Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: waarheid

Corona (10)

  

De zon schijnt en de seringen bloeien. Na een malse regenbui ligt de wereld er als nieuw bij, glanzend van gezondheid en groeiend dat het een lieve lust is. Maar in onze ziel is het geen lente, wel integendeel, onze innerlijke zon is verdwenen. We tasten in het duister en weten niet meer wat we moeten denken van die stralende natuur. Is ze wel te vertrouwen? Is zij niet het liefelijke gezicht van het kwaad dat in de vorm van dodelijke virussen overal op de loer ligt? Opeens blijkt de lente levensgevaarlijk te zijn en kan ze ons leven onverwacht in een hel veranderen. Of komt het coronavirus niet uit de natuur maar uit één van onze laboratoria, waar we het gecreëerd hebben als leerling-tovenaars die nu de controle over hun eigen schepping kwijt zijn? Ja, misschien zijn wij zelf wel een kwaadaardig virus dat het leven op aarde bedreigt! Wat moeten wij onze kinderen nog vertellen over de lente, over de wereld, over onszelf? De waarheid? Maar wat is de waarheid? We weten het minder dan ooit.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer hij beseft niets te weten. De wereld wordt voor hem opnieuw een mysterie, net als bij zijn geboorte. Vandaag lijken we allemaal oud te zijn geworden, want de werkelijkheid heeft de illusies van de wetenschap doorprikt. Het pronkstuk van ons denken heeft geen antwoord op de problemen waarmee we momenteel geconfronteerd worden (en die het voor een groot deel zelf veroorzaakt heeft). We staan met lege handen tegenover de corona-dreiging en worden overrompeld door de vraag: wat kunnen we nog geloven? De waarheid is onvindbaar geworden en we worden overspoeld door angst, depressie en vertwijfeling. Wanhopig zoeken we naar houvast en zekerheid in een wereld die steeds chaotischer, steeds onherbergzamer, steeds dreigender wordt. De behoefte aan een sterke man (of vrouw) groeit, want het wordt alsmaar duidelijker dat de wetenschap dat houvast niet kan bieden. Ons weten is aan een grens gekomen, het verandert steeds meer in een niet-weten.

Maar hoe kunnen we dan nog zekerheid vinden in het leven zonder onze vrijheid kwijt te raken? Het antwoord komt uit onverwachte hoek, namelijk uit de kunst. Dat is de laatste plek waar we de waarheid gaan zoeken, want kunst staat voor ons gelijk met subjectiviteit en individualisme, terwijl we van de waarheid juist verwachten dat ze – zoals de wetenschap – objectief is en geldt voor iedereen. Maar het is precies deze dualiteit die overwonnen moet worden, want de waarheid mag dan wel objectief zijn, ze is tevens subjectief: ze kan niet los worden gemaakt van ons eigen wezen. De waarheid is geen ding dat buiten ons kan worden geplaatst, zij moet worden beleefd. Ze is iets levends: we moeten haar kunnen voelen in ons hart, ze moet ons vervullen. Zonder die rechtstreekse, persoonlijke verbinding merken we het niet als de leugen de plaats van de waarheid inneemt. En die gevoelsmatige verbinding, die hart-kwaliteit, vinden we in de kunst: zij geeft ons wat de wetenschap niet kan geven.

Maar ook het omgekeerde is waar: de wetenschap geeft ons wat de kunst niet kan geven: helderheid en inzicht. Het licht van de rede is als de zon die alles doet verschijnen. Die zon leeft weliswaar ook in de kunst, maar daar is zij verduisterd door de materie. Deze artistieke ‘zonsverduistering’ maakt echter iets zichtbaar dat in de zonovergoten werkelijkheid niet kan waargenomen worden: de allesdoordringende zonne-aura van de waarheid. Dit waarheidslicht is er altijd, maar het verschijnt alleen wanneer de maan de zon precies bedekt, dat wil zeggen wanneer de kunstenaar erin slaagt geest en materie volkomen te doen samenvallen. Er is echter nog een tweede voorwaarde: alleen degenen die precies weten waar en wanneer ze moeten kijken, krijgen deze mysterieuze zonne-aura te zien. Zij weten ook wat ze zien, zodat de verduistering hen geen angst aankaagt. Anders gezegd, zonder de wetenschap krijgt men het waarheidslicht van de kunst niet te zien, tenzij per ongeluk. 

Kunst en wetenschap zijn dus allebei nodig om de waarheid te kunnen zien: in de kunst beleven we de waarheid zonder het te weten, in de wetenschap kennen we de waarheid, maar we hebben er het contact mee verloren. Het probleem is dat kunst en wetenschap elkaar uitsluiten: we kunnen de waarheid niet tegelijk kennen en beleven, evenmin als we tegelijk de aardse wereld en de sterrenwereld kunnen zien. Als de zon verschijnt, verdwijnen de sterren en omgekeerd. Ze zijn er altijd allebei, maar we zien ze nooit tesamen, tenzij tijdens een eclips. Zo gaat het ook met kunst en wetenschap. Om kunst te kunnen zien, moeten we er ons aan overgeven en dat maakt een rationele benadering onmogelijk. Een rationele benadering sluit dan weer de gevoelsmatige overgave uit en doet de kunst uit onze waarneming verdwijnen. Kunst en wetenschap wisselen elkaar af zoals de zon en de maan, maar ze vallen nooit samen, tenzij bij hoge uitzondering, zoals tijdens een zonsverduistering.

De grens die de wetenschap bereikt heeft, is de grens met de kunst. Pas wanneer ze die grens overschrijdt, kan ze de waarheid vinden die ze zoekt. Wat haar daarvan weerhoudt, is het feit dat ze dan verdwijnt, dat ze zichzelf opheft. De wetenschap kan het gebied van de kunst niet betreden zonder haar objectieve afstandelijkheid op te geven. En dus rijst de vraag: kan de wetenschap deze grens overschrijden en toch wetenschap blijven? Kunnen we de waarheid bewust leren kennen of kunnen we ze hoogstens gevoelsmatig beleven zoals in de kunst? Dat is de cruciale vraag die Rudolf Steiner zich stelde aan het eind van de 19de eeuw. Als helderziende was hij er diep van doordrongen dat de wetenschap aan een grens was gekomen: de grens tussen de dode materie en de levende geest. Voor hem was het geen probleem om die grens in beide richtingen te overschrijden, maar wat hij zocht was een brug tussen beide werelden, zodat er – op de grens – een wetenschap van de hele werkelijkheid kon ontstaan.

Die brug vond hij in de kunst (van Goethe) en dat is geen toeval, want in de kunst zijn materie en geest met elkaar verbonden. Maar dat zien we niet, want zowel materie als geest verdwijnen uit ons bewustzijn wanneer we naar kunst kijken. We zien geen van beide meer, zoals we ook de zon en de maan niet meer zien tijdens een zonsverduistering. Wat we wel zien, is een nieuwe, onbekende werkelijkheid: de zonne-aura van de waarheid. Daar zijn we ons echter niet van bewust, want we stellen ons geen vragen naar de aard van deze derde, kunstzinnige werkelijkheid. Ze vervult ons met verrukking en doet al onze vragen verstommen. De kunst is het antwoord op al onze vragen. Maar juist doordat we sprakeloos naar haar kijken, blijft haar (waarheids)wezen ons onbekend. Nochtans zien we in de figuur van Goethe dat de kunst wel degelijk gekend wil worden, dat ze streeft naar wetenschap en bewustzijn. Maar de laatste vraag, de vraag naar haar eigen wezen, kon Goethe niet stellen zonder op te houden kunstenaar te zijn. 

Rudolf Steiner kon dat wel. Als wetenschapper kon hij de ultieme vraag stellen naar het waarheidswezen van de kunst, naar het scheppende wezen van de mens. Dat was een grote stap, want alles verandert wanneer we ons vragen beginnen te stellen over datgene wat alle vragen doet verstommen. Er is een enorm verschil tussen het onbewuste en het bewuste betreden van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid, tussen het dromerig-gevoelsmatige beleven en het bewust-verstandelijke benaderen van het wezen van de kunst. Het eerste vervult ons met verrukking, het tweede met ontzetting. In ons hart kennen we de waarheid, zij is ons vertrouwd, het waarnemen ervan is een herkenning. Maar wat voor onze onbewuste ziel kinderspel is, is voor onze bewuste, verstandelijke ziel een schokkende ervaring. De wetenschapper die vragend doordringt tot het wezen van de kunst, voelt zich overweldigd, al zijn wapens worden hem uit handen geslagen. En daar staat hij dan: klein, nietig en onmachtig. 

Het bewust overschrijden van de grens tussen kunst en wetenschap is een beproeving en er is veel liefde nodig om deze beproeving te doorstaan. We kunnen ons niet voorstellen wat Rudolf Steiner doorgemaakt heeft toen hij – als eerste – deze grens overschreed. Voor het oog van de wereld was hij een mislukte wetenschapper die leefde als een bohémien tussen kunstenaars. Maar dat was slechts een uiterlijk beeld van wat zich in zijn ziel afspeelde: als wetenschapper betrad hij het gebied van de kunst en werd ‘verduisterd’. Maar dankzij deze (vrijwillige) verduistering zag Rudolf Steiner de zonne-aura van de waarheid verschijnen en werd een nieuwe wetenschap geboren: de geesteswetenschap, de wetenschap van de hele werkelijkheid, de materiële zowel als de geestelijke. Dit waarheidslicht scheen echter in de duisternis van een door en door materialistische wereld en werd er niet door aanvaard. Dat nam echter niet weg dat het een keerpunt was, het aanbreken van een nieuw tijdperk. 

Rudolf Steiner voorspelde dat de wetenschap zoals we die vandaag kennen zou verdwijnen. Dat kunnen we ons nauwelijks voorstellen, want de moderne wetenschap is machtiger dan ooit. Toch heeft de corona-crisis duidelijk gemaakt dat die machtige wetenschap een reus op lemen voeten is. En hij wankelt. Wat we vandaag meemaken, is de machtsgreep van een materialistische wetenschap die voelt dat haar dagen geteld zijn en zich gedraagt als een gewond dier dat gevaarlijker is dan ooit. Dit dier is vervuld van haat tegen de kunst en tegen het vrije, scheppende wezen van de mens wiens tijd gekomen is. Die haat is eigenlijk angst, want de enige manier waarop de wetenschap zichzelf kan redden, is door zich te verbinden met die verafschuwde kunst, er zich door te laten ‘verduisteren’ en daarna in een nieuwe vorm weer te verschijnen. Tegelijk is dat ook de enige manier waarop belet kan worden dat de vrije mens opgesloten wordt in een kooi: door de waarheid van de kunst bewust te leren kennen. 

Honderd jaar geleden zei Rudolf Steiner dat het in de 20ste eeuw twee kanten op kon: ofwel kwam de antroposofie tot bloei en gaf zij de menselijke beschaving de geestelijke impuls die ze nodig had, ofwel kwam die beschaving aan de rand van het graf te staan. Alles hing af van de samenwerking tussen platonici en aristotelici, tussen de kunstenaars en wetenschappers par excellence dus. Er moest op ruimere schaal gebeuren, wat 2000 jaar geleden op één enkele plaats gebeurde: in de tempel van Jeruzalem, waar het Ik van de solomonische Jezus (de ‘wetenschapper’) overging in de nathanische Jezus (de ‘kunstenaar’). Door dit goed bewaarde geheim te onthullen, maakte Rudolf Steiner het oerbeeld zichtbaar van wat hij zelf zou doen tijdens de Weihnachtstagung: hij offerde zijn leven door zijn lot te verbinden met dat van zijn leerlingen. Toen hij vervolgens – wegkwijnend als de solomonische Jezus – het geheim onthulde van de oude en de jonge zielen, nodigde hij ons uit zijn voorbeeld te volgen.

De kern van dat voorbeeld is de manier waarop de tegenpolen met elkaar verbonden worden. De verbinding zelf wordt bewerkstelligd door de (weder)komst van Christus en ligt niet in de vrijheid van de mens. Wat wel in zijn vrijheid ligt is hoe de verbinding tot stand komt: op de manier van de wetenschap of op die van de kunst. In het eerste geval is de verbinding gebaseerd op macht: zoals de wetenschap de natuur onderwerpt, zo onderwerpt ze ook de kunst. Het resultaat zien we in de hedendaagse kunst. Deze zogenaamde ‘nieuwe’ kunst kan niet bestaan zonder de uitleg van experts, ze is afhankelijk van de wetenschap. Eigenlijk is ze niet meer dan een toegepaste wetenschap: ze brengt de ideeën van de (materialistische) wetenschap in beeld. In het tweede, kunstzinnige geval is de verbinding gebaseerd op liefde: de wetenschap geeft zich over aan de kunst, en laat er zich door verduisteren. Het resultaat van deze kunstzinnige verbinding zien we in de antroposofie: een wetenschap die tegelijk een kunst is.

Het kan dus twee richtingen uit met de verbinding der tegenpolen: de richting van de kunst of de richting van de wetenschap. De eerste resulteert paradoxaal genoeg in een nieuwe wetenschap (de antroposofie), de tweede in een nieuwe kunst (de hedendaagse). In beide gevallen worden kunst en wetenschap één, maar in het ene geval gebeurt dat op christelijke wijze (naar het voorbeeld van de twee Jezuskinderen), in het andere geval gebeurt het op omgekeerde, ahrimaanse wijze. Wat de hele zaak zo complex maakt, en waardoor beide manieren voortdurend met elkaar verward worden, is dat het in beide gevallen om een omkering gaat. In het christelijke geval wordt de wetenschapper een kunstenaar, in het ahrimaanse geval wordt de kunstenaar een wetenschapper. In abstracto lijkt dat hetzelfde te zijn, in concreto is het het verschil tussen goed en kwaad: de christelijke omkering leidt tot een Steigerung van zowel kunst als wetenschap, de ahrimaanse omkering leidt tot de vernietiging van beide. 

Op welke manier verbinden we kunst en wetenschap met elkaar? Dat is de keuze waarvoor we vandaag staan. Het is de keuze tussen Christus en Ahriman, tussen goed en kwaad, tussen een nieuwe lente en de dood. Op zich is die keuze niet moeilijk, het probleem ligt in het onderscheiden van de twee keuzemogelijkheden. Doordat we allemaal ‘wetenschappers’ zijn geworden en met ons hoofd denken, zien we geen verschil tussen beide. Dat verschil zien we alleen met ons hart. De wetenschapper onderscheidt zintuiglijk en verstandelijk, dat wil zeggen op materieel vlak. De kunstenaar onderscheidt ook op moreel-geestelijk vlak: hij kan de waarheid waarnemen. Maar hij onderscheidt niet met zijn hoofd, hij onderscheidt met zijn hart, en dat hart moet de wetenschapper leren kennen. Daarvoor moet hij dit ‘waarheidsorgaan’ echter bevrijden, want Ahriman heeft het in zijn wurgende greep, de greep van de angst. En om het hart te bevrijden is moed nodig, michaëlische moed. 

Corona (7)

  

De corona-crisis is een waarheidscrisis. Niet het coronavirus is het probleem, want ondanks alle onheilsberichten vallen er nog altijd niet noemenswaardig meer doden dan andere jaren. Het echte probleem is dat we overstelpt worden met informatie waarvan we niet weten of ze waar is. Experts voorspellen een katastrofe als er geen drastische maatregelen worden genomen, maar andere experts beweren dat die drastische maatregelen zelf de katastrofe zijn. Er wordt fake news verspreid dat vervolgens ontmaskerd wordt door factcheckers, maar die factcheckers worden er op hun beurt van beticht fake news te verspreiden. Het lijkt wel of er geen bericht de wereld kan in gestuurd worden zonder dat kort daarna ook het tegenovergestelde bericht de ronde doet. De moderne technologie confronteert ons dagelijks met tegenstrijdige berichten die ons van links naar rechts sleuren, van Himmelhoch jauchzend naar zum Tode betrübt, tot niemand nog weet wat hij moet geloven, tot niemand nog weet wat waar is en wat niet. 

Met name in de 21ste eeuw is die waarheidscrisis acuut geworden. Het begon met de dramatische beelden van 9/11 die de wereld rond gingen en onmiddellijk geduid werden door experts die ons wisten te vertellen dat het om een terroristische aanslag door Osama bin Laden ging. Ze legden ons haarfijn uit hoe de vliegtuigen de twin towers hadden doen instorten, maar het duurde niet lang voor er ook andere – niet minder gezaghebbende – stemmen klonken, die even haarfijn uitlegden dat zoiets onmogelijk was. De Amerikaanse regering wachtte de uitslag van deze discussie niet af en begon nog maar eens een oorlog. Nochtans was gebleken dat de vorige oorlog – Desert Storm – gebaseerd was op aanbevelingen van experts die zich compleet vergist hadden en dus fake news hadden verspreid. Inmiddels is het geweld in het Midden-Oosten zodanig geëscaleerd dat er geen enkele twijfel meer kan over bestaan: de remedie (de War on Terror) was duizend erger dan de kwaal (de terreuraanslag zelf). 

Dezelfde geschiedenis herhaalde zich toen de beelden van Al Gores An Inconvenient Truth de wereld rond gingen. Opnieuw spraken de experts elkaar tegen, opnieuw werd een oorlog verklaard. En na deze War on Climate is het vandaag dan de beurt aan de War on Corona. Voor de derde keer ontrolt zich hetzelfde scenario: dramatische beelden (overvolle ziekenhuizen, stervende patiënten en wanhopige artsen) gaan de wereld rond, experts slaan alarm en voorspellen miljoenen doden, tegenexperts ontkennen dat en beweren dat het om een gewone griep gaat. Het regent cijfers, statistieken, grafieken en tabellen tot niemand nog weet wat hij ervan moet denken. De overheid treedt eerst aarzelend op, daarna drastisch. Een deel van de bevolking houdt zich strikt aan de regels en blijft ‘in haar kot’, een ander deel neemt het niet zo nauw en gaat op een bank in de zon zitten. De gehoorzamen zijn verontwaardigd over de ongehoorzamen, de spanningen nemen toe. Overal heerst onzekerheid en tegenspraak.

De verdeeldheid van de bevolking valt terug te voeren op de verdeeldheid van de experts, die het niet eens kunnen worden met elkaar. Meer nog dan de klimaatkwestie en 9/11, is de corona-crisis een crisis van het weten, een crisis van de wetenschap. Vroeger kwamen we tot weten via openbaring, via de bovenzintuiglijke waarnemingen van experts. Maar sinds Christus de vijgeboom deed verdorren, is die kennisweg voor ons afgesloten. Christus – het wezen van de waarheid – heeft zich met de aarde verbonden en kan alleen nog op aardse wijze gevonden worden – dat wil zeggen door middel van wetenschap, door middel van zintuiglijke waarneming en logisch denken. Maar meer dan een weg naar de waarheid is de wetenschap niet, de waarheid zelf – wier rijk niet van deze wereld is – kan ze ons niet geven. Anders dan men pleegt te denken, biedt de wetenschap ons geen zekerheid, integendeel. De onzekerheid is haar kruis maar ook haar zegen, want op die manier schept ze ruimte voor vrijheid.

De wetenschap stelt in vraag, ze zaait twijfel en oogst inzicht. Maar dat inzicht is nooit absoluut, het is voortschrijdend inzicht. De wetenschap is in voortdurende ontwikkeling, ze leert van haar fouten en herstelt ze door ideeën te laten botsen. Houdt die choc des idées echter op dan komt de wetenschap tot stilstand en verstart. Dat is wat we vandaag meemaken: tegengestelde meningen botsen niet meer, ze gaan de confrontatie uit de weg, ze graven zich in. Als gevolg daarvan blijft de ruimte voor vrijheid leeg en wordt ze ingenomen door machthebbers. Als de tegenspraak van de wetenschap onvruchtbaar wordt en geen nieuwe inzichten meer oplevert, dan zaait ze alleen nog twijfel, onzekerheid en angst. Die vormen de gedroomde voedingsbodem voor de macht: de parasitaire overheid gedraagt zich als een virus dat de bevolking des te meer kan infecteren naarmate deze angstig en onzeker is. Als er niet meer naar waarheid wordt gezocht, verliest de bevolking haar vrijheid en valt ten prooi aan de macht. 

Wat aanvankelijk een virus-epidemie was, is door het falen van de wetenschap een angst-epidemie geworden die dreigt te ontaarden in een machts-epidemie. Met Pasen was het moment bereikt waarop de experts voorspeld hadden dat de piek zou komen. Maar inmiddels voorspellen ze al nieuwe pieken, vooral als de bevolking niet doet wat haar opgedragen wordt. De angst en de onzekerheid nemen toe, mensen worden agressief en maken zich kwaad op degenen die de regels niet volgen. De oorlog tegen het coronavirus dreigt niet alleen een oorlog tegen de bevolking te worden, maar ook een oorlog onder de bevolking. En dat allemaal omdat de wetenschap tot stilstand is gekomen, omdat ze verstard is tot een beeld van tweedracht en onenigheid, een beeld dat we vandaag op wereldschaal zien verschijnen. De corona-crisis houdt de moderne wetenschap een spiegel voor en zolang ze zichzelf niet herkent in die spiegel, zal het beeld niet veranderen en zullen de crisissen elkaar blijven opvolgen. 

Wat we vandaag in de ‘wereldspiegel’ waarnemen, is hoe nauw de moderne wetenschap gelieerd is aan de macht. Haar grondlegger, Francis Bacon, vond dat we de natuur haar geheimen moesten ontfutselen door haar op de pijnbank te leggen, en dat hebben we ook gedaan. Het sprekendste voorbeeld van die geweldpleging is de deeltjesversneller in Genève, waar de materie met zoveel kracht in botsing wordt gebracht met andere materie dat ze versplintert tot ‘elementaire deeltjes’. Tegelijk is deze deeltjesversneller een beeld van de cirkel die rond is: het wetenschappelijke geweld heeft zich tegen zichzelf gekeerd. Het is niet de natuur die zich vandaag vijandig toont tegenover de mens, het is de wetenschappelijk verstarde mens zelf die zijn eigen grootste vijand is geworden. Een ander sprekend (sic) voorbeeld van die vermenging van wetenschap en macht is Marc Van Ranst, een wetenschapper die niet langer in zijn labo werkt, maar dagelijks vanop televisie de bevolking vertelt wat ze moet doen. 

Het is niet het coronavirus dat mensen vandaag opsluit ‘in hun kot’ en hen onderwerpt aan soms absurde regels, het is de samenwerking tussen wetenschap en macht die dat doet, de macht van de overheid, de macht van de farmaceutische industrie, de macht van het grote kapitaal. Die troebele vermenging is het gezicht van deze crisis, het gezicht dat we in de spiegel zien verschijnen en niet durven herkennen. Wat we niet onder ogen durven zien is dat de wetenschappelijke twijfel die ooit zo vruchtbaar was, vandaag een vernietigende kracht is geworden die zich tegen onszelf heeft gekeerd. We hebben die kracht ontwikkeld door vragen te stellen, door wetenschappelijke twijfel te zaaien, door ruimte voor onzekerheid en vrijheid te scheppen. Maar die twijfel is nu een doel op zich geworden, een middel om angst te verspreiden en macht uit te oefenen. We zijn – in meer dan één betekenis – verslaafd geraakt aan de macht, en het is die machtsverslaving die de wereld in zijn greep houdt en langzaam wurgt.

We zijn vandaag getuige van een ongeziene machtsontplooiing: zowat de hele wereldbevolking wordt opgesloten en gevangen gezet. De machtsontplooiers beroepen zich daarvoor op het gezag van de wetenschap, een gezag dat wij blindelings volgen omdat de wetenschap dagelijks haar macht over de natuur demonstreert. Zonder die macht zouden we niet meer kunnen (of willen) leven. We zijn compleet afhankelijk geworden van die wetenschappelijke macht, we zijn eraan verslaafd geraakt. Ze heeft ons gereduceerd tot blinde en angstige gelovigen die zich in hun kot laten opsluiten als pluimvee. De wetenschap heeft het geloof overwonnen, maar nu is ze zelf een geloof geworden, een wetenschapskerk die machtiger is dan welke religieuze kerk ooit was. We zijn met andere woorden van de regen in de drop terechtgekomen. De wetenschap, die ons vrij zou maken, berooft ons vandaag van onze vrijheid op een schaal die we enkele maanden geleden nog niet voor mogelijk hielden. 

De wereldwijde corona-crisis confronteert ons met de vraag: wat is er verkeerd gegaan? Het antwoord luidt: de wetenschap is verslaafd geraakt aan de macht. Machtswellust ligt ten grondslag aan de moderne wetenschap en vandaag komt ze aan de oppervlakte: overal duiken wetenschappers op die de bevolking vertellen wat ze moet doen en laten. Ze tonen ons hoe we onze handen moeten wassen, hoe we moeten winkelen, hoe we moeten niezen, ze tonen ons nog net niet hoe we het toiletpapier moeten gebruiken dat we gehamsterd hebben. Het is sterker dan henzelf. De wetenschap keert zich als het ware binnenstebuiten en we zien haar verborgen kern van macht en geweld verschijnen. We zagen dat reeds tijdens de klimaatkwestie, toen de verzamelde wetenschap aandrong op drastische maatregelen. Tegelijk zagen we hoe de buitenkant – de zekerheid, de objectiviteit – onzichtbaar werd: de wetenschappelijke voorspellingen kwamen niet uit, ze bleken fake news.

Weten maakt plaats voor macht. De hedendaagse wetenschap laat haar masker vallen en we zien een angstaanjagend gezicht verschijnen dat zijn machtswellust niet langer verbergt. De corona-crisis is voor de wetenschap het moment van de waarheid, de waarheid over zichzelf. Ze kijkt in een spiegel en ziet daar een angstige, zieke, radeloze mensheid die hopeloos verdeeld is en zich niet teweer kan stellen tegen haar corrupte en incompetente ‘leiders’. Is de wetenschap niet even radeloos en verdeeld, is zij niet even weerloos tegen de macht? Ja, zit die machthebber niet diep in haarzelf verborgen en spreekt ze niet in zijn naam zonder het te beseffen? Wat is er gebeurd met haar idealen, wat is er gebeurd met de waarheid? Waar is de glimlach van de Verlichting gebleven? De corona-crisis zou voor iedere rechtgeaarde wetenschapper een gewetenscrisis moeten zijn, want hij ziet in de spiegel iemand die op het toppunt van zijn kunnen staat en toch tot niets anders in staat is dan de wereld angst aan te jagen. Dat kan nooit de bedoeling zijn.

Marc Van Ranst wordt gesponsord door farmaciereus Johnson&Johnson en hij is niet de enige. Door wie worden al die virologen en epidemiologen gesponsord die vandaag als politici optreden? Zou daar nog één onafhankelijke wetenschapper bij zijn? Zijn die wetenschappelijke leiders niet veeleer geleiders? Zijn zij niet de spreekbuis van de Mammon? Sturen zij niet aan op een (jaarlijks) verplichte vaccinatie van de hele wereldbevolking en draait de War on Corona in werkelijkheid niet om geld, waanzinnig veel geld? Draait de hele wetenschap vandaag niet om geld? Wie kan nog aan wetenschap doen zonder gesponsord te worden door de bedrijfswereld? En die bedrijfswereld sponsort heus niet uit idealisme, uit liefde voor de wetenschap. Die tijd is lang voorbij. In feite is de tijd van de wetenschap voorbij. Mensen beginnen nog wel uit liefde en idealisme wetenschap te studeren, maar als ze doorkrijgen dat de geldschieters waar willen voor hun geld – en geen waarheid – is het te laat: ze kunnen niet meer terug, ze zitten gevangen.

De wetenschap zit gevangen zoals de wereldbevolking vandaag gevangen zit. De angst die ze die bevolking aanjaagt, is haar eigen angst: de angst dat het afgelopen is met haar. Als de wetenschapper het woord moet spreken van degene wiens brood hij eet, dan houdt hij op een wetenschapper te zijn. Als de uitkomst van zijn onderzoek reeds vastligt en hij de fundamentele onzekerheid van de wetenschap niet kan handhaven, dan is hij geen onafhankelijke waarheidszoeker meer, maar een slaaf van de machtszoekers. Die waarheid kan de moderne wetenschapper niet onder ogen zien, want als hij ernaar handelt raakt hij alles kwijt: zijn inkomen, zijn reputatie, zijn sociale en geestelijke status. De inconvenient truth waar de waarheidszoeker voor terugdeinst is dat hij enkel nog aan wetenschap kan doen door haar te verraden, door haar te reduceren tot een middel om macht te verwerven. Aangezien wetenschappers ook maar mensen zijn, zitten ze gevangen in deze paradox, ze kunnen geen kant meer op. 

Wetenschappers sturen vandaag aan op een wereldrevolutie. Als we het klimaat willen redden, als we de natuur willen redden, als we ons leven willen redden, dan moet alles radicaal anders worden, zeggen ze. Maar ze spreken tegen een spiegel, ze hebben het over zichzelf. Het is in de wetenschap zelf dat de revolutie moet plaatsgrijpen. Het heeft geen enkele zin een drastische ommekeer te verwachten van de machthebbers want hun machtswellust wil alleen maar Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit. Ze zullen niet ophouden tot alles vernietigd is, de wetenschap, de vrijheid, de beschaving, zijzelf. Maar hoe kan de wetenschap die ommekeer bewerkstelligen als ze aan handen en voeten gebonden is? Hoe kan ze zichzelf helpen als ze aan het kruis gespijkerd is? De wetenschap beleeft vandaag haar Golgotha: ze kan alleen nog haar eigen sterven, haar eigen onmacht onder ogen zien. En uit die onmacht moet de vraag geboren worden: wie kan mij helpen? Waar kan ik de waarheid vinden die mij bevrijdt? 

Over de haat en de liefde

  

Wat al onze premiers en minister-presidenten de volgende dagen moeten doen, is hun rug rechten en spreken zoals de Noorse premier Stoltenberg deed na de aanslagen door Anders Breivik in 2012: ‘Wij zijn geschokt door wat gebeurd is, maar we zullen onze waarden niet opgeven. Ons antwoord is meer democratie, meer openheid en meer menselijkheid. Wij zullen haat beantwoorden met liefde.’ Het is één van de vele berichten die ik op Facebook las naar aanleiding van de aanslagen in Brussel, berichten die bijna allemaal dezelfde teneur hebben: laten we lief zijn voor elkaar. Het zijn heel mooie woorden, heel abstracte woorden ook. Want op hetzelfde moment dat we tot liefde oproepen, zaaien we ook haat. Onze liefde geldt immers niet iedereen. Ze geldt bijvoorbeeld niet Donald Trump, die de laatste weken het doelwit is van iedereen die ‘het goed voorheeft met de wereld’. Ze geldt ook niet Geert Wilders, die in Nederland terechtstaat omdat hij haat gezaaid heeft. Nee, onze liefde strekt zich niet uit tot de haatzaaiers. We trekken een scherpe grens tussen de haat en de liefde. En achter die grens verschuilen we ons. Dat is wat we dezer dagen massaal doen: schuilen achter de grens tussen haat en liefde. We zoeken uiteraard dekking aan de goeie kant van die grens, de kant waar de liefde woont, want met de verzengende, bloeddorstige haat aan de andere kant, willen wij niets te maken hebben. Nee, wij zijn tegen de haat, wij … haten de haat. 

Naar aanleiding van de aanslagen in Brussel verscheen op Facebook een bericht van de Communistische Jongeren (ja, die bestaan nog altijd!). Het riep op tot verdraagzaamheid en gesprek. ‘Dat ik dat nog mag meemaken’, reageerde ik, ‘links wil in gesprek gaan met rechts!’ Maar dat had ik natuurlijk helemaal verkeerd begrepen. Rechts waren degenen die opriepen tot onverdraagzaamheid, en daar was links juist tegen. Ik antwoordde: ‘Juist ja, de onverdraagzamen zijn de anderen, óns hart daarentegen is vervuld van louter liefde.’ Daarmee was het gesprek afgelopen, want de dag dat links in eigen boezem kijkt en daar de haat aantreft die het rechts aanwrijft, zal ik wel niet meer meemaken. Is rechts dan niet haatdragend, polariserend en gewelddadig? Zeker wel. Maar het punt is dat ze het – in hun wederzijdse afkeer – allebei zijn: links én rechts. Zolang ze dat niet inzien, zal de haat alleen maar toenemen, want we leven in een wereld die steeds meer één wordt en waarin de tegenpolen elkaar niet meer kunnen ontwijken. Ze worden gedwongen samen te leven en de haat die tussen hen leeft wordt als het ware samengeperst tot ze … explodeert. Waren de terroristen in Brussel vervuld van louter haat? Natuurlijk niet, ze waren ook vervuld van liefde: liefde voor de profeet, liefde voor de islam, liefde voor hun onderdrukte volk. 

We zijn allemaal vervuld van liefde én van haat. Van de liefde zijn we ons zeer bewust, van de haat heel wat minder. Het mooiste voorbeeld zijn de moslims. Ze zijn er heilig van overtuigd dat de islam de godsdienst van de vrede is, hoewel er geen dag voorbij gaat zonder dat moslims ergens ter wereld dood en vernieling zaaien. Hun ontkenning van het geweld waarmee de islam reeds 13 eeuwen gepaard gaat, is zo goed als totaal. Maar deze dissociatie kenmerkt niet alleen moslims. Amerikanen zeggen 100 keer per dag I love you, en gooien vervolgens 100 bommen per dag op mensen die ze niet kennen. Maar we hoeven het zover niet te zoeken. Dezer dagen bulken de sociale en andere media van louter liefde en solidariteit. Iedereen is vastbesloten om haat met liefde te vergelden. Tot een dakloze het feestje verstoort. Dan is het meteen afgelopen met de liefde en wordt hij in de boeien geslagen. Misschien riep hij wel: ‘Waar waren jullie liefde en solidariteit toen ik deze winter honger had en kou leed?’ Ook op Facebook moet men het niet wagen het ‘feest der liefde’ te verstoren met een kritisch woord. Terstond verschijnt dan het grimmige gelaat van de haat, de verborgen keerzijde van al die abstracte liefde. Dat is dus wat we doen als we geconfronteerd worden met haat en geweld: we kruipen allemaal bijeen in een luchtbel van liefde, en wee degene die ze durft te doorprikken!

Onze liefde en solidariteit zijn puur luciferisch van aard. Het zijn gewoon vormen van eigenliefde. Wat we vandaag in de media meemaken is een festival van zelfgenoegzaamheid: we pronken met onze liefde, onze menselijkheid, ons medeleven. We laten elkaar zien hoe geweldig we wel zijn, hoe moedig, hoe begripsvol. De voorwaarde is natuurlijk dat iedereen meedoet, anders wordt de illusie verbroken, anders worden we weer geconfronteerd met de realiteit. En dat willen we niet. We sluiten er onze ogen voor in de hoop dat ze dan zal verdwijnen. We omhelzen moslims en moslima’s om hen te tonen hoe solidair we wel zijn, en we vergeten dat dát juist de manier is waarop die bloederige aanslagen mogelijk zijn geworden. Want er wordt op gewetenloze wijze misbruik gemaakt van onze medemenselijkheid. We vergeten dat we de terroristen aan onze borst hebben gekoesterd, niet omdat we hen liefhadden, maar omdat we onszelf liefhadden, omdat we verblind waren door eigenliefde en niet zagen welk koekoeksjong we grootbrachten. Luciferische liefde is blinde liefde, het is liefde die geen oog heeft voor de buitenwereld, die helemaal opgesloten zit in de eigen wereld. O, wat voelen we ons vandaag weer eendrachtig en Belgisch! Bruxelles, je ’t aime! Maar de wereld ziet een heel ander België, ze ziet een Brussel dat de Europese broedplaats is voor terroristen. 

Maar daar trekken we ons niks van aan. We zitten veilig in onze cocon van liefde, en ons leed gebruiken we om de wereld te dwingen de ogen te sluiten voor onze wereldvreemdheid. Ons leed? We zijn maar al te opgelucht dat de bommen óns niet hebben getroffen. De slachtoffers? Daar denken we over enkele weken al niet meer aan. Waar zal onze liefde en solidariteit zijn als zij moeizaam herstellen van hun wonden? Zullen wij hen met warmte en menselijkheid omringen als zij verminkt door het leven moeten gaan, als zij niet meer kunnen gaan werken, als de angst hen verlamt? Waar zullen wij dan zijn? Zullen wij massaal op ‘leuk’ klikken als ze hun profielfoto op Facebook hebben bijgewerkt? De waarheid is dat heel onze liefdevolle wereld, de wereld van de mensenrechten, van de solidariteit, van de verdraagzaamheid en de gelijkheid, één grote luciferische poging is om de harde werkelijkheid niet onder ogen te moeten zien, de werkelijkheid waar Ahriman heerst en ons langzaam wurgt. Ik weet niet wat het ergste is: de aanslagen of onze reactie erop. Ze horen dan ook samen: het niets ontziende geweld van Ahriman en de niets ziende eigenliefde van Lucifer. Het zijn zijden van een zelfde medaille, en die medaille zijn wijzelf. Er zit in ieder van ons een keiharde Ahriman en een melige Lucifer. De ene is vervuld van haat, de ander is vervuld van eigenliefde. En of het kop of munt wordt, hangt van het toeval af. 

We zijn hulpeloos overgeleverd aan het lot omdat we ons niet bewust zijn van de grens die we voortdurend overschrijden, de grens tussen haat en liefde. We putten ons op Facebook en Twitter uit in de meest liefdevolle en solidaire bewoordingen, maar van zodra iemand onze luciferische illusie komt verstoren, draaien we als een blad aan een boom en beginnen te schelden. In een oogwenk maakt de liefde plaats voor de haat en … we beseffen het niet. Van zodra we in de ahrimanische haat schieten, zijn we vergeten dat we daarnet nog één en al liefde waren. En wanneer we daarna weer een selfie posten en ons koesteren in de bewondering van onze internetvrienden, zijn we vergeten dat ons hart daarnet nog vervuld was van haat. De grens tussen liefde en haat is onze Lethe, onze stroom van vergetelheid. Van zodra we ze oversteken, vergeten we vanwaar we gekomen zijn. Gaan we naar het land van de haat, dan verdwijnt de liefde alsof ze er nooit geweest was. Gaan we naar het land van de liefde, dan lost de haat op zonder een spoor achter te laten. En we staan nooit stil, we overschrijden voortdurend de grens tussen die twee werelden. En iedere keer weer opnieuw wordt onze herinnering uitgewist. De Bart Eeckhouts dezer wereld fulmineren onophoudelijk tegen de bange blanke man – tot er een aanslag wordt gepleegd. Dan is hij opeens hun grote vriend en drukken ze hem aan het wankelmoedige hart. 

Al die mensen die zich vandaag zo liefdevol en solidair tonen, zijn vergeten hoe ze zich gisteren gedroegen. En als ze morgen opnieuw kil en haatdragend worden, zullen ze vergeten zijn hoe warm hun hart vandaag klopte. Het is niet fraai, die luciferische eigenliefde waarin iedereen zich vandaag wentelt. En nog minder fraai is de ahrimanische haat die daarachter schuilgaat en morgen weer de kop zal opsteken als ‘de rook om ons hoofd is verdwenen’. Maar ze horen bij ons. Kunnen we ons een wereld voorstellen zonder de dromen en idealen van Lucifer? En wat zouden we zijn zonder Ahriman die ons hoofd uit de wolken trekt en ons met beide voeten op de grond zet? We hebben ze allebei nodig, de liefde én de haat. Maar wat we nog meer nodig hebben, is een bewustzijn dat geen kopje onder gaat als het de Lethe opvaart en de grens tussen beide oversteekt. Wat we vandaag nodig hebben is een grensbewustzijn dat leert zwemmen in die ‘etherische’ stroom, en dat is buitengewoon moeilijk. Want wie zich ‘in het midden’ waagt, krijgt zowel Lucifer als Ahriman tegen zich. Hij kan zich niet meer in de wollige armen van Lucifer werpen als de ahrimanische realiteit hem te hard wordt. En hij kan zich evenmin in de vrieslucht van Ahriman begeven om te ontsnappen aan de verstikkende luciferische meligheid. Hij kan niet meer vluchten, hij kan alleen nog lijden. 

Lucifer en Ahriman zijn leugenaars, ze tonen ons maar de helft van de werkelijkheid. Hun leugens zijn zo verleidelijk omdat het halve waarheden zijn. Hebben we ongelijk door uiting te geven aan onze solidariteit, door kaarsjes te branden en lief te zijn voor elkaar? Natuurlijk niet. Maar als we tegelijk uiting geven aan onze afkeer voor de onverdraagzamen en de haatzaaiers, dan is onze liefde een leugen en wordt ze tot schijnheiligheid. Hebben we ongelijk door uiting te geven aan onze afkeer voor de islam en de moslims woedend te wijzen op hun plichten? Natuurlijk niet. Tenslotte maken ze zich overal ter wereld schuldig aan de vreselijkste misdaden. Maar als we tegelijk de ogen sluiten voor onze eigen medeplichtigheid dan maken we van onze realiteitszin een leugen die de wereld verdeelt. Waarheden worden tot leugens doordat we ze in twee delen. En liefde zonder waarheid is niet mogelijk. Het zijn de leugens die liefde in haat doen verkeren. Wij haten niet omdat we slecht zijn, we haten uit liefde. De moslimterroristen handelen uit liefde, liefde die misleid is door leugens. De moslimhaters handelen eveneens uit liefde, liefde voor de vrede en het goede leven dat verdween toen de moslims kwamen. En ook degenen die hun woede koelen op de moslimhaters handelen uit liefde. Maar in al deze gevallen is de liefde verblind door leugens en halve waarheden.

De liefde heeft de waarheid nodig, nu meer dan ooit. Het ergste wat dan ook kan gebeuren, is dat we de vrije meningsuiting aan banden leggen, de vrije meningsuiting van moslimjongeren die de aanslagen toejuichen, de vrije meningsuiting van mensen die de islam als de bron van alle kwaad beschouwen, de vrije meningsuiting van iedereen, zonder uitzondering. Want zonder die vrijheid kan de waarheid nooit gevonden worden, en zonder waarheid kan de liefde niet bestaan. Tegengestelde meningen zijn kwetsend, daar kan geen twijfel over bestaan. Zij doen ons lijden, ze vervullen ons met wanhoop, onmacht en onbegrip. Maar daarin ligt juist onze opgave: in het lijden. We kunnen er niet meer naast kijken: de mensheid lijdt. Ze lijdt massaal. We hoeven maar te kijken naar beelden van vluchtelingen die in de modder leven. Maar we verminderen hun lijden niet door te zwaaien met borden ‘Welcome Refugees‘. We maken het alleen maar groter als blijkt dat onze liefde een leugen is. En ze is een leugen omdat we niet willen lijden. We willen ons alleen maar goed voelen. Daarom zijn we vandaag zo ‘solidair’, daarom branden we kaarsen en delen we witte rozen uit, daarom verketteren we de onverdraagzamen en de haatzaaiers. Omdat we ons dan goed voelen. Omdat we niet geconfronteerd willen worden met de haat, zelfs niet in de vorm van een andere mening. Want we willen niet lijden. 

Omdat we niet willen lijden, zelfs niet in gesprekken met andersdenkenden, worden we verplicht te lijden. Door bomaanslagen, door moslims die ostentatief hun afkeer tonen voor onze manier van leven en er op brutale wijze een eind aan willen maken. Zij brengen ons het lijden dat we niet willen. Zij doorprikken de luciferische luchtbel waarin we onszelf opgesloten hebben om ons goed te voelen. Zij houden ons een spiegel voor waarin we de haat zien waar we niets mee te maken willen hebben, de haat die we voortdurend buiten onszelf projecteren en die van ons wandelende leugens maakt. Als we werkelijk willen liefhebben – en is dat niet wat we vandaag aan de hele wereld verkondigen? – dan kunnen we niet blind blijven voor de haat. Want ze is overal. Ze is zelfs op Facebook, het digitale Land van de Liefde. Eén prikje en de haat komt als etter tevoorschijn. Onze liefde is ziek want ze wordt verteerd door haat. Die haat moet eruit, en dat kan op twee manieren. Ofwel gaan we door zoals we bezig zijn en dan is het gewoon wachten tot het gezwel barst en de haat ons overspoelt. Ofwel prikken we in dat gezwel en laten er zoveel haat uit als we kunnen verdragen. Die haat zal ons doen lijden, maar ze zal onze eigenliefde ook zuiveren. Stap voor stap zal onze blinde liefde ziend worden, en dat zal haar niet zwakker maken, want de waarheid en de liefde zijn één. Het is de waarheid die de liefde heelt.  

Het goede doel heiligt de middelen

  

Frans Timmermans, vice-voorzitter van de Europese Commissie, verklaarde onlangs voor televisie dat 60 procent van de vluchtelingen helemaal geen vluchtelingen zijn, maar gewoon migranten op zoek naar een beter leven. Daarmee vertelde hij niks nieuws. De tentenkampen in Calais en Duinkerken bijvoorbeeld worden niet bevolkt door mensen die op de vlucht zijn voor oorlogsgevaar. Ze zijn immers in Frankrijk, ze zijn dus veilig. Maar om de een of andere reden willen ze per se naar Engeland en daar hebben ze veel voor over. Een ander voorbeeld is Aylan, het verdronken jongetje dat uitgegroeid is tot een vluchtelingen-icoon. Ook dat jongetje was geen vluchteling. Het leefde veilig en wel met zijn familie in Turkije. Maar de vader dacht dat hij in Duitsland of Zweden gemakkelijker aan een nieuw gebit kon komen en daarvoor offerde hij zijn gezin op. Zijn dit uitzonderingen of vormen zij de regel? Het feit dat 80 procent van de vluchtelingen bestaat uit jonge mannen lijkt op het laatste te wijzen.

Frans Timmermans heeft dus niks gezegd wat we niet al weten. Het – zeer belangrijke – asielprincipe wordt al jarenlang op grote schaal misbruikt. Degenen die het echt nodig hebben, komen erdoor in de kou te staan. Maar Frans Timmermans wordt teruggefloten. Vanessa Saenen van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties beweert dat Timmermans’ verhaal niet ondersteund wordt door de cijfers. Dat zegt natuurlijk niks. Met cijfers kun je alles bewijzen. Wat Vanessa Saenen daarna zegt, doet trouwens sterke twijfels rijzen aan de betrouwbaarheid van ‘de cijfers’. Ze is namelijk van mening dat de uitspraken van Timmermans meer kwaad dan goed doen. In oktober, zegt ze, was er nog veel solidariteit, maar sindsdien is het debat vergiftigd. Een gelijkaardige reactie krijgen we te horen uit de mond van europarlementslid Judith Sargentini. Het is mij een raadsel, zegt ze, hoe Timmermans op deze manier denkt om de vluchtelingencrisis aan te pakken en vooral het draagvlak te vergroten.

De uitspraak van Frans Timmermans wordt dus niet veroordeeld omdat ze niet waar zou zijn (al wordt dat wel beweerd) ze wordt in de eerste plaats veroordeeld omdat ze een verkeerd effect heeft. Ze ondergraaft namelijk de solidariteit met de vluchtelingen. Ze doorkruist de plannen van de grote organisaties en die plannen zijn blijkbaar belangrijker dan de waarheid. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van de vluchtelingenorganisaties en eenieder die vluchtelingen en asielzoekers wil opvangen. Maar die bedoelingen heiligen de middelen. En de waarheid wordt duidelijk NIET als een goed middel gezien. Dat blijkt bijvoorbeeld ook weer uit de bezwaren waarop de nieuwe Deense wet over het confisceren van de bezittingen van asielzoekers/vluchtelingen stuit. Dit is een totaal fout signaal, aldus Kris Pollet, beleidsmedewerker van de koepel van Europese vluchtelingenorganisaties, het ondergraaft het draagvlak dat er is voor de opvang van vluchtelingen in Europa.  

Dat het doel de middelen heiligt, is een constante in het hele vluchtelingen- en immigratiedebat. Alles wat de integratie van vluchtelingen of migranten kan bemoeilijken, wordt als ‘totaal fout’ bestempeld en op alle mogelijke manieren vermeden. Dat komt er doorgaans op neer dat de waarheid verzwegen, verdraaid of ontkend wordt. De aanrandingen in Keulen waren daar een treffend voorbeeld van. Eerst was er helemaal niets gebeurd op oudejaarsavond. Daarna was er sprake van tientallen aanrandingen. Dat werden er vervolgens honderden. Waarna bleek dat dergelijke feiten zich ook in andere Duitse steden hadden voorgedaan. En in andere landen. De zaak werd met andere woorden steeds groter en de vraag is hoeveel er eigenlijk boven water is gekomen. Gelet op de felle – en voorspelbare – reacties op de traag doorsijpelende nieuwsberichten, mag geconcludeerd worden dat het deksel nog lang niet van de put is. Er is een ontploffing geweest, maar er wordt alweer met man en macht afgedekt.

Het grote slachtoffer van het hele migratie-drama lijkt dus … de waarheid te zijn. Zij wordt ondergeschikt gemaakt aan het doel: de integratie van de vreemdelingen, de solidariteit van de Europese bevolking. Dat ‘goede doel’ is boven alle twijfel verheven, het heiligt zowat alle middelen, vooral dan het desavoueren van de waarheid. De immigratie gaat gepaard met de afbouw van de vrijheid van meningsuiting. Bepaalde waarheden – bijvoorbeeld dat het in hoofdzaak om de immigratie van moslims gaat – mogen niet meer uitgesproken worden. Dat doet de vraag rijzen of het middel niet het doel zou kunnen zijn, en het doel het middel. Want wat kan zo belangrijk zijn dat de waarheid gereduceerd moet worden tot een middel? Waarom geldt de integratie van miljoenen moslims in Europa als een doel dat belangrijker is dan om het even wat, belangrijker zelfs dan de vrijheid van meningsuiting? Tenslotte is die vrijheid de hoeksteen van de hele Europese samenleving.

Het echte doel zou dus best eens de vernietiging van de waarheid kunnen zijn en daarmee ook de vernietiging van de vrije samenleving. Er kan geen twijfel meer over bestaan dat die enorme vluchtelingenstroom georganiseerd wordt. Ze wordt waarschijnlijk georganiseerd vanuit het Westen, vanuit Amerika, dat ook het hele Midden-Oosten heeft doen ‘ontploffen’ en de islam wakker heeft gemaakt, met de massale moslim-emigratie tot gevolg. Dat gebeurt natuurlijk in nauwe samenwerking met ‘onze’ leiders, vooral dan met het soort dat de Europese instellingen bevolkt. Zij houden de islam op alle mogelijke manieren de hand boven het hoofd, zijn proberen ook op alle mogelijke manieren de christelijke wortels van Europa uit te rukken. Het knagen aan die wortels is al heel lang bezig, al sinds de introductie van het linkse, communistische denken, dat de waarheid zowat heeft afgeschaft en dat volgens Rudolf Steiner een ‘experiment’ was dat uitging van Westerse occulte loges.

Achter dit alles doemen de omtrekken op van een kolossale geest die als een geniale schaker zijn zetten al lang op voorhand plant. Deze kwaadaardige geest heeft het gemunt op het christelijke Europa, niet alleen in materiële zin (het inplanten van duizenden moskeeën, het vernielen en ontwijden van duizenden kerken) maar ook, en vooral, in geestelijke zin: het uitroeien van de waarheidszin. Liegen, zoals over de gevolgen van de immigratie, moet een tweede natuur worden: liegen voor een hoger doel. Het is in dit verband interessant om eens te lezen wat Rudolf Steiner zegt over Ahriman. Deze geest, zegt hij, laat het volkomen onverschillig of een voorstelling overeenkomt met de werkelijkheid of niet. Alles draait bij hem om het effect dat hij wil bereiken. Hij verkondigt zijn ‘waarheden’ dus niet omdat ze waar zijn, maar omdat ze een bepaalde werking hebben op de mens. Hij verstaat de kunst – en het is werkelijk een kunst – om waarheden rond te strooien die alleen maar op het effect berekend zijn. 

Dergelijke dingen, vervolgt Steiner, doen zich voor in occulte groeperingen. Natuurlijk zijn er ook mensen die zo dom en dwaas zijn dat ze deze ahrimanische impulsen onbewust opnemen. Maar deze ahrimanische kunsten worden heel zeker bedreven en wat eruit voortkomt is voor onze tijd van zeer grote betekenis. Veel van wat er sinds lang met de mensheid gebeurt, gebeurt op deze manier en kan anders niet begrepen worden. Aldus Rudolf Steiner. Het mag duidelijk zijn dat dit soort ‘ahrimanische kunsten’ volop beoefend worden door de ‘hogere’ kringen, door de politici, de intellectuelen, de media, de kunstenaars ook. Het gaat hen helemaal niet (meer) om waarheden-die-overeenkomen-met-de-werkelijkheid, maar om waarheden-die-effect-ressorteren. Wat ons over de vluchtelingen en asielzoekers wordt verteld, heeft dus (vaak) niet de bedoeling om de waarheid te vertellen, maar om een bepaalde werking te hebben: het moet de islamisering of ontchristelijking van Europa bevorden. Dat is Ahrimans ‘goede doel’.  

Philostratus

  

Wie schilderkunst minacht, is onrechtvaardig tegenover de waarheid. (Philostratus, Imagines, boek I)

God in Vlaanderen: de affaire Schoenaerts (1)

‘Over de doden niets dan slechts’.
Zo luidde de titel van een krantenartikel over de affaire ‘Schoenaerts’.
Voor wie niet weet waarover het gaat: ex-journalist Stan Lauryssens heeft een boek geschreven over acteur Julien Schoenaerts, en diens zoon Matthias heeft daar een proces tegen aangespannen.
Een klassieke affaire dus.
Er worden voortdurend boeken geschreven waarin dingen staan die volgens anderen niet mochten geschreven worden en waartegen dan klacht wordt ingediend.
Toch is ‘Schoenaerts’ een geval apart, want het is niemand minder dan God zelf waarover hier een boekje wordt opengedaan.
Dàt is namelijk wat Julien Schoenaerts was: God in Vlaanderen.
Ik heb dat nog met eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik de grote Julien Schoenaerts zien optreden.
Twee keer was het een beschamende vertoning.
Twee keer kreeg hij een staande ovatie.
Want Schoenaerts mocht doen wat hij wilde, men bleef hem aanbidden.
Hij was God in Vlaanderen.

Nu iemand dat Godsbeeld doorprikt, wordt hem meteen een proces aangedaan door iemand die zelf goed op weg is om God in Vlaanderen te worden.
Goddelijkheid is blijkbaar erfelijk in Vlaanderen.
Het wordt doorgegeven van generatie op generatie.
Ook dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik Matthias Schoenaerts aan het werk gezien.
Eén keer in Loft en één keer in Rundskop.
Twee over het paard getilde films.
Of hoe de geschiedenis zich herhaalt…

Vlaanderen heeft zijn zoon uitgezonden en in Hollywood wordt hij ingehaald als een jonge god.
Maar God zou God niet zijn als hij niet op weerstand stuitte.
Toen Hollywood naar Vlaanderen kwam in de persoon van Bret Easton Ellis, de juryvoorzitter van het Gentse filmfestival, verklaarde de Amerikaan dat Loft de stomste film was die hij ooit had gezien.
Regisseur Eric Van Looy reageerde daarop door te zeggen dat hij geen films maakt voor de elite maar voor het grote publiek. Niet echt een overtuigende repliek want Loft speelt zich af in een soort Louis-Vuittonwereld: een wereld van design, luxe en geld, veel geld. In die wereld speelt Matthias Schoenaerts niet alleen een rol, hij maakt er zelfs reclame voor.

Toen Stan Lauryssens zijn boek over Julien Schoenaerts publiceerde en God de Vader van zijn sokkel deed tuimelen, reageerde diens zoon daarop door in De Morgen een lange brief te publiceren waarin hij zijn vader de liefde verklaarde.
Overtuigend was die repliek alweer niet, want Matthias Schoenaerts schreef onder meer:

‘Het kwetst me niet dat mijn vader straks figureert in een tentoonstelling over theater en waanzin. Ik vind eerder onze onverschilligheid waanzinnig, en onze houding om mensen die anders in het leven staan maar opzij te zetten. Dat geldt niet alleen voor waanzin, maar ook voor ziekte en dementie.
Dementie is eigenlijk wondermooi, maar onze perceptie ervan is beperkt. We kijken vooral naar wat er niet meer is. Het is niet omdat het gevoel en het denken niet meer de vorm van woorden krijgt, dat het ophoudt. Ze uiten zich onder een andere vorm. Een zachtere vorm. Als je voor hen de woorden vindt, krijg je een glimlach terug of een flonkering in de ogen.’

Dementie wondermooi?

Dit mogen dan woorden van liefde zijn, het is wel blinde liefde, liefde die de ogen sluit voor de harde waarheid, de waarheid zoals Stan Lauryssens ze – met overigens verdacht veel zin voor dramatiek – vertelt in zijn boek over de teloorgang van Julien Schoenaerts.
Diezelfde blinde liefde zag ik ooit nòg eens aan het werk tijdens een televisie-portret van Julien Schoenaerts. Het was een ontroerende documentaire over de liefde van een zoon voor zijn vader, een vader die duidelijk niet meer van de wereld was en wartaal uitsloeg waarin het woordje ‘liefde’ te pas en te onpas voorkwam. Zoals bijvoorbeeld toen hij sprak over zijn dochter Helga die voor zijn ogen zelfmoord had gepleegd door uit het raam te springen. O wat was dat mooi, zei de oude Schoenaerts met een stralend gezicht, als een engel zweefde zij met uitgestrekte armen door de lucht!
Dat ze vervolgens te pletter sloeg op het dak van een geparkeerde auto, daar zweeg hij over.
De hemel, dát was zijn ding.
Wat er beneden op aarde gebeurde, daar sloot hij de ogen voor, daar wilde hij zich niet mee bezighouden.

Maar zijn ziekte dwong hem daartoe.

De meest ontluisterende passage in het boek van Stan Lauryssens beschrijft hoe Julien Schoenaerts met zijn oudste dochtertje thuiskomt in het lege appartement waar hij woont sinds zijn vrouw hem verlaten heeft. De kamers staan vol met flessen die hij eerst leeggedronken heeft en vervolgens gevuld met zijn eigen urine. Er staan ook overal conserven en bokalen die hij eerst leeggegeten heeft en daarna gevuld met zijn uitwerpselen.
In aanwezigheid van het 13-jarige meisje – hetzelfde meisje dat tien jaar later uit het raam zal springen – giet hij al die flessen leeg op de vloer, waarna hij de muren vol smeert met zijn geconserveerde uitwerpselen.
God kan diep vallen als hij uit zijn hemel geduwd wordt.
Lauryssens beschrijft deze scène zo plastisch dat de vraag rijst: was hij er dan misschien bij?
Dat geldt trouwens voor het hele boek. Na een tijdje ga je je als lezer afvragen: hoe wist die man dat allemaal zo goed?
Lauryssens speelt in zijn boek een beetje de rol van een … alziende en alwetende God.
Of hoe goddelijkheid in Vlaanderen niet alleen erfelijk maar ook besmettelijk is.

Toch roepen deze en andere passages uit het boek vage herinneringen in me op, alsof het niet de eerste keer is dat ik ze hoor, alsof ik ze al eens ergens gelezen heb.
Lauryssens beweert dan ook dat alles wat hij schrijft, gebaseerd is op krantenberichten, verslagen, getuigenissen, enzovoort.
Ik ga er dus vanuit dat hij de zaken wel wat aangedikt heeft, maar niet echt verzonnen.
Tenzij de vergoddelijking ook bij hem de overhand heeft gekregen natuurlijk.

Wat er ook van zij, in het licht van deze scène – één uit vele – krijgen de woorden van Matthias Schoenaerts over de ‘wondermooie’ ziekte van zijn vader wel een heel wrange bijsmaak.
Volgens Bruno Schoenaerts, de andere zoon van Julien, heeft deze ziekte zijn twee zussen het leven gekost heeft. Allebei de dochters van Julien Schoenaerts zijn zeer jong en op een ellendige manier aan hun einde gekomen.
‘Wondermooi’, zo noemde hun vader dat.
‘Wondermooi’, zo praat zijn zoon dat na.
Want … over de doden niets dan goeds.
Hoeveel ellende ze ook hebben aangericht.

Stan Lauryssens had dus overschot van gelijk door deze ‘verborgen zijde’ van Julien Schoenaerts aan het licht te brengen.
Dit boek moést eenvoudig geschreven worden.
De waarheid over God in Vlaanderen is al te lang bedekt gebleven.
En ze wordt nog altijd bedekt, door de nieuwe goden en hun aanbidders.
Er lijkt maar geen eind te komen aan de godsdienst in Vlaanderen.
Ze is weliswaar verdwenen uit de kerken, maar ze wordt voortgezet in de kunsttempels, alsof er niets gebeurd is.
Niet voor niets spreekt men over een kunstkerk.
En heeft de pas overleden kunstpaus niet al een plein gekregen?
Het is enkel nog wachten op een standbeeld.
Schoenaerts heeft het zijne al gekregen.
Subito sancto!
Vlaanderen kan niet zonder goden.
Ze mogen doen wat ze willen, als ze hun rol van God maar vervullen.
Jan Fabre werd onlangs nog vergeleken met Rubens en Rembrandt.
Hugo Claus vond dat hij de Nobelprijs moest krijgen.
Carl De Keyzer beschouwt de kunst uit het verleden als ‘behang’.
Jan De Cock ziet zichzelf als het genie dat zijn volk leerde kijken.
Enzovoort, enzovoort.
Allemaal goden in Vlaanderen.
Allemaal ‘zot van glorie’.
Allemaal in ’t binnenst van hun ziel ten troon zittend.
Allemaal aanbeden door de ‘betere’ Vlamingen.
Allemaal kleine Lucifertjes die elkaar aansteken.

Heeft Matthias Schoenaerts dan ongelijk door Stan Lauryssens een proces aan te doen?
Verstandig is het alleszins niet, want nu wordt de aandacht pas echt op het boek – en op de duistere kanten van vader Schoenaerts – gevestigd.
Het is ook een beetje lachwekkend om te eisen dat er een sticker op het boek wordt geplakt waarop staat dat het niet om een biografie gaat maar om een gefantaseerd sensatieverhaal.
Lauryssens beweert nergens dat zijn boek een biografie is.
En dat het gefantaseerd zou zijn, lijkt weinig waarschijnlijk.
Zeker, als ex-journalist heeft hij de zaak zo sensationeel mogelijk voorgesteld.
Maar als ex-journalist zal hij toch ook wel weten hoever hij daarin kan gaan.
Het beste bewijs is dat Bruno Schoenaerts, de halfbroer van Matthias, geen bezwaren heeft tegen het boek. En de man is nochtans advocaat.

Het levert alvast een merkwaardig beeld op.
God heeft in Vlaanderen niet één maar twee zonen.
De ene, de acteur, spreekt in blinde liefde over zijn vader.
De andere, de advocaat, pleit voor de nuchtere waarheid.
En ze hebben allebei gelijk.

Het probleem met het boek van Stan Lauryssens is niet dat het de waarheid niet vertelt, en evenmin dat het die waarheid – hoe hard ook – niet zou mogen vertellen.
Het probleem met dit boek is dat het de waarheid niet op de juiste manier vertelt.
Het is geen goed boek omdat het de waarheid zonder liefde vertelt.
Stan Lauryssens vertelt in ‘Schoenaerts’ niet alleen slechte dingen over de dode, evenmin als Matthias Schoenaerts in zijn ‘apologie’ alleen maar goede dingen over zijn vader zegt.
Ze vertellen allebei goede én slechte dingen.
Maar dat is niet genoeg.
Goed en slecht gewoon naast elkaar plaatsen, is niet ‘de goede manier’ om over een dode te spreken.
Het is zelfs niet genoeg om goed en kwaad in evenwicht te houden.
Dat is niet de gulden middenweg.
De gulden middenweg is om met zoveel mogelijk liefde zoveel mogelijk waarheid te zeggen.
En het doel van die weg is om met louter liefde de volledige waarheid te vertellen.
De ‘beste manier’ is wanneer liefde en waarheid samenvallen.
Alleen op die manier kan men doordringen tot het wezen van de dode, tot de reden van zijn bestaan.
Dat kan men echter niet als men het bestaan van dat wezen ontkent, als men niet gelooft in het hoger Zelf, de God-in-de-mens. Want het is dit hemelse wezen dat uit louter liefde mens is geworden en zich op aarde verbonden heeft met het kwaad.
Dat zijn de twee polen waartussen het menselijke bestaan zich afspeelt: hemelse liefde en aards kwaad. Zonder die ‘spirituele’ waarheid kan er onmogelijk met liefde gesproken worden over alles wat zich hier op aarde afspeelt.

Het is dus uiteindelijk het materialisme dat het onmogelijk maakt om op de juiste manier over de doden te spreken. Of over de levenden. Want het maakt natuurlijk geen echt verschil of iemand dood of levend is.
En daar ligt ook de oorzaak van de vergoddelijking van Julien Schoenaerts en van de onvermijdelijke reactie daarop: de verguizing.
Ook de ‘broedertwist’ is daar een gevolg van.
Pas als liefde en waarheid echt samenvallen in het spreken over hun vader, zullen Bruno en Matthias het echt eens worden met elkaar.

Tot het zover is, hebben ze allebei gelijk én ongelijk.
Bruno Schoenaerts heeft gelijk als hij geen bezwaren heeft tegen het feit dat ook de kwalijke kanten van zijn vader aan het licht komen.
Maar ook Matthias Schoenaerts heeft gelijk als hij zich verzet tegen het boek van Lauryssens. Het aanspannen van een proces is zeker niet de beste manier om dat te doen, maar zolang de menselijke samenleving in de greep zit van het materialisme zijn er gewoon geen betere manieren.
Ik ben ervan overtuigd dat ook Matthias wil dat de waarheid over zijn vader bekend wordt, maar hij kan de waarheid zoals die verteld wordt niet verzoenen met de liefde die hij voelt. En dus accepteert hij ze niet.
Terecht overigens.
Wat Stan Lauryssens over Julien Schoenaerts schrijft, is niet de echte waarheid, want die is veel groter dan wat hij in zijn boek onthult. Maar net als Matthias is hij de gevangene van het materialisme en is hij niet in staat de echte waarheid naar boven te halen, de waarheid die doordringt tot het wezen van een mens.

En dat wezen is … de kunstenaar in de mens, zijn hoger Zelf, zijn vrije, scheppende geest.

Daar gaat het proces tegen ‘Schoenaerts’ (zo heet het boek van Lauryssens) in de grond over.
Het behandelt een aanklacht tegen de materialistische geest die de moderne mens belet om oog te krijgen voor zijn eigen diepste wezen, dat tegelijk het wezen van de kunst is.
Gelet op de reputatie van het Belgische gerecht, is er weinig kans dat de werkelijke inzet van het proces naar boven zal komen, al moet gezegd dat er in een gelijkaardige zaak 14 jaar geleden een wijs vonnis werd geveld.
Modeontwerpster Ann Demeulemeester had toen klacht ingediend tegen Herman Brusselmans die in een van zijn boeken bijzonder gore dingen over haar verteld had. De rechter oordeelde toen dat het gewraakte boek niet uit de handel moest worden genomen, maar hij legde Brusselmans wel een fikse boete op wegens laster een eerroof.
Hij maakte met andere woorden duidelijk onderscheid tussen kunst en werkelijkheid.
Op haar terrein gunde hij de kunst volledige vrijheid, maar van zodra ze dat terrein verliet, was ze onderworpen aan de wetten die in de werkelijkheid heersen.
Brusselmans heeft dat goed begrepen want hij heeft de grens tussen kunst en werkelijkheid niet meer overschreden.
Waarschijnlijk is dat ook de beste oplossing in het geval ‘Schoenaerts’.
Stan Lauryssens mag in zijn boek schrijven wat hij wil zolang het fictie blijft (en ook een biografie is fictie, zolang ze meer is dan een opsomming van droge feiten). Maar wanneer de biograaf de grens tussen fictie en werkelijkheid overschrijdt, riskeert hij een veroordeling wegens laster.
Als Lauryssens ‘over de grens’ is gegaan, heeft hij dat hoogstwaarschijnlijk gedaan omwille van de sensatie en het geldgewin.
Het is dan ook niet meer dan billijk dat hij het onrechtmatig verdiende terug moet betalen en gestraft wordt wegens het misbruiken van de kunst.
Een goede biografie kan immers niets anders dan een kunstwerk zijn, want ze peilt via de levensloop van een mens naar diens wezen, en dat wezen is een kunstenaar die alleen op een kunstzinnige manier benaderd kan worden.

Wanneer we spreken over ‘het misbruiken van de kunst’ komen we vanzelf bij Julien Schoenaerts terecht, want hij overschreed de grens tussen kunst en werkelijkheid voortdurend. Ja, hij erkende die grens niet eens.
Als gevolg daarvan gebruikte hij de kunst en zijn kunstenaarschap om in de werkelijkheid allerlei privileges te bekomen waar hij als ‘God’ recht op meende te hebben.
Hij meende in de werkelijkheid hetzelfde te kunnen zijn als in zijn kunst, namelijk: heer en meester.
Dat er zoveel vuile was bestaat over Julien Schoenaerts is mede een gevolg van het feit dat vele ‘vooraanstaande’ personen hem een hand boven het hoofd hielden wanneer hij zich te buiten ging aan exhibitionisme, vandalisme, openbare dronkenschap, contractbreuk, enzovoort.
Maar daarmee wordt ook de medeplichtigheid van de werkelijkheid zichtbaar.
Waarom hielden zoveel ‘belangrijke’ mensen Schoenaerts een hand boven het hoofd? Waarom lieten ze hem wegkomen met zaken waar andere mensen zouden moeten voor boeten?
Omdat ze zich wilden koesteren in zijn ‘goddelijke’ uitstraling, omdat ze … zelf een beetje God wilden zijn.
Soort zoekt soort.
Zoals Schoenaerts de grenzen van de kunst niet respecteerde, zo respecteerden deze ‘notabelen’ de grenzen van de werkelijkheid niet. Ze wilden zich tooien met het aureool dat de kunst omgeeft, niet door er zich voor in te spannen of door er offers voor te brengen, maar door ervoor te betalen, liefst met andermans geld. Ze maakten misbruik van de werkelijkheid om niet alleen heer en meester te zijn in de materiële wereld maar ook nog eens vereerd te worden in de ‘goddelijke’ wereld van de kunst.

Schoenaerts en zijn beschermheren: ze misbruikten elkaar en ze misbruikten hun wereld.

(wordt vervolgd)

Morele mist

De Wever noemt ophef over Francken opnieuw ‘onzin’.
Zo luidde de kop van een recent krantenartikel.
Waarover gaat het?
Kervers staatssecretaris Theo Francken is naar een Vlaams-nationalistisch feestje geweest en dat vindt de PS, met de scheldende Laurette Onkelinx op kop, ab-so-luut niet kunnen.
Een paar dagen later duiken ‘toevallig’ enkele oude mails, tweets en facebookberichten van Theo Francken op waarin hij zich vragen stelt over de meerwaarde van Marokkaanse immigranten en beweert dat homobashing in Brussel alles te maken heeft met moslims en kutmarrokaantjes.
Een politieke hetze is geboren en de media gieten alle olie op het vuur die ze maar kunnen vinden.

Om de zaak even in perspectief te plaatsen:
Theo Francken is lid van de N-VA, de meest uitgescholden partij uit de vaderlandse geschiedenis, en Laurette Onkelinx, die bijna stikte van verontwaardiging, heeft de gewoonte om Vlamingen openlijk ‘ongedierte’ te noemen. Als ze het Duits machtig was, zou ze wellicht van Untermenschen spreken, want ze heeft niet de gewoonte haar mond te spoelen als het om Vlamingen of de N-VA gaat.
Francken heeft dus méér reden om verontwaardigd te zijn dan Onkelinx, maar naar aloude Vlaamse gewoonte trekt hij zijn staart in en biedt zijn verontschuldigingen aan.
Bart De Wever heeft dus overschot van gelijk als hij de hele zaak ‘onzin’ noemt.

Maar daar wilde ik het niet over hebben.
Ik wilde het hebben over die krantenkop en meer bepaald het woordje ‘opnieuw’.
Bart De Wever noemt ophef over Francken opnieuw ‘onzin’.
Strikt genomen is dat 100 % waar, want men had De Wever al eens om zijn mening gevraagd en toen zei hij net hetzelfde.
Het was dus inderdaad al de tweede keer.
Maar met één enkel woordje slaagt men erin van deze waarheid een groteske leugen te maken.
Door het woordje ‘opnieuw’ te gebruiken, wordt namelijk de indruk gewekt dat Bart De Wever er niet genoeg aan had om de ophef rond Francken één keer onzin te noemen, nee hij deed het nog een tweede keer!
Met andere woorden: deze man is werkelijk onverbeterbaar.
De suggestie wordt gewekt dat hij de eerste keer al ver over de schreef ging. En toen hij dat nóg eens deed, werden alle grenzen van de betamelijkheid overschreden en was het maar al te goed te begrijpen dat Laurette Onkelinx haar zelfbeheersing verloor.
Tegelijk wordt ook de indruk gewekt dat Francken een rabiate racist is en dat homobashen in Brussel helemaal niets te maken heeft met moslimjongeren.

Dat ene woordje ‘opnieuw’ veroorzaakt dus een domino-effect dat de ene na de andere waarheid verandert in een leugen.
En dan heb ik nog niets gezegd over de aanhalingstekens waartussen het woordje ‘onzin’ is geplaatst.
Ze suggereren: u gelooft nooit, beste lezer, wat Bart De Wever nú weer uit zijn botten heeft geslagen! Hij noemt het gescheld en getier van Laurette Onkelinx … onzin!
Stelt u zich dat eens voor: men mag niet eens meer protesteren tegen racisme, homofobie en haatzaaierij! Zover is het al gekomen in het verrechtste België!
Enzovoort, enzovoort.

Suggestief taalgebruik noemt men zoiets.
Men zegt iets dat waar is, maar men zegt het op zo’n manier dat het verandert in een leugen.
En zo zou ik tientallen, honderden, ja duizenden voorbeelden kunnen noemen, want dit soort ‘suggestief’ taalgebruik is schering en inslag geworden in de hedendaagse media. Het is zelfs zo vanzelfsprekend geworden dat ik vermoed dat de journalisten er zich niet eens meer van bewust zijn. Waarschijnlijk zijn ze er heilig van overtuigd de waarheid te spreken.
Kunnen ze zich trouwens nog iets anders permitteren?
Journalisten zijn zo leugenachtig geworden dat ze niet meer in de spiegel zouden durven kijken als ze zich daarvan bewust werden.
Ze zouden op staande voet ontslag moeten nemen.
En dan?
Wat zouden ze dan doen?
Waar kan men tegenwoordig nog op een niet-leugenachtige manier woorden gebruiken en er nog geld mee verdienen ook?

Het geval Tom Naegels illustreert dat op pijnlijke wijze.
Vroeger was hij een onafhankelijk journalist, een freelancer die leefde van zijn pen.
Dat was mogelijk omdat hij heel goed schreef en bovendien – als een der weinigen – de gewoonte had om de twee kanten van een zaak te belichten.
Dat werd blijkbaar geapprecieerd door de lezer.
Maar toen werd hij ombudsman bij De Standaard.
De reden ligt voor de hand: hij werd al een dagje ouder, er waren waarschijnlijk vrouw en kinderen, en dus koos hij het zekere voor het onzekere en ging in vaste loondienst.
De Standaard kon ermee uitpakken dat ze een integer iemand hadden aangesteld als tussenpersoon tussen de krant en de lezer, iemand die in staat was de belangen van beiden objectief tegen elkaar af te wegen.
En Tom Naegels had eindelijk werkzekerheid en uitzicht op een acceptabel pensioen: geen vanzelfsprekendheid dezer dagen, en al helemaal niet voor iemand die van zijn pen moet leven.
De gevolgen lieten echter niet op zich wachten.
Onlangs had een lezer zich beklaagd over de weekend-bijlagen van de krant: glossy tijdschriften vol lifestyle-berichten voor de happy few. De klacht was volkomen terecht: die bijlagen horen niet bij een krant, ze grenzen bij momenten aan het weerzinwekkende.
Tom Naegels begreep die kritiek, hij was het er zelfs mee eens.
Maar was die kritiek ook niet ingegeven door een verborgen schuldgevoel over de eigen levensstijl, die vergeleken met wat er elders in de wereld gebeurt ook niet meteen goed te praten valt?
Anders gezegd: moest de klagende lezer niet ook eens naar zichzelf kijken voor hij kritiek gaf op de krant?
Dat werd allemaal op een begrijpende, omzichtige, beide kanten van de medaille belichtende manier aangebracht.
En het resultaat was – alweer – dat een waarheid in een leugen werd omgekeerd.
De lezer had overschot van gelijk, maar Naegels slaagde er op een geraffineerde manier in om van die lezer een leugenaar te maken.
Tegelijk maakte hij van de leugenaar die hijzelf geworden is, iemand die zoekt naar een ‘hogere’ waarheid.

Een ander voorbeeld.
Opnieuw (sic) een krantenbericht.
Vandalen vernielen kunstwerk in Parijs.
Een mens denkt dan algauw aan een schilderij van Monet of Rubens, maar dat was het – gelukkig – niet.
Nee, iemand had gewoon een groene ballon stukgeprikt.
Edoch, die groene ballon was een … kunstwerk.
Hij moest een kerstboom voorstellen maar leek als twee druppels water op een ‘butt plug‘, een sexspeeltuig dat volgens Wikipedia dient om de anus af te sluiten.
Vandaar wellicht dat iemand een plug in de plug had gestoken.

Als je alleen de krantenkop leest, ben je verontwaardigd: een kunstwerk vernielen is bijzonder laag.
Als je vervolgens het artikel leest, barst je in lachen uit: hahahaha, die is goed!
Want die zogenaamde kerstboom is natuurlijk geen kunstwerk, het is een reusachtige middenvinger die de culturele elite opsteekt naar het klootjesvolk (dat bovendien verplicht wordt deze peperdure vinger te betalen).
Die zogenaamde vandalenstreek is helemaal geen misdaad, het is een daad van verzet tegen de obsceniteiten van de ‘hogere klassen’.
Tenzij men het natuurlijk als een misdaad beschouwt om een misdaad te verijdelen.
Maar dan kunnen we beter meteen goed en kwaad omdraaien.
Dat schept tenminste duidelijkheid.
Maar duidelijkheid is natuurlijk niet wat de kranten scheppen.
Ze spuiten mist, morele mist.
Ze wissen het onderscheid uit tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen.
En ze doen dat op zo’n subtiele manier dat niemand het echt merkt, ook zijzelf niet.
Hun suggestieve, ‘omkerende’ taalgebruik is een tweede natuur geworden.
Een immorele natuur.

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat Ahriman zou schrijven.
En in onze kranten zien we iedere dag hoe hij dat doet.
Door suggestieve woorden of leestekens, keert hij de waarheid systematisch om in een leugen, en hij doet dat op zo’n geraffineerde manier dat we het niet meer merken.
Liegen wordt zo tot een stijl die we onbewust overnemen, en die na verloop van tijd tot een tweede natuur wordt. Zo sluipt Ahriman ons etherisch lichaam binnen, ons gewoontelichaam, en nestelt zich daar zonder dat we iets in de gaten hebben.
Wel integendeel, hoe dieper hij in ons doordringt, des te meer raken we ervan overtuigd de waarheid te spreken, en des te verontwaardigder zijn we als iemand die waarheid tegenspreekt.
Dit is, lijkt me, een aspect van de incarnatie van Ahriman dat we niet uit het oog mogen verliezen.
Op fysiek gebied zal Ahriman incarneren – of is hij reeds geïncarneerd – in één enkel mens.
Op etherisch gebied echter zal hij in zeer veel mensen incarneren, met name in schrijvende, intellectuele mensen.
Mensen zoals ik dus …

De omgekeerde wereld

20140325-225951.jpg

Aan de kust zijn ze boos op Uitgeverij Lannoo wegens enkele weinig flatterende passages in de gids ‘600 plekken in Vlaanderen die je echt gezien moet hebben’.
‘Zeventig kilometer onovertroffen monotonie.’
‘Eindeloze lintbebouwing.’
‘De grenzeloze vergiftiging van de Noordzee.’
‘De schrijnende verveling die gegarandeerd toeslaat bij slecht weer’.
Het zijn maar enkele karakteriseringen uit de Lannoo-gids.

‘De berichtgeving over de kust is onaanvaardbaar en manifest onjuist, zegt het West-Vlaamse provinciebedrijf Westtoer.
Initiatiefnemer vzw Logeren in Vlaanderen zegt dat ze de passage niet had gezien.
Lannoo Uitgeverij zegt dat zij niet de uitgever is van de gids.

20140325-230322.jpg

Eric Brunet, een Franse radiopresentator, columnist en essayist vindt dat president Hollande Wallonië moet inlijven zoals Poetin de Krim heeft geannexeerd.
Hij moet gewoon de Schelde oversteken en de vier miljoen Franstalige broeders bevrijden van het Vlaamse juk.
Want de Vlamingen zijn bruten, die de Walen onderdrukken.
Aldus Eric Brunet.

Het zijn twee krantenberichten die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben.
En toch.
In het eerste geval zegt iemand een waarheid als een koe en er wordt woedend op gereageerd.
In het tweede geval verkoopt iemand een leugen als een nijlpaard en … niemand reageert.

Beide reacties zijn exemplarisch.

Zo vertelde een radio-journalist onlangs midden in de nacht dat in Saudi-Arabië de meest achterlijke vorm van de islam wordt beleden.
Grote consternatie!
De man werd meteen op het matje geroepen.
Hij had het namelijk gewaagd … de waarheid luidop uit te spreken.

20140325-234656.jpg

Over Vlaanderen worden in de Franstalige pers sinds jaar en dag de grofste leugens verkocht, leugens die de wereld rond gaan, want in het buitenland lezen ze uiteraard alleen Franstalige kranten.
Daar wordt in de Vlaamse pers echter nauwelijks met een woord over gerept, laat staan dat er verontwaardigd wordt op gereageerd.
Dat laatste gebeurt alleen als iemand het in zijn hoofd haalt de waarheid te spreken.

Veertig jaar geleden dacht ik al: wil je de waarheid kennen, ga dan na wat er algemeen als waarheid wordt aanvaard en keer het om.
Vandaag zou ik er nog kunnen aan toevoegen: wil je de waarheid kennen, ga dan na wat vol verontwaardiging als leugen wordt afgeschilderd.

Kort samengevat: de wereld staat op zijn kop.
Eens je dat doorhebt, wordt alles veel duidelijker.

20140325-235423.jpg

Bewijs dat eens!

Wie terugdenkt aan de tijd toen hij voor het eerst iets over antroposofie hoorde, zal zich herinneren dat veel hem niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs verward, fantastisch of erger voorkwam. Maar in de loop van de tijd heeft hij zich gewend aan een gevoels- en denkwereld die het mogelijk maakt om dingen die uit hogere werelden worden meegedeeld, te aanvaarden zoals men dat ook doet met feiten uit de fysieke, aardse wereld. Wat men bewijzen voor deze geesteswetenschappelijke mededelingen zou kunnen noemen, moet men helemaal niet zoeken in de richting van de bewijzen voor erkende, wetenschappelijke waarheden. Met zo’n bewijsvoering kan men hier niet veel beginnen. Voor wie zich inleeft in de antroposofische wereldbeschouwing, ligt de bewijsvoering in de zeer intieme omvorming van het zielenleven. Lang voordat de mens het geluk kan smaken om door toepassing van geesteswetenschappelijke methoden zelf de geestelijke werelden te aanschouwen, vormt zich in hem een voorgevoel, een vermoeden van de juistheid en diepe gegrondheid van wat hem over deze hogere werelden wordt meegedeeld.

(Rudolf Steiner)

GA 108 – Wenen 21 november 1908.

Alle wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op uitgangspunten die zelf niet op wetenschappelijke of rationele wijze afleidbaar zijn. Ons rationeel onderzoek van de werkelijkheid is gebaseerd op een fundament dat in wezen religieus karakter heeft en dat direct samenhangt met onze menselijke natuur. In het centrum van dit fundament treffen we ons weten aan omtrent aard en betekenis van het begrip ‘waarheid’. Ieder mens beschikt, op grond van zijn menselijke natuur, over een direct weten omtrent aard en betekenis van de waarheid. Precies omdat de mens over dit onmiddellijke weten beschikt, kan hij een talig wezen zijn. De taal is gebaseerd op waarheidsbesef. Iedere talige uitspraak heeft immers als impliciete inhoud: ‘deze uitspraak is waar’. Wie iets beweert omtrent een bepaalde stand van zaken, zegt tegelijk ook impliciet, door het feit zelf dat de uitspraak wordt gedaan, dat de gedane uitspraak waar is. Aan een wezen dat ieder besef omtrent de betekenis van de woorden ‘waar’ of ‘waarheid’ ontbeert, kan men nooit die betekenis uitleggen. Het uitleggen zelf is immers reeds een talige activiteit, die besef omtrent de betekenis van ‘waar’ en ‘waarheid’ vooropstelt. Hieruit vloeit voort dat ons weten omtrent de natuur van de waarheid deel uitmaakt van onze menselijke substantie: in ons diepste wezen ZIJN wij dit weten omtrent de natuur van de waarheid. Deze vaststelling leidt tot het algemene besluit dat wij in ons diepste wezen geestelijke wezens zijn die dit elementaire waarheidsweten meebrengen uit het voorgeboortelijke.

De wetenschappelijk actieve mens zal altijd een soort eerbied ontwikkelen ten opzichte van dit ‘wezen Waarheid’ dat enerzijds de kern uitmaakt van zijn wezen doch anderzijds dit wezen ook overstijgt.

De wetenschappelijk actieve mens beseft dat de waarheid onmogelijk kan gevonden worden louter op grond van rationele analyse en bewijsvoering. Het is immers altijd mogelijk om bijkomende bewijzen te eisen of om te blijven vermoeden dat in een schijnbaar vlekkeloos bewijs toch ergens een fout moet schuilen. Op een bepaald moment voegt zich bij het denkende onderzoek een element van HERKENNING dat in wezen een gevoelskarakter heeft. Wij kunnen de waarheid herkennen omdat de waarheid ook deel uitmaakt van onze eigen substantie. Deze aanleg tot herkenning van de waarheid is echter onvolmaakt en moet worden verzorgd en gecultiveerd. In het hart van de wetenschappelijke bedrijvigheid zal daarom altijd een soort discrete ‘cultus van de waarheid’ voorhanden zijn, onder de vorm van een persoonlijke zorg en verering voor het licht dat in de kern van het menselijk individu uitgat van het wezen van de waarheid. Waar deze cultus ontbreekt, zal de wetenschap degenereren.

(Jos Verhulst)

Uit: Het evangelie volgens Johannes (2013)

20131205-082812.jpg

Materialisme

Ik begrijp het misschien niet goed, maar hoe verklaren materialisten het volgende?

Volgens hen is denken geen geestelijke activiteit maar het product van electrische impulsen en chemische reacties in de hersenen. Die zijn op hun beurt het resultaat van bewegingen van elementaire deeltjes, de bouwstenen van alles wat bestaat. Want volgens de materialisten bestaat er niets buiten de materie.

Nu wil het geval dat sommige hersenen materialistische gedachten produceren, terwijl andere hersenen gelovige gedachten produceren.
Dat is uiteraard allemaal het werk van de elementaire deeltjes, niet van de eigenaars van die hersenen, want die bestaan ook uit elementaire deeltjes.

20130816-192708.jpg

Toch zeggen de materialisten tegen de gelovigen: jullie zijn verkeerd! Jullie God bestaat niet, hij is louter een denkbeeld dat is voortgebracht door jullie hersenen!
Waarop baseren ze zich om dat te beweren?
De gelovigen zouden kunnen antwoorden: dat alles uit materie bestaat, is net zo goed een denkbeeld dat door hersenen is voortgebracht, dat wil zeggen door elementaire deeltjes!
Zijn er dan twee soorten materie?
Materie die juiste gedachten voortbrengt en materie die verkeerde gedachten voortbrengt?

Daar heb ik bij Richard Dawkins of Dick Swaab alvast nog niets over gelezen.
Hoe weten die mensen eigenlijk dat het waar is wat ze zeggen?
Omdat het wetenschappelijk is aangetoond?
Maar wetenschap is het resultaat van denken.
En daarmee zijn we weer terug bij af.

Als denken wordt voortgebracht door elementaire deeltjes, en als er buiten die elementaire deeltjes niets bestaat, hoe kun je dan onderscheid maken tussen juiste en verkeerde gedachten?
Bestaat er dan zoiets als ‘waarheidsmaterie’ of een ‘waarheidsgen’?
En zijn de hersenen van materialisten dan samengesteld uit dergelijke ‘ waarheidsdeeltjes’, en die van gelovigen niet?
Ook daar heb ik nog nimmer iets over gehoord.
Nogal begrijpelijk trouwens.
Het zou een beetje klinken alsof materialisten tot een superieur … ras behoren.
Want hun gelijk moet natuurlijk een materiële, fysieke basis hebben.
Waar zou het anders op gebaseerd zijn, als er buiten de materie niks bestaat!

20130816-193058.jpg

Ik zie echt niet in hoe de materialisten hieruit raken.
Ik zie wel hoe het concept ‘waarheid’ steeds meer gerelativeerd wordt.
Dé waarheid bestaat niet.
Ieder heeft zijn eigen waarheid.
Culturen zijn gelijkwaardig.
Enzovoort.

Ja, het materialisme dringt steeds dieper door in onze beschaving.
De kunst heeft ze bijvoorbeeld al helemaal in zijn greep.
Niemand kan nog zeggen wat kunst is, beweren Jan Hoet & co.
Dus is kunst wat we kunst noemen.
Of zoals Marcel Duchamp reeds zei: dit is kunst omdat ik het zeg!
En hij stelde een pispot tentoon.
Sindsdien kan letterlijk alles kunst zijn, lees: kunst genoemd worden.
Anything goes.
Immers: de schoonheid bestaat niet.

20130816-193231.jpg

En zo bestaat ook de waarheid niet meer.
Zij is immers het resultaat van botsende elementaire deeltjes.
En wie het hardst botst, mag iets ‘waar’ noemen.
Ofte Darwinisme in de hersenen.
De wetenschappelijke versie van: wie het hardst roept, krijgt gelijk.

Ja, zo kan ik het materialisme wel begrijpen.
Maar wat ik niet begrijp, is dat materialisten blijven volhouden dat het waar is wat ze zeggen.
Dat kunnen ze, volgens hun eigen overtuiging, helemaal niet beweren.
Ze kunnen alleen zeggen: ik heb gelijk omdat ik het hardst roep.
Maar dat zeggen ze niet.
Nog niet.

Wellicht is dat nog een laatste rest van het oude geloof in iets wat boven de materie uitgaat.
Zoals bijvoorbeeld de waarheid.

Maar die bestaat uiteraard niet.
Er bestaat alleen the survival of the fittest elementaire deeltjes.
Het recht van de sterkste dus.

Ja, nu begrijp ik het.

20130816-193356.jpg