen? Tonen ze de mens niet juist zoals hij is, zonder masker, onopgesmukt?

Het duurt een tijdje voor je in dit werk het dubbele karakter van het novemberteken ontdekt: de lage schorpioenkant en de verheven adelaarskant. Hoever beide tegenpolen ook uit elkaar liggen, Brouwer slaagt erin ze te verenigen en daardoor onzichtbaar te maken. De duistere dubbelgangersfiguren en vreemde verminkingen blijven onopgemerkt. Niemand voelt de dreiging van de Schorpioen, wel integendeel, het is een vrolijke boel bij Brouwer. Maar niemand merkt ook iets van de verheven inzichten van de adelaar. Geen mens zoekt iets diepzinnigs in het werk van deze drinkebroer, deze nar, deze Tijl Uylenspieghel. Wellicht is dat de reden waarom zijn werk in de vergetelheid is geraakt: men vindt Brouwer veel te gewoon, veel te oppervlakkig. Hij is een humoristische noot in de kunstgeschiedenis, meer niet. Groter vergissing kan men natuurlijk niet maken. Als er ooit een ‘occulte’ schilder is geweest – in alle betekenissen van het woord – dan wel Adriaen Brouwer.

Die ‘verborgen’ dimensie beperkt zich niet tot zijn schilderijen en zijn leven. Ze strekt zich ook uit tot de kijker. Mijn eerste bezoek aan de tentoonstelling verliep onder de auspiciën van Michaël: een heerlijke nazomer, een verkwikkende fietstocht, een rustig museum – wat wil een mens nog meer! Maar na mijn tweede bezoek werd ik geconfronteerd met de keerzijde, met de draak zeg maar. Toen ik de tentoonstelling verliet, weerklonk er door het hele stadhuis een kabaal alsof er beneden een fuif aan de gang was. De overgang van kunst naar werkelijkheid was bepaald ontnuchterend. De vorige keer had ik het ook al gehoord, maar ik had er geen aandacht aan geschonken, vol als ik was van mijn eerste ontmoeting met Brouwer. Het lawaai bleek afkomstig van de ‘educatieve voorstelling’ op het gelijkvloers: in een met glas afgeschermde ruimte werden de schilderijen van Brouwer, enorm uitvergroot, op de muren geprojecteerd terwijl uit de boxen een met muziek afgewisselde uiteenzetting over leven en werk van de schilder schalde. 

Ik wilde dit audiovisuele inferno snel passeren, toen ik aangesproken werd door een keurige mevrouw van de organisatie die me vroeg of ik de presentatie al had gezien. Nee, antwoordde ik naar waarheid. Of ik niet geïnteresseerd was? Toch wel mevrouw, maar mijn zenuwen zijn niet bestand tegen zoveel decibels. Dat leek op haar geen enkele indruk te maken, en dus vroeg ik: waarom staat dat geluid eigenlijk zo hard? O, antwoordde ze, enigszins verrast omdat ik dat zelf niet had kunnen bedenken: dat is voor de slechthorenden! Die had ik niet zien komen, en ik stond even met mijn mond vol tanden. En de goedhorenden, vroeg ik, moeten zij dan maar watten in hun oren stoppen? Daar kon ze niet om lachen. Wij willen ook de slechthorenden de gelegenheid bieden om kennis te maken met Adriaen Brouwer, zei ze een beetje bits. Het klonk alsof ze me een auditieve racist vond, en ik slikte gauw mijn volgende vraag in: en hoe zit het eigenlijk met de slechtzienden, wordt er voor hen ook iets gedaan? 

Was het dit soort domheid waarvoor Adriaen Brouwer wegvluchtte in zijn kroegen, buiten het bereik van ’s werelds ydel goet? Werd ook hij geconfronteerd met de morele schone schijn van zijn tijd en zocht hij daarom het gezelschap van deplorables die lak hadden aan de 17de eeuwse politieke correctheid? Blijkbaar is die schaduw hem gevolgd tot in de 21ste eeuw, want het lawaai in het museum en het gekakel van de audiogids lijken Brouwer nog altijd het zwijgen te willen opleggen. Deze schilder spreekt in stille herfstbeelden, in een taal die onhoorbaar is door het luide gesnater en getater van onze tijd. De moderne mens is als de dood voor de stilte waarin beelden beginnen spreken. Hij is bang voor hun fluisterende stem, die spreekt van een heel andere wereld dan waar de woorden over toeteren, de luidruchtige, geleerde, abstracte woorden die ons van ’s morgens tot ’s avonds omringen, als een cordon sanitaire dat ons moet beschermen tegen wat beelden ons willen vertellen.

We leven in een herfstige wereld, een wereld die steeds donkerder wordt. De beschaving verliest haar bladeren, de doodskrachten rukken op. Het zijn apocalyptische tijden, vol dreiging, verminking en ontbinding. Echte Scorpio-tijden. Maar apocalyps betekent ook openbaring: er wordt in onze tijd een mysterie zichtbaar dat gekend wil worden. Het spreekt met stille stem, in beelden die doorzien willen worden, zoals de beelden van Adriaen Brouwer. Ze lijken trouwens in elkaar over te gaan: de beelden van Brouwer en de beelden van onze tijd. In de prachtige raadzaal van een prachtig stadhuis hingen in gouden lijsten de meest ontluisterende kroegtaferelen die een kunstenaar ooit geschilderd heeft. Is dat geen sprekend beeld van onze moderne wereld? Nooit was er zoveel rijkdom, nooit was er zoveel pracht, maar al dat bladgoud verbergt een wereld die tot een gore kroeg is geworden waar de mens zich overgeeft aan zijn dierlijke driften en zijn bewustzijn verdooft met drank en drugs.

Maar ook het omgekeerde is waar. Zoals de vuile, stinkende kroegen van Brouwer een diep mysterie verbergen, zo verbergt ook onze vuile, stinkende, moderne wereld een onvermoed geheim, een kerstgeheim. De stal waarin destijds het Jezuskind werd geboren, bevond zich in een donkere grot waar mensen zich in vroeger tijden hadden overgegeven aan hun laagste driften en hun menselijkheid helemaal verdoofd hadden. Uitgerekend op die duistere plek werd het nieuwe licht ontstoken, zoals ook onze eigen duistere wereld het toneel is van de wederkomst van Christus. In onze apocalyptische tijd wil iets heel groots zich openbaren, maar het doet dat heel klein en heel stil, voor de mensen van goede wil, die de stem van hun hart niet laten overstemmen door het kabaal van degenen die niet willen zien. Zoals in de grot van Bethlehem een ziel werd geboren die nooit eerder op aarde was geweest, zo dook in Oudenaarde een schilder op die nog nooit een tentoonstelling had gekregen. 

Adriaen Brouwer onthult het wezen van onze tijd, een wezen waar wij niet durven naar kijken omdat het zo lelijk, zo duister en zo laag-tegen-de-grond is, maar ook – en misschien zelfs vooral – omdat het zo mooi, zo mysterieus en zo verheven is. Zoals de kunstwetenschap al eeuwenlang de neus ophaalt voor de boertige taferelen van Brouwer, zo is de moderne mens vol afkeer en morele verontwaardiging over de laagheid van zijn tijd. Maar juist daardoor blijft hij blind voor het genie dat zich uitdrukt in de beelden van die tijd. De verborgen, geestelijke dimensie van de wereld was nooit zo dichtbij en toegankelijk als vandaag. Net als de schilderijen van Brouwer vergen haar beelden geen bijzondere kennis, het volstaat om er met ons hart naar te luisteren. Maar daar ligt juist het probleem. Niet alleen is het bijzonder pijnlijk om ons hart open te stellen voor de ‘kwetsende’ beelden van onze tijd, er staat ook een legioen moraalridders klaar om iedere uiting van ons hart neer te sabelen en ons aan het kruis te nagelen als misdadigers. 

In zo’n hart-vijandige wereld is het werk van Adriaen Brouwer als een godsgeschenk. Zonder angst voor lijf of ledematen kunnen we hier ons hart laten spreken. Alleen en van geen mens gestoord kunnen we een gesprek op gang brengen tussen hoofd en hart. Daarvoor moeten we ons wel afschermen van het-lawaai-dat-uit-de-kelder-komt en van gidsen allerhande die in onze plaats willen spreken. We moeten ons weerloze hart verdedigen, zowel tegen de wilde driften als tegen het arrogante intellect. Maar dat is lang niet zo’n onmogelijke strijd als in het gewone leven. Kunst is tenslotte schijn en geen werkelijkheid. Het is echter wel ware schijn. Wat we in de kunst leren – het lezen van beelden – kunnen we daarna ook toepassen op de realiteit. De kloof tussen beide is weliswaar diep, maar in Adriaen Brouwer hebben we een bruggenbouwer van formaat. Zijn stille stem heeft een grensoverschrijdend karakter: ze klinkt niet alleen over de eeuwen heen, ze klinkt ook tot ver buiten de gouden lijsten van zijn kunst.

Ik vernam die stem reeds nog voor ik de tentoonstelling gezien had. Hoe merkwaardig was het niet dat Adriaen Brouwer na 400 jaar opeens opdook, en dan nog wel vlak naast mijn deur, kort nadat ik in zijn geboortestreek was komen wonen. Dat was nog eens een welkomstgeschenk! Mijn hart sprong op en ik begon de maanden af te tellen. Het stond meteen vast dat ik er met de fiets naartoe zou gaan, in alle rust en stilte, langs de Schelde, tussen de eerste ritselende herfstbladeren. Ik besefte nog niet hoe goed die beelden pasten bij het werk dat ik nog moest zien. En er waren nog meer beelden: de Walburgakerk die al van ver te zien was, de grote markt met haar fontein, het stadhuis als een reliekschrijn, de moderne beeldenstorm die binnenin had plaatsgevonden, de beide boeken die ter gelegenheid van de tentoonstelling verschenen waren, het codeklavier naast de toegangsdeur, de kist met het ingewikkelde beveiligingsmechanisme, de twee portretten van Lievens en Van Dijck, de drie handtekeningen …

Uit dat alles klonk reeds de stem van Adriaen Brouwer nog voor ik hem had gezien. Maar dat realiseerde ik me pas achteraf, nadat zich in mijn gedachten een gesprek ontsponnen had met een man die al vierhonderd jaar dood was, maar wiens geest nog volop leefde en erom vroeg begrepen te worden. In de weken die volgden leerde ik de taal van Brouwers beelden begrijpen. En het waren niet alleen geschilderde beelden. Zo werd ik tijdens mijn ‘taallessen’ drie keer kort na elkaar opgeschrikt door een luide bons. Er was een vogel tegen het raam gevlogen. De eerste overleefde het niet, de twee andere lagen op hun buik met opengesperde bek te hijgen maar waren een uur later alweer verdwenen. Ik stond er niet bij stil, ik legde geen verband tussen buiten en binnen. Dat begon ik pas te doen toen mijn computer opeens uitviel, vlak nadat ik een bericht had geplaatst over de hond op de Gentse boekentoren. Toen begon ik mijn aandacht ook te richten op wat er buiten de schilderijen gebeurde.

De reële beelden bleken echter veel moeilijker te lezen dan de kunstzinnige beelden. Ik zag wel een verband tussen Ahriman en die hond, en misschien stond die dode vogel wel voor Lucifer, maar wat hadden ze met Brouwer te maken? Technisch werkloos zijnde, ging ik dan maar een eindje wandelen. Zoals zo vaak voerde mijn wandeling me naar Dikkele, het stilste dorp in de buurt. Tot mijn ontzetting klonk er dit keer echter luide muziek door de straten. Arbeiders waren een huis aan het verbouwen en dat kon uiteraard niet zonder assistentie van een radio die de tere herfststilte brutaal aan flarden scheurde. Ik haastte me verder en sloeg de hoek om. Daar was het kerkje van Dikkele al, omringd door zijn zwijgende doden. Maar tot mijn verbazing klonk ook daar luide muziek: iemand was het orgel aan het bespelen. Het moest een flink uit de kluiten gewassen instrument zijn, want het dreunde door de hele straat. Eens gaan luisteren, dacht ik. Maar ik morrelde vergeefs aan de kerkdeur. De organist wilde niet gestoord worden.

Ik vervolgde mijn weg en bereikte de rand van het dorp. Alle gerucht was nu verdwenen, je kon de bladeren horen vallen. Ik passeerde een keurig gerestaureerd boerderijtje en wierp er een jaloerse blik op: hier te wonen! Toen zag ik de hond. Opgewonden liep hij achter de haag heen en weer, zijn uiterste best doend om me de stuipen op het lijf te jagen. Maar dat lukte niet, want uit zijn keel klonk alleen wat amechtig gekuch. Dat ik dat nog mocht meemaken: een hese hond! Gewoonlijk zijn het vervaarlijke monsters die ik tijdens mijn wandelingen tegenkom, schuimbekkend van razernij en oorverdovend blaffend. Wat had dit allemaal te betekenen? Waar anders diepe stilte heerste, klonk nu lawaai, waar anders oorverdovend geblaf klonk, was nu alleen wat gekuch te horen. Het leek de omgekeerde wereld wel. Was dat een gevolg van mijn taallessen, van mijn pogingen om de beelden van Brouwer te begrijpen? Ik wist het niet. Ik kon alleen maar ijverig voort studeren, want de wereld telt meer beelden dan Brouwer ooit kon schilderen. 

 

Advertenties

Herfstmijmeringen

Het meest opvallende aan het Schorpioenweer van de afgelopen weken is toch wel de nattigheid.
En het is niet zomaar de nattigheid van regen die uit de hemel komt vallen.
Nee, het is een nattigheid die uit de grond lijkt te komen, een allesdoordringende, onontkoombare, kille, zompige, drassige nattigheid.

20131117-184507.jpg

Daartegen helpt maar één ding: een huis met een kachel.
De natuur is nu geen place to be meer voor de mens.

Al dat water herinnert me eraan dat Schorpioenen gevoelsmensen zijn.
Daar merk je namelijk niet veel van.
Scorpio’s zijn cool.
Uiterlijk onbewogen.
Maar dat komt natuurlijk doordat ze binnen leven.
Ze schuilen voor hun eigen allesdoordringende emotionaliteit en kruipen dicht bij hun innerlijke kachel.
Scorpio’s zijn geen vurige mensen, het zijn ‘gloeiende’ mensen.
Hun warmte heeft niets extraverts.
Ze blijft binnen.
Het is de warmte van een kolenkachel: zorgvuldig verborgen achter gietijzeren wanden.
Je merkt ze soms pas op als je ertegenaan loopt en je verbrandt.
Het is dan ook verbrandingswarmte, stofwisselingswarmte, ‘donkere’ warmte.
In november is er eenvoudig niet genoeg ‘lichte’ warmte, dat wil zeggen zonlicht dat wordt omgezet in warmte.
Er is dus een andere warmtebron nodig.
We moeten in onszelf een zon maken.
Voor de Schorpioen is dat de sexualiteit.
Wat kolen zijn ten aanzien van de zon, dat is de sexualiteit ten aanzien van de liefde.
Zoals kolen in een kachel liggen te gloeien als een oranje zon die zich heeft laten opsluiten in de materie, zo is ook de sexualiteit als een ‘gevallen’ zon die ligt te gloeien in de ‘onderwereld’ van het lichaam.

20131117-184619.jpg

Maar ook wanneer het buiten droog is en de zon schijnt, kun je hetzelfde op een andere manier waarnemen.
De novemberzon staat laag aan de hemel.
Ze is als het ware afgedaald en de aarde dicht genaderd.
Haar stralen priemen nu niet van op grote hoogte.
Ze strelen de aarde, die ervan gaat gloeien, in al haar gele en rode bladeren.
En die bladeren vallen op de grond waar ze liggen na te gloeien.
Als je in het bos wandelt, over een tapijt van gele bladeren, is het alsof het licht nu van onderen komt.
De zon is als in duizend scherven op de aarde gevallen.
Zij is niet langer de glorieuze, extraverte zomerzon, die hoog aan de hemel straalt.
Zij is een stervende, ingetogen herfstzon.
Een zacht gloeiende zon die in haar graf van aarde gaat liggen.

In december zal de zon helemaal ‘begraven’ zijn.
Bovengronds zal er dan niks meer te beleven vallen.
Het gloeien van de aarde is uitgedoofd.
Er blijven alleen nog assen over: donkere aarde, zwarte bomen.
Maar als we geluk hebben, wordt het een witte kerst.
De aarde zal dan opnieuw licht lijken te geven.
Maar het zal niet meer het gele licht van de in duizenden bladeren stervende herfstzon zijn.
Het zal het zuivere, witte licht zijn van een nieuw geboren zon, een ‘aardezon’.

Zover zijn we echter nog niet.
Momenteel krijgen we alweer een heel andere Schorpioen te zien.
De wereld is al een paar dagen in diepe mist gehuld.
Op bepaalde momenten zie je geen hand meer voor je ogen.
Opnieuw geen weer om buiten te komen.
Maar dit keer op een heel andere manier.
Na de zon is het nu de hemel die naar beneden lijkt te komen.
Alsof ze de zon, die in haar graf ligt, wil bedekken.
En die witte lijkwade doet een diepe rust en geborgenheid over de wereld neerdalen.
Ze brengt een mens tot zichzelf.
Ze belet hem zichzelf nog langer te verliezen in de wereld.
Ze omhult hem als een kind dat gebakerd wordt.

20131117-184726.jpg

De bewegingsvrijheid van de mens wordt door de mist danig ingeperkt.
Maar dat brengt hem juist tot rust.
Hij moet zich nu wel overgeven aan het onvermijdelijke.
Hij heeft geen keuze meer.
Aan 120 per uur over de autostrade razen met al je zintuigen op scherp, of stapvoets in de dichte mist rijden met de rode achterlichten van je voorganger als enig oriëntatiepunt: het is een heel verschil.
Het verschil tussen leven en dood.
Het heeft geen zin meer om je druk te maken over een gemiste afspraak, want het alternatief is een perte total en een afspraak met de dood.
En dan kom je opnieuw in de mist terecht.
Want als verstokte materialisten komen veel moderne mensen na hun dood in de mist terecht.
Ze zien geen hand voor de ogen.
En toch bevinden ze zich in een wereld vol mysteries, zoals ook hier op aarde wanneer er een dichte mist hangt.
De wereld is nooit mysterieuzer dan in de mist.

Deze novembermist bezegelt het sterven van de zon.
Het zonnehoofdstuk wordt afgesloten.
Maar tegelijk begint een ander hoofdstuk.
Ieder sterven in de ene wereld is een geboren worden in een andere wereld.
Ieder kind dat geboren wordt, is net gestorven.
Is de nieuwe wereld waar het terechtkomt niet gehuld in mist?
Is zijn moeder niet het enige oriëntatiepunt dat het heeft, zijn rode achterlicht op een autostrade waar alles zo slaapverwekkend traag opschiet?
Maar langzaam begint de mist op te trekken.
Het kind ontdekt stap voor stap zijn nieuwe wereld.
Zijn ogen gaan open.

Zou het ‘aan de andere kant’ niet ook zo gaan?
Leert de mens die andere wereld niet net zo kennen als hij zijn huidige wereld als kind heeft leren kennen?
Als in een mist die langzaam optrekt.
En leert de mens in november niet ook een andere wereld kennen?
Geen natuurlijke buitenwereld verlicht door de zon, maar een binnenwereld met kachels en kaarslichtjes.
Een wereld van gedachten, mijmeringen en beloften.
Een wereld waarin de geboorte van een kind wordt verwacht.
Geen natuurlijk kind, maar een ‘binnenkind’.
Een innerlijk zonnetje, een zonnetje in huis.
Ons eigen huis, ons zelf.

20131117-185324.jpg

De 100ste lezer

De draak heeft de afgelopen week flink huis gehouden (zowel buiten als in mijn rug) maar vandaag schijnt de zon en dus spring ik – pardon, kruip ik – op mijn fiets om wat boeken terug te brengen naar de bib.
De zon staat laag en schijnt me pal in de ogen.
Dat geeft me altijd een feestelijk gevoel.
Maar het is wél een stuk kouder geworden.

Ik passeer de vijver waar ik een maand geleden nog zat te schilderen.
Daar kan nu geen sprake meer van zijn.
Te winderig, te koud, te nat.
Nochtans valt er heel wat te schilderen.
Naast de spreekwoordelijke gele en rode bladeren zijn er ook de talloze grijsgroenen die nu verschijnen.
Of er is de blauwe lucht waartegen de sneeuwwitte bladeren van de abelen als even zovele sterren staan te stralen.
Ja, er valt in ieder seizoen van alles te schilderen.
Onderwerpen genoeg.
Dat is het probleem niet.
Dat is het probleem nooit.
Materiaal is er het hele jaar door.
Zowel in de vorm van natuurtaferelen, als in de vorm van schildermateriaal.
Het probleem is – als altijd – het midden: de schilderende, beeldvormende mens die beide met elkaar moet verbinden.

Dit is geen seizoen om buiten te gaan schilderen.
Ik mag er niet eens aan denken.
Ik zou voortdurend moeten oppassen dat er niks wegwaait.
Ik zou koude voeten en handen krijgen.
En vooral: het papier zou niet meer drogen.
Alles wat ik deed, zou in de natte vormeloosheid blijven steken.
Ik zou niet tot vaste vormen en herkenbare beelden kunnen komen.

Maar dat heeft dus niets te maken met hoe de natuur er nu uitziet.
Ze is altijd het schilderen waard.
Het probleem is dat ze zich in dit seizoen niet láát schilderen.
Ze onttrekt zich aan onze blik, aan onze beeldvorming.
Ze wijst de schilder als het ware af.

20131109-193200.jpg

De natuur is in november een vrouw.
Ze kleedt zich uit en toont zich in al haar naaktheid, maar tegelijk belet ze ons te kijken.
Dat is wat vrouwen doen.
Aan zee kun je dat goed waarnemen.
Vrouwen kleden zich daar bijna helemaal uit, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Maar o wee als je daar dan als man met belangstelling naar kijkt!
(Iets wat toch óók de normaalste zaak van de wereld is.)
Je wordt dan bekeken als was je een vieze gluurder.

Begrijpe wie begrijpen kan!

Of vrouwen zich nu zoveel mogelijk uitkleden (zoals in het Westen) of zoveel mogelijk bedekken (zoals bij de moslims), in geen van beide gevallen word je als man verondersteld om daar aandacht aan te besteden.
Je moet doen alsof je het niet opmerkt.
Maar ook dát is weer niet goed.
Want vrouwen kleden zich niet uit of aan omwille van l’art pour l’art.
Nee, ze doen dat omdat ze gezien willen worden.
Het is een vrouwelijke oer-behoefte, de behoefte om gezien te worden, bekeken te worden, opgemerkt te worden.

Vrouwen willen aandacht.

20131109-193303.jpg

Maar waarom weren ze die aandacht dan af?

Ze doen dat omdat ze een specifiek soort aandacht willen.
Ze willen niet de begerige (luciferische) aandacht die likkebaardend naar hun borsten of billen loert, als een hyena die zijn prooi besluipt.
Maar ze willen evenmin de onverschillige (ahrimanische) blik die over hen heen glijdt zonder hen waar te nemen.
Wat ze door hun tegenstrijdige gedrag bij de man willen opwekken, is de blik die het midden houdt tussen deze twee uitersten: de kunstzinnige blik.
Vrouwen willen noch als geestloze lichamen noch als lichaamsloze geesten gezien worden.
Ze willen als een kunstwerk gezien worden.
Daarmee geven ze uitdrukking aan het diepste verlangen van de natuur: gezien worden als een kunstzinnige schepping.
In de natuur spreekt het verlangen van de Schepper zich uit, de Grote Kunstenaar, die via zijn kunstwerk wil gezien, gekend en begrepen worden.

In geen enkel seizoen is dit ‘vrouwelijke’ verlangen om gezien te worden zo sterk als in november.
Nooit is de natuur zo tegenstrijdig als in deze maand.
In oktober vroeg ze nog om geschilderd te worden, en ze schonk de schilder daar ook de gelegenheid toe, met haar zachte temperaturen en haar milde zon.
In november echter schreeuwt ze om geschilderd te worden, met haar vlammende kleuren en dramatische luchten.
Maar met haar felle wind en regen doet ze er tegelijk alles aan om de arme schilder het werken te beletten.

Het hart van die schilder wordt daardoor verscheurd.
Hij denkt: o, o, o, wat zou ik die herfst toch graag schilderen!
Maar tegelijk denkt hij: hoe moet ik dat in godsnaam aan boord leggen, met zo’n hondenweer!
En dus gaat hij binnen maar wat bloggen.
Dat is ook een vorm van schilderen, maar dan met woorden en ideeën.

20131109-193433.jpg

Het is echter wél iets dat je in oktober (en de voorgaande maanden) moet oefenen, zodat je het in november mee naar binnen kunt nemen.
Op een kunstzinnige manier nadenken over de natuur, dat leer je niet als het weer guur wordt.
Wie november niet als kunstenaar ingaat, denkt en kijkt als een Schorpioen: met kille gedachten en begerige blikken.
En dat is géén kunstzinnige manier.
Schorpioen is waarschijnlijk het minst kunstzinnige teken van de hele dierenriem.
Het wordt enerzijds geassocieerd met sex en anderzijds met wetenschap.
Het is zowel vurig en begerig als kil en afstandelijk.
Het is Lucifer en Ahriman tegelijk.

Dat tweetal verzoenen is een kunst.

Slaagt de mens er niet in het kunstzinnige evenwicht van Weegschaal te handhaven in de Schorpioen, dan wordt december ofwel luciferisch ofwel ahrimanisch.
Ofwel zwelgen we dan in de kerstsfeer, met al zijn lichtjes, al zijn cadeautjes, al zijn lekker eten en drinken.
Ofwel keren we ons als een moderne Scrooge af van al die geldverslindende frivoliteiten en concentreren we ons op het-werk-dat-moet-gedaan-worden.
In beide gevallen gaat het kerstkind aan ons voorbij.
Ofwel onttrekt het zich aan onze begerige blikken, hoe ‘spiritueel’ die ook mogen zijn.
Ofwel kijken we er gewoon overheen, alsof het niet bestaat.

20131109-193533.jpg

In november wordt onze kunstzinnigheid op de proef gesteld, ons vermogen om de tegenpolen met elkaar te verbinden.
De Schorpioen is absoluut geen teken dat kunstzinnige blikken genereert, wel integendeel.
Ofwel jaagt hij met zijn wind en kou en felle regen iedereen naar binnen: lekker bij het vuur een boek lezen of tv kijken, de gure wereld daarbuiten vergeten.
Ofwel dwingt hij de mens om nuchter en zakelijk op te treden: het water in de rivieren indijken, omgevallen bomen in stukken zagen, bladeren bij elkaar harken, brandstof inslaan, zich wapenen tegen de winter.

Maar schilderen?

Nee, dit is geen seizoen voor kunst.
Absoluut niet.
En toch.

Toen ik langs de Schelde reed en zag hoe het water verontrustend hoog stond – nog een metertje en het zou overstromen – dacht ik: de wereld ziet er verdorie uit als een verzopen aquarel!
De door en door natte bodem is het aquarelpapier dat niet wil drogen en waar je niks meer kunt mee aanvangen.
De dorre bladeren en naakte takken zijn de abstracte, levenloze gedachten die nu opkomen in de mens die naar binnen vlucht.
En daartussen staat de machteloze schilder, die niet meer in staat is deze twee uitersten met elkaar te verbinden.

20131109-193641.jpg

Het is niet alleen beeld van de mens in de herfst.
Het is ook een beeld van de mens op het keerpunt der tijden.
De moderne mens wie het water, letterlijk en figuurlijk tot aan de lippen staat, die in de kranten leest hoe het ijs smelt en het water stijgt, en hoe dat allemaal zijn schuld is.
De moderne mens die daar geen ander antwoord op heeft dan holle frasen, abstracte gedachten en kille cijfers.
De moderne mens die machteloos is en geen kant op kan.

In deze onkunstzinnige maand november houdt de natuur de mens een spiegel voor.
Dat is op zich niks bijzonders, want zij doet dat iedere maand.
Maar nooit is het zo moeilijk om in deze spiegel te kijken.
Nooit is het beeld van de mens zo dramatisch, zo aangrijpend, zo tegenstrijdig.
Wat we in november zien, is het beeld van de machteloze, verscheurde mens, de mens die moet kiezen en het niet kan.
Want hij is deze dodenmaand onvoorbereid in gegaan, zonder acht te slaan op Michaël die hem tot kunstzinnigheid aanmaande.
En dus worden hem nu de ogen gesloten.

Maar als hij dit dode seizoen met een kunstzinnige, Michaëlische blik betreedt, ziet hij een ander, dieper soort kunstzinnigheid.
Hij ziet dan hoe de natuur hem een beeld van zichzelf voorhoudt.
En hij begrijpt dat de natuur … hem kent.
Hij begrijpt dat zich achter het tegenstrijdige gedrag van de natuur een diepe wijsheid verbergt, een wijsheid die alleen zichtbaar wordt als de mens zich losmaakt van de natuur en tegenover haar komt te staan.

Dat is het moment dat de natuur het hele jaar voorbereidt, maar dat ze tegelijk vreest.
Want zij is een moeder en de mens is haar kind.
Als dat kind groot wordt, keert het zich tegen haar.
Dat gebeurt tijdens de geboorte, maar het gebeurt opnieuw als de mens volwassen wordt en zijn vrijheid verovert.
En telkens is dat voor de natuur een sterven, een moment van intense pijn.
Voor haar kind – de mens – is het een moment van intense schuld, want het komt tot leven en tot vrijheid ten koste van zijn moeder.

20131109-193745.jpg

Maar die schuld moet de mens op zich nemen, dat is de voorwaarde voor zijn vrijheid.
Hij kan niet in de spiegel van de natuur kijken en zichzelf herkennen, als hij niet bewust de schuld op zich neemt voor het lijden van zijn moeder.
En als hij dat doet, als hij vrijwillig die schuld op zich neemt (in plaats van ze op andermans schouders te laden), dringt hij door tot de diepere wijsheid van de natuur.
Hij beseft dat ze hem reeds kende nog voor ze hem zag en dat ze alleen wachtte op het moment dat hij háár zou herkennen.
En dat was tevens het moment waarop hij haar hart zou breken door zich van haar los te maken en zich tegen haar te keren.
De wijsheid van de moeder is de wijsheid van een gebroken hart, een hart dat gebroken wordt door haar eigen kind, het kind dat ze boven alles liefheeft.

Dat is de intense dramatiek die zichtbaar wordt in november, als we tenminste in staat zijn ons los te maken van moeder natuur en in te gaan tegen onze natuurlijke drang om in dit gure seizoen naar binnen te vluchten of er met kille onpersoonlijke blik naar te kijken.

In november kun je alleen kunstzinnig zijn als je dat echt wil.
Want je moet ingaan tegen de natuur, die ook je eigen natuur is, en die er alles aan doet om je dat te beletten.
Maar als je daarin slaagt, toont de natuur je de andere kant van haar wezen.
In plaats van haar zintuiglijke rijkdom toont ze je haar wijsheid.
Ze toont je – door middel van beelden – dat ze zich heel goed bewust is van de situatie waarin ze de mens plaatst met haar tegenstrijdige gedrag.
Achter haar luciferische verleidingskunsten, en achter haar minachtende ahrimanische blikken, schuilt een heel ander bewustzijn, een kunstzinnig bewustzijn dat heel goed weet wat het doet.
En wat dit ‘verborgen’ bewustzijn ieder jaar weer doet, is de mens in de herfst tot een punt brengen waarop hij moet kiezen, een punt waarop hij zich moet losmaken van de natuur en tegen haar in gaan.
Want dat is wat iedere moeder, ondanks zichzelf, wil: dat haar kind zich op een bepaald moment van haar losmaakt en zijn eigen ding begint te doen.

20131109-194239.jpg

Ze weet dat het pijn zal doen en ze zal haar kind willen vasthouden en beschermen, maar toch voedt ze het op tot het dat punt bereikt en groot genoeg is om tegen haar op te staan.
En wanneer het kind dat dan doet, breekt haar moederhart en wordt het hart van het kind beladen met schuld, want het heeft het liefste wat het op aarde had gedood.

Zo staan man en vrouw vandaag – in deze ‘novembermaand’ van de geschiedenis – tegenover elkaar: verteerd door schuld en gekweld door pijn.
Maar zo moet het zijn.
Want anders kan de mens niet kiezen.
Hij moet nu kiezen tussen een nieuw, kunstzinnig bewustzijn of een oud, dualistisch bewustzijn dat zich laat uiteenscheuren in felle luciferische begeerte enerzijds en kille ahrimanische onverschilligheid anderzijds.
Want als deze Schorpioentijd voorbij is – deze tijd die in het teken van de omkering staat – dan geldt: rien ne va plus.
De teerlingen zijn dan geworpen, het grote vrijheidsmoment voorbij.
Tijdens de ‘decembermaand’ die volgt, is het dan wachten op het kind.
Het kind dat we zelf verwekt hebben door onze keuze.
Het kerstekind of het drakenkind.
En dat kind zullen we liefhebben met geheel ons hart en met al onze krachten.
Want zo doen moeders dat: ze hebben geen keuze.

Al deze dramatische Schorpioenengedachten werden in me verwekt toen ik vanmorgen met de fiets door de herfst reed en verbaasd naar de boordevolle Schelde keek.
Ik voelde hoe ik ‘bevrucht’ werd en er zich een gedachtenkindje in me ontwikkelde.
Maar het werd al vlug overstemd door andere gedachten en indrukken.
Zoals: dat gaat er hier lief uitzien als het water nog wat stijgt!
Of: het rampenfonds zal nu z’n adem wel inhouden!

En met dat lawaaierige hoofd arriveerde ik bij de antroposofische bibliotheek aan de Gentse Lousbergskaai.
Ik bleef eerst nog wat in de zon staan kijken naar het water.
En toen stapte ik naar binnen.

20131109-194431.jpg

Proficiat, zei Mieke, toen ze mijn kaart opdiepte, je bent de 100ste lezer dit jaar!

Ik dacht: 100 en wat lezers per jaar?
Dat is twee per week en dus één per dag (de bib is 2 dagen per week open).
Maar de rekenende Ahriman kreeg niet de kans om daar een vernietigende conclusie uit te trekken, want de begerige Lucifer vroeg meteen:

En wat krijg ik nu?

Daar moest Mieke hard om lachen.
Ik ook trouwens.
We wisten allebei dat ik niks zou krijgen.
Om te krijgen moet je niet bij Mieke zijn.
Toch voelde ze dat dit een bijzondere gelegenheid was.
Ze keek even rond en gaf me dan een paarse antroposofische bladwijzer.
Wat denk je hiervan, zei ze, het is puur leder!
Ik bekeek het slappe ding even en gaf het dan terug.
Dat ga ik toch nooit gebruiken!
Opgelucht legde Mieke de bladwijzer terug.

En zo keerde dit feestvarken met lege handen terug naar huis.
Alhoewel.
Mijn ‘herfstgedachtenkindje’ was al stevig aan het schoppen.
Het wilde eruit.
En wat doe je dan als moeder?

Je neemt je iPad, je gaat zitten en je bevalt.

20131109-195203.jpg

EACH MAN KILLS THE THING HE LOVES

Each man kills the thing he loves,
By each let this be heard,
Some do it with a bitter look,
Some with a flattering word,
The coward does it with a kiss,
The brave man with a sword!
Some kill their love when they are young,
And some when they are old;
Some strangle with the hands of Lust,
Some with the hands of Gold:
The kindest use a knife, because
The dead so soon grow cold.
Some love too little, some too long,
Some sell, and others buy;
Some do the deed with many tears,
And some without a sigh:
For each man kills the thing he loves,
Yet each man does not die.

(Oscar Wilde, the ballad of Reading Goal)

The Good Wife

20131017-191042.jpg

De voorbij weken hebben An en ik gekeken naar het 2de seizoen van The Good Wife, een Amerikaanse tv-serie die zich afspeelt tussen politiek, rechtbank en gezin.
Ik kan u al meteen verklappen: het is een voor-tref-fe-lij-ke serie.
Vooral het 2de seizoen staat op een zeldzaam hoog niveau.
Een waar genot om naar te kijken!
Het 3de seizoen is er ook al, maar dat kost 45 euro.
Dat wordt dus nog even wachten tot de prijs (hopelijk) daalt.

Politiek en gezin zijn in deze serie slechts neventhema’s, want The Good Wife is in feite een rechtbankserie met een advocatenkantoor in de hoofdrol.
Beter zou misschien zijn om politiek en gezin te zien als de twee polen waartussen The Good Wife zich afspeelt.
In de politiek wordt het spel echt smerig gespeeld.
In het gezin wordt het spel vol goede wil gespeeld.
En daartussen, in de rechtbank, wordt het spel vooral heel bewust gespeeld.
Het spel tussen goed en kwaad.

The Good Wife is overduidelijk een Weegschaal-serie, met in de hoofdrol advocate Alicia Florrick, die niet alleen het midden tracht te houden tussen goed en kwaad (haar werk), maar ook tussen politiek en gezin, tussen werk en gezin, tussen man en kinderen.
Het is een uiterst gecompliceerde evenwichtsoefening.
Alicia is als het ware de incarnatie van vrouwe Justitia in al haar aspecten.
Ze hanteert de weegschaal op alle gebieden van haar leven.

De kracht van deze serie zit enerzijds in de bijzonder complexe en evenwichtige scenario’s.
Het klopt allemaal als een bus.
Maar anderzijds is deze serie zo goed omdat de personages én de acteurs die ze spelen zo buitengewoon sterk zijn.
En – dat viel me pas op na 2 seizoenen – het zijn allemaal, stuk voor stuk, echte Schorpioenen.
Scherpe neuzen, scherpe blikken, scherp verstand.
Heel beheerst, heel intens.
Passioneel bezig in alles wat ze doen.
En dat brengt hen tot de grens tussen goed en kwaad.
Op die smalle grens speelt de serie zich af, en dat maakt ze zeer dramatisch en spannend, ook al zijn de hoofdrolspelers allemaal ‘men and women in suits’.
Aan de buitenkant heel keurig en afgelikt,
aan de binnenkant tot alles in staat: het beste én het slechtste.

Zo is ook de serie.
Aan de buitenkant apollinisch: gladde, gepolijste Weegschaalvormen.
Aan de binnenkant dionysisch: een laaiend Schorpioenenvuur.
Kortom: een artistieke kachel.
Precies wat we in dit seizoen nodig hebben.

20131017-195152.jpg

Michaël en de weegschaal

Gisteren had ik het over Michaël als de geharnaste ridder die de draak bevecht.
Vandaag wil ik enige gedachten wijden aan Michaël als de engel met de weegschaal.
Op schilderijen en andere beelden zien we hoe Michaël mensen(zielen) weegt.
De enen zakken naar beneden en vervallen aan de draak.
De anderen stijgen omhoog en worden gered.
Michaël is dus iemand die het kaf van het koren scheidt.
Hij is met andere woorden een scherp onderscheidende geest.
De vraag is echter wát hij precies onderscheidt.
In de traditioneel kerkelijke interpretatie zijn dat de goede en slechte werken van de mens.
Als een mens meer goede dan kwade dingen heeft gedaan, gaat hij naar de hemel.
Is het andersom, dan gaat hij naar de hel.
Maar ik herinner mij niet ooit iets gelezen te hebben over Michaël die bij de poort van de dood staat en de passanten sorteert.
De majestueuze aartsengel komt me niet voor als een boekhouder, ook geen hemelse.
Zijn apocalyptische karakter stemt meer overeen met de scheiding der geesten die momenteel aan de gang is en die volgens Steiner rasvormend zal werken.
Maar dat lijkt me dan weer het andere uiterste te zijn.
Nee, ik denk dat we Michaëls weegschaal-karakter elders moeten zoeken.

20131001-113907.jpg

Ik keer daarvoor terug naar het ridder-karakter en meer bepaald naar de idee dat Michaël in de huid van de draak kruipt.
Michaël is dus een undercover-agent avant la lettre.
Hij infiltreert in de misdaadorganisatie van de draak met de bedoeling haar structuren bloot te leggen en door te dringen tot de top.
De vermomming (het harnas) van de agent moet waterdicht zijn, anders is het met hem afgelopen.
Hij moet ieder contact met het politiebureau vermijden en staat helemaal op eigen benen.
Dat lijkt me een essentieel kenmerk van een Michaëlstrijder: hij is op zichzelf aangewezen.
Hij kan niet rekenen op hulp van zijn reguliere collega’s want dat zou zijn hele opdracht in gevaar brengen.
Daartegenover staat dat hij niet langer gebonden is aan vaste regels en voorschriften.
Hij kan vrij zijn gang gaan.
Die vrijheid dwingt hem echter om kreatief te zijn.
Hij moet een nieuw zintuig ontwikkelen dat hem toelaat om in iedere (onverwachte) situatie die zich aandient ‘het juiste’ te doen.
Het harnas van regels en voorschriften dat hij afgelegd heeft, moet getransformeerd worden tot een soepele huid die hem alle bewegingsvrijheid biedt.

Rudolf Steiner verwachtte van zijn leerlingen niet dat ze keurig alle antroposofische regels en voorschriften zouden volgen.
Hij verwachtte van hen morele kreativiteit.
Hij wilde dat ze vrije initiatieven namen, want pas dan kon hij met volle inzet van zijn krachten meewerken.
Zo stel ik mij ook Michaël voor: als iemand die toont waar het om gaat, maar die niks voorschrijft, zijn volgelingen volledig vrij laat en zich zelfs afhankelijk van hen maakt.
Michaël is vóór alles een vrijheidsstrijder.
Daarom doodt hij de draak ook niet.
Hij wil de mens bevrijden van de draak door … de draak zelf te bevrijden.
Daarom kruipt hij in zijn huid: om hem van binnenuit te transformeren.
In feite doet Michaël hetzelfde als de draak, want de draak kruipt in de huid van de mens om hem om te vormen tot een kleine draak.
Ook de draak gaat undercover.
Hij infiltreert in de menselijke structuren in de hoop dat hij kan doordringen tot de top.
Want hij wil de plaats van het menselijke Ik innemen.
Michaël beoogt hetzelfde met de draak: hij kruipt in zijn huid om uiteindelijk zelf het stuur over te nemen en de drakenkrachten tot de zijne te maken.
Daarom wordt Michaël soms voorgesteld in een gouden harnas: hij heeft de donkere pantserschubben van de draak met zijn eigen gouden wezen doordrongen.
Een variant daarop is de gulden draak, zoals ze bijvoorbeeld prijkt op het Gentse belfort.

20131001-114208.jpg

Gent is een echte Schorpioenenstad: duister, vochtig, grijs, zelfbewust en taai.
Gentenaars zullen dat grauwe natuurlijk ontkennen, maar als je zoals ik vanuit de ‘kaazerlaake’ Leeuwenstad Antwerpen komt, dan treft het Schorpioenenkarakter van Gent je als een natte dweil in je gezicht.
Niet voor niets is de draak hét symbool van deze stad (samen met de strop natuurlijk).
De Schorpioen ís de draak.
Het is het meest duistere en onaangename teken van de hele dierenriem.
Het is dan ook dit teken dat Michaël bestrijdt.
Hij wil dat de mens tijdens de Weegschaalmaand oktober – de gouden maand – de krachten opdoet waarmee hij de Schorpioenenmaand november – de dodenmaand – kan overleven.
Maar Michaël wil méér dan alleen maar strijden en overleven.
Hij wil de draak transformeren.
Hij wil van de Schorpioen een Adelaar maken.
Dát is de betekenis van de gouden draak die hoog boven Gent – als een adelaar – op het belfort prijkt.
Het is trouwens opvallend dat er beneden in Gent nagenoeg geen afbeeldingen van de gouden draak te vinden zijn.
De tegenstelling tussen de lage Schorpioen (de zwarte draak) en de hoge Adelaar (de gulden draak) blijft onverminderd bestaan.

Michaël kruipt in de huid van de draak om hem te ‘vergulden’.
Hier houdt de gelijkenis met de undercover-agent natuurlijk op.
Maar het gevaar dat deze agent bedreigt, is hetzelfde dat ook de volgeling van Michaël bedreigt: dat hij geen onderscheid meer kan maken tussen goed en kwaad.
In tv-series is het een steeds terugkerend thema: de undercover-agent van wie men niet meer weet aan welke kant hij staat.
Hij is zo diep doorgedrongen in de misdaadorganisatie dat hij ermee vergroeid lijkt.
Is hij nog wel een verdediger van recht en orde, of hij al een misdadiger-in-wording?
Hij moet immers niet alleen in de huid van de draak kruipen,
hij moet ook zijn politie-harnas transformeren tot een tweede huid.
En die twee nieuwe ‘huiden’ kunnen samengroeien tot één huid.

Die samengegroeide, dubbele huid kunnen we vandaag overal waarnemen.
Mensen geven zich uit als vurige drakenridders: ze willen het kwaad te vuur en te zwaard bestrijden. Ze keren zich heftig tegen racisme, onverdraagzaamheid, discriminatie, haatdragendheid, verzuring, angst, enzovoort.
Maar ze tonen zich (minstens) even racistisch, onverdraagzaam, discriminerend, haatdragend, verzuurd en angstig als degenen die ze bestrijden.
Ze lijken tégen de draak te vechten, maar in feite vechten ze mét de draak.
Toch bedoelen ze het goed, maar hun ridderhuid en hun drakenhuid zijn met elkaar vergroeid.
Ze kunnen geen onderscheid meer maken tussen beide.
Het morele zintuig dat ze moesten ontwikkelen, ter vervanging van de oude morele regels en voorschriften, is niet opengegaan.
En daar staan ze dan: niet meer bij machte om de oude geboden te volgen, niet in staat om op een nieuwe manier het verschil te zien tussen goed en kwaad.

20131001-115022.jpg

Dat is volgens mij de betekenis van Michaëls weegschaal.
Zij vervangt de oude, vaststaande morele regels en voorschriften.
Die zijn namelijk niet meer bij machte om het ‘nieuwe’ kwaad – de draak die in de huid van de mens is gekropen – aan banden te leggen.
Ze dienen vervangen te worden door een nieuw zintuig, een moreel zintuig, dat in ieder concreet geval goed en kwaad zorgvuldig afweegt.
De weegschaal van Michaël is niets anders dan het menselijk hart dat tot een zintuig wordt, een innerlijk oog dat het verschil ziet tussen goed en kwaad.
Zonder dit ‘gouden oog’ kan de menselijke ziel niet zuiver blijven wanneer zij in de huid van de draak kruipt.
De Maagd moet in oktober de Weegschaal-eigenschappen ontwikkelen waarmee zij in november onderscheid kan maken tussen de Schorpioen en de Adelaar.
Ja, het is dankzij dit onderscheidingsvermogen dat zij de duistere, giftige en haatdragende Schorpioen kan transformeren tot een gouden draak.
Zonder deze innerlijke weegschaal, met alleen haar kritische Maagd-verstand, ziet ze geen verschil tussen beide, en in haar liefde voor de een valt zij ten prooi aan de ander.
Ze denkt bevrucht te worden door de geest, maar wordt verkracht door de draak.
En uit die onbewuste en onvrijwillige bevruchting zal in december dan het duivelsjong geboren worden dat voor de blinde moeder niet te onderscheiden valt van het Christuskind en dat ze met inzet van al haar liefde zal opvoeden en beschermen tegen alles wat het bedreigt.
Op die manier wordt de mens die de draak bestrijdt tot een draak die de mens bestrijdt.
En dat is misschien wel het meest actuele thema van onze tijd.

Daarop wijst de weegschaal van Michaël.
Bij de overgang van Maagd naar Schorpioen, dat wil zeggen bij het kruipen in de huid van de draak, moet de mens steeds beide voor ogen houden: de zuivere menselijke ziel en de zwarte draak.
Stap voor stap moet hij het kille, duistere seizoen betreden en daarbij zorgvuldig Maagd en Schorpioen in evenwicht houden.
Hij mag geen zuivere Maagd blijven, want dan wordt hij onvruchtbaar.
Maar hij mag zich evenmin in de hartstochtelijke armen van de Schorpioen werpen, want dan riskeert hij bevrucht te worden door de draak.
Daartussen loopt de gulden middenweg van Michaël, die even moedig is als voorzichtig.

Dat is de kunst van Michaël: het harnas van de draak omgorden en toch maagd blijven.
Alleen zo kan het wonder van de ‘maagdelijke geboorte’ ontstaan.
Alleen zo kan het Christuskind in de mens geboren worden.