Adriaen Brouwer (9)

  

Een bezoek aan de Brouwertentoonstelling in Oudenaarde begint met de nodige verwarring. Op het grote marktplein zien we het stadhuis staan blinken als een kostbaar sieraad uit de 17de eeuw. Het ziet er echter verdacht nieuw uit en als we het van dichterbij bekijken, rijst de verdenking dat het om een kopie gaat, want van de tand des tijds is geen spoor te bekennen. Stappen we binnen, dan komen we in een hypermoderne ruimte waar vier kassa’s op ons wachten. Het tempo waarin ze bediend worden herinnert echter aan vroeger tijden en bereidt ons voor op de middeleeuwse gang waar we vervolgens terechtkomen. Daar nemen we een hypermoderne lift uit louter glas en metaal die ons afzet op een klein platform waar we voor- noch achteruit kunnen. We zien enkel een banale witte deur met ernaast een klein codeklavier. Is dit de toegang tot de tentoonstelling? Moeten we een code intikken? Hebben we in de lift op een verkeerde knop gedrukt? We zijn het noorden kwijt.

Op goed geluk duwen we de naamloze deur open en staan opeens in de 17de eeuw. Een prachtige antieke ruimte. Het verschil met het glas, staal en beton dat we net achter ons hebben gelaten, kan niet groter zijn. Oud-nieuw-oud-nieuw-oud: we zijn al behoorlijk door elkaar geschud wanneer we eindelijk Brouwer zien. En die zet het spelletje voort. In een vitrine zien we twee portretten van hem hangen, het linkse getekend door Jan Lievens, het rechtse geschilderd door Antoon Van Dijck. Gaat het hier werkelijk om dezelfde persoon? De portretten lijken totaal niet op elkaar. Op het ene heeft Brouwer een lang, smal gezicht en hij kijkt een beetje smachtend omhoog. Op het andere zien we iemand met een vol, rond gezicht (en aanzet tot dubbele kin) die poseert als een edelman en ons laatdunkend aankijkt. Onder deze twee zo verschillende portretten, hangen drie gravures. Aan de ene kant Rubens, aan de andere kant Rembrandt, en daartussenin Adriaen Brouwer, als was hij de missing link tussen beide schilderreuzen. 

Een tweeledigheid en een drieledigheid: we komen ze ook weer tegen in de vitrinekast waar we een (handgeschreven) notarieel document zien liggen, ondertekend door Brouwer, Rubens en de notaris. Naar de handtekening van Brouwer is het even zoeken, want ze lijkt zich te willen verbergen tussen de laatste woorden van het document. Die van Rubens is normaal zichtbaar. Maar die van de notaris, dát is pas een handtekening! Deze man vertegenwoordigt het gezag en is zich daar duidelijk zeer van bewust. Rubens en Brouwer mogen nog zo beroemd zijn, hier, in de wereld van officiële akten en notulen zijn ze gewone burgers. Drie handtekeningen, twee werelden. Dat beeld komen we nog een derde keer tegen, en wel in de antieke kist die we in de grote zaal tegen de muur zien staan. Het ingewikkelde mechanisme aan de binnenkant van het deksel lijkt een middeleeuwse versie van de cijfercode naast de toegangsdeur. Tegelijk verwijst het naar het werk van Brouwer, dat eveneens een complexe ‘code’ bevat.

En toch is Brouwer een heel toegankelijk schilder. Er is niks intimiderends aan zijn werk, wel integendeel. Hij is een man van het volk, ein Mensch wie du. Zijn ziel is een open boek: hij laat zich kennen zoals wellicht nooit een schilder zich heeft laten kennen. De tentoonstelling weerspiegelt dat. Brouwer hangt in een rustig Vlaams provinciestadje. We kunnen er zelfs met de fiets naartoe. Geen drukke metropool dus, geen immens museum, geen lange wachtrijen. Gewoon een stadhuis waar je gemakkelijk voor kunt parkeren. Aan de balie zitten mensen voor wie het allemaal nieuw is. Ze haasten zich niet, slaan een praatje met de bezoeker, genieten van de belangstelling. Er is niemand om je kaartje te scheuren of te controleren, de weg naar de tentoonstellingszaal moet je zelf maar vinden, en als je vroeg genoeg bent, heb je Brouwer helemaal voor jou alleen. Er zit één bewaker aan de deur en die doet niet moeilijk. Nee, Brouwer laat zich heel gemakkelijk benaderen.

Toch valt het moeilijk te vergeten dat dit de allereerste Brouwertentoonstelling ooit is. Nooit eerder was het mogelijk zoveel schilderijen van Brouwer samen te zien. Wie zich vroeger een beeld van hem wilde vormen, moest de hele wereld rondreizen, want zijn werk is over de vier windstreken verspreid en reproducties waren nauwelijks te vinden. Anders gezegd, Brouwer was in hoge mate ontoegankelijk. Die ontoegankelijkheid is trouwens niet verdwenen. Het zoeken naar de ingang van de tentoonstelling, de cijfercode naast de deur, het ingewikkelde veiligheidsmechanisme van de kist, de twee verschillende portretten bij de ingang, het wijst allemaal in dezelfde richting: je krijgt niet zo gemakkelijk toegang tot Brouwer. Dat wordt ten overvloede bevestigd door zijn werk. Niet alleen is het zo klein dat je eigenlijk een vergrootglas nodig hebt, het verbergt ook zoveel raadsels dat algauw duidelijk wordt: deze man laat zich niet zomaar kennen, je moet er echt wel moeite voor doen. 

Adriaen Brouwer is dus tegelijk heel toegankelijk en heel ontoegankelijk. Hij is een man van uitersten, uitersten die heel ver uit elkaar liggen. Heeft ooit een kunstenaar een (zowel naar inhoud als vorm) kleiner oeuvre geschilderd? En toch behoort hij tot de allergrootsten. Heeft ooit iemand zo transparant, zo licht en etherisch geschilderd? En toch is zijn werk aardser dan dat van wie ook. Is ooit een kunstenaar zo miskend geworden als Brouwer? En toch is hij een stralende ster aan het artistieke firmament. Brouwer is een vat vol tegenstellingen. De tegenstrijdigheid van zijn wezen is zo groot dat ze de grenzen van ruimte en tijd overschrijdt. Want ze blijft niet beperkt tot zijn werk en zijn persoon, ze komt ook tot uitdrukking in bijna alle aspecten van de tentoonstelling. Het is alsof de geest van Brouwer is teruggekeerd en meegewerkt heeft aan de eerste tentoonstelling van zijn werk. Wie erop let, kan zijn stempel overal terugvinden. Ja, Brouwer is waarlijk een grensoverschrijdende geest. 

Deze schilder, wiens naam synoniem is met aardse geneugten, is bij wijze van spreken uit zijn graf opgestaan om ons te wijzen op een geestelijke dimensie die we helemaal vergeten zijn en waarvan we het bestaan niet eens durven vermoeden. Het is een dimensie die de grenzen van de kunst ver overschrijdt en uitgerekend in onze tijd dringend om bewustzijn vraagt. Toch schuilt er geen enkel oordeel in Brouwers ‘wijzen’. Niemand voelt zich beklemd of schuldig bij het weerzien van deze verloren zoon, integendeel. We lachen om zijn tronies en sotternieën. En ondertussen wacht hij geduldig tot we over de drempel gaan, de verlossende vraag stellen en de verborgen dimensie van zijn werk ontdekken. Hij wacht, zoals hij al 400 jaar wacht, benieuwd of we de ‘andere’ Brouwer zullen opmerken, of beter: de andere Brouwers. Want ze zijn met drie: de fysieke Brouwer (die we allemaal kunnen zien), de ziele-Brouwer (die we kunnen aanvoelen als we dat willen) en de geestelijke Brouwer (waar we niks van afweten).

Deze drieledige Brouwer wordt pas zichtbaar wanneer we de tweeledige Brouwer onderscheiden. Dat ondervinden we met De Rokers. We merken het niet meteen, maar het schilderij is opgebouwd uit louter tegenstellingen. Om te beginnen is er de tegenstelling tussen kunstenaar en kijker. Brouwer richt zich in zijn zelfportret tot de kijker, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar zelf kijkt hij die kijker niet aan, en dat maakt zijn verbazing tot een raadsel: wat mag het dan wel zijn dat hem zo perplex doet staan? Een andere tegenstelling is die tussen kunst en wetenschap: de kunstgeleerden lijken zich helemaal niet te verbazen over Brouwers verbazing, terwijl verbazing toch hun reden van bestaan is. Ze stellen zich geen vragen bij De Rokers, en dat mag toch wel verbazing (sic) wekken voor een gild dat de meest vergezochte betekenissen en bedoelingen ziet in kunstwerken. Je zou bijna gaan denken dat ze betekenissen zoeken waar er geen zijn en ze niet zoeken waar ze wel zijn. 

Deze algemene tegenstellingen worden in De Rokers gespiegeld door de opvallende tegenstelling tussen Adriaen Brouwer en de tegenover hem zittende Jan de Heem. Eigenlijk gaat het om een tegenstelling tussen Jan de Heem en de rest van het gezelschap, want met zijn zwart-witte kleren onderscheidt hij zich duidelijk van de anderen, zelfs in die mate dat men zich afvraagt: wat doet een keurige man als hij in zo’n liederlijk gezelschap? Hij is de enige van het vijftal die niet rookt of drinkt, en dat is hem ook aan te zien: hij is nuchter en klaarwakker. Jan de Heem is dus een buitenstaander, een toeschouwer, iemand die niet deelneemt aan de actie maar de zaken vanop afstand gadeslaat. Hij is ook degene die de kijker openlijk aankijkt, alsof hij zich met hem verwant voelt en vraagt: denk jij ook wat ik denk? En toch hoort Jan de Heem wel degelijk bij de ‘rokers’. Alleen al het feit dat hij sigaretten zit te rollen – waarschijnlijk zijn het een soort aanmaakhoutjes – wijst daarop. 

We zien zo’n ‘sigaret’ – opvallend wit – op de grond liggen, en er liggen er ook een paar op de rand van de tafel, klaar om eraf te vallen. Het is een onooglijk detail, maar je vraagt je toch af waarom Brouwer ze precies daar schildert. Wil hij er misschien iets mee vertellen? Jan de Heem lijkt die ‘sigaretten’ voor Brouwer te rollen, want die heeft de handen vol. Het feit dat ze op de grond vallen zou er kunnen op duiden dat Jan de Heem (die als ‘buitenstaander’ het afstandelijke, nuchtere, wakkere denken belichaamt) moeite heeft met het ‘aansteken van Brouwers pijp’, dat wil zeggen met zijn pogingen om hem tot rede te brengen. Jan Lievens van zijn kant houdt zijn brandende pijp onder het achterste van Brouwer, alsof hij hem wil ‘aanvuren’ en in beweging zetten. Als we bedenken hoe weinig Brouwer geschilderd heeft, is het verre van denkbeeldig dat hij iemand was die aangepord moest worden, enerzijds om aan het werk te gaan, anderzijds om zijn verstand te gebruiken en uit de kroeg te blijven.  

Jan de Heem lijkt Brouwer te willen aansporen tot wakker denken, Jan Lievens tot scheppende activiteit. De eerste richt zich met zijn heldere vollemaansgezicht tot Brouwers verstand, de tweede, met zijn fluit in de hoed, tot diens wil. Ze belichamen de tegengestelde krachten die op Brouwer inwerken, want hij is niet alleen schilder, hij is ook rederijker, dat wil zeggen schrijver en toneelspeler. Naast de kunst van het beeld beoefent hij ook de kunst van het woord. Of van dat laatste veel in huis komt, is zeer de vraag: rederijkers staan bekend als ‘kannekijkers’, hun bijeenkomsten eindigen meestal in drinkgelagen. Die dualiteit van woord en beeld treffen we ook bij Rubens aan: hij geldt als een groot schilder maar ook als een geleerd man. Bij Brouwer werken die twee polen echter niet zo harmonisch samen. De manier waarop hij pijp en pint vasthoudt, zou daarop kunnen wijzen want ze staan haaks op elkaar. En rook stijgt omhoog, het wekt de geest op, terwijl drank omlaag vloeit en aards maakt. 

We zouden Jan de Heem en Jan Lievens kunnen zien als Brouwers linker- en rechterhersenhelft: de eerste staat voor het rechtlijnige, rationele denken, de tweede voor het irrationele, kreatieve denken. Brouwer zelf belichaamt het verbindende midden tussen beide: het hartdenken. Het feit dat hij tegen Jan Lievens aanleunt en afstand neemt van Jan de Heem – pijp en pint bevinden zich tussen beiden in – suggereert dat zijn ‘dronken’ kreatieve pool sterker was dan zijn ‘nuchtere’ rationele pool. Bij een schilder ligt dat natuurlijk voor de hand. Niet voor niets zegt men in het Frans ‘bête comme un peintre‘. Beeldende kunstenaars, en vooral dan schilders, moeten afstand nemen van het heldere denken om te kunnen scheppen. Ze moeten zich overgeven aan de scheppingsroes om kreatief te kunnen zijn. Maar die scheppingsroes is duister en bedrieglijk – net als de dubbelzinnige gebaren makende Lievens achter de rug van Brouwer – en om haar te verhelderen en te zuiveren heeft de kunstenaar hoe dan ook zijn verstand nodig. 

Jan de Heem (dat wil zeggen Adriaen Brouwer die hem geschilderd heeft) lijkt dat heel goed te beseffen. Daarom zit hij als buitenstaander bij dat gezelschap drinkebroers: omdat hij weet dat Brouwer hem nodig heeft. Hij weet echter ook dat Brouwer, als schilder, afstand van hem moet houden. Daarom neemt hij Brouwer niks kwalijk, dat zien we duidelijk aan zijn opgewekte, vriendelijke gezicht. Maar daarom ook richt hij zich openlijk tot de kijker, want wat de schilder niet kan, kan de kijker wel: helder nadenken. Natuurlijk moet die kijker ook voeling houden met zijn dromerige, kreatieve krachten, anders krijgt hij geen toegang tot het schilderij: daarom doet ook de ‘beroesde’ Jan Lievens een beroep op de kijker. Maar hij knijpt één oog dicht, als om aan te geven dat de scheppende krachten wel moeten meedoen, maar slechts ‘op halve kracht’. Zoals de kunstenaar zijn heldere denken moet terughouden om te kunnen scheppen, zo moet de kijker zijn wil terughouden om goed te kunnen kijken. 

Het is weinig waarschijnlijk dat Brouwer dit werkelijk allemaal zo bedacht heeft. Zo werkt het ook niet in de kunst. De kunstenaar gaat niet uit van bewuste ideeën. Hij gebruikt ze misschien wel, maar ze vormen niet de bron van zijn kunst. Die bron ligt heel diep in zijn onderbewuste. Het maakt hem tot een Visserkoning: hij werpt de lijn van zijn bewustzijn uit en haalt beelden omhoog uit de diepten van zijn ziel. Het maakt hem ook tot een gewonde koning: hij moet zijn heldere denken opofferen om zo diep te kunnen afdalen. Hij heeft bij wijze van spreken maar één oog. Daarom wacht hij op zijn andere oog, het oog van de kijker die hem weer compleet maakt, die hem geneest. Maar daarvoor moet de kijker zich op het glibberige terrein van de dualiteit wagen, waar alles dubbelzinnig is en op twee manieren kan worden uitgelegd. Hier kan hij niets bewijzen, maar moet hij op een andere manier tot zekerheid komen. Niet de moderne zekerheid van glas, staal en beton, maar een veel levender zekerheid.

Advertenties