Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: tekenen

Lichtbaken (15)

  

Het Ik van de mens, zijn geestelijke kern dus, is niet hetzelfde als zijn karakter of zijn innerlijk. Dat laatste kun je, mits enig inlevingsvermogen, aflezen aan zijn fysieke verschijning. Het Ik daarentegen is zintuiglijk niet waarneembaar, het is geestelijk van aard en behoort tot een andere wereld waarvan je je pas bewust wordt wanneer je de zintuiglijke wereld (bijvoorbeeld al tekenend of schilderend) ‘doodt’. Het Ik wordt dan uit het fysieke lichaam bevrijd, zoals dat ook gebeurt wanneer iemand sterft. Ook dan kun je het Ik van een mens gewaarworden, wanneer je tenminste kijkt met een kunstzinnig oog. Rudolf Steiner beschrijft hoe de geest van de gestorvene zich geleidelijk uitbreidt en steeds groter wordt: de hele wereld wordt zijn ‘lichaam’. En in dat nieuwe lichaam kun je hem soms herkennen, bijvoorbeeld tijdens begrafenissen. De gestorvene manifesteert zich dan in de omgeving, door middel van sprekende beelden. Zo herinner ik mij de begrafenis van mijn leraar op Schoonselhof in Antwerpen, een prachtige plek overigens. Het was een ietwat sombere, bewolkte dag, maar exact op het moment dat zijn assen werden uitgestrooid, brak de zon door en zette de bomen, waar hij zo van hield, in volle luister. Hoe groot was de kans dat die twee zaken – het vallen van de assen en het verschijnen van de bomenpracht – niet alleen samenvielen, maar ook nog eens tekenend (sic) waren voor de dode? Ik twijfelde er niet aan: hij was daar. Ik werd zijn geest gewaar, niet rechtstreeks maar in een beeld, in ‘de vorm van de idee’. 

In een dergelijke imaginatieve sfeer maakt het Ik van de mens zich kenbaar. Het is een sfeer die ontstaat wanneer de fysieke, materiële sfeer vernietigd wordt, wanneer een mens sterft of wanneer hij door een portrettist ‘gedood’ wordt. De bovenzintuiglijke sfeer is sowieso een kunstzinnige sfeer. Aan een dood lichaam is niets kunstzinnigs: het valt uiteen, het gaat tot ontbinding over, het stinkt en het is lelijk. Daarom begraven of verbranden we het ook. Toch is deze akelige, dode sfeer onlosmakelijk verbonden met de levende, geestelijke sfeer, want zonder haar vernietigingsprocessen kan er nooit kunst ontstaan. De kunstenaar moet doden om nieuw leven te creëren. Dat geldt zowel in de cultuur als in de natuur. De dood, schreef Goethe, is een kunstgreep van de natuur om meer leven te hebben. Kunst is een ars moriendi. De kunst van het scheppen is altijd ook de kunst van het doden. 

Uiteraard doodt de kunstenaar niet de levende werkelijkheid zelf. Wat hij doodt, is zijn gehechtheid eraan, het zintuiglijke genot dat hij eraan beleeft. Want de (beeldende) kunstenaar is per definitie een zinnelijk mens. Hij geniet intens van de zintuiglijke vormen van de werkelijkheid. Hij beleeft die als het ware in en met zijn eigen lichaam, het lichaam waardoor hij deel uitmaakt van de aardse, fysieke werkelijkheid. Van die werkelijkheid moet hij zich losmaken als hij haar wil tekenen. Hij moet zijn zinnelijk genot overwinnen. En dat voelt aan als een sterven, een sterven waardoor zijn eigen Ik zich kan bevrijden en scheppend actief worden. 

Dat is dan ook wat ik als leerling aan de academie geleerd heb: sterven, zintuiglijk genot overwinnen. En dat vergde een hevige strijd, want hoe meer je gehecht bent aan de fysieke, zinnelijke wereld, des te meer moeite kost het om je daarvan los te maken. Maar juist om die inspanning gaat het: hoe heviger de ‘doodsstrijd’, des te groter de scheppende krachten die vrijkomen. Niet voor niets zegt de volksmond dat een kunstenaar moet lijden. Maar een kunstenaar lijdt niet om te lijden. Net zoals ieder mens – en door zijn zinnelijke aard wellicht nog meer – verafschuwt hij het lijden, deze tegenpool van zinnelijk genot. Maar hoe intens zijn afschuw van lijden en dood ook is, de vreugde die hij beleeft aan de scheppingskracht die erdoor vrij komt, is groter. 

Ik heb als leerling aan de academie hevige (innerlijke) gevechten geleverd met mijn Stofftrieb (mijn zinnelijke verlangen om vol genot te zwelgen in de vormen die ik tekende) omdat ik wist dat het slechte tekeningen zou opleveren. Voortdurend moest ik de strijd aangaan met de geest die me toefluisterde: kom nou, zo nauw steekt het heus niet, je zal het verschil niet merken! Maar ik had al ondervonden dat ik het verschil wél zou merken. Mijn tekening zou simpelweg niet lijken op de werkelijkheid, ze zou niet kloppen, ze zou een lachwekkend gedrocht zijn. Was dat vooruitzicht niet sterk genoeg, kon ik niet weerstaan aan de fluisterende stem van de verleider, dan was er altijd nog mijn leraar. Hij verstond de kunst om op het juiste moment te verschijnen en te zeggen: geef me je pluim eens! Ik wist dan al hoe laat het was. Zonder een woord te zeggen, veegde hij met enkele krachtige bewegingen m’n hele tekening uit. Vervolgens trok hij – na zorgvuldig gemeten te hebben – enkele rechte lijnen op m’n blad en zei: doe nu maar verder! 

Zo’n ingreep deed mijn hart in elkaar krimpen: uren van ingespannen werk in één handomdraai vernietigd! Maar ik wist dat mijn leraar deed wat gedaan moest worden als je een goede tekening wilde maken. Hij deed wat ik zelf ook wilde, maar – door die fluisterende stem – niet altijd kon. Dan stak hij een handje toe, dan hielp hij me sterven. En ik accepteerde zijn hardhandige ingrepen, want ik wist dat het niet anders kon. ‘De stem’ in me schreeuwde moord en brand om zoveel gebrek aan respect. Maar ik leerde onderscheid maken tussen mijn hogere zelf (mijn Ik) dat wist dat er moest gestorven worden, en mijn lagere zelf (mijn ego) dat alleen maar wilde leven en genieten. Ik had ondervonden dat (innerlijk) toegeven aan dat genotvolle, zinnelijke leven alleen maar dode tekeningen opleverde, terwijl uit het pijnlijke, moeizame sterven levende tekeningen geboren werden. 

Over kunst leerde ik niets aan de academie. Daar hield mijn leraar zich niet mee bezig. Zijn taak was om mij te leren sterven, om mij te helpen mijn ego te vernietigen. Dan kwamen de scheppende krachten van mijn Ik – als die er waren – vanzelf wel vrij, en daar moeide hij zich niet mee. Met je lagere zelf veegde hij de vloer aan, maar voor je hogere Ik toonde hij een scrupuleus respect. Daarom kon ik in zijn klas mezelf zijn, daarom voelde ik mij vrij – een ongekende ervaring voor een jongen die zich tijdens de week gebonden zag door regels en plichten waar hij niets van begreep. De regels die ik aan de academie moest gehoorzamen waren niet minder streng maar ik begreep ze tenminste. Ze kwamen voort uit de zaak zelf en die zaak wilde ik met hart en ziel. Daarom ‘stierf’ ik ook met hart en ziel. Ik leverde in mijn ziel de ene veldslag na de andere. Soms won ik, soms verloor ik, maar dan begon ik met verdubbelde kracht opnieuw. Want ik wist: dit is de weg, er is er geen andere! 

Mijn leraar gaf me niet alleen morele steun bij dat sterven, hij vertelde me ook hoe ik moest sterven. Drie dingen waren daarvoor nodig: meten, meten en nog eens meten. Tekenen was pure meetkunde. Een tekening was een wiskundige constructie, een volkomen dood en abstract bouwsel. Niets zintuiglijks mocht van het onderwerp overblijven, het moest herleid worden tot louter rechte lijnen. Het ‘doden’ moest grondig gebeuren, er mocht geen greintje leven overblijven. Want leven was ondoorzichtig en een tekening moest inzichtelijk en transparant zijn: alles wat op je blad verscheen diende begrepen te zijn. Daarom werkten we ook naar (gipsen afgietsels van) antieke beelden. Ze leken de fysieke mens na te bootsen, maar in werkelijkheid waren het zuiver wiskundige composities die alleen maar op de levende, zintuiglijke werkelijkheid leken omdat ze zo complex waren. Zo ging het ook als je tekende: als je dat meetkundige bouwen volhield tot op het eind, dan verscheen er een tekening die de zintuiglijke werkelijkheid volkomen recht deed. Het dode bouwsel diende niet tot leven te worden gewekt, het werd vanzelf levend.  

Dat was eigenlijk het grote mysterie waarin ik stelselmatig werd ingewijd: het mysterie van dood en wederopstanding. Uit het dode werd het levende geboren. Wat ik aan de academie leerde, was Stirb und Werde. Geen tegenstelling was groter dan tussen sterven en geboren worden, en toch waren ze één. Als je tekende, moest je niet eerst alles dood maken en vervolgens wachten tot het – op wonderbaarlijke wijze – weer levend werd. Nee, het sterven was tegelijk een verrijzen. Het herleiden van je (levende) onderwerp tot dode vormen, was tegelijk het bouwen aan een levende tekening. Beide vielen samen. Daarom realiseerde je je niet hoe wonderlijk dit was. En als je het toch opmerkte, dacht je er niet over na. Waarom zou je ook? Je had deel aan dat mysterie en je kon er niet genoeg van krijgen. Het was het mooiste wat je kende.

Advertenties

Arbeid en inkomen

Op de Grote Rudolf Steiner Citaten site lees ik vandaag het volgende:

Zeer voor de hand ligt hier natuurlijk wel de tegenwerping: ‘Als ik iemand werk geef en hem daarvoor betaal, dan help ik die mens toch.’ Ja, inderdaad, men helpt hem door hem geld voor zijn werk te geven, maar in feite is het de werker die hier de helper is en niet de betaler. De betaler is alleen degene, die door zijn geld de macht heeft om de arbeidskracht van anderen te gebruiken of – als er te weinig wordt betaald voor het werk of het product – uit te buiten. Het is in de huidige sociale toestand wel zo dat arbeid iemand in staat stelt om een loon te verdienen om van te leven. Maar volgens Steiner moet dit verband tussen arbeid en loon in de toekomst totaal gescheiden worden. Een der grootste oorzaken van sociale ongelijkheid, onrechtvaardigheid en uitbuiting ligt in deze samenhang tussen arbeid en beloning. Als iemand voor zijn werk geen loon ontvangt, zal hij niet meer werken om er zelf beter van te worden, maar hij zal alleen nog werken vanuit het inzicht dat werk noodzakelijk is voor hem zelf en zijn medemensen. Hij zal een werker in dienst van de gemeenschap worden.

Deze woorden zijn voor mij momenteel wel zeer actueel.
Ik zou niets liever doen dan in Brugge de hele dag mensen tekenen, gratis en voor niks.
Ik heb dat op 13 en 14 september gedaan en ik vond het geweldig.
Ik deed wat ik het liefst doe: mensen tekenen.
En ik maakte een hele reeks mensen gelukkig.
De zon scheen boven en ze scheen ook beneden.
Wat wil een mens nog meer!

Het probleem is natuurlijk dat ik om te kunnen tekenen in leven moet blijven.
Ik heb ook papier nodig en verf en penselen enzovoort.
Ik heb kortom geld nodig.
Ik krijg er weliswaar van de RVA, maar dat qua basisinkomen is dat een lachertje.
An brengt ook geld in het laatje, maar genoeg is het niet.
En dus ben ik verplicht om geld te vragen voor m’n tekeningen.
Ik doe het niet graag, maar het kan niet anders.

Het resultaat is dat de boel blokkeert.
Afgelopen weekend wilde niemand betalen voor een tekening.
Uit arren moede heb ik dan maar weer enkele gratis portretten gemaakt.
Maar de pret was eraf.
Want je weet dat je je krachten verspilt. Ze worden immers niet aangevuld doordat in mijn behoeften voorzien wordt.
Ik heb het al eens meegemaakt: je loopt langzaam leeg en op een dag ben je op.
Gedaan met tekenen. Compleet leeggetekend.
Voor minstens tien jaar.
In die val kan en wil ik geen tweede keer lopen.
Het tekenen en schilderen is me te lief dan dat ik het opnieuw om zeep zou brengen door er niet genoeg geld voor te vragen.

Ik sta dus voor een dilemma.
Als ik niet genoeg geld vraag, dan breng ik mijn kunst om zeep.
Als ik wél genoeg geld vraag, dan breng ik ze eveneens om zeep.

Ik ben zeker niet de enige in dat geval.
Al de karikaturisten en portrettisten die ik heb ontmoet, hebben hun kunst om zeep geholpen doordat ze er hun brood moesten mee verdienen.
Neem nu één van de bekendsten: Nesten.
De man is zelf een karikatuur geworden.
Hij hangt ‘den artiest’ uit ‘want dat hebben de mensen graag’, lees: dat brengt geld op.
Hij is een soort clown geworden, een kermisattractie.
En toch is – of was – de man een begaafd tekenaar.
Ik heb ooit eens vroeg werk van hem gezien en dat was zeer knap.

20140922-162031.jpg

Het is een verschijnsel dat je veel aantreft, zelfs bij de grootsten: ze maken schitterend werk als ze jong zijn, maar van zodra ze ouder worden en geld beginnen verdienen, blijft er van hun belofte niks meer over en produceren ze aan de lopende band.
Eigenlijk geldt dat voor de hele moderne kunst.
Het begon allemaal veelbelovend met de impressionisten: de kunst werd opnieuw jong en levend.
Maar toen – de impressionisten waren bijna zonder uitzondering straatarm – kwam het grote geld eraan.
Vandaag zijn kunstenaars als Wim Delvoye, Jan Fabre, Luc Tuymans en Michaël Borremans op hun 40ste al ‘binnen’.
Ze leven luxueus en hun rijkdom steekt schril af tegen die van hun collega’s uit vroeger tijden.
Maar ze hebben in wezen hetzelfde gedaan als Nesten: ze hebben hun kunst om zeep gebracht omwille van het geld.
Eigenlijk is de héle kunst om zeep gebracht voor en door het geld.

20140922-163049.jpg

Toen Steiner pleitte voor de loskoppeling van arbeid en inkomen, vertolkte hij een actueel idee, een idee dat vroeg om realisering.
Met name de kunst had die realisering nodig.
Wilde ze zich verder ontwikkelen dan had ze volledige vrijheid nodig.
Kunstenaars hoorden geen geld meer te moeten verdienen met hun kunst.
Kunst moest bij uitstek een ‘vrijwillige dienst aan de gemeenschap’ worden, een dienst die uit louter liefde werd verricht.
Daar was de tijd rijp voor.
Daar vroég de tijd om.
Maar er gebeurde iets heel anders.
Kunstenaars werden hoeren.
Ze verdienden grof geld met de ‘betaalde liefde’.
En daardoor brachten ze de liefde om zeep.
Ze veranderden haar in haat, zelfvernietigende haat.

Het ergst van al is dat ze dat niet beseffen.
Ze weten niet beter of het hoort zo: voor liefde moet je betalen, kunst is koopwaar.
Ze worden dan ook de hemel ingeprezen.
Maar die bewondering is al even echt als hun werk.
Het is in wezen bewondering voor … geld.
De Mammon gebruikt de kunst als een spiegel waarin hij zichzelf kan bewonderen.

Ook het publiek beseft dat niet.
Het denkt van kunst te houden, maar het houdt alleen van zichzelf.
Het ziet geen verschil meer tussen liefde en prostitutie.
Het maakt geen onderscheid meer tussen kunst en schijnkunst.
Zonder de kunst uit vroeger tijden zou de moderne mens niet meer weten wat kunst is.
Zijn oog zou niet meer in staat zijn kunst waar te nemen.
Dat is vandaag trouwens al in hoge mate het geval.
De echte kunst van deze tijd wordt eenvoudig niet waargenomen.
Men kijkt ernaar maar men ziet ze niet.

20140922-163214.jpg

Dat is een andere reden waarom ik verplicht ben geld te vragen voor mijn werk.
Als ik dat niet doe, wordt het eenvoudig niet gerespecteerd.
Ik heb vroeger getekend voor veel te weinig geld.
Ik had geen keuze: het was dát of helemaal niks.
Het resultaat was dat ik m’n tekeningen wel eens aantrof op een keukenmuur, vastgepind met vier punaisen en ‘verbeterd’ met viltstift.
Ik vond dat er een paar dingen niet helemaal klopten, zei de eigenaar dan doodserieus.
Ik heb het ook meegemaakt dat mensen hun portret keurig in vier vouwden en in hun broekzak staken.
Ik mag er eerlijk gezegd niet aan denken wat er van al m’n portretten geworden is.
Hoeveel zouden er nog bestaan?
Immers, als het niet veel kost, is het niet veel waard.
Zo redeneren (blinde) mensen nu eenmaal.

Alleen al daarom ben ik verplicht om geld te vragen voor m’n tekeningen: opdat ze niet in de vuilnisbak zouden terechtkomen.
Het pijnlijke is dat ze juist daardoor waarschijnlijk in de vuilnisbak zullen terechtkomen.
Want niemand koopt ze, en wat zal ermee gebeuren als ik er niet meer ben?
Nee, ik maak me geen illusies.

De tragedie is dat ik geen uitzondering ben.
Er is nooit meer geld en rijkdom geweest in de wereld als vandaag, en waarschijnlijk is er nooit minder geld en rijkdom besteed aan kunst of andere zaken van geestelijke aard.
De moderne mensheid beschikt over een enorme potentie aan vrijheid, maar ze doet er niks mee.
Integendeel, ze gebruikt haar rijkdom om macht te verwerven, om mensen te reduceren tot slaven, tot prostitués die het kostbaarste wat ze hebben tot koopwaar maken.

En wat doe je daaraan?

Met die vraag word ik nu heel concreet geconfronteerd.
Hoe moet ik het in godsnaam aanpakken om in Brugge portretten en karikaturen te kunnen tekenen zonder m’n kunst daarbij om zeep te helpen?
Blijven proberen? Blijven volhouden?
Dat kun je misschien wel zeggen tegen een jongmens, maar op mijn leeftijd, als je je lichaam voelt aftakelen en er steeds minder tijd overblijft, klinkt het een beetje wrang.

Maar hé, ik geloof in karma.
Ik geloof dat het een betekenis heeft dat ik op m’n 60ste met deze vraag geconfronteerd wordt: hoe overleef je als kunstenaar in een wereld waar arbeid en inkomen niet gescheiden zijn, maar meer dan ooit samenvallen?
Wat doe je daaraan, hier en nu?
Daar moet ik dringend een antwoord op vinden.

20140922-163234.jpg

De Eeuwige Lente (2)

Ik heb de ‘eeuwige lente’ leren kennen op de zondagochtenden die ik als kind doorbracht in de academie van Mechelen.
Deze eeuwenoude Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten was niet zomaar een academie.
Ze was – ik spreek nu over de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw – de zwanenzang van de nog oudere academie van Antwerpen, die na de oorlog platgewalst werd door de Hedendaagse Kunst.
Wie niet verpletterd wilden worden, nam de wijk naar Mechelen, waar de roemrijke Antwerpse school nog een laatste bloei kende.

20140314-100621.jpg
(De Academie van Antwerpen)

De academie was gehuisvest aan de voet van de Sint-Romboutstoren – waarschijnlijk de ‘mannelijkste’ toren ter wereld – in een gloednieuw gebouw dat in tijden van oorlog dienst moest kunnen doen als ziekenhuis.
En inderdaad, van zodra ik de academie betrad, voelde ik mij genezen. Niet door het gebouw, maar door de geest die er woonde.
Ik zou er tien jaar lang iedere zondag (later ook de zaterdag) gaan tekenen en in mijn herinnering was het er altijd lente.

Het was – uiteraard – geen gewone, fysieke lente.
Ik heb vaak genoeg door regen en wind, door hagel en sneeuw, door plassen en over ijs naar de academie gefietst, maar niets kon me tegenhouden want ik wist dat aan het eind van mijn rit de zon zou schijnen, een frisse, opgewekte lentezon die me alle narigheid zou doen vergeten.
Die narigheid beleefde ik aan de overkant van de straat, in mijn gewone, dagelijkse school, waar mijn ziel deskundig afgebroken werd tot er uiteindelijk niks meer van overbleef.
Ik zou die school nooit overleefd hebben zonder die zondagen ‘aan de overkant’ waar ik iedere week weer uit mijn assen kon verrijzen.
Zo intens als ik mijn school haatte, zo intens hield ik van de academie.

20140314-100840.jpg
(Het Scheppersinstituut)

Maar daar was ik me als kind nauwelijks van bewust.
In mijn gewone school leefde ik in een toestand van verdoving.
Ik herinner er mij dan ook nauwelijks wat van, tenzij een woestijn van grauwe verveling.
Mijn zondagen aan de academie daarentegen staan mij nog altijd helder voor de geest.
Ze baadden in het licht van een eeuwige zon en in dat licht voelde ik mij als een vis in het water.
Groter tegenstelling dan tussen die twee scholen was niet mogelijk.
Ze lagen trouwens vlak tegenover elkaar aan dezelfde straat, de Melaan.
De ‘vernietigende’ pool noemde zichzelf … het Scheppersinstituut.
En het werd geleid door … de Broeders van Liefde.
Zij zouden me leren wat leugen, bedrog en corruptie was.

Merkwaardig hoe je als kind reeds leeft in een wereld die je als volwassene in een andere vorm en op een andere schaal terug zult vinden.
Want is de hele wereld vandaag niet verdeeld in twee kampen?
Beschouwt het ene kamp zichzelf niet nog altijd als een Broederschap van Liefde, een Scheppersinstituut?
En houdt het zich niet nog altijd onledig met het afbreken van mensen van ‘de andere kant’, foute mensen, verkeerde mensen?

Ik leefde als kind aan beide kanten, en iedere zondag ‘stak ik de straat over’ en kwam in een andere wereld terecht.
Van een eindeloze grauwe winter kwam ik terecht in de stralendste lente.

Hoe-is-dat-nu-mogelijk?
Ik hoor het u vragen.

20140314-101142.jpg
(De Academie van Mechelen)

Staat de academie, met haar klassieke opleiding niet juist model voor de grauwheid en verstarring waartegen de nieuwe kunst zo heroïsch gestreden heeft en nog altijd strijdt?
Want, zo schreef iemand naar aanleiding van het overlijden van Jan Hoet – ons aller Broeder van Liefde: we mogen niet vergeten dat de strijd tegen de bekrompenheid, de verkneutering en de enggeestigheid blijft voortduren.
De strijd tegen het academisme dus, de grote vijand van alle kunst.

Wel, laat me u vertellen hoe die bekrompen, kneuterige en enggeestige academie in werkelijkheid was.

Op het eerste gezicht was het inderdaad een kleurloze, grauwe wereld.
Het gebouw was kil en clean als een … ziekenhuis.
De directeur zag eruit als een … directeur.
De leraars zagen eruit als … ambtenaren.
En de leerlingen waren … gewone mensen.
In de weekendklas trof je namelijk geen ‘artiesten’ aan, maar mensen die in de week moesten werken, mensen uit alle lagen van de bevolking, van werklozen tot bedrijfsleiders, van huisvrouwen tot straaljagerpiloten, van autistische jongetjes tot mensen-van-de-wereld.
Je had niet kunnen uitmaken wie de leraar was en wie de leerlingen, zo ‘gewoon’ waren ze allemaal.

Ook het ‘onderwijs’ was gewoon, ondraaglijk gewoon, althans volgens moderne normen.
Iedereen tekende met hetzelfde materiaal (houtskool) op hetzelfde papier hetzelfde (banale) onderwerp.
Wekenlang werd hetzelfde getekend, en er was maar één richtlijn: het moest juist zijn.
Daarom bestond tekenen uit drie zaken: meten, meten en nog eens meten.
Het was pure meetkunde.
Zakelijk, rechtlijnig, exact.
Wie hier voor de kunst kwam, kwam bedrogen uit.
Minder artistiek dan de academie van Mechelen was er geen.

20140314-101321.jpg

Maar ik kwam als jongetje van 11 jaar niet naar de academie voor de kunst.
Ik kwam om te tekenen, en dat was precies wat ik daar kon doen.
Ik kon daar tekenen alsof het vanzelf sprak, en dat was voor mij het mooiste wat er bestond.
Overal elders was tekenen (of schilderen of beeldhouwen) iets uitzonderlijks, iets vreemds, iets van een andere wereld.
Het was … kunst.
Er hing een aureool rond dat mensen aantrok en afstootte tegelijk.
Hier aan de academie viel dat allemaal weg.
Hier was tekenen (en schilderen en beeldhouwen) de gewoonste zaak van de wereld.
Het was geen kunst, het was werk.
Hard werk, labeur.
Want het moest juist zijn.
En de leraar – een ontoeschietelijke, kleurloze man – was ongenadig.
Hij zag iedere fout, en hij trok er zich niks van aan hoe hard je aan je tekening gewerkt had: fouten moesten hersteld worden, ook al betekende dat dat je helemaal opnieuw moest beginnen.
Nee, je kwam niet naar de academie om je te amuseren.
Je kwam er om te werken.
En dat werk werd heel ernstig genomen.
Alsof het van het grootste belang was.

20140314-101613.jpg

Juist die ernst was als een lafenis voor mijn ziel.
Aan de ‘andere kant’, in de gewone wereld nam niemand tekenen (of schilderen of beeldhouwen) ernstig, ook niet de mensen die er veel waardering voor hadden.
Hoezeer ze tekentalent ook bewonderden, het kwam altijd op de tweede plaats.

Hier aan de academie maalden ze niet om talent.
Had je talent, dan was dat prima.
Had je er geen, ook goed.
Het ging niet om talent, het ging om tekenen.
En iedereen die wilde tekenen, kon het leren.
Zo simpel was dat.
Tekenen werd hier gezien als iets wat iedereen kon leren, niet als iets voor bevoorrechten.
Het was iets heel gewoons dat buitengewoon ernstig werd genomen.
En juist omdat ik zelf het tekenen buitengewoon ernstig nam, had ik voor het eerst in mijn leven het gevoel ernstig te worden genomen.

Wat een sensatie!

Aan de andere kant, in de ‘gewone’ wereld, had men veel bewondering voor mijn talenten – kijk eens hoe goed hij kan tekenen! kijk eens hoe verstandig hij is! – maar ik was toch altijd in de eerste plaats iemand die niet was zoals hij hoorde te zijn.
Aan de academie maakte het niet uit hoe of wie of wat ik was. Of niet was.
Hier was maar één ding belangrijk: of ik wilde tekenen?
En dat wilde ik, met hart en ziel.

20140314-101751.jpg

Toen ik tien jaar later mijn tekenleraar meedeelde dat ik naar de universiteit ging, barstte hij in lachen uit.
Iemand die kon tekenen zoals ik en dan naar de universiteit ging, dat vond hij een kostelijke grap.
Meer zei hij daar niet over.
Hij vroeg zelfs niet: zou je misschien toch niet liever …?
Geen woord.
Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten.
Wat ik met mijn leven deed, dat was zijn zaak niet.
Als ik wilde tekenen, dan stond hij te mijner beschikking.
Wilde ik niet meer tekenen, even goeie vrienden!
Hij respecteerde mijn vrije wil scrupuleus, ook al betekende het dat ik het tekenen eraan gaf en een richting insloeg waarvoor hij geen respect had en waarover hij zelfs met onverholen minachting sprak.
Wat ik ook deed, hij oordeelde nooit.
Hij oordeelde alleen over mijn tekenen.
En daarover oordeelde hij streng en zonder genade.

20140314-102000.jpg
(Leuven Universiteitsbibliotheek)

Soms wierp hij één blik op een tekening waaraan je weken gewerkt had, en veegde ze dan met enkele besliste gebaren helemaal uit. Met houtskool is dat namelijk geen probleem.
Daarna nam hij zorgvuldig de maat van het onderwerp, trok een paar loodrechte lijnen op je (vuile) blad en zei: zo, ga nu maar verder.
Dat je half in shock was door de vernietiging van je meesterwerk, daar lette hij niet op.
Je tere zieltje was het laatste van zijn zorgen.
Op dat vlak was hij een barbaar.
Hij liep op klompen over een ieders lange tenen.
Hij was een ware verschrikking voor je ego.

Maar zijn klas zat propvol, en niemand liep weg.
Want ze voelden allemaal onbewust hoeveel respect hij had voor hun Ik, voor wie ze diep van binnen waren.
Elders kregen ze wel respect voor hun ego met al zijn talenten, maar dat respect zat juist de eerbied voor hun eigenlijke Ik in de weg.

Het was een beproeving om ‘over de grens’ te gaan en terecht te komen in een wereld waar je ego van geen tel was, waar het als een voetveeg werd behandeld, waar het moest luisteren naar ‘de meester’ en zelf geen woord te zeggen had.
Maar in ruil kreeg je iets buitengewoon kostbaars, iets wat die beproeving dubbel en dik waard was: een grenzeloze eerbied voor je Ik.
Die eerbied – dat zou ik pas veel later begrijpen – was niets anders dan liefde, de nuchtere, onsentimentele liefde voor wie je in wezen was.
En die volkomen onzelfzuchtige liefde was wat ik in mijn herinnering beleef als de Eeuwige Lentezon.

20140314-102335.jpg

Als kind wist ik niet beter dan dat die zon overal in de academie scheen, ja dat ze aan alle academies scheen.
Het was immers de zon van de kunst, de kunst die ik hier van binnenuit leerde kennen.
Ik zou later echter ondervinden dat die zon niet aan alle academies scheen, wel integendeel.
Ze scheen zelfs niet in alle klassen van de Mechelse academie.
Pas toen ik er allang weg was, heb ik begrepen dat ze zo krachtig scheen in die ene mens die ik – dankzij de voortdurende hervormingen, reorganisaties en herstructureringen van het kunstonderwijs – tien jaar lang als mijn leraar zou hebben.
Een beetje zoals in een steinerschool dus.

Tien jaar lang heb ik mij gekoesterd in die zon, zonder er mij bewust van te zijn.
Ik vond het allemaal zo vanzelfsprekend, zo gewoon.
Ik had geen flauw idee dat die kleurloze ambtenaar een uitzonderlijke leraar was.
Ik zag hem nauwelijks als een leraar.
Ik vergat meestal zelfs dat hij er was.
Ik voelde me in zijn klas helemaal … vrij.

20140314-102534.jpg