Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: vrijheid

De Tuin van Heden (2)

  

De tuin in Scheldewindeke is de derde in mijn (volwassen) leven, al zou je hem net zo goed de eerste kunnen noemen want de twee vorige waren de naam tuin niet waard. In Melle was het een smalle strook grond achter het huis waar alleen maar onkruid groeide. Toen ik besloot daar iets aan te doen, bleek het onkruid een laag assen te verbergen: iemand had er jarenlang de kolenkachel geleegd. Merkwaardig genoeg maakte mijn vader 25 jaar eerder precies hetzelfde mee toen we in de Mechelse Voetbalstraat gingen wonen. Het huis was gebouwd op het oude terrein van de Malinwa, het huidige KV Mechelen, en dat was er aan te zien: de rolluiken waren in de rood-gele kleuren van de club geschilderd. Het voetbalterrein zelf was al lang verdwenen, maar er had een assepiste bij gehoord en daar stootte mijn vader op toen hij zijn nieuwe tuin wilde omspitten. Ik hoor hem nu nog vloeken. Dat deed ik in Melle ook toen ik de assen ontdekte, maar ik realiseerde me (nog) niet dat de geschiedenis zich herhaalde.

Ook in Destelbergen hadden we een tuin waar niks mee aan te vangen was, zij het om een andere reden. Hij werd bijna helemaal ingenomen door een grote carport die een vrachtwagen onderdak had geboden. Het was een oerlelijk ding, maar de huisbaas wilde niet dat we het afbraken. Daardoor werd de tuin een soort Destelbergen-in-het-klein, want in het midden van deze groene gemeente is destijds een grote verkeerswisselaar neergepoot. Er was echter ook een link met mijn vorige tuin. Niet lang nadat we er kwamen wonen, begon vlak tegen de tuin van de buren, een kleine berk te groeien, precies zoals dat ook in Melle was gebeurd. Hij mocht daar eigenlijk niet staan, maar juist omdat hij me herinnerde aan mijn eerste berk, had ik het hart niet hem te kortwieken. Net als in Melle groeide hij in de loop der jaren uit tot een grote, majestueuze boom die in de herfst prachtig geel kleurde. En net als in Melle werd hij, onmiddellijk nadat we het huis verlaten hadden, omgezaagd. 

Ik merkte de berk in Melle pas op toen ik samen met mijn vader de tuin wat kindvriendelijker probeerde te maken. Mijn oudste dochter was net geboren. Het boompje was niet meer dan een grote twijg die van onder de muur van de buren kwam gekropen. Niet zonder moeite trok ik het los en keek meewarig naar wat er overbleef van de wortels. Gooi maar weg, zei mijn vader, dat is een verloren zaak! Louter om zijn ongelijk te bewijzen, besloot ik het berkje – het was nauwelijks een meter groot – in het midden van de tuin te planten. Ik droeg er goed zorg voor, praatte er zelfs tegen en moedigde het dagelijks aan. En zie, het wonder geschiedde: het kleine, kromme ding groeide uit tot een grote, rijzige berk met een loodrechte stam en een mooi gevormde kruin. Meer dan eens kwamen de buren ontzet aanbellen als onze oudste dochter weer eens tot helemaal in de top was geklommen. Maar ze viel er nooit uit. Het bleek een zeer kindvriendelijke boom te zijn en we beleefden er veel plezier aan.

Tot mijn verbazing herhaalde die geschiedenis zich in Destelbergen. Het leek wel of de ziel van de berk ons achterna was gekomen en zich opnieuw belichaamde in precies hetzelfde soort berk, die op precies dezelfde manier ter wereld kwam. Dit keer werd hij niet verplant, de carport maakte dat onmogelijk. Hij bleef gewoon staan, op de grens met de buren, en zorgde voor een verrassende continuïteit in een tuin die voor de rest niet leek op de oude. Net als in Melle was de boom een genot om te zien, frisgroen in de lente, een grote, gele toorts in de herfst. Maar net als in Melle was er ook reden tot bezorgdheid, dit keer niet omdat er kinderen konden uitvallen, maar omdat hij zo dicht bij het huis stond, zo dicht bij de tuin van de buren ook. Als hij was omgewaaid zou de schade niet te overzien zijn geweest. Maar hij waaide niet om en de buren maakten ook geen bezwaar. Hij bleef staan, trots en onwrikbaar, tot we verhuisden. Toen werd hij meteen omgezaagd, zoals dat ook met de berk in Melle was gebeurd.  

Stiekem hoop ik nog altijd dat hij ons opnieuw achterna zal komen en dat er ook in Scheldewindeke als bij wonder een jonge berk in de tuin zal verschijnen. Maar iets zegt me dat het niet zal gebeuren. In het midden van mijn nieuwe tuin – een echte tuin dit keer – prijkt nu een majestueuze notelaar met een kruinbreedte van veertien meter, en op de plek waar vroeger de berk groeide, staat nu een jonge eikeboom. Het is een heel andere tuin, niet te vergelijken met de twee vorige, maar toch staat hij er niet los van. Hij is ermee verbonden door kleine details en grote lijnen. Zo herinner ik me nog mijn blijdschap toen ik in Destelbergen uit het raam keek en grote bomen zag. Ze stonden wel niet in mijn tuin, maar dat maakte niet uit, ik kon ze zien. Dat was een enorme vooruitgang, want in Melle viel er vrijwel niets te zien. Het huis was als een gevangenis, met ramen en deuren van staal die traag opendraaiden en dreunend dichtsloegen. Geen straaltje zon kwam er binnen.

In Destelbergen was er weliswaar het onafgebroken lawaai van steenweg en autostrade, maar dat was een stuk draaglijker dan de apocalyptische geluiden die in Melle ’s nachts opstegen vanuit het nabijgelegen rangeerstation en de radio van de buurjongen die overdag door de ramen schalde. Vooral dat laatste was niet te harden. Protesteren hielp niet, ook niet bij de politie, en dus zat er niets anders op dan het huis zoveel mogelijk te ontvluchten, want een grotere kwelling dan electronisch lawaai ken ik niet. De duivel is een dj, daar twijfel ik niet aan, en in de hel klinkt onafgebroken keiharde ‘muziek’. Melle werd mijn persoonlijke hel, zeker nadat ik werkloos was geworden. Ik huiver nog als ik eraan terugdenk. Groot was de opluchting toen we eindelijk dat oord konden verlaten. Het nieuwe huis in Destelbergen was nog altijd donker en kil, de tuin nog altijd schraal en onaantrekkelijk, de omgeving nog altijd druk en lawaaierig. Maar desondanks was het een verbetering over de hele lijn. 

Was Melle mijn hel, dan was Destelbergen mijn vagevuur, en Scheldewindeke is mijn hemel. Beter kunnen deze drie perioden – en de overeenkomstige huizen – niet gekarakteriseerd worden. Wat zich begint af te tekenen, zijn de contouren van een metamorfose, van iets wat verandert en toch hetzelfde blijft. Het is niet gemakkelijk om die metamorfose in het vizier te krijgen, niet alleen omdat ze zo complex is, maar ook omdat je er als kijker deel van uitmaakt. Geen wonder dat ik er mij pas nu, op m’n 63ste, een beeld van begin te vormen. Pas nu kan ik de nodige afstand nemen en worden er verbanden zichtbaar waar ik me voordien niet bewust van was. Het is alsof het lichaam van mijn leven langzaam transparant wordt en ik het geraamte, de grote lijnen, het ontwerp zeg maar, begin te ontwaren. Eindelijk dring ik door tot de karmische dimensie van mijn leven, en daarmee ook tot de geestelijke dimensie van mezelf, tot het scheppende wezen dat dit leven ontworpen en gewild heeft. 

Eindelijk, zeg ik, omdat ik daar al lang naar op zoek ben. Al heel lang zoek ik een antwoord op de vraag waarom mijn leven is zoals het is, waarom ik ben zoals ik ben. Dat zijn vragen die een mens zich niet stelt als alles goed gaat. Ze drongen zich dan ook pas aan me op toen mijn leven een (innerlijke) hel werd. Die hel begon al vóór ik in Melle ging wonen, en er gingen ook een vagevuur en een hemel aan vooraf. Het beeld van de metamorfose breidt zich dus uit. Mijn leven begon met een hemel (de kindertijd), die langzaam veranderde in een vagevuur (de adolescentie) en ten slotte uitmondde in een hel (de volwassenheid). Daarna ging het weer bergop, naar het vagevuur van Destelbergen en de hemel van Scheldewindeke. Mijn leven kan dus samengevat worden als een stapsgewijze afdaling ter helle en een even stapsgewijze opstijging ter hemel. Dat is het globale beeld dat verschijnt wanneer ik mijn verleden bekijk vanuit het nieuwe perspectief, vanuit het nieuwe huis in Scheldewindeke. 

Het is een strikt persoonlijk beeld, maar tegelijk is het ook bovenpersoonlijk. Want kent niet ieder mensenleven deze op- en neergang, dit Stirb und Werde? Is deze metamorfose van hel, vagevuur en hemel geen oerbeeld dat het wezen van mens en menswording uitdrukt? De mens is een wezen dat het vermogen bezit om te sterven en te verrijzen, om af te dalen in de hel en daaruit weer op te stijgen naar de hemel. Hij kan de aarde in een fysiek lichaam bewonen en haar daarna als geest weer verlaten. Hij is met andere woorden een reïncarnerende geest. Karma en reïncarnatie maken deel uit van zijn wezen. Maar dat (geestelijke) wezen is ondergesneeuwd geraakt. Het is als het ware gestorven in het bewustzijn van de mens en moet daar nu weer uit verrijzen. Wellicht is dat de reden waarom ik mijn leven zo ontworpen heb dat het Stirb und Werde er duidelijk in tot uitdrukking komt. Wellicht heb ik er daarom een beetje een karikatuur van gemaakt: om mijn aandacht te vestigen op de Ik-kwaliteit ervan.

Ik ben mij in de loop der jaren inderdaad langzaam bewust geworden van de karmische Ik-dimensie van mijn leven. Nog vóór ik het begrip kende deed ik al aan karmaonderzoek. De hel waarin ik terecht was gekomen, deed in mijn ziel de vraag ontbranden: hoe is het zover kunnen komen, wat is er verkeerd gegaan? Ik leefde met een zondebesef dat niets met godsdienst te maken had, maar alles met de vrijheid en de mogelijkheid om fouten te maken. Keer op keer speelde ik de film van mijn leven af op zoek naar de fout die alles in het honderd had doen lopen. Maar ik vond ze niet. Ik kwam tot de onverwachte conclusie dat mijn leven – in de gegeven omstandigheden en met mijn karakter – niet anders had kunnen verlopen. Als ik het had kunnen herdoen, ik zou in dezelfde hel terecht zijn gekomen. Dat inzicht verloste me van een kwellend schuldgevoel, van de overtuiging dat die hel het gevolg was van verkeerde keuzes en dat ik hem dus enkel en alleen aan mezelf te wijten had.

Het besef dat ik geen keuze had gehad, kwam als een bevrijding. Want de vrijheid terroriseerde me. Ik was er diep van doordrongen dat iedere keuze die ik maakte, iedere beslissing die ik nam, gevolgen had die niet te voorzien – en vaak ook niet te overzien – waren. Waarop moest ik mij baseren om de juiste keuze maken? Hoe kon ik beletten dat de zaken uit de hand liepen? Het willekeurige karakter van de vrijheid moest vroeg of laat tot een hel leiden waar ik zelf verantwoordelijk voor was. Uit die hel bevrijdde ik mij door nuchter na te denken over mijn leven. Op die manier kwam ik tot de vaststelling dat ik helemaal niet vrij was geweest. De mogelijkheid was er wel, maar ik was (nog) niet sterk genoeg om ze in werkelijkheid om te zetten. Ik was in de hel terechtgekomen omdat het voorbestemd was. En zo begon mijn zoektocht naar wat vrijheid en voorbestemming met elkaar zou kunnen verzoenen, want die twee uitersten kwelden mij allebei even erg.  

Ik vond de verzoening in de leer van karma en reïncarnatie, of beter gezegd in de realiteit ervan, een realiteit waarvan ik me stap voor stap bewust werd. Een mijlpaal in die bewustwording is de verhuizing naar Scheldewindeke, want ze is het resultaat van zowel vrijheid als voorbestemming. Ik herinner me nog de eerste keer dat het nieuwe huis ter sprake kwam. Ik sprong meteen op mijn fiets om eens te gaan kijken. Het was alsof ik voelde dat het dit keer de goede keer zou zijn, want je fietst niet zomaar dat hele eind van Destelbergen naar Scheldewindeke. Toen ik de Morestraat in reed, dacht ik de toegang tot het paradijs gevonden te hebben. Alle geluid viel weg en ik hoorde alleen nog vogeltjes fluiten. Groter kon het verschil met Destelbergen niet zijn. Toch wezen we het huis af, met pijn in het hart. We waren bang de huurprijs niet te kunnen (blijven) betalen. Ook konden we niet geloven dat dit paradijs voor ons was weggelegd. We hadden al te lang in de hel en het vagevuur gezeten. 

Het bleek een fatale beslissing te zijn. Kort daarna kregen we bericht dat we het huis in Destelbergen moesten verlaten en een half jaar later deelde de huisbaas ons mee dat hij desnoods naar het gerecht zou stappen. We waren ten einde raad. Hoe zou ons in die korte tijd lukken wat ons de afgelopen drie jaar niet was gelukt? Intussen hadden we begrepen dat onze kandidatuur telkens afgewezen werd omdat ik werkloos was. We waren dus overgeleverd aan ons lot, en dat was een bangelijke ervaring. Maar zie, het wonder geschiedde: het huis in Scheldewindeke kwam opnieuw vrij. Alsof het voor ons bestemd was en onze afwijzing daar niets had kunnen aan veranderen. Het is vooral de combinatie van deze twee – vrijheid en voorbeschikking – die mij het gevoel geeft dat dit huis, ook al zijn we er niet de eigenaar van, het onze is. Scheldewindeke maakt deel uit van ons karma, daar kan geen twijfel over bestaan. En wat is er meer van een mens dan juist zijn karma, dat hij zelf geschapen heeft?

Dat zelfgeschapene komt op een bijzondere manier tot uitdrukking in ons nieuwe huis. De vader van onze huisbazin heeft het namelijk met zijn eigen handen gebouwd, met bakstenen die hij zelf gebakken heeft, uit klei die hij zelf uit de grond heeft gehaald waar nu de kelder is. Het maakt van dit huis een metafoor, een beeld van de scheppende kracht waarmee een mens zijn eigen leven schept, maar (in mijn geval) ook van de oordelende kracht waarmee hij zich daarvan bewust wordt. Die twee – scheppen en oordelen – waren van elkaar gescheiden en dat was de hel, maar nu beginnen ze langzaam weer naar elkaar toe te groeien. Door mijn leven uit te spitten, leer ik mezelf kennen als scheppend wezen en verenig ik me stap voor stap weer met mezelf. Steen voor steen bouw ik aan een geestelijk huis en dat wordt weerspiegeld in mijn materiële huizen. Het huis in Scheldewindeke is het werk van een amateur en dat is eraan te zien. Maar het is al een stuk beter dan beide vorige, en vooral: het is eigen werk. 

Advertenties

Het nieuwe communisme

  

De val van de Muur is nu bijna dertig jaar geleden. Het was de overwinning van het vrije Westen op het communisme. Een proces van liberalisering werd ingezet in alle landen die deel hadden uitgemaakt van het communistische bondgenootschap dat Warschaupact heette. Nu, zo’n dertig jaar later, zijn de meeste van deze landen vrijwel geheel geassimileerd met het vrije Westen – hier en daar zijn er nog wat achterblijvers, zoals in Polen en Hongarije.

Dit is, in een notendop, de dominante visie op ons recente verleden en de Europese actualiteit van de dag. De grondslag ervan is de algemeen gedeelde gedachte dat het vrije Westen en het communisme tegengestelde politieke ideeën aanhangen, de eerste gebaseerd op vrijheid en de tweede op een onderdrukking ervan.

Dit beeld wordt eigenlijk nooit ter discussie gesteld. En toch is het niet waar. Althans, het is steeds minder waar. Want in de afgelopen decennia is het Westen veranderd. Langzaam maar zeker zijn de verschillen aan het verdwijnen en openbaart de westerse samenleving zich meer en meer als de nieuwe verschijningsvorm van het communisme. Dit klinkt vreemd, ik weet het, en ik haast me dan ook het toe te lichten.

Om te beginnen leken de ideologie van het Westen en het communisme altijd al in veel opzichten op elkaar. Ten eerste zijn beide voorstander van de seculiere staat. Religie is hooguit een private rol toebedeeld, maar velen zagen en zien religie liever helemaal van de aardbodem verdwijnen. In de tweede plaats zijn beide materialistisch. Het gaat in essentie om de levensstandaard en de groei van de materiële welvaart. Ten slotte zijn beide individualistisch. Ze zijn daarom beide uiterst wantrouwend jegens elk denkbare deelgemeenschap. De enig werkelijk te vertrouwen gemeenschap is de gemeenschap van allen, vertegenwoordigd door de nationale staat en, recentelijk, de EU.

Maar de gelijkenis is in de afgelopen decennia nog veel groter geworden. Dat komt doordat het Westen meer en meer nadruk is gaan leggen op gelijkheid; iets wat in het communisme vanaf het begin centraal stond.

Het vrije Westen stond vanouds –het bijvoeglijk naamwoord zegt het al– voor vrijheid. Maar niet alleen voor vrijheid. Het stond voor vrijheid én gelijkheid. Omdat er sprake is van twee ultieme waarden, rijst onmiddellijk de vraag welke prevaleert in het geval van strijdigheid. In het oudere westerse denken is dat de vrijheid.

Dit denken nam ongelijkheid op de koop toe, omdat het de vrijheid als hoogste goed zag. Het beginsel van vrijheid van contract, bijvoorbeeld, betekent dat eenieder vrij is met wie dan ook een contract aan te gaan. Dat impliceert dat men ook vrij is geen contract aan te gaan. Als iemand aan iemand anders niets wil verkopen of geen baan wil geven, is dat zijn vrijheid.

Hiertegen kwam in de loop van de tijd steeds meer bezwaar. Want als je het recht hebt iemand anders niets te verkopen of geen baan te geven, kun je dat ook doen louter en alleen omdat iemand, bijvoorbeeld om zijn huidskleur of geslacht, je niet aanstaat. Gebruik van de vrijheid ten nadele van een ander kreeg nu de naam discriminatie, oftewel schending van de gelijkheid, en werd bij wet verboden.

Dit gelijkheidsbeginsel werd in de loop van de tijd steeds ruimer gedefinieerd. Anders gezegd: steeds meer redenen om verschil te maken werden gezien als ongerechtvaardigd en dus discriminerend. Dus kwam er wetgeving die het verbood. En met de toename van het aantal wettelijke verboden werd en wordt vanzelf de vrijheid steeds verder aangetast.

Gelijkheid heeft in het Westen in de achterliggende decennia vrijheid als hoogste waarde steeds meer verdrongen. Vrijheid wordt nog altijd gezien als belangrijk, maar alleen voor zover ze de gelijkheid niet aantast. Dat de steeds bredere uitleg van het gelijkheidsbeginsel de vrijheid meer en meer aantast, wordt niet als een probleem gezien. Veel mensen beseffen het niet eens. En wie het wel beseft, denkt: Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Of men redeneert het probleem marxistisch weg door te stellen dat de toename van de gelijkheid de ”ware” vrijheid juist vergroot.

Een mooi voorbeeld, op een heel ander terrein dan de vrijheid van contract, is het recente Obergefellarrest van het Amerikaanse hooggerechtshof. Dat bepaalt dat het huwelijk ook voor mensen van hetzelfde geslacht moet worden opengesteld. De redenering is dat er geen goede reden is om verschil te maken met het huwelijk tussen man en vrouw en dat een dergelijk verschil dus discriminerend is. Het kind van de rekening is de vrijheid, in dit geval die van de bevolkingen van de diverse staten van de VS, om zelf te bepalen onder welke huwelijkswet ze willen leven.

Talloze andere voorbeelden van deze ontwikkeling zijn er te geven. Men denke bijvoorbeeld aan de toenemende beperking, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, van de vrijheid van scholen om zelf te bepalen wie wel en niet wordt toegelaten als leerling. Aan het sinterklaasfeest, dat volgens velen verboden moet worden omdat de figuur van Zwarte Piet discriminerend zou zijn. Aan de vrijheid van meningsuiting, die niet alleen wordt beperkt wanneer er sprake is van aanzetten tot geweld, maar ook wanneer wordt aangezet tot discriminatie. Of aan de steeds verdergaande overdracht van bevoegdheden aan de EU, die nodig zou zijn om ervoor te zorgen dat overal gelijke regels gelden.

Het patroon is almaar hetzelfde: de vrijheid wordt steeds verder beperkt met een beroep op de gelijkheid. Maar realiseren we ons wel voldoende dat we, als we zo doorgaan, op den duur geen vrijheid meer overhouden? Dat ligt in de aard der dingen, of we het nu leuk vinden of niet. Er is een wisselwerking tussen vrijheid en gelijkheid. De Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville wees daar al in de vroege 19e eeuw op, in zijn magnifieke werk ”Democratie in Amerika”, dat iedereen verplicht zou moeten lezen.

Waar hij ook op wees, is de nauwe samenhang tussen het streven naar steeds meer gelijkheid en steeds meer centralisatie van de macht. Gelijkheid moet nu eenmaal van bovenaf worden opgelegd, door wetgeving, en moet ook van bovenaf worden gehandhaafd. Hoe meer er naar gelijkheid gestreefd wordt, des te meer macht moet er in handen gelegd worden van allerlei staatsorganen en uiteindelijk van de centrale staat. Het gevolg is een enorm apparaat dat met een ontelbaar aantal minutieuze regels, miljoenen ambtenaren en overal toezicht, controles en camera’s, het hele reilen en zeilen van de maatschappij bewaakt en regelt. Van vrijheid blijft zo uiteindelijk niets over.

Bovendien blijkt dan dat ”iedereen gelijk is, maar sommigen toch nog wat gelijker dan anderen”. Want de maatschappij bestaat dan uit twee klassen. Enerzijds de grote massa van de bevolking, volledig ”gleichgeschaltet”. Anderzijds de apparatsjiks, de bestuurders, de bureaucraten, die iedereen bewaken en alles regelen. Dat is de nieuwe adel, waarvoor de regels toch altijd een stuk aangenamer zijn dan voor de rest.

Waar doet zo’n maatschappij ons aan denken? Precies: aan de communistische maatschappij zoals we die kennen uit het voormalige Oostblok. Ook daar hielp het streven naar gelijkheid de vrijheid om zeep. Ook daar bestond een tot in het uiterste doorgedreven centralisatie. Ook daar had je overal toezicht, controles en camera’s. Ook daar waren sommigen net iets gelijker dan anderen.
Volgens Marx zou het communisme het eerst arriveren in de meest ontwikkelde landen van het Westen. Het lijkt erop dat hij toch nog gelijk krijgt.

Als we dat –anders dan Marx– niet willen, zullen we echt moeten leren dat gelijkheid niet alleenzaligmakend is. Elk fundamentalisme moet worden afgewezen, óók het gelijkheidsfundamentalisme. Goed leven vereist een permanent afwegen van verschillende waarden. Wie te ver doordraaft op het spoor van de gelijkheid, maakt van ons allemaal uiteindelijk slaven, ook al is dat helemaal niet zijn bedoeling.

(prof. dr. Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden)

Kunst en maatschappij (2)

Woord vooraf. Ik kan sinds een paar dagen niet meer op het internet met mijn iPad. Geen idee hoe dat komt. Als gevolg daarvan kan ik geen illustraties meer downloaden om mijn teksten wat te verluchten. U zult het dus een tijdje moeten doen met alleen maar lettertjes. Gelukkig kan ik die wél nog op m’n blog plaatsen. Voor zolang het duurt tenminste. Als er helemaal niks meer verschijnt, noch beeld noch woord, dan weet u dat mijn infra-s-s-structuur het begeven heeft.

In deel 1 van ‘Kunst en maatschappij’ heb ik betoogd dat de Hedendaagse kunst berust op een offer van de kunstenaar die zich blootstelt aan de Grote Dubbelganger, de mensheidsdubbelganger, om op die manier beelden van hem te kunnen maken.
Die beelden maken het de moderne kijker mogelijk om die dubbelganger te leren kennen zonder in zijn greep te raken.
Dat laatste is precies wat de mens moet leren, wil hij heelhuids over de drempel van de geestelijke wereld raken.
Door zijn offer is de kunstenaar dus de ‘bemiddelaar’ tussen de moderne, materialistische mens en de wereld van de geest.
Hij maakt het de mens mogelijk om weer in contact te komen met de geestelijke wereld zonder zijn vrijheid te verliezen.
De wereld van de geest is namelijk buitengewoon dwingend.
Zolang de mens er nog deel van uitmaakt, kan hij niet vrij worden.
Het materialisme is dan ook een cruciale factor in zijn bevrijdingsproces.
Maar het is tegelijk een zeer bedreigende factor, want als de mens er niet in slaagt opnieuw aan te knopen bij de geest is alle bevrijdingsmoeite voor niets geweest.
Vrij zijn van de geest is immers schijnvrijheid.
Vrij zijn in de geest is pas echte vrijheid.
Daarom staat de mens op een keerpunt, het grootste in zijn geschiedenis: hij moet – uit vrije wil – de brug slaan naar de geestelijke wereld.
Dat kan hij alleen als hij – uit vrije wil – zijn dubbelganger onder ogen ziet.
Doet hij dat niet, dan wordt hij diens slaaf en komt terecht in de onderwereld.
Want er bestaan twee geestelijke werelden: een hoge en een lage, een geestelijke bovenwereld en een geestelijke onderwereld.
Het offer dat de hedendaagse kunstenaar brengt, doet hem afdalen in de onderwereld waar hij slaaf wordt van de dubbelganger maar daardoor ook in staat is beelden van hem te maken.

De kunstenaar heeft dit offer uit vrije wil gebracht, maar is zich daar niet van bewust.
Het is een besluit dat hij genomen heeft vóór hij op aarde kwam.
Hij kan op aarde dan ook niet verlost worden uit zijn lijden zolang hij zich niet bewust is van zijn offer.
Zonder de kijker kan hij dat bewustzijn echter niet ontwikkelen.
Hij is immers zo diep verbonden met zijn werk dat hij er niet objectief tegenover kan gaan staan en doordringen tot het wezen ervan.
Hij ziet het dubbelgangerskarakter van zijn kunst dan ook niet.
Hij wil het trouwens niet zien, want dan kan hij geen beelden meer kunnen maken van de dubbelganger.
En dus blijft hij diens slaaf en doet – onder het mom van kunst – de meest vernederende dingen voor hem.

Alleen de kijker kan het dubbelgangerskarakter van deze kunst waarnemen, want hij heeft geen deel gehad aan het scheppen ervan. Daardoor kan hij er objectief tegenover gaan staan en haar werkelijke aard onderkennen.
Hij is dan ook de enige die de kunstenaar bewust kan maken van het offer dat hij gebracht heeft.
Maar daarvoor moet hij op zijn beurt een offer brengen.
Zolang hij dat niet doet, is het offer van de kunstenaar vergeefs.

Waarin bestaat nu het offer van de kijker?

Wie een kunstgalerij, een museum of een tentoonstelling binnenstapt, overschrijdt niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk een drempel: hij gaat anders kijken, hij draait in zijn bewustzijn een knop om.
In de gewone wereld betekent kijken: de dingen benoemen.
Wat geen naam heeft, ziet men niet.
Een fiets zien, is weten dat het een fiets is.
Een boom zien, is er het begrip ‘boom’ mee verbinden.
In de kunstwereld betekent kijken: de dingen waarderen.
Een schilderij is niet zomaar een schilderij.
En een beeld is niet zomaar een beeld.
Ze zijn goed of ze zijn slecht.
Zijn ze goed, dan kan men er het begrip ‘kunst’ mee verbinden.
Zijn ze slecht, dan kan men dat niet.
Kunst is geen ding, zoals een fiets of een boom of een schilderij.
Kunst is een kwaliteit van dingen.
En om die kwaliteit te kunnen waarnemen, moeten de dingen beoordeeld worden.
Dat is dan ook wat de kijker doet wanneer hij over de drempel van de kunstwereld stapt: hij begint te oordelen.
Hij onderscheidt niet langer alleen fysieke eigenschappen.
Hij onderscheidt nu ook geestelijke eigenschappen, en dan vooral één centrale eigenschap: de kunstzinnige kwaliteit.
Wat een schilderij (of enig ander ding) tot kunstwerk maakt, kan op geen enkele materiële manier gemeten worden: het is een zuiver geestelijke kwaliteit die alleen door een geest kan worden waargenomen.
Toch bestaat die kwaliteit niet zonder de materie van het kunstwerk.
Een niet-materieel kunstwerk bestaat niet.
Die onverbrekelijke eenheid van geest en materie: dát is het wezen van de kunst.
En dat wezen probeert de kijker waar te nemen.
Door te oordelen.
Door geestelijk actief te worden.
Dat is de knop die hij omdraait wanneer hij de kunstwereld betreedt.
Dat is ook het unieke van de kunstwereld: het is een materiële wereld die hij niet op een ‘materiële’ manier kan bekijken.
Hij moet geestelijk actief worden, anders staat hij tegenover een wereld waar hij geen betekenis kan aan geven, een zinloze, onbegrijpelijke en ontoegankelijke wereld.
Wie geestelijk niet actief wil of kan worden, verveelt zich te pletter in die wereld: er valt niks te zien en er valt niks te doen.

Wie wel geestelijk actief wordt, komt terecht in een wereld vol wonderen, een wereld die hem vervult van vreugde en verrukking.
Dat zoiets kan bestaan!
De wereld van de kunst is als een oase in de woestijn: een verademing.
Maar dan moet de bezoeker wel oordelen.
Hij moet onderscheid maken tussen goed en slecht.
Hij moet proberen het begrip ‘kunst’ te verbinden met alles wat hij in die wereld ziet.
Pas dan wordt de oase zichtbaar.
Anders blijft ze gewoon zand.

Musea lopen tegenwoordig vol met mensen die niet oordelen, die geestelijk niet actief zijn.
Aan de lege blik in hun ogen kun je aflezen dat ze zich niet in een verkwikkende oase bevinden.
En toch lopen ze in dichte drommen door de musea waar je 50 jaar geleden geen mens zag.
De geestelijke activiteit die ze ontplooien, is volkomen onbewust geworden.
Ze is als het ware weggezakt tot in hun benen, die hen naar het museum voeren terwijl hun hart zich afvraagt: waar ben ik, wat doe ik hier?

De mensheid gaat vandaag over de drempel.
Ze betreedt de geestelijke wereld zoals ze een museum bezoekt: zonder geestelijk actief te worden, zonder te oordelen, zonder onderscheid te maken tussen goed en kwaad.
Als gevolg daarvan merkt ze niets van die geestelijke wereld.
Ze betreedt geen oase die haar nieuwe moed geeft, maar loopt verveeld rond, als een toerist slaafs de gids volgend en stiekem verlangend naar de wereld daarbuiten, de echte wereld, de levende wereld, niet deze dode, stoffige museumwereld.
Maar er ís geen wereld meer daarbuiten.
De hele wereld is een museum geworden, barstensvol kunst.
Dat is de verandering die de wereld heeft ondergaan doordat de mens over de drempel gaat.
Maar de mens ziet dat niet.
Hij beseft niet dat hij omringd is door een geestelijke, kunstzinnige kwaliteit die in toenemende mate alles doordringt.
En omdat hij dat niet beseft, loopt hij in toenemende mate met lege ogen rond, zich afvragend: wat doe ik hier, wat is de zin van dit alles?

De mens die over de drempel gaat, staat voor een keuze.
Ofwel wordt hij geestelijk actief en ontwikkelt een hoger bewustzijn.
Ofwel blijft hij passief en verliest het bewustzijn.
Dat ‘hogere’ bewustzijn is niets anders dan het ‘lagere’ bewustzijn dat naar zichzelf leert kijken.
En dat ‘lagere’ bewustzijn is in wezen een kunstzinnig bewustzijn.
De mens heeft de wereld altijd als een kunstwerk gezien.
Dat kunnen we aflezen aan het kleine kind dat vol verrukking en verbazing naar de wereld kijkt.
Naarmate het opgroeit, verliest het evenwel dit kunstzinnige bewustzijn en als het volwassen is, ziet het in de wereld helemaal geen verbluffend kunstwerk meer, maar alleen nog harde realiteit.
Wat zich in ieder mensenleven in het klein afspeelt, speelt zich ook in het groot af in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid.
Vandaag is de mensheid bij wijze van spreken volwassen geworden: met haar rationeel-wetenschappelijke bewustzijn ziet ze geen kunst – en dus ook geen geest – meer in de werkelijkheid, alleen nog dode materie.
Maar wie geen kunst ziet, kan ook geen kunst maken.
De moderne mensheid is nauwelijks nog in staat iets moois voort te brengen.
Ze maakt de wereld steeds lelijker.
Maar juist door het kwijtspelen van haar kunstzinnige bewustzijn is ze in de mogelijkheid gekomen om er zich bewust van te worden.
Met haar ‘wetenschappelijke’ bewustzijn is ze helemaal uit het kunstzinnige getreden en juist daardoor kan ze er zich (op een wetenschappelijke manier) bewust van worden.
De mensheid heeft in haar ontwikkeling dus het punt bereikt waarop ze zich bewust kan worden van haar eigen (in wezen kunstzinnige) bewustzijn.
Ze staat als het ware als volwassene tegenover het kind dat ze zelf ooit was en nog altijd is.

Het kan nu twee kanten op.
Ofwel herkent de volwassene het kind en verheffen beiden elkaar tot een bewustzijn dat zowel wetenschappelijk als kunstzinnig (en daardoor ook religieus) is.
Ofwel negeert hij het kind en verlagen beiden elkaar tot een bewustzijn dat noch wetenschappelijk noch kunstzinnig (en zeker niet religieus) is.

Deze drempelproblematiek wordt weerspiegeld in de kunst.
Ze wordt daar tot schijn, maar wel tot ware schijn.
De drempel waar de mensheid overheen moet, wordt weerspiegeld door de drempel die we overschrijden wanneer we een museum, een kunstgalerij of een tentoonstellingszaal binnenstappen.
Het hogere bewustzijn dat de mens moet ontwikkelen om heelhuids over de drempel te raken, wordt weerspiegeld door de bewustwording van de geestelijke activiteit die we ontwikkelen bij het kijken naar kunstwerken.
Van die geestelijke activiteit – het waarnemen van de geest in de materie – zijn we ons niet echt bewust.
We weten bijvoorbeeld niet dat we een knop omdraaien als we een museum voor schone kunsten binnenstappen.
We weten niet dat we anders gaan kijken.
We weten niet dat we bovenzintuiglijk gaan waarnemen.
We beleven het wel, maar het dringt niet tot ons (heldere) bewustzijn door.
Het is dan ook geen vrije geestelijke activiteit.
Het is een geestelijke activiteit die wordt opgewekt door de omgeving, door de tentoonstellingsruimte, door de sfeer die er heerst, door de hele omkadering van de kunstwereld.
Als die omkadering wegviel, zouden we er waarschijnlijk niet meer in slagen ‘de knop om te draaien’.

Uit een en ander volgt dat we slechts een beperkte tijd hebben voor deze bewustwording.
De geestelijke activiteit die we als kunstliefhebber nog aan de dag leggen, zakt steeds dieper weg, buiten het bereik van ons bewustzijn.
We volgen als kijker de kunstenaar op zijn weg naar beneden, naar de onderwereld.
En eens ook wij in de greep van de dubbelganger zijn geraakt, zal er geen geestelijke activiteit meer zijn waarvan we ons bewust zouden kunnen worden.
Er zal dan helemaal niets meer zijn, noch geestelijke activiteit, noch bewustzijn.

Het is een buitengewone kans die de mens vandaag krijgt om zich bewust te worden van zijn eigen geestelijke activiteit.
Als hij die kans verkijkt, zal het lang duren voor hij er een nieuwe krijgt.
Hij zal dan waarschijnlijk helemaal in de onderwereld moeten afdalen vóór hij weer omhoog kan stijgen.
Het is dus van het grootste belang dat de kijker de kunstenaar NIET volgt.
Als hij diens offer wil beantwoorden, moet hij kijker blijven.
Hij moet TEGENOVER het werk van de kunstenaar blijven staan, het kritisch beoordelen en doordringen tot het wezen ervan.
Dat is wat de kunstenaar van hem verwacht.
Dat is hoe hij verlost zal worden.

Wat de kunstenaar niet kan, kan de kijker wel: afstand houden.
De kunstenaar moet als het ware onderduiken in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid, anders kan hij niet scheppen.
De kijker moet tegenover die dimensie blijven staan, anders kan hij haar niet waarnemen.
En dat betekent voor hem een offer.

Marcel Reich-Ranicki zei ooit dat een criticus nooit bevriend kan zijn met een kunstenaar.
De vriendschap zou hem beletten objectief te blijven.
Het kunstwerk vormt inderdaad een onoverschrijdbare grens tussen kijker en kunstenaar.
De kijker kan ze niet overschrijden zonder afbreuk te doen aan zijn kijken.
Hoe actiever dat kijken is, des te kritischer is het ook.
Een kijker wordt dus criticus uit liefde voor de kunst.
Maar juist die liefde dwingt hem om afstand te houden en niet over de grens van het kunstwerk te gaan.
De wereld aan de andere kant, de scheppende wereld van de kunstenaar, is voor hem verboden terrein.
Hij mag er geen enkele verbinding mee aangaan.
Het omgekeerde geldt net zo goed.
Er is een goede reden waarom de kunstenaar als de dood is voor het oordeel van de kijker en een hekel heeft aan critici.
Zijn scheppende krachten mogen niet in aanraking komen met kritische oordeelskrachten, want dan worden ze misvormd en/of verlamd.
Wat daar de gevolgen van zijn, toont ons de Hedendaagse kunst.
Zij is het product van kunstenaars die zich hebben ingelaten met het oordeel van de moderne kijker. Niet alleen bestaat ze uit de vreselijkste misvormingen, ze is ook volkomen verlamd en vertoont geen enkele evolutie.

De kijker die een objectief oordeel wil vormen over deze kunst, wordt dus geconfronteerd met (de gevolgen van) zijn eigen oordeelsvermogen.
Zijn oordeel over de Hedendaagse kunst is een oordeel over zichzelf.
Zijn denken komt tegenover zichzelf te staan: het kijkt in de spiegel.
En dat is een vreselijk moment.
Want het moderne denken is kil, intellectualistisch en ongenadig.
De kijker voelt nu wat de kunstenaar voelt wanneer de scherpe pijlen van het kritische oordeel op hem worden afgeschoten.
Maar hij voelt ook nog iets anders: hij schiet die pijlen zelf af.
Hij nagelt zichzelf als het ware aan het kruis.
Dat is dan ook wat de Hedendaagse kunst betekent voor de objectief oordelende kijker: een kruisiging.

Het enige wat er hem kan toe bewegen deze kwelling te doorstaan, is de liefde voor de kunst.
Wie de kunst liefheeft, wordt geestelijk actief en oordeelt, want dat is de enige manier waarop hij haar kan zien en kennen.
In het geval van de Hedendaagse kunst is dat oordeel vernietigend, want op geen enkele manier kan de echte kunstliefhebber deze vreselijke misvormingen als kunst zien.
En dus treft dat vernietigende oordeel ook hemzelf.
Op dat moment kan alleen de liefde voor de kunst hem ertoe brengen te blijven oordelen en te blijven lijden.
Want het is een vrijwillig lijden.
Het zou meteen ophouden als hij ophield met oordelen.
Maar dan zou hij ook de kunst verloochenen, dan zou hij de ogen van haar afwenden.

Het wereldwijde applaus dat de Hedendaagse kunst vandaag oogst, is geen applaus uit bewondering of liefde, het is een applaus uit angst en pijn: de angst aan het kruis te worden genageld door het eigen oordeel, de pijn om zichzelf in de spiegel te zien.
Er is maar één manier om deze martelende confrontatie uit de weg te gaan en dat is door het eigen oordeelsvermogen lam te leggen, door het te vermengen met scheppende krachten.
Dat is dan ook wat de moderne kijker massaal doet: hij overschrijdt de grens, hij betreedt het gebied van de kunstenaar, hij houdt geen afstand meer.
Hij stapt als het ware dwars door het kunstwerk heen, zodat hij het niet meer ziet.
Nog anders gezegd: hij wordt kunstenaar.
Hij ziet niet meer wat er is, maar wat hij zelf (in gedachten) schept.
Hij wordt dus blind voor de kunst.
En van dat alles is hij zich niet bewust, want hij heeft zijn eigen oordeelsvermogen lam gelegd.
Hij verkeert in de overtuiging dat er niks veranderd is en dat hij als vanouds de kunst bewondert.

In de wereld van de Hedendaagse kunst zien we dus als in een spiegel wat er gebeurt als de mens onbewust over de drempel van de geestelijke wereld gaat: zowel zijn scheppende als zijn oordelende krachten worden misvormd en verlamd.
Doordat de kunst zichtbaar maakt wat er op geestelijk vlak gebeurt, kunnen we die onbewuste drempeloverschrijding ook herkennen in de hedendaagse werkelijkheid.
Ook daar veranderen scheppende krachten in vernietigende krachten en ziet de mens geen verschil meer tussen beide.
De kunst vormt dus de brug tussen wat zich op onzichtbaar geestelijk vlak afspeelt en wat zich in de zichtbare wereld afspeelt.
En dat is belangrijk, want als we zien dat zich op beide gebieden precies hetzelfde afspeelt, en dat de zichtbare gebeurtenissen een gevolg zijn van onzichtbare geestelijke gebeurtenissen, dan beseffen we dat we niet machteloos staan.
Aan wat zich vandaag voor onze ogen afspeelt, kunnen we nauwelijks iets veranderen, maar we kunnen wél iets veranderen aan de geestelijke oorzaak ervan.
We kunnen bijvoorbeeld ophouden ons eigen oordeelsvermogen lam te leggen.
Want daar ligt de oorzaak van alle ellende.
We kunnen besluiten opnieuw in alle vrijheid een oordeel te vormen.
In de gewone werkelijkheid is dat, onder meer door de politieke correctheid, ontzettend moeilijk geworden.
Maar in de wereld van de kunst is er niets dat ons belet zelf een oordeel te vormen over de kunstwerken die we daar te zien krijgen.
Althans niets wat ons fysiek rechtstreeks zou kunnen bedreigen.
De belemmeringen zijn hier van gevoelsmatige aard en we kunnen ze zo groot en zo klein maken als we willen.
De kunst is namelijk het gebied van de vrijheid.
Niemand kan ons hier tot iets verplichten.
Niemand kan ons dwingen iets mooi te vinden.
Van die vrijheid moeten we gebruik maken, zolang het nog kan.
Want ook de grens tussen kunst en werkelijkheid wordt steeds kleiner.
We moeten opnieuw vrij leren oordelen over kunst, ook al zal ons dat emotioneel zwaar vallen.
Dat is het offer waar de kunst op wacht.
Dat is het offer dat we nog in vrijheid kunnen brengen.

(Wordt vervolgd)

Het materiaal van de vrijheid

20140331-192048.jpg

Vanmiddag naar ’t stad geweest.
Geld gaan uitgeven dat ik gisteren verdiend heb.
Investeren in materiaal.
Het is één van de plezierigste dingen die ik ken.
Andere mensen maken wereldreizen of gaan dineren in The Jane of kopen een flatscreen dat nog flatter is of ruilen hun BMW voor een Porche.
Maar ik loop uren te snuisteren bij Schleiper en koop teken- en schilderspullen.
Heerlijk!
Dingen waarmee je iets kunt doen.
Doen dat nergens toe dient.
Doen dat je doet om het doen zelf.
Héél wat anders dus dan rondlopen in de Brico.
Daar word ik ziek van, depressief, wanhopig.
Ik mijd Brico’s en Doe-Het-Zelf-zaken als de pest.
Heel dubieus begrip overigens: Doe-Het-Zelf.
Eigenlijk betekent het: doe zelf wat je beter door een ander kunt laten doen.
Deprimerend principe.
Daarom is Schleiper of gelijk welke zaak voor teken- en schildermateriaal zo opwekkend.
Daar geldt namelijk het principe: doe wat je door niemand anders kunt laten doen.
Er zijn ontelbare mensen die beter badkamers kunnen installeren, maar er is op de hele wereld niemand die kan tekenen of schilderen zoals jij dat doet.
Zelfs als je het slecht doet, is het nog altijd helemaal van jezelf.
En hoe goed je een badkamer ook installeert, er is bitter weinig bij van jezelf.

20140331-192235.jpg

Ik las ooit dat Jean Blaute – een muzikant – nooit een winkel voor teken- en schildermateriaal kan passeren zonder er iets te kopen.
Ik doe daar meestal niks mee, voegde hij eraan toe, maar ik kan er niet aan weerstaan.
Ik begrijp dat maar al te goed.
Je koopt in zo’n winkel grenzeloze mogelijkheden.
Je koopt in zo’n winkel eigenlijk vrijheid, potentiële vrijheid.
Je moet die vrijheid dan nog wel realiseren – en dat is een heel ander paar mouwen – maar zonder materiaal kan er geen vrijheid zijn, hoe graag je ook zou willen.

Dat is waarschijnlijk wat de aarde zo kostbaar maakt: het is een plek vol materialen, vol potentiële vrijheid.

Toen ik terugkeerde van Schleiper waren de scholen uit.
Het was druk, druk, druk in Gent.
Op de Graslei zag het zwart (of toch donkergrijs) van de studenten en leerlingen.
Op het plein voor de St. Niklaaskerk wemelde het van het jonge volk.
Iemand stond te zingen en gaf van jetje op z’n gitaar.
Door het geratel van de trams kon je er niks van horen.
Waarom staat die kerel hier, vroeg ik me af.
Onder de stadshal, vijftig meter verderop, is de akoestiek immers zoveel beter.
Maar misschien stónd daar al iemand te zingen of muziek te maken.
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Toen ik er even later passeerde, was het er – zoals altijd – leeg.
Er is nochtans véél ruimte, en er staat een lange rij banken, maar daar zat welgeteld één iemand op.

20140331-192544.jpg

Zoveel plaats, zoveel mogelijkheden, maar niemand doet er wat mee.
Het is alsof iedereen de plek mijdt.
Overal rondom is het druk en gezellig en rumoerig, maar onder en naast de Stadshal waar de Gentse culturele en politieke elite zo trots op is, blijft het vreemd genoeg leeg.
Het is alsof hier iemand vermoord werd en men met een grote boog om de plek des onheils heen loopt.
And guess what, volgens mij is dat ook zo.
Hier, op deze ‘verdoemde’ plek, werd de vrijheid om zeep gebracht.
Hier heeft men, tegen de uitdrukkelijke wil van de Gentenaar in, een aanslag gepleegd op het hart van de stad, die ooit bekend stond voor zijn koppige, onplooibare wil.
En ofschoon niemand daarover spreekt en misschien niemand het zelfs maar voelt, wordt het onbewust niettemin heel goed waargenomen.
Niemand wil hier zijn.

Wat later zag ik Michel Vuylsteke voorbijfietsen, Gents bekendste blogger.
Hij was helemaal in het zwart gekleed, met een lange zwarte jas er nog overheen, en een hoe-heet-zo’n puntmuts op z’n hoofd, met van die lange oorflappen.
Wat een outfit op zo’n warme lentedag!
Iets zegt me dat hij die stadshal geweldig vindt.
Als je de cafetaria van het SMAK bezoekt, zit die ook altijd vol in het zwart geklede mensen.
Zwart is de kleur van de Hedendaagsheid.
Zwart is de kleur van de leegte.

Geef mij maar de kleuren van schilderverf, de kleuren van de lente, de kleuren van de vrijheid.

20140331-191834.jpg

De Eeuwige Lente. (3)

Ja, als ik de ‘eeuwige lentezon’ moest karakteriseren, dan zou het begrip ‘vrijheid’ centraal staan.
Ik heb me nooit zo vrij gevoeld als aan de (door de modernen zo verguisde) academie.
Ik heb me nooit méér mezelf gevoeld als in de klas van die autoritaire man die eiste dat een tekening juist was.

Ik was als kind reeds heel erg ‘saturnaal’, dat wil zeggen: alles ging héél traag bij me.
Ik was degene op wie iedereen altijd moesten wachten.
Ik was ook degene die ’s zondags altijd te laat kwam in de les.
Ik moest namelijk alleen opstaan en alleen naar de academie fietsen.
Niemand riep dat ik uit m’n bed moest komen, niemand zat achter m’n veren.
Dat was ook niet nodig, want niets had me kunnen tegenhouden om naar de academie te gaan.

20140327-112232.jpg

Maar ik kwam dus wel altijd ruim te laat.

In een klas waar iedereen ijverig bezig was, moest ik nog een ezel zoeken, mij ergens installeren, mijn papier opspannen, mijn houtskool slijpen, en als ik dan eindelijk klaar was om te beginnen, was het eerste uur voorbij en werd er gepauzeerd.
Na de pauze vloog ik er echter in.
Ik tekende een uur lang heel geconcentreerd.
Dat was hard werken, want ik had een hekel aan wiskunde, en tekenen was (hier) niets anders dan toegepaste meetkunde.
De paradox was dus dat ik aan de academie eigenlijk hetzelfde deed als ‘aan de overkant’, in het uitgesproken wetenschappelijk en wiskundig georiënteerde Scheppersinstituut.
Maar terwijl ik daar een viscerale afkeer voor wiskunde ontwikkelde en er ten slotte helemaal op blokkeerde, deed ik aan de academie niets anders dan meten, meten en nog eens meten, alsof m’n leven ervan afhing.

Later zou blijken dat dat inderdaad het geval was.

20140327-112346.jpg
(Het Scheppersinstituut)

Na een uur intensief meten was mijn bobijntje af.
Ik was helemaal leeggetekend.
In die ‘lege’ toestand verliet ik dan de klas en ging door de academie zwerven.
Helemaal alleen liep ik door de stille, lege gangen en keek vol ontzag naar de grote tekeningen die aan de muur hingen: werk van de beste leerlingen.
Ik voelde er een ongelooflijke bewondering voor.
Ik dronk ze in als levenswater.
En ik had grote dorst, daar hadden ze ‘aan de overkant’ wel voor gezorgd.

Waar ik me ook aan laafde, was het licht.
Er waren overal grote, metershoge ramen waardoor het licht overvloedig naar binnen viel.
Ik hield ervan om me in de grote traphallen te koesteren in het zonlicht en uit te kijken over de daken van de oude stad.
In de academie heerste een diepe rust.
Je hoorde er alleen het suizen van de stilte, met af en toe wat pianoklanken uit het aanpalende conservatorium, en – natuurlijk – de beiaardklanken die als lentebloesems (of herfstbladeren, al naargelang van het seizoen) uit de Sint-Romboutstoren neerdwarrelden.
Het licht, de diepe rust en de tere klanken: ik kon er niet genoeg van krijgen.
Ze waren als een verkwikkend bad voor me, waar ik me na de zware arbeid van het tekenen, behaaglijk liet in wegzakken.

Zo heb ik vele uren doorgebracht: alleen in die grote academie, in het hartje van het slapende Mechelen, de oude hoofdstad van de Nederlanden.
Als het mooi weer was, klom ik (door een venster rond als patrijspoort) wel eens op het dak.
Daar had ik een adembenemend uitzicht op de Sint-Romboutskathedraal, die in haar majestueuze grootheid vlak voor mij oprees.
Heel Mechelen lag aan haar – en mijn – voeten.

20140327-112955.jpg

Als ik na mijn uitstapjes weer terugkeerde in de klas keek niemand daarvan op.
Ook de leraar niet.
In al de jaren die ik in zijn klas doorbracht, heb ik hem nooit één opmerking horen maken over het feit dat ik kwam en ging wanneer ik wilde.
Niemand legde me een strobreed in de weg.
Ik deed waar ik zin in had.
Ik voelde me volkomen vrij.

Ik voelde me echter ook volkomen geborgen.
Er heerste geenszins een atmosfeer van laisser faire aan de Mechelse academie, wel integendeel.
Het feit dat ik op m’n zwerftochten zelden iemand tegenkwam, illustreert dat.
De academie werd in het weekend bevolkt door honderden leerlingen: de klassen zaten propvol. Maar die leerlingen zwierven niet rond, ze waren allemaal ijverig aan het werk.
Zelf werkte ik harder dan gelijk wie, maar langer dan een uur kon ik die intense concentratie niet volhouden.
De leraar begreep dat.
Hij zou me nooit laten wegkomen met een fout in mijn tekening.
Maar hoe ik die tekening tot stand bracht, daar trok hij zich niks van aan.
Dat was mijn zaak, daar liet hij me volkomen vrij in.

Hij oordeelde alleen over de resultaten van het werk, niet over het werken zelf.
Toen ik ooit zei het jammer te vinden dat Leonardo da Vinci niet wat meer geschilderd had in plaats van zijn tijd te verknoeien met het ontwerpen van oorlogstuig, antwoordde hij: dat kun je niet zeggen, de man dat wellicht nodig om überhaupt te kúnnen schilderen, daar kun je niet over oordelen.
En dat deed hij zelf ook niet.
Hij oordeelde op geen enkele manier over hoe je tot een tekening kwam, en hij was daar uiterst consequent in.
Ik maakte bijvoorbeeld een tekening af in twee of drie geconcentreerde sessies van één uur. Andere leerlingen deden zes weken over één tekening.
Ik tekende meestal zuiver lineair, met scherpe lijnen zonder enige schaduw.
Andere leerlingen bedekten hun blad met een dikke laag zwarte houtskool.
Hij zei daar nooit één woord over.

20140327-113137.jpg

Zolang je tekening klopte, mocht je doen wat je wilde.

Dat resulteerde in even zovele persoonlijke ‘stijlen’ als er leerlingen in de klas waren.
Ik herinner me nog dat ik aan het eind van een schooljaar de klas binnenstapte en daar alle ezels in een grote halve cirkel zag opgesteld met daarop telkens de beste tekening die een leerling tijdens het jaar had gemaakt.
Ze waren klaargezet voor de jury die later op de dag zou komen.
Ik heb nooit duidelijker het mysterie van de menselijke individualiteit beleefd als toen.
Want al die tekeningen waren gemaakt naar hetzelfde model, in dezelfde klas, op hetzelfde papier, met dezelfde houtskool, onder leiding van dezelfde leraar, in dezelfde ‘academische’ geest.
En toch hadden ze niet méér van elkaar kunnen verschillen.
Stuk voor stuk vertegenwoordigden ze totaal verschillende, uiterst persoonlijke werelden.
Het was alsof je diep in de unieke ziel keek van degenen die de tekeningen gemaakt hadden.
Je herkende ze meteen: ze hadden niet alleen het model getekend, ze hadden ook zichzelf getekend.
De paradox was: hoe juister en waarheidsgetrouwer ze de buitenwereld tekenden, des te juister en waarheidsgetrouwer tekenden ze ook hun binnenwereld.
Ze hadden zichzelf zo treffend geportretteerd omdat ze … zichzelf vergeten hadden.
Ze waren in die tekeningen zo volkomen zichzelf geweest omdat ze alleen oog hadden gehad voor de buitenwereld.

20140327-113633.jpg

Ik voelde bij het zien van die kring van tekeningen dat ik aangeraakt werd door een mysterie.
Vol verbazing keek ik naar al die zo persoonlijke tekeningen, die stuk voor stuk het resultaat waren van dezelfde intense worsteling tussen het Ik en het zelf.
Ik kende die worsteling maar al te goed.
Ze vormde het wezen van de academische opleiding.
Wat je aan de academie leerde, was hoe je je liefde voor de wereld moest verzoenen met je eigenliefde.
En dat kon alleen via strijd, want liefde voor jezelf en liefde voor de wereld zijn tegenstrijdige krachten.
Je kwam naar de academie om te vechten met jezelf.
Ik heb er dan ook hevige gevechten geleverd.
Als ik ze verloor was ik zum Tode betrübt, maar als ik ze won was ik in de zevende hemel, himmelhoch jauchzend.
En er was niets egoïstisch aan die vreugde.
Het was de vreugde van een ‘zelf’ dat gestorven en verrezen was.
Het had zichzelf overwonnen in zijn streven om een tekening te maken van de wereld, en daardoor was die wereld (waartoe ook de tekening behoorde) tot een spiegel geworden waarin het zichzelf herkende.
Of beter: waarin het zichzelf zag. Want zien en herkennen is niet hetzelfde.

20140327-114122.jpg

We hadden het in de klas eens over de persoonlijke stijl van een kunstenaar.
Ik héb helemaal geen persoonlijke stijl, merkte ik op.
O jawel, antwoordde de leraar, je weet het alleen niet.
En hij ging er verder niet op in.
Ik stelde er ook geen vragen over, want wat kon mij die persoonlijke stijl schelen!
Ik wilde alleen zo goed mogelijk tekenen.
Als mijn tekeningen een ‘persoonlijke stijl’ hadden, dan was dat mooi meegenomen, maar daar ging het helemaal niet om.
Ik was niet naar de academie gekomen om een persoonlijke stijl te ontwikkelen – welke 11-jarige houdt zich dáármee bezig! – maar om goed te leren tekenen.
Al de rest was bijzaak.

Daarom was ik ook zo getroffen toen ik nietsvermoedend de klas binnenstapte en daar die kring van tekeningen zag staan.
Voor het eerst zag ik hoe ongelooflijk persoonlijk al die tekeningen waren, hoe ze spiegels waren van unieke, onvervangbare zielen.
En juist omdat die zielen hun ‘zelf’ vergeten hadden tijdens het tekenen, waren het heldere, waarheidsgetrouwe, objectieve spiegels.
O ja, ik herkende mijn medeleerlingen meteen in hun tekening.
Maar ik herkende niet hun kleine zelf met al zijn kleine kantjes. Nee, ik herkende hun Ik.
Ik herkende het grootse, zuivere wezen dat zij allemaal waren en dat zichzelf in zijn liefde voor de wereld (het getekende onderwerp) zichtbaar had gemaakt.
Ik zag een broederschap van mensen die één waren in hun liefde voor de(zelfde) wereld en juist daardoor zo verschillend en persoonlijk.
Ik beleefde, als in een flits, het mysterie van het ene dat tegelijk veelheid is.
Ik beleefde het mysterie van de mens.

20140327-114551.jpg

Die cirkel van tekeningen waar ik middenin stond en vol verbazing, ontzag en vreugde naar keek, was een beeld van de zonnegeest wiens licht zo helder straalde aan de Mechelse academie en die me het onbeschrijflijke gevoel gaf thuis te zijn, helemaal in mijn eigen element.
In die eeuwige lentezon, de zon van het menselijke Ik-wezen, heb ik mij tien jaar lang iedere zondagochtend (en later ook de zaterdagochtend) gekoesterd, en ik weet werkelijk niet hoe ik de grauwe weken aan het Scheppersinstituut overleefd zou hebben zonder die zon-dagen.

Als ik vandaag in de kranten lees, hoe kinderen elkaar op school soms letterlijk dood pesten, dan verbaast me dat niet.
Het kille intellectualisme in het onderwijs is er alleen maar erger op geworden, en het wekt in de kinderziel een dodelijke verveling waartegen het zich uiteindelijk alleen nog met zelfvernietigend geweld kan verzetten.
Ik ken dat geweld maar al te goed. Ik heb op school zelf ook gepest.
Geen leerlingen (er heerste toen nog een zekere solidariteit) maar leerkrachten.
We pestten in groep de leerkrachten die daar vatbaar voor waren, en we waren daarin soms zo gemeen dat ik er misselijk van werd.

Dát was de manier waarop onze kreativiteit een uitweg zocht: door gemene zaak te maken met de laagste kanten van ons egoïstische zelf.
We veranderden als klas soms in een roofdier dat iedere zwakheid bij een (bijvoorbeeld nieuwe) leerkracht detecteerde en er met kwaadaardig genot zijn tanden in zette.
Ja, we genoten ervan een leerkracht psychisch de vernieling in te helpen.
Maar tegelijk vonden we het afschuwelijk.
We wílden dat helemaal niet.
Maar we hadden geen andere keuze, we waren nog te jong om op eigen kracht weerstand te kunnen bieden aan dat ‘roofdier’ in ons, en we konden ons niet verzetten tegen de dode en dodelijke leerstof die we iedere dag in ons hoofd moesten pompen.

20140327-114731.jpg
(Het Scheppersinstituut: speelplaats)

De Broeders van Liefde voedden ons niet alleen op tot intellectuelen, tot rationele wetenschappers, ze voedden ons ook op tot agressieve egoïsten die van iedere zwakheid gebruik maakten om hun voordeel te halen.
Dankzij die ‘opvoeding’ ben ik er zelfs in geslaagd een universitair diploma te bemachtigen.
De Broeders van Liefde hadden mij geleerd wat bedrog, leugen en corruptie is, en ik kon hun lessen volop toepassen aan de universiteit.
Het kostte mij weinig moeite om al die ‘idiots savants’ om de tuin te leiden. Ik wist precies waar hun zwakke plekken zich bevonden en ik maakte gewetenloos gebruik van die ‘kennis’.

Hoe totaal anders was de sfeer aan de academie!
Leerkrachten om de tuin leiden?
Het idee alleen al was bespottelijk.
De leraar was niet alleen iemand die veel meer wist dan jij, hij was vooral iemand die veel meer kon en veel meer zag.
Hij beschikte over superieure vermogens, maar daar maakte hij geen gebruik van om je onder druk te zetten of te dwingen, wel integendeel.
Hij gebruikte ze alleen om je te helpen als je er zelf niet meer uitraakte.
En hij wist precies wanneer dat moment gekomen was.
Dan verscheen hij naast je, stak zijn hand uit en trok je weer overeind.
Zonder woorden, zonder grote gebaren, nuchter en zakelijk.
En dan verdween hij weer.
Waarom zou je zo’n man pesten of bedriegen?

20140327-115621.jpg

Op een dag kwam hij naast me staan en zei, met zijn hoofd wijzend: zie je die kerel daar in de hoek?
Ik keek om en zag een keurige jongeman die rustig op een stoel zat te tekenen.
Wel, zei de leraar, niemand weet wat met hem aan te vangen, hij is al op zes scholen aan de deur gezet, hij staat te boek als volkomen onhandelbaar. Maar ik heb nog geen greintje last met hem gehad. Hij is de braafste van de klas.

Je kon in die tijd nog je middelbaar diploma halen aan de academie.
Stel je voor: zonder studeren, zonder aardrijkskunde, zonder wiskunde, zonder natuurkunde, zonder lichamelijke opvoeding, zonder iets!
Alleen maar tekenen, schilderen en beeldhouwen.
Men kan zich indenken wat er gebeurde: de academie werd een soort vuilnisbak voor iedereen die niet kon aarden in het gewone onderwijs.
En in die (overigens zeer propere) vuilnisbak voelden al die drop outs zich prima in hun vel en ze berokkenden niemand last.
Meer zelfs, ze werkten hard.
Ze gingen uit vrije wil de strijd aan met zichzelf, en daardoor werden ze als het ware opnieuw geboren.

20140327-115917.jpg

Toen ik naar de universiteit ging, volgde ik in september ook de dagklas aan de academie.
Daar trof je een heel ander soort volk aan dan tijdens het weekend.
Maar allemaal hadden ze één ding met elkaar gemeen: als ze tekenden, werden ze weer als kinderen.
Ik heb dat keer op keer waargenomen: of het nu onhandelbare woelwaters waren, gewichtige bedrijfsleiders, gehaaide politie-inspecteurs of wanhopige huisvrouwen, als ze verdiept waren in hun werk, werden ze weer onschuldig.
Hun ‘zelf’ (dat in de buitenwereld soms in hoog aanzien stond) viel van hen af en wat tevoorschijn kwam, was een … spelend kind, een onschuldig kind dat met de grootste ernst speelde.
Als de Mechelse academie in vol ‘bedrijf’ was, dan was ze gevuld met mensen in de Schilleriaanse betekenis van het woord: mensen die speelden als een kind, in volle vrijheid en in volle geborgenheid.
En die schuldeloze menselijkheid was het wezen van de Eeuwige Lentezon die aan de academie scheen en die, zolang ze scheen, mensen van heinde en verre aantrok.
Want men voelde: daar, in dat heldere licht, kan ik mijn schulden inlossen, kan ik weer vrij worden, kan ik worden wie ik werkelijk ben.
En dat impliceerde lijden, want men moest zijn eigen ‘zelf’ overwinnen, men moest het bij wijze van spreken aan het kruis slaan.
Men werd kruisiger en gekruisigde tegelijk.
Zo overwon men het lente-dilemma: doordat lijden en doen lijden één werden.
Zo had men deel aan de Eeuwige Lente.

20140327-120251.jpg

Maar er bleef wel nog altijd de Melaan, de straat die de academie van het Scheppersinstituut scheidde, en die symbool stond voor de diepe kloof die tussen kunst en werkelijkheid gaapte en nog altijd gaapt.
Maar dat is voor de volgende keer.

De Eeuwige Lente (2)

Ik heb de ‘eeuwige lente’ leren kennen op de zondagochtenden die ik als kind doorbracht in de academie van Mechelen.
Deze eeuwenoude Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten was niet zomaar een academie.
Ze was – ik spreek nu over de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw – de zwanenzang van de nog oudere academie van Antwerpen, die na de oorlog platgewalst werd door de Hedendaagse Kunst.
Wie niet verpletterd wilden worden, nam de wijk naar Mechelen, waar de roemrijke Antwerpse school nog een laatste bloei kende.

20140314-100621.jpg
(De Academie van Antwerpen)

De academie was gehuisvest aan de voet van de Sint-Romboutstoren – waarschijnlijk de ‘mannelijkste’ toren ter wereld – in een gloednieuw gebouw dat in tijden van oorlog dienst moest kunnen doen als ziekenhuis.
En inderdaad, van zodra ik de academie betrad, voelde ik mij genezen. Niet door het gebouw, maar door de geest die er woonde.
Ik zou er tien jaar lang iedere zondag (later ook de zaterdag) gaan tekenen en in mijn herinnering was het er altijd lente.

Het was – uiteraard – geen gewone, fysieke lente.
Ik heb vaak genoeg door regen en wind, door hagel en sneeuw, door plassen en over ijs naar de academie gefietst, maar niets kon me tegenhouden want ik wist dat aan het eind van mijn rit de zon zou schijnen, een frisse, opgewekte lentezon die me alle narigheid zou doen vergeten.
Die narigheid beleefde ik aan de overkant van de straat, in mijn gewone, dagelijkse school, waar mijn ziel deskundig afgebroken werd tot er uiteindelijk niks meer van overbleef.
Ik zou die school nooit overleefd hebben zonder die zondagen ‘aan de overkant’ waar ik iedere week weer uit mijn assen kon verrijzen.
Zo intens als ik mijn school haatte, zo intens hield ik van de academie.

20140314-100840.jpg
(Het Scheppersinstituut)

Maar daar was ik me als kind nauwelijks van bewust.
In mijn gewone school leefde ik in een toestand van verdoving.
Ik herinner er mij dan ook nauwelijks wat van, tenzij een woestijn van grauwe verveling.
Mijn zondagen aan de academie daarentegen staan mij nog altijd helder voor de geest.
Ze baadden in het licht van een eeuwige zon en in dat licht voelde ik mij als een vis in het water.
Groter tegenstelling dan tussen die twee scholen was niet mogelijk.
Ze lagen trouwens vlak tegenover elkaar aan dezelfde straat, de Melaan.
De ‘vernietigende’ pool noemde zichzelf … het Scheppersinstituut.
En het werd geleid door … de Broeders van Liefde.
Zij zouden me leren wat leugen, bedrog en corruptie was.

Merkwaardig hoe je als kind reeds leeft in een wereld die je als volwassene in een andere vorm en op een andere schaal terug zult vinden.
Want is de hele wereld vandaag niet verdeeld in twee kampen?
Beschouwt het ene kamp zichzelf niet nog altijd als een Broederschap van Liefde, een Scheppersinstituut?
En houdt het zich niet nog altijd onledig met het afbreken van mensen van ‘de andere kant’, foute mensen, verkeerde mensen?

Ik leefde als kind aan beide kanten, en iedere zondag ‘stak ik de straat over’ en kwam in een andere wereld terecht.
Van een eindeloze grauwe winter kwam ik terecht in de stralendste lente.

Hoe-is-dat-nu-mogelijk?
Ik hoor het u vragen.

20140314-101142.jpg
(De Academie van Mechelen)

Staat de academie, met haar klassieke opleiding niet juist model voor de grauwheid en verstarring waartegen de nieuwe kunst zo heroïsch gestreden heeft en nog altijd strijdt?
Want, zo schreef iemand naar aanleiding van het overlijden van Jan Hoet – ons aller Broeder van Liefde: we mogen niet vergeten dat de strijd tegen de bekrompenheid, de verkneutering en de enggeestigheid blijft voortduren.
De strijd tegen het academisme dus, de grote vijand van alle kunst.

Wel, laat me u vertellen hoe die bekrompen, kneuterige en enggeestige academie in werkelijkheid was.

Op het eerste gezicht was het inderdaad een kleurloze, grauwe wereld.
Het gebouw was kil en clean als een … ziekenhuis.
De directeur zag eruit als een … directeur.
De leraars zagen eruit als … ambtenaren.
En de leerlingen waren … gewone mensen.
In de weekendklas trof je namelijk geen ‘artiesten’ aan, maar mensen die in de week moesten werken, mensen uit alle lagen van de bevolking, van werklozen tot bedrijfsleiders, van huisvrouwen tot straaljagerpiloten, van autistische jongetjes tot mensen-van-de-wereld.
Je had niet kunnen uitmaken wie de leraar was en wie de leerlingen, zo ‘gewoon’ waren ze allemaal.

Ook het ‘onderwijs’ was gewoon, ondraaglijk gewoon, althans volgens moderne normen.
Iedereen tekende met hetzelfde materiaal (houtskool) op hetzelfde papier hetzelfde (banale) onderwerp.
Wekenlang werd hetzelfde getekend, en er was maar één richtlijn: het moest juist zijn.
Daarom bestond tekenen uit drie zaken: meten, meten en nog eens meten.
Het was pure meetkunde.
Zakelijk, rechtlijnig, exact.
Wie hier voor de kunst kwam, kwam bedrogen uit.
Minder artistiek dan de academie van Mechelen was er geen.

20140314-101321.jpg

Maar ik kwam als jongetje van 11 jaar niet naar de academie voor de kunst.
Ik kwam om te tekenen, en dat was precies wat ik daar kon doen.
Ik kon daar tekenen alsof het vanzelf sprak, en dat was voor mij het mooiste wat er bestond.
Overal elders was tekenen (of schilderen of beeldhouwen) iets uitzonderlijks, iets vreemds, iets van een andere wereld.
Het was … kunst.
Er hing een aureool rond dat mensen aantrok en afstootte tegelijk.
Hier aan de academie viel dat allemaal weg.
Hier was tekenen (en schilderen en beeldhouwen) de gewoonste zaak van de wereld.
Het was geen kunst, het was werk.
Hard werk, labeur.
Want het moest juist zijn.
En de leraar – een ontoeschietelijke, kleurloze man – was ongenadig.
Hij zag iedere fout, en hij trok er zich niks van aan hoe hard je aan je tekening gewerkt had: fouten moesten hersteld worden, ook al betekende dat dat je helemaal opnieuw moest beginnen.
Nee, je kwam niet naar de academie om je te amuseren.
Je kwam er om te werken.
En dat werk werd heel ernstig genomen.
Alsof het van het grootste belang was.

20140314-101613.jpg

Juist die ernst was als een lafenis voor mijn ziel.
Aan de ‘andere kant’, in de gewone wereld nam niemand tekenen (of schilderen of beeldhouwen) ernstig, ook niet de mensen die er veel waardering voor hadden.
Hoezeer ze tekentalent ook bewonderden, het kwam altijd op de tweede plaats.

Hier aan de academie maalden ze niet om talent.
Had je talent, dan was dat prima.
Had je er geen, ook goed.
Het ging niet om talent, het ging om tekenen.
En iedereen die wilde tekenen, kon het leren.
Zo simpel was dat.
Tekenen werd hier gezien als iets wat iedereen kon leren, niet als iets voor bevoorrechten.
Het was iets heel gewoons dat buitengewoon ernstig werd genomen.
En juist omdat ik zelf het tekenen buitengewoon ernstig nam, had ik voor het eerst in mijn leven het gevoel ernstig te worden genomen.

Wat een sensatie!

Aan de andere kant, in de ‘gewone’ wereld, had men veel bewondering voor mijn talenten – kijk eens hoe goed hij kan tekenen! kijk eens hoe verstandig hij is! – maar ik was toch altijd in de eerste plaats iemand die niet was zoals hij hoorde te zijn.
Aan de academie maakte het niet uit hoe of wie of wat ik was. Of niet was.
Hier was maar één ding belangrijk: of ik wilde tekenen?
En dat wilde ik, met hart en ziel.

20140314-101751.jpg

Toen ik tien jaar later mijn tekenleraar meedeelde dat ik naar de universiteit ging, barstte hij in lachen uit.
Iemand die kon tekenen zoals ik en dan naar de universiteit ging, dat vond hij een kostelijke grap.
Meer zei hij daar niet over.
Hij vroeg zelfs niet: zou je misschien toch niet liever …?
Geen woord.
Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten.
Wat ik met mijn leven deed, dat was zijn zaak niet.
Als ik wilde tekenen, dan stond hij te mijner beschikking.
Wilde ik niet meer tekenen, even goeie vrienden!
Hij respecteerde mijn vrije wil scrupuleus, ook al betekende het dat ik het tekenen eraan gaf en een richting insloeg waarvoor hij geen respect had en waarover hij zelfs met onverholen minachting sprak.
Wat ik ook deed, hij oordeelde nooit.
Hij oordeelde alleen over mijn tekenen.
En daarover oordeelde hij streng en zonder genade.

20140314-102000.jpg
(Leuven Universiteitsbibliotheek)

Soms wierp hij één blik op een tekening waaraan je weken gewerkt had, en veegde ze dan met enkele besliste gebaren helemaal uit. Met houtskool is dat namelijk geen probleem.
Daarna nam hij zorgvuldig de maat van het onderwerp, trok een paar loodrechte lijnen op je (vuile) blad en zei: zo, ga nu maar verder.
Dat je half in shock was door de vernietiging van je meesterwerk, daar lette hij niet op.
Je tere zieltje was het laatste van zijn zorgen.
Op dat vlak was hij een barbaar.
Hij liep op klompen over een ieders lange tenen.
Hij was een ware verschrikking voor je ego.

Maar zijn klas zat propvol, en niemand liep weg.
Want ze voelden allemaal onbewust hoeveel respect hij had voor hun Ik, voor wie ze diep van binnen waren.
Elders kregen ze wel respect voor hun ego met al zijn talenten, maar dat respect zat juist de eerbied voor hun eigenlijke Ik in de weg.

Het was een beproeving om ‘over de grens’ te gaan en terecht te komen in een wereld waar je ego van geen tel was, waar het als een voetveeg werd behandeld, waar het moest luisteren naar ‘de meester’ en zelf geen woord te zeggen had.
Maar in ruil kreeg je iets buitengewoon kostbaars, iets wat die beproeving dubbel en dik waard was: een grenzeloze eerbied voor je Ik.
Die eerbied – dat zou ik pas veel later begrijpen – was niets anders dan liefde, de nuchtere, onsentimentele liefde voor wie je in wezen was.
En die volkomen onzelfzuchtige liefde was wat ik in mijn herinnering beleef als de Eeuwige Lentezon.

20140314-102335.jpg

Als kind wist ik niet beter dan dat die zon overal in de academie scheen, ja dat ze aan alle academies scheen.
Het was immers de zon van de kunst, de kunst die ik hier van binnenuit leerde kennen.
Ik zou later echter ondervinden dat die zon niet aan alle academies scheen, wel integendeel.
Ze scheen zelfs niet in alle klassen van de Mechelse academie.
Pas toen ik er allang weg was, heb ik begrepen dat ze zo krachtig scheen in die ene mens die ik – dankzij de voortdurende hervormingen, reorganisaties en herstructureringen van het kunstonderwijs – tien jaar lang als mijn leraar zou hebben.
Een beetje zoals in een steinerschool dus.

Tien jaar lang heb ik mij gekoesterd in die zon, zonder er mij bewust van te zijn.
Ik vond het allemaal zo vanzelfsprekend, zo gewoon.
Ik had geen flauw idee dat die kleurloze ambtenaar een uitzonderlijke leraar was.
Ik zag hem nauwelijks als een leraar.
Ik vergat meestal zelfs dat hij er was.
Ik voelde me in zijn klas helemaal … vrij.

20140314-102534.jpg

De jongen in het klooster

20130916-115058.jpg

In De Standaard schrijft moraalfilosoof Patrick Loobuyck dat de overheid zich niet te moeien heeft met de keuze van de 15-jarige Giel om te gaan leven in een boeddhistisch klooster in de Himalaya.
Iedereen heeft volgens hem het recht om te leven volgens de levensbeschouwing van zijn keuze en zijn kinderen in die zin op te voeden.
Maar, voegt hij eraan toe, de overheid moet er wel op toezien dat mensen in staat zijn om die keuze te maken.
Dat gebeurt enerzijds door het recht op godsdienstvrijheid te garanderen.
En anderzijds door onderwijs te verstrekken dat kinderen opvoedt tot vrije, mondige burgers.

De moeder van Giel heeft haar zoon thuisonderwijs gegeven en daarbij de klemtoon gelegd op het boeddhisme.
Dat is haar goed recht, schrijft Loobuyck, maar de controle op dat thuisonderwijs is ondermaats en laks, met als gevolg ‘de slechte en zeer gesloten vorming van duizenden jongeren’.
En daarom heeft de overheid het recht om in te grijpen.

Ik vind dat een vreemde redenering, en wel om twee redenen.

Het is algemeen bekend dat in het schoolonderwijs alles draait om de punten.
Wie voldoende punten haalt, krijgt een diploma en dat diploma opent deuren op de arbeidsmarkt.
Daar gaat het om, en iedereen weet dat, kinderen net zo goed als ouders.
Waarom is ‘looser’ hét scheldwoord van moderne jongeren?
Omdat ze van jongsaf in die win- of verliessfeer worden opgevoed.
Het is op school net als in het voetbal: er moet gescoord worden.
Al de rest zijn praatjes voor de vaak.

Het scorebord bijhouden gebeurt op school door middel van examens.
Daar worden de punten uitgedeeld, daar moet het gebeuren.
De school bereidt kinderen voor op examens.
Welnu, het thuisonderwijs doet dat ook.
Kinderen die thuis onderwezen worden, moeten examens afleggen voor de centrale examencommissie.
Dezelfde examens als op school.
Ik zie dus niet in waarom Loobuyck schrijft dat thuisonderwijs slecht gecontroleerd wordt en zo leidt tot duizenden slecht opgevoede jongeren.
Ze moeten allemaal deelnemen aan dezelfde examens, en ik heb nog nooit vernomen dat de examens voor thuisonderwijs gemakkelijker zouden zijn dan de examens op school. Anders zouden er heus wel meer mensen kiezen voor thuisonderwijs.
Maar dat is bij mijn weten niet het geval.

Weet Loobuyck meer dan ik?
Dat is mogelijk.
Maar het is ook mogelijk dat hij iets anders op het oog heeft.
En daarmee kom ik bij de tweede reden waarom ik zijn redenering vreemd vind.

De overheid moet er volgens hem voor zorgen dat kinderen opgroeien tot vrije, mondige burgers die zelf hun keuzes kunnen maken in het leven.
Sta me toe daar even om te lachen.
Een overheid die haar onderdanen wil opvoeden tot vrijheid en zelfstandigheid?
Is dat dezelfde overheid die ons overspoelt met een stortvloed van regelementen en verboden?
Is dat de overheid die referenda organiseert en vervolgens haar eigen zin doet?
De overheid die een circus maakt van de verkiezingen?
Die de winnaar van die verkiezingen gewoon aan de kant schuift?
Die de vrije ondernemingszin van haar burgers systematisch de kop indrukt?
Die haar burgers verbiedt om zichzelf te verdedigen tegen het alsmaar toenemende geweld.
Die de islam een hand boven het hoofd houdt, niet bepaald een godsdienst die de vrijheid en mondigheid bevordert?
Die haar burgers voorschrijft wat de waarheid is, en die hen het leven zuur maakt als ze aan de officiële waarheid durven te twijfelen?
Die journalisten bedreigt als ze het in hun hoofd zouden halen te schrijven wat ze denken?

Dié overheid?
Laat me niet lachen.

De overheid zoals wij die vandaag kennen, is totaal niet geïnteresseerd in de vrijheid, zelfstandigheid en mondigheid van haar burgers.
Wel integendeel.
Dat zou een professor als Patrick Loobuyck moeten weten.
Maar blijkbaar weet hij het niet.
Of wil hij het niet weten.
Want tot nader order geloof ik niet dat universiteitsprofessoren zó dom zijn.
Het moet dus iets anders zijn.

De gedachte die nu in me opkomt, is: jaloezie.
Het algemeen-menselijke: indien ik niet, dan ook jij niet!
Patrick Loobuyck schrijft regelmatig opinieartikels in de krant, en daarin laat hij zich kennen als een getrouwe adept van de politieke correctheid.
Hij schrijft braaf wat de overheid van hem verwacht.
En in ruil daarvoor wordt hij beloond met een plaats in de krant, een plaats aan de universiteit, een plaats in weldenkend Vlaanderen.
Zo gaat dat nu eenmaal.
Maar diep van binnen moet zo’n man zich toch schamen.
Ergens moet hij toch beseffen dat hij zijn intellectuele vrijheid verkocht heeft voor ‘brood’.
En dus wordt hij pijnlijk getroffen door mensen die dat niet doen.
Mensen die bijvoorbeeld hun kinderen zelf onderwijzen.
Dan denkt zo’n man: ik mag niet meer denken wat ik wil, dus jullie ook niet!

Zo stel ik mij dat voor.
Ik zie echt geen andere verklaring voor het feit dat een professor filosofie pleit voor nog meer staatscontrole in een land dat reeds zucht en kreunt onder een verstikkende staatscontrole.
En dat allemaal om te beletten dat een 15-jarige jongen boeddhist wil worden.
Alsof er elke dag jongeren vertrekken naar de Himalaya.

Nee, ik denk dat hij gewoon jaloers is op iemand die zich onttrekt aan de overheidscontrole, de overheidscontrole waar hij zelf helemaal in verstrikt zit.
Zo denk ik trouwens ook dat politieke correctheid werkt.
Mensen worden opgevoed door een overheid die het begrip ‘vrijheid’ stiekem verbindt met ‘staatscontrole’, en tegen dat ze zich daarvan bewust worden, zitten ze zodanig verstrikt in het systeem dat ze er niet meer uit raken.
Want hoe gaat dat?
Je studeert, je wordt verliefd, er komt een kind van, je trouwt, je vindt een job aan de universiteit, je koopt een huis, je schrijft al eens een artikel in de krant, het leven is mooi.
En dan begint het besef te dagen dat je in de val bent gelopen.
Je beseft dat je dat mooie leven te danken hebt aan het feit dat je precies dacht wat er (volgens de overheid) gedacht moet worden.
En als je dat mooie leven wilt behouden, dan moet je zo blíjven denken.

Uit die bewustwording wordt dan de kunst van de politieke correctheid geboren:
de kunst om jezelf (en anderen) wijs te maken dat je vrij bent.
De kunst om te doen alsof je zelf denkt, terwijl je toch denkt-zoals-het-hoort.
De kunst van het pseudo-denken, de kunst van de pseudo-vrijheid.
In die nieuwe ‘kunst’ schept de moderne intellectueel zijn bevrediging.
Want een andere bevrediging heeft hij niet.
Hij schept er genot in om zich op een kreatieve manier te onderwerpen.

Geen wonder dat deze pseudo-intellectuelen in de bres springen voor gehoofddoekte moslima’s.
Want die moslima’s doen net als zij: ze scheppen er genot in om ‘uit vrije wil’ te doen wat hen verplicht te doen.
Ze maken zichzelf wijs dat ze vrijer worden naarmate ze zich onderwerpen.
In die nieuwe ‘kunst’ vinden ze hun nieuwe identiteit.
Maar die identiteit is natuurlijk een pervertering van wie ze werkelijk zijn.
Wanneer moslima’s en politiek correcte intellectuelen geconfronteerd worden met iets of iemand die echt vrij is of probeert te zijn, ontstaat er in hen een strijd tussen hun echte identiteit – de mens als een vrije, scheppende geest – en hun valse, geperverteerde identiteit – de mens als een vrije slaaf.
De tragiek is dat die strijd zelden gewonnen wordt door de vrije geest, maar in de regel leidt tot een nog intensiever werken aan de valse identiteit.

Zo zie ik dat opinie-artikel van Patrick Loobuyck.
In de 15-jarige Giel heeft hij zichzelf herkend zoals hij had willen zijn: een jonge, idealistische kerel die vrij wilde zijn, die zich wilde losmaken uit die verstikkende, door de overheid (en de economie) gecontroleerde samenleving.
Maar hij is daar niet in geslaagd.
Hij dacht wellicht: ik hoef daarvoor niet naar de Himalaya, ik kan dat ook hiér wel.
Maar hij heeft zijn krachten overschat en is verstrikt geraakt in het oerwoud van regels en verboden dat de ‘vrije’ samenleving geworden is.
Diep van binnen leeft de idealistische jongen van weleer echter nog, en hij wordt wakker wanneer hij in de krant leest over Giel, een jongen die zich heeft kunnen onttrekken aan het staatsonderwijs en die zich nu ook wil onttrekken aan de hele verstikkende Westerse samenleving.
Maar wat kan die Loobuyck-jongen doen, gevangen als hij zit in een volwassen filosoof met vrouw en kinderen, met een eigen huis, met een mooie job aan de universiteit, met zelfs enige naambekendheid?
Uit die gevangenis kan hij niet losbreken.
En dus bekwaamt hij zich daar in de ‘nieuwe kunst’: het cultiveren en uitdragen van de ‘vrije onderworpenheid’, van de ‘verplichte vrijheid’.
Daar schept hij zijn trieste genoegen in.
Die beklagenswaardige jongen in zijn klooster.

20130916-114931.jpg

Een verjaardag

Vandaag heb ik iets te vieren.
Op deze 8ste juli is het precies 21 jaar geleden dat ik de hedendaagse kunst ontdekte.
Ik beschouw die ontdekking nog altijd als het hoogtepunt van mijn leven.
Het was mijn kleine Damascus-moment.

Dat vraagt om een woordje uitleg.
Wie al eens rondgeneusd heeft op deze blog, of wie mij persoonlijk kent, weet dat ik een godsgruwelijke hekel heb aan hedendaagse kunst.
Ik kan mijn afschuw ervoor niet onder stoelen of banken steken.
En als ik iets verafschuw dan doe ik dat met hart en ziel.
Dat zult u nog wel merken.

Wat valt er vandaag dan te vieren?

De oplossing van dit raadsel – en heus, ik heb het niet zelf uitgevonden – is eenvoudig:
Er bestaan twee soorten hedendaagse kunst.
Een echte en een valse.

De valse ken ik al mijn hele leven en ik heb ze altijd intens gehaat.
Waarom?
Omdat ik zo intens hou van kunst.
Mijn haat is niet los te maken van mijn liefde.
Als die liefde niet zo groot was, zou hedendaagse kunst me volstrekt onverschillig laten.
Zoals de meeste mensen.
Dat de zogenaamde kunst van onze tijd – die afval tot kunst uitroept – niet méér weerstand opwekt, komt niet doordat ze geaccepteerd is. Het komt doordat kunst de meeste mensen geen bal meer kan schelen.
En dat is nieuw.
In normale omstandigheden wekt kunst als vanzelfsprekend bewondering op.
Dat is altijd zo geweest.
De hedendaagse kunst heeft daar verandering in gebracht.
In onze tijd wekt kunst hoofdzakelijk onverschilligheid op.
Behalve natuurlijk bij degenen die zich willen onderscheiden van het ‘gewone volk’.
Hun drang om zich te verbinden met het ‘hogere’ en zich te distantiëren van het ‘lagere’ is een nauwelijks onderkende moderne hartstocht die met name de intelligentsia in zijn greep heeft.
Op zich is het natuurlijk een nobel streven, het streven naar zelfverheffing.
Misschien is het zelfs de diepste drijfveer van de mens, datgene wat hem tot mens maakt en hem onderscheidt van de dieren.
Maar bijzonder kwalijk wordt dit streven als het misleid wordt, als het zich richt op een doel dat slechts in schijn ‘hoger’ is en in werkelijkheid juist ‘lager’.
En dat is precies wat in de hedendaagse kunst gebeurt.

Mensen – hoog ontwikkelde, beschaafde, cultuurminnende mensen – staan vol bewondering te kijken naar een pispot, of een blikje stront, of wat dan ook, en ze voelen zich mijlenver verheven boven degenen die daar hun neus voor ophalen.
Het geeft aan hoe intens hun streven naar het ‘hogere’ is en hoe hartstochtelijk hun afwijzen van het ‘lagere’: ze hebben er alles voor over.
Het geeft ook aan hoe verlagend dit streven-naar-het-hogere kan werken als het gewone onderscheidingsvermogen wordt uitgeschakeld en mensen geen verschil meer zien tussen een pispot en een schilderij van Rubens.

Onze moderne wereld bruist van dit streven naar het ‘hogere’. Iedereen wil een betere wereld en ontsteekt in verontwaardiging bij het zien van de zoveelste ‘laagheid’.
Die morele hartstocht – de liefde tot het goede en de haat voor het slechte – siert de moderne mens.
Maar wat hem niét siert is dat hij deze hartstocht niet onder controle heeft, dat ze met hem doet wat ze wil, en dat hij het niet beseft.

Ik vind het de meest verontrustende ontwikkeling van onze tijd: mensen die er heilig van overtuigd zijn dat ze het goede doen, en niet beseffen in welke mate ze zichzelf en de wereld naar beneden halen.
Soms kan ik me niet van de indruk ontdoen dat er een nieuw mensenras aan het ontstaan is: de ‘betere’ mensen, die zich tot levensdoel gesteld hebben de wereld te bevrijden van de ‘lagere’ mensen. Ze vullen hun dagen met het beschuldigen, verdachtmaken, veroordelen, bespotten, minachten en honen van de ‘massa’, het gepeupel, het schorremorrie.
En het tragische is dat het buitengewoon moeilijk is om al deze haat niet te beantwoorden met tegenhaat.
Hoe kun je redelijk blijven tegenover mensen die eigenlijk vinden dat je geen recht van bestaan hebt, dat je ‘laag’ bent, dat je slecht bent?
Zo ontstaan de vicieuze cirkels die vandaag in toenemende mate het leven op aarde bepalen:
mensen die elkaar in naam van het goede willen uitroeien.

Het is genoegzaam bekend: kunstenaars zijn hun tijd vaak vooruit.
Dat is ook zo in de hedendaagse kunst.
Daar heeft zich een bijna absolute scheiding der geesten voltrokken.
Aan de ene kant is er een kleine, maar bijzonder rijke, machtige en intelligente elite die pispotten, kakmachines, bananenschillen en ander afval vereert, en vol minachting is voor degenen die ‘het niet begrijpen’.
Aan de andere kant is er de ‘grote massa’ die volkomen onverschillig is voor wat de culturele elite doet en het allemaal gelaten ondergaat.

Ik heb altijd een diepe weerzin gevoeld voor deze pervertering van de kunstwereld.
Want dat ís het: de zaken worden gewoon omgekeerd.
Het lagere wordt tot het hogere uitgeroepen en het hogere wordt als laag afgedaan.
Een pispot (Marcel Duchamp) wordt als grote kunst beschouwd, en het Lam Gods (Jan van Eyck) wordt afgedaan als ‘duur behang’ (door bijvoorbeeld fotograaf Carl De Keyzer).
De wereld wordt dus eenvoudig op zijn kop gezet.
En niemand protesteert daar nog tegen.
Niemand lijkt het nog te beseffen.
In de hedendaagse kunstwereld spannen kunstenaars zich tot het uiterste in om de meest choquerende, weerzinwekkende en akelige dingen te maken, in de overtuiging dat ze artistiek ver uitstijgen boven simpele ‘nabootsers’ als Rubens, Da Vinci, Velasquez en consoorten.
Het is te krankzinnig voor woorden, maar we vinden het … perfect normaal.

Achter mijn weerzin voor deze door en door perverse wereld schuilt nog iets anders: de angst dat de werkelijkheid de kunst zal nabootsen, en dat de wereld langzaam maar zeker – naar het voorbeeld van de kunst – herschapen zal worden in een krankzinnigengesticht, een ‘omgekeerd’ krankzinnigengesticht waarin de gezonden van geest opgesloten zitten en de krankzinnigen de dienst uitmaken.
Is die angst overdreven?
Is mijn visie op de hedendaagse kunst en de hedendaagse werkelijkheid wellicht zelf een vorm van krankzinnigheid?
Ben ik wellicht zelf zo’n fanatieke wereldverbeteraar die in naam van een betere wereld alles verkettert wat nieuw en hedendaags is?

Daarover moet iedere lezer maar voor zichzelf oordelen.

In ieder geval, dit is een ruwe schets van de ‘state of mind’ waarin ik me bevond voor ik de – in mijn ogen – échte hedendaagse kunst ontdekte.
Ik bevind me vandaag nog altijd in die ‘state of mind’. Mijn visie op kunst en werkelijkheid is misschien verruimd, maar in wezen is ze dezelfde gebleven.
Toch is er op 8 juli 1992 wel degelijk iets veranderd.

De hoop werd opnieuw geboren.

Vóór ik de (echte) hedendaagse kunst ontdekte, was er alleen maar wanhoop.
Ik had van zeer dichtbij meegemaakt hoe de (valse) hedendaagse kunst de klassieke kunst met wortel en tak uitroeide. En daarmee bedoel ik niet de klassieke kunstwerken, maar de klassieke ‘geest’, de geest van schoonheid, harmonie en rede.
Van die klassieke geest hield ik met heel mijn hart, en toen de hedendaagse Hunnen als een pletwals voorbijrolden, was het alsof ik mijn hele familie voor mijn ogen vermoord zag worden.
Degenen die het overleefden, bekeerden zich tot de nieuwe barbarij of ze werden krankzinnig van verdriet.

Ikzelf ging in ballingschap.
Ik ging naar de universiteit, de wereld van de wetenschap.
Ik beleefde dat als de Grootste Vergissing van mijn leven.
Later bleek het mijn redding te zijn.
Ik zou de inval van de hedendaagse barbaren waarschijnlijk niet overleefd hebben als het lot (en hoe hard en ongenadig voelde dat lot toen aan!) mij niet in een totaal andere wereld had doen terechtkomen, een wereld waar ze geen flauw benul hadden van wat er in de kunstwereld aan de gang was. Meer zelfs: ze deden er vrolijk aan mee.
Ik bevond me dus in het hol van de leeuw.
En ik deed daar niets anders dan doodgaan, innerlijk doodgaan.
Alle lichten gingen uit.
De kunst was ver weg en de wetenschap was voor mij één grote duisternis.

Maar in die volstrekte duisternis ontdekte ik een nieuw licht.
Ik ontdekte er een ‘andere wereld’.
Ik ontdekte er ook mijn vrouw.
En hoe anders was ook zij niet!
In alles waren (en zijn) we elkaars complete tegenbeeld.
En niet zomaar een klein beetje, nee werkelijk extreem.
Op één vlak echter verstonden (en verstaan) we elkaar wonderwel: op geestelijk vlak.
We delen dezelfde geest. En het is beslist geen abstracte geest.
Het is een geest die zich tot in de kleinste dingen manifesteert, maar tegelijk de tegenstellingen ongemoeid laat.
Die geest installeerde zich als het ware onopgemerkt naast de geest der tegenstellingen.
Hij legde die geest geen strobreed in de weg, maar wijken deed hij evenmin.

Tussen die geest-van-de-eenheid en de geest-der-tegenstelling hebben zich hele veldslagen afgespeeld tussen mij en mijn vrouw.
We vochten allebei voor wat we waard waren, maar we vochten in de geest.
Nooit op het fysieke vlak.

Waarom vertel ik dit allemaal?

Om duidelijk te maken dat mijn ontdekking van de (echte) hedendaagse kunst niet uit de lucht kwam vallen.
Als ik er vandaag op terugkijk, zie ik dat ze al van zeer vroeg in mijn leven werd voorbereid.
Er was geen toeval mee gemoeid.
Het was allemaal tot in de puntjes geregeld.
En toch kwam de ontdekking als een donderslag bij klaarlichte hemel.
Nooit, in mijn wildste dromen niet, had ik me zoiets kunnen voorstellen.
Ik werd compleet van mijn paard geblazen.

Maar ik herkende deze nieuwe kunst onmiddellijk.
Dat wil zeggen, ik herkende de geest die haar bezielde: het was dezelfde geest die ik in de klassieke kunst zo intens had liefgehad, de geest die ik had zien sterven en wiens dood me in de diepste wanhoop had gedompeld.
Die geest zag ik nu verrijzen in een nieuwe, stralende en volkomen eigentijdse vorm.
Ik was verrukt. Letterlijk.
Heel dat op wanhoop en verdriet gebaseerde weefsel dat mijn ziel toen was, werd aan flarden gescheurd.
Ik kende het verschijnsel. De grote klassieke kunstwerken konden dat ook: je ziel aan flarden scheuren tot er vrijwel niets meer van je ‘zelf’ overbleef.
Ja, ik wist heus wel wat Rilke bedoelde toen hij schreef dat het Schone het begin is van het Verschrikkelijke. Wie dat ‘verschrikkelijke’, dat hartverscheurende nooit gevoeld heeft bij het bekijken van de oude meesters, heeft ze nooit echt gezien.

Maar dit keer ging het veel verder. Het ging ‘all the way’.
Ik was getuige van een gigantische veldslag die zich ook in mijn eigen ziel afspeelde en die alles wegveegde wat oud en vermolmd was.
Adembenemend, dat was het.
Ik kreeg geen gelegenheid om na te denken of afstand te nemen.
Ik werd meegesleurd op een rollercoaster die in mijn binnenste niets op zijn plaats liet.
Ik had al wel een en ander meegemaakt in de wereld van de (klassieke) kunst, maar dit?
Ik aarzelde evenwel geen moment: ik ging méé.
Ik, die anders zo uitermate kritisch en wantrouwig was, gaf me helemaal over.
Want ik herkende mijn oude geliefde, degene die ik meer liefhad dan mijn eigen leven.
Ik was zo blij hem levend terug te zien, dat hij met mij mocht doen wat hij wilde.
En dat deed hij.
Hij sloeg me gewoon van mijn paard.
Maar hij deed het op zo’n onnavolgbaar kunstzinnige manier dat ik geen greintje pijn voelde.
Ik was alleen compleet ondersteboven.

En ondersteboven bleek véél beter te zijn, dan gewoon ‘in het zadel’.
Ik voelde me als herboren.
Ik was een ander mens geworden.
En ‘anders’ betekende: meer dan ooit mezelf.
Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel samen te vallen met mezelf.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik me thuis in de wereld.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij vervuld van vreugde, de vreugde om te bestaan.
Ik was kortom vervuld van liefde.

Het klinkt melig, ik weet het. Maar er was niks meligs aan.
Tot mijn eigen verbazing stelde ik vast dat liefde allesbehalve sentimenteel is.
Ik vond ze zelfs behoorlijk nuchter.
Ik kon nu duidelijk onderscheid maken tussen mijn problemen en die van anderen.
En ik voelde me niet geroepen om andermans problemen op te lossen.
Als ze om hulp vroegen: met alle plezier.
Vroegen ze me niks: prima. Maar ik voelde me niet schuldig omdat ik niks deed.
Ik voelde me volkomen in evenwicht, ik maakte me nergens druk over.
Er was ook niks extreems of extatisch aan mijn ‘nieuwe zelf’.
Er heerste een diepe rust in mijn ziel.
Niks hoefde, alles kon.

In de dagen die volgden op mijn ‘ontdekking’ – en ja, het was letterlijk een ont-dekking – ondervond ik dat ik helemaal niks hoefde te doen om mensen gelukkig te maken.
Mijn vrouw wist natuurlijk niet wat haar overkwam. Maar ze had intussen al wel geleerd dat ze van mij alles en niets kon verwachten. Meestal was het niets, maar een enkele keer was het alles. Zoals nu.
Maar ook andere mensen zagen het.
Wijlen Peter Vanden Berghe, die veel optrok met An en waarschijnlijk niet begreep hoe ze getrouwd kon zijn (en blijven) met zo’n stuk verdriet als ik, trok grote ogen toen hij me zag.
Het is verdorie een plezier om naar je te kijken, zei hij.
Dat kwam dus uit onverdachte bron.
Hij was echter lang niet de enige.
Ook volslagen vreemden begonnen spontaan te glimlachen als ik hen aankeek.
Ja werkelijk, in die julidagen hoefde ik mensen alleen maar in de ogen te kijken om hen gelukkig te maken.
Het was zelfs een beetje verontrustend.
Gelukkig had ik als autist niet de gewoonte om mensen in de ogen te kijken. Dus dat hielp.
Maar natuurlijk maakte ik me niet echt zorgen.
Ik maakte me nérgens zorgen over.
Ik beleefde de tijd van mijn leven en ik genoot er met volle teugen van.

Er was één klein vlekje op die stralende zon.

Uiteraard sleepte ik iedereen mee naar het kunstwerk dat ik net had ontdekt en dat van mij een ander mens had gemaakt.
Dit moesten ze zien! Dit moesten ze beleven!
Want een mens wil zijn vreugde delen.

Dat wilde echter niet zo lukken.
Ik zag wel dat ze aangegrepen werden, zoals zovelen trouwens.
Maar het ging nooit zo diep als bij mij.
Ze werden er geen andere mensen door.
De schellen vielen hen niet van de ogen.

Het was een teleurstelling, maar het bedierf de pret niet. Nog niet.
Ik had het veel te druk met gelukkig zijn.
Iedere dag was een aaneenschakeling van wonderen.
Er kwam geen eind aan.
In mijn oude staat van zijn zou ik er helemaal tureluurs van zijn geworden.
Ik had het niet kunnen bijbenen.
Maar nu liet ik het allemaal in volmaakte rust passeren.
Aan de buitenkant een storm, in het centrum: absolute rust.

Er begon zich natuurlijk een vraag in me te vormen:
Wat is mij overkomen?
Hoe moet ik dit verklaren?
Ik was en bleef tenslotte een modern, rationeel mens: ik wilde niet alleen beleven, ik wilde ook begrijpen.

Was het die wil om te begrijpen die een eind maakte aan de drie meest onvergetelijke maanden van mijn leven?
Hier moet ik wel tussenvoegen dat ik mij van die drie maanden nauwelijks iets herinner.
Ze waren als één lange vakantie aan zee: iedere dag scheen de zon, iedere dag was de lucht blauw, en iedere dag zong de zee haar lied.
Zon, zand, water en wind: meer heeft een mens niet nodig tijdens zo’n vakantie.
En het heerlijkste is dat de tijd gewoon lijkt te verdwijnen.
Je brengt je dagen door tussen de vier elementen in hun puurste vorm en er komt een gevoel van eeuwigheid over je: meer moet dat niet zijn en het mag eeuwig blijven duren.
Zo’n vakantie is als een hemel op aarde.
En God weet hoezeer we dergelijke vakanties nodig hebben.

Toch zijn we daarvoor niet op aarde.
We zijn op aarde om te beleven én te begrijpen.
Want zonder begrip kunnen we geen vrije mensen worden.
En dat is precies onze grote opgave: we zijn gemaakt om vrij te worden.
Dat is ook wat we willen, meer dan wat ook.
Daarvoor zijn we bereid de grootste ellende te verdragen.
Daarvoor zijn we bereid afstand te doen van onze grootste vreugde: leven in een wereld van louter liefde.
Daarvoor verlaten we telkens weer de hemel en worden we geboren op aarde.

Dat was wellicht de reden waarom er een eind kwam aan dat mooie liedje van de zomer van 1992.
Ik wilde niet alleen genieten en vreugde beleven.
Ik wilde ook begrijpen.
Het een is trouwens niet in tegenspraak met het andere.
Vreugde kan alleen gedeeld worden als ze ook kan begrepen worden.
Ik begreep niet wat me overkomen was, en daarom kon ik mijn vreugde niet delen.
En omdat ik ze niet kon delen, kon ik ze ook niet groter maken.
Is dat trouwens niet het Hoogste Doel van de mens: dat hij zijn vreugde deelt met alle andere mensen en dat de aarde op die manier tot een ster wordt die louter vreugde en liefde uitstraalt?

Het zijn grote woorden, ik weet het. Maar ze worden niettemin weerspiegeld in kleine dingen.
Telkens wanneer mensen hun geluk de nek omwringen door een of andere stommiteit, doen ze dat in feite om te begrijpen. En ze willen begrijpen om geluk te kunnen delen, om meer geluk te scheppen. Alleen … ze begrijpen het niet, ze doen het onbewust.

Ik probeer al 21 jaar te begrijpen wat er met me op 8 juli 1992 gebeurd is.
Ik probeer al 21 jaar aan mensen uit te leggen wat een schat aan vreugde en inzicht er verscholen ligt in de (echte) hedendaagse kunst.
Allemaal tevergeefs.
Ik heb tot op vandaag, 8 juli 2013, niemand gevonden waarmee ik mijn vreugde over deze nieuwe, uit de doden verrezen kunst kan delen.
En dat zet natuurlijk een domper op de feestvreugde.
Ik zit hier in mijn eentje te ‘vieren’.

Ik heb heus wel mensen ontmoet die zeiden te begrijpen wat ik bedoelde. Ik heb er zelfs ontmoet die enthousiast waren, die me zelfs geld wilden geven om er een boek over te schrijven. Maar geen van hen begreep de ware dimensies van mijn ontdekking.
Ik begreep ze zelf ook niet.
Ik had alleen mijn ervaring, en die was zo reëel geweest dat ik er nooit ook maar één moment aan getwijfeld heb.
Ik schreeuwde mijn vreugde van de daken, en de mensen dachten dat ik gek was geworden.
Ze vonden me onuitstaanbaar omdat ik maar niet wilde ophouden.
Ze werden woedend omdat ik dergelijke dingen vertelde.
Ze verklaarden verontwaardigd dat ze niet meer met me wilden praten.
Ze keerden zich vol walging van me af omdat ik hen wilde verleiden met ‘valse’ kunst.

Het werd ten slotte zo erg dat ik besloot om mijn mond te houden.
Ik zou voortaan niet meer spreken over mijn ontdekking, tenzij het me uitdrukkelijk gevraagd werd.
Onnodig te zeggen dat niemand dat deed.
Ze waren waarschijnlijk blij dat ik eindelijk zweeg.
Vooral mijn eigen kinderen waren opgelucht.
Hij is daar weer, zuchtten ze als ik weer eens van wal stak.

Toch was het niet deze tegenstand die me deed zwijgen.
Tegenstand was me vertrouwd.
Nee, het was eerbied die me deed zwijgen.
Ik kon het niet meer hebben dat het kunstwerk dat ik vereerde, en dat ik zelfs als ‘heilig’ beschouwde zo door de modder werd gesleurd door mensen die niet wisten was ze deden.
Dat wilde ik noch de nieuwe kunst noch henzelf aandoen.
En dus zweeg ik.

Ik heb dat vele jaren volgehouden.
Mensen dachten waarschijnlijk: oef, hij is bij zinnen gekomen, hij is het vergeten!
Maar ik was helemaal niks vergeten.
Hoe had ik zo’n ervaring ooit kunnen vergeten!
Het zou zelfverraad zijn geweest.
En dus dacht ik onverdroten voort.

Nog nooit in mijn leven had ik zo intens en zo rationeel nagedacht als over deze nieuwe hedendaagse kunst.
Ik viel daarbij van de ene verbazing in de andere.
Er opende zich voor mij een wereld die steeds groter werd en die me bij momenten naar adem deed happen.
Maar die me ook diep ontroerde.
Ik ging het kunstwerk telkens weer opnieuw bekijken, ik kon er niet genoeg van krijgen.
En telkens werd het groter, telkens was het anders, telkens ontdekte ik nieuwe aspecten.
Op die manier groeide het voor mijn ogen uit tot een onvoorstelbaar complex beeld, een metafoor van de gehele moderne wereld.
Het was een ruwe diamant, die voor de meeste mensen niets anders was dan een waardeloze, onaantrekkelijke steen, maar die onder mijn moeizaam en geduldig slijpen veranderde in een schitterende edelsteen, de kostbaarste die ik ooit gezien had.
Tot op de dag van vandaag is hij blijven groeien, heel langzaam, want diamant is uitermate hard, zelfs voor een hard instrument als het moderne verstand.
Maar tegelijk is hij steeds dezelfde gebleven.
Dat is het wonder: hoe iets voortdurend kan veranderen en toch hetzelfde blijven.
En hoe ook degene die ernaar kijkt, een ander mens wordt en toch dezelfde blijft.

Er is in de afgelopen 21 jaar veel veranderd, en toch is alles hetzelfde gebleven.
Ik ben nog altijd even enthousiast over deze hedendaagse kunst als op de eerste dag.
En ik sta nog altijd even alleen met dat enthousiasme.
Het enige dat is veranderd, is dat ik de hele zaak nu beter begrijp.
Maar ook dat is relatief.
Ik begreep namelijk al heel vlug dat wat ik op die 8ste juli had meegemaakt niets anders was dan wat Aristoteles bedoelt met het begrip ‘catharis’.
Hij doelt daarmee op de innerlijke zuivering die de toeschouwers van de Griekse tragedies ondergingen door het drama dat voor hen werd opgevoerd mee te beleven.
Ik had zo’n ‘zuivering’ ondergaan, een zuivering van de ziel, en ze werkte zelfs tot op het fysieke vlak door, want ik was als bij toverslag verlost van allerlei kwaaltjes.
Ik begreep wat die tragedies voor de oude Grieken betekend moesten hebben.
En dat was veel en veel meer dan wat de moderne mens beleeft aan moderne toneelstukken.
Er is gewoon geen vergelijking mogelijk.
En toch gaat het om hetzelfde medium: de kunst.

Het was deze tragische kunst die aan de bakermat lag van het ontstaan van de Griekse beschaving, die ook ónze beschaving is.
Er moet een enorme invloed zijn uitgegaan van deze tragedies, die trouwens massaal werden bijgewoond door het gehele volk, een beetje zoals voetbalwedstrijden vandaag.
De Griekse tragedies waren niet bestemd voor een kleine elite van kunstliefhebbers. Ze waren bestemd voor het gehele Griekse volk.
Datzelfde geldt ook voor de hedendaagse kunst die ik ontdekte: ze was niet bestemd voor de culturele elite (die er dan ook de neus voor ophaalt alsof het … afval is), maar voor het volk, voor de gewone mens.
En die gewone, moderne mens is even enthousiast over de (echte) kunst van zijn tijd als de oude Grieken waren over hun tragedies.

Er is echter één groot verschil.

De aangrijpende beelden van de oude tragedies drongen rechtstreeks door in het hart (en waarschijnlijk ook tot in het lichaam) van de oude Grieken.
En dat volstond.
Juist omdat die beelden gevoelsmatig werden opgenomen, konden ze ongestoord hun werking ontplooien in de ziel van de oude Griek.
Want ofschoon het antieke Griekenland denkers had om U tegen te zeggen, was de modale Griek een gemoedsmens, iemand die in de waarneming leefde en daar niet rationeel over nadacht. Dat deden Aristoteles & co wel voor hem.
Vandaag is dat anders.
Vandaag moet de moderne mens, de gewone mens in de straat, zelf denken en zelf zijn leven bepalen. Laat hij dat door anderen doen, dan loopt het mis.
Onze eeuw zal democratisch zijn of ze zal niet zijn.

En dat weerspiegelt zich in de kunst van onze tijd.
De moderne kijker zal zelf over die kunst nadenken of hij zal ze niet zien.
De beelden van de hedendaagse kunst zullen zijn hart wel bereiken, maar wat ze daar aanrichten, dat bepaalt de mens zelf. In alle vrijheid.
En juist die vrijheid is de Grote Tragedie van onze tijd.
De moderne mens bepaalt zelf hoe zijn wereld er zal uitzien.

Dat klinkt natuurlijk banaal wanneer we het in abstracto begrijpen.
Maar heel anders wordt het wanneer we het in concreto voorstellen.
En dat is wat de kunst doet.
Zij toont ons in beelden de wereld van de toekomst.
Die wereld is geen fictie. Hij is werkelijkheid.
Kunst is weliswaar schijn, maar het is ware schijn.
Het is een vorm van lichaamstaal, en die liegt nooit.
We kunnen haar volkomen vertrouwen.
Nu de rol van de religie is uitgespeeld, is de kunst onze poolster.
Zij heeft de fakkel overgenomen, zij wijst ons de weg.
De wetenschap kan dat niet doen.
Zij verlicht de weg, maar zij gaat hem niet.
Dat doet vandaag alleen de kunst.

En zo hoort het ook voor de moderne mens: hij moet zelf de beelden maken die hem leiden.

Dat is een enorme stap vooruit na het religieuze ‘tijdperk’.
Maar het is ook een enorm waagstuk.
Want het maakt deel uit van de vrijheid dat we misleid kunnen worden, dat we de verkeerde weg inslaan.
En hoe groter de vrijheid hoe groter ook de mogelijkheid om te dwalen.
We beseffen nauwelijks wat een enorm geschenk die vrijheid is.
Maar we beseffen evenmin welk prijskaartje eraan vasthangt.

De moderne vrije mens kan op een nooit geziene manier dwalen.
Dat kunnen we dagelijks in de krant lezen.
Maar dat blijft allemaal nog tamelijk ver van ons bed.
We leven immers in België, in het landje van melk en honing.
Hier geen grote natuurrampen, geen zwarte armoede, geen dictators die ons op bevel doen lachen of huilen, geen massale verkachtingen, geen kindsoldaten, geen waanzinnige milieuvervuiling, enzovoort, enzovoort.
We blijven daar allemaal van gespaard.
En toch is er één gebied waarin al deze verschrikkelijke gevolgen van de menselijke vrijheid zeer aanschouwelijk worden gespiegeld, en dat is de kunst.

Er is hoogstwaarschijnlijk geen enkel land ter wereld waar de (zogenaamde) hedendaagse kunst zo’n tabula rasa heeft gemaakt. Ze heerst hier oppermachtig. En juist daardoor illustreert ze op indrukwekkende wijze wat er kan gebeuren als de moderne mens vrij wordt gelaten in zijn keuze:

Hij kan zich op een verschrikkelijke manier vergissen.
Hij kan zich zodanig vergissen dat hij het allerlaagste tot voorbeeld neemt in de stellige overtuiging dat hij het allerhoogste nastreeft.
Is het toeval dat uitgerekend in ons kleine landje de gevolgen van de vrijheid zo duidelijk zichtbaar zijn in de kunst?
Ik denk het niet.
Want uitgerekend in dat kleine landje, in de eertijds zo trotse steden Brugge, Gent en Antwerpen, heeft de vrije Europese mens zich als eerste gemanifesteerd. Hier is de nieuwe (olieverf)schilderkunst ontstaan, hier is ook de moderne democratie geboren. En hier worden beide ook op uiterst geraffineerde wijze om zeep geholpen.

Meer dan waar ook ter wereld worden wij als Belgen, en vooral als Vlamingen, met onze neus op het feit gedrukt dat we moeten kiezen.
We moeten zelf kiezen waardoor we ons willen laten leiden.
En dat betekent in de allereerste plaats dat we ons bewust moeten worden van die keuze.
Er is geen vrije keuze als we ons niet bewust zijn van de keuze.

We laten ons leiden door de materialistische wetenschap omdat we geen alternatief zien.
We kiezen voor de wetenschap, maar het is geen vrije keuze.
We kiezen in toenemende mate ook weer voor religies allerhande.
Maar dat is evenmin een vrije keuze, want we zien de kunst niet als een alternatief.
Die gedachte komt niet eens in ons op.
En als we dan toch kunstliefhebber zijn, omdat we onbewust het cruciale belang van de kunst voor onze tijd aanvoelen, kiezen we als vanzelfsprekend voor de kunst die zichzelf hedendaags noemt.
Opnieuw omdat we geen alternatief zien, omdat we geen keuze menen te hebben.
De vraag of deze kunst wel is wie ze beweert te zijn, komt niet eens in ons op.

En dat is om … koude rillingen te krijgen, zelfs op deze warme zomerdag.
Want het toont aan dat de moderne mens, die als nooit tevoren de mogelijkheid bezit om zelf zijn leven te bepalen, om zelf te kiezen in welke wereld hij wil leven, dat die moderne mens helemaal niét kiest.
Meer zelfs, hij verafschuwt de keuze.

Als ik hem – op een gebied dat er in zijn ogen niet toe doet: dat van de kunst – vertel dat er vandaag twee soorten hedendaagse kunst zijn, die als dag en nacht van elkaar verschillen en die de mens dus voor een keuze stellen, dan wekt dat de allergrootste weerstand in hem op. Ik mag al blij zijn dat hij niet woedend wordt of zich vol walging van me afkeert.
Nochtans dwing ik hem niet om een bepaalde keuze te maken.
Hoe zou ik dat trouwens kunnen: in mijn eentje tegenover de ‘hedendaagse’ overmacht!
Nee, ik vertel hem alleen dat er een alternatief is, dat er een keuze mogelijk is, en dat hij, als hij werkelijk vrij wil zijn, die keuze ook moet maken.

De paradox is dat de moderne mens geen andere keuze heeft dan vrij te zijn.
Hij moet met andere woorden kiezen.
En daar deinst hij verschrikt voor terug.
Als een paard voor de hindernis.
Telkens weer.

Al mijn hele leven word ik met die weigering geconfronteerd, op ieder gebied.
Maar nergens is ze zo totaal als op het gebied van de kunst.
Ik nader de zestig, en in al die jaren ben ik er nooit in geslaagd iemand ertoe te brengen de vraag te stellen: is de zogenaamde hedendaagse kunst wel wat ze beweert te zijn, namelijk de kunst van onze tijd?
Toegegeven, ik heb het hoogstwaarschijnlijk niet op de goede manier gedaan.
Ik was te zeer vervuld van afschuw.
Maar is het niet om met je hoofd tegen de muur te slaan als mensen liever geloven dat stront kunst is, dan dat ze zelfs maar overwegen dat er een alternatief zou kunnen zijn!
Nog altijd voel ik dezelfde verbijstering bij het schouwspel van beschaafde mensen die in verering staan voor uitwerpselen en ander afval, en die niets anders willen zien.
Hoe (ver)blind kun je zijn!

Toen ik 21 jaar geleden de (echte) hedendaagse kunst ontdekte, dacht ik dat het beter zou gaan.
Ik had nu een zeer aanschouwelijk alternatief.
Ik kon nu heel duidelijk de twee ‘soorten’ hedendaagse kunst naast elkaar plaatsen.
Een klein kind kon zien wat de echte en wat de valse was.
Maar ik had zonder de waard gerekend:
men wílde eenvoudig niet kijken.
Men verkoos de ogen te sluiten en niet te kiezen.

Nu weet ik uit eigen ervaring hoe verschrikkelijk keuzes kunnen zijn.
Op ditzelfde moment sta ik voor een verscheurende keuze, een keuze die me nu al weken hartkloppingen bezorgt, van ’s morgens tot ’s avonds. Ik moet een prijs betalen voor iets waar ik al mijn hele leven naar verlang, een bijzonder zware prijs, want ik moet afstand doen van iets waar ik ook al mijn hele leven naar verlang.
Ik ondervind, weer eens, dat kiezen verliezen is.
Er zijn waarschijnlijk niet veel mensen die zo geterroriseerd worden door het besef vrij te zijn als ik.
Want met dat vrijheidsbesef hangt ook het besef samen dat je zwaar moet betalen als je verkeerd kiest. Onnoemelijk zwaar soms.
Ik ondervind nu aan den lijve dat een mens die al een paar keer verkeerd gekozen heeft en daarvoor de prijs heeft moeten betalen, gewoon niet meer dúrft te kiezen. De gedachte aan wat er kan gebeuren als hij verkeerd kiest, verlamt hem.

Maar ik heb ook al ondervonden dat een verkeerde keuze, een absoluut verkeerde en uiterst ongelukkige keuze, uiteindelijk de juiste keuze kan blijken te zijn.
In wezen kan een mens dus niet verkeerd kiezen.
Als hij maar bereid is de prijs ervoor te betalen.

Het is echter juist die prijs die een mens de stuipen op het lijf jaagt.

Ik mag er niet aan denken welke ellende me te wachten staat als ik verkeerd kies (in een kwestie waarover ik het nog zal hebben). Het zou wel eens de druppel kunnen zijn die mijn emmertje doet overlopen.
Ik mag er ook niet aan denken welke ellende de moderne mens te wachten staat als hij weigert te kiezen, als hij blind de hedendaagse kunst tot zijn poolster blijft kiezen.
Want de werkelijkheid bootst de kunst na.
Daarvan zie ik iedere dag de bewijzen.

Zo staan de zaken er dus voor op deze verjaardag.
Wie tot hier meegelezen heeft, stelt zich nu waarschijnlijk de vraag:
maar over welk hedendaags kunstwerk heb je het nu?
Misschien stelt u zich die vraag reeds vanaf het begin van deze kleine feestrede.
Wel, ik heb een keuze gemaakt.
Misschien is het de verkeerde keuze. Ik hoop van niet.
Maar ik heb ervoor gekozen om nú nog niet te zeggen om welk kunstwerk het gaat.
U kan dit kinderachtig vinden, maar ik weet uit ervaring dat als ik dat kunstwerk meteen had genoemd de kans groot was dat u niet had verder gelezen.

Ik zou 21 jaar geleden precies hetzelfde hebben gedaan.
Als men mij verteld had waar ik de echte hedendaagse kunst kon vinden, zou ik gezegd hebben: ga weg!
Ik had niet eens willen luisteren. Zo vol zat ik met vooroordelen die ikzelf beschouwde als uitingen van beschaving en ontwikkeling.
Geen denken aan dat ik me zo zou verlagen!
Er was een grote klap nodig om me van dat ridderlijke paard te gooien.

Ik kan dus heel goed begrijpen dat mensen niet naar me willen luisteren als ik over mijn stokpaardje (sic) begin. Ik hoor ze al zuchten:

Hij gaat toch weer niet beginnen!

Jawel, ik ga weer beginnen.
Ik ben zelfs al volop bezig.
Alles wat ik schrijf, heb ik te danken aan dat ene kunstwerk.
Had ik het nooit gezien, dan zou ik ook nooit zijn beginnen schrijven.
Ik was een tekenaar, geen schrijver.
Maar zie, de kunst besliste daar anders over en ik volg haar, waar ze ook gaat.
Ik heb het allergrootste vertrouwen in haar.

Dat alles wilde ik u vertellen, voor ik zeg over welk kunstwerk het gaat.
Opdat u zou weten dat het niet zomaar om een kunstkritiek gaat.
Opdat u zou weten dat ik nooit ernstiger ben dan wanneer ik het over dit kunstwerk heb.
Opdat u zou weten dat het in mijn ogen heilig is.
En dat ik het bijzonder pijnlijk vind als het ontheiligd wordt, ook al gebeurt dat niet met opzet.
Want ik kan daar niet tegen.
Ik ben een oude ziel.
De ontheiliging van het heilige is de basso continuo van mijn ziel.
Ik lijd daaronder.
En ik wil niet lijden.
Ik wil vreugde beleven.
Ik wil de vreugde delen die ik 21 jaar geleden beleefd heb.

En al was er maar één enkele lezer die zich de vraag stelt: tiens, zou dat waar kunnen zijn?
Al was er maar één lezer die zich afvraagt: zou er echt nog een andere hedendaagse kunst bestaan?
Al riep deze lange verjaardagsbrief maar één enkele vraag op, dan nog zou het de moeite zijn.

Want alles begint met een vraag.

Wie zich geen vragen stelt, kan niet kiezen.
Wie niet kiest, is niet vrij.
En wie niet vrij is … tja, dat is maar
Ein trüber Gast auf den dunklen Erde.

Stirb und Werde, daar gaat het om.
Ook – en vooral – in de kunst.

SELIGE SEHNSUCHT

Sagt es niemand, nur den Weisen,
Weil die Menge gleich verhöhnet,
Das Lebend’ge will ich preisen,
Das nach Flammentod sich sehnet.
In der Liebesnächte Kühlung,
Die dich zeugte, wo du zeugtest,
Ueberfällt die fremde Fühlung
Wenn die stille Kerze leuchtet.

Nicht mehr bleibest du umfangen
In der Finsterniß Beschattung,
Und dich reißet neu Verlangen
Auf zu höherer Begattung.

Keine Ferne macht dich schwierig,
Kommst geflogen und gebannt,
Und zuletzt, des Lichts begierig,
Bist du Schmetterling verbrannt,

Und so lang du das nicht hast,
Dieses: Stirb und Werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde.

(Johann Wolfgang von Goethe)