Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Tom Naegels

De geboorte van de kunst

Tom Naegels schreef onlangs een scherpe kritiek op de kunstsector.
Hij verweet haar kritiek te hebben op alles en iedereen maar zelf geen enkele kritiek te verdragen.
Het was de nagel op de kop.
Dat de hedendaagse kunstwereld kritisch is, kan niet ontkend worden.
Kunstenaars die geen maatschappijkritische visie ontwikkelen, worden niet voor vol aanzien.
Ze moeten de samenleving wakker schudden, op haar fouten wijzen, een geweten schoppen, anders zijn het geen kunstenaars.
Kunst is immers maatschappijkritiek.
Deze algemeen aanvaarde visie maakt het echter onmogelijk om nog kritiek te hebben op de kunst, want dat zou betekenen dat men de kritische houding zelf in vraag stelt.
Vandaar dat kritiek op de kunstwereld zo goed als onbestaande is.
Artikels zoals dat van Tom Naegels zijn een grote zeldzaamheid.
Ze worden als onfatsoenlijk beschouwd en zoveel mogelijk genegeerd.

De hedendaagse kunstwereld is boven alle kritiek verheven.
Ze doet wat ze wil en wie daar niet akkoord mee gaat, wordt afgedaan als een cultuurbarbaar.
Deze beschuldiging is voldoende om iedereen de mond te snoeren, want om de een of andere reden wil de moderne mens onder geen beding bestempeld worden als iemand die ongevoelig is voor kunst en cultuur.
Hij wil kost wat kost gezien te worden als een beschaafd en gecultiveerd mens.
Alles wat laag-bij-de-gronds is wekt zijn diepe afkeer en verontwaardiging op.
Zijn drang naar ‘het hogere’ en ‘het betere’ is zelfs zo groot dat hij bereid is om te applaudisseren voor alles wat de kunstwereld hem voorschotelt.

Kunst heeft in onze moderne wereld onmiskenbaar de rol van de religie overgenomen.
Zij vertegenwoordigt vandaag het streven van de mens om zichzelf en de wereld waarin hij leeft te verbeteren en te verheffen.
Ze houdt hem een spiegel voor waarin hij zijn ‘betere zelf’ herkent.
Plus est en vous.
Dat is wat de kunst hem toont, waar ze hem aan herinnert.
Ze is een schepping van zijn ‘hogere zelf’, ze weerspiegelt het en wekt het op.
We kunnen aan de kunst dan ook aflezen hoe dit hogere zelf te werk gaat.

Om te beginnen sluit het zich af van de wereld, het schept een vrije ruimte waar het ongestoord kan werken aan een betere wereld.
Deze veilig afgesloten kunstwereld is als een baarmoeder waar een nieuwe wereld gestalte krijgt in tal van kunstwerken.
Hoe die kunstwerken ontstaan, daar heeft buitenwereld geen weet van en dat is maar goed ook, want het scheppingsproces is zo kwetsbaar dat het geen inmenging verdraagt.
Het is dus aan de scheiding tussen kunst en werkelijkheid te danken dat er überhaupt kunst kan ontstaan.
Daarom accepteert de buitenwereld ook dat er in haar midden een duistere, ontoegankelijke ruimte bestaat, want ze weet dat hier de beelden worden geschapen van de betere wereld waar ze zo naar verlangt.

Ze leeft ten aanzien van de kunstwereld dus ‘in blijde verwachting’.
Maar dat wil niet zeggen dat de zwangerschap haar niet zwaar valt.
Net als kinderen hebben kunstenaars de neiging om nergens rekening mee te houden en alle aandacht voor zich op te eisen. Voor de hardwerkende mens is dat gedrag soms zwaar te verteren en hij leeft dan ook in een haat-liefdeverhouding met de kunstenaar: hij houdt wel van diens werk maar niet van de maker.
Al sinds de oudheid is de belangstelling voor kunst omgekeerd evenredig met de belangstelling voor de kunstenaar, en in de moderne tijd is die tweespalt alleen maar groter geworden.
In de 19de eeuw wordt de kunstenaar zelfs een marginaal, een outcast.
De vele schrijnende kunstenaarsbiografieën uit deze tijd illustreren dat.

Maar dan breekt de 20ste eeuw aan.
De grote kloof tussen de kunstenaar en zijn werk verandert in een al even grote identificatie.
Was het vroeger alleen het kunstwerk dat de grens tussen kunstwereld en buitenwereld overschreed, dan gaat de kunstenaar nu mee over de grens.
Hij komt nu naast zijn werk staan en verklaart wat hij ermee bedoeld heeft.
Anders gezegd, de kunst wordt geboren.
Moeder en kind staan samen in the picture.
De scheiding tussen kunst en werkelijkheid is opgeheven.
De baarmoeder is niet nodig meer.

De gevolgen van deze drempeloverschrijding worden meteen duidelijk.
Het ene moment produceert de kunst nog tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken zoals ze dat altijd heeft gedaan, het volgende moment stelt ze … een pispot tentoon.
De kunst heeft een ingrijpende transformatie ondergaan: ze is niet langer fictie, ze is werkelijkheid.
De pispot van Marcel Duchamp is niet afkomstig uit het atelier van een kunstenaar maar uit een fabriek die nuttige gebruiksvoorwerpen maakt.
De overgang is echter zo bruusk dat het een wansmakelijke grap lijkt.
Zo wordt Duchamps pispot aanvankelijk ook opgevat, maar algauw blijkt dat het hier wel degelijk gaat om de geboorte van een nieuwe kunst.
Ze krijgt de naam Hedendaagse Kunst en wordt officieel erkend als de wettige opvolger en erfgenaam van de Oude Kunst.
In die hoedanigheid verovert ze dan de hele wereld, zoals we dat mogen verwachten van een pasgeborene.
De moeder – de ‘hedendaagse’ kunstenaar – is natuurlijk in de wolken.
Hij voelt zich deel van de voorhoede – de avant-garde – van een geheel nieuw tijdperk, een tijdperk waarin de kunst niet langer in het verborgene van een atelier – in de baarmoeder van een kunstwereld – zal werken, maar in de volle openbaarheid.
Hij er dan ook van overtuigd dat de echte kunst pas met hem begint en dat de kunstenaars uit het verleden slechts voorlopers waren, wegbereiders.
Alles wat voor kwam, was niet meer dan voorbereiding, zwangerschap.

De geboortemetafoor werpt een verhelderend licht op de gebeurtenissen in de wereld van kunst en cultuur.
Tegelijk maakt ze duidelijk dat er iets niet klopt.
Als de kunst werkelijk geboren is, dat wil zeggen als haar scheppende wezen niet langer werkzaam is in de afgeslotenheid van een kunstwereld maar in de openbaarheid van het gewone leven, hoe komt het dan dat de Hedendaagse Kunst hermetischer is dan ooit?
Een pasgeboren kind is één en al openheid en toegankelijkheid.
Het heeft geen uitleg nodig, het spreekt voor zichzelf.
Het doet dat zelfs op zo overtuigende wijze dat men van heinde en verre komt om het te begroeten en bewonderen.
Zijn aantrekkingskracht staat in schril contrast met het afstotende karakter van de Hedendaagse Kunst.
Hoewel de markt overspoeld wordt met boeken die uitleggen waarom de Nieuwe Kunst zo geweldig is, krijgt dit ‘kind’ bitter weinig aandacht.
Afgezien van een kleine groep fanatieke ‘familieleden’, toont het grote publiek geen enkele belangstelling. Als het al iets toont dan is het onverschilligheid en afkeer.
Die afkeer is trouwens wederzijds.
De Hedendaagse Kunst stelt zich zeer afwijzend op tegenover de wereld waarin zij terecht is gekomen.
Verre van zich te willen integreren in die wereld, ziet ze het als haar taak om hem terecht te wijzen, om hem het vuur aan de schenen te leggen, om hem uit te dagen en te confronteren.
En ze gaat daar zeer ver in.
Haar gedrag is vaak choquerend, om niet te zeggen weerzinwekkend.

Het is – opnieuw – een heel ander beeld dan de totale overgave en liefde die we bij een pasgeboren kind aantreffen.
En zo zouden we nog een tijdje door kunnen gaan.
De tegenstelling tussen een pasgeboren kind en de pasgeboren kunst is zo groot dat de vraag rijst of we wel mogen spreken van een geboorte.
Gaat het hier niet om een gebeurtenis die voorgeeft de geboorte van de kunst te zijn, maar in werkelijkheid het omgekeerde is?
Was de pispot van Duchamp niet een doordringen van de concrete werkelijkheid in de wereld van kunst in plaats van omgekeerd?
Tenslotte staat die beroemde pispot nog altijd in een museum.
En de hele Hedendaagse kunst speelt zich meer dan ooit af in een exclusieve kunstwereld waar gewone stervelingen nooit komen.

Zou het niet veel juister zijn om te spreken van een verkrachting in plaats van een geboorte?
De Hedendaagse Kunst ziet er alleszins uit als de Oude Kunst die gebrutaliseerd, verminkt, vernederd en belachelijk gemaakt is.
Er is uit de kunstwereld geen kinderlijk onschuldige geest tevoorschijn gekomen die de wereld van vreugde vervult.
Het is juist omgekeerd: een cynische, kwaadaardige geest is de kunstwereld binnengedrongen en heeft daar een ware ravage heeft aangericht, die bovendien nog grotendeels verborgen is gebleven.
Het grote publiek heeft geen idee van wat er zich vandaag allemaal afspeelt in de wereld van de kunst.

En toch kunnen we niet ontkennen dat de geboortemetafoor geldig blijft.
De kunstwereld heeft zich de afgelopen eeuwen steeds meer afgezonderd van de werkelijkheid tot ze in de 19de eeuw zo marginaal was geworden dat kunstenaars in erbarmelijke omstandigheden moesten leven.
Ze streefden dan ook hartstochtelijk naar vernieuwing en verbetering.
Toen de impressionisten hun revolutie ontketenden, ontstond er eerst ontzetting bij het publiek.
Maar de nieuwe schilderkunst ontwapende de kijker al vlug en de ontzetting veranderde in onverholen bewondering en liefde.
Het impressionisme leek veel meer op een geboorte dan de pispot van Duchamp.
Toch kunnen we niet zeggen dat het reeds de kunst zelf was die in de openbaarheid trad.
Alles bleef zich nog altijd afspelen in de oude, vertrouwde kunstwereld.
Het impressionisme was misschien wel een beeld van de geboorte van de kunst, maar het was zeker niet de geboorte zelf.
Het bleef vooralsnog fictie, het was nog lang geen werkelijkheid.
Die werkelijkheid werd opgeëist door de Hedendaagse Kunst.

Eigenlijk hoeven we geen andere metafoor te zoeken om al deze gebeurtenissen begrijpelijk te maken.
Het volstaat dat we het beeld van de geboorte wat concreter maken.
Het vrouwelijk lichaam is zo gebouwd dat de opening waarlangs het kind de baarmoeder verlaat, vlak naast de opening ligt waarlangs de ontlasting de darmen verlaat.
De kracht waarmee de moeder haar kind naar buiten perst is dezelfde waarmee ze haar ontlasting naar buiten duwt.
Tijdens een bevalling kan het dan ook gebeuren dat er ongewild ontlasting naar buiten wordt geperst.
Geen mens zal deze ontlasting verwarren met het kind dat daarna geboren wordt, maar het gaat hier dan ook om een reële, fysieke geboorte.
Bij de geboorte van de kunst liggen de zaken echter heel anders: hier kijken we niet met ons hoofd, dat wil zeggen met onze fysieke ogen, maar met ons hart.
En dat laat zich gemakkelijk bedriegen.

Zou het werkelijk toeval zijn dat de Hedendaagse Kunst haar opwachting maakt in de vorm van een pispot en dat ze haar (bijna) honderdjarig bestaan viert met een kakmachine?
Is ‘afval’ niet het meest toepasselijke begrip voor wat de Nieuwe Kunst in die honderd jaar geproduceerd heeft?
Nog niet zolang geleden stond er in de krant een foto van een jonge kunstenaar die trots poseerde naast zijn evenbeeld dat hij vervaardigd had uit zijn eigen uitwerpselen.

Ja, de metafoor van de geboorte is wel degelijk van toepassing op de wereld van de kunst, op voorwaarde dat we die metafoor heel concreet en realistisch opvatten.
Ze roept dan tegelijk ook een ander beeld op, namelijk dat van het wisselkind.
In sprookjes en legenden worden kinderen na de geboorte soms verwisseld, zonder dat de moeder het merkt.
Dit thema werd in de 19de eeuw zelfs werkelijkheid in de figuur van Kaspar Hauser, een jongen die 16 jaar lang opgesloten zat in een donkere cel. Het kind zou na zijn geboorte uit de wieg zijn gestolen en verwisseld voor een ander kind.
Het wonderlijke van de hele historie is dat ze tot een legende is uitgegroeid die tal van schrijvers en kunstenaars heeft geïnspireerd.
Men is Kaspar Hauser trouwens al vlug ‘het kind van Europa’ gaan noemen.

Het lijkt er sterk op dat iets dergelijks ook is gebeurd in de wereld van de kunst.
Men heeft er twee kinderen met elkaar verwisseld: het kind van de kunst en een of ander duivelsjong.
Ofschoon die twee niet méér van elkaar kunnen verschillen, hebben de ouders – de kunstwereld en de buitenwereld – niets gemerkt.
De vader (de kritische buitenwereld) haalt weliswaar de neus op voor de Hedendaagse Kunst, maar al zijn pogingen om de moeder (de kunstwereld) enige kritische zin bij te brengen, veroorzaken felle reacties: zij verdedigt haar kind met hand en tand.
Dat wisselkind veroorzaakt een groeiende verwijdering tussen beide ouders.
De vader (de maatschappij) voelt zich verplicht de moeder (de kunstsector) te steunen, maar hij wordt het beu voortdurend uitgescholden te worden door haar wisselkind (de Hedendaagse kunst).
De moeder neemt het op haar beurt de vader kwalijk dat hij zijn kind niet aanvaardt.

Juist omdat het hier gaat om een overschrijden van de grens tussen kunst en werkelijkheid, geldt de geboortemetafoor niet alleen voor de wereld van de kunst.
Ze geldt ook voor de werkelijkheid.
Het is dan ook niet moeilijk om de rol van het wisselkind te herkennen in bijvoorbeeld de relatie tussen Vlamingen en Walen, of de relatie tussen autochtonen en allochtonen, of de relatie tussen links en rechts, enzovoort.
Als het waar is dat de kunst een spiegel is van de werkelijkheid, dan mag verwacht worden dat de geboortemetafoor ook van toepassing is op de hedendaagse samenleving.
En dat maakt haar tot het meest actuele oerbeeld van onze tijd.
Alles wijst er inderdaad op dat we – zonder het te beseffen – een koekoeksjong aan het grootbrengen zijn, een wisselkind dat onze eigen kinderen één voor één uit het nest kiepert.

En dat geeft zoveel gewicht aan de vraag die zich nu opdringt: als we inderdaad al onze energie besteden aan een wisselkind, waar is dan ons eigen kind?
Als we uitwerpselen beschouwen als kunst, waar is dan de echte hedendaagse kunst?
In welk donker hol zit ‘het kind van onze tijd’ opgesloten, wachtend tot het wordt bevrijd?

That is the question.

Kunst als kritiek

Verleden week publiceerde Tom Naegels in De Standaard een opiniestuk dat voor de kunstsector een regelrechte kick in the teeth was.
Onder de provocerende titel ‘Het einde van de kunstenaar’ betoogde hij dat de mythe van de kunstenaar als dwarsligger failliet is en dat de sector haar kritiek best eens op zichzelf zou richten.
Het was een knuppel in het hoenderhok en ik voorspelde dat er luid gekakeld zou worden.
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Eén reactie in De Standaard en één op DeWereldMorgen, en dat was het.
Meer heb ik niet gevonden.
Zouden ze in de kunstwereld met hun mond vol (of zonder) tanden staan?
Of zijn ze zich druk aan het beraden over een tegenaanval?
Ik denk dat het geen van beide is.
Volgens mij komt er gewoon niks meer.

Is het stuk van Tom Naegels dan de moeite van het reageren niet waard?
Wel integendeel.
Het slaat de nagel (sic) op de kop.
Bovendien verschijnt het precies op het moment dat de kunstsector in rep en roer staat naar aanleiding van de aangekondigde besparingen.
Je zou denken: hier moet een debat van komen.
Maar na wat kort gekakel blijft het oorverdovend stil.

Hoe komt dat?

Op DeWereldMorgen, een linkse website, schrijft Robrecht Vanderbeeken dat ‘de onderwijzerszoon met het brilletje’ een ‘zoveelste column met clichés vult die de N-VA-achterban even paait’.
Hij noemt Naegels een ‘zelfverklaarde onafhankelijke media-evangelist die vage columnitis bedrijft’.
Hij heeft het ook over ‘tsjevenmoraal’ en over ‘het op flessen getrokken enerzijds-anderzijds denken’.
Het mag duidelijk zijn: Tom Naegels is out.
Hij hoort er niet meer bij.
Kritiek leveren op de hedendaagse kunstwereld: dat doé je eenvoudig niet.
Dan onderga je het lot van een klokkenluider: je wordt vogelvrij verklaard.
Al een geluk dat Naegels een job heeft bij De Standaard, anders zag het er niet mooi uit voor hem.

De kunstwereld kent geen genade voor nestbevuilers.
Toen Frank Vande Veire tien jaar geleden zijn pamflet I love Art schreef, kreeg Jan Hoet één van zijn woedeaanvallen, begon Wim Delvoye te schelden, verklaarde Thierry De Cordier dat hij nooit meer in dit land wilde exposeren.
Er werd luid gekakeld in het artistieke hoenderhok, veel luider dan nu.
Maar Frank Vande Veire was dan ook één van hen, een gereputeerd kunstcriticus met grote belangstelling voor de Hedendaagse kunst, een insider dus.
Hem werd niet vergeven dat hij zich tegen zijn collega’s keerde.
Sindsdien heb ik niets meer van Vande Veire vernomen.
Gelukkig heeft de man, net als Tom Naegels, een vaste job anders was hij nu tot de bedelstaf veroordeeld.

De kunstwereld ziet zichzelf als een wereld vol kritische geesten.
Maar die kritische geesten dulden zelf niet de minste kritiek.
Wie het waagt even kritisch voor hen te zijn als zij voor anderen zijn, vliegt er onverbiddelijk uit.
Hij maakt voortaan deel uit van het verachtelijke ras der cultuurbarbaren.
Hij bestaat niet meer.
Blijkbaar hoorde Tom Naegels al niet echt meer thuis in het artistieke hoenderhok, anders zou er veel luider gekakeld zijn over zijn artikel, waarin hij min of meer hetzelfde zegt als Frank Vande Veire in I love Art.
Maar nu is de lijn dus heel duidelijk getrokken: Tom Naegels hoort bij de vijand, hij wordt geparkeerd bij de N-VA, en verder kun je uit de kunstwereld niet verwijderd worden.

Hem wordt nu verweten dat hij aan art-bashing doet, aan cultuur-jennen.
Het zijn twee neologismen die opgedoken zijn sinds de nieuwe regering wil besparen op cultuur.
Die besparingen, zo zeggen ze, zijn niet economisch maar ideologisch: ze zijn bedoeld om de cultuurwereld te treffen.
Hoewel er slechts 5% bespaard moet worden en hoewel alle sectoren van de samenleving getroffen worden, doet de kunstsector alsof hij rechtstreeks geviseerd wordt, alsof de algemene besparingen enkel maar dienen om een aanval op kunst en cultuur maskeren.
Met die hysterische reactie verraadt de kunstsector natuurlijk zichzelf.
Ze kijkt in een spiegel en schrikt zich een ongeluk.

Wat ziet ze dan wel in die spiegel?

Ze ziet een uiterst geslepen en kwaadaardige geest – Bart De Wever – die de hele kunstwereld wil doen dansen naar het pijpen van zijn enge nationalistisme.
Ze ziet een soort tweede Hitler die de Entartete Kunst aan de schandpaal wil nagelen.
Onnodig te zeggen dat dit beeld niet strookt met de werkelijkheid.
Het is overduidelijk een projectie.
Wat de kunstwereld ziet, is zijn eigen geest: een even intelligente als agressieve geest die geen enkele kritiek duldt en alles wat niet aan zijn normen voldoet tot voorwerp van bijtende spot maakt.
Dát beeld strookt helaas wel met de werkelijkheid.
Iedere kunstenaar die deel wil uitmaken van de kunstwereld moet zich onderwerpen aan de ‘hedendaagse geest’.
Wie dat weigert, wordt als ‘Entartet’ beschouwd en de straat opgeschopt.

De geest die de kunstwereld in zijn greep heeft, is inderdaad een Hitlerachtige figuur.
Hij ziet er onschuldig uit, maar wee degene die hem tegen de haren in strijkt!
Er is er namelijk maar één die kritiek mag geven en dat is hijzelf.
De Hedendaagse Geest presenteert zichzelf inderdaad als de vleesgeworden kritiek.
Het wordt keer op keer herhaald: hedendaagse kunst is maatschappijkritiek.
Er gaat een hypnotiserende werking uit van deze mantra want niemand stelt er zich vragen bij.
Niemand vraagt zich af: hoe kan kunst tegelijkertijd kritiek zijn?
Hoe kunnen twee zo tegengestelde begrippen samengaan?
Alsof de legendarische spanningen tussen kunstenaar en criticus nooit bestaan hebben, alsof ze in de Hedendaagse Kunst op wonderbaarlijke manier één zijn geworden.

De gevolgen van deze hypnose zijn desastreus.
Als kunst identiek is aan kritiek, dan is iedere kritiek op kunst ook een kritiek op de kritiek zelf.
Dat wil zeggen: het bestaansrecht van de kritiek wordt in twijfel getrokken.
Maar daardoor wordt ook het bestaansrecht van de kunst in twijfel getrokken.
Wie zich kritisch opstelt tegenover kunst stelt dus zowel de vrije meningsuiting al het vrije scheppen in vraag.
Hij stelt de hele vrije samenleving, de hele moderne cultuur, het hele moderne bewustzijn in vraag.
Hij is met andere woorden een cultuurbarbaar.

Kunst en kritiek zijn niets anders dan belichamingen van de twee polen van ons bewustzijn: de scheppende pool en de oordelende pool.
Door die twee te doen samenvallen, legt de Hedendaagse Geest dat bewustzijn lam.
Dat kunnen we aflezen aan de ontwikkeling van de Hedendaagse kunst.
Die is er namelijk niet.
De kunstwereld staat al 100 jaar stil: er is geen wezenlijk verschil tussen de pispot van Duchamp en de kakmachine van Delvoye.
Toch waren die 100 jaar gevuld met een koortsachtige activiteit.
Er is de vorige eeuw meer kunst geproduceerd dan de voorbije 10.000 jaar.

Maar die koortsachtige activiteit was een ‘gespleten’ activiteit: scheppen en oordelen gingen ieder hun eigen gang.
Daarom hebben ze zich ook zo stormachtig kunnen ontwikkelen: de wereld werd overspoeld met kunstwerken en kunstbeschouwingen.
Maar het gaat hier noch om een artistieke noch om een intellectuele ontwikkeling, want die veronderstellen een wisselwerking tussen beide.
En die is er niet.
Kunst en kritiek vallen immers samen.
Althans, zo stelt men het voor.
Kunstwerken en kunstkritieken worden samen tentoongesteld.
Naar kunst kijken betekent vandaag: kunstkritieken lezen.
Kunstenaars doen alsof hun werk ideeën uitdrukt.
Critici doen alsof ze die ideeën verwoorden.
En allebei doen ze alsof de kunstwerken en de ideeën samenvallen.
Meer zelfs, ze doen alsof het allemaal vanzelf spreekt.
Alsof men blind of van slechte wil moet zijn om het verband niet te zien.
En wie zou durven opperen dat er misschien geen verband is, tja … daar zijn geen woorden voor.

Nu is de moderne mens van nature kritisch ingesteld.
Voor hij ergens geloof aan hecht, wil hij de zaak eerst onderzoeken.
Maar die kans krijgt hij niet.
Als hij niet meteen het verband ziet tussen de kunst en de ideeën wordt hij uitgescholden voor cultuurbarbaar.
Dat komt als een schok, want hij is gewend dat er op kritiek met argumenten wordt gereageerd en niet met gescheld en verontwaardiging.
En dus zwijgt hij en doet alsof hij het allemaal heel interessant vindt.
Zo koopt hij zich tijd om na te denken en zich een oordeel te vormen.

Maar hoe hij ook zijn best doet, hij kan dat verband tussen de kunstwerken en de kunstkritieken niet vinden.
Hij staat nu voor een dilemma.
Als modern, rationeel mens stuit het hem tegen de borst geloof te hechten aan iets wat hij niet kan waarnemen.
Maar het stuit hem ook tegen de borst om géén geloof te hechten aan wat hij wél kan waarnemen: mensen die vol overtuiging beweren de waarheid te spreken.

Stel dat die mensen gelijk hebben en het verband tussen kunst en kritiek is inderdaad zo vanzelfsprekend als zij beweren: wat zegt dat dan over hem?
Dat hij blind is, dat hij een zintuig mist voor de nieuwe kunst.
Of dat hij van slechte wil is en een soort onbewuste aversie heeft voor alles wat nieuw is.
In beide gevallen is hij iemand die is blijven stilstaan, die zich de afgelopen 100 jaar niet meer ontwikkeld heeft, een dinosaurus, zeg maar.
Dat komt hard aan.
Maar het alternatief is niet veel beter.
Want stel dat de mensen uit de kunstsector géén gelijk hebben en er helemaal geen verband is tussen de kunst die zijn maken en de beschouwingen die ze erover schrijven?
Met wat voor mensen heeft hij dan te maken?
Redelijke mensen zijn het niet, want ze dulden geen enkele kritiek.
Ze zijn agressief, want ze schelden hem de huid vol.
Ze gedragen zich met andere woorden als barbaren, die iedereen die hun overtuiging niet deelt als … barbaren beschouwen.
Hun overtuiging – stront is kunst – is zo weerzinwekkend dat ieder beschaafd mens moreel verplicht is ze te bestrijden.
Maar nu wordt het pas echt moeilijk
Deze barbaren zijn namelijk niet alleen bijzonder barbaars, agressief, arrogant en kwetsend, ze zijn ook bijzonder intelligent, machtig en talrijk.
Ze vormen met andere woorden een indrukwekkende overmacht.
Niet alleen gaan alle deuren open voor deze barbaren en stroomt er onwaarschijnlijk veel geld in hun richting, ze worden ook nog eens verdedigd door zowat de hele intellectuele wereld.
Hun overmacht is zo verpletterend dat het zelfmoord is zich ertegen te verzetten.

En dus – uit louter zelfbehoud – kiest de moderne kunstliefhebber ervoor deze barbaren NIET als barbaren te beschouwen, maar als ontwikkelde, beschaafde mensen, als superieure mensen zelfs, want ze zien verbanden die hijzelf met de beste wil van de wereld NIET kan zien.
Logischerwijze zou hij zichzelf nu als een inferieur mens moeten zien.
Maar de moderne mens is van nature een hoogmoedig mens.
Niets is heilig voor zijn kritische zin: alles onderwerpt hij aan een onderzoek.
Zonder dat hij het zelf goed beseft, plaatst hij zich boven alles en iedereen.
En nu zou hij zich dus ONDER de vertegenwoordigers van kunst en cultuur moeten plaatsen?
Nee, dat is een stap te ver.
En dus blijft er maar één uitweg meer over: hij treedt zelf toe tot deze Parnassus.
Hij bekeert zich tot het geloof dat daar heerst: het geloof dat kunst en kritiek samenvallen en dat er dus een vanzelfsprekend verband is tussen de kunstwerken en de kritische beschouwingen erover.

Dat is uiteindelijk de keuze waarvoor de moderne kunstliefhebber staat: ofwel treedt hij toe tot deze machtige geloofsgemeenschap en geniet hij er alle voordelen van (en die zijn niet gering) ofwel raakt hij in de clinch met een tegenstander die veel te sterk is en die zijn ondergang zal betekenen.
De keuze is dus snel gemaakt.
En zo groeit de wereldwijde geloofsgemeenschap die de kunstwereld is alsmaar aan, gedreven door zelfbehoud, hoogmoed en … liefde voor de kunst.
Want wie geen belang stelt in kunst en cultuur, blijft uiteraard ongevoelig voor de aantrekkingskracht die van deze ‘hogere’ wereld uitgaat.
Het is juist de gecultiveerde mens die blootstaat aan het dilemma: bekeer u of brand in de hel!
De paradox is dus dat uitgerekend het streven naar een betere wereld de groeiende kloof veroorzaakt tussen een barbaarse elite die zich boven alles verheven waant en een barbaarse bevolking die wegzinkt in onverschilligheid voor alles wat hoger is.

(wordt vervolgd)

De mythe van de rebellerende kunstenaar

Een tijdje geleden noemde ik Tom Naegels als voorbeeld van een kunstenaar die zijn ziel ingeruild heeft voor een job in loondienst bij De Standaard.
Daar moet hij nu, in de hoedanigheid van ombudsman, de politiek-correcte koers van de krant mee helpen ‘verkopen’ aan de lezer.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik in zijn geval misschien hetzelfde had gedaan.
Het is niet niks om als onafhankelijk kunstenaar te moeten leven en de speelbal te zijn van andermans welwillendheid. Vooral als je vrouw en kinderen hebt en net een huis hebt gekocht, is dat een vrijwel onhoudbare toestand.
Daarom verkopen tegenwoordig vrijwel alle kunstenaars hun ziel, is het niet voor een vaste job, dan wel voor subsidies of een plek op de kunstmarkt.
Want daarbuiten is er geen leven meer, tenzij je heel veel geluk hebt.
Het resultaat is een slaafse en onderdanige kunstwereld die precies doet wat haar broodheren van haar verwachten.
Dissidenten zijn er niet, iedereen loopt keurig in de pas.
Het is een zo beschamende vertoning dat de kunstwereld zich verbergt achter een masker: dat van de eeuwige rebel, de dwarsligger, de stoorzender, hij-die-tegen-de-stroom-in-gaat.
Meer is de kunstwereld vandaag niet meer: een masker van het establishment.
Dankzij dat kunstmasker kunnen de machthebbers zich voordoen als herauten van de Nieuwe Tijd.

In De Standaard heeft Tom Naegels afgelopen weekend op die artistieke maskerade gewezen.
Dat siert hem.
Hij maakt gebruik van zijn job als ombudsman om iets te zeggen dat hij als ‘onafhankelijk’ kunstenaar nooit had kunnen zeggen.
Want het is zelfmoord om kritiek uit te oefenen op de kunstwereld en haar masker op te lichten.
Tom Naegels zou zonder pardon op straat zijn gezet, terwijl hij nu het vangnet heeft van zijn vaste job.
Hij moet het natuurlijk niet te bont maken, want de media en de kunstwereld, dat zijn twee handen op één buik.
Daarom heeft hij enkel een knuppel in het hoenderhok gegooid.
Verder zal hij zich waarschijnlijk niet wagen.
De afloop van zijn actie is trouwens voorspelbaar: eerst zal er veel gekakel zijn in het hoenderhok der kunsten, maar daarna zal iedereen weer zijn masker van rebel opzetten en mooi zijn ei leggen.

Ik zou heel graag zeggen dat het vandaag toch lijkt alsof er echte beroering ontstaat in het kunstenhok, maar ik wacht al zolang op een Hercules die deze Augiasstal komt uitmesten dat ik er niet meer in geloof.
De kunst is vandaag zo sterk vergroeid met de macht dat er veel en veel meer nodig is dan een opinieartikel van Tom Naegels om echt iets te veranderen.
Niettemin: alle beetjes helpen.

HET EINDE VAN DE KUNSTENAAR

‘Allemaal terug de zee in!’ roept Frie Leysen de kunstenaars onder ons op – een merkwaardige metafoor waarmee ze bedoelt dat de kunsten hun essentie moeten terugvinden: ze moeten de rol van ‘stoorzender’ spelen, die ‘tegen de stroom’ in gaat, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en onze wereld’ biedt, die ‘wijst waar het pijn doet’ en die daarom een ‘vrijzone’ nodig heeft waar hij los van alle ‘economische, politieke en sociale agenda’s’ zichzelf kan zijn.
Het is een klassieke visie op de rol van kunstenaars, die ritueel wordt aanroepen. Maar ik denk dat ze aan een herijking toe is. Nee, laat het me storender verwoorden: die kunstenaarsmythe is al heel lang failliet. De reden waarom de artistieke sector al zo lang machteloos staat tegenover alles waar hij graag invloed op zou willen hebben – van de hoogte van de eigen betoelaging, over het Vlaamse en federale regeringsbeleid in het algemeen, tot het stemgedrag van de gemeenschap die hij nochtans ‘een compleet ander perspectief’ geboden heeft – is precies omdat die sector zich aldoor verliest in die mix van mystiek, ideologie en zelfverheerlijking, dat al te geflatteerde zelfbeeld van de kunstenaar als uitverkoren dwarsdenker.

De wisselbeker Hugo Claus

Om te beginnen: het idee van ‘storen’ is inherent paradoxaal. Wat wérkelijk stoort, waardeer je niet. Frie Leysen geeft tal van voorbeelden van zaken die haar tegen de borst stoten: verrechtsing, nationalisme, commercialisering, conservatisme. Toch zegt ze niet: ‘Fantastisch dat ik op die manier werd uitgedaagd. In het bijzonder dank aan Matthias Storme, die mij met zijn prikkelende essay over de vrijheid om te mogen discrimineren echt op het verkeerde been gezet heeft. Ik heb moeten wroeten om mijn overtuigingen overeind te houden. Héérlijk!’ Nee, ze wil een stoorzender die het met haar eens is – een stoorzender die haar tegenstanders irriteert.
Het is de eerste fundamentele zwakte van de kunstenaarsmythe: mensen accepteren alleen het verzet waar ze zelf deel van uitmaken.
Maar dan negeren ze – tweede zwakte – dat het hele land ondertussen zo denkt.
Niet alleen kunstenaars vinden zichzelf vrijbuiters. Ook die nationalisten en conservatieven zien zichzelf als rebellen tegen een in hun ogen ‘linkse’ dominantie. Ten tijde van de bisschoppensynode postte een Facebook-kennis van me, een prominent katholiek advocaat, dat die ‘schijndebatten’ over homo’s en hertrouwde gescheidenen een manier waren om ‘de kerk als verzetsinstelling’ te ondermijnen – geef de wisselbeker Hugo Claus voor rebel van de dag dus ook maar door aan de paus van Rome.
Het establishment heeft zichzelf de facto opgeheven; dit is een cultuur van rivaliserende verzetsbewegingen. Wat de vraag oproept naar de unique selling proposition: waarom zouden kunstenaars nog de uitverkoren uit-de-doos-denkers zijn, als ondertussen elke Vlaming zichzelf zo verkoopt? Zijn er niet gewoon heel veel dozen?
Nu zou dat geen probleem zijn, als er ook onder kunstenaars tegengestelde visies zouden bestaan over de belangrijke kwesties van deze tijd, en ze dus een duizelingwekkende trompe-l’oeuil van perspectieven zouden creëren, een opwindend spiegelpaleis waarin al die subculturen zichzelf en elkaar onder ogen moeten komen. Maar net zoals de ondernemers een partij geworden zijn, en je dus nog voor ze hun mond hebben geopend al weet wat ze gaan zeggen, zo treden ook de kunstenaars naar buiten als voorspelbare woordvoerders van één duidelijk waardenkader; dat van de seculiere, blanke, progressieve, stedelijke middenklasse. Zelfs al deel je dat kader, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en wereld’ kun je het niet noemen.
Tot overmaat van ramp is de afgelopen jaren meermaals gebleken dat, als kunstenaars zich mengen in publieke debatten over thema’s die de natie verdelen, hun mening niet alleen voorspelbaar is, maar dat ze doorgaans inhoudelijk minder goed beslagen op het ijs komen dan andere deelnemers. Ze komen vaak niet verder dan een eenvoudige basisethiek, die we ook kennen van kinderen, prinsessen en kandidaat-missen: verdraagzaamheid is goed, nationalisme is slecht; verbeelding is goed, besparingen zijn slecht; natuur is goed, auto’s zijn slecht… Waardoor de burger die interesse heeft in die thema’s, de burger die inderdaad bereid is zijn zekerheden op het spel te zetten en nieuwe denkkaders te overwegen, diep ontgoocheld geraakt in kunstenaars, en op zoek moet naar anderen (wetenschappers, politici, journalisten…) met de kennis van zaken om de vinger écht op de wonde te leggen.
De kunstensector heeft vandaag veel gemeen met de katholieke Kerk.
Hij heeft fel aan legitimiteit verloren. Het maatschappijmodel dat hij nastreeft, lijkt verder af dan ooit. De functie die hij zichzelf toebedeelt, die van kritische vrijhaven, wordt maar in een beperkte kring nog geaccepteerd. Dat maakt het makkelijker om aan zijn middelen te zitten. Te midden van de verontwaardiging over al die tegenslag die de sector nu al jaren in de greep lijkt te hebben, zou het geen slecht idee zijn om de beroemde kritische blik ook eens naar zichzelf te richten. Er is een stuitend gebrek aan intern debat, aan eigen denkwerk, en aan expertise. De kunstenaarsmythe sluit de artiest op in een format; het reduceert hem tot een personage, een type, ‘de radicale tegenstem’, die opdreunt wat het script voor hem heeft voorgeschreven.
Je kan de schuld blijven leggen bij altijd dezelfde onverschillige vijanden: het neoliberalisme, het nationalisme, de verrechtsing. Je kan blijven geloven dat jij de enige vrijplaats in je bezit hebt, de enige spiegel voor de maatschappij, en als de mensen er niet in willen kijken dan is het ook goed, want het bewijs dat je hebt ‘gestoord’. Dan doe je wat Frie Leysen ons aanraadt te doen: achterwaarts, eenzaam fluitend, de oceaan in gaan. Hopen dat je, voor je verdrinkt, nog snel een walvis kunt worden. Een dier dat, zoals bekend, met uitsterven is bedreigd.

Tom Naegels