Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: sociale driegeleding

The Great Reset

  

Klaus Schwab, de oprichter van het World Economic Forum, schreef onlangs The Great Reset, een boek waarin hij de coronacrisis aangrijpt als een mogelijkheid om een nieuwe wereldorde te installeren. Hij is lang niet de enige die vindt dat het tijd is om het over een andere boeg te gooien. Velen zien in de epidemie een kans om de wereld op een betere leest te schoeien. In feite is zowat iedereen ervan overtuigd dat het anders moet. De problemen stapelen zich op en de roep om drastische maatregelen klinkt luider dan ooit. De coronacrisis lijkt de druppel te zijn die de emmer doet overlopen: zo kan het niet langer! De ironie wil echter dat juist die coronacrisis aantoont wat er gebeurt als er drastisch wordt ingegrepen: we verliezen onze vrijheid en komen binnen de kortste keren in een dictatuur terecht. Dat is natuurlijk niet wat we op het oog hebben. Maar wat hebben we dan wél op het oog? Hoe ziet de nieuwe wereld eruit waar we zo naar verlangen? Hoe pakken we die Great Reset aan?

Op de sociale media leest men regelmatig oproepen om ideeën aan te dragen voor een nieuwe wereld. Dat levert in de meeste gevallen niet veel meer op dan een herhaling van oude, bekende slogans. Heel vaak zijn dat linkse slogans die pleiten voor meer solidariteit, meer gelijkheid, meer verdraagzaamheid. Ze wijzen met een beschuldigende vinger naar het kapitalisme en het neo-liberalisme die verantwoordelijk worden gesteld voor alles wat er verkeerd gaat in de wereld. Het illustreert de ontstellende geestelijke armoede van onze tijd, dat men ter verbetering van de wereld blijft teruggrijpen naar collectivistische ideeën die tijdens de voorbije eeuw keer op keer bewezen hebben alleen maar ellende te veroorzaken. Als er voor deze oude, achterhaalde ideeën geen alternatief wordt gevonden dan zullen we nog zo vaak mogen proberen de wereld te resetten, het zal ons geen stap dichter brengen bij een betere wereld, wel integendeel. We zullen steeds verder de dieperik in glijden. 

Het grote probleem van onze tijd is dat er maar twee grote idealen overgebleven zijn en ze staan lijnrecht tegenover elkaar: het ideaal van de individuele vrijheid en het ideaal van de collectieve samenwerking. Ik en wij, liberalisme en socialisme, rechts en links: zo ziet de wereld er vandaag op ideëel vlak uit. Links heeft duidelijk de overhand en wijt alle problemen aan het ongebreidelde individualisme van de mens, aan zijn streven naar de grootst mogelijke vrijheid. Veel valt daar niet tegen in te brengen. Ieder probleem kan inderdaad teruggebracht worden tot het feit dat de mens zijn eigen zin wil doen. De oplossing lijkt dan ook te liggen in het ideaal van de dansende spreeuwenzwerm: duizenden vogels voeren in de lucht een betoverend ballet op dat alleen mogelijk is doordat geen enkele van die vogels zijn eigen zin doet. Allemaal, zonder één uitzondering, gehoorzamen ze aan één gemeenschappelijke wil. Dat levert een adembenemende schoonheid op die niemand onberoerd laat.

Het is dan ook meer dan begrijpelijk dat een dergelijke feilloze samenwerking als een ideaal wordt gezien dat zijn aantrekkelijkheid nooit verliest. Maar dat ideaal botst frontaal met dat andere, niet minder aantrekkelijke ideaal: de vrijheid. Eeuwenlang reeds streeft de mens naar vrijheid, en wanneer hij er eenmaal heeft van geproefd, dan wil hij haar nooit meer kwijt. Er valt veel voor te zeggen dat de hele voorbije mensheidsontwikkeling gericht was op het ontwikkelen van de individuele vrijheid zoals we die vandaag kennen. Iedere poging om de klok terug te draaien en de mensheid weer in het keurslijf van een collectiviteit te steken, is dan ook tot mislukken gedoemd. Vandaar het fiasco van de grote massa-bewegingen van de 20ste eeuw. Het nazisme, het communisme en het maoïsme waren stuk voor stuk reactionaire pogingen om tegen die machtige, oeroude stroom van het menselijke streven naar vrijheid in te roeien. En dat lukt niet, er is geen kruid gewassen tegen het vrijheidsstreven van de mens. 

Dat neemt niet weg dat deze vrijheidsstroom aan een grens is gekomen. Als hij gewoon verder stroomt, zal hij zichzelf vernietigen. Al die individuele mensen die steeds vrijer willen worden, zullen steeds meer met elkaar in botsing komen en dat zal uiteindelijk uitmonden in een oorlog van allen tegen allen. Wil de mens zijn vrijheid overleven, dan zal er iets moeten veranderen. Maar wat? Het collectivisme van links is geen oplossing, wel integendeel. Het leidt tot hetzelfde resultaat: de oorlog van allen tegen allen. Het maakt de zaken zelfs nog erger, zoals we in de 20ste eeuw telkens weer hebben gezien en in de toekomst zullen blijven zien als we geen oplossing vinden voor de tegenstelling tussen vrijheid en collectiviteit. Maar die oplossing bestaat al, zullen antroposofen zeggen: de sociale driegeleding! Volgens Rudolf Steiner stond de mensheid voor de keuze tussen driegeleding of bolsjewisme. Hij zag het gevaar van links komen en formuleerde daarop zijn alternatief. 

Nu rijst echter de vraag: als de sociale driegeleding het enige alternatief is voor het bolsjewistische collectivisme dat telkens weer als oplossing voor een betere wereld wordt aangedragen, hoe komt het dan dat het na 100 jaar nog altijd onbekend en onbemind is? Hoe komt het dat dit nieuwe en noodzakelijke ideaal er maar niet in slaagt een plaats te veroveren in de moderne wereld? Antroposofische initiatieven die de sociale driegeleding proberen toe te passen mislukken steevast. Telkens weer worden ze geconfronteerd met het Grote Probleem – de tegenstelling tussen vrijheid en collectivisme – en telkens weer vallen ze uiteen in twee groepen die niet samen door één deur kunnen. Het beste voorbeeld is de antroposofische vereniging zelf, die onmiddellijk na de dood van Rudolf Steiner verdeeld raakte in twee strijdende partijen waarvan er één het pleit won en de ander eruitgooide. De uitgeslotenen waren nog maar pas gerehabiliteerd of de verdeeldheid dook alweer op.

Blijkbaar ontbreekt er iets essentieels om de sociale driegeleding te doen lukken, om er een echt alternatief voor het onuitroeibare communisme van te maken. Wat mag dat ontbrekende element wel zijn? Als we daar geen antwoord op vinden, kunnen we zelfs geen begin maken met sociale driegeleding en is ieder debat over een Great Reset zinloos. De missing link ligt voor de hand: het is een derde ideaal – naast dat van de vrijheid en de samenwerking – dat beide tegenpolen met elkaar verbindt en verzoent. Een centraal ideaal dus, een ideaal van het midden. Maar welk ideaal kan daarmee bedoeld zijn? Kijken we naar het geestesleven, dan zien we dat het vanouds driegeleed is en bestaat uit wetenschap, kunst en religie. In wetenschap en religie herkennen we het vrijheidsideaal en het samenwerkingsideaal. Het derde ideaal zou dus de kunst zijn. En inderdaad, de kunst slaat de brug tussen religie en wetenschap, tussen geest en materie, tussen universaliteit en individualiteit. 

Als er vandaag gepraat wordt over maatschappelijke problemen, dan gebeurt dat altijd in termen van wetenschap of religie. Kunst komt er nooit aan te pas. De gedachte dat zij een stem zou kunnen hebben in het debat komt niet eens in ons op. Kunst is dan ook de blinde vlek in ons denken over sociale driegeleding, zij is de missing link, het wezen van het middengebied. We herkennen haar lot in dat van Europa, dat andere middengebied. In de 19de eeuw speelde Europa nog een hoofdrol in de wereld, vandaag wordt het publiekelijk vernederd. Toen beide Europese leiders onlangs op bezoek gingen bij Erdogan, speelde deze laatste hen tegen elkaar uit en gaf daarmee aan waar de zwakte van Europa ligt: het is niet driegeleed, het heeft twee leiders die vechten om het been, wat de spreekwoordelijke derde hond de kans geeft om ermee weg te lopen. Europa, het midden tussen Oost en West, heeft zelf geen midden meer. En het wezen van dat ontbrekende midden is de kunst. 

De grote vraag is dus: wat is er gebeurd met de kunst? Waardoor is zij de missing link geworden, de blinde vlek die ons belet de sociale driegeleding te realiseren en de menselijke beschaving te redden van het bolsjewisme? In de tweede helft van de 19de eeuw breekt in de schilderkunst – het middengebied van de kunst – een zachte revolutie uit: het impressionisme verschijnt. Nog één keer verovert Europa de wereld. Maar dan keren de verhoudingen opeens om en is het de wereld die Europa verovert, dit keer niet met kunst maar met geweld. In 1917 betreden Amerika en Rusland het wereldtoneel en voor Europa is dat het begin van het einde: het wordt in twee gescheurd en verdeeld tussen Oost en West. De wereld heeft geen midden meer. Op het artistieke toneel zien we precies hetzelfde gebeuren: in het rampjaar 1917 stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon en houdt daarmee de hedendaagse kunst boven de doopvont. Het zal de doodsteek betekenen voor de Europese kunst: ook zij wordt in twee gescheurd, het midden heeft geen midden meer.  

Het is een verbijsterende ommekeer: van de kleurrijke impressionistische kunst naar de grauwe hedendaagse kunst, van kinderlijke schoonheid naar weerzinwekkende lelijkheid. Grotere tegenstelling is niet denkbaar. Terwijl de wereldoorlog alle aandacht opeist, vindt deze geestelijk-culturele omslag onopgemerkt plaats. Niemand kan geloven dat deze pispot het begin is van een nieuwe kunst die in een mum van tijd de hele wereld zal veroveren. Maar wanneer het oorlogsgeweld ophoudt, is die verovering een feit: van het nog zo jonge impressionisme is reeds geen spoor meer te bekennen, de kunst is ‘hedendaags’ geworden en verstevigt stelselmatig haar machtspositie. De Europese kunst is vervangen door een kunst-zonder-midden, een kunst waarin de tegenpolen zich rechtstreeks met elkaar vermengen en die tegelijk religie en wetenschap is. De hedendaagse kunst is een onkunst, een anti-kunst. Het is de kunst van de vernietiging van het midden. 

De geest die deze nieuwe ‘kunst’ bezielt, is de grote tegenstander van de sociale driegeleding. Het is de geest die Europa vernietigd heeft, die de kunst vernietigd heeft en die vandaag de mens zelf wil vernietigen. Het is de anti-geest bij uitstek, de Antichrist zelve. Hij wil alles vernietigen wat christelijke middenkwaliteit heeft. Deze geest kan zo’n grote destructieve kracht ontwikkelen omdat niemand gelooft dat hij bestaat, omdat niemand een kwaad van deze orde mogelijk acht. Dat kan men in de hedendaagse kunst heel goed waarnemen: zij schotelt de mens de meest weerzinwekkende zaken voor, maar niemand – letterlijk niemand – waagt het deze geest aan de kaak te stellen. Men zal geen enkele kunstliefhebber, kunstkenner, kunstenaar, schrijver, filosoof of intellectueel vinden – ook geen antroposofische – die de hedendaagse geest publiekelijk durft af te vallen. Zolang deze geest heerst, kan men wel over sociale driegeleding praten, maar men zal ze nooit kunnen realiseren.

Hoe is het mogelijk dat deze antichristelijke geest de hele moderne intelligentsia op de knieën kan dwingen? Hoe slaagt hij erin de antroposofie nu al 100 jaar in lockdown te houden zodat ze de wereld niet kan bevruchten? Daar kan iedereen achter komen door in de hedendaagse kunstwereld zijn hart te laten spreken. Hij zal dan twee dingen ondervinden: enerzijds de enorme materiële macht van deze geest, en anderzijds zijn nog veel grotere geestelijke macht. Het volstaat één keer je stem tegen hem te verheffen of je ligt eruit voor de rest van je leven: je maakt niet langer deel uit van de culturele wereld van deze tijd en deze excommunicatie is de zwaarste straf die je kunt krijgen. Maar deze (grotendeels onzichtbare) materiële macht is gebaseerd op de (zeer zichtbare) geestelijke macht van de anti-geest, op zijn enorme intellectuele capaciteiten. Hij beschikt over een onafzienbaar leger van intellectuelen die klaar staan om iedere kritiek spottend en honend met de grond gelijk te maken. 

Het is een vreselijke ervaring om tegenover deze geest te komen staan en er is maar één iets dat een mens tot deze confrontatie met de draak kan bewegen: de liefde voor de kunst. Toen Rudolf Steiner zei dat er in het hart van de moderne mens 100 keer meer haat dan liefde heerste, sprak hij een harde waarheid uit die in de kunstwereld zichtbaar wordt. Het is zonder meer schokkend om vast te stellen dat al die mensen die beweren (en zelf ook geloven) de kunst lief te hebben, haar in werkelijkheid haten. Hun liefde is een luciferisch masker voor een ahrimaanse geest die de kunst haat. Vandaar de trots op hun ruimdenkendheid, op het feit dat ze alle kunst liefhebben, zowel de impressionistische als de hedendaagse. Maar je kunt niet én Christus én de Antichrist liefhebben, het is het één of het ander: wie niet voor mij is, is tegen mij. Je kunt de hedendaagse kunst alleen liefhebben als je liefde luciferisch is, als het in feite eigenliefde is die kunst gebruikt als een spiegel om zichzelf te bewonderen. 

Dat is dan ook de reden waarom de sociale driegeleding telkens mislukt: de eigenliefde en het egoïsme van de mens. Dat wil niet zeggen dat je een halve heilige moet zijn om het bolsjewisme (in de kunst en daarbuiten) te kunnen weerstaan, maar je moet wel onderscheid kunnen maken tussen luciferische liefde en christelijke liefde, tussen eigenliefde (die ahrimaanse haat verbergt) en werkelijke liefde. De ontwikkeling van dit michaëlische onderscheidingsvermogen hoort bij de liefde – tot de kunst of tot wat dan ook. Want liefde is zien, liefde wil graag zien. De moderne liefde voor kunst is blinde liefde, zij wordt gestuwd door een instinctief weten van het centrale belang van de kunst in dit ‘midden der tijden’. Van deze blindheid maakt de Antichrist gebruik van om onze liefde op hemzelf te richten en er een zelfvernietigende kracht van te maken. Tegen deze misleide liefde is geen ander kruid gewassen dan een wakker bewustzijn dat onderscheid weet te maken tussen echte liefde en schijnliefde, tussen Christus en Lucifer. 

Antroposofie en karmabewustzijn (8)

  

Alle goede dingen bestaan uit drie. Geen antroposoof die het zal ontkennen, want de antroposofie is een tot in de details uitgewerkte driegelede wereldbeschouwing. Het kostte Rudolf Steiner naar eigen zeggen meer dan 30 jaar om die driegeleding op punt te stellen en hij kwam er voor het eerst mee naar buiten in 1917, op het moment dat Europa in twee werd gescheurd door de scherpste tegenstellingen. Met name de sociale driegeleding presenteerde hij als alternatief voor het (in zijn ogen verderfelijke) zelfbeschikkingsrecht der volkeren dat door de Amerikaanse president Woodrow Wilson als ideaal werd gepropageerd. Rudolf Steiner spande zich tot het uiterste in om de Midden-Europese leiders te overtuigen van zijn driegelede maatschappijmodel, maar ofschoon hij (via enkele leden van de antroposofische vereniging) toegang kreeg tot de hoogste regeringskringen, leverde dat niets op. De kloof tussen de sociale driegeleding en het Europese bewustzijn bleek al even groot als de kloof tussen de strijdende partijen.

Inmiddels zijn we honderd jaar verder en in wezen is er niets veranderd. Europa is nog altijd in een (voorlopig nog politieke) loopgravenoorlog verwikkeld en nog altijd gaat de strijd tussen links en rechts. Die interne verdeeldheid heeft Europa tot een Amerikaans wingewest gemaakt en van een Europese cultuur is geen sprake meer. Alleen de antroposofie komt daar nog voor in aanmerking, maar ze leidt een kwijnend bestaan. Ze is er niet in geslaagd de driegeleding ingang te doen vinden, noch in Europa noch in eigen gelederen. Er wordt in antroposofische kringen veel gedacht en er wordt ook hard gewerkt, maar tussen beide gebieden is nauwelijks contact. Een levendig middengebied waar denken en doen elkaar ontmoeten en bevruchten, is onbestaande. Verre van driegeleed te zijn, is de antroposofische beweging – net als de rest van de wereld – uitgesproken tweegeleed. Maar dat is niet haar grootste probleem, haar grootste probleem is dat ze het niet weet. Ze is zich niet bewust van haar eigen dualisme. 

Het roept een herinnering op. Ik zit in een aula van de Gentse universiteit en woon een van mijn allereerste antroposofische voordrachten bij. Ik heb me nog niet ‘bekeerd’, ik verken het terrein. De spreker is Mouringh Boeke, een vreemde snuiter die eruitziet als een kabouter, compleet met baard en pinnemuts. Vreemd is ook het onderwerp waarover hij spreekt: het gewaarborgd basisinkomen. Op dat moment weet ik nog niet dat Mouringh Boeke een van de leidende (of toch markante) figuren is van de driegeledingsbeweging. Met stijgende verbazing luister ik naar zijn uiteenzetting. Het is mijn eerste kennismaking met het in mijn oren utopisch klinkende idee van het basisinkomen. Na afloop van de voordracht doe ik iets wat ik anders nooit doe: ik steek mijn hand op. Meneer Boeke, vraag ik, mag ik u een persoonlijke vraag stellen? Gelooft u zelf dat dit mogelijk is? Het is een welgemeende vraag, maar hij reageert gepikeerd. Mogelijk, mogelijk, gromt hij, daar trek ik me niks van aan! Ik geloof in de zaak en dus zet ik me ervoor in!

Met dat kortaffe antwoord moet ik het doen. Maar het volstaat, het bevredigt me volkomen. De man heeft gelijk. Als iedereen zich zou afvragen of iets mogelijk is alvorens in actie te komen, dan leefden we vandaag nog in grotten. Wat ik echter niet begrijp is zijn ergernis. Misschien was mijn vraag wat persoonlijk, maar ik voel me dan ook persoonlijk geraakt door het onderwerp. Het gewaarborgd basisinkomen is de oplossing voor het prangendste probleem in mijn leven: de noodzaak om geld te verdienen. Die noodzaak is een kwelling voor mij, niet omdat ik niet wil werken, maar omdat ik alleen werk wil – en kan – verrichten waarvoor ik geschikt ben. Naar dat soort werk is echter geen vraag, dus is er ook geen geld voor, en dat betekent dat ik in feite geen recht van leven heb. Ik moet dat recht verdienen door slavenarbeid te verrichten. Vandaar mijn primaire levensgevoel: er is voor mij geen plaats op deze wereld. Voorwaar, het gewaarborgd basisinkomen raakt een gevoelige snaar in mijn ziel. 

Maar doet het dat alleen bij mij? Al sinds de zondeval moet de mens zijn brood verdienen ‘in het zweet zijns aanschijns’. Die plicht is zijn grootste kruis, de bron van eindeloos veel ellende. En nu zou daar opeens een eind kunnen aan komen? Een mens zou voor minder vragen gaan stellen. Toch reageert Mouringh Boeke geërgerd. Waarom? Ik begrijp het niet. Als je dergelijke revolutionaire ideeën verkondigt, kun je toch vragen verwachten, verbaasde vragen, kritische vragen, persoonlijke vragen. De vraag die ik hem stel, komt recht uit mijn hart en is ook direct aan zijn hart gericht. Ze komt voort uit een intense betrokkenheid bij het onderwerp en ik verwacht dat hij die betrokkenheid (h)erkent. Tenslotte ligt ze ook aan de basis van zijn streven: waarom zou je ijveren voor een gewaarborgd basisinkomen als het niet was om menselijk leed te lenigen! Maar Mouringh Boeke schuift mijn ‘hartekreet’ geërgerd aan de kant, alsof mijn hart er niet toe doet, alsof ik er niet toe doe. 

Nu ben ik op mijn beurt gepikeerd. Ik voel me miskend en afgewezen. Onbewust treft mij de contradictie: in theorie erkent Mouringh Boeke (door het basisinkomen te verdedigen) mijn recht op bestaan: ja, je hoort erbij! Maar in de praktijk ontkent hij het (door zijn geërgerd gedrag): nee, zoiets vraag je niet! Wie zijn hart laat spreken, hoort hier niet thuis! Die tegenstrijdigheid zal later typerend blijken voor veel antroposofen. Voortdurend vragen ze zich af: hoe kunnen we de buitenwereld bereiken, hoe kunnen we mensen warm maken voor de antroposofie? Maar wie het waagt een ‘fout’ antwoord te geven, wordt streng terechtgewezen: zoiets zeg je niet! Hoe vaak zal ik die woorden – uitgesproken of onuitgesproken – niet moeten horen uit de mond van antroposofen! En telkens gaat het om zaken die mij nauw aan het hart liggen en die mij diep raken, zoals het basisinkomen. Ik lijk als antroposoof alleen aanvaard te worden wanneer ik mijn hart het zwijgen opleg en mezelf aan de kant schuif.

In mijn kleine aanvaring met Mouringh Boeke manifesteert zich een oerbeeld waar ik later talloze keren mee geconfronteerd zal worden en dat als een onzichtbare muur is waar ik telkens weer tegenaan bots. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over ‘fort Europa’, maar er bestaat ook zoiets als ‘fort Antroposofie’. Zoals er vandaag miljoenen migranten richting Europa stromen, zo zijn er volgens Rudolf Steiner ook ontelbare mensen die de antroposofie zoeken. Maar ze vinden geen toegang, ze botsen op de muur die ik zo goed ken. Zo herinner ik me nog een ouderavond die de Gentse steinerschool speciaal had ingericht om nieuwe ouders te verwelkomen en wegwijs te maken. Verbaasd zag ik hoe de oude bekenden elkaar uitgebreid begroetten, terwijl de nieuwe ouders er verweesd bij zaten. Niemand keek naar hen om, niemand begroette hen, niemand heette hen welkom. Daar was de muur weer, en de antroposofen hadden er geen idee van, ze waren er volkomen blind voor. 

Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven: deze mensen deden precies het tegenovergestelde van wat ze beweerden te doen! Het zou lachwekkend zijn geweest als het niet zo pijnlijk was. En die ouderavond was geen uitzondering. Precies hetzelfde zou ik jaren later meemaken op een nieuwjaarsreceptie van de Antroposofische Vereniging. Ook daar verkeerde men in de mening nieuwe mensen gastvrij te onthalen, en ook daar werden ze aan hun lot overgelaten. Toen ik de organisatoren erover aansprak, verzekerden ze me er iets te zullen aan doen. Maar het drong niet tot hen door dat dit voorval slechts het topje van een ijsberg was, het symptoom van een dieperliggende kwaal. Antroposofen bouwen een onzichtbare muur om zich heen, ze trekken een scherpe grens waarmee ze de wereld in twee delen en mensen uitsluiten, maar ze beseffen het niet, ze zijn ervan overtuigd precies het tegenovergestelde te doen. Het is alsof ze uit twee verschillende personen bestaan die van elkaar niet afweten, alsof er zwei Seelen in hun borst wonen.

Maar is dat niet bij iedereen het geval? Maakt deze innerlijke gespletenheid geen deel uit van la condition humaine, het menselijk gebrek dat vandaag zo pijnlijk zichtbaar wordt? De hele wereld is verdeeld, overal worden grenzen getrokken, overal worden mensen uitgesloten. En toch is iedereen ervan overtuigd naar verbinding te streven, verdraagzaam te zijn en solidair. Het zijn ‘de anderen’ die polariseren, die haat zaaien en onverdraagzaam zijn. Bij niemand komt de gedachte op dat deze verdelende, dualistische krachten ook in zijn eigen ziel leven en dat hij zonder het te weten een onzichtbare muur om zich heen bouwt die hem belet te zien dat buitenwereld een spiegel is. Zolang de mens zich daar niet bewust van wordt, kan hij noch zichzelf noch de wereld leren kennen. En juist dit gebrek aan zelfkennis is het grootste probleem van onze tijd. Het wordt trouwens alsmaar groter, want we zien steeds duidelijker de verdeeldheid in de wereld om ons heen, maar we worden steeds blinder voor de verdeeldheid in onze eigen ziel. 

Hoe scherper we het kwaad buiten ons waarnemen, des te beter voelen we onszelf. Alsof het zien van andermans zonden onze eigen ziel witwast. Dit fenomeen heeft zelfs een naam gekregen: de politieke correctheid. Door anderen te beschuldigen, worden we zelf onschuldig. Het is een gevaarlijke waan, want onder dekking van onze vermeende morele superioriteit, sluipt een kwade geest onze ziel binnen en neemt het roer van ons over. We zijn ons niet bewust van deze geest, maar anderen reageren er vol afschuw op, wat bij ons dan weer verontwaardiging wekt. En zo vormt zich een vicieuze cirkel waar we niet meer uit raken. De oorzaak van dit verbijsterende verschijnsel is in de antroposofie bekend als ‘de ontmoeting met de dubbelganger’. Wanneer iemand over de drempel van de geestelijke wereld gaat – en dat doen we vandaag allemaal – dan ziet hij zijn schaduwzijde verschijnen in de vorm van een afschrikwekkend wezen waar hij ontzet voor terugdeinst. Maar dat hele gebeuren vindt in zijn onderbewuste plaats, hij heeft er geen weet van.

De moderne (materialistische) mens is niet voorbereid op de confrontatie met zijn (geestelijke) dubbelganger. Het besef dat dit ‘monster’ een spiegelbeeld is van zijn ziel, dreigt zijn nog prille Ik-besef te vernietigen en in een zelfbeschermende reflex ontkent hij iedere relatie tot dit wezen: hij projecteert het naar buiten. Daar betaalt hij echter een hoge prijs voor: dit collectieve projecteren verandert de wereld langzaam maar zeker in een slagveld vol ‘drakenridders’ die verwoed tegen hun spiegelbeeld vechten. Hoe dichter ze de geestelijke wereld naderen, des te heviger wordt hun strijd. Dat is de tragedie van de onbewuste drempeloverschrijding: de idealen die de geestelijke wereld in de mens opwekt, worden door zijn blindheid voor de dubbelganger omgezet in vernietigingskrachten. Antroposofen weten er alles van. Na de dood van Rudolf Steiner werden ze opeens geconfronteerd met hun dubbelganger en gingen elkaar te lijf als zagen ze het vleesgeworden kwaad voor zich.

Dit beschamende hoofdstuk in de antroposofische geschiedenis behoort inmiddels tot het verleden. De wonden zijn geheeld en de plooien gladgestreken. Maar onderhuids woekert de infectie voort. Nog altijd bouwen antroposofen muren, nog altijd sluiten ze mensen uit, nog altijd worden ze slachtoffer van hun dubbelganger. Mijn aanvaring met Mouringh Boeke was daar een (miniatuur)voorbeeld van. Hij was een overtuigd antroposoof, ik was het aan het worden. Hij zette zich in voor het basisinkomen, ik had dat basisinkomen nodig. Ik wees hem (onbewust) op de achillespees van zijn streven en ook hij had dat nodig. We streefden hetzelfde na, we vulden elkaar aan, en we hadden elkaar nodig. Maar toch kwam het niet tot samenwerking, integendeel. We werden gescheiden door ergernis, ergernis die gemakkelijk had kunnen uitgroeien tot een verontwaardigde strijd want de zaak raakte ons allebei diep. Tussen ons in stond – als een muur – het onzichtbare wezen dat al zoveel antroposofen heeft doen vechten in plaats van samenwerken: de dubbelganger. 

Waarom ergerde Mouringh Boeke zich aan mijn vraag? Omdat ze hem confronteerde met zijn onvermogen om de driegeledingsidee in werkelijkheid om te zetten. Alle antroposofische pogingen in die richting zijn mislukt en ze blijven mislukken. Voor een driegeleder is dat buitengewoon pijnlijk en als iemand die zere plek (per ongeluk) aanraakt, volgt er een afweerreactie. Waarom ergerde ik mij op mijn beurt aan Mouringh Boeke? Omdat het inkomensprobleem voor mij eveneens een bijzonder kwetsbare plek is. Zonder het te beseffen, hadden we dus elkaars ‘wonde’ aangeraakt, en in de grond was het dezelfde wonde, hetzelfde menselijk gebrek: het onvermogen om idee en werkelijkheid met elkaar te verzoenen. Sommige mensen voelen zich (meer) thuis in de wereld van de geest, maar weten niet hoe ze in de wereld van de materie kunnen leven zonder die geest op te geven. Anderen voelen zich (meer) thuis in de materie, en hebben geen idee hoe ze die wereld met de geest moeten verzoenen. Maar allebei lijden ze aan hetzelfde probleem. 

Het heeft me 40 jaar gekost om in te zien dat Mouringh Boekes ergernis niet mij gold, maar zijn dubbelganger. Hij sloot mij niet uit, hij sloot zijn dubbelganger uit. En ik, ik deed precies hetzelfde. Ons Ik was niet sterk genoeg om onze dubbelganger onder ogen te zien en dus projecteerden we hem op elkaar, waardoor hij als een muur tussen ons in kwam te staan. Die muur hadden we nodig omdat we anders niet verder konden met ons leven. Maar de dubbelgangersstrijd heeft intussen zo’n afmetingen aangenomen dat we evenmin nog verder kunnen. We dreigen eronder te bezwijken. Als we niet ten onder willen gaan aan de muur die we onbewust om ons heen bouwen, dan moeten we hem steen per steen afbreken, dan moeten onze dubbelganger stap voor stap weer integreren. We moeten met andere woorden onze ziel ‘helen’, want de kloof met onze dubbelganger is de moeder van alle strijd. Met het overbruggen van die kloof begint de vrede, met de bewustwording van onze dubbelganger begint de driegelede samenleving. 

Jeder Mensch ein Proletariër

  

Bijna 100 jaar geleden, in 1919, schreef Rudolf Steiner zijn ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ als een theoretische onderbouwing van de sociale driegeleding. Het was zijn antwoord op de eerste wereldoorlog, die volgens hem geen echte oorlog was maar een gevolg van de sociale onrust die in Europa was ontstaan door het verschijnen van een nieuwe bevolkingsklasse: het proletariaat. Op het eerste gezicht hebben de ‘Kernpunten’ ons vandaag niks meer te zeggen, want er bestaat geen proletariaat meer. De mensonterende omstandigheden waarin de arbeiders in de 19de eeuw moesten leven, zijn verdwenen. De arbeidersklasse heeft niks meer te klagen. Toch zijn de linkse, socialistische ideeën nog altijd springlevend. Ze lijken zelfs een tweede adem te krijgen nu er een nieuw proletariaat op het toneel is verschenen: de moslims. Ook de sociale onrust leeft weer op: spanningen tussen autochtonen en moslim-immigranten lopen steeds hoger op en leiden tot uitbarstingen van geweld.   

Met die uitbarstingen van geweld is iets merkwaardigs aan de hand. Ze worden doorgaans verklaard door te wijzen op de sociale achterstelling van de moslims, op hun proletarische status dus. Maar wat blijkt? De meeste terreuraanslagen in Europa worden niet gepleegd door slecht opgeleide moslims die geen werk vinden en in de armoede terechtkomen, maar door perfect geïntegreerde moslims, niet zelden hoger opgeleid en met een goede job. Het zijn juist deze ‘burgerlijke’ moslims die radicaliseren, niet hun ‘proletarische’ geloofsgenoten. Hoe valt dat te verklaren? Rudolf Steiner geeft daar in zijn ‘Kernpunten’ een even duidelijk als onverwacht antwoord op. Wat het proletariërsbestaan – vroeger dat van de arbeider, nu dat van de moslim – zo ondraaglijk maakt, is niet de materiële maar de geestelijke armoede. En die wordt veroorzaakt door het losgerukt worden uit de oude sociale verbanden.

Waarom lijdt het proletariaat (het oude zowel als het nieuwe) veel meer onder het materialisme dan de burgerij? Omdat, schrijft Rudolf Steiner, het materialisme bij deze laatste slechts een stukje van de ziel bezet. De materialistische burger gelooft weliswaar niet langer in de geest, maar hij maakt wel nog altijd deel uit van sociale en culturele verbanden die in de loop er eeuwen onder invloed van de geest zijn gegroeid. In zijn heldere bewustzijn is hij materialist, maar in zijn gevoel en in zijn onderbewustzijn staat hij nog altijd in contact met de geest. De proletariër daarentegen, losgescheurd als hij is uit de oude sociale verbanden, is dat contact kwijt. Hij moet een heel nieuw leven opbouwen en de enige grondslag die hij daarvoor heeft zijn materialistische ideeën over arbeid en kapitaal. Die ideeën blijven bij hem niet beperkt tot een klein stukje van zijn ziel, maar ze doordringen zijn hele wezen en zijn hele leven. Het is dit leven-zonder-geest dat voor de proletariër tot een ondraaglijke kwelling wordt.

Daartegen komt zijn menszijn in verzet, evenwel zonder te beseffen dat de oorzaak van zijn ellende in die geestloosheid ligt. Integendeel, hij denkt juist dat alles in orde komt als zijn economische omstandigheden veranderen. Hoe verkeerd die materialistische overtuiging is, bewijst het gedrag van de moslim-immigrant. Hij komt naar het Westen om zijn materiële levensomstandigheden te verbeteren en slaagt daar ook in. Hij heeft het hier veel beter dan in zijn thuisland. Toch is hij niet tevreden. Integendeel, zijn onvrede en zijn verzet tegen het land-waar-alles-beter-is, worden steeds groter. Tot hij uiteindelijk Allahu Akbar schreeuwt en de bom ontploft. Maar het is niet de islam die moslimproletariër tot geweld drijft, het is zijn geestloze, materialistische bestaan, dat hem – losgerukt als hij is uit alle oude (en nog van geest vervulde) verbanden – veel meer kwelt dan zowel de autochtone burger als de ouderwetse moslim die de oude sociale verbanden en geplogenheden nog in ere houdt. 

Het is veelzeggend dat deze ‘radicaliserende’ moslims – die meestal niet meer geloven en wier wezen helemaal doordrongen is van materialistische gedachten en denkwijzen – zich opeens tot de islam in zijn ‘zuiverste’ vorm wenden. Ze proberen zich instinctief weer te verbinden met de geest. In de abstracte en letterlijk geïnterpreteerde voorschriften van de koran leeft de geest echter niet meer. Hij leeft nog wel in de oude sociale en culturele verbanden van zijn thuisland, maar juist daar zijn de moslims uit losgescheurd en, vooral als ze verwesterd zijn, kunnen ze er zich niet opnieuw bij aansluiten. Het is dus niet de levende geest waartoe ze zich in hun innerlijke wanhoop wenden, maar de dode (en dodelijke) ahrimanische geest tot wiens werktuig ze worden. Iets dergelijks is ook honderd jaar geleden gebeurd, toen jonge mensen zingend ten oorlog trokken ‘voor het vaderland’ of zich lieten bedwelmen door communistische ideeën: in hun honger naar geest, kozen ze stenen in plaats van brood. 

Een ander aspect van deze ahrimanisering zijn de zogenaamde sociale media. Hun enorme succes wijst op een bijna wanhopig verlangen naar sociaal contact. Als gevolg van de verpletterende rol die de economie in zijn leven speelt, moet de moderne mens bijna al zijn tijd besteden aan geestloos en geestdodend werk. Daaruit ontstaat een onverzadigbare honger naar geest die hij instinctief zoekt in het gesprek. Maar op de sociale media wordt dat gesprek tot schijn: zowel Lucifer (de selfies) als Ahriman (de gore taal) verdrijven er alle levende geest uit. We vinden er stenen in plaats van brood en onze geestelijke honger wordt er alleen maar groter door. In feite zijn we vandaag allemaal proletariër. De één zoekt zijn verdoving liever bij Lucifer, de ander liever bij Ahriman, maar wat we gemeen hebben, is een razende, krankzinnig makende honger naar de geest, de levende geest die we nergens meer vinden. In die zin zijn de ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ allesbehalve voorbijgestreefd. Ze zijn juist actueler dan ooit.