Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: wakker zijn

Geboren worden gaat van auw!

Gisteren weer een dagje Brugge.
Het weerbericht voorspelde niet veel goeds, maar we hebben al genoeg ervaring als deeltijds marktkramer om ons daar niks van aan te trekken.
En dus had ik mijn schildergerief meegenomen.
Gelukkig maar.

Voor een autistisch mens als ik is het geen vanzelfsprekenheid om in Brugge te gaan schilderen.
Het voelt vaak als een … geboorte.
Je verlaat de veilige baarmoeder van het anonieme bestaan, en je wordt zichtbaar.
Je wordt zelfs een bezienswaardigheid.
Want de tijd dat je in Brugge struikelde over de schilders is voorbij.
Slechts heel af en toe zie je er nog eentje, meestal een buitenlander.
Wij Vlamingen hebben het immers te druk met progressief en hedendaags wezen.
En dus sta je als schilder, als levend relict uit het verleden, behoorlijk te kijk in ‘die Scone’.

Het enige wat me over die drempel kan trekken, is de kunst: het verlangen om al die schoonheid te beantwoorden met schoonheid, hoe onbeholpen ook.
De wereld willen schilderen is in wezen een kinderlijk verlangen.
Het is een antwoord op een onuitgesproken vraag.
Heel Brugge roept, als uit talloze monden: schilder mij!
En miljoenen mensen horen die vraag ook.
Daarom komen ze van over de hele wereld naar Brugge.
Maar ze raken niet over de drempel.
Ze blijven steken in het passieve kijken.
Ze komen niet tot actief, scheppend kijken.
En dus wordt hun onbewuste verlangen niet bevredigd.
Het creëert een leegte die gevuld wordt met woorden, met informatie, met wetenswaardigheden.
En met chocolade natuurlijk.
Daar is niks op tegen,
Het is een begin, maar ook niet meer dan dat.

Het hele wereldtoerisme is mijn inziens een instinctieve reactie op de roep van de schoonheid, een roep die steeds luider klinkt naarmate de wereld lelijker wordt.
Deze ‘roep’ – die minder denkbeeldig is dan je zou denken – appelleert aan het kunstzinnige vermogen van de mens, aan het kind-in-hem.
De schoonheid – van het kunstwerk dat de wereld is – roept dat kind tevoorschijn, ze wil dat kind zien en door dat kind gezien worden.
Ze wil niet door toeristen bekeken worden, gewapend met camera’s als kanonnen.
Ze wil door kunstenaars bekeken worden, gewapend met potloden en penselen.
En ook al kunnen die kunstenaars slechts kinderlijk brabbelen, ‘it means the world’ voor de roepende schoonheid.
Zoals iedere moeder wil ze zichzelf gespiegeld zien in de ogen van haar kind.
Ze wil herkend worden.
Want dat wat buiten de mens is, is ook ín de mens.
Maar het slaapt.

De drommen toeristen die dagelijks door Brugge voortsjokken, zijn als slaapwandelaars.
Ze hebben iets of iemand horen roepen, en ze zijn opgestaan.
Maar ze zijn (nog) niet wakker geworden.
Ze denken dat ze Brugge zien, maar ze zien nauwelijks iets.
Ze kijken zichzelf in slaap.
Geen mens kan zoveel schoonheid in één keer verhapstukken.
Dat leidt alleen maar tot een zware maag en … slaperigheid.

20130909-143830.jpg

Wie echt wil wakker worden, moet zich ergens neerzetten en één klein stukje van Brugge tekenen of schilderen.
Het hoeft geen grote kunst te zijn.
Het gaat om de inspanning, om het actief worden van de blik.
Alles wat men anders onbewust ziet – iedere muur, ieder dak, ieder venster – moet als het ware wakker gemaakt worden.
Dat is een lang en moeizaam werk, dat meestal niks oplevert dat de moeite van het bekijken waard is.
Maar wat mij altijd weer treft als ik een paar uur heb zitten tekenen of schilderen, is hoe anders de wereld er dan uitziet: hoeveel mooier, hoeveel frisser, hoeveel levendiger.
Ik kan m’n ogen vaak nauwelijks geloven.
Is dit werkelijk dezelfde wereld als toen ik begon?
Natuurlijk is het dezelfde wereld, maar mijn blik is ontwaakt.
Hij heeft een heel klein beetje van zijn slaap overwonnen.
En hij ‘hoort’ nu ook veel duidelijker de roep van de wereld om gezien te worden.
Dát is waarom een kunstenaar telkens weer opnieuw wil ‘scheppen’.
Door te tekenen of te schilderen ontvouwt zich voor zijn ogen een wereld die hij helemáál wil zien.
Je zou het een soort strip-tease kunnen noemen.

Voor de toeristen met hun camera’s sluit de wereld zich af.
Maar aan de kunstenaar – ook de meest onbeholpene – toont zij zich.
Stap voor stap laat zij haar sluiers vallen.
En wat tevoorschijn komt, wordt steeds adembenemender.
Het vergt van de kunstenaar een niet geringe beheersing om te blijven kijken.
Een beheersing van zichzelf, van zijn materiaal, van zijn blik.
Want alleen aan de kinderlijke blik toont de schoonheid zich.

Het is niet niks om weer kind te worden.
Het is het allermoeilijkste wat bestaat.
Zeker voor de volwassen, autistische mens.
En daar bedoel ik niet alleen mezelf mee.
Iedere moderne mens is vandaag autistisch.
Alleen de mate waarin verschilt.
We zitten allemaal in meer of mindere mate opgesloten in ons hoofd.
We identificeren ons zelfs in toenemende mate met de inhoud van dat hoofd: de hersenen.
En vanuit die grijze hersenen zien we een grijze wereld.
Daarom hebben we de mond vol over een ‘kleurrijke’ samenleving.
We verlangen immers intens naar een levende, betekenisvolle, mooie wereld.
Maar we zitten gevangen in onze schedel.
Hij is de baarmoeder waaruit we geboren moeten worden.
En dat kan maar op één manier: de kunstzinnige manier.
We moeten onze slapende blik – die steeds meer een dode blik wordt – weer wakker maken.
En dat is een werk van lange adem.
Een adembenemend werk.

Dat is wat ik vaak voel als ik in Brugge wil gaan schilderen.
Die massa toeristen snijdt me de adem af.
De drukte is als een muur waar ik tegenaan bots.
Ik kan me dan levendig voorstellen hoe een kind zich moet voelen als het geboren wil worden.
Hoe moet het in godsnaam door die smalle opening geraken!
Het ziét zelfs helemaal geen opening!
Zijn eigen hoofd sluit ze af.
En toch moet dat hoofd er eerst door.
Het is een oerbeeld: eerst het hoofd, daarna de rest.
Het hoofd is de grote obstructie, het sluit de toegang tot de wereld af.
En dus moeten de wilskrachten worden ingeschakeld.
De gebundelde wilskrachten van moeder en kind.

Bij een geboorte is alles ‘van moeten’.
Als het moment daar is, moet het gebeuren.
Daar helpt geen lievemoederen aan.
Maar dat is de fysieke geboorte.
Bij de geestelijke of mentale geboorte – de mens die zich bevrijdt uit de baarmoeder van zijn hoofd – is het moeten afhankelijk van de vrije wil.
Ik heb meer dan eens klaargestaan met mijn schilderskarretje om op het laatste moment te zeggen: nee, ik zie het niet zitten!
En toch weet ik: als ik doorbijt en ergens ga zitten, dan duurt het niet lang of de angst, de beklemming, de bevangenheid verdwijnt.
Algauw ga ik dan de wereld anders zien.
De slaap verdwijnt uit mijn ogen.
Maar hoe moeilijk kan ontwaken niet zijn!
Hoe vaak moet een mens zich niet losrukken uit de slaap en zichzelf verplichten om de dag te beginnen!
En hoe vaak zou hem dat lukken als aan de slaapkamerdeur niet al die dagelijkse verplichtingen stonden te roepen?

De roep van de schoonheid is geen verplichting.
Zij laat de mens vrij.
Maar die vrijheid is niet minder een gevecht dan de verplichting.
Vooral in Brugge ondervind ik dat.
De roep van de schoonheid klinkt daar heel duidelijk.
De hele stad lijkt alleen maar te bestaan om bewonderd en geschilderd te worden.
Maar de toeristendrukte is als een ondoordringbare muur.
Het slapende, passieve kijken hangt als een dichte sluier om de stad.
Het onafgebroken geklik van de camera’s overstemt haar roep.

Maar juist die tegenstelling maakt een vrije keuze mogelijk.
Ik beslis als enkeling waar ik voorrang aan geef.
Ik beslis of ik geboren word of niet.

De beslissing was gisteren niet zo moeilijk als anders.
Ik had de hele week al geschilderd en was ‘in the mood’.
Daartegenover stond dat het maar niet wilde lukken met aquarelleren.
Ik had nagenoeg al mijn aquarellen ‘doodgeschilderd’.
Het waren evenzovele doodgeboren kinderen: een beeld van mijn overmogen om aan mijn hoofd te ontsnappen.
Zoiets vreet aan een mens.
Ik zag er dan ook vreselijk tegenop om mij in de drukte te wagen.
Dus zocht ik een rustige plek op: Godshuis St.Jozef, ook wel Meulenaere geheten, aan de oude Gentweg.
Het ligt in hartje Brugge, ongeveer halverwege tussen de Rozenhoedkaai en het begijnhof, de twee grote toeristische succesnummers.
Het is er heel rustig: een tuin omsloten met kleine witte huisjes waarin kleine, oude vrouwtjes wonen.
Af en toe stappen er toeristen binnen, maar ze voelen zich al snel teveel.
En daar ging ik op een bankje zitten.
In de zon en in de stilte.
Met recht voor mij een kapelletje.

20130909-144108.jpg

Oef, wat een verademing!
Een oase in de toeristenwoestijn.
Met schuifelende pasjes naderde een stokoud vrouwtje.
Dag meneer, zei ze.
Ik knikte goeiedag.
Vijf minuten later was ze daar weer.
Dag meneer, zei ze.
Ik knikte opnieuw.
De tijd stond hier stil en draaide rondjes.

Ik haalde mijn verfdoos tevoorschijn, mijn papier, mijn penselen, mijn potlood, mijn water.
En ik begon te werken.
Of te spelen.
’t Is maar hoe je ’t bekijkt.

Het is altijd weer wonderlijk om ergens te gaan zitten tekenen of schilderen.
Eerst is er een moment waarop de omgeving de adem inhoudt.
Wie is dat?
Wat komt hij doen?
Je wordt met argwaan bekeken, want je bent geen passant.
Maar dan zien ze het: een artiest!
En het leven herneemt gerustgesteld zijn gewone gang.

Je ziet mensen hun huis verlaten, en een uur later zie je ze weer thuiskomen.
De postbode verschijnt en doet zijn ronde.
Een vrachtwagen stopt en lost zijn vracht.
Twee mensen ontmoeten elkaar en beginnen een levendig gesprek.
En al die tijd zit je daar en sla je het gade.
Want hoewel je zeer geconcentreerd bezig bent, neem je alles waar wat er in je omgeving gebeurt.
Door je bewustzijn op één punt te richten, verruimt het zich tegelijk en wordt veel groter.
Het menselijk bewustzijn kán dat namelijk: punt en cirkel tegelijk worden.
Vreemd genoeg is dat zeer rustgevend.

Terwijl ik al mijn aandacht richtte op specifiek technische problemen – en die zijn er bij aquarel in overvloed – hoorde ik telkens weer psssssst, pssssst, pssssst.
Ik kon het geluid niet thuisbrengen.
Tot ik tussen het groen een (andere) oude vrouw ontwaarde die met een spuitbus de ronde deed.
Ze keek aandachtig naar de bloemen en planten, en dan: pssssst.
Ze bespoot de hele tuin met wat een bus haarlak leek te zijn.
Waarschijnlijk was het insecticide waarmee ze ‘de beestjes’ te lijf ging.
Maar zeker was ik niet.
Op die leeftijd kun je van alles verwachten.

Er kwam een ander oud vrouwtje de tuin binnen.
Ze morrelde aan een deur en ging toen binnen.
Even later kwam ze weer buiten.
Het bleek een Aziatische te zijn, en ik hoorde dat ze een gesprek begon met een andere bewoonster, misschien wel de vrouw-met-de-spuitbus.
Het ging over een andere bewoonster die net gestorven was.
En over het feit dat ze een evangelische en geen katholieke eredienst had gewild.
Iets wat niet in goede aarde viel bij haar familie.
Ik vond het behoorlijk ‘multicultureel’ klinken: een bejaarde Japanse of Chinese die in een Brugs Godshuis woonde en – in het Nederlands! – een levendig gesprek voerde over katholicisme en protestantisme.

Zulke gesprekken hoor je niet wanneer je als luidruchtige toerist met je camera zo’n Godshuis binnendringt.
Waarschijnlijk vinden ze dan ook niet plaats.
Het leven houdt zijn adem in tot de binnendringer weer verdwenen is.
Die binnendringer is trouwens zo vol van zichzelf dat er geen ruimte meer is voor het plaatselijke leven.
Nochtans denkt hij vol te zijn van Brugge.
Dat is de paradox.
De blik waarmee de modale toerist Brugge bekijkt, is vol van zichzelf, van alles wat hij in zich opneemt.
Het is in wezen een naar binnen gerichte blik.
Maar omdat het ook een slapende blik is, ziet hij nauwelijks iets.
Hij kijkt in het donker.
Hij zit in zijn hoofd als in een bioscoop en denkt dat hij naar Brugge kijkt.

De blik waarmee een kunstenaar Brugge bekijkt, is daarentegen helemaal naar buiten gericht.
Het is de onzelfzuchtige blik van iemand die alleen maar oog heeft voor Brugge.
Maar omdat het een wakkere – of beter: ontwakende – blik is, kijkt hij tevens naar binnen.
En wat hij daar ‘ziet’ is louter duisternis, onvermogen, hulpeloosheid.
Godfried Bomans zei ooit: wie iets gemaakt heeft, is deemoedig geweest.
Een kunstenaar is nooit vol van zichzelf wanneer hij aan het werk is.
Hij ondervindt juist hoe ‘leeg’ hij is, hoe weinig hij kan doen om de roep van de schoonheid die hem omringt te beantwoorden.
Tekenen en schilderen – of iedere poging tot kunst – is een nietsontziende confrontatie met jezelf.
En je zou die confrontatie niet overleven als er in al die persoonlijke duisternis geen lichtje begon te branden: je vermogen om iets te scheppen, hoe klein en onaanzienlijk ook.

20130909-144807.jpg

Het is een voortdurend gevecht om dat vlammetje brandend te houden.
Maar wat een vreugde als het even opflakkert en je eraan herinnert: plus est en vous!
Dat was trouwens het devies van de heren van Gruuthuse, wier stulpje aan de Dijver (ik zat er misschien honderd meter vandaan) zowat het tegenovergestelde is van de Brugse godshuizen.
Gruuthuse betekent tussen haakjes niet ‘groot huis’.
Het betekent: huis van het gruut, en gruut was een grondstof voor – u raadt het nooit – het brouwen van bier.
Door dat bier zijn de heren van Gruuthuse steenrijk geworden en – aan hun paleiselijke woning te zien – ook dronken van zichzelf.
Dat is ook het gevaar dat een mens bedreigt wanneer hij het vlammetje in zichzelf – zijn vrije scheppende geest – ontdekt: dat hij dronken wordt van vreugde.
In verband met kunst wordt er vaak gesproken over de ‘scheppingsroes’.
Het is een even extatisch als bedrieglijk gevoel.
Zéér verraderlijk.
Het treedt op wanneer de ontwakende blik weer in slaap valt en begint te dromen over zijn eigen grootheid en voortreffelijkheid.
Het is bekend dat kunstenaars daar nogal eens last van hebben.
Vooral moderne Vlaamse kunstenaars, als je ’t mij vraagt.
Vlaanderen is na een eeuwenlange diepe slaap immers weer ontwaakt.
En het grote gevaar dat Vlaanderen vandaag bedreigt, is dat het opnieuw in slaap valt, dat het er niet in slaagt helemaal wakker te worden.
Iedereen die ’s ochtends wel eens opnieuw in slaap is gevallen, weet dat de ‘tweede slaap’ van een heel andere aard is dan de eerste.
Hoe moeilijk het ontwaken uit de eerste ook is, als je opstaat, verdwijnen de nevels in je hoofd.
Uit de tweede slaap raak je van de hele dag niet meer echt wakker.
Je loopt constant achter de feiten aan in een toestand van verdoving, als een slaapwandelaar.

Dat is ook het gevaar dat de kunstenaar bedreigt: dat hij weer in slaap valt, dat hij begint te dromen over hoe geweldig hij wel is.
Daar helpt maar één ding tegen: werken, opnieuw proberen.
Want dan word je ook weer deemoedig, dan word je weer geconfronteerd met je onvermogen, dan word je weer … kind.
Het is een eeuwigdurend gevecht: tegen de eerste én tegen de tweede slaap.
In het eerste geval doe je niks, blijf je in de schijn-veilige beschutting van je hoofd zitten, en verlies je het vermogen om nog vrij en scheppend te worden.
In het tweede geval steek je je hoofd even buiten, raakt in een roes en blijft steken.
Angst en scheppingsroes: de twee grote vijanden van de kunstenaar.
De twee grote vijanden van de ontwakende mens.

De grootste, de angst voor de buitenwereld, heb ik gisteren (eventjes) overwonnen.
Van de tweede, de roes van het zelf, heb ik voorlopig niet veel last, want er zijn – alweer – geen meesterwerken ontstaan.
Tja, geboren word je niet na één keer persen.
Bevallen kan lang duren.
U weet wel, ars longa …

20130909-145459.jpg

Een avondwandeling

Gisteren mijn ouders gaan bezoeken in Mechelen-waar-is-de-tijd.
Het ouderlijk huis in de Voetbalstraat (waar lang geleden de terreinen van de Malinwa lagen) is verkocht en nu wonen ze in een assistentiewoning of een serviceflat of een rusthuis of een home of hoe die dingen ook genoemd worden.
De gezamenlijke leeftijd van bewoners is in ieder geval aan de duizelingwekkende kant.
Oud, ouder, oudst.
Mijn vader is net 87 geworden.
Mijn moeder is een jong ding van 81.

Na een paar uur geluisterd te hebben naar verhalen over het-leven-zoals-het-is ging ik een luchtje scheppen.
Het was zes uur en de zon neigde reeds ter kimme zoals ze dat in de oude tijd deed.
Alles was rustig, afgezien van de kreten van de dementen.
Ik ontdekte vlakbij een wandelpad dat er zeer uitnodigend uitzag.
Ik kwam meteen in een andere wereld terecht.
Het eerste wat ik zag, was dit:

20130828-101446.jpg

Het waren wel geen Douglassparren, maar ze maakten toch een verdomd Ardeense indruk.
Die had ik echt niet zien komen.
Mechelen mag dan wel dichter bij de Ardennen liggen dan Destelbergen, ik bleef het een merkwaardig zicht vinden.
Toeval, ja dat zal het wel geweest zijn!

Ik wandelde verder, tussen sparren en tuinen.
Groententuinen, siertuinen, speeltuinen, gazontuinen, verwilderde tuinen.
Het leek wel een beeld van mijn leven, met aan de ene kant dat intense verlangen naar een plek op aarde, een huis-met-een-tuin, en aan de andere kant dat hemelbestormende streven van de spar.
Ik wandelde in een werkelijkheid die tegelijk een beeld was.
Maar dat realiseerde ik me op dat moment (nog) niet.
Doen we dat niet allemaal?
Wandelen we niet allemaal in beelden zonder dat we het ons realiseren?

We leven temidden van mysteries, schreef Goethe.
En we verslapen ze grotendeels.
Ook ik.
Maar soms ontwaken we even, zoals wanneer we ’s nachts wakker worden en denken: hé, ik was aan het dromen! Waarna we weer in slaap vallen en verder dromen.
Ook overdag slapen we. Maar op de omgekeerde manier.
We noemen het ‘wakker zijn’, maar in feite verslapen we een hele wereld.
Als we ons van die wereld bewust worden, noemen we dat ‘dromen’.

Ik bevond me tijdens die wandeling inderdaad in een dromerige toestand.
Het was dan ook een betoverende avond.
Overal hing een nauwelijks te definiëren rust.
Een man was in zijn tuin aan het harken, een uitermate keurige en verzorgde tuin.
In een andere tuin waren twee jonge honden aan het dollen, terwijl een klein meisje stond te kijken.
Nog wat verder klonk bestek: een gezin zat onder een boom te eten.
Vredig was het allemaal.
Het eenvoudige leven, ver weg van alle drukte.
Een droom. Maar tegelijk heel concreet en nuchter.
Want al die stille tuinen, met hun zonoverschenen gazons en lommerrijke bomen, getuigden van zorgzaamheid en vlijt.
Hier woonden nijvere mensen, die een droom gerealiseerd hadden: een huisje met een tuintje.
En ik benijdde hen.
Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Een plek om te wonen, te werken, te spelen.

Ik dacht aan de krankzinnige autostrade waar we net vandaan kwamen.
Twee baanvakken vol vrachtwagens.
De hele dag door, zonder onderbreking.
Is dat allemaal echt nodig?
Kan het echt niet met wat minder?
Een stukje groen om in te wonen, een stukje groen om in te werken, een stukje groen om op te eten, een stukje groen om naar te kijken, een stukje groen om in te wandelen, een stukje groen om te schilderen.
Wat wil een mens nog meer?

Goethe antwoordde op die vraag: iets anders.
De mens wil iets anders.
Dat is la condition humaine, het menselijk gebrek.
We willen allemaal iets anders.
We willen allemaal een andere wereld.

Het tragische is dat die ‘andere wereld’ reeds bestaat.
We zien hem alleen niet.
Want we slapen, en noemen dat ‘wakker zijn’.
En wanneer we even ontwaken, noemen we dat ‘dromen’.
En dromen zijn bedrog.

Maar de droom die ik gisteren beleefde was heel concreet.
En ik was heel wakker.
Ik beeldde me die sparren niet in.
En die huizen-met-tuin staan er ook vandaag nog.
Maar er was ook iets wat er niét iedere dag is.
En dat was die onbeschrijflijk tere zomeravond.
Felix Timmermans zou gezegd hebben: er dreef wierook door de lucht …

Ik realiseerde me opeens dat de zon inmiddels in Maagd was gekomen.
En ja, die bijna heilige rust, het stille bezig zijn in huis en tuin, het vlijtige zorgen voor het leven, het realiseren van kleine dromen: het was allemaal typisch Maagd.
En Mechelen is een typische Maagd-stad.
Vroeger stond in het centrum van de stad, pal in het midden van de Grote Markt, het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden (jaja, Mechelen was ooit de hoofdstad van Vlaanderen én Nederland), die het grootste deel van haar leven ‘als maagd’ heeft doorgebracht.
In de voortuin van de Koninklijke Academie stond vroeger ook het beeld ‘Huiselijke Zorgen’ van Rik Wouters. Eveneens een typisch Maagd-beeld.
Het is inmiddels ook verdwenen.
Maagden zijn immers niet cool.
Maagdelijkheid is niet modern.
Mechelen wil natuurlijk wél modern zijn en schaamt zich voor haar Maagdelijkheid.
Daarom moeten die typische Maagd-beelden uit het zicht verdwijnen.

Er is echter één beeld dat ze niet van zijn plaats krijgen: de Sint-Romboutstoren.

20130828-114024.jpg

Deze imposante toren moest de grootste ter wereld worden: 167 meter.
Men is blijven steken op 97 meter.
Want het geld was op.
Sindsdien (1520) staat de stompe toren daar, van heinde en verre zichtbaar, als een symbool van het geknakte Douglassparstreven van de oude hoofdstad der Nederlanden.
Mechelen was ooit een stad die naar het hoogste streefde.
Maar ze heeft haar al te grote droom niet kunnen waar maken.
Ze is halverwege blijven steken.
Zoals Margaretha van Oostenrijk met haar doodgeboren kind.
Mechelen is als één grote pièta.
Een stad vol kerktorens.
Een stad vol scholen.
Een stad met meer historische gebouwen dan Brugge.
Een stad die ooit weergaloos mooi moet zijn geweest, met al haar inmiddels dichtgegooide reien.
Maar die een oude vrijster is geworden omdat haar kind, haar grote droom, gestorven is.

De Sint- Romboutstoren-zonder-spits is een versteende vrouw-zonder-kind.
Nee, er is geen twijfel mogelijk: Mechelen is een Maagd-stad.
Toen ik er opgroeide, was het een slapende, vergeten stad.
Een stad vol stille dromen.
Toen Baudelaire – die een hekel had aan België – het Mechelse begijnhof bezocht, zei hij (of zou hij gezegd hebben): hier wil ik komen sterven!
Ja, Mechelen was toen één grote ‘assistentiewoning’.
Maar nu is Mechelen ontwaakt.
Het heeft de stap naar het moderne leven gezet.
Het droomt nu niet meer.
Het denkt dat het wakker is.

Maar soms, op zomeravonden als gisteren, kun je die betoverende Maagdelijke sfeer van het oude Mechelen nog waarnemen.
Ik voelde ze al toen ik over de brug van Temse reed, waar de Schelde zo majesteitelijk breed is.
Van dan af wordt alles stelselmatig kleiner, althans in uiterlijke zin.
Maar innerlijk voel je als het ware het naderen van ‘het kind’.
En dat wekt een stille ontroering.

Die stille ontroering voelde ik ook toen ik op dat smalle wandelpad liep.
Er was eigenlijk niks bijzonders te zien, het was allemaal heel gewoon en heel burgerlijk.
En toch droeg een belofte van hemelse dingen in zich.

Ja, zo stel ik mij de hemel voor, althans in het begin.
Als een groene wereld waar een diepe rust heerst, waar de zon zijn zachte gouden stralen over uitgiet en waar iedereen met heel gewone dingen bezig is, vol verwachting van de Grote Droom die langzaam nader komt en die in feite de Grote Werkelijkheid is, de werkelijkheid die we hier slechts in beelden waarnemen.
Als we tenminste wakker worden uit de droom dat we wakker zijn …

20130828-121959.jpg

Ik had de sparren inmiddels achter me gelaten en drong steeds dieper door in een steeds groenere wereld.
In de verte hoorde ik een koe loeien, ook weer een typisch Ardeens geluid.
Het leek wel of België werkelijk één werd.
Maar ik vond dat die Vlaamse koe toch wel behoorlijk luid loeide.
Het machtige geluid spande een onzichtbaar gewelf over de hele streek.
Toen realiseerde ik me dat het geen koe was die ik hoorde.
Het was een … leeuw!

Ik naderde namelijk de Leuvense vaart en aan de overkant van die vaart ligt Planckendael, de dierentuin.
En vandaar klonk dat indrukwekkende gebrul.
Het was alweer een beeld: de Vlaamse leeuw die af en toe wel eens brult, maar niemand nog schrik aanjaagt omdat hij opgesloten zit in een kooi ter vermaak van de toeristen.

Maar het was welletjes geweest met al die beelden.
Van te veel beelden wordt een mens dronken, en ik moest nog rijden.
Ik ging even op een bank aan het water zitten, het spiegelgladde water van de loodrechte Leuvense vaart.
Naast me zat iemand te vissen vanuit zijn auto.
Achter mijn rug reden de wielertoeristen in trosjes voorbij.
Hijgende joggers passeerden.
In de tuin van een riante villa zag ik midden op het gazon een enorme rode plastic hond staan.
Hedendaagse Kunst!
Tijd om terug te keren.
Ik wandelde het pad weer af.
De zon was achter de bomen verdwenen.
De betovering was verbroken.
Was dit dezelfde wereld waar ik nog maar net doorgewandeld was?
Mijn verstand zei ja.
Maar mijn hart herkende niets meer.

Afscheid genomen, handen gezwaaid en de autostrade weer op.

Maar hé, wat was dat daar?
Tussen de struiken op de middenberm door ving ik glimpen op van een zon die sprookjesachtig onderging tussen allemaal roze wolkjes, als een moeder te midden van haar kinderen, gloeiend van trots.
Maar nee, het was geen trots.
Dit was niet meer de blakende augustus-zon.
Dit was een veel mildere zon, een Maagd-zon.
Ze straalde. Letterlijk.
Je kon haar stralen zien.

Het was gelukkig niet zo druk meer op de autostrade.
Maar toch nog niet zo rustig dat ik had kunnen uitstappen om een foto te nemen.
Dat kon vroeger nog wel, toen de wereld nog niet zo diep in slaap lag en droomde dat hij wakker was.
Ik herinner me nog dat we 40 jaar geleden met vijf vrienden in een kleine Mazda over de autostrade reden. Richard zat aan het stuur.
Hij had niet alleen een leeuwenhart, hij was ook een onverbeterlijke speelvogel.
We keken naar buiten. Het was een grijze dag.
Iemand zei: regent dat nu of niet?
Onmiddellijk ging Richard op de rem staan, stapte uit en hield zijn handpalmen omhoog.
Nee, schudde hij het hoofd, ik voel niks.
Waarna hij weer instapte en verder reed.
Ja, dat kon toen nog.

Nu kon ik alleen maar vanuit de auto naar de zon kijken.
En luisteren naar Simon & Garfunkel.

Hello darkness, my old friend;
I’ve come to talk with you again.
Because a vision softly creeping
Left its seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains within the sound of silence.