Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Weihnachtstagung

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (12)

  

De wereld schreeuwt om karmabewustzijn. Zij heeft dit ‘ontwakende’ bewustzijn nodig om niet ten gronde te gaan aan de zelfvernietigende strijd tussen de tegenpolen. Geen wonder dat de tegenmachten onmiddellijk reageerden toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung dit nieuwe bewustzijn boven de doopvont hield. Na afloop werd hij ‘als door een zwaardhouw getroffen’, zoals Marie von Sivers het uitdrukte. De brand van het Goetheanum had hem al fel verzwakt, maar deze tweede aanslag op zijn krachten werd hem fataal. Een goed jaar later overleed hij, na een lange en pijnlijke ziekte. Meteen sloegen de tegenmachten een derde keer toe: de antroposofische beweging werd het toneel van een nietsontziende broederstrijd die daarna uitdeinde over Duitsland en ten slotte heel Europa in twee scheurde. Maar daarmee was het niet afgelopen. Vandaag laait die strijd opnieuw op en dit keer dreigt hij de hele menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ te brengen. 

Deze onheilspellende woorden gebruikte Rudolf Steiner toen hij sprak over oude en jonge zielen, het karmathema dat destijds hevige weerstanden opwekte, en dat vandaag nog altijd doet. Hoe pijnlijk deze weerstanden ook zijn in het licht van de wereldgebeurtenissen, ze openen tegelijk onvermoede perspectieven. Ze maken immers deel uit van de vernietigingskrachten die momenteel huishouden in de wereld en ons door hun enorme afmetingen verlammen. Dat ze de ontwikkeling van het karmabewustzijn in de antroposofische beweging saboteren is tragisch genoeg, maar ze hebben er wel niet langer dat overweldigende, apocalyptische karakter. En dat hebben we te danken aan de ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Hun ‘banale’ Urnenstreit ontwikkelde zich weliswaar tot een brand die antroposofische beweging (voor de tweede maal) in de as legde, maar ze klaarde tegelijk de lucht zodat we vandaag vrijer kunnen ademen en de vernietigingskrachten onder ogen zien. 

Ita Wegman was karmisch zeer sterk verbonden met Rudolf Steiner. Sinds oeroude tijden vormden deze twee zielen een onafscheidelijk duo. Aan het begin van de 20ste eeuw ontmoetten ze elkaar opnieuw, een ontmoeting die voor beiden van zeer grote betekenis was. Rudolf Steiner had echter het karma van Karl Julius Schröer overgenomen en zich verbonden met Marie von Sivers die 21 jaar lang zijn rechterhand zou zijn. Evenzovele jaren werd Ita Wegman verhinderd haar karmische band met Rudolf Steiner te vernieuwen. Men kan zich voorstellen wat dat in haar ziel teweeg heeft gebracht. En wat heeft het in de ziel van Marie von Sivers teweeg gebracht toen ze na 21 jaar de belangrijkste persoon in het leven van Rudolf Steiner te zijn geweest, plaats moest ruimen voor een andere vrouw? Het karma dat toen aan het werk was, vlocht intiem-persoonlijke en wereldhistorisch-bovenpersoonlijke elementen door elkaar en creëerde grote spanningen tussen beide vrouwen.

Marie von Sivers reageerde anders op die spanningen dan Ita Wegman, niet alleen omdat ze een ander temperament had, maar ook omdat ze een heel andere wereld vertegenwoordigde. Het is een hele opgave om de twee werelden die na de dood van Rudolf Steiner met elkaar in botsing kwamen in beeld te brengen, maar de eenvoudigste en veiligste manier om daarmee te beginnen is door ze te karakteriseren als een oude en een nieuwe wereld. Dat zijn natuurlijk verzamelbegrippen, zoals ook oude en jonge zielen dat zijn, maar ze vormen een aanzet, een eerste poging om karmisch licht te brengen in die toch wel zeer duistere periode tussen 1925 en 1935. Belangrijk om weten is dat Marie von Sivers en Ita Wegman zich uiteindelijk met elkaar verzoend hebben. Kort voor haar dood verklaarde Ita Wegman dat niets hun toekomstige samenwerking met Rudolf Steiner nog in de weg stond. En later zou Marie von Sivers erkennen dat de uitsluitingen een fout waren geweest. 

Als we de zusterstrijd die Marie von Sivers en Ita Wegman uitvochten vruchtbaar willen maken, dan moeten we hem in ons bewustzijn voortzetten. We moeten proberen het oerbeeld te begrijpen dat hun strijd zo diep in de antroposofische herinnering heeft gegrift. De sleutel tot dat oerbeeld heeft Rudolf Steiner ons gegeven toen hij in zijn karmavoordrachten het zielenthema onthulde. Hij wist heel goed welke spanningen er heersten tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, en wat de geestelijke achtergrond ervan was. Toen Ita Wegman hem op een keer vertelde dat ze weer eens van mening verschilde met Marie von Sivers, antwoordde hij lachend: ‘Let maar op dat ik jullie straks nog herken!’ Daarmee raakte hij iets heel wezenlijks aan en Ita Wegman voelde dat zijn grapje – zoals zo vaak – ernstig bedoeld was. Wie ooit een antroposofische ruzie heeft meegemaakt, weet dat het akeligste aspect van zo’n broederstrijd is dat mensen onherkenbaar worden, dat ze veranderen in volslagen vreemden. 

Rudolf Steiner moet heel goed geweten hebben wat er na zijn dood kon gebeuren, en hij heeft er in zijn karmavoordrachten op geanticipeerd. Toch waren deze voordrachten niet bedoeld voor zijn leerlingen van toen. Afgezien van het feit dat slechts weinigen ze hadden kunnen bijwonen, was er ook helemaal geen tijd geweest om hun inzichten te verwerken. Het karmabewustzijn had nauwelijks de kans gekregen om te ontluiken en kon dan ook geen vuist maken tegen de frontale aanval van de tegenmachten, een aanval die zowel van buiten als van binnen kwam. Nee, de karmavoordrachten waren voor ons bedoeld, voor degenen die vandaag kunnen terugkijken op de Grote Ruzie waarvan Rudolf Steiner wist dat ze hoe dan ook zou komen. Daarom had hij tijdens de Weihnachtstagung de gevolgen op zich geladen. Zonder zijn offer zou de antroposofische beweging vandaag niet meer bestaan. Ze zou ten onder zijn gegaan aan de vernietigende krachten die na zijn dood vrij spel kregen. 

Vandaag leeft de antroposofische beweging vanuit de opstandingskrachten die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen door zijn offerdood. Maar ze leeft slechts in de mate dat we ons die opstandingskrachten eigen maken, en dat doen we door inzicht te ontwikkelen in het sterven van de antroposofie. Wanneer we naar de antroposofische beweging kijken, dan zien een beweging die overmand is door doodskrachten. Een aantrekkelijk schouwspel is dat niet, zeker niet als men bezield wordt door vurige idealen, en de verleiding is dan ook groot om dit sterven te negeren. Maar wat we niet bewust onder ogen zien, werkt onbewust. Zonder het te beseffen spannen we ons voortdurend in om het naderende einde af te wenden, en het zijn juist die blinde, door angst ingegeven, pogingen die de broederstrijd opnieuw doen oplaaien, zoniet binnen de antroposofische beweging, dan toch erbuiten. Want de wereld betaalt een zware prijs voor ons onvermogen het eigen sterven onder ogen te zien.

We realiseren ons niet dat we, net als Parsifal, tegenover een zieke Visserkoning staan en verzuimen de vraag te stellen naar zijn lijden, het lijden van iemand die stervende is maar (dankzij de opstandingskrachten van de graal) toch in leven blijft. Het enige wat de zieke uit dit lijden kan verlossen, is inzicht in de aard en de oorsprong van dat lijden. Daarvoor moet de Visserkoning echter een Parsifal worden die tegenover zijn eigen lijden gaat staan en de verlossende (karma)vraag stelt. In de Visserkoning herkennen we niet alleen de ouder wordende mens die terugkijkt op zijn voorbije leven, maar ook de oude antroposofie die zich terugplooit op zichzelf. In Parsifal herkennen we diezelfde oude antroposofie die steeds objectiever tegenover zichzelf komt te staan en langzaam ontwaakt uit de droom. Daardoor wordt ze zich bewust van haar eigen ‘koninklijke’ aard, maar is daar aanvankelijk zo diep van onder de indruk dat ze niet ziet hoe zwaar gewond ze wel is. 

Datzelfde (oer)beeld kunnen we ook herkennen in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Frau Steiner was een Visserkoning(in), een ‘gewonde’ oude ziel die als het ware in twee gedeeld was: het ene moment warm en hartelijk, het volgende moment ijskoud en messcherp. Ita Wegman was eveneens een koninklijke oude ziel, maar ze was veel ‘gezonder’ dan Marie von Sivers, veel aardser, veel moderner ook. Terwijl Marie von Sivers zich van meet af ten dienste stelde van Rudolf Steiner en zelfs officieel zijn vrouw werd (aldus gehoorzamend aan de vormen van het verleden), ging Ita Wegman haar eigen, onafhankelijke weg. Pas toen ze helemaal op eigen benen stond, stelde ze zich ten dienste van Rudolf Steiner. Marie von Sivers had dat veel eerder gedaan, en wel uit bewondering voor de ‘koninklijke’ grootheid van Rudolf Steiner. Ita Wegman deed het uit medelijden met de mens Steiner, die zwaar gewond werd toen de brand het Goetheanum vernietigde.

Door dit medelijden werd haar karmabewustzijn geboren en kon ze de verlossende Parsifalvraag stellen, de vraag naar de nieuwe mysteriën, naar de wederopstanding van de (gestorven) antroposofie. Dankzij die vraag kon de Weihnachtstagung plaatsvinden en kon Rudolf Steiner – eindelijk – vrijuit spreken over het karma, zowel dat van de antroposofische beweging als dat van hemzelf en Ita Wegman. Ook Marie von Sivers had Rudolf Steiner destijds een verlossende vraag gesteld, de vraag die de geboorte van de antroposofie mogelijk maakte. Maar die vraag kwam (nog) niet voort uit karmabewustzijn, want daar wilde ze niks van weten. Telkens ze met Rudolf Steiner op doortocht was in Keulen, troonde hij haar mee naar het graf van Albertus Magnus, van wie hij wist dat het een van haar vroegere incarnaties was. Marie von Sivers – die het hart op de tong droeg – mopperde dan: weeral dat graf, hebben we dat nu nog niet genoeg gezien! Het kwam niet in haar op dat Rudolf Steiner haar iets wilde vertellen. Ze wilde het ook niet horen.  

Op een hoger niveau herkennen we in Rudolf Steiner de lijdende Visserkoning. Enerzijds was hij een koninklijke geest, de behoeder van de goddelijke graalgeheimen. Anderszijds was hij ‘een man van smarten’ die zwaar gebukt ging onder het lijden van de mensheid. Op datzelfde niveau herkennen we in Marie von Sivers en Ita Wegman twee stadia van de Parsifalweg. Marie von Sivers is de jonge Parsifal die onverwachts in de graalburcht terechtkomt en daar de Visserkoning ontmoet. Ze is zo onder de indruk van zijn grootheid dat ze zich, zoals het een ridder past, meteen in zijn dienst stelt. Omstreeks dezelfde tijd ontmoet ook Ita Wegman Rudolf Steiner, maar anders dan Marie von Sivers is ze niet onder de indruk en vervolgt haar eigen weg. Pas veel later komt ze terug in (antroposofische) graalburcht, maar ze is dan wel in staat de verlossende Parsifalvraag te stellen, omdat ze in de koninklijke Rudolf Steiner de lijdende mens herkent, haar metgezel, haar mensenbroeder. 

Dankzij dit oplichtende karmabewustzijn – dat in de mens zowel de ‘koning’ als de ‘broeder’ ziet – kan ze de fakkel van de stervende Rudolf Steiner overnemen en wordt ze de nieuwe ‘graalkoning’. Zo behandelt Rudolf Steiner haar ook: als ‘de leerling die hij liefhad’, als zijn opvolger. Maar deze kroning was tegelijk een kruisiging, dit hoogtepunt was tegelijk een nieuw begin. Ita Wegman, de oude ziel, wordt weer jong. Als een onstuimige Parsifal komt ze tegenover de oudere Marie von Sivers te staan. En ze faalt, ze verzuimt de vraag te stellen naar het lijden van deze koninklijke ziel. Als beide vrouwen met de auto terugkeren van de crematie van Rudolf Steiner – een wel zeer moderne versie van de graallegende – is Ita Wegman vol van de (koninklijke) taak die haar is toebedacht en ze heeft geen oog voor Marie von Sivers die door het sterven van Rudolf Steiner diep gewond is. Ze blijft blind voor het lijden van de ‘koningin’ en dat wekt verontwaardiging bij haar hofhouding: ze wordt zonder pardon uit de graalbrucht gezet.  

Zoals Ita Wegman destijds Rudolf Steiner niet herkende en daarvoor ‘gestraft’ werd met een eenzaam bestaan als dolende ridder, zo herkent ze nu ook Marie von Sivers niet en wordt andermaal ‘gestraft’ met een eenzaam bestaan buiten de antroposofische vereniging, veracht en bespuwd door de bewoners van deze graalburcht. Het is de herhaling van een oerbeeld, maar tegelijk de omkering ervan: de nieuwe graalkoningin had de oude van haar troon gestoten, maar ondergaat nu zelf dat lot. Dat maakt deel uit van haar nieuwe karmabewustzijn: ze wordt onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen van haar daden. Ze ondervindt aan den lijve wat het is om … Marie von Sivers te zijn en na een intense samenwerking met Rudolf Steiner aan de kant te worden geschoven. Maar ook Marie von Sivers beleeft nu wat het is om Ita Wegman te zijn en iemand ‘brutaal’ van zijn troon te stoten. Beide opponenten verwisselen als het ware van plaats en beleven de ander van binnenuit.

Wat beide vrouwen na de dood van Rudolf Steiner meemaken, is wat we na de dood allemaal meemaken. We beleven onszelf dan gezien door de ogen van de anderen. Wie zichzelf ooit ‘per ongeluk’ in de spiegel heeft gezien, zonder te beseffen dat hij naar zichzelf keek, weet hoe schokkend zo’n ervaring is. Na de dood van Rudolf Steiner hebben Marie von Sivers en Ita Wegman zichzelf gezien (en beleefd) met de ogen van de ander en dat moet hen diep geschokt hebben. Wat anders pas na de dood mogelijk wordt, onder leiding van ‘deskundige geesten’, moesten ze nu bij leven en op eigen kracht doormaken. Ita Wegman was zich van deze dimensie meer bewust dan Marie von Sivers. Ze reageerde dan ook niet op de vernietigende oordelen van deze laatste en haar hofhouding. Marie von Sivers had daar meer tijd voor nodig. Ita Wegman ‘worden’ moet voor haar een overrompelende ervaring zijn geweest. Maar ze overleefde het en stak uiteindelijk een verzoenende hand uit die Ita Wegman diep ontroerde. 

Wat zich tussen deze twee zielen heeft afgespeeld was een ‘openbare inwijding’, een moderne inwijding, een inwijding van de toekomst. Onder leiding van Rudolf Steiner hadden Marie von Sivers en Ita Wegman nog een oude inwijding ondergaan, want hoe modern de antroposofie ook was, ze bestond nog altijd bij de gratie van een grote ingewijde. In Rudolf Steiner dook het hele mysterieverleden van de mensheid in de openbaarheid op en werd er getransformeerd tot een mysterietoekomst. In die toekomst zullen mensen niet meer worden ingewijd door een ‘ster die uit de hemel is komen vallen’, ze zullen elkaar inwijden. Het oerbeeld daarvan zien we in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Alleen al het feit dat het allebei vrouwen zijn, geeft aan dat het oude ‘mannelijke’ inwijdingswezen een ingrijpende verandering heeft ondergaan. De intense dramatiek waarmee dat gepaard ging, geeft aan hoe ontzettend moeilijk het is om die stap van oud naar nieuw te zetten.

Toen men Ita Wegman eens vroeg hoe ze zo kalm kon blijven onder dat spervuur van beschuldigingen en scheldpartijen antwoordde ze: ach, dat is toch maar maya, op geestelijk niveau ziet het er allemaal heel anders uit. Wat we ons van de Grote Ruzie nog kunnen herinneren (via documenten en getuigenissen) ziet er op het eerste gezicht heel lelijk uit. Maar juist door die lelijkheid – de lelijkheid van de dood – onder ogen te zien en ons hart erdoor te laten beroeren (hoe pijnlijk en beschamend dat ook is) dringen we langzaam door tot de karmische dimensie van wat we liefst zouden vergeten. Er wordt dan een waarlijk ‘koninklijk’ oerbeeld zichtbaar: twee tegengestelde zielen die elkaar inwijden in de nieuwe mysteriën. En dat zijn karmamysteriën, openbare mysteriën die zich niet in de beslotenheid van een mysterietempel afspelen, maar in het dagelijks leven. Dat is het geheim van onze tijd: de hele wereld is een graalburcht geworden en wij zijn allemaal Visserkoningen en Parsifals, Marie von Siversen en Ita Wegmans. 

Antroposofie en karmabewustzijn (11)

  

Karma reikt van de hoogste geestelijke regionen tot de diepste aardse gebieden. Het is een kunstwerk dat de hele werkelijkheid omvat. Hoe begin je eraan om een onderwerp van die dimensies te bestuderen? Klein, heel klein. Rudolf Steiner maant ons aan het karma niet alleen met de grootst mogelijke eerbied te benaderen, maar ook onze aandacht te richten op wat hij ‘imponderabelen’ noemt: kleinigheden waar we geen gewicht aan toekennen. Laten we dat eens proberen met de gebeurtenissen na Steiners dood, want toen ontrolde zich een karma met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de antroposofische vereniging maar voor de hele wereld. Na de uitsluitingen van 1935 verklaarde Elisabeth Vreede dat de dam tegen het nationaalsocialisme nu was gebroken, en eerder al had Ita Wegman voorspeld dat Hitler aan de macht zou komen indien de antroposofen er niet in slaagden hun ruzies bij te leggen. Het loont dus de moeite om een blik te werpen op de karmische dimensie van deze noodlottige periode.

Het belang van wat zich tussen 1925 en 1935 afspeelde in de Antroposofische Vereniging kan moeilijk overschat worden, en toch moeten we de aandacht richten op details, op dingen die er schijnbaar niet toe doen. Zo’n detail was de ruzie waar het allemaal mee begon: Marie von Sivers en Ita Wegman kunnen het niet eens worden over de plaats waar de as van Rudolf Steiner moet komen. Banaler dan deze Urnenstreit kan het niet worden en toch was dit onnozele voorval het topje van een ijsberg die het antroposofische schip lek zou slaan. De kunst bestaat erin deze ijsberg – de karmische dimensie van het voorval – boven water te krijgen. Marie von Sivers wilde de as op haar kamer hebben, terwijl Ita Wegman vond dat ze voor iedereen toegankelijk moest zijn. De twee vrouwen benaderden de zaak respectievelijk vanuit een persoonlijk en bovenpersoonlijk standpunt. Karma verbindt beide standpunten, en dus kunnen we nu reeds concluderen dat de ruzie een gevolg was van gebrek aan karmabewustzijn. 

Marie von Sivers vertegenwoordigde het persoonlijke standpunt en deed dat op een persoonlijke manier. Ita Wegman vertegenwoordigde het bovenpersoonlijke standpunt, maar deed dat eveneens op een persoonlijke manier. Als zij zich werkelijk bewust was geweest van de karmische dimensie van het gebeuren, zou zij dan een ruzie geriskeerd hebben die zo’n verstrekkende gevolgen kon hebben? Zij moet toch, zoals iedereen, geweten hebben dat Marie von Sivers een emotionele, licht ontvlambare natuur had. Als ze haar de tijd had gegeven om de dood van haar echtgenoot te verwerken, dan zou ze na verloop van tijd zelf wel hebben ingezien dat de urne niet haar persoonlijke bezit kon blijven, en de fatale ruzie zou vermeden zijn. Maar dat deed Ita Wegman niet, ze volgde haar eigen natuur, zoals Marie von Sivers de hare volgde. Het resultaat was een botsing, niet alleen tussen twee zeer persoonlijke naturen, maar ook tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke. 

De urnen – merkwaardig genoeg waren het er twee – vormen een tweede imponderabele in deze geschiedenis. Ze kunnen beschouwd worden als een beeld van het verleden. Met dat verleden was Marie von Sivers veel sterker verbonden dan Ita Wegman. Ze was getrouwd geweest met Rudolf Steiner, ze had samen met hem aan de wieg gestaan van de antroposofie en ze had hun beider ‘kind’ gedurende 21 jaar zien opgroeien. Ita Wegman daarentegen was pas op het toneel verschenen toen het Goetheanum – de ‘samenvatting’ van het antroposofische verleden – in vlammen opging. Haar blik was op de toekomst gericht, zij stond aan de wieg van de nieuwe mysteriën die de plaats van de oude moesten innemen. Beide vrouwen belichaamden de grootst mogelijke tegenstellingen: persoonlijk en bovenpersoonlijk, verleden en toekomst, oude en nieuwe mysteriën, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung en de antroposofie van na de Weihnachtstagung. Er gaapte een diepe kloof tussen beiden. 

Een derde ‘imponderabele’ duikt tien jaar later op, wanneer Ita Wegman en Elisabeth Vreede uit de Vorstand worden gezet, vooral door toedoen van Marie von Sivers en Albert Steffen. Toevallig – of juist niet – zijn beide uitgeslotenen nuchtere, wetenschappelijke geesten (Wegman is arts en Vreede is wiskundige), terwijl de ‘uitsluiters’ kunstenaars zijn, gevoelige zielen (von Sivers is actrice en Steffen is dichter). De tegenstelling kunst-wetenschap die hier zichtbaar wordt, maakt het opnieuw een stuk begrijpelijker waarom zo’n banale ruzie zo’n enorme gevolgen kon hebben. Maar tegelijk maakt het de zaak ook een stuk complexer. Want het trekken van scherpe grenzen, het maken van onderscheid, het vasthouden aan de juiste methode, het uitzuiveren van een zaak, kortom al de factoren die zo’n grote rol speelden bij de uitsluitingen van 1935: horen die niet bij de wetenschappelijke geest? Toch treffen we ze hier aan bij de twee kunstenaars uit het bestuur. Hoe valt dat te verklaren?

De kloof tussen kunst en wetenschap maakt duidelijk dat het in deze kwestie om heel wat meer gaat dan een simpele tegenstelling. Het gaat om een polariteit. We komen er niet door alleen maar naar de verschillen te kijken, we moeten ook kijken naar wat beide partijen gemeen hadden. Marie von Sivers en Albert Steffen waren kunstenaars, maar ze gedroegen zich als wetenschappers, als mensen die het kaf van het koren scheiden. Ita Wegman en Elisabeth Vreede waren dan weer wetenschappers die zich gedroegen als kunstenaars: ze probeerden te verbinden, te verzoenen, te verenigen. Beide partijen droegen dus de polariteit kunst-wetenschap in zich, zij het op een geheel andere manier. Het was gebrek aan inzicht in de complexe relatie tussen kunst en wetenschap waardoor ze diametraal tegenover elkaar kwamen te staan. En dat was een gebrek aan karmabewustzijn, want karmabewustzijn is polariteitsbewustzijn: het impliceert niet alleen inzicht in wat de tegenpolen scheidt, maar ook in wat ze verbindt. 

Karmabewustzijn overstijgt het oude dualistische bewustzijn dat in louter tegenstellingen denkt. Maar dat betekent niet dat de tegenstellingen hun geldigheid verliezen, wel integendeel. Met de Weihnachtstagung roept Rudolf Steiner zelfs een nieuwe tegenstelling in het leven. Na afloop zegt hij dat iedereen ervan doordrongen moet zijn dat er een volledige heroprichting en vernieuwing van de Antroposofische Vereniging heeft plaatsgevonden. Er moet gebroken worden met oude gewoonten en er dient op een nieuwe manier te worden omgegaan met de antroposofische inhouden. Voortaan moet er ‘vanuit het hart tot het hart’ worden gesproken. Telkens weer komt Rudolf Steiner daar op terug. Hij laat er geen twijfel over bestaan: er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de oude antroposofie-van-het-hoofd en de nieuwe antroposofie-van-het-hart. Er kan dus geen sprake van zijn dat karmabewustzijn het denken-in-tegenstellingen afwijst. Het tegendeel is het geval.

Karmabewustzijn keert zich niet tegen het dualistische bewustzijn, het keert zich naar dat bewustzijn, als een pasgeboren kind naar zijn moeder. In de blik van dat kind ligt herkenning: het her-kent zijn moeder. Het dualistische bewustzijn waar het tot voor kort nog deel van uitmaakte, ziet het nu van aangezicht tot aangezicht, en het gaat er een intense relatie mee aan. Deze relatie doet de (door de moeder belichaamde) tegenstelling niet teniet, maar voegt er nog een tegenstelling aan toe: die tussen moeder en kind. Dat maakt van het karmabewustzijn een ‘driegeleed’ bewustzijn. We zouden ook kunnen zeggen dat het dualistische bewustzijn zich bewust wordt van zichzelf, het wordt wakker. Dat impliceert natuurlijk dat het in-tegenstellingen-denkende bewustzijn zoals we dat nu kennen, niet wakker is. Het ‘slaapt’ omdat het alleen de materiële wereld ziet en geen onderscheid maakt tussen materie en geest. Dat is de paradox van het dualisme: het maakt niet te veel maar te weinig onderscheid. 

Rudolf Steiner hamert er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Het grote probleem van onze tijd is dat we slapen, niet fysiek maar geestelijk: we nemen de geestelijke werkelijkheid niet waar. Dat komt doordat we de materiële werkelijkheid zo helder waarnemen, want beide waarnemingen – de materiële en de geestelijke – sluiten elkaar uit, zoals we ook niet tegelijk de zon en de sterren kunnen zien. Het is het een of het ander. Wakker worden, zoals Steiner het bedoelt, kan dus niet betekenen dat we ontwaken voor de (sterren)wereld van de geest en tegelijk inslapen voor de (zonne)wereld van de materie. Dat zou gewoon een omkering zijn en geen vooruitgang, wel integendeel. Wakker worden in de zin van Steiner, betekent dat we beide werelden tegelijk leren waarnemen, dat we ons bewust worden, niet van de geest naast de materie, maar van de geest in de materie. Karmabewustzijn is dus meer dan bewustzijn van de geest, het is bewustzijn van geest en materie. 

Juist omdat geest en materie elkaar in ons bewustzijn uitsluiten – wakker worden voor het één betekent inslapen voor het ander – is karmabewustzijn noodzakelijkerwijs een drieledig bewustzijn. Het kind dat na de geboorte tegenover zijn moeder komt te staan, neemt beide polen van haar wezen waar: de materiële (fysieke) pool en de geestelijke (innerlijke) pool. Maar die waarneming is nog in hoge mate dromerig. Zonder het te beseffen pendelt het kinderlijke bewustzijn tussen beide polen heen en weer, waardoor ze in elkaar vloeien. Het maakt nog geen echt onderscheid, noch tussen beide aspecten van zijn moeder, noch tussen zijn moeder en zichzelf. Naarmate dat onderscheidingsvermogen toeneemt, groeit ook zijn zelfbewustzijn. Wie zich bewust wordt van de tegenstellingen in de wereld, wordt zich ook bewust van de tegenstelling tussen zichzelf en de wereld. De mens dankt zijn ik-gevoel aan zijn dualistische bewustzijn, aan zijn vermogen om onderscheid te maken en zijn aandacht van de ene pool naar de andere te verplaatsen. Op die manier wordt hij wakker voor de wereld en voor zichzelf.

Het oerbeeld van dit vermogen om te (onder)scheiden is de geboorte: de mens maakt zich los van zijn moeder. Daardoor wordt hij een op zichzelf staand wezen. Het hele verleden van de mensheid kan gezien worden als één grote geboorte: het (ontzettend moeilijke en pijnlijke) zich losmaken uit het moederlichaam ofte de geestelijke wereld. Vandaag bevinden we ons op het keerpunt der tijden: de geboorte is voltooid en de mens moet opnieuw toenadering zoeken tot zijn geestelijke moeder, want geen enkele pasgeborene kan op eigen kracht overleven. Deze toenadering impliceert een enorme ommekeer: de krachten die moeder en kind gescheiden hebben, moeten plaatsmaken voor krachten die moeder en kind verbinden. Of nog: het hoofd, dat zich een weg gebaand heeft naar de vrijheid, moet plaats maken voor het hart dat verbinding zoekt. En dat gebeurt ook: op ieder gebied wordt vandaag verbeten naar verbinding gestreefd alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhangt.

En dat is ook zo: als de hoofdkrachten zich blijven verwijderen van de (moeder)geest dan gaat de mensheid ten gronde. Daarom zijn de verbindende krachten zo nietsontziend: het zijn blinde overlevingskrachten. Ze keren zich tegen datgene wat hun voortbestaan bedreigt: de (onder)scheidende hoofdkrachten die de mens tot een zelfzuchtig individu maken. Ze willen van de mens weer een groepswezen maken en leggen stelselmatig zijn vrijheid aan banden. Op fysiek vlak is dat een goede zaak, want daar hoort geen vrijheid te heersen. Maar de mens is ook een geestelijk wezen: zonder zin en betekenis kan hij niet leven. En die zin en betekenis liggen juist in zijn (geestelijke) vrijheid. Verdwijnt die vrijheid, dan heeft niet alleen zijn huidige bestaan geen zin meer maar ook zijn hele verleden. Al die tijd heeft de mens immers geleden omdat hij vrij wilde worden, en dat wil hij meer dan ooit. Daarom verzetten zijn (onderscheidende) hoofdkrachten zich uit alle macht tegen zijn (verbindende) hartkrachten: omdat ze allebei de mensheid willen redden.

Is dat niet precies waarom Marie von Sivers en Ita Wegman slaags raakten? Ze wilden allebei de antroposofische vereniging redden. Ze wilden precies hetzelfde, en ze beschikten over een buitengewoon sterke wil. Maar het was geen wakkere wil, ze waren zich onvoldoende bewust van de relatie tussen de onderscheidende krachten van het hoofd en de verbindende krachten van het hart. Het ontbrak hen met andere woorden aan onderscheidingsvermogen, niet het gewone onderscheidingsvermogen van het hoofd, maar een ‘hoger’ onderscheidingsvermogen van het hart dat zich bewust wordt van de relatie tussen beide. De ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman was een oerbeeld dat inmiddels de hele wereld in zijn greep heeft gekregen en als het ware schreeuwt om aandacht. Het drukt zich uit in vechtscheidingen op ieder gebied en vraagt steeds nadrukkelijker om toegang tot ons bewustzijn. Het klopt steeds luider aan onze deur. 

Antroposofie en karmabewustzijn (10)

  

Ik herinner me nog … Zo beginnen veel verhalen van oude mensen. Hun toekomst wordt steeds kleiner en daarom wenden ze zich naar het verleden. Paradoxaal genoeg is deze terugblik tegelijk een voorbereiding op de toekomst, want na hun dood zullen ze zich pas echt met hun voorbije leven gaan bezighouden. Ze zullen het helemaal opnieuw bekijken en beleven, maar dit keer als buitenstaander, als een kunstcriticus die een schilderij beoordeelt. Het is echter wel hun eigen ‘schilderij’ dat ze bekijken, hun eigen levenskunstwerk. Je kunt het vergelijken met het moment waarop een leerling een werkstuk voltooid heeft en de leraar zegt: laten we dat nu eens samen bekijken! Hij wijst de leerling op fouten waarvan hij zich geen rekenschap gaf, maar ook op kwaliteiten waarvan hij zich niet bewust was. Op die manier – onder deskundige leiding – vormt de mens zich na zijn dood langzaam een objectief oordeel over zijn leven. Tegelijk groeit in hem het verlangen om het opnieuw te proberen.

Voor jonge mensen is het heel moeilijk om naar hun eigen leven te kijken. Je kunt nu eenmaal niet kunstenaar en criticus tegelijk zijn. Het scherpe oordeelsvermogen van de criticus verlamt het scheppingsvermogen van de kunstenaar, en omgekeerd. Een kunstwerk kan pas beoordeeld worden wanneer het af is. Met het levenskunstwerk is dat pas het geval na de dood. De teerlingen zijn dan geworpen, er valt niks meer te veranderen, en de mens kan eindelijk afstand nemen van zijn leven. Maar dat alles kondigt zich reeds tijdens de ouderdom aan. Herinneringen duiken op en vragen om aandacht. Steeds weer schuiven ze aan het innerlijk oog voorbij en willen gezien worden. Zonder het te beseffen bereiden oude mensen zich voor op het grote karma-onderzoek dat hen ‘aan gene zijde’ te wachten staat. Ze zullen hun leven daar grondig analyseren, niet enkel met een scherp oordelend verstand, maar ook met een intens meelevend hart. Beide zullen daar tot één enkel vermogen worden. 

Dit post-mortemvermogen heeft de moderne mens steeds meer reeds tijdens zijn leven nodig. Het louter verstandelijke oordeelsvermogen is niet langer opgewassen tegen de complexe problemen van onze tijd, en het emotioneel reagerende hart spreekt zichzelf voortdurend tegen en veroorzaakt chaos en verwarring. Karma-onderzoek dringt zich op. Het is de enige manier waarop de mens nog kan voorkomen dat hij het noorden verliest, en dat is nu toch wel duidelijk aan het gebeuren. Je zou kunnen zeggen dat we terug naar de (menselijke) natuur moeten, maar dit keer op een veel bewustere manier. Het karmaonderzoek waar de ouderdom ons op een natuurlijke, instinctieve en dromerige manier toe brengt, moeten we wakker en doelbewust opnemen. Dat is trouwens waar Rudolf Steiner steeds weer toe oproept: wakker worden. Het is zeker geen toeval dat hij karmaonderzoek in verband brengt met het voortbestaan van de beschaving. Het gaat om de redding van de ziel …

Maar genoeg theorie, laat ik de daad eens bij het woord voegen. Ik herinner me nog … de voorstelling in Den Haag van de vertaling van Hans Peter van Manens Christussucher und Michaëldiener. We waren de stad binnengereden door onder een mastodontisch gebouw een tunnel in te duiken en ik had het gevoel opgeslokt te worden door een groot monster. Toen we weer bovenkwamen bleek Den Haag het toneel van een grote marathonloop en het was geen sinecure om de overkant van de straat te bereiken. Als ik daar nu aan terugdenk, waren het stuk voor stuk beelden die een aspect van het zielenthema illustreerden. Dit thema heeft veel weg van een marathon: er lijkt geen eind aan te komen. Tegelijk is het een ontmoeting met de dubbelganger: je zit in de ingewanden van een monster en zoekt de uitweg uit dat labyrint. En wie aan karmaonderzoek doet, probeert ‘de overkant’ te bereiken. Maar daar dacht ik toen allemaal niet aan. Ik keek vooruit. Mijn vertaling was net verschenen en ik was vol goede hoop.

IJdele hoop, zo zou blijken, en ik had het kunnen weten. Het grote, statige gebouw aan de Riouwstraat – het hoofdkwartier van de antroposofische vereniging in De Haag – maakte van binnen een uitgeleefde indruk. Nu ja, dat krijg je met gebouwen die echt gebruikt worden. Maar wat me pijnlijk trof, was dat ergens verloren in een donkere gang, op een sokkel die ieder moment omver kon worden gelopen, het bronzen portret stond van Willem Zeylmans van Emmichoven. Ik kende dat portret toevallig – in Gent hebben ze ook een exemplaar – anders had ik misschien niet geweten wie het voorstelde. Ik kende ook de maker, de Antwerpse beeldhouwer René Smits, die me wel eens verteld had over zijn gesprekken met Willem Zeylmans terwijl hij poseerde. Zeylmans was niet de eerste de beste: oprichter van de antroposofische vereniging in Nederland en naaste medewerker van Rudolf Steiner. Bovendien was hij een medestander van Ita Wegman en een onvermoeibaar propagandist van de Weihnachtstagung

Ik vond dat zo’n man beter verdiende. Nu ik eraan terugdenk komt de gedachte in me op dat de verwaarlozing van zijn portret wel eens een beeld zou kunnen geweest zijn van een veel grotere verwaarlozing: die van de Weihnachtstagung en het karmabewustzijn. Intussen heb ik vernomen dat het huis aan de Riouwstraat helemaal gerenoveerd is. Het heeft ook een nieuwe naam gekregen: het Elisabeth Vreedehuis. En in Dornach wordt geijverd voor de officiële rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Allemaal heel mooi, zij het wel rijkelijk laat, want binnenkort zal het 100 jaar geleden zijn dat beide (door Rudolf Steiner zelf gekozen) vrouwen uit de Vorstand werden gezet. Wat ik me echter afvraag: wat is er gebeurd met dat portret van Willem Zeylmans? Heeft het eindelijk de ereplaats gekregen die het verdient, of is het in de kelder terechtgekomen? Dat laatste zou wel een veeg teken zijn, want het is ook het lot van het karmabewustzijn. 

Die beelden zijn natuurlijk bijkomstigheden waar doorgaans geen aandacht wordt aan geschonken. Maar volgens Rudolf Steiner vormen juist die bijkomstigheden – imponderabiliën noemt hij het – de sleutel tot het karma. God verbergt zich in de details. Heeft men dit detail – het portret van Willem Zeylmans – over het hoofd gezien bij de herinrichting van het huis aan de Riouwstraat? Ik hoop van niet, maar ik vrees ervoor. Ik heb net een petitie getekend voor de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en het verbaasde me dat zoiets überhaupt nodig was. Spreekt het niet vanzelf dat men de fouten uit het verleden probeert te herstellen? Maar als de dubbelganger er zich mee moeit, is niets nog vanzelfsprekend. Wie hem eens aan het werk wil zien, moet het fameuze ‘Denkschrift’ lezen dat de inleiding vormde tot die uitsluitingen van 1935. Het is opgenomen in het 3de deel van ‘Wer war Ita Wegman‘, de inmiddels 25 jaar oude poging tot rehabilitatie van Ita Wegman door Emanuel Zeylmans, zoon van Willem Zeylmans. 

Dit ‘Denkschrift’ heeft zelfs iemand als Friedrich Rittelmeyer om de tuin geleid. Dubbelgangers zijn dan ook doortrapte wezens. Ze gaan ongeveer als volgt te werk. Hun doel is macht en dus beschuldigen ze mensen ervan … de macht te willen grijpen. Verdedigen die mensen zich en zeggen ze dat het precies omgekeerd is, dan reageert de dubbelganger verontwaardigd: ze willen de macht grijpen en wie zich daartegen verzet beschuldigen ze ervan … de macht te willen grijpen! Resultaat: twee partijen die elkaar van exact hetzelfde beschuldigen en niemand die nog weet wie gelijk heeft. Want hoe kom je achter de waarheid? Door de feiten te controleren. Maar wat als je die feiten niet kent en moet voortgaan op wat anderen vertellen? Hoe weet je of hun weergave van de feiten juist is? Dit is gewoonlijk het punt waarop men partij kiest voor de mensen die men persoonlijk kent. Toen het ‘Denkschrift’ verscheen kenden weinig mensen de ware toedracht van de zaak, en dus kozen ze partij. Zo raakte de antroposofische vereniging verdeeld in twee kampen.

Vandaag blijft er niemand meer over die de feiten uit eerste hand kent. We zijn helemaal aangewezen op geschreven verslagen, verhalen en getuigenissen. Emanuel Zeylmans heeft duizenden documenten bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat Ita Wegman ten onrechte gedemoniseerd werd. Maar hij is de zoon van Willem Zeylmans en die was een overtuigd medestander van Ita Wegman. Hoe kunnen we weten of hij zich daar niet door heeft laten beïnvloeden? En dan is er nog iets. Als hij gelijk heeft en Ita Wegman ten onrechte werd uitgesloten, dan betekent dat dat haar opponente, Marie von Sivers, ongelijk had en nog geen klein beetje. Wie leest hoe ze tekeer ging tegen Ita Wegman kan niet anders dan concluderen dat ze haar verstand verloren had. Maar ze was de vrouw van Rudolf Steiner! Bovendien was het ‘Denkschrift’ ondertekend door 12 vooraanstaande antroposofen en was er een overweldigende meerderheid vóór de uitsluitingen. Hadden al die mensen dan hun verstand verloren?

Als de dubbelganger in het spel is, ontstaat er een kluwen waar zelfs een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Waarheid en leugen vallen niet meer van elkaar te onderscheiden, tenzij door het hart. On ne voit bien qu’avec le coeur. Maar het moet dan wel een bijzonder sterk hart zijn, een hart dat zich niet laat verblinden door emoties en dat even helder kan onderscheiden als het hoofd. Om zo’n ‘wakker’ hart te ontwikkelen zijn er geen betere manieren dan kunst- en karmaonderzoek. Die twee komen trouwens op hetzelfde neer, want karma is een kunst, de grootste die er is. Er gaat dan ook veel tijd overheen om op dit gebied helderheid te krijgen. Ars longa vita brevis, en dat geldt zowel voor het scheppen als voor het beoordelen. Na bijna 100 jaar is nu wel duidelijk geworden dat de uitsluitingen van 1935 onterecht waren. Daar kunnen tal van argumenten voor aangevoerd worden, maar uiteindelijk is het toch het hart dat oordeelt: je voelt dat het ‘Denkschrift’ grondig fout zit, je voelt dat vader en zoon Zeylmans het bij het rechte eind hadden. 

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Tijd en karma hebben wel hun werk gedaan, maar het onze moet nog beginnen: we moeten dat karma leren begrijpen, we moeten voorkomen dat het zich herhaalt. Want dat laatste gebeurt nog altijd: er worden nog altijd mensen uitgesloten, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Waar zijn de miljoenen die volgens Rudolf Steiner voorbestemd waren om antroposoof te worden? Het aantal leden van de antroposofische vereniging blijft maar dalen, en de gemiddelde leeftijd blijft maar stijgen. Hoe kan zo’n ‘verschrompelende’ antroposofie iets betekenen voor de ontelbaren die nood hebben aan haar inzichten? Ze worden weggejaagd door de antroposofische dubbelganger, het onzichtbare wezen waarvan antroposofen zich niet (of veel te weinig) bewust zijn. Daarom is karmaonderzoek dringender dan ooit. Het eigen antroposofische karma moet onderzocht worden, met name dan het karma van de uitsluitingen van 1935, want toen dook de dubbelganger reuzengroot op. 

Antroposofie en karmabewustzijn (6)

  

Als ik terugdenk aan mijn ontwikkeling als antroposoof – voor zover er van ontwikkeling sprake is, want soms heb ik het gevoel dat ik geen meter verder kom – dan meen ik drie stappen te onderscheiden: denken, voelen en willen. De eerste, en beslissende, stap zette ik met de Filosofie der Vrijheid. Dat boek is een hele kluif voor het denken, maar als je in the mood bent, kun je het blijkbaar ook gevoelsmatig of intuïtief begrijpen, anders was ik misschien nooit antroposoof geworden. De tweede stap volgde toen ik las wat Emil Bock schrijft over de twee Jezuskinderen. De kerstverhalen richten zich uiteraard tot het gevoel, maar wat zich allemaal afspeelt tussen de twee Jezussen, de twee Jozeffen en de twee Maria’s is toch best wel ingewikkeld. In de eerste plaats is het echter kunstzinnig, wat niet gezegd kan worden van de Filosofie der Vrijheid. Wetenschap en kunst: zo zou je mijn eerste twee stappen in de antroposofie kunnen karakteriseren. 

De derde stap was Hans Peter van Manens uiteenzetting over Christussucher und Michaëldiener. Opnieuw een fundamentele tweedeling maar toch wezenlijk anders dan beide vorige. Rudolf Steiner noemt het thema van de oude en de jonge zielen ‘een intensieve toepassing op het leven’. Dat was de Filosofie der Vrijheid beslist niet. Het boek had weliswaar de antroposofie voor mij ontsloten, maar op mijn leven had het geen rechtstreekse invloed gehad. Het bleef een louter innerlijke zaak. Dat gold ook voor de kwestie van de twee Jezuskinderen. Het betekende heel wat voor mijn ziel dat ik het christendom weer kon omarmen, maar daar kwam vooralsnog niks van naar buiten. Ik ging niet opnieuw naar de kerk, evenmin als ik lid van de Antroposofische Vereniging was geworden. Er was méér nodig om de kloof tussen mezelf en de werkelijkheid te overbruggen. En dat ‘meer’ vond ik in het zielenthema. Daar kon ik mee aan de slag. Het sprak niet alleen mijn verstand en mijn gevoel aan, maar ook mijn wil. 

Het thema van de oude en de jonge zielen is kinderlijk eenvoudig: er zijn twee soorten antroposofen en je moet erachter zien te komen tot welke soort je behoort. Daar hoef je geen genie voor te zijn: één kans op twee dat je het juist hebt. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. De bedoeling is dat je werkelijk inzicht krijgt in je zieleaard en dat lukt niet zonder grondig na te denken over jezelf, over de wereld en over de anderen. Ook gevoelsmatig is het zielenthema heel eenvoudig. Zoals er in de wereld mannen en vrouwen zijn, zo zijn er ook oude en jonge zielen. No big deal. Maar net als de fysieke natuur is ook de geestelijke natuur geen idylle. Zoals er onder het oppervlak van de menselijke relaties altijd een guerre des sexes dreigt, zo heerst er ook tussen oude en jonge zielen voortdurend oorlogsdreiging. Intellectueel kan men daar buiten blijven, maar gevoelsmatig niet. Dan is het afgelopen met de kinderlijke eenvoud. Het zielenthema wordt dan een uitdaging van formaat.

De Filosofie der Vrijheid en Tussen Bethlehem en de Jordaan waren sleutels die een deur voor me openden en toen ik daar doorheen stapte, had ik ze niet meer nodig. In die zin behoorden ze tot het verleden. Dat deden ze ook nog in een andere zin. Zowel de Filosofie der Vrijheid als de bijbelse geboorteverhalen speelden zich af in een (respectievelijk verstandelijk en gevoelsmatig) zeer verheven sfeer, die me danig intimideerde. Gelukkig kwamen ze naar me toe, want zelf had ik ze niet durven uitkiezen. Het waren godsgeschenken die ik niet verdiend had, tenzij misschien in een vorig leven. Ze herinnerden me aan wat er reeds in mijn ziel leefde. Maar met het thema van de oude en de jonge zielen was het anders. Dat verwees naar de toekomst. Het was eveneens een geschenk, maar dan zo klein en onaanzienlijk dat het mij geenszins bezwaarde. Ik voelde mij een beetje als een kind dat een stuk speelgoed krijgt en zich verheugt op alles wat het ermee zal kunnen doen. 

Op de een of andere manier nam ik de ‘potentie’ waar die in het zielenthema verscholen zat. Net als beide vorige keren gebeurde dat ‘als in een droom’, maar het was toch anders. Het deed niet opeens een licht in me opgaan zoals de Filosofie der Vrijheid, en het verwarmde ook mijn hart niet zoals het verhaal van de twee Jezuskinderen, nee, het deed me tot actie overgaan. Al tijdens het lezen van Christussucher und Michaëldiener was ik tot de conclusie gekomen dat ik een oude ziel was en daar sprak ik over met mijn vrouw (die ik duidelijk als jonge ziel herkende). Ik vroeg me af tot welke zielengroep de antroposofen behoorden die ik kende. Ik schreef een paar artikelen in het schooltijdschriftje De Mare, en ik begon zelfs aan een vertaling van het boek. De kwestie sprak wel degelijk ook mijn verstand en mijn gevoel aan, maar het was mijn wil die beide met elkaar verbond en de kloof met de werkelijkheid overbrugde. Wat voordien nog in de lucht had gezweefd, kwam nu eindelijk op aarde. 

Misschien moet je, zoals ik, jarenlang in het niemandsland tussen hemel en aarde rondgedoold hebben, pale for weariness, of climbing heaven and gazing on the earth, wandering companionless, om te begrijpen wat dat betekent: op aarde komen, contact maken met de wereld. Daarom was ik zo enthousiast over het zielenthema: het was concreet, het was aards, en tegelijk toch geestelijk. Maar het was geestelijk op een andere manier dan beide vorige stappen. De geest kwam hier als een zaadje in de aarde terecht, de kloof tussen hemel en aarde overbruggend. Het was het allereerste, prille begin van wat je ‘sociale kunst’ zou kunnen noemen, een levenskunst die Alle Menschen werden Brüder als hoogste ideaal heeft. Zo beleefde ik – vooralsnog onbewust – het thema van de oude en de jonge zielen: als de kiem van een levende kunst, die niet alleen een nieuw soort denken veronderstelde maar tegelijk ook een nieuw soort religie was: de religie van de bewuste liefde, de religie van de vrije mens.

Zo heeft Rudolf Steiner het volgens mij ook bedoeld. Toen hij tijdens de Weihnachtstagung de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, had hij de hele antroposofie als in een zaadje samengebald. De Grondsteenspreuk was – net als de (fysieke) grondsteen van het eerste Goetheanum – tweeledig. Ze bestond uit een drieledig gedeelte (over de wezensdelen van de mens) en een tweeledig gedeelte (over de herders en de koningen). Daarmee weerspiegelde ze de (bovenaardse) Michaëlbijeenkomst die aan de oorsprong van de antroposofie lag. Die bestond enerzijds uit een ‘school’ (waarin het mysterieverleden werd behandeld) en anderzijds uit een ‘cultus’ (die op de toekomst was gericht). De theorie van de Michaëlschool sprak vooral (het denken en voelen van) de oude zielen aan, de praktijk van de Michaëlcultus richtte zich in de eerste plaats op (de wil van) de jonge zielen. Maar het was natuurlijk de bedoeling dat deze twee zouden worden samengesmeed, zoals ook de (eerste) Grondsteen samengesmeed was.

Om te kunnen ontkiemen heeft een zaadje water en warmte nodig: de Grondsteen moest met de vermogens van het hart worden opgenomen. De spreuk was veel te compact om onmiddellijk met het bewuste denken begrepen te kunnen worden. Pas na de Weihnachtstagung, tijdens de lange reeks karmavoordrachten, begon Rudolf Steiner het licht van het denkende bewustzijn toe te voegen aan het Grondsteenzaadje. Hij deed dat heel voorzichtig, en niet zonder er de nadruk op te leggen dat er ‘van hart tot hart’ diende gesproken te worden. Het zielenthema mocht niet louter intellectueel opgenomen worden. Dat was iets van het verleden, een oude gewoonte die overwonnen moest worden. Na de Weihnachtstagung moest de antroposofie op een nieuwe manier benaderd worden: vanuit het hart. Rudolf Steiner waarschuwde dan ook voor luciferische sensatiezucht: karma vereiste de grootst mogelijke eerbied. Maar het grootste gevaar vormde toch het kille, dode denken van Ahriman.

Het is merkwaardig om zien hoe Rudolf Steiner zijn leerlingen tussen deze twee klippen probeert heen te loodsen. Eerst jaagt hij ze bijna schrik aan: zonder zijn persoonlijke toestemming mogen ze in het openbaar niet over de inhoud van de karmavoordrachten spreken. Maar, voegt hij er even later aan toe, als het op de juiste manier gebeurt is alles natuurlijk in orde. Nog nadrukkelijker wordt dit pendelen-tussen-twee-uitersten wanneer hij het zielenthema introduceert. Eerst noemt hij het een ‘intermezzo’, als was het een ontspannende pauze, een entr’acte. Maar nog geen week later brengt hij het in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving. Wanneer hij dan voelt dat er weerstanden rijzen en zijn toehoorders zich beginnen afvragen of ze nu werkelijk moeten gaan uitzoeken tot welke zielengroep ze behoren, antwoordt hij kordaat: ja, absoluut! Iedere antroposoof moet erachter komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is! Maar even later zwakt hij dat alweer af: we moeten er toch een beetje over gaan nadenken. 

Het is een grote stap die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung zet: hij vervangt de oude wijsheidsmysteriën door wilsmysteriën. Wat vroeger onderscheiden werd – denken en voelen, wijsheid en liefde, koningen en herders, enzovoort – wordt nu verbonden tot een hogere eenheid. Maar alleen als de mens dat wil. De nieuwe mysteriën zijn mysteriën van de vrije wil. Ze hangen niet langer van de goden af, ze hangen van de mens af. Daarom gaat Rudolf Steiner zo ‘dubbelzinnig’ tewerk. Hij weet hoe ontzettend belangrijk het is dat zijn leerlingen deze stap zetten. Maar hij wil hen niet dwingen of intimideren, zorgvuldig vermijdt hij ieder ‘grensoverschrijdend gedrag’. Voor een man van zijn formaat is dat geen sinecure, want zijn woorden worden al te vaak tot dogma’s gemaakt. Vandaar de tegenstrijdige signalen die hij nu uitzendt en waarvan hij hoopt dat zijn leerlingen ze zullen begrijpen. Als een minnaar maakt hij zijn geliefde het hof: vasthoudend en terughoudend tegelijk. 

Het zielenthema kan alleen in het hart ontkiemen omdat het een liefdesthema is. Voor het nuchtere verstand is het gedrag van Rudolf Steiner onbegrijpelijk. De man die een leven lang de diepste geestelijke waarheden verkondigd heeft, begint nu te spreken over het feit dat er … twee soorten antroposofen bestaan. Hij maant zijn leerlingen aan zich af te vragen tot welke groep ze behoren, en het antwoord op die vraag kan volgens hem de inhoud van de antroposofie worden. Wat is er met Steiner aan de hand? Hij lijkt een beetje simpel van geest te zijn geworden. Zijn leerlingen weten niet wat ze er moeten van denken en besluiten de hele kwestie met de mantel der liefde te bedekken. Ze wenden zedig de blik af en doen alsof er niets gebeurd is. Dat doen ze vandaag nog altijd. Ze gaan ervan uit dat Rudolf Steiner met het zielenthema een uitschuiver heeft gemaakt. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar ze blijven het onderwerp negeren of minimaliseren. Wie er méér in ziet, wordt tot de orde geroepen. 

Iedere minnaar loopt het risico dat zijn liefde niet beantwoord wordt. Rudolf Steiner heeft meer dan eens uitgesproken dat de Weihnachtstagung een waagstuk was. Als de goden hem afgewezen hadden, zou al zijn werk voor niets zijn geweest. Maar ze beantwoordden zijn liefdesverklaring, ze aanvaardden zijn offer. De onthulling van het zielenthema was een eerste vrucht van deze liefdesrelatie: het was een geschenk van de goden. Maar de nieuwe mysteriën konden zich alleen verder ontwikkelen als dit geschenk aanvaard werd, als mensen Rudolf Steiner navolgden en hun hart lieten spreken. Deze liefdesmysteriën wilden een huwelijk tot stand brengen tussen mensen en goden. De goden hadden reeds hun ja-woord gegeven, maar de mensen deinsden terug. Ze waren nog niet bereid hun oude vrijheid op te geven, ze hingen nog teveel aan hun oude, dualistische wereld, waar denken en voelen gescheiden optreden, waar de wil nog niet in staat is beide liefdevol met elkaar te verbinden. 

Karmaonderzoek (1)

Met de karmavoordrachten, die Rudolf Steiner in 1924 hield, is een bijzondere tragiek verbonden.
Het was Steiners levensmissie om karma en reïncarnatie te introduceren in de Westerse beschaving.
Maar die taak kon hij pas één jaar voor zijn dood aanvatten, want hij had zijn leven besteed aan de levenstaak van iemand anders.
Julius Schröer was ertoe geroepen om de antroposofie op aarde te brengen, maar hij vond daar de kracht niet toe.
Steiner deed het dan maar in zijn plaats en schortte daarvoor zijn eigen levenstaak op.
Zonder de antroposofie was het immers niet mogelijk om over karma en reïncarnatie te spreken.
Karma en reïncarnatie zijn de bloem van de antroposofie, en zonder plant kan er geen bloem zijn.
Dus moest Steiner eerst de antroposofie uitbouwen voor hij zijn eigen levenstaak kon aanvatten.

20140919-095643.jpg

Zijn geval was niet uitzonderlijk.
Mensen schorten voortdurend hun levenstaak op omdat het leven hen daartoe dwingt.
Een voorbeeld.
Een jong meisje geeft blijk van veel schildertalent, ze wil niets liever dan kunstenaar worden. Maar dan sterft haar moeder en ze moet de zorg voor het huishouden op zich nemen. Zonder enige artistieke opleiding groeit ze op. Ze trouwt, maar opnieuw schuift ze haar eigen roeping aan de kant om haar man te helpen met diens werk.
Pas wanneer hij een ongeluk krijgt waardoor ze alles verliezen, ontstaat er ruimte voor haar schildertalent. Maar ze is dan al 60 en op die leeftijd kun je niet meer inhalen wat je op je 15de hebt laten staan. De kunstenaar die ze had kunnen worden, is er dus nooit gekomen.
Het is een waar gebeurd verhaal, het verhaal van een offer.
En zo zijn er ongetwijfeld veel.

In het geval van deze vrouw is er waarschijnlijk geen groot kunstenaar verloren gegaan.
Grote kunstenaars zijn namelijk zeer zeldzaam.
Maar Rudolf Steiner was een mens van een uiterst zeldzaam kaliber.
Er is veel verloren gegaan doordat hij pas aan het eind van zijn leven kon beginnen aan zijn eigenlijke opgave.
Zowat 40 jaar heeft hij moeten samenballen in 9 maanden.
En het scheelde geen haar of die 9 maanden had hij niet eens gekregen.
Eind 1923, onmiddellijk na afloop van de Weihnachtstagung, werd Rudolf Steiner vergiftigd.
Zijn leven kon op het nippertje gered worden, maar hij zou nooit meer echt herstellen.
Slechts met inspanning van al zijn krachten kon hij de karmavoordrachten houden en op die manier nog iets redden van zijn levenstaak.
Uiteraard stond de antroposofie niet los van die taak, maar een mens vraagt zich toch af hoe de wereld er had uitgezien als Schröer de antroposofie voor zijn rekening had genomen en Steiner de karmavoordrachten 40 jaar vroeger had kunnen houden.

20140919-095835.jpg

De karmavoordrachten bevatten de quintessens van Steiners missie.
Ze vormen het hoogtepunt van zijn werk en behoren tot het kostbaarste wat de moderne mens op geestelijk vlak bezit.
Maar ze zijn ook de grootste doorn in het oog van de tegenmachten.
Die hebben alles op alles gezet om het karmaonderzoek te verhinderen.
Ze drongen zelfs door tot in het hart van de antroposofische wereld: Steiner was omringd door zijn naaste vrienden en medewerkers toen hij vergiftigd werd.
Was er onder zijn leerlingen een Judas?
Men weet het niet.
Het blijft een raadsel hoe het heeft kunnen gebeuren.
Maar de tegenmachten bleven Steiner bestoken.
Zelfs toen hij zo uitgeput was dat hij zijn voordrachten moest stopzetten, bleven ze hem kwellen en vernederen.
Na zijn vroegtijdige dood concentreerden ze hun aanvallen op zijn leerlingen: ze stookten deze tegen elkaar op tot de vereniging uiteenviel in twee groepen en de antroposofie lam werd gelegd.
Intussen raakte Duitsland in de greep van de nazi’s.
And the rest is history.

20140919-100139.jpg

Het karma wordt geregeld vanuit de allerhoogste gebieden van de geestelijke wereld en omspant het hele bestaan.
Het verzet ertegen komt logischerwijze uit de allerlaagste en dus allersterkste gebieden van de onderwereld.
Het is goed om dat in gedachten te houden als we kijken naar hoe de wereld er vandaag uitziet, bijna 100 jaar na Steiners dood.

Europa is uit zijn assen verrezen.
Ook de Antroposofische Vereniging heeft zich hersteld.
Over de hele wereld vindt men vandaag steinerscholen, bd-boerderijen, antroposofische ziekenhuizen, therapeutische centra, wetenschappelijke onderzoeksinstituten, enzovoort.
Maar schijn bedriegt.
Geestelijk gezien biedt Europa een meelijwekkende aanblik.
En de antroposofie is helemaal niet de cultuurfactor geworden, die Steiner verhoopt had.
Volgens hem had ze een hoogtepunt moeten beleven aan het eind van de 20ste eeuw.
Er had toen van haar een impuls moeten uitgaan die de beschaving moest redden.

Anno 2014 klinkt die woorden bijna potsierlijk.
We hoeven de blik maar te richten op het karmaonderzoek, om een idee te krijgen van hoe de zaken er werkelijk voorstaan.
Het karmaonderzoek is de ‘bloem’ van de antroposofie.
Die bloem had aan het eind van de vorige eeuw moeten ontluiken door de samenwerking tussen de platonici en de aristotelici.
Deze platonici en aristotelici vormen op hun beurt de ‘bloem’ van de twee groepen van zielen waaruit de antroposofische beweging bestaat: de oude en de jonge zielen.
De hele mensheid bestaat uit oude en jonge zielen, maar alleen antroposofen hebben daar weet van.
Tenminste, dat worden ze verondersteld te hebben.

20140919-100340.jpg

Steiner verwachtte van iedere antroposoof dat hij wist tot welke groep hij behoorde: de groep der oude zielen of de groep der jonge zielen.
Hij noemde het de basisvoorwaarde van het karmaonderzoek, de allereerste stap.
Weten of je een oude dan wel een jonge ziel bent, moest voor een antroposoof even vanzelfsprekend zijn als weten of hij een Duitser, een Fransman of een Engelsman is.

Als we willen weten in hoeverre de antroposofie tot bloei is gekomen en een reddende factor is geworden in de huidige beschaving, hoeven we maar één vraag te stellen: in hoeverre weten antroposofen vandaag tot welke zielengroep ze behoren?
Het antwoord plaatst ons meteen met beide voeten op de grond: ze weten het helemaal NIET.
De vraag leeft totaal niet in de antroposofische wereld.
Integendeel, ze wordt beschouwd als banaal en zelfs ongepast.
Serieuze antroposofen houden zich niet mee bezig met dergelijke trivialiteiten.

Het maakt deel uit van de tragiek van Steiners levenslot dat hij het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven kon onthullen, vlak voor hij gedwongen werd zijn voordrachtactiviteiten stop te zetten.
Daardoor was slechts een zeer beperkt aantal leerlingen op de hoogte van het feit dat de antroposofische beweging uit twee groepen van zielen bestond.
Precies deze twee zielengroepen kwamen na Steiners dood lijnrecht tegenover elkaar te staan en scheurden de vereniging in twee.
Steiner moet dat voorzien hebben.
Hij wist welke demonen hij met de Weihnachtstagung ontketend had en hij wist ook dat ze zich op zijn leerlingen zouden storten zodra hij er niet meer was.
Zijn karmavoordrachten waren dus vooral gericht aan de komende generaties.
Ze waren gericht aan ons.

20140919-101741.jpg

Hier wordt de tragiek die verbonden is met Steiners levenslot pas goed zichtbaar.
Want het feit dat hij pas helemaal aan het eind van zijn leven kon beginnen spreken over karmaonderzoek werkt door tot op de huidige dag.
Wordt er vandaag dan niet aan karmaonderzoek gedaan?
Zeker wel, en het behoort tot het boeiendste en spannendste wat men in antroposofisch verband kan doen.
Maar de vraag moet gesteld worden wat het voor dit onderzoek, en voor de antroposofie in het algemeen, betekent dat de door Steiner veronderstelde basiskennis over de oude en de jonge zielen nagenoeg volledig ontbreekt.

Onmiddellijk na het eind van de 20ste eeuw, toen volgens Steiner de antroposofie een hoogtepunt had moeten bereiken in de samenwerking tussen platonici en aristotelici, verscheen de tegenstelling tussen de oude- en de jonge-zielenwereld plots op het wereldtoneel.
9/11 luidde een nieuw tijdperk in, een tijdperk waarin oude en jonge zielen niet eendrachtig samenwerken in de geest van de Weihnachtstagung, maar elkaar op leven en dood bevechten.
De spanningen tussen (oude) wereld van de islam en de (jonge) Westerse wereld nemen steeds onheilspellender vormen aan.
Er dreigt een vicieuze cirkel van geweld te ontstaan en het enige wat deze duivelscirkel kan doorbreken, is inzicht in de relatie tussen beide werelden, karmisch inzicht.

Karma is een zeer persoonlijke, zelfs intieme aangelegenheid.
Maar het is tegelijk een aangelegenheid die de hele menselijke beschaving betreft.
Want individueel karma staat niet op zichzelf, het is noodzakelijkerwijs verbonden met het karma van anderen, het is verbonden met het wereldkarma.
We raken de kern van karmaonderzoek pas wanneer we die twee uitersten – het individuele en het mondiale – met elkaar verbinden.
Daarin ligt het wezen van het karma.
Daarin ligt ook het wezen van de Weihnachtstagung.

20140919-100536.jpg

Tijdens de kerstbijeenkomst van 1923 verbond Rudolf Steiner niet alleen de oude en de jonge zielen met elkaar, hij verbond ook zijn individueel karma met het karma van alle antroposofen, en via hen met het wereldkarma.
Door zichzelf als levend bindmiddel tussen beide zielengroepen te plaatsen, maakte hij het driegelede wezen van het karma zichtbaar.

In zijn karmavoordrachten drukte Steiner erop dat door de Weihnachtstagung een geheel nieuwe antroposofische vereniging was ontstaan.
De oude vereniging was gestorven en uit haar assen was de nieuwe verrezen.
Daar moesten antroposofen goed van doordrongen zijn.
Ze mochten, aldus Steiner, niet terugvallen in hun oude gewoonten.
Die gewoonten waren tweeërlei: enerzijds was er de ‘esoterische‘ gewoonte om de antroposofie te behoeden en af te sluiten van de buitenwereld, anderzijds was er de ‘exoterische‘ gewoonte om de antroposofie te moderniseren en aan te passen aan de buitenwereld.
Daar moest een eind aan komen.
Tijdens de Weihnachtstagung had Steiner esoterie en exoterie met elkaar verbonden, en door (als esotericus) voorzitter te worden van de (exoterische) vereniging had hij zelf het voorbeeld gegeven.

Daarmee had hij echter een oeroude grens overschreden: de grens die beide werelden zorgvuldig van elkaar gescheiden hield.
Hij had iets gedaan wat nooit tevoren gebeurd was, hij had verbonden wat nooit verbonden was geweest.
En hij had dat gedaan op eigen initiatief en op eigen verantwoordelijkheid.
Deze vrije daad was een waagstuk van wereldhistorische betekenis en Steiner slaakte dan ook een zucht van opluchting toen bleek dat de geestelijke wereld zijn handelswijze geaccepteerd had.
Maar hij had ook de blinde woede van de tegenmachten ontketend: zij hadden de Weinachtstagung niet zien komen, ze hadden geen rekening gehouden met de vrije wil van Rudolf Steiner.
Ze waren ervan overtuigd geweest de antroposofische vereniging ten gronde te hebben gericht, en nu zagen ze een geheel nieuwe vereniging verrijzen.

20140919-100658.jpg

Steiners vrije daad was een offerdaad.
Hij offerde geheel vrijwillig zijn leven voor het voortbestaan van de antroposofie.
Daarmee bereikte het offer dat hij bracht door Schröers levenstaak over te nemen een hoogtepunt, want hij wist helemaal niet of de geestelijke wereld het verbreken van de oeroude wet zou accepteren.
Als ze dat niet deed, dan was het afgelopen met zijn geestelijke werkzaamheid, dan kon hij zijn eigen karma-opgave voorgoed vergeten.
Rudolf Steiner offerde dus niet alleen zijn fysieke leven, hij offerde ook zijn geestelijke leven: hij deed afstand van zijn levensmissie.
Hij ledigde de beker tot de laatste druppel.
Maar precies daardoor werd het bijbelwoord bewaarheid dat wie zijn leven geeft, het zal behouden.
Als onmiddellijk resultaat van het opofferen van zijn karma-opdracht ontstonden de … karmavoordrachten.

Het zijn dus in zekere zin opstandingskrachten die deze voordrachten bezielen: de krachten van een man die zijn leven heeft gegeven.
Daarom behoren ze ook tot het kostbaarste wat de mens op geestelijk vlak bezit.
Maar het is niet gemakkelijk om zo’n kostbaar geschenk te ontvangen.
Een offer kan alleen door een ander offer aanvaard worden.
En in feite is dat waar de hele wereld op wacht: het antroposofische tegenoffer.
Antroposofen zijn de enigen die weet hebben van de karmische relatie tussen oude en jonge zielen.
Zij zijn degenen die dit geschenk ontvangen hebben.
Maar hebben ze het ook aanvaard?

20140919-100757.jpg

Offerdaden staan ingeschreven in het karma.
De wereld is het resultaat van een offer van de goden en ze kan alleen blijven bestaan door de offers van mensen.
Die mensen hebben de keuze: ofwel brengen ze die offers vrijwillig ofwel worden ze ertoe gedwongen.
Gebracht moeten de offers hoe dan ook.
Hoe een modern offer eruitziet kunnen we aflezen aan de karmische basisvoorwaarde die Rudolf Steiner stelde.
Onderzoeken of je een oude dan wel een jonge ziel bent, lijkt helemaal niet op een offer.
Het ziet er zelfs zo banaal uit dat we er onze schouders voor ophalen.
Maar ook de Weihnachtstagung zag er banaal uit: een bijeenkomst van een obscuur groepje ‘vreemde zielen’.
Toch was het een gebeurtenis die de wereld zal veranderen.
Hetzelfde geldt voor het inzicht in de oude en de jonge zielen.

Dit inzicht vergt een offer.
Het vraagt van ons dat we op een heel elementaire manier naar onszelf leren kijken.
En dat doet pijn, het ‘snijdt in het eigen vlees’ zoals Steiner het uitdrukt.
We moeten naar onszelf leren kijken met de ogen van een ander.
En die ‘ander’ is geen vage notie, het is een concrete en zelfs actuele werkelijkheid.
Voor de oude ziel is de ander de jonge ziel en voor de jonge ziel is de ander de oude ziel.
Wie Steiners beschrijvingen van beide zielentypes ernstig neemt, ziet ze steeds duidelijker verschijnen in het concrete leven van alledag, het persoonlijke zowel als het mondiale.
Wat er tussen individuele mensen speelt, begint hij te herkennen in de relaties tussen groepen van mensen.
En met behulp van al die beelden kijkt hij naar zichzelf en gaat zichzelf meer en meer als een vreemde beschouwen.
Langzaam, heel langzaam maakt hij zich los van zichzelf zoals een kind zich losmaakt van zijn moeder.

20140919-100940.jpg

Hier wordt de keerzijde zichtbaar van het offer dat de moderne mens, en de antroposoof in het bijzonder, moet brengen.
Het is de geboorte van het vrije Ik.
Het karma is van een ijzeren wetmatigheid, maar heel die onontkoombare wetmatigheid is gericht op het ontstaan van de vrije mens.
Dat was het inzicht dat Rudolf Steiner op aarde kwam brengen, en daarvoor bracht hij het grootst mogelijke offer.
Van zijn leerlingen verwachtte hij het kleinst mogelijke tegenoffer.
Hij verwachtte dat ze erachter zouden komen of ze een oude dan wel een jonge ziel waren.
Op dat offer wacht hij nog altijd.
Met engelengeduld.

20140919-101125.jpg

Driekoningen-essay (deel 3: een prangende geboorte)

In deel 1 en 2 van mijn driekoningen-essay vertelde ik hoe mijn kersttijd verstoord werd door Joseph Beuys, de man die ik beschouw als een paard van Troje dat de geest van de Hedendaagse Kunst binnen de antroposofische muren heeft gehaald.
In de ogen van veel antroposofen is dat juist een goede zaak, want zij willen van de Antroposofische Vereniging een moderne, hedendaagse vereniging maken.
Ik wil zelf ook niets liever, en juist daarom verzet ik me hevig tegen de Hedendaagse Kunst, want ze is in mijn ogen noch hedendaags, noch kunst.
Ze is precies het tegenovergestelde.
En dat wil ik in dit essay aantonen.

20140114-162052.jpg

Het beeld van het Trojaanse paard is een mes dat aan twee kanten snijdt, want Troje moest vallen. Het vertegenwoordigde namelijk het verleden vertegenwoordigde, terwijl de Grieken dragers waren van de toekomst. En omdat het verleden geen plaats wilde ruimen voor de toekomst, werd het door die toekomst verwoest.
Die geschiedenis dreigt zich vandaag te herhalen.
De Antroposofische Vereniging is een modern Troje: een vesting met dikke muren waarbinnen men zich vooral richt op het verleden, dat wil zeggen op wat Rudolf Steiner 100 jaar geleden gezegd heeft. Daar is natuurlijk niks op tegen, want de woorden van Rudolf Steiner zijn een kostbaar erfgoed dat alle goede zorg verdient.
Maar buiten deze beschermende muren ligt een wereld waar de toekomst zich hevig roert, een wereld in beweging, een wereld waar de grenzen een voor een wegvallen. Die wereld duldt ook de grenzen niet die de Antroposofische Vereniging om zich heen heeft getrokken, en dus dringt ze de antroposofie binnen, zoals de Grieken destijds Troje binnendrongen: via de kunst.

Waarom belegerden de Grieken Troje?
Omdat de stad iets had wat van de Grieken was, namelijk Helena, de mooiste onder de vrouwen.
En de Trojanen wilden haar niet teruggeven.
Ook binnen de antroposofische vesting leeft iets wat de wereld en de toekomst toebehoort: Antroposofia, de mooiste onder de geestelijke wezens.
De antroposofen willen (of kunnen) haar niet afstaan, en dus komt de wereld haar halen, met list en geweld.

Joseph Beuys vergelijken met het paard van Troje is natuurlijk geen doorslaand argument. Het is eerder een tastend proberen om greep te krijgen op een toch tamelijk verbijsterend verschijnsel.
Ik kan er best inkomen dat antroposofen Joseph Beuys hogelijk waarderen, want de man houdt er boeiende (antroposofische) ideeën op na.
Ik vind het echter vreemd om te luisteren naar iemands ideeën en geen acht te slaan op zijn werk, zeker als het om een beeldend kunstenaar gaat.
Dat lijkt mij de wereld op zijn kop.
Ik doe in de regel precies het omgekeerde: ik kijk naar de kunstwerken en sluit mijn oren voor de ideeën die de maker erop nahoudt.
Waarom zou ik naar hem luisteren?
Wat kan hij mij vertellen dat zijn werk niet vertelt?
Zoals Joseph Beuys zelf zei: de kunst weet meer dan de kunstenaar.

20140114-162317.jpg

Als ik ideeën wil horen, dan leg ik mijn oor te luisteren bij wetenschappers en filosofen.
Het is natuurlijk mogelijk dat beide in één persoon aanwezig zijn.
Goethe is daar een mooi voorbeeld van.
Maar als ik de kunst en de ideeën van Goethe naast elkaar plaats, dan zie ik een grote organische samenhang: het zijn takken van één en dezelfde boom.
Als ik echter hetzelfde doe met Joseph Beuys dan treft mij de enorme discrepantie tussen zijn (antroposofische) ideeën en zijn werk. Met mijn hoofd kan ik zijn ideeën begrijpen en beamen, maar met mijn hart verafschuw ik zijn werk. En tussen die twee gaapt een diepe kloof waar doorgaans met geen woord over gerept wordt.
Ik zie in Beuys dus geen man uit één stuk zoals Goethe, een man die vertrouwen inboezemt. Ik zie een gespleten man, een man uit twee stukken waartussen geen enkel waarneembaar verband is, en die daarom een diep wantrouwen bij mij opwekt.

Ons rationele denken is door en door dualistisch. Het is niet in staat twee tegengestelde zaken naast elkaar te zien, en heeft de onweerstaanbare – en onbewuste – neiging één ervan te negeren. Het blijft dus blind voor een uitgesproken dualistisch fenomeen als Joseph Beuys.
Wie echter in beelden denkt, kan wel degelijk tegengestelde zaken naast elkaar zien.
Zoals bijvoorbeeld het gewelddadige binnendringen van de Hedendaagse Kunst in de antroposofische wereld en het besef dat dit listige geweld onvermijdelijk was (geworden).
Het is – ook voor mezelf – tamelijk choquerend om die twee in één beeld verenigd te zien, maar tegelijk voel ik dat juist dat tegenstrijdige beeld verhelderend werkt.
Maar het moet natuurlijk verder ontwikkeld worden. Het moet verbonden worden met andere beelden, zodat het groeit en completer wordt.
En dat wil ik hier proberen.

20140114-163026.jpg

Zo’n complementerend beeld is dat van conceptie en geboorte.

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de herders en de koningen met elkaar verbond in de nieuwe Antroposofische Vereniging daalde het geestelijke wezen Antroposofia daarin af. Het werd middels de Grondsteenspreuk ‘in de harten’ van de aanwezigen gelegd en vermenigvuldigde zich vervolgens van hart tot hart.
Voor Steiner was het ‘in de echt’ verbinden van beide (ruziemakende) zielengroepen een waagstuk: hij wist niet of deze verbinding – die een persoonlijk initiatief van hem was – de goedkeuring zou wegdragen van de geestelijke wereld en of deze er zich op zijn beurt zou willen mee verbinden. Anders gezegd: hij wist niet of de koppeling van de oude met de jonge zielen tot een bevruchting zou leiden.
Toen dat inderdaad het geval bleek, was hij zeer verheugd, en in de korte tijd die hem nog restte, sprak hij over de geboorte van het kind dat zich in de schoot van de Antroposofische Vereniging ontwikkelde. Dat zou namelijk aan het eind van de 20ste eeuw ter wereld moeten komen als een geestelijke impuls die de beschaving van de ondergang moest redden.
Hoe geestdriftig Steiner ook was over het kind dat hij in Dornach op aarde had gebracht, er klonk ook een zelden gehoorde ernst in zijn woorden. Tot drie keer toe waarschuwde hij voor de ondergang van de menselijke beschaving als de platonici en de aristotelici elkaar niet zouden vinden aan het eind van de eeuw.

Vanuit dit perspectief gezien, was de Antroposofische Vereniging dus de baarmoeder waarin het geestelijk wezen Antroposofia zich in de loop van de 20ste eeuw een lichaam vormde. Dit verenigingslichaam – Joseph Beuys noemde het een ‘sociale sculptuur’ – was wat de wereld nodig had om zich van de ondergang te redden, en volgens Rudolf Steiner moest dat vóór het eind van de 20ste eeuw gebeuren.
We schrijven vandaag 2014 en van enige geboorte is nog altijd niets te merken.
Het kind is dus over tijd.
Dat is een situatie die niet te lang mag duren, of moeder en kind komen in gevaar.
En als de moeder er niet in slaagt het kind ter wereld te brengen, dan moet de wereld ingrijpen, dan moet ze zich met geweld een toegang verschaffen tot de ‘ommuurde vesting’ die iedere baarmoeder is.

20140114-163521.jpg

Het kind dat in de schoot van de Antroposofische Vereniging leeft, is de geestelijke tegenhanger van de mooie Helena. En evenmin als Helena de Trojanen toebehoorde, is Antroposofia het bezit van de antroposofen. Dit wezen hoort de wereld toe, en de wereld heeft het nodig om de stap naar de toekomst te kunnen zetten. Dus komt de wereld dat wezen halen.
Dat is mijn inziens wat momenteel gebeurt via het Trojaanse paard van de Hedendaagse Kunst: de materialistische buitenwereld dringt ongemerkt de antroposofie binnen. Waarschuwingen helpen niet, want men wil de overwinningsroes niet laten verstoren door doemdenkers.
Eindelijk een doorbraak, wordt er gedacht, eindelijk erkenning aan de andere kant (van de muur)!
Dat die erkenning uitgerekend komt uit een stad die Wolfsburg heet, doet geen belletje rinkelen. Want we zijn het niet gewend om beelden ernstig te nemen. Zelfs als het om kunst gaat, kijken we niet naar de beelden (en de taal die ze spreken) maar naar de ideeën, hoe abstract die ook zijn.
En als die ideeën antroposofisch zijn, zijn we gerustgesteld.
Alsof een wolf geen schaapsvacht zou kunnen dragen …

Ik zal in dit Driekoningen-essay proberen aan te tonen dat de Hedendaagse Kunst, ondanks al haar spirituele ideeën, een wolf is.
En het is mijn overtuiging dat deze wolf, als hij niet ontmaskerd wordt, de Antroposofische Vereniging zal verwoesten zoals de Grieken destijds Troje verwoest hebben.

Deze verwoesting zal – zoals alles in dit verhaal – niet fysiek maar etherisch van aard zijn. De buitenmuren van de antroposofie zullen overeind blijven staan, zodat het lijkt alsof er niets aan de hand is. Maar innerlijk zal alle (geestelijke) leven verdwenen zijn, zoals dat ook in de Hedendaagse Kunst zelf het geval is. Deze ‘kunst’ zal – als haar ware aard niet herkend wordt – de antroposofie herscheppen naar haar eigen beeld en gelijkenis, en dat is het beeld van een wolf in een schaapsvel, van een als spiritualiteit vermomd materialisme.

20140114-164604.jpg

Maar hoe kan men die verwoesting verafschuwen en toch overtuigd zijn dat ze onvermijdelijk was?

Er bestaat een geestelijke wet die zegt dat als de dingen-die-moeten-gebeuren niet uit vrije wil en inzicht plaatsvinden, ze dan door middel van geweld en catastrofes plaatsvinden.
Het is een van de onthutsende inzichten van de antroposofie dat de catastrofes die over de mensheid komen niet het werk van de tegenmachten zijn, maar van de goede goden. Deze laatsten geven de mens ruim de kans om uit eigen beweging te doen wat nodig is, maar als dat niet lukt, dan grijpen ze in. En ze zijn daar absoluut niet sentimenteel in, evenmin als de vader die ziet dat zijn kind de verkeerde weg opgaat en kordaat ingrijpt, evenmin als de gynaecoloog die het mes in de (baar)moeder zet als een kind niet wil of kan geboren worden.

Op die manier kan ik begrijpen dat de associatie van de Hedendaagse Kunst met de antroposofie weliswaar een catastrofe is voor deze laatste, maar niettemin toch iets dat onvermijdelijk was.
Rudolf Steiner zegt over dit soort zaken: het had helemaal niet zover hoeven te komen, maar als het gebeurt is dat omdat het noodzakelijk was geworden.
Als de Antroposofische Vereniging wakkerder was geweest en een bewustzijn had ontwikkeld dat op maat van onze tijd was gesneden, dan zou het nooit zover zijn gekomen dat ze juichend een ‘kunst’ binnenhaalt wier actieradius zich uitstrekt tussen pispotten en kakmachines. En we zouden niet het beschamende schouwspel moeten zien van antroposofen die in naam van het allerhoogste het allerlaagste bewonderen.

Toch heb ik – zij het met veel moeite – leren inzien dat deze vernedering nog altijd beter is dan de diepe slaap waarin de antroposofie dreigt te verzinken en die alle ontwikkeling stopzet. Het ergste wat de mens kan overkomen, is namelijk dat hij niet meer groeit, dat zijn bewustzijnsontwikkeling tot stilstand komt. En alles wat hem uit die slaap wakker kan schudden is het mindere kwaad.

20140114-165052.jpg

Met hoeveel intense afschuw de Hedendaagse Kunst mij ook vervult, ik begin nu te begrijpen dat zij een (paarden)middel is om enerzijds het wezen Antroposofia te verlossen, en om anderzijds de moeder, de Antroposofische Vereniging, wakker te schudden.
Of dat laatste nog zal lukken is zeer de vraag.
Over Antroposofia hoeven we ons geen zorgen te maken: als een geestelijk wezen geen plek krijgt op aarde, dan trekt het zich terug.
Het is over onszelf dat we ons zorgen moeten maken.
Zal de moeder het overleven?
That is the question.

Zelf denk ik dat het lot van de antroposofie nauw verbonden is met het lot van de kunst.
Was het niet door de antroposofie te verbinden met de kunst (op het Congres in München in 1907) dat Rudolf Steiner de antroposofie losmaakte van de Theosofische Vereniging en op eigen benen zette? Dat uitgerekend deze verbinding 100 jaar later gevierd werd door de hedendaagse antroposofie te verbinden met de Hedendaagse Kunst (vertegenwoordigd door Joseph Beuys) lijkt mij een veeg teken.
Want één van de meest wezenlijke kenmerken van deze ‘kunst’ is dat ze sinds haar ontstaan niet meer geëvolueerd is. Ze heeft hoogstens de afstand tussen pispot en kakmachine afgelegd. Hedendaagse Kunstenaars doen vandaag nog altijd precies hetzelfde als 100 jaar geleden. Ze maken geweldig veel drukte, maar wie daar doorheen kijkt, ziet dat ze gewoon stilstaan. Het drukke leven van de Hedendaagse Kunst is een schijnleven, een aangezien dat schijnleven enerzijds met schier grenzeloze middelen in stand wordt gehouden en anderzijds geen spoor van kritiek meer oproept, kan het wel voor eeuwig in hetzelfde kleine cirkeltje ‘tussen pis en poep’ blijven ronddraaien.

Door zich met de Hedendaagse Kunst te affiliëren, zal de antroposofie volgens mij haar eigen ontwikkeling tot stilstand brengen. Ze zal tot een lege huls worden waar gelijk wie in kan kruipen om anderen te intimideren met magische spreuken en rituelen.

20140114-165746.jpg

Ik kan mij uiteraard vergissen, en ik zou bijna zeggen dat ik dat hoop, maar ik kan in die grauwe, intimiderende, zichzelf eindeloos herhalende Hedendaagse Kunst met de beste wil van de wereld het stralende kind Antroposofia niet herkennen, dat schitterende wezen waar oorlogen worden om gevoerd. Als mensen mij vragen om een beeld van de antroposofie, dan zie ik mezelf nog niet gauw zeggen: gaat u eens kijken naar het werk van Joseph Beuys, daar zult u Antroposofia in al haar pracht zien!
Nee, de aarde zal nog behoorlijk moeten opwarmen voor ik die woorden over mijn lippen krijg.

Maar er zal ook nog veel moeten gebeuren voor ik mijn mond houd over de Hedendaagse Kunst.
Haar machtsontplooiing is enorm en blijft maar toenemen.
Juist daarom is het zaak om haar te ontmaskeren, want zij wil ons iets zeggen en zij zal niet ophouden het te zeggen voor we het begrijpen.
De Hedendaagse Kunst heeft een boodschap die ze steeds luider recht in ons gezicht schreeuwt, en het is een dubbele boodschap.
Enerzijds is dat de wolven-boodschap: zwijg, sluit uw ogen en kniel neer!
Anderzijds is dat de boodschap van de goede goden op de achtergrond: wordt wakker, zie uw dubbelganger onder ogen, en blijf overeind!

Want: omnia cooperantur in bonum, alles werkt samen ten goede.
Hoezeer de wolf ook te keer gaat, achter hem staat zijn meester.
En die meester moeten we leren zien, dwars door de wolf heen.
Een andere manier is er niet.

20140114-165257.jpg

De Steen der Liefde

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung van 1923 zijn leven offerde, was dat een daad van liefde, een daad van volkomen bewuste en dus vrije liefde.
Toch werden er op die kerstbijeenkomst alleen spreuken gezegd, statuten voorgelezen en voordrachten gehouden.
Misschien was er ook wat euritmie, dat is mogelijk.
Maar voor de rest werd er niks gedaan dat ook maar in de verste verte iets te maken had met wat wij onder vrije liefde plegen te verstaan.
Het ging op de Weihnachtstagung om een heel ander soort liefde.
De liefde van Rudolf Steiner was zuiver geestelijk van aard.

Wat moeten we ons bij een dergelijke liefde voorstellen?
Is zij het complete tegendeel van onze aardse, fysieke liefde?
Of is er toch een verband?

20131105-171047.jpg

In zijn Filosofie der Vrijheid betoogt Rudolf Steiner dat er maar één werkelijkheid bestaat.
Dat die werkelijkheid zich aan ons voordoet als een materiële wereld enerzijds en een geestelijke wereld anderzijds is volgens hem geheel en al toe te schrijven aan de structuur van ons bewustzijn.
We nemen als gescheiden waar wat in feite één is.
Dat moet dus ook voor de liefde gelden.

We kennen de liefde vooral in haar fysieke, zinnelijke gedaante.
We kennen ook andere, minder ‘vleselijke’ vormen van liefde, zoals de moederliefde, de liefde voor het vaderland, de liefde voor een ideaal, de liefde voor de kunst, enzovoort.
En blijkbaar bestaat er ook een liefde die daar nog bovenuit stijgt: de zuiver geestelijke liefde zoals die van Rudolf Steiner.

Als we al deze liefdes op een niet-dualistische manier willen bekijken, dan moeten we ervan uitgaan dat ze allemaal verschijningsvormen zijn van één en dezelfde liefde.
De kunst bestaat er natuurlijk in om die ene, wezenlijke liefde te herkennen in al haar aardse gedaanten, gaande van de sexuele liefde tot de liefde zoals die op de Weihnachtstagung in de praktijk werd gebracht.

Dat kunststuk wil ik hier eens wagen, in het besef dat het niet meer dan een poging kan zijn.
Een Filosofie van de Liefde is nog niet voor morgen.
Maar er moet een begin mee gemaakt worden, lijkt me.
De kloof tussen de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung is al te diep.
Het is de kloof tussen denken en doen.
Het is ook de kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld.
In die kloof wil ik een lucifer afstrijken, om eens een blik te werpen op dat duistere middengebied.
Want het is daar dat de lamp moet branden.

20131105-171410.jpg

Het oerbeeld van de aardse liefde is de liefde tussen man en vrouw.
Die liefde begint met een uitslaande brand: de verliefdheid.
Vroeger, toen huwelijken nog gearrangeerd werden, was dat niet het geval.
De liefde was nog niet vrij.
Nu is ze dat wel.
Mensen gaan vandaag een relatie aan omdat hun hart vlam vat.
De vonk die dat hart in brand steekt, is het zien van de ander.
Maar wat verliefden zien, is niet de ander zoals hij of zij werkelijk is.
Ze zien een beeld van de ander, een zeer subjectief beeld dat ze zelf maken en waarvoor ze in liefde ontbranden.

Verliefden zijn dus in feite kunstenaars: ze maken beelden die in staat zijn de brug te slaan tussen twee tegengestelde werelden: die van man en vrouw, maar ook die van twee individuele wezens die niet zelden elkaars tegenpool zijn.
Deze verbinding van twee tegenpolen veroorzaakt een intens geluk.
Het leven is opeens zoals het zou moeten zijn.
Alle stukken vallen op hun plaats.
Verliefden vormen niet alleen uiterlijk een hechte eenheid.
Ook innerlijk zijn ze ‘geheeld’.

Iedere verliefdheid is in feite driegeleed.
Er zijn de twee verliefden, en er is hun gemeenschappelijke ‘inspiratie’ die hen tot kunstenaars maakt die onweerstaanbare beelden maken van elkaar.
Via die beelden wordt ook de verliefde mens zelf geheeld: zijn dualistische toeschouwersbewustzijn wordt een scheppend drieledig bewustzijn.
Verliefden zetten dus de stap van twee naar drie.
Ze worden … driegeleders.

Er is echter één probleem.
Ze weten het niet.
Ze weten niet wat – of wie – hen overkomt.
En daarom blijft de verliefdheid niet duren.
Ze is van voorbijgaande aard.
Hoewel verliefden er heilig van overtuigd zijn dat hun liefde eeuwig zal duren, komt er vroeg of laat een eind aan.
Maximum drie jaar.
Zolang blijft het liefdesvuur, naar verluidt, branden.
En dan doven de vlammen.
De verliefden komen weer op aarde en hun ogen gaan weer open.

20131105-171259.jpg

Het is van deze brandende liefde dat men zegt dat ze blind is.
Ze heeft geen oog voor de realiteit, ze idealiseert de geliefde, ze ziet niet hoe hij of zij werkelijk is.
Buitenstaanders kijken dan ook met enige meewarigheid naar verliefden.
Ze hebben het zelf meegemaakt, ze weten hoe ‘hemels’ het is om verliefd te zijn.
Maar ze weten ook dat er eind aan komt en dat dat einde bijzonder hard kan zijn.
Ze zien dat de verliefden zich in een luchtbel bevinden die hen afsluit van ruimte en tijd, en ze weten ook dat die luchtbel doorprikt zal worden.
Daarom kijken ze met gemengde gevoelens naar verliefden.
Enerzijds zijn ze jaloers op het jonge koppel omdat ze heimwee hebben naar het geluk dat met verliefdheid samengaat.
Anderzijds zijn ze opgelucht dat ze het allemaal niet meer moeten doormaken.
Want met verliefdheid gaat ook lijden gepaard.
Een gebroken hart is een van de ergste dingen die je kunt meemaken.
Je komt dan van de hemel in de hel terecht.
En dus hebben de buitenstaanders vrede met de aardse middenweg die zij bewandelen, de weg tussen hemel en hel in.
Maar het verlangen blijft: het verlangen naar de hemel van de verliefdheid.
Want uiteindelijk is dat waar ieder mens naar verlangt: voor eeuwig verliefd te zijn, voor altijd ‘in love’.

Het probleem met de liefde is niet de liefde zelf.
Het is de dualistische manier waarop we haar beleven.
Ofwel zien we alleen de binnenkant van de liefde, zoals verliefden dat doen.
Ofwel zien we alleen de buitenkant, zoals wanneer we naar verliefden kijken.
In het eerste geval zijn we in de hemel.
In het tweede geval staan we met onze beide voeten op aarde en zien de hemel als een voorbijgaande droom, een illusie: liefde is een droom, en dromen zijn bedrog.
We zien telkens maar één aspect van de liefde: haar binnen- of haar buitenkant.
De hele liefde krijgen we nooit te zien.
Daarvoor moeten we ons dualistische bewustzijn overwinnen. Want dat staat tussen ons en de liefde.

20131105-171535.jpg

Dat bewustzijn is drieledig: het is een denkend, voelend en willend bewustzijn.
Om de echte, levende liefde te kunnen zien, moeten we niet alleen ons dualistisch denken overwinnen. We moeten ook ons dualistische voelen en beleven overwinnen.
Pas dan kunnen we ons ook werkelijk verenigen met de liefde, zoals Rudolf Steiner dat op de Weihnachtstagung deed, dat wil zeggen zonder het bewustzijn te verliezen.

Het verliefde hart bestaat uit louter sympathie en aantrekkingskracht.
De verliefde wil maar één ding: zich verenigen met de geliefde, zich verliezen in de ander, alle scheiding opheffen, niet langer een afgesloten zelf te zijn.
Niets kan hem van de geliefde weghouden.
De verliefdheid maakt in hem een wilskracht los die zich door niets laat tegenhouden.
Het is de wil om één te worden, de wil tot overgave.
Deze wil kan slechts met geweld gebroken worden.
Zo vurig is hij.

Maar deze verbindende, verenigende wil draagt zijn tegendeel reeds in zich.
Want de scheiding der geslachten kan niet ongedaan worden gemaakt.
Hoe vurig de wil tot vereniging ook is, hij lijdt onvermijdelijk schipbreuk op de rotsen van de fysieke scheiding.
Hoe intens het verlangen ook is om één te worden met de geliefde, het gaat niet.
Het fysieke lichaam staat in de weg.
Het is de rots in de branding van de liefde.
Zonder dat lichaam zou de liefde ons zwakke ik verteren.
We zouden ophouden te bestaan als individueel, afzonderlijk mens.

Het verlangen dat in verliefden zo hevig brandt, is dus onvervulbaar.
Als het niet vroeg of laat vanzelf uitdoofde, zou het tot de dood leiden.
Soms gebeurt dat ook: er zijn geliefden die niet kunnen verdragen dat hun fysieke lichamelijkheid de totale eenwording in de weg staat en dan maar voor de dood kiezen.
Daar bestaan beroemde voorbeelden van.

20131105-172154.jpg

Het is dus de fysieke lichamelijkheid die het liefdesvuur beperkt in tijd en ruimte.
Als de verliefden louter geest waren, zouden ze zich tot één vuur verenigen, dat ook anderen zou aansteken en uiteindelijk leiden tot een wereldbrand.
De hele mensheid zou dan één groot liefdesvuur worden en zich verenigen met de oerbron van alle liefde: God zelf.
Er zouden dan geen mensen meer bestaan.
De hele schepping zou terugkeren tot haar maker.
En dat is nu juist niét de bedoeling.
God heeft de mens niet geschapen opdat hij zich weer zou ont-scheppen.
Vandaar de materie: om ons te beletten ons mens-zijn op te heffen en terug te keren in de schoot van onze Schepper.
We hebben een fysiek lichaam om, ondanks de liefde. mens te kunnen blijven.

Hier raken we aan iets dat niet zichtbaar is wanneer we de liefde van buitenaf bekijken.
Wanneer iemand verliefd wordt, ontbrandt hij in liefde voor het beeld dat hij zich van de geliefde schept, niet voor de reële individuele mens die de ander is.
Dat zien we als buitenstaander heel duidelijk.
De geliefde is helemaal geen beeldschone prinses die alle deugden in zich verenigt.
Zij is een heel gewoon meisje, waar niks bijzonders aan te zien is.
Hetzelfde geldt voor de verliefde.
Hij is helemaal geen prins-op-een-wit-paard.
Hij is gewoon een jongen op een fiets, of een kerel met een tweedehands auto.

Maar in ieder mens leeft een Ik, een stukje van God.
Het zit diep verborgen in de materie, want daarin is het door de ‘zonde’ – dat wil zeggen door de afzondering van God – terechtgekomen,
En precies dat ‘stukje God’ wordt door de verliefde waargenomen.
Liefde is inderdaad blind voor de materiële werkelijkheid, want ze wordt verblind door de geestelijke werkelijkheid die zich uitdrukt in de materiële werkelijkheid, voor de God-in-het-lichaam.

20131105-172314.jpg

Wie verliefd wordt neemt het goddelijke in de ander waar.
Het is een waarneming die de mens onverhoeds overvalt.
Daarom zegt men in het Engels: to fall in love.
Verliefdheid is niet iets waar men vrijwillig voor kiest.
Toch is het al een stap in de richting van de vrijheid, want geen enkele verliefde protesteert tegen de verliefdheid.
Hij heeft niet het gevoel dat ze hem wordt opgedrongen, zoals wanneer hij door ouders of familie gekoppeld zou worden aan een onbekende.
De verliefdheid – de ‘romantische’ liefde – is dan ook een vrij recent verschijnsel.
De sage van Tristan en Isolde markeert het opduiken ervan in onze cultuur.
Het is een buitengewoon dramatisch verhaal.
De verliefdheid is dan ook een kracht die alle grenzen, alle bestaande structuren en alle wetten doorbreekt.
Ze leidt tot een hevige strijd met alle aardse kluisters en bevrijdt de mens van alles wat hem gevangen houdt.
Maar ze is nog geen vrijheid.
Daarvoor zijn we ons te weinig bewust van deze kracht en de gevaren die ze met zich meebrengt.
Ofwel staan we buiten de liefde en beleven we er de ‘binnenkant’, de goddelijke, geestelijke dimensie niet van.
Ofwel bevinden we er ons middenin en kunnen we geen afstand nemen van de liefde.

De stap naar de echte vrije liefde gaat via de bewustwording ervan.
Alleen wanneer we de brandende, luciferische liefde begrijpen, dringen we door tot haar echte wezen, tot de vrije liefde, de liefde waarvoor we zelf kiezen in plaats van erdoor gekozen te worden.

De moderne liefde is vrij in zoverre het niet meer de maatschappij is die onze levenspartner uitkiest.
Maar ze is onvrij omdat we nog niet zelf voor de ander kiezen.
Beide verliefden wórden gekozen door iets wat ze niet kennen.
Ze zeggen weliswaar volmondig ja tegen dat ‘iets’, maar dat maakt het nog niet tot een eigen, vrije keuze.
Maar al te vaak blijkt na een tijdje dat we voor de verkeerde gekozen hebben.
Het was met andere woorden een blinde, willekeurige keuze.
In onze moderne tijd zijn heel veel relaties het gevolg van zo’n onvrije keuze.
Ze houden dan ook geen stand.
Ze volgen elkaar op in een schier eindeloze rij.

Dat is de keerzijde van de ‘vrije’ liefde: we kunnen niet kiezen.
We willen ook steeds minder kiezen.
We willen zoveel mogelijk liefdespartners hebben, achtereenvolgend of tegelijk.
En dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor het gezinsleven en voor de maatschappelijke structuren in het algemeen.
De bevrijdende kracht van de liefde werkt vernietigend op de fysieke, materiële wereld met zijn vaste vormen en structuren.
Met name kinderen, die juist behoefte hebben aan vaste vormen, aan ritme en regelmaat, zijn het slachtoffer van deze ongecontroleerde en onbegrensde liefdeskrachten.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat alle weerloze mensen, wier land in chaos gestort wordt door geweld, het slachtoffer zijn van de ongecontroleerde vrije liefde in onze moderne wereld.
Tenslotte was het uit ‘mensenliefde’ dat de Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor de vrede Syrië wilde gaan bombarderen.
En het is ook uit mensenliefde dat we de lijdende mensen overal ter wereld gaan helpen, en in de meeste gevallen hun lijden alleen maar groter maken.
Want onze liefde is blind.
Ze weet niet wat ze doet.
En in combinatie met de onweerstaanbare kracht van de liefde is dit gebrek aan bewustzijn zonder meer vernietigend.

20131105-172701.jpg

Dat is de verborgen keerzijde van het vernietigende geweld dat de wereld nu al zolang teistert: het onbewuste verlangen naar de geest, de blinde liefde voor God.
Sinds het einde van het Kali Yuga omstreeks 1900 is dat verlangen opnieuw opgelaaid. De mensheid is collectief verliefd en wil alle grenzen doorbreken, tot zelfs de grenzen van de materie zelf.

Tegen al dat geweld, tegen al die blinde liefde is maar één kruid gewassen: de bewustwording van de liefde.
Het ontstaan van de vrije liefde – de ‘romantische’ verliefdheid – was een eerste stap in die bewustwording.
Maar nu moet de volgende stap gezet worden.
In plaats van de liefde óf van binnenuit óf van buitenaf te leren kennen, moeten we ze op een niet-dualistische manier leren kennen.
En die niet-dualistische manier is een driegelede manier.
Zolang we de ‘derde persoon’ in iedere liefdesrelatie niet herkennen, zullen we de echte vrije liefde niet leren kennen.

Er is maar één manier om de drieledige liefde te leren kennen, en dat is via het beeld dat ze van zichzelf maakt.
Zonder dat beeld zijn we gedoemd om buiten de liefde te blijven staan (en liefdeloos te worden) of erdoor verteerd te worden (en alles mee te sleuren in die vernietigende brand).
Het is ook met een beeld dat de vrije liefde begint: het beeld dat we (onbewust) van de geliefde maken.
Om onze liefde echt vrij te maken, moeten we ons bewust worden van dat beeld.
En die bewustwording houdt een keuze in.

Maar dat is voor de volgende keer.

20131105-172815.jpg

Van twee naar drie (1)

‘Al het goede komt in drieën’, zo heet een boek van Henk Verhoog waarin hij het principe van drieledigheid in het werk van Rudolf Steiner belicht.

Ik citeer:

‘…dat het bij het idee van de drieledigheid om de kern van de antroposofie gaat, om het meest eigene en oorspronkelijke idee dat Steiner heeft ontwikkeld. Met het principe van drieledigheid wilde Steiner een tegenwicht geven tegen het (dualistische) denken in elkaar uitsluitende tegenstellingen. Dat dualistische denken was niet alleen in de tijd van Steiner belangrijk. Ook nu nog speelt het een belangrijke rol, in de vorm van de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, tussen cultuur en natuur, tussen geest en lichaam (hersenen), enzovoort.’

‘Drieledigheid is als kerngedachte in het leven van Steiner steeds aanwezig. Het is een kerngedachte die zich in de loop van de tijd ontwikkelt en steeds meer aan inhoud wint. Bij verschillende gelegenheden geeft Steiner aan dat het ongeveer 30 jaar geduurd heeft voordat hij alle facetten van dit principe had doorgrond.’

Henk Verhoog geeft dan een hele reeks voorbeelden van die drieledigheid:

Geest, ziel en lichaam.
Denken, voelen, willen.
Hoofd, hart en ledematen.
Zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem, stofwisselingssysteem.
Geestesleven, rechtsleven, economisch leven.
Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid.
Religie, kunst en wetenschap.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Lucifer, Christus, Ahriman.
Licht, kleur, duisternis.
Bloem, blad, wortel.
Zwavel, kwik, zout.
Ruimte, tijd, eeuwigheid.
Denken, spreken, schrijven.
Eerste, tweede en derde engelenhiërarchie.
Antroposofie, manicheïsme, rozenkruisers.
Michaëlieten, graalridders, rozenkruisers.
Enzovoort.

Hij vervolgt:

‘Prokofieff noemt Michaël de behoeder van het principe van drieledigheid. Inspiraties die van Michaël uitgaan zijn altijd drieledig.’

‘Ahrimanische en luciferische wezens hebben er baat bij als mensen in dualistische termen denken, door bijvoorbeeld geloof en wetenschap, of goed en kwaad, als elkaar uitsluitende activiteiten tegenover elkaar te stellen. Zij stellen alles in het werk om het principe van drieledigheid te verhullen.
In ‘Die Sendung Michaels’ zegt Steiner dat de strijd tussen luciferische en ahrimanische krachten in de kosmos alles doordringt en dat we de wereld waarin de mens in werkelijkheid staat alleen kunnen begrijpen als we hem drieledig opvatten.’

Zo, tot zover Henk Verhoog.
Dat moet voorlopig volstaan.

20131027-141251.jpg

De aandachtige lezer zal zich nu vragen beginnen stellen.
Zoals: hoe valt deze drieledigheid te rijmen met het feit dat ik niks liever doe dan … in tegenstellingen denken?
Ik kom met dat tweeledige denken zelfs tot de conclusie dat we in onze tijd voor een keuze staan, een keuze tussen goed en kwaad, zonder derde optie.
Als ik daarover in antroposofische kringen spreek (iets wat ik intussen wel afgeleerd heb) zie ik altijd weer monden openvallen.
Ze hebben geen idee waarover ik het heb.
Ze kunnen mijn dualisme niet rijmen met de antroposofische drieledigheid.
Het doet hen dan ook steigeren.
Al van zolang ik me kan herinneren, krijg ik er opmerkingen over.
Je veralgemeent!
Je moet nuanceren!
Je bent veel te absoluut!
Er gaapt met andere woorden een kloof tussen mij en mijn mede-antroposofen.
Zij begrijpen mij niet, en ik begrijp hen niet.

Ik ben nochtans een grote fan van het drieledigheidsprincipe.
Als er iemand is die steeds weer hamert op de afwezigheid van de kunst in de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, dan ben ik het wel.
Maar ik ben een even grote fan van het tweeledigheidsprincipe.
Ik snap niet hoe je anders kunt denken dan juist in tegenstellingen.
Henk Verhoog schrijft trouwens zelf: ‘Rudolf Steiner verklaarde dat we de wereld alleen maar kunnen begrijpen vanuit de werking van tegenstellingen, dualistisch dus.’
Welaan dan.
Ik peins er dus niet over om de tweeledigheid op te geven in ruil voor de drieledigheid.
Ik wil ze allebei.
Voor minder doe ik het niet.
Ik zal me dan ook altijd blijven verzetten tegen de exclusiviteit van de drieledigheid.
Die drieledigheid is de sterkte van de antroposofie, maar ze is ook haar zwakte.

In het toch al vrij exclusieve antroposofische wereldje bestaat er een nog exclusiever clubje: dat van de ‘driegeleders’.
Iedere antroposoof weet: dat is een soort apart.
Ik ken er zo eentje.
Schat van een man.
Ik geniet er vooral van wanneer hij (in het Gents) begint te foeteren op de ‘sofen’ met al hun boeken en principes. Want hij is iemand die in de praktijk van het moderne leven staat, en daar heb je niet veel aan mooie theorieën.
Als hij dan uitgefoeterd is, zeg ik: maar ik ben zelf zo’n soof met een hoofd vol theorieën, ik sta geheel en al buiten de praktijk, en toch foeter je niet op mij!
Ik zou niet durven, antwoordt hij dan.
Waarop we alle twee in lachen uitbarsten en een slok van onze Westmalle tripel nemen.
Maar ondanks alle kameraadschap en goede verstandhouding blijft er tussen ons een kloof die onbespreekbaar is en die langzaam maar zeker verwijdering veroorzaakt.
Het is inmiddels alweer jaren geleden dat ik hem nog gezien heb, en ik heb de indruk dat hij mij vermijdt, vanuit een wantrouwen dat dieper ligt dan het gewoon menselijke.

Het is het wantrouwen tussen de twee- en de driegeleders.
En dat zit heel, heel diep.
Ik kan het weten, want ik ben al bijna 30 jaar getrouwd met een driegeleedster.
Zij foetert weliswaar nooit op antroposofen.
En het foeteren op mij heeft ze afgeleerd, want het helpt toch niks.
Maar als we discussiëren over twee- en driegeleding dan gaat het hard tegen hard.
Want het gaat niet zomaar om principes of ideeën.
Het gaat om veel meer.
Het gaat om wie wij in het diepst van onze ziel zijn.
Het gaat om roots die heel ver in het verleden reiken en waarvoor we door het vuur gaan.
Ja beslist, de gensters vliegen eraf als we dit gebied betreden.
Maar het is ook door dit gebied te betreden dat we een hechte eenheid zijn gaan vormen, een eenheid waar we veel plezier aan beleven.

20131027-141426.jpg

Die eenheid is uit strijd geboren.
De aardse strijd tussen man en vrouw enerzijds.
De geestelijke strijd tussen oude en jonge zielen anderzijds.
En de etherische strijd met de draak samen.

Ik had eerst geschreven: de strijd tégen de draak.
Maar dat is het nu juist niet.
La guerre des sexes is geen strijd van mannen tégen vrouwen of omgekeerd.
Het is evenmin een strijd tégen de scheiding der geslachten.
Want wie zou deze scheiding ongedaan willen maken?
Wie zou de ‘wrijvingen’ tussen man en vrouw willen missen?
Wie zou de … liefde willen missen?
Want daar gaat het uiteindelijk om.
Dat is de reden van die ‘oorlog’.
En de voorwaarde voor die liefdesoorlog is de scheiding,
de scheiding die er niet zou zijn zonder de draak.
We vechten dus niet tégen de draak.
We vechten mét de draak.
We vechten om de liefde Gods.

Misschien begrijpt u al een beetje waarom ik zo hardnekkig vasthoud aan mijn ‘tweeledig’ denken, tegen alle antroposofische protesten en bezwaren in.
Ik vecht helemaal niet tégen het drieledig denken, ik vecht mét het drieledig denken.
Ik vecht ermee zoals ik met mijn vrouw vecht: om er mij des te beter mee te kunnen verenigen.
Er staat veel op het spel als man en vrouw met elkaar vechten.
Want zij vechten uit liefde, om de liefde en voor de liefde.
De liefde is het begin en het einde van de strijd.
En daartussen groeit zij.
De liefde groeit door te leven, te sterven en te verrijzen.

Ziedaar de drieledigheid zoals ík ze zie:
een zich voortdurend transformerende tweeledigheid,
een onafgebroken metamorfose van het gevecht tussen de tegenpolen.
En dat gevecht zelf is de derde pool, een pool die steeds in ontwikkeling is.
Ze begint fysiek, bijvoorbeeld als la guerre des sexes.
En geleidelijk, heel geleidelijk wordt ze geestelijker.
Stap voor stap wordt ze een kunst.
En ten slotte eindigt het gevecht als een spel, in de hoge betekenis die Schiller eraan geeft.

Als we de dualiteit in de tijd plaatsen, als een steeds evoluerende relatie tussen twee polen, dan vormt ze geen tegenstelling met de driegeleding, dan IS ze reeds een driegeleding.
Dualisme en driegeleding als een tegenstelling zien, en de een verwerpen ten voordele van de andere, is geen driegeleed maar dualistisch denken.

20131027-141519.jpg

Maar ook de tijd heeft een structuur.
Ze verloopt in zeven fasen, waarvan de middelste een keerpunt is.
En op dat keerpunt moet de mens kiezen.
Daar moet hij kiezen tussen de fysieke liefde (de liefde voor de materie), en de geestelijke liefde (de liefde voor de geest).
In het ‘midden’ van de tijd wordt de liefde vrij of raakt ze definitief in de greep van de draak.
Want in dat midden ontmoeten de tegenpolen elkaar op volle kracht.
Les extrêmes se touchent.
Ofwel vindt dan de ‘Steigerung’ plaats, zoals Goethe het noemt,
ofwel gaat de ‘verlaging’ van de liefde onverminderd door.
Want anders dan in de plantenwereld vindt de ‘verhoging’ in de mensenwereld alleen plaats als de mens het wil, als hij ervoor kiest.
En dat is een buitengewoon moeilijke keuze.
Want in de uitersten die elkaar raken, leven Lucifer en Ahriman.
Zij reiken elkaar in het midden de hand en proberen de mens naar beneden te sleuren.

Over deze keuze lees ik niets in het boek van Henk Verhoog.
Het is alsof hij van het dualisme meteen overstapt naar de driegeleding zonder zich af te vragen hoé dat moet gebeuren.
Daardoor komt hij in een nieuw dualisme terecht: dat tussen dualisme en driegeleding.
Zou dat niet de reden zijn waarom de antroposofische driegeleding niet van de grond komt?
Het hart van de driegeleding ontbreekt, het levende midden, waar een vrije keuze wordt gemaakt.
En als er niet bewust gekozen wordt, krijgen (luciferisch) sektarisme en (ahrimanische) verstarring de antroposofie in hun greep.

Het grote probleem is dus de overgang van ruimte naar tijd.
Wanneer we de drempel overschrijden – en dat doen we allemaal in deze tijd – dan betreden we de etherische wereld, de wereld van de tijd.
Hier zijn geen vaste structuren zoals in de ruimte, alles is er in beweging, alles evolueert, alles metamorfoseert.
Hier vind je de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling van de seizoenen, het eeuwig bewegende leven.
Als we hier het bewustzijn niet willen verliezen, dan moeten we ons ‘ruimtelijke’ dualistische denken verlossen uit zijn verstarring.
We moeten het als het ware bevochtigen en kneden zoals een beeldhouwer dat met zijn klei doet.
We moeten het ‘spiritualiseren’.

Dat betekent dat we in processen moeten leren denken.
En dat is heel, heel moeilijk.
Maar juist in de natuur hebben we een prachtig voorbeeld.
Want alles in de natuur speelt zich af tussen licht en donker, tussen hemel en aarde, tussen water en land.
De natuur is door en door dualistisch.
Maar wat een onvoorstelbaar kunstwerk is de kringloop van het jaar, dat dualisme-in-beweging!
En welke schitterende geest drukt zich daarin uit!
Die geest is Christus, de God die zich in de tijd manifesteert.
En hij doet dat vooral in het midden, op het keerpunt van de tijd.

20131027-141701.jpg

In de natuur is dat keerpunt de herfst.
In het denken is dat het tweegelede denken.

In dit tweegelede of polaire denken keert het dualisme om tot driegeleed denken.
Het is een overgangsdenken dat de brug slaat tussen het dualistische ruimtelijke denken en het driegelede geestelijke denken.
Het is het Michaëlische denken-in-actie.

In het dualistische denken komen we tot bewustzijn (ex Deo nascimur).
In het tweegelede denken sterft dit bewustzijn (in Christo morimur).
In het driegelede denken wordt het opnieuw geboren (per Spiritus Sanctus reviviscimur).

Het Michaëlische denken is een stervend dualistisch denken, een herfstdenken.
Maar het is een bewust stervend denken, een denken dat de herfst – en we leven in de herfst der tijden – bewust doormaakt.
En juist omdat het bewust sterft, verrijst het denken ook opnieuw, en wel in een driegelede vorm.
Het driegelede denken is het gestorven en verrezen dualistische denken.
Het is er de metamorfose van, niet het tegenovergestelde.
Een levend driegeleed denken wijst het dualistische denken derhalve niet af.
Het reikt het de hand en vormt er een eenheid mee, een driegelede eenheid:
dualisme – polariteit – driegeleding.
Wie het tweegelede polariteitsdenken niet onderscheidt van het dualistische denken en tegenover beide gaat staan, denkt niet driegeleed.
Hij denkt dualistisch.
En juist omdat hij zich tegen het dualisme keert, is zijn denken zelfvernietigend.

Dat is dan ook de keuze waarvoor de moderne mens vandaag staat:
ofwel leert hij tweegeleed denken ofwel vernietigt hij zijn denken.
En dat geldt ook voor de antroposoof.
Hij mag dan wel veel over de driegeleding denken, maar zolang hij het hart van de driegeleding – het tweegelede denken – vermijdt, zal hij de antroposofie niet kunnen beletten zichzelf te vernietigen.

Ik heb het boek van Henk Verhoog over de driegeleding met grote belangstelling gelezen.
Het is heel interessant en ik kan het iedereen aanbevelen.
Maar er ontbreekt iets in, en wel het belangrijkste: het hart.
Dat wil niet zeggen dat dit boek niet vanuit het hart geschreven is.
Henk Verhoog is duidelijke een enthousiaste, bezielde antroposoof.
Maar het ontbreekt hem aan bewustzijn van dat hart.
Hij betreedt het middengebied niet bewust (genoeg).
En daardoor blijft zijn betoog schematisch en abstract.

Lees bijvoorbeeld wat hij schrijft over de Weihnachtstagung, het Grote Keerpunt van de antroposofie.

‘De Grondsteenspreuk is uitgesproken tijdens de grondsteenlegging, een toespraak van Steiner op 25 december 1923, waarbij hij niet een fysieke grondsteen legde, zoals men pleegt te doen bij een nieuw gebouw, maar een geestelijke grondsteen. Deze grondsteen werd door Steiner ‘in de harten van de mensen gelegd’. Daarmee wordt bedoeld dat het niet alleen gaat om iets dat je met je verstand kunt begrijpen. Het gaat om iets dat in je ziel, in het middengebied van de mens, moet worden opgenomen als een ijkpunt voor al je denken, voelen en willen. Vandaar de grote nadruk in deze toespraak, en ook al tijdens de openingstoespraak op 24 december, op het hart.
In deze openingstoespraak zei Steiner dat de antroposofische vereniging (beweging) alleen recht van voortbestaan heeft als de leden er een aangelegenheid van het hart van maken. Hij gaf verder aan dat hij alle gedelegeerden bijeengeroepen had om ‘een harmonie van harten’ tot stand te brengen.
(…)
De Grondsteen werd door Steiner ter plekke in de etherwereld gevormd uit de krachten van de Triniteit: de geest der hoogten, de Christuskracht in de omtrek en de scheppende Vaderkracht die uit de diepten stroomt.
(…)
Steiner beschreef de Grondsteen als iets dat door de leden in hun hart kan worden opgenomen, iets waarop ze kunnen bouwen bij hun toekomstige werk binnen en buiten de vereniging.
(…)
Daarom sprak Steiner ook over een ‘liefdessteen’. Werkelijk iets nieuws scheppen dat in overeenstemming is met de goddelijke scheppingskrachten, is een daad van liefde. Antroposofie moet na de Weihnachtstagung niet meer alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan worden vanuit het hart als centrum.’

20131027-142015.jpg
(bron: http://www.stella-anthroposophica.de)

Dat is veel ‘hart’ en ‘liefde’.
Volkomen terecht overigens.
Maar wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij die ‘liefdessteen’?
Wat is ‘een grondsteen die in de etherwereld gevormd wordt uit de krachten van de Triniteit en in de harten van de mensen wordt gelegd’?
Het is dit soort formuleringen waar niet-antroposofen finaal op afknappen.
En er zullen ook wel niet veel antroposofen zijn die begrijpen waarover het hier gaat.
Dit is geen antroposofie die ‘niet alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan wordt vanuit het hart als centrum.’
Dit is pre-Weihnachtstagung-antroposofie.
Dit is dualistische antroposofie in een driegeleed kleedje.
Dit is antroposofie die netjes om de hete brij heen loopt.
Dit is het soort antroposofie dat nooit iets kan betekenen voor de wereld.
Goed bedoeld, dat wel, maar krachteloos.

Dat is een hard oordeel, en altijd wanneer ik zo’n oordeel vel, gaat er een alarmbelletje rinkelen.
Ik heb namelijk (met scha en schande) geleerd dat dergelijke oordelen ook altijd op jezelf slaan.
Hoe waar ze ook mogen zijn, als je ze niet op jezelf betrekt, maak je dezelfde fout als degene waarover je oordeelt.
Ik vermoed dus dat mijn eigen uiteenzetting over twee- en driegeleding mank gaat aan hetzelfde euvel: te abstract, te schematisch, te levenloos.
Het probleem is dat je dat zelf niet ziet, want je zit IN het denkproces en dat voelt heel levendig en spannend aan.
Je weet echter niet hoe het er van buitenaf uitziet, voor degene die leest wat je schrijft.

Dus wil ik een volgende keer proberen om een en ander wat concreter, wat levendiger te maken, met het risico dat ik in het andere uiterste val.
Maar dat kun je nu eenmaal niet vermijden.
Het middengebied is het gebied waar risico’s worden genomen.
Het is het gebied van de vrije keuze.
Het gebied ook waar de draak wordt bevochten.
En daar kom je nooit zonder kleerscheuren van af.

20131027-142840.jpg