Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: waarnemen en denken

Het verbod op het denken

    

 
Honderd jaar geleden voorspelde Rudolf Steiner dat er aan het begin van de 21ste eeuw – nu dus – een verbod op het denken zou komen. Een verbod op het denken? Hoe kun je denken nu verbieden! Die Gedanken sind toch frei! Niemand kan een mens beletten te denken wat hij wil, om de eenvoudige reden dat niemand kan zien wat een ander denkt. Gedachten zijn vrij omdat ze onzichtbaar zijn, omdat ze geestelijk zijn. Hetzelfde kan natuurlijk niet worden gezegd van de woorden waarmee die gedachten worden uitgedrukt. Woorden zijn wel degelijk zichtbaar of hoorbaar en kunnen daarom, in tegenstelling tot de gedachten zelf, heel goed verboden worden. Dat is dan ook wat vandaag gebeurt: het uitspreken of neerschrijven van bepaalde gedachten wordt verboden. Je mag ze denken zoveel je wil, als je ze maar niet in een zintuiglijk waarneembare vorm giet, want dan gaan de poppen aan het dansen. Het is dus niet het denken maar het spreken dat aan banden wordt gelegd.

Had Rudolf Steiner het dan niet beter kunnen hebben over een spreekverbod in plaats van een denkverbod? Het is toch niet omdat je niet meer kunt zeggen wat je wilt, dat je niet meer kunt denken wat je wilt. Maar is dat wel zo? Kun je denken en spreken los zien van elkaar? Zelf kan ik alvast niet nadenken zonder te schrijven of te spreken. Ik moet mijn gedachten in een zichtbare of hoorbare vorm gieten om ermee aan de slag te kunnen. Doe ik dat niet, dan gaan ze hun eigen gang. Mijn hoofd wordt dan een volière vol gedachten die als kwetterende vogels rondfladderen. Met denken heeft dat gefladder niets te maken. Het hebben van gedachten is niet hetzelfde als daadwerkelijk denken. Er hebben altijd veel gedachten rondgefladderd in mijn hoofd, maar met (bewust) denken ben ik pas begonnen toen ik ook begon te schrijven. En dat gebeurde niet op school. Daar leerde ik wel de techniek van het schrijven, maar ik zag geen enkele reden om die techniek ook te gebruiken als middel om te denken. 

Waarom zou ik me op school ingespannen hebben om te denken? Alles draaide er om het hebben van gedachten, niet om het denken zelf. Je leerde de verplichte gedachten uit je hoofd, strooide er bloemsuikergewijs een paar eigen gedachten overheen en klaar was kees. Meer werd er niet van je verwacht en het kwam niet in me op om méér te doen dan wat strikt noodzakelijk was. In het onderwijs ging het niet om het denken, het ging zelfs niet om de gedachten, het ging louter en alleen om de punten. Die had je nodig om later aan een job te geraken en geld te verdienen. Het hebben van gedachten was direct gelieerd aan het hebben van geld, het was met andere woorden een materiële aangelegenheid. Met de geestelijke activiteit van het denken had het niets te maken, integendeel zelfs. Denken hield risico’s in, het kon je op verkeerde gedachten brengen en je punten (en later geld) kosten. Daar kon je dus maar beter niet aan beginnen. Nee, als de school me iets leerde, dan was het om vooral niet te denken. 

Dat ik toch heb leren denken, dank ik aan de kunst. Het begon al aan de academie waar ik al tekenend meetkundig moest leren denken. Ik kan niet zeggen dat ik het graag deed, want het was vervelend werk: meten, meten en nog eens meten. Ik moest dan ook voortdurend vechten tegen innerlijke verleiders die me aanspoorden om dat saaie meetwerk niet zo nauw te nemen of het zelfs helemaal over te slaan en meteen onder te duiken in de – zoveel opwinderder – scheppingsroes. Denken had met andere woorden een morele kwaliteit die de zaak aanzienlijk bemoeilijkte maar wel veel betere tekeningen opleverde. En daar ging het om. De vreugde die ik aan die tekeningen beleefde was mijn motivatie om te denken – echt te denken, want met het hebben van gedachten had tekenen niets te maken. Denken was hier louter activiteit, een activiteit die niet werd uitgedrukt in gedachten, maar in lijnen en vormen. Tekeningen waren zichtbaar gemaakt denken, maar beslist géén zichtbaar gemaakte gedachten. 

Door te tekenen verbond ik mijn denken niet alleen met de zintuiglijke werkelijkheid, maar ook met mezelf. Dat kostte me veel moeite want die verbinding was me niet gegeven. De verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid, die was me wel gegeven en ik was er niet echt blij mee. Ik ervaarde de werkelijkheid als dwingend. De wereld was een plek waar ik verplicht was vanalles te doen: opstaan, aankleden, eten, naar school gaan, enzovoort, het hield niet op. Daarom trok ik me vaak terug in de ‘volière’ van mijn hoofd. De gedachten die daar rondfladderden waren me eveneens gegeven, een leeg hoofd bestond niet. Maar aangezien niemand in dat hoofd kon kijken, had ik er privacy. Ik kon er doen wat ik wilde, ik kon er helemaal mezelf zijn. Of beter: ik hoefde er niet iemand anders te zijn, ik hoefde geen maatschappelijke rol spelen. Maar hoe graag ik ook in mijn volière vertoefde, ik kon er niet blijven, het was er te nauw, te eenzaam, te vervelend. Er gebeurde nooit iets.

Mijn hoofd was mijn toevluchtsoord, mijn vrijplaats. Ik kon er behaaglijk wegdromen, zwemmend in een wereld van gedachten en voorstellingen, als een kind in de baarmoeder. Denken was opnieuw ongeboren worden, terugkeren naar het paradijs. Maar een echt paradijs was het natuurlijk niet, het had geen substantie, geen leven. Het was een schijnparadijs, een schimmenwereld. En dus moest ik telkens weer terug naar de echte wereld, de levende zintuiglijke werkelijkheid met al zijn wetten, plichten en noodzakelijkheden. Echt vrij was ik er dus niet, want ik was gedwongen voortdurend heen en weer te pendelen tussen de (ideële) wereld van mijn hoofd en de (zintuiglijke) wereld van mijn lichaam. In geen van beide kon ik lang blijven, in geen van beide voelde ik mij echt thuis. En een gulden middenweg vond ik niet, want beide tegenpolen sloten elkaar uit. Om in mijn hoofd te kunnen verblijven, moest ik mij afsluiten van de buitenwereld, en in die buitenwereld kon ik niks aanvangen met mijn fladderende gedachten. 

Eén uitzondering: de kunst. Als ik tekende verbond ik mij zowel met mijn gedachten (ik moest echt denken, logisch en gestructureerd) als met de zintuiglijke werkelijkheid (die ik niet alleen aandachtig bekeek, maar waar ik ook handelend – want tekenend – optrad). Denken was hier tevens handelen, zowel in mijn hoofd (waar niemand me kon zien) als in de buitenwereld (waar iedereen kon zien wat ik tekende). Dat denkende handelen kostte me, zoals gezegd, heel wat moeite want van nature was ik uitgesproken passief, zowel in het denken als in het handelen. Het actief verbinden van beide werelden resulteerde echter in een diepe voldoening waar ik nooit genoeg kon van krijgen. Als ik tekende was ik eindelijk mezelf, ik was eindelijk vrij. Dat was de paradox van de kunst: door me te onderwerpen aan de wetten van zowel de zintuiglijke werkelijkheid (die natuurgetrouw moest weergegeven worden) als het denken (er moest nauwkeurig gemeten en gerekend worden) werd ik vrij, werd ik mezelf.  

Tekenen overbrugde de kloof tussen denken en doen, tussen mijn innerlijke wereld en de buitenwereld. Maar nu werd ik geconfronteerd met een nieuwe kloof: die tussen kunst en werkelijkheid. Die werkelijkheid werd in toenemende mate beheerst door de school. Kon ik eerst nog volop buiten spelen, dan was daar steeds minder tijd voor. Ik moest huiswerk maken en me inspannen om te leren (wat voordien spelenderwijs gebeurd was). Die inspanningen speelden zich helemaal af op het gebied van het denken, een concrete verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid was er niet. Vooral in de lessen wiskunde werd dat wereldvreemde denken helemaal abstract. Het was hetzelfde soort denken dat ik gebruikte om te tekenen, maar hier stond het volkomen los van de zintuiglijke werkelijkheid en daardoor werd het voor mij onverteerbaar. Kon ik in de gewone, dagelijkse werkelijkheid mezelf al niet zijn, dan kon ik dat in de wereld van de wiskunde nog veel minder. 

Juist dat onverteerbare abstracte denken beheerste niet alleen het onderwijs, het beheerste de hele wereld. Overal werd gerekend en gemeten, overal werd in formules gedacht en nergens werd ook maar één moment rekening gehouden met schoonheid. Alleen aan de academie gebeurde dat. Daar kon ik ’s zondags even ademhalen en beleven wat het betekent vrij te zijn, hoe het voelt jezelf te kunnen en te mogen zijn. Maar de academie was slechts een kleine oase van vrijheid in een onmetelijke woestijn van plichten. De tegenstelling tussen beide werelden werd steeds groter en uiteindelijk werd ik gedwongen om te kiezen: school of academie. Ik stond voor de drempel van de volwassenheid en moest mijn plaats veroveren in de wereld. Daar had je een diploma voor nodig, met een tekenpotlood kon je er niks aanvangen. Na jarenlang gevochten te hebben tegen het dode, abstracte denken, was ik uitgeput. Ik had de kracht niet meer om me te verzetten en gaf me over. Ik ging naar de universiteit.

Daar gebruikte ik mijn denken niet om aandachtig en liefdevol door te dringen in de zintuiglijke werkelijkheid (zoals ik al tekenend deed), maar om die werkelijkheid zonder enig respect te manipuleren en te bedriegen. Het was voor mij de enige manier om punten te halen, want mijn weerzin voor de abstracte leerstof was veel te groot dan dat ik ze op een legale manier had kunnen of willen verstouwen. Met het kunstzinnige, individuele, morele denken (dat ik aan de academie geleerd had) kon ik aan de universiteit niks aanvangen. Wetenschappers waren minder geïnteresseerd in de zintuiglijke werkelijkheid dan in hun eigen denkpatronen. Ze bestudeerden de werkelijkheid vooral om haar te onderwerpen, om macht over haar uit te oefenen. Deze liefdeloze en immorele machtsdrang was eigen aan de moderne wetenschap en ik nam ze over, ik gebruikte ze tegen haarzelf. Dat was niet eens zo moeilijk, want de wetenschappers waren zich van geen kwaad bewust. 

Ik was dat des te meer, want ik kon hun wetenschappelijke geest vergelijken met de kunstzinnige geest. Deze laatste verloochende ik nu. Was ik in de kunst onvermoeibaar de strijd aangegaan met de ‘verleiders’, dan gaf ik ze nu gemakzuchtig het roer in handen. En dat loonde. Ik kreeg mijn punten, ik haalde mijn diploma en ik vond werk. Ik werd een keurig lid van de maatschappij. Maar dat succesverhaal had een keerzijde: ik had een ontzettende hekel gekregen aan mezelf, aan de universiteit, aan die hele leugenachtige, immorele wereld. Ik verachtte mezelf omdat ik al die jaren niet de moed en de kracht had gevonden om me te verzetten tegen de geest waaraan ik mijn ziel had verkocht. Ik verachtte de professoren die zich door mij hadden laten bedriegen, ik verachtte de hele universiteit die dit mogelijk maakte. Die haat en die minachting maakten van de werkelijkheid waarin ik leefde één grote schijnvertoning, een kwalijke grap. Ze vernietigden ook het laatste greintje zelfgevoel dat ik nog had. Ik hield als het ware op te bestaan. 

Mijn leven werd één langgerekt innerlijk sterven. Toen er ten slotte niets meer van me overbleef dan een lege huls, deed ik wat ik destijds niet had kunnen of durven doen: ik koos voor de kunst. Ik deed dat heel bewust, zonder me iets aan te trekken van de gevolgen. Niets kon immers erger zijn dan het schijnbestaan dat ik leidde, dit levende dood-zijn. Ik nam de draad weer op waar ik hem had laten liggen: aan de academie. Maar die bleek onherkenbaar veranderd. De immorele leugengeest die overal heerste, was nu ook doorgedrongen in de kunst. Met ontzetting zag ik hoe hij mijn toevluchtsoord verwoestte, hoe hij alles vernietigde wat mij vroeger zoveel vreugde en voldoening had geschonken. Een zeldzame uitzondering niet te na gesproken, deed iedereen wat ik aan de universiteit gedaan had: leraars en leerlingen verkochten hun ziel, ze gaven zich over aan de ‘nieuwe’ geest die nu de sleutels van de kunstwereld in handen had. Net als ik misten ze de kracht en de moed om zich te verzetten. Net als ik beseften ze niet waar hun volgzaamheid op uit zou draaien. 

De kunst waar ik voor gekozen had, bleek er niet meer te zijn. Ze was uit haar eigen huis verdreven door de geest van de (materialistische) wetenschap die haar plaats had ingenomen. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan mij te onderwerpen aan haar brutale en gewelddadige vervanger. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Maar waar moest ik nu heen? Ik zag geen andere mogelijkheid dan mij – opnieuw – terugtrekken in mijn volière, tussen mijn gedachten. Daar probeerde ik mij een beeld te vormen van de kunst zoals ik ze had leren kennen. Ik probeerde erachter te komen wat er gebeurde wanneer ik tekende (de kunst als denken) en ik probeerde erachter te komen wat er in de kunstwereld aan de hand was (de kunst als waarneming). Ik had de kunst meegemaakt als een zonnig, levend wezen maar ik had ook meegemaakt hoe ze helemaal verduisterd werd. Om die akelige zonsverduistering te kunnen verdragen, moest ik ze begrijpen. Dat werd mijn nieuwe levensdoel.

Ik probeerde met mijn dode denken door te dringen in het levende wezen van de kunst, zoals ik al tekenend doordrong in de zintuiglijke werkelijkheid. Ik probeerde met andere woorden in gedachten een portret te maken van de kunst. Op die manier kwam ik tot de conclusie dat haar wezen hetzelfde was als het wezen van het denken – niet van het dode, abstracte denken uiteraard, maar van het levende, scheppende denken dat liefdevol doordringt in de zintuiglijke werkelijkheid, dat er zich helemaal mee verbindt en het transformeert tot een kunstwerk. Dat wezen was de Logos, het was Christus zelf. En ik begreep dat het verbod op het denken in wezen een verbod op Christus was. Hijzelf kan natuurlijk niet verboden worden, maar men kan wel beletten dat hij begrepen wordt, dat de mens zich een (denk)beeld van hem vormt. De antichristelijke geest die het denken verbiedt, kan ons de wederkomst van Christus doen verslapen, en dat is volgens Rudolf Steiner het ergste wat ons kan overkomen. 

Drempelwaanzin

  

De mensheid gaat over de drempel van de geestelijke wereld. Het is een zinnetje dat iedere antroposoof kent. Minder bekend is de huiveringwekkende werkelijkheid die achter deze onschuldig klinkende woorden schuilgaat. Want wie onbewust of onvoorbereid over de drempel gaat, verliest zijn verstand, hij wordt met waanzin geslagen, zoals de Romeinse keizers. En dat is precies wat vandaag op grote schaal gebeurt. De moderne mens weet niets af van een drempel, hij gelooft niet eens in een geestelijke wereld, en het gevolg van die onwetendheid is dat hij langzaam maar zeker gek wordt. Het overschrijden van de drempel is een bewustzijnsproces waarbij de mens geleidelijk weer voeling krijgt met de wereld van de geest. Hij begint die wereld – na duizenden jaren van ‘Godenschemering’ – opnieuw waar te nemen. Maar of die drempeloverschrijding zijn redding dan wel zijn vernietiging wordt, hangt af van zijn vermogen om zijn geestelijke waarnemingen te doordringen met gedachten.  

Waarnemen zonder denken levert geen zien op. Denken zonder waarnemen evenmin. Pas wanneer beide met elkaar verbonden worden, ontstaat er een helder zien, en dat geldt zowel voor de materiële als de geestelijke wereld. Een mooi voorbeeld daarvan is het orakel van Delphi, dat een belangrijke rol speelde in het oude Griekenland. Het orakel bestond uit een priesteres (de Pythia) en een priester (de Profeet). De priesteres was in staat waarnemingen te doen in de geestelijke wereld, de priester vertaalde haar waarnemingen in begrijpelijke taal. Hoe dat in zijn werk ging, kunnen we nog zien in primitieve culturen. De sjamaan of tovenaar die de geesten wil raadplegen, gaat in trance. Hij verliest zijn bezinning, gaat tekeer als een bezetene, slaakt luide kreten en maakt wilde gebaren. Hij gedraagt zich met andere woorden als een krankzinnige, maar zijn stamgenoten zijn in staat die ‘waanzin’ te duiden en er kostbare geestelijke informatie uit te puren. 

De moderne mens, die onvoorbereid over de drempel gaat, vertoont eenzelfde soort krankzinnigheid. Zonder het te beseffen gedraagt hij zich als een primitieve sjamaan of een Griekse orakelpriesteres. Hij bevindt zich in een staat van onbewuste geestvervoering. Voor de nuchtere toeschouwer is het alsof hij zijn verstand verliest en hysterisch wordt, maar zelf is hij zich van geen kwaad bewust. Integendeel, hij voelt zich geïnspireerd, bevlogen, verheven boven het aardse gewoel. De gedachte dat er iets niet in orde zou zijn met zijn vervuld-zijn-van-geest is de allerlaatste die in hem opkomt. Wat daarentegen wel in hem opkomt, is woede en verontwaardiging als men probeert hem uit deze ‘geestesslaap’ te halen en weer tot bezinning te brengen. Omdat steeds meer mensen ten prooi vallen aan deze ‘drempelwaanzin’, wordt ze langzaam maar zeker ‘het nieuwe normaal’. Dat is de akelige keerzijde van de drempeloverschrijding: krankzinnigheid wordt de norm waarnaar we ons moeten voegen. 

Er is een Orwelliaanse omkering aan de gang: wie (nog) niet krankzinnig is, wordt in toenemende mate bestempeld als … krankzinnig. Vervuld van geest als ze zich voelen, wanen de ‘drempelkrankzinnigen’ zich moreel superieur. Ze zien ze het als een morele plicht hun inferieure medemensen te helpen en herop te voeden. Wanneer deze ‘achterblijvers’ hun hulp afwijzen, zijn ze verbijsterd. Waarom keren deze mensen zich af van het licht? Waarom laten ze zich niet leiden? Langzaam slaat het onbegrip van de ‘superieuren’ om in woede en verontwaardiging. Ze raken ervan overtuigd dat de ‘inferieuren’ van slechte wil zijn, dat ze de geest moedwillig afwijzen en zich willens en wetens verzetten tegen alles wat goed, waar en mooi is. Ze vormen met andere woorden een bedreiging voor de samenleving, een kwaad dat uitgeroeid moet worden. Zo komen de krankzinnigen ertoe alle normalen te beschouwen als drakenmensen en hen te bestrijden alsof de redding van de wereld ervan afhing. 

Het klinkt als het scenario voor een of andere horrorfilm, maar het is harde werkelijkheid. Neem nu de klimaatbetogingen. Wie de zaak nuchter bekijkt, kan alleen maar het hoofd schudden bij zoveel ‘waanzin’. Scholieren spijbelen om te protesteren tegen het klimaatbeleid, maar verre van daarvoor gestraft te worden, worden ze toegejuicht door ouders, leerkrachten, schooldirecties en zelfs politici. Verschillende scholen verplichten hun leerlingen zelfs te gaan betogen, want als ze niet spijbelen wordt dat als … spijbelen beschouwd. Zelfs kleuterklassen worden opgetrommeld, want jong geleerd is oud gedaan. Greta Thunberg, een kind nog, wordt ontvangen door regeringsleiders die ze er vervolgens van beschuldigt ‘de grootste schurken uit de geschiedenis te zijn’. Als beloning wordt ze genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. En heel dit circus wordt enthousiast begroet als een uitdrukking van idealisme, milieubewustzijn, engagement, solidariteit, kortom alles wat goed en nobel is. 

De keerzijde van dit vurige enthousiasme is de kille verkettering van iedereen die weigert mee te applaudisseren voor deze krankzinnige vertoning. Wie het hoofd koel houdt, wordt weggezet als een verzuurd mens die het idealisme van de jeugd in de kiem wil smoren. Niet degenen die kleuters voor hun politieke kar spannen worden beschuldigd van kindermisbruik, maar degenen die daartegen protesteren. Hun protest wordt overigens vakkundig de kop ingedrukt door de media en er gaan zelfs stemmen op om deze ‘klimaatnegationisten’ – ze worden vergeleken met neo-nazi’s – achter slot en grendel op te sluiten. Het maakt deel uit van de drastische maatregelen waar de tienduizenden klimaatjongeren om schreeuwen. Maar daar geven ze zich geen rekenschap van. Net als degenen die hen toejuichen, fungeren ze als spreekbuis voor ‘hogere machten’. Ze bevinden zich in een soort trance die hen belet om helder te denken, maar die hen wel een goed gevoel geeft. Tenminste voor zolang het duurt.

Een ander voorbeeld van ‘drempelkrankzinnigheid’ is het transgenderfenomeen. Sinds kort is het mode geworden om van geslacht te veranderen: mannen laten zich ombouwen tot vrouwen, vrouwen laten zich ombouwen tot mannen. Dat levert groteske beelden op, zoals Conchita Wurst, een zangeres met een baard, of Caitlyn Jenner, een eertijds knappe mannelijke atleet die er nu uitziet als een griezelige vrouw. Het (voorlopige) toppunt van deze krankzinnigheid is het ‘transgendergezin’: de vader, een zwangere vrouw met een baard, de moeder, een man met borsten, het kind, een jongetje dat wordt omgebouwd tot meisje. Opnieuw zien we hoe kinderen bij deze waanzin betrokken worden. Het volstaat niet dat volwassenen tot de overtuiging komen dat ze in het verkeerde lichaam zitten, mensen moeten er van kindsbeen af op gewezen worden dat ze kunnen kiezen in welk lichaam ze door het leven willen gaan. Daartoe worden lespakketten verspreid in de scholen. 

Het transgenderisme toont opnieuw aan dat de drempelkrankzinnigheid niet alleen ligt bij degenen die ernaar handelen en hun lichaam door middel van operaties en hormonenkuren van geslacht doen veranderen, maar ook – en vooral – bij degenen die dit toejuichen. Want ofschoon de transgenderwereld er bij momenten uitziet als een freakshow en de absurditeit er duimendik bovenop ligt, is er vrijwel geen enkel protest te horen tegen deze waanzin. Op het internet vindt men een eindeloze parade van gepruikte, geschminkte, gebotoxede, gepiercete, blauwharige en andere ‘drakenkoppen’, maar men moet lang zoeken voor men een woord van kritiek vindt. De Amerikaanse journalist Ben Shapiro is een van de zeldzame uitzonderingen. Hij waagde het om in een tv-debat het transgenderfenomeen een waan – a delusion – te noemen, met als resultaat dat de transgender die aan het debat deelnam ermee dreigde hem in elkaar te slaan en Shapiro sindsdien nergens meer kan gaan spreken zonder politiebewaking. 

Een andere uitzondering is Jordan Peterson. De Canadese professor spreekt zich weliswaar niet uit tegen het transgenderisme zelf, hij protesteerde alleen tegen een wetsvoorstel dat het strafbaar wilde maken transgenders niet aan te spreken zoals ze aangesproken willen worden. Daarvoor werd hij belaagd door schreeuwende transgenders en dat betekende het begin van zijn beroemdheid maar tegelijk ook het einde van zijn academische carrière. Ondanks zijn protest werd het wetsvoorstel aangenomen. Ook in Engeland bestaat trouwens zo’n wet. Onlangs werd een moeder van drie kleine kinderen er gearresteerd en in de cel gegooid omdat ze in een (internet)discussie geweigerd had een omgebouwde man aan te spreken als vrouw. De overheid doet er inderdaad alles aan om transgenders te steunen en te beschermen (bijvoorbeeld ook door geslachtsoperaties terug te betalen en betaald verlof te verlenen). In een dergelijk klimaat valt het niet te verwonderen dat vrijwel niemand zich in het openbaar durft te verzetten tegen het transgenderfenomeen.

De polariteit van enthousiasme en verkettering die we reeds vaststelden bij de klimaatbetogingen, vinden we ook terug bij het transgenderfenomeen, en wel in de hoogste mate. Toen Boudewijn Van Spilbeeck, een Vlaamse tv-presentator, op een dag als Bo op het scherm verscheen, brak er een waar jubelkoor los. De media struikelden over elkaar om Bo te prijzen en zijn heldenmoed te bezingen. Hij verscheen als zij in diverse praatprogramma’s, er werd een documentaire gewijd aan zijn ‘transitie’ en er verscheen ook een boek. Van de ene dag op de andere werd Van Spilbeeck niet alleen een Bekende Vlaming maar ook een Vlaamse Held, een rolmodel voor de jonge generaties. Transgenders worden inderdaad voorgesteld als ‘nieuwe mensen’, die de moed opbrengen om zichzelf te zijn en heldhaftig ingaan tegen het hokjesdenken en de stereotiepe opvattingen waarin de ‘oude mens’ gevangen zit. 

Dat deze voorstelling van zaken het denken lamlegt, blijkt nergens beter dan in de sportwereld. Steeds vaker ziet men daar mannelijke atleten die zich laten ombouwen tot vrouwen, vervolgens deelnemen aan wedstrijden voor vrouwen en daar alles winnen omdat ze, ondanks hun lange haren en hun lippenstift, nog altijd beschikken over een mannelijke ‘infrastructuur’. Dat is natuurlijk je reinste competitievervalsing, maar het wordt nog erger, want in verschillende landen, waaronder België, is het niet langer nodig een geslachtsoperatie te ondergaan om als iemand van het andere geslacht te kunnen doorgaan. Wettelijk volstaat het dat een man verklaart vrouw te zijn om te kunnen deelnemen aan vrouwencompetities. Of om vrouwentoiletten te bezoeken. Dat levert natuurlijk eindeloze complicaties, discussies en moeilijkheden op, maar dat belet de overheid en de media niet om transgenders te blijven promoten als de avant-garde van de Nieuwe Wereld, als de voorlopers van de Nieuwe Mensheid. 

Deze Nieuwe Mensheid blijkt een verzameling angstige, agressieve en redeloze wezens te zijn. De transgenders zijn bijvoorbeeld prominent aanwezig in de Social Justice beweging, die zich radicaal keert tegen de vrijheid van meningsuiting en geen geweld schuwt om andersdenkenden het zwijgen op te leggen. Toen Ben Shapiro onlangs kwam spreken in Berkeley, een van de meest prestigieuze universiteiten van Amerika, werd de hele campus hermetisch afgesloten met betonblokken. Honderden politieagenten in gevechtsuitrusting bewaakten de gebouwen terwijl drie helikopters continu in de lucht rondcirkelden. De maatregelen waren een gevolg van de vernielingen die de Social Justice Warriors bij een vorige gelegenheid hadden aangericht. Er werden toen zelfs molotov-cocktails gegooid en de schade bedroeg meer dan een half miljoen dollar. Ook dit keer vloeide er bloed, en dat allemaal omdat er iemand kwam spreken die zich verzet tegen (onder meer) transgenderisme en abortus. 

Het is angstaanjagend om de redeloze haat te zien in de ogen van deze ‘drempelkrankzinnigen’, meestal jonge gepriviligieerde mensen die studeren aan de beste universiteiten ter wereld en later tot de intelligentsia van hun land zullen behoren. Ook hier weer die omkering: uitgerekend degenen die de rede zouden moeten vertegenwoordigen, gedragen zich als een horde wilde dieren. Het is dus niet de gewone bevolking die zienderogen haar verstand verliest, maar de elite, de intellectuelen. Zij zijn het die het eerst ‘gegrepen’ worden door de geest en ‘losgerukt’ van de werkelijkheid (waaronder hun eigen lichaam). Hier treffen we de orakelpriesteressen aan die in trance raken en hun bezinning verliezen, zonder hun onbewuste waarnemingen te kunnen verbinden met hun rationele verstand. Dat verstand is zo abstract en levenloos geworden dat het de brug niet kan slaan naar de veel concretere en veel levendiger wereld van de geest die via de instincten hun bewustzijn binnendringt.

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld. Men zou ook kunnen zeggen: de geestelijke wereld maakt zich weer kenbaar aan de mens. Maar die mens is zo materialistisch geworden dat de geest geen toegang vindt tot zijn bewustzijn en zich dus een weg moet banen via het onderbewustzijn, met allerlei vormen van ‘drempelwaanzin’ tot gevolg. Dat is de huiveringwekkende keerzijde van de toenemende ‘vergeestelijking’ van de moderne mens: hij wordt langzaam maar tot waanzin gedreven. Wie zich verzet tegen het krankzinnige gedrag van deze ‘vergeestelijkten’ wordt zelf beschouwd als een krankzinnige, die genezen of opgesloten dient te worden. De enige manier om aan deze drempelwaanzin te ontsnappen, is door het gedrag van de krankzinnigen te ‘lezen’ zoals de orakelpriesters dat eertijds deden. Want heel die waanzinnig wordende moderne wereld is in wezen één groot orakel: het is een openbaring van de geest die begrepen wil worden.