Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Van Gogh

La douce France (2)

  

Voor mijn 63ste verjaardag kreeg ik kaartje met een reproductie van een schilderij van Van Gogh. Het is zeker niet zijn beste werk, maar daar gaat het niet om. In het Frans heet dit stilleven: Vase avec marguerites et coquelicots. In het Engels wordt dat Vase of daisies and poppies. And that says it all …

Kunst en geld (3)

Welke mensen hebben het meest verstand van geld?
Antwoord: bankiers en kunstenaars.
De bankiers omdat ze de hele dag met geld bezig zijn, de kunstenaars omdat ze altijd geld tekort hebben (en er dus ook voortdurend mee bezig zijn).
Het is een grapje, maar er schuilt veel waarheid in.
Kunstenaars wijden hun leven aan de kunst.
Kunst is voor hen een bijna religieuze missie.
Maar door de aard van de zaak zijn ze tegelijk verplicht zich zeer intens bezig te houden met ‘het slijk der aarde’.
Kunst mag dan nog zo geestelijk zijn, ze kan zich nooit losmaken van de materie.
Dat is heel in het bijzonder het geval voor de beeldende kunsten.
De muzische kunsten zijn veel minder materieel van aard.
Een schrijver heeft genoeg aan pen en papier, een muzikant kan een heel leven met één instrument.
Een schilder daarentegen heeft doek nodig, en verf, en penselen, en olie, en terpentijn, en een ezel, en een atelier, enzovoort.

Uit de Middeleeuwen kennen we de troubadours die met hun luit van hof naar hof trokken en daar hun liederen zongen.
Ze werden met open armen ontvangen, want veel vertier was er niet in die dagen.
Maar zelfs vandaag, nu er vertier in overvloed is en iedereen een radio en een ipod heeft, zijn er nog altijd ‘troubadours’ die met hun gitaar van stad naar stad trekken en er op straat hun liederen zingen.
Men zou er verbaasd van staan hoeveel geld ze op een mooie dag kunnen verdienen.
Een beroepsmuzikant vertelde me ooit dat hij op straat een violist aan het werk zag die zo voortreffelijk speelde dat hij zei: man, jij moet in een orkest gaan spelen!
De straatmuzikant antwoorde: dat héb ik gedaan, ik heb jaren bij de Berliner Philharmoniker gespeeld, maar nu verdien ik méér en bovendien kan ik spelen wat ik zelf wil!

Voor tekenaars, schilders en beeldhouwers liggen de zaken heel anders.
Vincent van Gogh bijvoorbeeld heeft in zijn hele leven maar één schilderij verkocht.
Hij was financieel was volkomen afhankelijk van zijn broer en zonder diens (royale) steun zouden we nooit van de Zonnebloemen of de Aardappeleters gehoord hebben.
En van Gogh was geen uitzondering, hij was de regel.
Beeldende kunstenaars zijn altijd afhankelijk geweest van mensen die hen wilden steunen.
Artistieke problemen waren voor hen ook altijd financiële problemen.
Ze wisten: als ik mijn zin doe, lijd ik honger, als ik wil eten moet ik mij voegen naar de eisen van mijn broodheer.
Sommigen slaagden erin die twee – kunst en geld – met elkaar te verzoenen, maar zoals gezegd: het waren uitzonderingen.

Kunstenaar-zijn is al sinds de oudheid een kommervol bestaan.
De reden daarvoor ligt in de nauwe band tussen geest en materie die eigen is aan de (beeldende) kunst.
We beseffen het niet, maar die band wekt onze weerzin op.
We willen helemaal niet dat geest en materie zo’n nauwe verbinding aangaan, we verzetten ons daar instinctief tegen.
Daarom wordt er in kunstboeken ook zelden gesproken over het grootste probleem van de kunstenaar: geld.
We lezen alles over zijn leven, over zijn liefdes, over zijn werk.
Maar we lezen niets over hoe hij zijn geld verdiende.
We WILLEN daar ook niet over lezen, want dan komt de kunst te dicht bij het leven, dan komt ze te dicht bij onszelf.
Wij willen dat de kunst luciferisch blijft, dat ze een droom blijft.
Kunst moet haar geestelijke karakter behouden, ze mag niet bevuild worden met het ‘slijk der aarde’!

We leven in zeer materialistische tijden, maar dat betekent geenszins dat we nu dicht bij de materie staan, wel integendeel.
De materie is ons nog nooit zo vreemd geweest als vandaag.
Kinderen staan nog dicht bij de materiële wereld.
Ze doen niets liever dan zich vuil maken: ze wentelen zich als varkentjes in het slijk, ze steken alles wat ze tegenkomen in hun mond, ze smeren hun snottebellen over hun gezicht.
Ze zijn als het ware nog één met de materie.
Van die kinderlijke en vanzelfsprekende relatie met de materie blijft vandaag nagenoeg niets meer over.
Er gaapt een diepe kloof tussen onszelf en de materiële wereld.
We omringen ons met dode materialen waarmee we geen verhouding meer (kunnen) hebben.

Hetzelfde zien we in de wereld van de kunst.
Vroeger kon een schilder nog aanzien verwerven door zijn ambachtelijke kunnen (dat hij dankte aan het feit dat hij zijn handen vuilmaakte).
Vandaag valt daar geen eer meer mee te behalen.
Alles nu draait om de ideeën, de visie, het concept.
Hedendaagse kunstenaars steken soms geen vinger meer uit naar het eigenlijke kunstwerk, dat laten ze aan anderen over.
Hun aandacht en energie gaat uit naar de intellectuele kant van de zaak.
Ze zijn in feite denkers geworden, ontwerpers van ideeën.
Hun kunst is niet meer dan een verlengstuk, een illustratie van hun ideeën.
Zonder die ideeën heeft ze geen enkele betekenis.
Ze bestaat dan louter uit pispotten, kartonnen dozen, oude schoenen, kortom afval.

Aan de Hedendaagse kunst kunnen we inderdaad aflezen wat materie echt voor ons is: een afvalproduct, iets bijkomstigs, een illustratie van ideeën.
In ons hoofd zien we de zaken nochtans omgekeerd: daar is het de geest die een afvalproduct is, een bijwerking van de materie.
Maar zo handelen we niet.
We scheppen juist steeds meer afstand tot de materie, we elimineren ze zoveel mogelijk uit ons leven.
De geest daarentegen verafgoden we, daar moet alles voor wijken.
De BBC lijdt momenteel grote verliezen omdat ze Jeremy Clarkson geschorst heeft.
Ze heeft dat niet gedaan omdat de man zijn werk niet goed doet, maar omdat hij zich niet wil voegen naar het politiek correcte denken.
Clarkson verstaat zijn vak, hij is een voortreffelijk ambachtsman en hij brengt de BBC veel geld op, maar hoe groot de materiële belangen ook zijn, ze moeten wijken voor de ideologische, ‘geestelijke’ belangen.
Hetzelfde zien we in de talloze gevallen van geweld en kindermisbruik door moslims: zelfs de fysieke integriteit van de mens is geen argument meer tegen de alles overheersende politiek correcte ideologie.
Onze (onbewuste) afkeer van de materie is zo groot geworden dat we ons zelfs niet meer verzetten tegen geestelijk geïnspireerd geweld.

Waar we vandaag mee geconfronteerd worden – zonder het evenwel te beseffen – is het dubbele gezicht van het materialisme.
We vergeten gemakkelijk dat het materialisme een ideologie is, een overtuiging, een geest.
Het is een geest die ontkent dat de geest bestaat.
Die contradictie heeft zich vandaag diep in de ziel van de mens genesteld en van hem een gespleten wezen gemaakt dat precies het tegenovergestelde doet van wat het gelooft.
We geloven dat er geen geest bestaat en dat alles materie is.
Daar zijn we diep van doordrongen en we voelen een instinctieve afkeer voor alles wat met geloof, religie en spiritualiteit te maken heeft.
Maar tegelijk voelen we een diepe afkeer voor alles wat met materie te maken heeft en zijn we fanatieke verdedigers geworden van politiek correcte (en in wezen christelijke) idealen die we met geweld aan de materie willen opleggen.
Van die groteske tegenspraak zijn we ons niet bewust, want we geloven niet in de geest.
En dus geloven we ook niet in de tegenstelling tussen geest en materie.
Op die manier kan het materialisme – zowel in onze ziel als in de buitenwereld – een hevige strijd doen ontbranden tussen Lucifer en Ahriman, een strijd die we al even hevig ontkennen, een strijd die we niet willen zien.

Aan de kunst kunnen we aflezen dat die strijd al zo oud als de straat is.
Reeds in de Oudheid was men vol bewondering voor de kunst, maar vol minachting voor de kunstenaars.
Er werd een scherpe grens getrokken tussen materie (het scheppen van het kunstwerk) en geest (het beschouwen van het kunstwerk).
Pas in de Renaissance werd die grens tijdelijk opgeheven en werden beeldende kunstenaars mensen van aanzien.
Maar dat duurde niet lang.
Algauw kreeg de oude minachting weer de overhand en verdwenen de kunstenaars naar de marge van de maatschappij waar ze moesten vechten om te overleven.
Om het met een boutade te zeggen: hun kunst werd de hemel in geprezen, maar zelf werden ze naar de hel verbannen.
In de 19de eeuw bereikte die gespletenheid een hoogtepunt: de (beeldende) kunstenaars wier werk nu voor gigantische bedragen verkocht wordt, leefden toen in de meest miserabele omstandigheden.
De beroemdste onder hen – Vincent van Gogh – was zelfs nooit schilder kunnen worden als zijn broer hem niet onderhouden had.

Vandaag hebben kunstenaars het een stuk beter: er is sociale zekerheid, er zijn subsidies en de kunsthandel draait op volle toeren.
Maar de gespletenheid is geenszins verdwenen.
Vroeger waren kunstenaars het slachtoffer van die gespletenheid, maar ze overwonnen haar in hun kunst.
Vandaag is de kunst zelf slachtoffer geworden.
Kunstenaars hebben zich altijd verzet tegen het dualisme dat de Europese cultuur steeds sterker in zijn ban kreeg.
Met hun kunst – die geest en materie verenigde – boden ze er tegenwicht aan.
Maar vandaag lukt hen dat niet meer.
Ze slagen er niet langer in geest en materie te verenigen.
Ze plaatsen beide gewoon naast elkaar
Ze nemen een stuk materie, voegen daar wat abstracte ideeën aan toe, en dat is dat.
De kijker moet op hun gezag aannemen dat er een verband is tussen beide want zelf kan hij het niet zien.
De kunstenaar staat als het ware persoonlijk garant voor de eenheid van materie en geest.
Het is dus niet langer het kunstwerk dat die eenheid belichaamt, maar de kunstenaar.
Hij is met andere woorden zelf kunstwerk geworden.
Het is de kunstenaar die in en met zijn persoon de (ahrimanische) materie van het kunstwerk verbindt met de (luciferische) ideeën in zijn hoofd, en zichzelf op die manier als een soort Christusfiguur naar voor schuift, een mensheidsrepresentant die het midden houdt tussen geest en materie en samen met hen een drieledige eenheid vormt.

Dit beeld spreekt de naar geest hongerende mens sterk aan en ligt aan de basis van het wereldwijde succes van de Hedendaagse kunst.
Het is de wederkomst van Christus zelf die hier imaginatief zichtbaar wordt en die alle deuren doet opengaan.
Maar de werking van dit oerbeeld is onbewust en instinctief.
Want niemand ziet dit beeld, niemand is er zich van bewust.
Het valt zintuiglijk dan ook niet waar te nemen, het wordt maar zichtbaar als we het in gedachten vormen, als we de uiterlijke bestanddelen met elkaar verbinden tot een innerlijk beeld.
En pas wanneer dit beeld in ons gestalte aanneemt, merken we dat de Hedendaagse kunstenaar ons niet het beeld van Christus voorhoudt, maar precies het omgekeerde.
Hij verbindt geest en materie niet op een speelse, kinderlijke manier die rechtstreeks tot ons hart spreekt en onze gespleten ziel ‘heelt’.
Hij verbindt ze op een autoritaire, dwingende manier die we op geen enkele manier kunnen waarnemen en die onze ziel nog verder in twee splijt.

De Hedendaagse kunstenaar belichaamt een buitengewoon agressief intellectualisme, dat zo diep in onze ziel doordringt dat ze deze ‘omkeert’: wat normaliter onze weerzin oproept (vuilnis, afval, geweld) leren we bewonderen en wat doorgaans onze bewondering oproept (vakmanschap, materiaalbeheersing, schoonheid) leren we minachten.
Als we het beeld dat hij ons voorhoudt bewust waarnemen (door het imaginatief in onszelf op te bouwen), dan zien we niemand anders dan de geïncarneerde Ahriman.
Als we het daarentegen onbewust waarnemen (zonder moeite te doen een samenhangend beeld te vormen), dan menen we de wedergekomen Christus te zien.

De kunstenaar heeft in onze cultuur het bewustzijn van Christus het langst levend gehouden, niet in abstracte begrippen maar in levendige beelden.
Hij is dan ook altijd nauw verbonden geweest met het esoterische christendom dat de oorspronkelijke christelijke geest uit de verstarrende, abstraherende greep van Ahriman probeerde te houden.
Maar naarmate Ahriman zijn greep verstevigde, werd de taak van de kunstenaar steeds zwaarder.
In de 19de eeuw bereikte zijn ellende een absoluut dieptepunt en in de 20ste eeuw brak de veer: de kunstenaar gaf zich over.
Hij die zich altijd verzet had tegen Ahriman, werd nu zijn werktuig.
Hij werd dat zelfs nog veel meer dan de doorsnee intellectueel, want hij maakte de materialistische geest op zo’n manier zichtbaar dat hij niet te onderscheiden viel van de christelijke geest.
Door die imitatio Christi kon Ahriman veel dieper in de ziel van de moderne mens doordringen.

Doordat Ahriman de kunst in zijn greep kreeg werden de woorden van Goethe bewaarheid: wie wetenschap heeft en wie kunst heeft, die heeft ook religie.
Na de wetenschap (in de 19de eeuw) en de kunst (in de 20ste eeuw) heeft Ahriman nu ook de religie in zijn greep gekregen.
Hij doet nu in de werkelijkheid wat hij de vorige eeuw in de kunst deed: een zodanige terreur uitoefenen dat we ons niet meer durven verzetten, ja dat we zelfs gaan toejuichen wat we (in wezen) verafschuwen.
In het Gentse SMAK liep onlangs een tentoonstelling van Berlinde De Bruyckere.
Naast kadavers van dieren, waren er ook gruwelijke half-menselijke, half-plantaardige vormen te zien.
Het was om misselijk van te worden, maar de tentoonstelling werd alom met lof overladen.
Ze was een ‘must’ voor iedere cultuurminnaar.
Nog misselijker makend is de gedachte dat deze ‘omkering’ zich in de komende eeuw ook zal uitbreiden tot de werkelijkheid en dat we de meest gruwelijke taferelen zullen toejuichen als een hoogtepunt van beschaving.
En dat dit vooruitzicht geen science fiction is, lezen we dagelijks in de kranten.

In de wetenschap is Ahriman in zijn (intellectuele) element.
In de kunst gaat hij een bondgenootschap aan met (het gevoelselement van) Lucifer.
Maar in de religie dringt hij door tot de wil van de mens en wordt hij het gezicht van de Antichrist die de aanval opent op het Ik van de mens.
Het enige wat daartegen opgewassen is, is bewustzijn, Ik-bewustzijn.
Rudolf Steiner zei al dat we niet de illusie moeten koesteren Ahriman te kunnen overwinnen.
Hij staat op het hoogtepunt van zijn macht en zal die macht nog minstens 1000 jaar uitoefenen.
Het enige wat we kunnen doen, is hem doorzien, ons bewust worden van zijn wezen en werking.
Daartoe is intellectueel inzicht uiteraard niet genoeg, want op dit ‘dode’ niveau is Ahriman heer en meester en doet hij ons geloven dat de geest – en dus ook hijzelf – niet bestaat.
We kunnen ons alleen een beeld van hem vormen als we ons denken weer tot leven wekken, als we ermee doordringen in de etherische sfeer, die ook de sfeer van de kunst is.
En hier moeten we onderscheid leren maken tussen Christus en de Antichrist, want het is door ze naast elkaar te zien dat we ons een (innerlijk) beeld van beiden kunnen vormen.

De kunst helpt ons daarbij want in de ‘klassieke’ kunst hangt zij een beeld op van Christus en in de ‘hedendaagse’ kunst een beeld van de Antichrist.
We beschikken over de nodige (innerlijke) vermogens om dit dubbele beeld te kunnen lezen en het te begrijpen als een beeld van de grote geestelijke strijd die zich vandaag afspeelt.
Maar we moeten die vermogens wel gebruiken en daar is moed voor nodig.
We moeten weer durven luisteren naar ons hart.
We moeten ons verstand weer durven gebruiken.
En we moeten die twee weer met elkaar durven verbinden.
In die volgorde.
Hoe moeilijk dat is, ondervinden we zodra we het proberen.
Als we tegenover een pispot in een museum durven voelen wat ieder normaal mens daarvoor voelt, dan ervaren we wat het betekent een Ik te zijn: we komen alleen te staan.
We verliezen de geborgenheid van de zwijgende meerderheid.
Als we ons gevoel ernstig nemen en erover beginnen nadenken, wordt ons Ik-isolement nog verdiept.
En als we onze gedachten ten slotte durven uitspreken, wordt ons geestelijk isolement ook een fysiek isolement: we worden uit de gemeenschap der weldenkende, beschaafde mensen gestoten.

Als we ten aanzien van de kunst ons hart laten spreken dan delen we het lot van de kunstenaar.
We ondervinden dan aan den lijve wat hij zelf altijd ondervonden heeft: een outcast te zijn, iemand die er niet bij hoorde, iemand die hoogstens geduld werd (omdat je nu eenmaal kunstenaars nodig hebt om kunstwerken te maken).
We nemen dan ook de fakkel van hem over, want zelf kan hij die niet meer dragen.
Hij is in handen gevallen van Ahriman, hij is tot diens werktuig geworden.
In feite is dat een – onbewust – offer: de kunstenaar is in de huid van de draak gekropen en hij beseft het niet.
Dat besef moet van ons, kijkers, komen.
We moeten de kunstenaar verlossen door zijn lot te delen en dat doen we door onze ziel NIET te laten ‘omkeren’ door zijn gruwelijke beelden, maar ze nuchter onder ogen te zien.
We beginnen dan aan een echte lijdensweg, want het is afschuwelijk om de beelden van de Hedendaagse kunst niet met je hoofd maar met je hart te zien.
Maar we gaan dan wel begrijpen welke aanslag er in de 20ste eeuw op de kunst is gepleegd.
En we gaan ook begrijpen welk aandeel we daar zelf in hadden door – zoals Parsifal – eerbiedig te zwijgen tegenover het lijden van de visserkoning die de kunstenaar is.

Follow the money!
Dat is de richtlijn die vaak weerklinkt in moderne misdaadseries: volg het spoor van het geld, want dat leidt naar de ware schuldigen.
Het is ook het spoor dat we moeten volgen als we opheldering willen krijgen over de aanslag die in de 20ste eeuw op de kunst werd gepleegd.
We moeten de vraag stellen die nooit gesteld wordt omdat ze ten aanzien van de ‘koninklijke’ kunst zo oneerbiedig klinkt: de Parsifalvraag naar het geld.
Als we dat doen bij de beroemdste kunstenaar van de moderne tijd – Vincent van Gogh – dan komen we meteen uit bij de ontroerende (geestelijke) relatie tussen beide broers, Vincent en Theo.
Die relatie is als een lichtend voorbeeld van wat altijd de voorwaarde voor kunst is geweest en dat altijd zal blijven: een broederlijke samenwerking.

De miserie van de kunst (2)

Ahriman is één aspect van de ziekte waaraan we lijden.
Hij is de inspirator van het intellectuele denken.
Hij giet levende gedachten in dode vormen.
Hij schrijft.
Ahriman inspireert de mens tot schrijven.
Nog maar een paar generaties geleden konden de meeste mensen nauwelijks een pen vasthouden. Vandaag schrijft iedereen.
En er wordt heel goed geschreven, tenminste wanneer we de zaak louter technisch bekijken.
Maar het is niet de moderne mens zelf die schrijft.
Het is voor het grootste deel Ahriman die in zijn plaats schrijft en aan de lopende band woorden, geijkte formuleringen en correcte gedachten produceert.

Volgens Alfred Einstein is er een rechtstreeks verband tussen de neergang van de muziek en de opgang van het schrijven.
Hector Berlioz is daarvan een treffend voorbeeld.
Iedereen kent hem als de componist van zeer romantische, gezwollen muziek, maar weinig mensen weten dat hij ook een voortreffelijk schrijver was.
Ik heb ooit zijn mémoires gelezen (verschenen als ‘Mijn leven’ in de reeks Privé-Domein) en zeer genoten van de buitengewone ‘esprit’ van de man.

20140811-120932.jpg

Het is dus verkeerd om Ahriman louter als een boosdoener te zien.
Door de kunstenaar te leren schrijven, heeft hij weliswaar de neergang van zijn kunst ingeleid, maar hij heeft ook iets in de plaats gegeven: zelfbewustzijn.
Muzikale reuzen als Bach en Haydn hadden iets kinderlijks in hun wezen.
Ze schreven muziek zoals een kind speelt: het was voor hen de natuurlijkste zaak ter wereld. Ze bezaten dan ook nog niet de soms arrogante trots van latere kunstenaars.
Wat een verschil met figuren als Beethoven en Berlioz!
Dat waren uitgesproken, zelfbewuste persoonlijkheden.
Vergeleken met hen lijken Bach en Haydn saaie burgermannetjes.
Die ahrimanische lijn is sindsdien almaar verder doorgetrokken.
Waren de klassieke meesters brave en hardwerkende huisvaders (Bach had 22 kinderen!) dan ben je vandaag geen kunstenaar meer als je leven niet avontuurlijk, opwindend en passioneel is, als je niet in alle opzichten anders bent dan de anderen.
Maar je moet ook uitvoerig kunnen spreken en schrijven over je kunst, anders word je niet voor vol aangezien.
De moderne kunstenaar is én een rocker én een intellectueel, iets wat de oude meesters geen van beide waren.
Niets typeert typeert onze tijd meer dan de spanning tussen deze twee tegengestelde kwaliteiten: de (luciferische) hartstocht en het (ahrimanische) intellect.
Die spanning is enerzijds verantwoordelijk voor de neergang van de kinderlijke genialiteit (die onze voorouders nog bezaten) en anderzijds voor de toename van het volwassen zelfbewustzijn (die onze voorouders nog niet bezaten).
En dat zelfbewustzijn culmineert in het besef van de moderne onmacht, het niet-meer-kunnen.

20140811-121359.jpg

Als we over (de kunst van) onze tijd willen spreken, moeten we het niet alleen over Ahriman hebben, maar ook over zijn tegenpool Lucifer.
Want waar de een is, is tegenwoordig ook de ander. Ze zijn niet meer van elkaar los te maken.
Het is dus niet alleen aan Ahrimans intellectualisme dat de kunst ten gronde gaat, ze gaat ook ten gronde aan het wilde luciferische verzet daartegen.
Actie en reactie, Lucifer die reageert op Ahriman en Ahriman die reageert op Lucifer: dát is de miserie van de kunst.
Berlioz was een voortreffelijk schrijver, maar juist die ahrimanische invloed dreef zijn muziek in de armen van Lucifer.
Toch had hij nog altijd deel aan ‘het tijdperk van de onschuld’, het tijdperk van het speelse midden, en daardoor kon hij die twee extremen, zij het met veel moeite, samenhouden en ondanks alles een groot kunstenaar worden.

Een nog sprekender voorbeeld van de door Ahriman en Lucifer verscheurde moderne kunstenaar is Vincent Van Gogh.
Iedereen kent de schilderijen van Van Gogh, en iedereen weet dat hij veel brieven heeft geschreven naar zijn broer Theo.
Minder bekend is echter dat die brieven zo goed geschreven zijn dat ze een plaats verdienen in de Nederlandse letterkunde.
Vincent Van Gogh was dan ook een bijzonder intelligent man, iemand die zich zeer bewust was van zijn kunst en ze met een ongewoon helder en nuchter oog bekeek.
Maar juist omdat hij literair zo begaafd was, en Ahriman hem dus zo sterk inspireerde, moest hij zich tot Lucifer wenden om Ahriman de baas te blijven. En dat gaf zijn kunst iets wilds en driftmatigs.
Van Gogh leed onder de enorme spanning tussen die twee polen.
Zolang hij ze kon uithouden, gaf die spanning zijn werk – zijn schilderijen én zijn brieven – een grote zeggingskracht.
Maar er zijn ook heel wat schilderijen – die je zelden of nooit te zien krijgt – waarop je duidelijk merkt dat hij de zaken niet meer samen kon houden.
Van Gogh werd langzaam maar zeker gesloopt door de enorme spanningen.
Het beroemde voorval waarbij hij zijn oor afsnijdt, was in feite een zelfmoordpoging: hij wilde zich de keel oversnijden met zijn scheermes, maar deed dat zo ‘wild’ dat hij bleef steken in zijn oor.

20140811-121611.jpg

Aanvankelijk wilde hij predikant worden, een man van het woord dus.
Hij had daar zeker het talent voor, dat bewijzen zijn brieven.
Maar hij leerde de dodelijke leegte en grauwheid van de intellectuele Ahriman kennen en vluchtte in de armen van de (vergelijkenderwijs) luciferische wereld van de kunst.
Zijn eerste stappen op dat gebied worden gekenmerkt door een grote gedrevenheid en een al even groot gebrek aan kunnen.
Het is bijna pijnlijk om die eerste stuntelige pogingen te zien, als van een (volwassen) kind dat leert lopen.
Maar wat Van Gogh groot maakt, is dat hij dat stuntelen heeft volgehouden.
Hij heeft het nooit ingeruild voor de pseudo-artisticiteit waar zoveel mensen zich aan overgeven wanneer ze op latere leeftijd leren tekenen of schilderen.
Dat kinderlijke stuntelen was de oorzaak van zijn levenslange miskenning.
Men zag hem als iemand die dacht dat hij schilder was maar er niks van kon en zichzelf belachelijk maakte.

Van Gogh was één van de vele kunstenaars die in de tijd rond de eeuwwisseling (die van 1900) gesloopt werden door de spanning tussen Lucifer en Ahriman, door de moeite die het hen kostte om die twee in evenwicht te houden (want ze zijn allebei nodig om kunst te maken).
Vandaag zijn er veel meer mensen die zich met kunst bezighouden dan in de tijd van Van Gogh.
Maar dat levert nauwelijks nog kunst op die de naam waard is.
Het spanningsveld tussen Lucifer en Ahriman is dan ook zo groot geworden dat niemand het nog uithoudt of het zelfs maar durft te betreden.
Er wordt nog maar weinig (echte) kunst gemaakt in onze tijd, maar we merken dat nauwelijks op, want hoe minder kunst we te zien krijgen, des te minder zijn we ook in staat om kunst waar te nemen.
Het oog voor kunst is een oog dat moet gevoed worden, anders kwijnt het weg en wordt blind.
Het ziet dan geen verschil meer tussen echte kunst en pseudo-kunst.
Hoe groot onze blindheid is geworden, toont de hedendaagse kunst, zowel in haar echte als in haar onechte gedaante.
De pseudo-hedendaagse kunst (die zichzelf Hedendaagse Kunst noemt) schotelt ons de meest beschamende dingen voor, en de echte hedendaagse kunst (de filmkunst) toont ons de meest spirituele dingen, maar we zien het geen van beide.
We zien noch het lelijke noch het schone.
Ons oog voor kunst is te zwak geworden om nog onderscheid te maken.

20140811-122606.jpg

De waarheid is dat we artistiek volkomen ondervoed zijn.
De beelden van miljoenen hongerende mensen die we bijna dagelijks op tv zien, zijn een (fysiek) spiegelbeeld van onze eigen (geestelijke) ondervoeding.
Tal van geestelijke kwalen die ons teisteren zijn een gevolg van dit tekort aan kunst, want zonder kunst – in zijn natuurlijke of culturele vorm (de natuur is het oer-kunstwerk) – kan de mens niet gezond blijven.
We zijn ons van dit geestelijk ziek-zijn echter nauwelijks bewust, omdat ons bewustzijn zelf deel heeft aan die ziekte: het is blind geworden voor zichzelf, voor zijn wezenlijk geestelijke aard.

Daardoor zitten we gevangen in een vicieuze cirkel: hoe minder kunst we te zien krijgen, des te blinder worden we voor kunst, en hoe blinder we worden voor kunst, des te meer ziekmakende pseudo-kunst kan ons leven binnendringen.
Het is met de kunst eigenlijk als met de landbouw: het volstaat niet meer om alle ziekmakende factoren te weren. De levenskrachten van de aarde zijn zo zwak geworden dat ze ons niet meer kunnen voeden.
We beseffen het niet, maar we zijn ook fysiek ondervoed.
We vreten ons weliswaar te pletter, maar we krijgen niet de nodige voedingsstoffen binnen.
Zelfs zuiver geteelde gewassen kunnen ons die niet meer geven.
Daarom is biologische landbouw niet genoeg.
Ze moet ook ‘dynamisch’ worden, dat wil zeggen: zij moet opnieuw verbonden worden met haar geestelijke oorsprong. Zonder die verbinding is echte voeding en echte gezondheid niet meer mogelijk.
In de kunst is het niet anders.
Ook zij moet ‘gedynamiseerd’ worden: de dodelijke tweespalt waarin ze zich bevindt, moet overwonnen worden. De twee stukken waarin ze uiteen is gevallen, moeten opnieuw met elkaar verbonden worden.
Dat is echter pas mogelijk als we opnieuw contact maken met de echte geest, niet de luciferische of de ahrimanische, en nog veel minder degene die hen rechtstreeks verbindt, maar de christelijke geest, die het midden houdt tussen beide.

20140811-123255.jpg

Omgekeerd kunnen we maar contact maken met deze waarlijk kunstzinnige geest als we opnieuw het spanningsveld betreden tussen Lucifer en Ahriman, dat wil zeggen: als we het bewust en vrijwillig betreden.
Want ons hele moderne leven speelt zich af tussen Lucifer en Ahriman.
We zijn er ons alleen niet van bewust.
We weten niet dat we als een pingpongballetje heen en weer worden gemept tussen beide tegenmachten.
We willen het ook niet weten, want de onmacht die ons dan overvalt, drijft ons tot wanhoop en zelfvernietiging.
Maar ook het niet-willen-weten leidt tot zelfvernietiging, want de spanning tussen Lucifer en Ahriman blijft oplopen en dwingt ons om ons bewustzijn stelselmatig te verdoven tot het uiteindelijk vervangen wordt door een bewustzijn dat niet het onze is.
En dat schijn-bewustzijn behoort toe aan een geest die nog veel gevaarlijker is dan Lucifer en Ahriman.
Hij brengt de mens ertoe zichzelf uit vrije wil te vernietigen, in de overtuiging dat het de enige uitweg is uit de vicieuze cirkel.
We zien deze geest onder meer aan het werk in zelfmoordterroristen, die door zichzelf te vernietigen dood en terreur zaaien. Deze zelfvernietigers noemen zichzelf ‘vrijheidsstrijders’ en worden geroemd als martelaren die het grootste offer brengen dat een mens kan brengen, een offer dat hen tot heiligen maakt.
De geest die hen bezielt (of bezit) perverteert met andere woorden het christelijke ideaal.

Deze anti-christelijke geest perverteert ook de kunst: hij vernietigt ze niet door haar rechtstreeks aan te vallen, maar door haar in haar tegendeel te keren, door een anti-kunst in het leven te roepen die als het summum van kunst beschouwd wordt.
Tot omstreeks 1900 had niemand dat voor mogelijk gehouden, maar vandaag is het een realiteit die zo vanzelfsprekend is geworden dat niemand ze nog opmerkt.
De zelfvernietiging van de kunst is heel gewoon geworden.
De kunstenaar vernietigt in plaats van te scheppen en niemand merkt het verschil.
Ook buiten de kunst is dit omkeringsproces aan de gang: de moderne mens vernietigt zichzelf en zijn wereld in de overtuiging dat hij beide redt.
Dit is de geestelijke ziekte waaraan we lijden, en het is een dodelijke ziekte.

20140811-123346.jpg

De enige manier om ervan te genezen, is door er ons bewust van te worden.
Maar dat is nu net het probleem, want ons bewustzijn zelf is ziek, het is niet langer bij machte onderscheid te maken tussen ziek en gezond.
Zelfmoordterroristen beschouwen zichzelf niet als ziek, integendeel, het zijn de anderen die ziek zijn en een paardenmiddel nodig hebben om te genezen.
Ook Hedendaagse kunstenaars zien zichzelf als gezonde geesten die alles wat vroeger als kunst beschouwd werd als ziekelijk bestrijden.
Een dergelijke groteske omkering is maar mogelijk omdat de mens niet meer weet wie of wat hij is.
Tot pakweg 1900 leefde hij in de overtuiging dat hij een kind van God was, een geestelijk wezen.
Het materialisme heeft dat oeroude mensbeeld vernietigd en een grote leegte achtergelaten die nu stelselmatig ingenomen wordt door de hedendaagse anti-geest.
Hoe meer die geest ons ‘midden’ bezet, des te meer ontvluchten we dat midden en werpen ons in de armen van Lucifer en Ahriman.
Zonder een nieuw mensbeeld dat de mens opnieuw ziet als een geestelijk wezen dat het midden houdt tussen de spirituele Lucifer en de materialistische Ahriman, is het niet mogelijk het menselijke midden te heroveren op de anti-christelijke geest, het bijbelse beest met de twee horens.

20140811-123709.jpg

Dat nieuwe mensbeeld is ons gegeven in de antroposofie van Rudolf Steiner.
Het is een waar godsgeschenk, want in onze moderne wereld is er niets wat ermee te vergelijken valt.
Maar de mens zou geen vrije geest zijn als hij verplicht werd dit geschenk te aanvaarden of zelfs maar als geschenk te herkennen.
Verre van een verplichting te zijn, is het een hele opgave om dit geschenk aan te nemen en uit te pakken.
In feite is het niets minder dan een kunst.
De antroposofie doet een beroep op wat ons nog rest aan kunstzinnige vermogens, zowel op het gebied van denken, voelen als willen.
Ze noopt ons om opnieuw het midden te betreden waar die vermogens leven en de strijd aan te gaan met de geest die daar eveneens leeft en probeert die vermogens tot de zijne te maken.

De strijd begint met het onderkennen van de luciferische en de ahrimanische ‘hoorn’ van dit beest, want het is met het geraffineerde pingpongspel tussen beide extremen dat hij zichzelf aan het bewustzijn van de mens onttrekt.
Er zit niets anders op dan dit ‘spel’ te leren kennen, en ‘kennen’ betekent hier meer dan alleen maar verstandelijk begrijpen: we moeten het spel meespelen, maar dan wel bewust en niet onbewust, zoals we dat nu doen.
Door dat bewuste ‘meespelen’ heroveren we stap voor kleine stap onze kunstzinnige vermogens, want het zijn die vermogens die de anti-geest tegen ons gebruikt.
Zelf bezit hij namelijk geen scheppende kracht.
Dat is trouwens de reden waarom hij ons zo haat en ons wil vernietigen: het beeld van de mens, een wezen dat ver beneden hem staat en toch begiftigd is met scheppende vermogens, is voor hem zo ondraaglijk dat hij het kost wat kost uit de weg wil ruimen.
Het feit dat hij daar, na 100 jaar zijn duivels ontketend te hebben, nog altijd niet in geslaagd is, wijst op de aanwezigheid van een andere geest, die ons steunt in onze strijd tegen Het Beest.
Maar die steun ondervinden we alleen als we de strijd werkelijk aangaan, want de christelijke geest dwingt ons op geen enkele wijze.
Als we de strijd uit de weg gaan en ons tevreden stellen met ons pingpongbalbestaan, dan houdt hij zich op de achtergrond en lijdt met ons mee.
Nemen we ons (aangeboren) kunstenaarschap daarentegen weer op, dan keren we de zaken om: wij lijden dan – uit vrije wil – met de Christusgeest mee.
Want kunst impliceert lijden.
Maar als we scheppend worden, lijden we niet om te lijden, we lijden om de vreugde die de bewustwording van onze eigen scheppende geest ons baart.
En die vreugde is altijd groter dan het lijden.

20140811-124134.jpg

Experts

20130917-114356.jpg

Groot nieuws!
Er is een nieuwe Van Gogh ontdekt!
U weet wel, zo’n schilderij dat enkele tientallen miljoenen euro’s waard is.
Reden dus om wantrouwig te zijn.

Experts beweren dat het om een echte, authentieke Van Gogh gaat.
Tot dat (kostbare) besluit zijn ze gekomen na grondig onderzoek en rijp beraad.

Tja.

Met experts moet je je altijd afvragen door wie ze betaald worden.
Amerikaanse experts zeggen dat Assad gifgas gebruikt heeft.
Russische experts zeggen dat het de rebellen waren.
Europese experts blazen koud en warm.
Kunst is natuurlijk geen oorlog.
Alhoewel.
Op 9/11 was het verschil niet groot.
De aanslag leek verdacht veel op een ‘performance’.
Volgens experts van de Amerikaanse regering ging het evenwel om een echte, authentieke aanslag.
Onafhankelijke experts zagen het anders: volgens hen was de aanslag vervalst, het was een zorgvuldig in scène gezet kunststuk.
Wie had gelijk?
Ik gok op de niet-betaalden.

De conclusie van de Van Gogh-experts is gigantisch veel geld waard.
Door wie werden ze betaald?
Dat wordt niet gezegd.
Een tijdje geleden hadden ze het schilderij nog vals verklaard.
Maar de onbekende eigenaar had aangedrongen.
En zie, vandaag is het valse schilderij opeens echt.

Tja.

Maar zelfs als kunstexperts bonafide zijn, is hun oordeel lang niet altijd betrouwbaar.
Iedereen kent het geval van De Emmaüsgangers, de ‘nieuwe Vermeer’ die in 1937 ontdekt werd.
De experts waren het er roerend over eens: het was een echte, authentieke Vermeer.
Waarschijnlijk zouden ze dat vandaag nog altijd denken als de vervalser – Han van Meegeren – niet bekend had (noodgedwongen, want hij werd beschuldigd van collaboratie omdat hij een andere valse Vermeer – aan Göring verkocht had).
Als ik De Emmaüsgangers vandaag bekijk, snap ik niet hoe men ooit heeft kunnen denken dat dit een Vermeer was.
Je hebt echt geen gesofisticeerde instrumenten nodig om dat te zien.
Verleden jaar heeft men een onbekende tekening van Jan Van Eyck ontdekt, al is men niet zeker of het van de hand van de meester zelf is.
Opnieuw volstaat één blik op die tekening om te weten dat ze onmogelijk een Jan Van Eyck kan zijn.
Maar de experts twijfelen.

Toen ik nog in Brussel werkte, ging ik vaak kijken naar de etalages van de antiquairs in de buurt van het Paleis voor Schone Kunsten.
Daar zag ik regelmatig 16de eeuwse schilderijen waarvan ik had durven wedden dat ze geen vijftig jaar oud waren.
En ik wed alleen als ik zeker ben.
Toch werden die dingen verkocht, ongetwijfeld voorzien van de benodigde echtheidscertificaten, ondertekend door experts.

Ik kan moeilijk geloven dat die experts hun vak zo slecht kennen.
En dus blijft er maar één mogelijkheid over: ze zijn te koop.

Stel je eens voor dat je in het bezit bent van een vervalste Van Gogh.
Zo’n doek is 20, 30 miljoen euro waard, als ’t niet meer is.
Maar het moet natuurlijk wel eerst echt verklaard worden.
Als je daar 10 miljoen euro voor uittrekt, blijft er nog altijd heel veel over.
En met 10 miljoen euro kun je volgens mij veel experts omkopen.
Ik heb ooit eens gelezen dat een aanzienlijk percentage van álle kunstwerken die in musea hangen, vervalst is.
Of dat waar is, weet ik niet.
Maar ik weet wel dat er in de kunstwereld gigantisch veel geld omgaat.
En waar zoveel geld is, is ook misdaad.

Mijn oude tekenleraar formuleerde het ooit zo:
Er zijn drie gebieden waarop je in korte tijd enorm veel geld kunt verdienen:
Sex, drugs en kunst.
De eerste twee zijn in handen van de misdaad.
Waarom zou de derde een uitzondering zijn?

Je zou zelfs verder kunnen gaan en zeggen dat in de hedendaagse kunstwereld misdaad tot kunst is verheven.
Wie pispotten, afval en uitwerpselen voor grof geld aan de man brengt, is toch een oplichter van formaat?
En wie daar een internationaal bedrijf van maakt, waarin kunstenaars, kunsthandelaars, kunstkenners en experts van over de hele wereld werkzaam zijn, die mag met recht een misdaadgenie genoemd worden, iemand die van oplichterij een kunst heeft gemaakt, en van kunst een oplichterij.

Ik kan me dan ook levendig voorstellen dat een bonafide expert vroeg of laat overstag gaat en denkt: als iedereen met open ogen in die oplichterij trapt, waarom zou ik dan tegen de bierkaai blijven vechten?
Ik zeg niet dat alle bonafide experts bezwijken, maar waar zijn de ‘kenners’ die deze misdadige gang van zaken aanklagen?
Ik zie ze niet.
Nergens is er een spoor van kritiek op de hedendaagse oplichterij.
Het is een gesloten en machtige wereld.
En iedereen weet wat er met klokkenluiders gebeurt…

Wil ik nu beweren dat de nieuwe Van Gogh waarschijnlijk een vervalsing is?
Nee, helemaal niet.
Het is best mogelijk dat hij echt is.
Maar ik zou er mijn hand niet voor in het vuur durven steken.
Zeker niet zonder hem gezien te hebben.

Op grond van de foto’s in de krant kan ik wel zien dat het geen goede Van Gogh is.
Dat vond Van Gogh trouwens zelf ook, zoals hij in zijn brieven schrijft.
En hij had een zeer nuchtere kijk op zijn eigen werk.
Maar dat bewijst uiteraard niet dat dit doek van hem is.
Iedere vervalser kan die brieven lezen.
Het is natuurlijk wel een beetje gewaagd om een schilderij te vervalsen waarover Van Gogh zelf schrijft, want als het echte exemplaar later zou opduiken, ben je eraan voor je moeite.

Maar moderne vervalsers wagen zich heel ver.
Hoe zou je zelf zijn als je de experts bezig ziet!
Wie weet nog hoe Jan Hoet zijn carrière in de artistieke oplichterij begonnen is?
Hij deed dat door een (andere) oplichter te ontmaskeren, een oplichter die zo overmoedig was geworden dat hij niet kon wachten tot de verf droog was.
Helaas had de kennersblik van Jan Hoet dat gezien.
Blijkbaar is dat vandaag genoeg om een internationaal gereputeerde expert te worden: het verschil kennen tussen droge en natte verf.

We kunnen alleen maar hopen dat de experts van het Van Gogh museum dááraan gedacht hebben…

Twijfel

20130913-150844.jpg

Volgens mij is die meneer links echt. Van het schilderij weet ik het niet.