Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Steiner

Lichtbaken (9)

  

Voor ik dieper inga op het onderscheid tussen de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning en de zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee, wil ik eerst een antwoord geven op de vraag: waarom zouden wij ons hier druk over maken? Waarom zouden wij gaan nadenken over twee verschillende kunstopvattingen? Waarom zouden we ons afvragen wat kunst is en wat niet? Ik wil daar drie redenen voor geven. De eerste heb ik al genoemd: kunst is een spiegel van de werkelijkheid waarin we leven. Er gebeurt in de kunst niets dat niet ook in de werkelijkheid gebeurt. Nadenken over kunst, is dus nadenken over de werkelijkheid. Alles wat ik hier vertel over de karikatuur en de kartoen, is ook van toepassing op de werkelijkheid. Bovendien zien de dingen er in een spiegel scherper en helderder uit. Raken we er ten aanzien van de werkelijkheid niet uit, dan kunnen we nog altijd de spiegel van de kunst raadplegen. Niet dat het eenvoudig is in die spiegel te kijken, maar twee weten meer dan één. 

De tweede reden is dat kunst en werkelijkheid vandaag zo diep in elkaar zijn doorgedrongen dat ze een onlosmakelijke eenheid vormen. We staan er zelden bij stil, maar art is everywhere in onze tijd. We zijn – en dat was vroeger zeker niet het geval – van ’s morgens tot ’s avonds omringd door kunst: beeld, muziek en woord. We kunnen er ons zelfs nauwelijks aan onttrekken. Denken we maar aan de smartfoon, waarop we teksten lezen, muziek beluisteren, filmpjes en foto’s kijken. We kunnen eenvoudig niet meer zonder. Een leven zonder kunst zou voor de moderne mens ondraaglijk zijn. Nadenken over het moderne leven, is dus ook nadenken over de kunst. Maar dat realiseren we ons niet, we houden geen rekening met de kunst wanneer we nadenken over de werkelijkheid. We denken na over een werkelijkheid zonder kunst en die werkelijkheid bestaat niet. Ofwel benaderen we de wereld vanuit het perspectief van de wetenschap ofwel vanuit het perspectief van de religie. Maar nooit benaderen we hem vanuit het perspectief van de kunst. In het openbare debat speelt de kunst geen enkele rol, ze doet gewoon niet mee. Met als gevolg dat we geen vat krijgen op de werkelijkheid waarin we leven. 

Een derde reden waarom we zouden nadenken over kunst is afkomstig van Rudolf Steiner zelf. In de grondleggende voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica noemt hij zijn ideeën over kunst ‘een gezond fundament van de antroposofie’. Dat kan geen verwondering baren, want het is door na te denken over Goethe en zijn kunst dat Rudolf Steiner erin slaagde de antroposofie te ontwikkelen. Wie nadenkt over kunst, legt dus een fundament voor de antroposofie. En dat fundament zal gezond zijn als er op een spirituele manier wordt nagedacht over kunst. Kunst is namelijk geestelijk van aard. Wat een kunstwerk tot kunstwerk maakt, valt onmogelijk te meten, te wegen of te bewijzen. Het kan niet tot materie herleid worden hoewel het er onlosmakelijk mee verbonden is. Het rijk van de kunst ‘is niet van deze wereld’. De materialistische benadering, die vandaag zo allesoverheersend is, kan het wezen van de kunst dan ook niet vatten. Dat blijkt al uit het feit dat ze zowat alles als kunst beschouwt. Ze kan geen onderscheid maken tussen wat kunst is en wat niet.

Deze materialistische kunstopvatting weerspiegelt de manier waarop wij vandaag naar de werkelijkheid kijken, een werkelijkheid waarvan wij het wezen niet meer kunnen begrijpen. We leven dan ook steeds meer in een fiktieve werkelijkheid en hebben geen oog meer voor de realiteit. Rudolf Steiner Neemt in dit verband een radicaal standpunt in. Onze cultuur, zegt hij aan het begin van zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica, moet zich oriënteren op Goethe. Doet zij dat niet dan blijven we ronddwalen in duisternis en laten ons leiden als blinden. Het zijn profetische woorden die vandaag actueler dan ooit. Reden dus om de twee kunstopvattingen die Rudolf Steiner diametraal tegenover elkaar plaatst – de materialistische en de spirituele – duidelijk te leren onderscheiden. Want een compromis tussen beide is niet mogelijk. De ene is juist, de andere is verkeerd. 

Advertenties

Geest en geweld

Ondanks haar materialisme staat de mensheid in onze tijd dichter bij de geest dan we denken.
In ons werken inspiraties en imaginaties, maar door ons gebrek aan productieve verbeeldingskracht veranderen wij die imaginaties in allerlei spookbeelden waarmee we de werkelijke verhoudingen in de wereld misvormen.
Ook de inspiraties worden omgevormd en wel tot wilde dierlijke emoties die het bloed doen koken. Kijken we maar naar het bloed dat vandaag vloeit, naar de mensen die tegen de muur gezet worden en neergeschoten: dat zijn inspiraties uit de geestelijke wereld die we echter haten en die daardoor omgezet worden in wilde dierlijke driften.
Want dat is wat er gebeurt als de inspiraties van de geestelijke wereld niet in ons tot wasdom kunnen komen: ze veranderen in wilde emoties, in dierlijke driften.
Daar moet u aan denken als u met antroposofie bezig bent.
De geesteswetenschap is er niet om kennis te verzamelen. Dan kan u net zo goed een kookboek overschrijven.
De geesteswetenschap moet als kennis overgaan in de menselijke ziel, maar het mag daar geen dof mystiek gevoel worden waarin een abstracte goddelijkheid vereerd wordt.
Het religieuze gevoel moet juist verhelderd worden door de geesteswetenschap en vooral moet de kunst de verpleegster worden van de geestelijke schoonheid van de materie.

(Rudolf Steiner)

GA 192 – Stuttgart, 22 Juni 1919

Er bestaat een geheimzinnige samenhang tussen het menselijk bewustzijn en de vernietigingskrachten: het ene treedt in de plaats van het andere.
Als het menselijke bewustzijn sterker was geweest, als het zich had opgewerkt tot een spiritueel bewustzijn, dan hadden de krachten der vernietiging niet hoeven in te grijpen in de eerste jaren van de 20ste eeuw.
Vele zielen die op het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw door de poort van de dood gingen, hadden op aarde niet de mogelijkheid gehad hun bewustzijn op te wekken met spirituele impulsen.
Ze hadden de geest hier niet leren kennen en dat had tot gevolg dat ze in de geestelijke wereld smachtten naar vernietigingskrachten hier beneden.
Er zal dan ook geen orde voortkomen uit de huidige chaos zolang de mens de geest niet leert kennen, want de geest laat zich niet ongestraft negeren.
Ofwel wordt de geest begrepen, ofwel blijft de chaos.
Dat is de tweesprong waarvoor de mens staat.

(Rudolf Steiner)

GA 177 – Dornach, 29 september 1917

Veelschrijverij

We zijn tegenwoordig aanbeland in een stadium van de mensheidsontwikkeling dat een journalist de mooiste dingen kan neerpennen, en dat mensen ervoor in bewondering staan. Ze zeggen: ‘Ja, dat is nog eens zuivere geesteswetenschap!’
Maar het gaat er vandaag niet meer om hoe de woorden klinken, maar wel wat de zielebodem is van waaruit ze gesproken worden. Het gaat om de substantie die men als mens in zich heeft!
Zo zijn er vandaag dichters die moeiteloos mooie verzen maken die men kan bewonderen. Maar er wordt tegenwoordig 99 % te veel gedicht.
Er zijn echter ook mensen wier verzen klinken als gestamel, en dat gestamel kan uit een echte menselijke, en dus een geestelijke, diepte stammen, terwijl de verzen die bewonderd worden waardeloos woordgekraam kunnen zijn. De talen nu immers zover geëvolueerd dat iedere onnozele hals er iets bewonderenswaardig kan van maken.
Wat vandaag dringend noodzakelijk is, is dat men van de klank van de woorden overgaat naar het motief, en dat men dus niet bij het abstracte blijft staan en letterlijk leest, maar dat men zich ten volle in het leven stelt en vanuit het leven de verschijnselen beoordeelt.
Abstracte logica is vandaag de dag niet meer voldoende, wat men zegt moet realiteit hebben.

(Rudolf Steiner)

GA 235

20140502-173530.jpg

Dit citaat doet me denken aan een uitspraak van Goethe die over een collega ooit zei: ‘hij zou beter wat minder schrijven en wat meer werken!’
Of aan Pascal die ooit een brief begon met de woorden: ‘Ik ga je vandaag een lange brief schrijven, want ik heb geen tijd voor een korte.’
Beiden bedoelden hetzelfde: het is gemakkelijk om veel te schrijven en je over te geven aan de stroom van de woorden, maar het is moeilijk en kost veel tijd en werk om uit die woordenstroom iets te distilleren dat, om met Steiner te spreken, realiteit heeft.
Dezelfde Steiner waarschuwde ervoor dat Ahriman zou schrijven.
Hij zou schrijvende mensen inspireren, en één van de manieren waarop hij dat zou doen, is door hen veel te doen schrijven, door hen te verleiden zich over te geven aan de stroom-der-woorden.

Ik moet daar altijd aan denken als ik zie hoe jonge schrijvers moeiteloos dikke boeken volschrijven die dan bejubeld worden als een meesterwerk.
Of hoe dichters een Verzameld Werk bij elkaar dichten dat nauwelijks te tillen is.
99 procent daarvan zou volgens Steiner beter nooit geschreven zijn.
En inderdaad, als ik zo’n moderne roman van 600 bladzijden lees en ik schrap in gedachten al het overbodige, dan houd ik vaak een flinterdun boekje over waarvan ik denk: dat is toch de moeite niet om uit te geven!

Daarom ben ik zo blij met het blogmedium.
Want uiteraard ontsnap ikzelf ook niet aan de schrijvende Ahriman.
Wie schrijft, begeeft zich sowieso op zijn gebied.
Ik schrijf dan ook heel veel, veel te veel eigenlijk.
Maar ik besef het tenminste, en ik beschouw m’n schrijfsels dan ook niet als afgewerkte producten die het publiceren waard zijn.
Ik zie ze als een ‘eerste opzet’, als het verzamelen van ideeën, het zoeken van verbanden.
De volgende stap zou zijn: snoeien. Alle overbodige woorden eruit en alleen het waardevolle overhouden. En ja, dat zou wel eens kunnen betekenen dat 99% eruit moet.
Maar ik laat dat snoeien over aan de tijd en de nacht.
Wat waardevol is in wat ik denk en schrijf, zal zich in mijn ziel wel verdichten, en later kan het er dan in een meer geconcentreerde vorm uitkomen, met minder ‘woordkramerij’.
Het meeste wat ik schrijf heb ik al tientallen keren geschreven.
Ik probeer het telkens opnieuw – en beter – te schrijven.

Als men me vraagt waarom ik dan niet eerst meer denkwerk verricht voor ik begin te schrijven, kan ik alleen maar antwoorden: ik kán niet denken zonder te schrijven.
Ik kan alleen schriftelijk denken.
Ik heb met andere woorden Ahriman nodig om mijn zeer ijle, vage en dromerige luciferische denken op aarde te krijgen.
Dat is, lijkt me, de andere kant van Steiners woorden.

Zomaar een zaterdag

De zon schijnt.
Je zou voorwaar beginnen denken dat het zomer is!
Maar niet te vroeg gejuicht. In dit land mag je het vel van het weer niet verkopen voor het … afijn, u begrijpt wat ik bedoel.
Dus ik dacht: hier moet ik van profiteren!
En ik sprong op mijn fiets en reed naar tstad.
Gent dus.

Ik had de stadsmuren (een dichterlijke vrijheid natuurlijk) nog niet bereikt of ik kwam al in een file terecht.
Langs de Schelde!
Wat was er aan de hand?
Een jonge moeder fietste vrolijk in het midden van de weg, ter bescherming van haar twee kleine pagadders die onder hun fietshelm moedig voortpeddelden.
Kijk nu eens, dacht ik, en als ervaren trendwatcher bespeurde ik meteen een nieuwe trend:

De verovering van ’t stad door de fietser.

Of hérovering, want ik ben er nog altijd niet uit wie er eerst was: de auto of de fiets.
Nog geen tien minuten later zag ik in de Volderstraat, pal in het winkelcentrum dus, precies hetzelfde: een fietsende moeder met twee fietsende kleintjes. En daarachter een stoet ergernis-achter-het-stuur.
Ik dacht: wie komt nu op het idee om met twee kleine kinderen te gaan fietsen op een van de drukste plekken van Gent tijdens een van de drukste weekends van het jaar (de vakantiesolden) en dan nog tijdens de eerste echte zomerdag van 2013!
Was dit nu een gevolg van digitale dementie (zie mijn blogbericht van ) of maakte het deel uit van een weldoordacht aanvalsplan?

Ik wist niet wat ik het ergste moest vinden.

Dementie, digitaal of analoog, is erg.
Maar kinderen gebruiken als wapens is minstens even erg.
De stad heroveren op Attila de Auto is natuurlijk een nobel doel.
Maar het heiligt niet de middelen, en zeker geen kinderoffers.
Het Gentse stadscentrum, met zijn toeterende auto’s, rinkelende trams, bellende fietsers, krioelende kopers en vloekende dronkaards, is vandaag geen plek voor kleine kinderen.
Kinderen horen nu thuis op het gras, van een tuin of van een park.
Maar niet in de Veld- of Volderstraat.
Dat is geen pedagogisch verantwoorde plek.
Kijk maar:

20130706-170941.jpg

Op de Kouter was het niet veel beter.
Daar had een kunststofondergrondfirma een aantal basketvelden ingericht en daarop was men lustig en zwetend aan het basketten.
Dat had best aangenaam kunnen zijn – I love basket – als men het spel niet had willen opleuken met een dj die er vanachter zijn mengtafel voor zorgde dat horen en zien verging.
Boenke, boenke, boenke. In de hemel en op aarde en op alle plaatsen.
Géén plek voor kinderen.
En dus vluchtte ik halsoverkop Standaard Boekhandel binnen.
Daar was het rustiger.
Maar nu werd ik aan alle kanten omringd door boeken die me toeschreeuwden: lees mij, lees mij, lees mij!
Ik had hun wensen met alle plezier ingewilligd, maar dan had ik ze eerst moeten kopen, en zoveel geld had ik niet op zak.
Er zijn van die dagen dat ik de boekhandels afschuim en niks naar mijn gading vind.
Vandaag was beslist niet zo’n dag.

Een greep uit de schreeuwers die ik met pijn in het hart heb afgewezen:

Kwantum door Manjit Kumar, over de legendarische discussie tussen Bohr en Einstein.
De terugkeer van Bert en Bobje door Kamagurka,
Het einde van de man, de opkomst van de vrouw door Hanna Rosin,
Hoe erger hoe beter, provocatieve psychologie door Jeffrey Wijnberg,
Brein bedriegt. Als autisme niet op autisme lijkt, door Peter Vermeulen,

En dan vergeet ik er nog een paar.

Wat ik wél heb meegenomen (het is tenslotte vakantie):

Na dit Leven. Een neurochirurg over zijn reis naar het hiernamaals, door Eben Alexander.

Kijk, dat vind ik spannend!
Wat er gebeurt met een mens als hij doodgaat.
’t Moet natuurlijk wel een beetje ernstig zijn.
De foto op de omslag toont mij beslist een ernstig man: een professor in de neurochirurgie.
Dat is wat je noemt een onverdachte getuige.
Ik kijk er al naar uit om zijn verhaal te lezen.

Ik keek ook uit naar de Bologna- voordracht van Rudolf Steiner, maar die was in geen velden of boekhandels te bespeuren.
Nergens een spoor van Steiner of zijn antroposofie.
Niet één boek.
Zelfs geen kleintje.
Nada.

Je kunt daar als antroposoof op twee manieren op reageren.
Ofwel vind je het triest en zelfs verontrustend dat Steiner helemaal van het boekenpodium verdwijnt.
Ofwel denk je: zó volkomen genegeerd worden, dat is onze moderne wereld misschien wel het grootste compliment.

Ik herinner me nog dat ik in D’Hoogpoorte, de inmiddels verdwenen New Age boekhandel van Gent, ooit een heuse encyclopedie van karma en reïncarnatie aantrof, een lijvig werk dat pretendeerde alles in kaart te brengen wat er over dat onderwerp ooit gezegd en geschreven is.
Nu is er niemand die zoveel en zo indringend over dit onderwerp gesproken heeft als Rudolf Steiner. Hij beschouwde karma en reïncarnatie zelfs als zijn levenstaak.
Maar raad eens wie er in die encyclopedie niét vermeld werd?
Juist.

Rudolf Steiner wordt door de wetenschap geklasseerd onder New Age en andere kwakzalverij.
Het merkwaardige is nu dat ook de New Age wereld niks van hem moet hebben.
Ik heb er een tijd een sport van gemaakt om in de bibliografie van New Age boeken na te gaan hoe vaak Steiner en zijn antroposofie vermeld werd.
Wel, in 9 van de 10 gevallen werd hij helemaal niét vermeld.
Een man die 500 boeken op zijn naam heeft staan over zowat alle spirituele onderwerpen, en hij wordt nagenoeg volledig doodgezwegen!
Er is maar één conclusie mogelijk:
Die man vertelde iets dat vrijwel niemand wil horen.
Voor dat laatste kunnen er maar twee redenen zijn:
Ofwel was wat hij zei zo volkomen van de pot gerukt dat zelfs New Agers het niet kunnen pruimen (en die zijn nochtans wel een en ander gewoon),
Ofwel sprak Rudolf Steiner doodeenvoudig … de waarheid.

Er is immers niets wat zoveel weerstand oproept als de waarheid.
Daarvoor word je nog altijd aan het kruis geslagen.
Vraag het maar aan Edward Snowden.

Intussen zit ik wel nog altijd zonder ‘Het gespiegelde Ik’.
Mocht één van mijn lezers in een gulle bui zijn, dan mag hij mij dat boekje altijd toesturen.
Ik zal het dan, dankbaar als ik ben, uitvoerig bespreken.
Een beetje gaan fietsen met mijn ouderlijk Ik,
In een poging om ’t stad weer te veroveren op almachtige Arie.
Ik weet het, ’t is een beetje onnozel, maar een mens moet érgens beginnen.

En ik beloof dat ik mijn helm zal dragen.

20130706-181005.jpg