Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: wetenschap

Adriaen Brouwer (14)

  

Er zijn grosso modo twee manieren waarop we Adriaen Brouwer kunnen benaderen: de wetenschappelijke manier en de kunstzinnige manier. In het eerste geval gaan we min of meer te werk zoals een wetenschapper dat doet: we stellen ons op de hoogte van wat er gepubliceerd is over het onderwerp en gewapend met die informatie gaan we dan de schilderijen zelf bekijken. Dat is hoe de meeste mensen vandaag kunst benaderen: goed geïnformeerd. Zelfs tijdens het kijken luisteren ze nog naar wat audio- of andere gidsen hen vertellen. Steeds zeldzamer worden de mensen die kiezen voor een kunstzinnige benadering en alle informatie afwijzen omdat ze de kunstwerken onbevangen willen bekijken. Een dergelijke houding wordt vandaag op onbegrip onthaald. Zoals iemand het ooit uitdrukte: wat heb je nu aan een tentoonstelling als je niks afweet van de kunstenaar of zijn werk! In zijn ogen sprak het vanzelf dat je kunst wetenschappelijk benaderde.

Nu is er in principe niets tegen een wetenschappelijke benadering van kunst, wel integendeel. In een kunstwereld die steeds willekeuriger en chaotischer wordt naarmate de kunsthandel er de lakens uitdeelt, is er zelfs grote nood aan nuchterheid en objectiviteit. Maar kunst kan niet benaderd worden door een wetenschap die onkunstzinnig te werk gaat, een wetenschap die alles reduceert tot louter materie en het bestaan van een scheppende geest afwijst. Juist die scheppende geest kan in de kunst niet ontkend worden: we weten met absolute zekerheid dat ieder kunstwerk gemaakt is door een kunstenaar. De methoden van de materialistische wetenschap werken dus niet voor de kunst. Het geval Adriaen Brouwer illustreert dat: niet alleen zijn de kunstwetenschappers eeuwenlang blind gebleven voor deze schilder, ook vandaag nog kijken ze niet verder dan de anekdotische aspecten van zijn werk. Ze beperken zich tot het wat en hebben geen enkele belangstelling voor het hoe. De Rokers is voor hen niet meer dan een 17de eeuws selfie.

Als geen ander vraagt Adriaen Brouwer om een nieuwe kunstwetenschap, een wetenschap die de kunst ernstig neemt en haar op een kunstzinnige manier benadert. Zo’n kunstzinnige wetenschap is ook buiten de kunst hoogst nodig. De wetenschap heeft een scherpe grens getrokken tussen zichzelf en de kunst. Dankzij die grens hebben zowel de objectieve als de subjectieve benadering van de werkelijkheid zich autonoom kunnen ontwikkelen. Maar vandaag wordt die grens voortdurend overschreden: kunst en wetenschap raken vermengd, subjectief en objectief lopen door elkaar. Om te voorkomen dat ons hele geestesleven daaraan ten gronde gaat, moeten beide tegenpolen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten in plaats van vernietigen. Die manier bestaat reeds. Het is de fenomenologische methode zoals ze ontwikkeld werd door Goethe en verder uitgewerkt door Rudolf Steiner. Wie kunst en wetenschap heeft, heeft ook religie, zei de eerste. De tweede gaf dat gestalte in de antroposofie of geesteswetenschap.

Hoewel de antroposofie al meer dan honderd jaar bestaat, blijft ze een marginaal verschijnsel in de moderne beschaving. Haar benadering van de werkelijkheid vereist dan ook niets minder dan een bewustzijnsomwenteling. Het menselijk bewustzijn is in de loop der eeuwen steeds wakkerder, rationeler en zelfstandiger geworden. Dat heeft geleid tot een diepe kloof met kunst en religie. Om die kloof te overbruggen moet het wakkere, wetenschappelijke bewustzijn zich opnieuw verbinden met de dromerige en subjectieve sfeer van de kunst. Dat wordt instinctief ervaren als een regressie, een terugkeer naar religie en bijgeloof. De weerstanden tegen de antroposofie zijn dan ook heel groot. Ze bestaan niet alleen buiten, maar ook binnen de antroposofie. Ze komen onder meer tot uiting in het nagenoeg volledig ontbreken van een fenomenologische benadering van de kunst. Nochtans is de fenomenologische methode nergens zo natuurlijk en vanzelfsprekend als in de kunst, maar uitgerekend daar wordt ze niet of nauwelijks toegepast.

Die interne weerstanden komen ook nog op een ander gebied tot uitdrukking: dat van het zielenthema. De antroposofische beweging bestaat – net als de hele mensheid trouwens – uit oude en jonge zielen. Het oerbeeld van deze tweedeling vinden we in het verhaal van de beide Jezuskinderen. Daar vinden we ook het oerbeeld van de bewustzijnsomwenteling die de antroposofie voorstaat. De oudste Jezus is de ‘wetenschapper’ par excellence, de meest wakkere en ontwikkelde ziel van de mensheid. Tijdens het paasfeest in de tempel verenigt hij zich met de jongere Jezus, de ‘kunstenaar’ bij uitstek, de ongerepte kinderziel die nog over al haar scheppende krachten beschikt. Deze vereniging is geen onbewuste vermenging maar een vrije liefdesdaad: de ‘wetenschapper’ duikt bewust en vrijwillig onder in de wereld van de scheppende krachten. Hij wordt kunstenaar, zonder evenwel op te houden wetenschapper te zijn. 

Rudolf Steiner was niet alleen de eerste die dit ‘geheim’ onthulde, aan het eind van zijn leven bracht hij het ook in de praktijk: tijdens de Weihnachtstagung ‘dook hij onder’ in de antroposofische vereniging. Hij verbond zich vrijwillig met het karma van zijn leerlingen, een offer dat hem het leven kostte. Hij wees er ook op dat dit oerbeeld tot het persoonlijke karma van iedere antroposoof behoort. Dat alles maakt de relatie tussen oude en jonge zielen tot het hart van de antroposofie. Willen we dit hart doen kloppen en de antroposofie tot leven brengen, dan moeten we het voorbeeld van Rudolf Steiner – en dus ook van de oudere Jezus – volgen en met ons moderne, wetenschappelijke bewustzijn onderduiken in de sfeer van de geestelijke scheppingskrachten. We kunnen dat op ieder denkbaar gebied doen, al naargelang onze aanleg en onze mogelijkheden, maar het gebied dat het nauwst aansluit bij ons moderne bewustzijn is dat van de kunst. Tenslotte is de antroposofie ontstaan uit de kunst en wil zij ook een kunst worden.

Welke plaats neemt Adriaen Brouwer in dit alles in? Wel, om te beginnen is hij een kunstenaar, een van de grootste die we ooit gehad hebben en ook een van de meest Vlaamse. Hij staat dus dicht bij ons, veel dichter dan we denken. Bovendien staat hij op de grens tussen Noord en Zuid. Hij is in alle opzichten een man van het midden, iemand die de uitersten kent en ze met elkaar verbindt. Hij is ook een van de weinige kunstenaars die zowel voor het gevoel als het verstand toegankelijk zijn. Vooral zijn zelfportret biedt ons de mogelijkheid om als wetenschapper onder te duiken in een kunstzinnige wereld. We kunnen dat op een onbevangen manier doen, want De Rokers is in hoge mate ‘ongerept’ gebleven. Het schilderij bleef vier eeuwen lang onopgemerkt, een unicum in de kunstgeschiedenis. In die zin doet Brouwer een beetje denken aan de jonge Jezusziel die lange tijd ‘achter de hand’ werd gehouden om zich op het juiste moment met de oude Jezusziel te kunnen verbinden. 

Deze ‘verborgenheid’ van Adriaen Brouwer is des te opmerkelijker omdat hij deel uitmaakte van een opmerkelijke bloeiperiode in de Europese kunst. In de 17de eeuw leefden en werkten in de Nederlanden beroemde schilders als Rubens, Rembrandt, Van Dijck, Jordaens, Frans Hals, Vermeer enzovoort. Een dergelijke concentratie van genieën vinden we alleen in de Italiaanse Renaissance en het Duitse idealisme. Nu wil het geval dat Rudolf Steiner tussen deze laatste twee perioden een karmisch verband legt. Volgens hem waren de schilder Rafaël en de dichter Novalis incarnaties van de oudste ziel van de mensheid, de Adamsziel. Ten tijde van Christus was ze geïncarneerd als Johannes de Doper, die zich na zijn dood verenigde met de verrezen Lazarusziel. Dat oerbeeld herhaalt zich tijdens haar volgende incarnaties: telkens duikt deze oude, profetische ziel onder in een geheel andere wereld: die van de kunst. En telkens wordt ze daarbij omringd door een indrukwekkende verzameling ‘kunstbroeders’. 

Net als Rafaël en Novalis sterft Brouwer zeer jong: op 35-jarige leeftijd. Hij maakt grote indruk op zijn tijdgenoten: iedereen bewondert hem, zelfs de allergrootsten. Ze beschouwen hem als een godenkind, een rijzende ster. Zijn manier van schilderen heeft dan ook iets ‘hemels’: zelden heeft iemand het penseel zo ‘etherisch’ gehanteerd. Zijn schilderijen verbergen tevens een ongewoon grote geestelijke diepte, alsof hier een heel oude, wetende ziel aan het werk is. Naast deze opvallende gelijkenissen zijn er echter ook grote verschillen. Bij Rafaël en Novalis zijn vorm en inhoud zeer verwant, bij Brouwer staan ze haaks op elkaar. Er kan geen grotere tegenstelling bestaan dan tussen zijn ‘etherische’ manier van schilderen en zijn zeer ‘aardse’ kroegtaferelen. Anders dan bij Rafaël en Novalis, houdt Brouwers roem ook geen stand. Het godenkind verbleekt tot een folkloristische figuur, zijn ‘hemelse’ aard wordt volkomen genegeerd. Terwijl de sterren van zijn tijdgenoten blijven stralen, wordt de zijne grondig verduisterd. 

Er kan nochtans geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer hoort thuis in het gezelschap van de allergrootsten, zowel op kunstzinnig als op geestelijk gebied. Hij maakt onmiskenbaar deel uit van het esoterische christendom dat als een rode draad doorheen de Europese kunstgeschiedenis loopt. Alles wijst erop dat we hem moeten situeren in de graaltraditie: het thema van de Visserkoning, de kruiken die zo prominent aanwezig zijn in zijn werk, het manicheïsche onderduiken in een duistere ‘onderwereld’. Door die graalthematiek wortelt Adriaen Brouwer enerzijds in de Middeleeuwen en reikt hij anderzijds tot in de 21ste eeuw. De (middeleeuwse) Parsifalweg – dwars door het dal – is volgens Rudolf Steiner bedoeld voor onze tijd. Dat wordt trouwens bevestigd door de buitengewone populariteit van hedendaagse versies van de graallegende. Misschien moeten we daar ook de reden zoeken waarom Adriaen Brouwer uitgerekend in onze tijd weer opduikt. 

Deze 17de eeuwse schilder roept tal van vragen op die voorlopig onbeantwoord moeten blijven. Maar één ding is zeker: hij houdt ons een spiegel voor, een lachspiegel. Adriaen Brouwer staat volop in de Uylenspiegeltraditie. Hij confronteert de kijker met zijn domheid, een domheid die echter geen kwestie is van gebrek aan verstand. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil, luidt het spreekwoord. De domheid is het gevolg van een niet-willen-zien. Dat blijkt overduidelijk uit de houding van de moderne kunstwetenschappers tegenover De Rokers: ze durven er niet naar kijken, omdat ze voelen dat ze dan een grens zullen overschrijden en in een heel andere wereld terechtkomen, een wereld die alles op zijn kop zal zetten: hun opvattingen over kunst, hun opvattingen over wetenschap, kortom hun hele wereldbeeld. Waar het hen aan ontbreekt is geestelijke moed, moed om de realiteit van de geest onder ogen te zien.

Men hoeft niet over een groot verstand te beschikken om de geestelijke dimensie van De Rokers te leren kennen. Ook gevoelsmatig stelt dit schilderij niet dezelfde eisen als de Madonna’s van Rafaël of de gedichten van Novalis. Het is gewoon een kroeg bevolkt met lieden van alle slag: een hansworst, een Tijl Uylenspieghel, een geleerde, een paar drugsverslaafden, een gearmd koppeltje. Iedereen kan er zich in herkennen. Dit vrolijke, volkse tafereel heeft geen geheimen voor ons, verstandelijke noch gevoelsmatige. De uitdaging ligt op een dieper vlak, het vlak waar verstand en gevoel met elkaar verbonden worden. Daar ligt het werkelijke geheim van dit schilderij: op het niveau van de oerbeelden, het oerbeeld van de twee Jezuskinderen en het oerbeeld van de twee Johannesen. In beide gevallen gaat het om de verbinding van een oude en een jonge ziel, een pre-christelijke verbinding in het eerste geval, een christelijke in het tweede. Telkenmale verbindt een ‘wetenschapper’ zich met een ‘kunstenaar’. 

Allebei deze oerbeelden zitten vervat in De Rokers. Doordringen tot de christelijke – of kunstzinnige – dimensie van dit werk vergt een dubbel offer: het intellect moet zijn trots inslikken om onder te kunnen duiken in de duistere wereld van kunst (de smerige kroegen van Brouwer), maar ook het gevoel moet op de tanden bijten om het scherpe, kritische intellect toe te laten in de kwetsbare wereld van de scheppende krachten. Door zich bloot te stellen aan het verstand wordt het gevoel langzaam gezuiverd van alle subjectieve voor- en afkeuren, het wordt geslepen tot een heldere lens, een zintuig waarmee de wezenlijke – kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers objectief kan worden waargenomen. Zeker in onze tijd, nu de gevoelens bijzonder subjectief en egoïstisch zijn geworden, vergt dit ontwikkelen van ‘een oog voor kunst’ een lange en vaak pijnlijke scholingsweg. Deze scholingsweg valt te vergelijken met wat Jezus beleefde in de jaren na het gebeuren in de tempel, toen hij de deplorabele toestand van de wereld steeds duidelijker ging zien.

Deze lijdensweg bracht hem steeds dichter bij Christus, zoals de artistieke scholingsweg ook onze ogen opent voor de christelijke – of kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers. Het waarnemen van deze kunstzinnigheid is een vorm van helderziendheid die liefde en vreugde in ons opwekt: a thing of beauty is a joy forever. Maar het betekent nog niet dat we begrijpen wat we zien. Onze liefde is nog geen wetende liefde. Daarvoor moeten we ons (heldere) gevoel weer verbinden met ons verstand. Dit keer gaat het om een vrije, broederlijke samenwerking, zoals tussen de twee Johannesen. Die samenwerking verleent ons toegang tot de dimensie van de Heilige Geest, een dimensie die nog veel zeldzamer is dan de christelijk-kunstzinnige. De Rokers omvat alledrie de dimensies: die van de Vader, de Zoon en de Geest. Daarom is dit schilderij als een kostbare edelsteen. Wat voor de graal geldt, geldt ook voor het wezen van Adriaen Brouwers zelfportret: je kunt het niet benaderen, het moet naar je toe komen.

Advertenties

De Tuin van Heden (5)

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

De Tuin van Heden (1)

  

Zelfs de niet zo aandachtige lezer zal het gemerkt hebben: er gebeurt niet zoveel meer op Vijgen na Pasen. De verklaring is eenvoudig: ik heb nu een tuin. Een vrij grote tuin zelfs, die ik niet zomaar zijn gang kan laten gaan, want dan krijg ik last met de buren. Dus breng ik de lente al spittend, rakelend, snoeiend, zaaiend, plantend, gietend en wiedend door. Als de zon haar hoogste punt bereikt, komt daar nog eens het plukken bij, een niet te onderschatten bezigheid, want mijn tuin produceert aanzienlijke hoeveelheden rode bessen, witte bessen, zwarte bessen, aardbeien, frambozen, kersen, pruimen, appelen, peren en noten. En dan zwijg ik nog over het gras, het gras dat maar blijft groeien en voortdurend gemaaid moet worden. Het houdt gewoon niet op. Voor het eerst in mijn leven ben ik blij als de winter aanbreekt. Dan kan ik me weer wijden aan zaken die ik vroeger het hele jaar door deed: lezen, schrijven, tekenen, schilderen, wandelen en fietsen. Ja, die tuin heeft mijn leven veranderd.

Voor die verandering heb ik niet gekozen. Had ik gekund, ik zou waarschijnlijk nee hebben gezegd tegen mijn nieuwe huis. Het onderhouden van die grote tuin zou ik niet hebben zien zitten. Maar ik had geen keuze. Het was dit of het was niets. Er is dus geen twijfel aan, hier was karma in het spel, en dat doet de vraag rijzen waarom ik op mijn oude dag, nu mijn botten kraken en mijn gewrichten pijn doen, opgezadeld word met zo’n tuin. Nooit eerder heb ik een tuin gehad die naam waardig, en afgezien van wat gras maaien, de haag scheren en een occasioneel radijsje zaaien, heb ik nooit getuinierd. Pas nu, in de herfst van mijn leven, ben ik daar – noodgedwongen – aan begonnen. Hoewel ik me soms afvraag of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft, ben ik er toch heel blij mee. Je zou voor minder. Na 21 jaar autodrukte en -lawaai is de groene rust van mijn tuin een enorme verademing. Het verschil is zelfs zo groot dat het van mijn tuin één grote vraag maakt, een karmische vraag. 

Het begint allemaal met de verplichting die tuin te onderhouden. Ik kan hem niet aan zijn lot overlaten, want het gras moet gemaaid, de brandnetels gekortwiekt, het onkruid binnen de perken gehouden. Daar kom ik niet onderuit. De volgende stap is dat ik de tuin verder fatsoeneer, dat ik bomen en struiken snoei, kale plekken opvul en andere cosmetische ingrepen uitvoer. Het oog wil namelijk ook wat. Een tuin is niet alleen een wild beest dat getemd moet worden, het is ook iets om naar te kijken. Als het uitzicht een beetje acceptabel is gemaakt, rijst de vraag wat ik ga doen met al die appels die op de grond liggen, al die bessen die aan de struiken hangen, al die aardbeien die tussen de bladeren verborgen zitten. Zonde om dat allemaal te laten wegrotten! En ten slotte komt de vraag of ik niet ook wat groenten kan kweken in mijn tuin, want een mens leeft niet van fruit alleen. Een tomaatje, een aardappeltje, een kropje sla van eigen grond, wie kan daaraan weerstaan!

Het is bijna een morele plicht om groenten te kweken in mijn tuin. Bijna. Want godzijdank moet ik niet leven van die tuin. Vreten de slakken mijn sla op, komen mijn worteltjes niet op, verpieteren mijn kolen, dan ga ik gewoon naar de winkel. Zelf je groenten kweken, is pure luxe. Het kost ook veel meer dan je groenten kopen. Ik heb al een fortuin besteed aan werktuigen, compost, potgrond, grondverbeteraar, zeewierkalk, mestkorrels, zaai- en plantgoed, stokken, netten, ladders, gaas en wat er allemaal nog meer komt kijken bij tuinieren. Nee, je bespaart echt niet door zelf je groenten te kweken, wel integendeel. En dan spreek ik nog niet over het werk en de tijd die je erin steekt, om maar te zwijgen van de rugpijn en de knarsende gewrichten. Ik kweek geen groenten omdat het moet, ik kweek groenten omdat ik het wil. Het is geen plicht, zelfs geen morele, want in feite onthoud je de boer – die wél van zijn tuin moet leven – zijn geld en draag je op die manier bij tot de verarming van de aarde. 

Als ik groenten kweek, is dat niet uit noodzaak maar uit vrije wil. Alhoewel. Zoals ik al zei, het is me niet duidelijk of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft. Het is een twijfelgeval. In de lente voel ik mij de koning te rijk. Ik hoef mijn erf niet te verlaten om tussen het groen te zijn en ik geniet van het wroeten in de grond. Maar als de winter aanbreekt ben opgelucht dat ik die hele tuin kan vergeten. Ik hou er immers ook van naar binnen te keren en een heel andere, geestelijker wereld op te zoeken. Die ommekeer begint trouwens al in de zomer, als de zon over haar hoogtepunt is. Dan begint de tuin te verdorren, de chaos slaat toe, het onkruid neemt de overhand. Er is nog van alles te doen, maar de drive van de lente is weg. Er groeit in mij dan een onmiskenbare antipathie voor al dat groen dat zijn gang gaat zonder mij iets te vragen. Voelde ik mij in de lente één met de natuur, dan ontstaat er nu afstand, wrevel, onverschilligheid. Een beetje zoals in een huwelijk, zeg maar. 

Sinds ik een tuin heb, beleef ik de gang der seizoenen een stuk intenser. Die jaarlijks terugkerende metamorfose van de natuur fascineerde me vroeger al. Maar nu ben ik niet enkel toeschouwer, ik ben ook deelnemer geworden. Mijn leven wordt nu veel sterker bepaald door de natuur en haar vier gezichten. Enerzijds is dat best aangenaam, geruststellend ook. Ik hoef me nu nooit meer af te vragen: wat zal ik vandaag eens gaan doen? Mijn tuin vertelt me iedere dag wat er gedaan moet worden. Maar dat is tegelijk ook het onaangename: ik ben niet vrij meer, ik ben aan handen en voeten gebonden. Sinds ik een tuin heb, kan ik me veel beter voorstellen hoe het leven vroeger geweest moet zijn, toen het nagenoeg helemaal gedicteerd werd door de natuur. Haar autoritaire stem gaf vorm en regelmaat aan het leven, ze liet geen ruimte voor twijfel, verveling of gepieker. Maar er was ook geen ruimte voor geestelijke ontwikkeling. Het werk veranderde nooit, het was een eeuwige herhaling van steeds hetzelfde. 

Het is dus heel dubbel, dat leven-met-de-natuur. Enerzijds geeft het rust, zekerheid en voldoening. Anderzijds is het een geestdodende sleur. Ik ben oprecht blij met mijn tuin, laat daar geen twijfel over bestaan, maar net zo goed voel ik er mij slaaf van. Nu eens weegt het ene door, dan weer het andere. De kunst bestaat erin die weegschaal onder controle te krijgen en zelf te bepalen of je deelneemt aan de natuur dan wel er afstand van neemt. Maar die kunst beheers ik nog lang niet. Zo stelde ik onlangs verbaasd vast dat ik, sinds ik die tuin heb, nog geen enkele keer ben gaan fietsen in de lente. Wel in de zomer en de herfst, maar niet in het seizoen wanneer de natuur op haar mooist is. Want dan eist mijn tuin mij op, dan heb ik geen tijd om wat anders te doen. Helemaal waar is dat natuurlijk niet. Niets belet mij om één namiddag per week vrijaf te nemen van mijn tuin. Maar dat doe ik dus niet, want het is zo’n genot om je leven niet langer zelf te regelen, om dat over te laten aan de natuur. 

Daardoor derf ik echter wel een ander genot: dat van het toeschouwer zijn. Ik ga echt niet fietsen om kilometers af te malen en spieren te kweken. Ik fiets om te kijken. Ik geniet ervan om de streek hier te verkennen en thuis te raken in mijn nieuwe omgeving. Maar ik geniet er ook van om die wereld te laten voor wat hij is en cultiver mon jardin. Ik heb het nog lang niet zover gebracht dat ik die twee in evenwicht kan brengen en daardoor dubbel genieten. Daarvoor mis ik de kunde en het inzicht: de kunde om efficiënter te tuinieren en het inzicht hoe ik dat moet doen. Onlangs zag ik een youtube-filmpje van The Barefoot Farmer, een Amerikaanse boer op blote voeten die uitlegde dat we vaak te veel doen in onze tuin. Hij zag eruit als een overjaarse hippie en ik was skeptisch, maar toen bleek dat hij bio-dynamisch tuinierde was mijn aandacht gewekt. Om daarna weer te verslappen. Want godlievehemel, wat een mens allemaal niet moet weten om efficiënter te kunnen tuinieren! Het is een wetenschap op zich.

Ik verspil heel veel tijd en energie in mijn tuin – en word er daardoor slaaf van – omdat het mij in hoge mate ontbreekt aan inzicht. Toen ik hier twee jaar geleden kwam wonen, wist ik helemaal niks van tuinieren. Mijn kennis heb ik bijeengesprokkeld uit boeken, websites en youtubefilmpjes. Maar het is allesbehalve levende kennis, want je kunt die mensen geen vragen stellen. En zelfs als dat wel kon, zouden ze waarschijnlijk geen antwoord kunnen geven. Juist omdat tuinieren zo nieuw voor me is, stel ik vragen waar ervaren tuiniers niet eens aan denken. Zoals: waarom moet je een zaadje in de grond steken? Dat klinkt als een domme vraag, maar als ik een zaadje op een schoteltje leg en het vochtig houdt, groeit het ook. En er bestaan fabrieken waar groenten worden gekweekt zonder dat er grond aan te pas komt. Dus waarom zou er gezaaid moeten worden? Welk verschil maakt het of een zaadje in de grond zit of niet? Wat is de betekenis van het zaaien? Dat soort dingen wil ik weten.

Ik heb intussen al met wisselend succes tomaten gekweekt, en sla, en aardappelen, en boontjes. Ik weet dus hoe het moet, maar toch heb ik het gevoel dat ik helemaal niks weet, dat ik maar doe alsof, dat ik voor tuinier speel. Ik heb eigenlijk geen idee wat ik doe, ik heb ook geen idee wat er gebeurt wanneer een zaadje ontkiemt, groeit en vrucht draagt. Ik doe gewoon wat me verteld wordt, ik kijk hoe alles groeit en daarna eet ik het op. Maar begrijpen doe ik er niks van. Mijn tuin confronteert mij op overweldigende wijze met mijn onwetendheid. En ook met die van andere tuiniers. Want ze kennen heel veel praktische weetjes, maar van echt inzicht is ook bij hen geen sprake. Ik verdenk ze ervan, net als ik, te doen alsof ze tuinieren. Dat geldt ook voor de boeren die ik hier aan het werk zie. Ze rijden met grote machines over hun land, zaaien genetisch gemanipuleerd zaad en spuiten stinkende chemische stoffen. Weten zij wat ze doen? Zelfs hun koeien weten niet meer dat ze gras moeten eten.

Door mijn tuin besef ik pas goed welke enorme afstand er is ontstaan tussen mens en natuur. Dankzij de wetenschap weten we vandaag heel veel over de natuur. Maar eigenlijk begrijpen we er niks meer van. Onze kennis is die van het gemiddelde tuinhandboek: doe dit, dan gebeurt er dat. Maar wat er precies gebeurt en waarom het gebeurt, dat vragen we ons niet af. Als we het maar kunnen gebruiken. Nu, als ik van mijn tuin moest leven, zou ik me die vragen ook niet stellen, ik zou al blij zijn dat ik te eten had. Maar dat betekent dat de moderne, wetenschappelijk onderlegde mens nog altijd redeneert zoals de boer waar hij zich zover verheven boven voelt: het kan hem niet schelen wat hij doet, als ’t maar opbrengt. Hoewel steeds meer mensen gaan tuinieren, en het allemaal luxe-tuiniers zijn die niet van hun tuin moeten leven, vragen ze zich niet af wat ze doen. Ze vragen zich wel af wat de chemo-boeren doen, en dat is een begin, maar de wil om echt te begrijpen wat ze doen, leeft ook bij hen niet.

Wat ik eigenlijk ‘aan den lijve’ ondervind sinds ik een tuin heb, is de nood aan antroposofie. Want alleen de antroposofie kan antwoord geven op de vragen die ik mij stel. Zonder antroposofie heeft het zelfs geen zin om die vragen te stellen. Maar de boeken die ik lees en de voordrachten die ik hoor, dalen als het ware uit de hemel neer. De grond waar ik op mijn knieën zit in te wroeten, bereiken ze niet. Antroposofische inzichten hebben iets overweldigends, iets verlammends, iets dat een mens zich klein en ontoereikend doet voelen. Ze zijn eigenlijk even overweldigend en verlammend als de onwetendheid waarmee mijn tuin mij confronteert. Als geweldige antwoorden dalen ze uit de geestelijke wereld neer, terwijl vanuit de aardse wereld ontelbare vragen opstijgen. Maar ze ontmoeten elkaar nauwelijks, er blijft een diepe kloof bestaan tussen hemel en aarde. En in die kloof bevind ik mij. Dat is waar mijn tuin mij plaatst: midden in dat spanningsveld tussen twee enorme uitersten die met elkaar verbonden willen worden. 

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, hebben de slakken vrijwel al mijn sla opgegeten, de vogels hebben mijn boontjes uit de grond gehaald en mijn aardappelplanten zitten vol coloradokevers. De aarde is kurkdroog, het gras is roest en alles verdort, behalve het onkruid. Ik kan het bijna niet meer aanzien en heb veel zin om er het bijltje bij neer te gooien en heel die verwilderende tuin aan zijn lot over te laten. Wat mij daar echter van weerhoudt, is zijn karmische dimensie. Ik heb die tuin niet gekozen, hij heeft mij gekozen. Op het moment dat wij uiterst dringend een huis nodig hadden, is hij samen met dat huis uit de hemel komen vallen. Met dat huis alleen zouden we al meer dan gelukkig zijn geweest, maar die grote tuin hoorde erbij. Hij is dus tegelijk een hemels geschenk en een aardse opgave, die twee kan ik niet meer van elkaar losmaken. En dat betekent dat die aardse opgave er niet alleen in bestaat om die tuin te bewerken, maar ook om hem te begrijpen, om de vragen te beantwoorden die hij in mij wekt.

Daarmee heb ik al een antwoord gevonden op de vraag waarom ik die tuin pas nu gekregen heb, op mijn oude dag, en niet vroeger, toen ik nog fitter was. Pas nu beschik ik over voldoende ervaring en inzicht om mijn tuin karmisch te benaderen, dat wil zeggen, niet enkel als een stuk natuur dat toevallig bij mijn huis hoort, maar als een onderdeel van mijn karma. En wat ik over dat karma geleerd heb, is dat het een kunstwerk is waarvan ieder onderdeel het geheel weerspiegelt. De tuin, die nu zo’n prominente rol speelt in mijn leven, zou dus een spiegel zijn van mijn leven, en daardoor ook van mezelf, want de theorie van het karma zegt dat ieder mens de schepper is van zijn leven. Dat is nogal wat: mijn tuin als spiegel van mezelf. En wat die spiegel me vertelt, is dat ik mezelf niet ken. Ik begrijp helemaal niks van de scheppende geest die ik in wezen ben. Ik ben één grote open vraag voor mezelf. Maar ik bezit wel de middelen om die vraag te beantwoorden en dat antwoord valt samen met het bewerken van mijn tuin.   

Life and science

  

Sinds kort ben ik tuinier. Ik moet wel, want ik heb nu een tuin, en die kun je niet zomaar zijn gang laten gaan. Gelukkig doe ik het graag, tenminste wanneer de zon schijnt. Dat heeft ze dit jaar reeds volop gedaan en zo ben ik erin geslaagd een stukje van mijn tuin te heroveren op de wildernis. Mijn eerste overwinning behaalde ik op een overwoekerd bed aardbeien. Aardbeien! Daar had ik wel wat rug- en andere pijnen voor over. Na eerst het onkruid verwijderd te hebben, haalde ik de samengegroeide planten uit elkaar. Hingen er (naar mijn mening) nog voldoende wortels aan, dan stak ik ze meteen weer in de grond. Hingen er slechts enkele dunne draadjes aan, dan stak ik ze in potjes met potgrond die ik vervolgens in de serre plaatste om wat aan te sterken. Ik kon het niet over m’n hart krijgen om ze weg te gooien. 

Mijn debuut als tuinier bestond dus uit (1) het vernietigen van de vijand en (2) het verzorgen van zijn slachtoffers. Deze laatste kwamen langzaam weer op krachten en toen ze een beetje te groot werden voor hun potje plantte ik ze weer in volle grond. Als gevolg van die pleegzorg staat (het heroverde deel van) mijn tuin nu vol aardbeiplantjes. Half april verschenen de eerste bloempjes en die vervulden me met trots en verwachting. Maar toen ik voor het eerst sinds lang weer eens ging wandelen, zag ik de aardbeiplanten van mijn overbuurman. Vergeleken bij mijn vondelingen leken het wel reuzen. Ik stond weer met mijn voeten op de grond. Kort daarna zag ik een youtube-filmpje waarin werd uitgelegd hoe ik iets aan die achterstand kon doen: ik moest de bloempjes uitknijpen, dat zou de groei van het plantje ten goede komen. 

Het klonk me niet onlogisch in de oren. Maar moest ik nu echt de bloempjes die me met zoveel vreugde vervulden, verwijderen? Stel je voor dat mijn hele oogst eraan ging! Groot zou ze wel niet zijn, maar aardbeien van eigen kweek – al waren ’t er slechts twee (één voor mijn vrouw en één voor mij) – dat was toch iets om naar uit te kijken! Probeer het eens uit met enkele plantjes, adviseerde An. Een redelijk voorstel. Maar ik wilde niet experimenteren, ik wilde aardbeien! Op Facebook zag ik dat de tuinbouwschool van Melle een lenteverkoop hield en ik besloot daar mijn licht eens te gaan opsteken. Kon ik gelijk ook enkele tomatenplantjes van het ras ‘coeur de boeuf’ kopen. Vorige zomer had ik van iemand zo’n ossenhart-tomaat gekregen en dat was de beste tomaat die ik ooit gegeten had.

Ik was niet de enige die dat vond. Toen ik arriveerde was de coeur de boeuf al uitverkocht. Ik klampte dan maar een leraar aan en vroeg hem of het waar was dat je de eerste aardbeibloempjes moest uitknijpen. Hij keek me verbluft aan en vroeg: wie heeft je dát wijsgemaakt? Het internet, antwoordde ik. Luister eens, zei hij, ik geef hier al 30 jaar les en ik heb nog nooit gehoord dat je de bloemen van aardbeien moet uitknijpen. Hij vond het te gek voor woorden. Er is maar één regel, vervolgde hij, en die geldt voor alle vruchtdragende planten: geen blad, geen vrucht! Ja maar, antwoordde ik, dat is nu net de reden waarom ze die bloemen verwijderen: ze onttrekken energie aan de plant en beletten haar om blad te vormen! Ik dacht aan mijn schriele plantjes, die vaak maar twee blaadjes hadden (en geen honderd zoals die van mijn overbuurman).

Kom eens mee, zei hij en hij bracht me naar een serre waar bloemkolen stonden. De planten waren reusachtig, een ander woord was er niet voor. Kijk, zei hij, dát zijn bladeren en daar zullen mooie bloemkolen aan komen. Maar heb je slechts een paar kleine bladeren, dan zal daar een bloemkool aan komen de grootte van mijn vuist, en misschien zelfs dat niet. Ja maar, probeerde ik nog eens, dat is precies waarom ze zeggen dat je die eerste aardbeibloemen moet verwijderen: omdat de plant eerst bladeren moet vormen en dat kan ze niet als haar energie naar de bloemen gaat! Maar ik had het net zo goed tegen de bloemkolen kunnen zeggen. De brave man schudde alleen maar het hoofd: jongens toch, wat ze allemaal niet op het internet vertelden! 

Opeens kwam de school me, ondanks haar weelde aan bloemen, planten en bomen, een stuk minder aantrekkelijk voor. Was dit de geest die er heerste: een schoolmeestersgeest die niet luisterde en steeds maar weer de eigen waarheid herhaalde? Op weg naar de uitgang zag ik ergens een affiche hangen. Er stond een man in een witte overall op afgebeeld. Op zijn hoofd stond een helm, voor zijn gezicht hing een gasmasker en aan zijn handen zaten grote handschoenen. Die attributen waren rood omcirkeld en ernaast stonden de giftige stoffen vermeld waartegen ze bescherming boden. Er waren ook nog een paar sloganeske waarschuwingen aan toegevoegd. Tuinieren: het was blijkbaar een beroep vol risico’s. Toen ik weer buiten stond las ik op een spandoek: Tuinbouwschool Melle, life and science

Leven en wetenschap: het klonk me in de oren als een contradictie. Hoe kan een wetenschap die alles reduceert tot dode materie nu bijdragen tot het leven? De man-in-het-witte-pak die ik op de affiche had zien staan, zag eruit als een bestrijder van het leven die zich moest beschermen tegen zijn eigen dodelijke wapens. Eigenlijk was de moderne tuinier een karikatuur van mezelf. Wat ik wilde doen door de bloemen van mijn aardbeiplantjes uit te knijpen, deed hij in honderdvoud: doden om meer leven te hebben. Daarom was het ook lachwekkend dat de tuinbouwleraar de ogen ten hemel sloeg toen ik hem vertelde van mijn vernietigingsplan. Hij zag de gelijkenis niet tussen het kleine dat ik (voor het eerst) wilde doen en het grote dat hij (dagelijks) deed. Hij wist met andere woorden niet waar hij mee bezig was. 

Ezelachtig

  

Bestaat er in de dierenwereld een verbijsterender geluid dan het gebalk van een ezel? In deze contreien alleszins niet. Toen ik vanmiddag de weide bij de Gallische hoeve in Destelbergen passeerde, kwam zo’n pluisoor naar me toegelopen, die twee oerklanken uitstotend: de ongelooflijk diep resonerende A en de niet minder ongelooflijk hoge, amechtige I. Achter hem kwam ook zijn compaan aangelopen, of beter aangetrippeld – want ezels zijn vrouwelijk precieuze wezens – dezelfde twee schabouwelijke klanken producerend, maar op een geheel eigen wijze. Daarna werd het weer stil en stonden de twee dieren ietwat verlegen naar me te kijken. Ik begreep er niks van. Hoe viel dat gigantische geluid te rijmen met dat zachte en bescheiden uiterlijk? Kijk, dat is nu eens een vraag waarop ik van de wetenschap een antwoord verwacht. Waarschijnlijk zal ik daar nog lang mogen op wachten, want moderne wetenschappelijke verklaringen klinken me vaak in de oren als het gebalk van ezels: schokkend, onbegrijpelijk en niet te rijmen met de zichtbare werkelijkheid.

De wereld als een kunstwerk zien (1)

  

Het motto van deze blog – de wereld als een kunstwerk zien – kan op twee manieren begrepen worden: als theorie en als praktijk. De theorie houdt in dat we de wereld beschouwen als een kunstwerk en er dus van uitgaan dat er ook een kunstenaar is. Immers, geen kunst zonder kunstenaar. Achter de zichtbare werkelijkheid verbergt zich dus een scheppende geest. Die overtuiging gaat dwars in tegen de moderne wetenschap, die volhoudt dat de wereld ‘vanzelf’ ontstaan is en dat er helemaal geen oorzakelijke geest bestaat. Het gevolg is een clash of civilisations, een botsing van twee tegengestelde wereldbeelden: een wetenschappelijk en een religieus. Als theorie is de wereld als een kunstwerk zien inderdaad een ‘religieus’ standpunt en als dusdanig maakt het deel uit van het centrale probleem van onze tijd.

Als praktijk draagt het echter bij tot de oplossing van datzelfde probleem. De tweede betekenis van het motto is namelijk: de wereld op dezelfde manier zien als een kunstwerk. Ging het bij de theorie om de inhoud – wat zien we? – dan gaat het bij de praktijk om de vorm: hoe zien we? Daarmee verlaten we het gebied van het geloof (dat van een stellige inhoud uitgaat) en betreden we het gebied van de wetenschap, die niet uitgaat van een inhoud maar van een vorm, en die enkel een onderzoeksmethode toepast. Kijken we naar de wereld op dezelfde manier waarop we naar kunst kijken, dan is de gedachte dat achter die wereld een scheppende geest schuilgaat geen overtuiging maar een hypothese. We gaan er niet zomaar vanuit dat God bestaat (of niet bestaat), we willen die theorie eerst onderzoeken. 

Hoe doen we dat? Op dezelfde manier waarop we ook een kunstwerk onderzoeken. Als we dat tenminste doen, want het is de gewoonte geworden om op gezag van anderen – kunstpausen bijvoorbeeld – zonder meer aan te nemen dat iets kunst is. Deze pseudo-religieuze benadering strookt echter niet met het bewustzijnsniveau van de moderne mens. Het is niet meer van deze tijd om blindelings te geloven zonder te begrijpen. De instelling die bij onze tijd past is de ‘wetenschappelijke’: we onderzoeken alles en behouden alleen het goede. Deze zelfstandige oordeelsvorming garandeert onze vrijheid, en met name op het gebied van de kunst is ze heel belangrijk, want hier is de meest vernietigende aanval op de menselijke vrijheid ontketend. 

Sinds het verdwijnen van de laatste resten van onze oude ‘helderziendheid’, zijn er twee manieren om kunst te benaderen: de wetenschappelijke en de religieuze. In het eerste geval probeert de kijker zich een oordeel te vormen over het kunstwerk door het kritisch te onderzoeken, in het tweede geval gelooft hij voetstoots alles wat ‘deskundigen’ hem vertellen. Deze pseudo-religieuze benadering is in wezen materialistisch, want de kunstliefhebber die niet zelfstandig oordeelt (en ook niet helderziend meer is), komt niet verder dan het materiële uiterlijk van het kunstwerk. Hij dringt niet meer door tot de geestelijke kern ervan. Deze laatste is vandaag alleen nog bereikbaar voor wie het kunstwerk wetenschappelijk benadert. Wetenschappelijk betekent in dit geval dus hetzelfde als religieus, maar dan in de echte, spirituele betekenis van het woord. 

In deze paradox ligt de oplossing van de clash of civilisations: wanneer we kunst wetenschappelijk benaderen, vallen religie en wetenschap samen en is er geen sprake meer van een botsing. Uiteraard gaat het hier om religie en wetenschap in hun oorspronkelijke betekenis. Daar blijft vandaag nauwelijks nog iets van over: beide zitten stevig in de greep van het materialisme. Het is dat materialisme dat de clash of civilisations veroorzaakt, het zijn de materialistische wetenschap en de materialistische religie die op elkaar botsen. Niet toevallig is daarbij nooit sprake van de kunst: die wordt door het materialisme zonder meer buitenspel geplaatst. En daar is een goede reden voor, want als de wetenschap zich richt op de kunst, dan wordt ze vanzelf religieus en overwint ze het materialisme.

De clash of civilisations kan dus in feite herleid worden tot een gebrek aan kunstwetenschap. Wat ontbreekt is een nuchtere, rationele benadering van de kunst. Daarmee wordt vanzelfsprekend niet bedoeld wat vandaag voor kunstwetenschap of kunstkritiek doorgaat, want dat is de overtreffende trap van materialisme. In de moderne kunstwetenschap wordt het materialisme verheven tot een religie en dat is het absolute tegendeel van een echte wetenschap van de kunst. Zo’n echte, niet-materialistische kunstwetenschap is in de grond niets anders dan de bewustwording van de gewone, spontane manier waarop we kunst benaderen. Die bewustwording verandert niet alleen de (materialistische) manier waarop we naar kunst kijken, ze verandert ook de (materialistische) manier waarop we aan wetenschap doen. 

Wanneer we een kunstwerk spontaan benaderen, laten we ons leiden door ons gevoel. Met ons verstand kunnen we namelijk niet doordringen tot een kunstwerk. We blijven dan aan de buitenkant staan en komen er nooit achter wat een tekening, een schilderij of wat dan ook tot kunst maakt. Kunst is een tegelijk uiterlijke én innerlijke ruimte. De uiterlijke ruimte benaderen we met ons verstand, de innerlijke is alleen toegankelijk voor ons gevoel. En hier ligt het ‘revolutionaire’ van de wereld als een kunstwerk zien: het vraagt om een wetenschap die het gevoel niet aan de kant schuift, maar er innig mee samenwerkt. Dat is niets minder dan een radicale omkering, want in de klassieke wetenschap zegt het verstand tegen het gevoel: tais-toi et soit belle! In de nieuwe, kunstzinnige wetenschap zegt het gevoel tegen het verstand: luister naar mij!

We kennen de wetenschap als een methode die het subjectieve gevoel uitsluit om tot objectieve kennis te komen. Maar hoe geschikt deze kennismethode ook is voor de dode materie, ze kan niet dienen voor de levende materie. Juist daarin ligt het materialistische van de moderne wetenschap: ze past op het levende een methode toe die alleen geschikt is voor het dode. Dat houdt een verregaande miskenning in van het levende, zelfs in die zin dat de wetenschap ophoudt wetenschap te zijn. Ze is geen kennismethode meer maar een methode om macht uit te oefenen, om het levende te onderwerpen en zelfs te doden. In die machtsroes ligt de reden waarom een wetenschap van het levende niet van de grond komt: zo’n wetenschap vereist het opgeven van die macht, ze vereist juist het tegenovergestelde. 

Een wetenschap van het levende veronderstelt eerbied voor haar onderwerp. Die eerbied is niet nodig tegenover de dode materie. Als men een steen in twee hakt, dan heeft men twee stenen en verandert er niets wezenlijks. Hakt men daarentegen iets levends in twee, dan houdt men iets doods over. Een wetenschap die het levende wil bestuderen, moet een andere methode vinden dan het analyseren of in twee hakken van de werkelijkheid. Of beter: ze moet deze methode uitbreiden, want de dode materie maakt uiteraard deel uit van de levende, ze is er een aspect van. Een levende wetenschap mag de analyserende methode niet zomaar weggooien, wel integendeel. Ze moet het onderscheidingsvermogen dat ze aan de dode materie ontwikkeld heeft niet alleen behouden, ze moet het nog versterken. 

Want de levende materie is veel beweeglijker, complexer en ongrijpbaarder dan de dode materie. Wanneer het wakkere bewustzijn dit gebied betreedt, dreigt het gevaar dat het zijn helderheid verliest. Daarom moest de materialistische wetenschap vóór de kunstzinnige wetenschap komen: om aan de dode materie een onderscheidingsvermogen te ontwikkelen dat stand kon houden in de wereld van de levende materie. De rationeel denkende mens moest bij wijze van spreken eerst leren lopen op vaste bodem vóór hij kon leren zwemmen in de ‘waterige’ omgeving van het levende. Zijn individuele denken moest eerst gestaald worden, zodat het niet zou ‘oplossen’ in de wereld van de geest. Want leven is geestelijk. Een wetenschap van het levende is noodzakelijkerwijs een wetenschap van de geest.                

Zwaartekrachtgolf

  

Geen idee wat een zwaartekrachtgolf is, maar mooi is ie wel!

Examens en karma

Vanmorgen ben ik (voor de zoveelste keer) ontwaakt uit een examen-droom. Ik zat in een lokaal tussen allemaal studenten die ijverig aan het schrijven waren op voorgedrukte examenformulieren. Zelf had ik alleen een gewone schrijfbloc, en welke vraag er moest beantwoord worden daar had ik het raden naar. De bereidwillige student die naast me zat, schreef ze op mijn blad: ‘wat is de rol van politieke commentatoren?’ Volgde ik een studie journalistiek of politicologie? Ik had geen idee. Waarom moest ik een examen afleggen zonder de vragen te hebben gekregen? Ik wist het niet. Ik wist alleen dat het moest. Verder begreep ik er niks van.

Ik heb dit soort dromen (of droomflarden) al zowat m’n hele leven. Niet alleen sluiten ze dicht aan bij de concrete werkelijkheid – ik heb vaak genoeg examens afgelegd waarvan ik de vragen niet eens begreep, laat staan ze kon beantwoorden – maar ze raken op de een of andere manier ook de kern van mijn bestaan. Ik ervaar mijn leven als één groot examen waarvan ik de vragen niet ken. Ik weet niet eens wat ik ‘studeer’. Eigenlijk is dat de examenopgave: erachter komen wat ik studeer en welke vragen ik moet beantwoorden. Het is een beetje de omgekeerde wereld: ik zoek geen antwoorden, ik zoek de vragen. 

Examens hebben me voor het eerst geconfronteerd met de realiteit van het karma. Ik ben namelijk (op één uitzondering na) altijd geslaagd voor mijn examens, en dat mag een half wonder heten want ik kan me niet herinneren ooit klaar te zijn geweest voor een examen. Wat ik me daarentegen wel herinner zijn examens waarop ik geen woord kon uitbrengen of opschrijven, examens bij proffen die ik nooit gezien had, examens over cursussen en boeken die ik nooit gelezen had. Want ik had een ontzettende hekel aan studeren, of beter gezegd: aan wat ik moest studeren. Studeren was voor mij: het overwinnen van mijn afkeer voor de leerstof. 

En toch heb ik een diploma behaald, een ‘master’ dan nog wel. Hoe ben ik dáár in geslaagd? Wel, dat is het ‘em juist: ik bén daar niet in geslaagd, het is gewoon gebeurd, tot mijn eigen stomme verbazing. Het was het resultaat van een reeks onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Ik heb ooit eens uitgerekend hoeveel punten ik in m’n laatste jaar van de humaniora werkelijk behaald moest hebben. Ik kwam uit op 20%. Maar ik was geslaagd, en nog wel zonder herexamens. Aan de universiteit herhaalde die grap zich: ik haalde er ooit 53% van de punten, alweer zonder één herexamen. Dat betekent dat ik voor elk vak precies de helft had behaald, en zo scherp kan niemand mikken. Ik raakte er dan ook van overtuigd dat mijn diploma in de sterren geschreven stond en besloot niet langer naar de les te gaan. Het maakte toch niks uit. And guess what? Het bleek nog waar te zijn ook.         

Sindsdien geloof ik in karma, wat zeg ik, ik wéét dat het bestaat. Maar echt vrolijk word ik er niet van. Zeker, ik schep er een grimmig genoegen in om te vertellen hoe ik aan mijn diploma ben geraakt, hoe ik professoren om de tuin heb geleid, hoe ik examens afpende zonder zelfs maar te begrijpen wat ik afpende, hoe ik papers en thesissen rechtstreeks uit m’n tikmachine ramde, hoe ik van mijn studie één groot pokerspel maakte. Maar de prijs die ik daarvoor betaal zijn levenslange ‘examen-nachtmerries’ waaruit ik met hartkloppingen ontwaak en grenzeloos opgelucht vaststel: goddank, ik hoef nooit meer naar school! 

Gedurende mijn hele schoolcarrière (en nog lang daarna) leefde ik in de overtuiging dat er een fatale vergissing was gebeurd. Ik was in het verkeerde leven terechtgekomen. Ik speelde een rol die ik niet kende en waar ik niks mee te maken had. Pas nel mezzo del camin di nostra vita slaagde ik erin zelf het roer in handen te nemen. Ik ruilde de wereld van de wetenschap (en alles wat daaruit voortvloeide) voor die van de kunst en ervoer dat als een ongelooflijke bevrijding. Ik keerde terug naar de academie, naar de plek waar ik mij als kind zo thuis had gevoeld en waar ik niet hoefde te denken aan diploma’s en examens. 

Maar terwijl me op school alles in de schoot werd geworpen, kreeg ik op de academie niet wat ik verdiende. Ik slaagde er met glans, maar mijn diploma heb ik nooit gezien. Het kon me niets schelen. Ik had vastgesteld dat de academie een … school was geworden en ik was niet van plan een tweede keer in die valstrik te trappen. Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: een academie is geen school waar je les volgt, het is een plek waar je ingewijd wordt. En dat was precies hoe ik de ‘oude’ academie had ervaren: als een mysterietempel, een oase van geest in een woestijn van materialisme. Maar de bron was opgedroogd, de geest was verdwenen. In de ‘nieuwe’ academie maakten jonge leerkrachten die niks konden oude leerlingen wijs dat ze kunstenaars waren. Het was alsof ik mezelf tegenkwam als student die oude professoren wijsmaakte dat hij de stof beheerste. Het verschil was dat ik heel goed wist wat ik deed terwijl die jonge academisten zelf geloofden in de onzin die ze verkochten.

Ik had geen medelijden met de ouwelui die door hen om de tuin werden geleid, evenmin als ik dat had met de professoren die ik vroeger een rad voor de ogen draaide. Maar als ik dacht aan de talloze jonge mensen die overal ingewijd werden in de mysteries van de ‘nieuwe’ artistieke geest, dan werd het me droef te moede. Het begon me te dagen voor welk gevaar mijn karma me had behoed door me de woestijn in te sturen. Ik dacht terug aan mezelf als het jongetje dat met wijdopen ziel de mysterietempel van de kunst betrad en zich met volle teugen laafde aan de geest die er heerste. Die geest had vreselijke dingen kunnen aanrichten in mijn kinderziel, maar in plaats daarvan betoonde hij mij een respect dat ik in de buitenwereld nergens tegenkwam. Het is de diepste ervaring die ik aan de (oude) academie opdeed: dat grenzeloze respect voor mijn ‘ik’ – niet te verwarren met mijn ‘ego’ want daar veegde mijn leraar vierkant zijn voeten aan. 

Ook mijn karma trekt zich niks aan van mijn wensen, verwachtingen en verzuchtingen. Gaat mijn hart uit naar de kunst? Wel, het stuurt me de richting van de wetenschap uit. Daarna laat het me wél terugkeren, als om te zeggen: begrijp je nu waarom ik je de woestijn in stuurde? Ja, ik begin de Geest van het Karma te herkennen in mijn oude tekenleraar. Ondanks zijn onbetwiste autoriteit, had hij niks vaderlijks. Hij stond niet boven maar naast je en behandelde je als een gelijke, hoe jong en onkundig je ook was. Hij zei nooit wat je moest doen, hij hielp je alleen bij wat je zelf wilde. Toen ik hem bijvoorbeeld vertelde dat ik naar de universiteit ging, vond hij dat een kostelijke grap, maar hij deed niets om me van dat plan af te brengen. Hij liet me vrij zoals hij me altijd vrij had gelaten. 

Ik heb hem dat lang kwalijk genomen. Ik vond dat hij me had moeten tegenhouden en voelde mij door hem in de steek had gelaten. Pas later begreep ik dat hij in de geest van het karma had gehandeld en mij behoed had voor de onderwereldgeest die zo vreselijk tekeer ging in de kunstwereld. Ik voelde daarvoor een diepe dankbaarheid, dezelfde dankbaarheid die ik na mijn dood waarschijnlijk zal voelen als ik terugkijk op m’n leven en het karmische weefsel leer kennen dat eraan ten grondslag ligt. Ik begin daar nu reeds iets van te bespeuren en ik kan alleen maar verbluft kijken naar zoveel … kunstzinnigheid. Want dat is hoe ik karma ervaar: als een levend kunstwerk, een kunstwerk dat de werkelijkheid als materiaal heeft. Dat is ook hoe ik de Geest van het Karma beleef: als een kunstenaar, een scheppende geest die ieder bevattingsvermogen te boven gaat. Maar hij bestaat en je kunt hem ook leren kennen. Niet rechtstreeks misschien, maar wel via zijn werk, via het karma.

Net als bij een gewoon kunstwerk moet je daarvoor afstand kunnen nemen. Als je met je neus op een schilderij staat, zie je niks anders dan betekenisloze verfvlekken. Zo ziet het leven er in eerste instantie ook uit: als een rommeltje, het werk van een knoeier. Pas als je het vanop een afstand bekijkt, verschijnen er herkenbare patronen. Maar juist dat afstand nemen is zo moeilijk, want als je tegenover je leven gaat staan, kun je het niet meer leven. Je kunt niet tegelijk kunstenaar en kijker zijn. Afstand nemen van je eigen leven is dan ook een soort sterven: je maakt je los uit jezelf zoals je je losmaakt uit je lichaam wanneer je doodgaat. Ik zou dat hoogstwaarschijnlijk niet kunnen als ik het niet eerst in de kunst had beleefd, als ik niet uit dat paradijs was verdreven en niet ondervonden had dat die verdrijving ondanks alles toch een goede zaak was. 

Dit afstand nemen, niet alleen in de kunst maar ook van de kunst, was als één groot examen voor me en de opgave was de geest van het karma te leren kennen. Ook de ‘kleine’ examens waren voor mij een soort doodservaringen. Ik bestierf het telkens van de zenuwen, maar van zodra ik de drempel van het examenlokaal had overschreden, viel alles van me af en dacht ik: hoe gaan we dit varkentje wassen? Ik voelde niet de minste angst meer en beschikte over al m’n vermogens. Die waren vooral van niet-academische aard, want wat ik tekort kwam aan wetenschappelijke kennis compenseerde ik met kunstgrepen allerhande, het artistieke adagium indachtig dat alleen het resultaat telt, niet de manier waarop je het bereikt. Ja, ik pakte de examens heel kreatief aan. Ik beschouwde ze als een spel, maar verloor het doel nooit uit het oog.

Dit drempeloverschrijdende karakter heb ik ooit eens heel sterk beleefd in de voorbereiding op mijn proeflessen, want dat waren examens-in-het-kwadraat. Op een gegeven moment voelde ik me zodanig in het nauw gedreven dat ik als het ware uit mezelf werd geperst: ik steeg – letterlijk – boven mezelf uit en kwam terecht in een sfeer van louter rust en aanvaarding. Alle benauwdheid was op slag verdwenen en ik zei heel nuchter tegen mezelf: je moet hier doorheen, niks aan te doen, probeer er dus gewoon het beste van te maken! En dat deed ik. Er was niks veranderd, maar ik had me verzoend met mijn lot en daardoor werd alles een stuk eenvoudiger. 

Ik had, zou je kunnen zeggen, de Geest van het Karma ontmoet en hij bleek verrassend nuchter: hij verloste me van alle overtollige ballast zodat ik me kon concentreren op wat er moest gebeuren. Ik herkende hem ook in die heel speciale sfeer van broederlijkheid die tijdens de examens onder de studenten ontstond: we zaten allemaal in hetzelfde schuitje en wat ons tijdens het jaar had verdeeld werd nu opeens bijkomstig. We voelden ons één. Daardoor had de examenperiode toch ook iets aantrekkelijks, iets opwindends, alsof doorheen de uiterlijke ellende iets van de karmasfeer voelbaar werd. Op die manier waren examens voor mij een soort voorbereidende karma-oefeningen. Ze leerden me het karma kennen als iets wat in eerste instantie volkomen vreemd en zelfs verkeerd lijkt, maar dat bij nader inzien steeds kunstzinniger en steeds vertrouwder wordt. 

In mijn droom kreeg ik de examenvraag niet van een examinator (die hoog boven mij stond) maar van een behulpzame medestudent (die naast me zat). Het is dus alsof de vragen steeds dichter komen ook al is hun inhoud me nog altijd vreemd. Het doet me denken aan de zomeruniversiteit waarop ik straks zal moeten spreken. Dat is alweer een examen voor me, en nog geen kleintje. Maar dit keer wordt het me niet opgelegd. En ik heb de vraag van een ‘medestudent’ gekregen. Wel weet ik opnieuw veel te weinig van het onderwerp af en zal ik me dus weer op kunstzinnige wijze uit de slag moeten trekken. Maar als de Geest van het Karma me niet in de steek laat, zal ik er wel doorheen raken. Ik herken zijn hand trouwens in de ironie van het geval: ik ga niet alleen spreken op een ‘universiteit’, ik doe dat ook nog eens in de ‘sociale sectie’. Ja, hij heeft beslist gevoel voor humor, de Geest van het Karma …

Gij zult niet veralgemenen!

Ahriman, voorspelde Rudolf Steiner, zal zich ontpoppen tot een geniaal schrijver.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle geniale schrijvers ook spreekbuizen van Ahriman zijn.
Een voorbeeld daarvan is Maarten Boudry.
Deze nog zeer jonge intellectueel schrijft voortreffelijk en is een ware verademing tussen al die Ahriman-klonen.
Wat natuurlijk ook weer niet wil zeggen dat hij altijd aan de greep van Ahriman ontsnapt.
Zo simpel is het leven niet.

Vandaag schrijft Maarten in de krant onder meer het volgende:

‘Ze hebben een gesloten cultuur, meneer!
En dat niet alleen: ze zijn bovendien niet bijzonder gul en gastvrij, en ook nog eens knorrig.
Tiens, heeft de schaduwpremier op het Schoon Verdiep nog wat nagetrapt naar de Antwerpse Berbers, sedert zijn passage bij Terzake?
Nee hoor: aan het woord is de Leuvense rector Rik Torfs, in een opiniestuk over… de Vlamingen. Blijkbaar delen wij onze ‘gesloten cultuur’ met onze Berberse vrienden.
Dat moeten ze daar in het Riffgebergte hebben horen waaien – geen wonder dat ze naar hier uitweken.
Met die integratie kan het niet meer stuk!

Nu hoor ik u zeggen: Torfs is zelf een Vlaming, hij mag dat zeggen.
Als hij onder zijn eigen gordel wil meppen, dan moet hij maar op zijn tanden bijten.
Maar een rapport voor de Franse commissie Buitenlandse Zaken uit 2012 windt er nog minder doekjes om: Vlamingen zijn egoïstisch, ondankbaar, intolerant en fascistisch.
Soit, dat zijn nog steeds Europeanen onder elkaar.

Maar negatieve veralgemeningen over écht vreemde volkeren en culturen, dat kan toch niet?

Dat ligt eraan: er is nog minstens één cultuur die vogelvrij is onder opiniemakers (ik bedoel niet álle opiniemakers, want ik hoed me natuurlijk voor veralgemeningen): de Amerikanen.
In De Standaard las ik onlangs nog dat de Verenigde Staten voor de helft (= 50%) bestaat uit ‘bekrompen pummels die zweren bij God en geweer’.
Stel je voor dat daar had gestaan dat de helft van de Marokkanen ‘achterlijke kinkels zijn die zweren bij geit en couscous’.
Gesloten? Als een hermetisch verzegelde tajine, meneer.

Mogen we dan toch generaliseren over andere culturen?

Natuurlijk mag dat.
Indien veralgemeningen uit den boze zijn, dan mogen we meteen alle faculteiten sociologie en politieke wetenschappen sluiten.
Elke wetenschap is gestoeld op generalisatie.
Van het particuliere naar het algemene, van de gevalsstudie naar de wetmatigheid.
De meeste wetenschappers spreken echter over tendensen, neigingen, statistische gemiddelden.
Een generalisatie is geen universalisering.
Wie dat verschil niet snapt, kan niet langer inzien dat roken kanker veroorzaakt (Maar mijn nonkel paft twee pakjes per dag en is 93!) of dat de overweldigende meerderheid van moordenaars mannen zijn (Hoe seksistisch! Rosemary West was toch een vrouw?).

Ook in de politiek zijn veralgemeningen onontbeerlijk voor elk zinnig debat: over bruggepensioneerden, tweeverdieners en hoogopgeleide allochtonen, over CD&V-kiezers, onepercenters en de Vlaamse onderstroom.

Wie evenwel met opgeheven vinger gaat uitleggen dat je uit één slechte ervaring met een Berber niet mag afleiden dat “alle Berbers kwaaieriken zijn”, zoals Gwendolyn Rutten met de beste bedoelingen deed in Reyers Laat, maakt een triviaal punt en tevens een karikatuur van de discussie.
Natuurlijk zegt De Wever niet dat alle Berbers een gesloten geest hebben.
Zelfs een racist als Filip De Winter zou het zo ver niet drijven.

Als we veralgemenen over culturen, moeten we natuurlijk wel empirische evidentie aandragen.
Is er een bijzonder probleem met de integratie van de Berbergemeenschap?
Zijn ze oververtegenwoordigd in de criminaliteitscijfers, of vatbaarder voor de lokroep van het kalifaat dan andere culturele minderheden?
Of: als we alle “bekrompen pummels” in de VS bij elkaar optellen, komen we dan aan 160 miljoen stuks? Nadat we ons van die feiten vergewist hebben, kunnen we vervolgens oorzaak en gevolg uiteenrafelen.
Is autochtoon racisme de oorzaak van die geslotenheid, of wordt ze er net door uitgelokt?
Waarom zijn er zo’n opvallende verschillen in de integratie van etnisch-culturele minderheden?’

Tot zover Maarten Boudry.
Zoals ik al zei: een verademing na een verstikkend ahrimanische week.

Gebrek aan empathie

In De Morgen stond onlangs het verontwaardigde verslag van Yassine Channouf, een jonge Marokkaan die samen met zijn broers van bed werd gelicht en twee dagen in de cel moest doorbrengen op verdenking van diefstal.
In geuren en kleuren beschrijft hij de vernederingen die hij moest ondergaan terwijl hij volkomen onschuldig was.
Zijn conclusie: België is geen rechtstaat, België is een onrechtstaat.
Uiteraard werd dit schokkende relaas breed uitgemeten in de kranten en de reacties waren voorspelbaar: iedereen schaamde zich om in een land te wonen waar onschuldigen opgesloten worden.
Yassine Channouf zelf, een twintiger, besloot om de tijd die hem nog restte te wijden aan het verzamelen van getuigenissen van racisme-slachtoffers.
De tijd die hem nog restte?
Het klonk alsof zijn leven permanent in gevaar was en hij ieder moment door de politie – of door Vlaamse racisten – vermoord kon worden.

Een paar dagen later was het de beurt aan Wouter Van Bellingen, de nieuwe (zwarte) directeur van het Minderhedenforum.
‘Vlamingen hebben blijkbaar meer empathie met dieren dan met migranten,’ vertelde hij tijdens een interview in Knack.
Hij voegde er nog aan toe: : ik denk soms dat Vlaanderen een psycholoog nodig heeft, om eindelijk eens in het reine te komen met zijn trauma’s: van de weigering om de wreedheden van het kolonialisme onder ogen te zien, via collaboratie en repressie, tot de moeizame omgang met migranten en nieuwkomers.’

Het zal wel niet het laatste schot voor de Vlaamse boeg zijn, want zwarte Wouter krijgt in Knack een vaste column waar hij zijn gal kan spuwen op het racistische, xenofobe, onverdraagzame Vlaanderen.
Voor wie het al vergeten is: Wouter Van Bellingen is de ex-schepen van Sint Niklaas die van de ene dag op de andere een Bekende Vlaming werd toen twee koppels weigerden door hem getrouwd te worden ‘omdat hij zwart was’.
De affaire heeft hem geen windeieren gelegd want vandaag is hij dus benoemd tot directeur van het Minderhedenforum.
De twee racistische koppels die zijn carrière gelanceerd hebben, zijn nooit gevonden.
Geruchten gaan dat de zaak met racisme niks te maken had en dat de weigering stoelde op het feit van Van Bellingen stamde uit – lees: geadopteerd was door – een familie van collaborateurs, van ‘zwarten’ dus.
Maar het schandaal was intussen zo groot geworden dat het ‘opportuner’ werd geacht om het misverstand onopgehelderd te laten.
Later is Van Bellingen nog eens in het (wereld)nieuws gekomen door een soort massa-trouwpartij op de (zeer) Grote Markt van Sint Niklaas.
En vandaag haalt hij dus weer het nieuws met de uitspraak dat Vlaanderen naar de psychiater moet om eindelijk eens iets te doen aan zijn racistische inborst.

Ja, hij weet het goed aan boord te leggen, deze immer breed glimlachende Wouter Van Bellingen. Ik verdenk er hem dan ook van een platte politieke opportunist te zijn, iemand die naast zijn ellebogen ook de kleur van zijn huid gebruikt om zich een weg te banen naar de top.
En ik verdenk Yassine Channouf ervan van hetzelfde laken een broek te zijn.
In zijn aangrijpende verslag van de vernederingen die hij moest ondergaan, schreeuwt hij zijn onschuld annex verontwaardiging uit.
Maar een dag later reageerde justitie al door te zeggen dat er wel degelijk aanwijzingen waren voor zijn betrokkenheid bij een diefstal.
De vluchtauto werd namelijk gehuurd op zijn naam en met gebruik van zijn identiteitskaart.
Hij werd ook vlakbij Channoufs huis teruggevonden, terwijl in datzelfde huis ook een grote som geld werd aangetroffen.
En daar zou de onschuldige Channouf helemaal niks vanaf geweten hebben?
Pittig detail: Channouf is mede-oprichter van Mouvement X, een ‘burgerrechtenbeweging’ die vecht tegen uitsluiting, discriminatie en racisme. Aan het hoofd staat niemand minder dan Abou Jahjah, nog zo’n onschuldige migrant.

Wat me vooral trof in de tekst van Yassine Channouf was het totale gebrek aan empathie met de Vlamingen.
Hoeveel jaar is het nu al dat de Vlamingen de pesterijen van Marokkaanse jongeren moeten ondergaan?
Het verhaal is bekend: deze soms nog zeer jonge jongeren overvallen iemand, worden aangehouden door de politie, dezelfde dag nog vrijgelaten wegens te jong of geen plaats in de gevangenissen, en de volgende dag beginnen ze opnieuw.
Een tijdje geleden werd zo’n jongere aangehouden die al meer dan 60 overvallen op zijn actief had en nog nooit veroordeeld was.
Ook hem moesten ze weer laten gaan.
Rekening houdend met het feit dat dergelijke berichten slechts met mondjesmaat in de krant komen (wegens stigmatiserend voor de Marokkaanse gemeenschap), mag je ervan uitgaan dat er in dit land heel wat Marokkaanse jongeren rondlopen die hun dagen vullen met het pesten (of moeten we zeggen: terroriseren?) van burgers en politie.

Het kost mij dan ook weinig moeite om me te verplaatsen in zo’n politieman die al jaren getreiterd en uitgelachen word door Marokkaanse jongeren en daar volkomen machteloos tegenover staat.
Kun je van zo’n politieman menselijkerwijs verwachten dat hij beleefd blijft als een zoveelste jonge Marokkaan wordt aangehouden en vol verontwaardiging zijn onschuld uitschreeuwt?
Ik vind het juist van een bewonderenswaardige verdraagzaamheid getuigen als hij alleen maar zegt: ook niks gedaan, zeker?

Yassine Channouf is zo vol van zijn eigen vernedering dat er in zijn bewustzijn geen plaats is voor de – veel grotere – vernederingen van de Vlamingen.
Als Marokkaan zou hij zich moeten schamen voor het gedrag van zijn landgenoten, want als er ergens rellen zijn, als er ergens een overval wordt gepleegd, als er ergens een schoolbus met kinderen wordt aangevallen, als er ergens mensen in elkaar worden geslagen, als er ergens vrouwen worden lastiggevallen: altijd weer zijn er Marokkanen bij betrokken.
Ze staan in heel Europa dan ook bekend als ruziemakers, en dat is nog zwak uitgedrukt.
Ik beweer niet dat alle Marokkanen zo zijn.
Ik beweer ook niet dat er geen schatten van Marokkanen bestaan.
Maar Marokkanen die hun eigen reputatie niet kennen, zijn als Duitsers die niet weten wat nazi’s zijn.
Natuurlijk kun je de misdaden van de Marokkanen niet vergelijken met die van de nazi’s.
Maar het zijn wel misdaden die nú gepleegd worden, dagelijks en op grote schaal.
Er leeft in Europa dan ook zoveel wrok tegenover Marokkanen dat er onafgebroken moet gewaarschuwd worden voor stigmatisering en demonisering.

Toch doet Yassine Channouf alsof er geen vuiltje aan de lucht is.
Meer zelfs, hij vindt het wraakroepend dat Marokkanen niet met meer respect behandeld worden.
Hij is zo verontwaardigd over de onvriendelijke houding van politie en justitie tegenover Marokkanen dat hij begint te spuwen, te schelden en te schreeuwen dat België een onrechtstaat is.
Channouf is nochtans geen onontwikkelde straatjongere die niet weet wat er in de wereld gebeurt.
Nee, hij heeft een master en studeert aan de universiteit van Leiden.
Hij is dus een intellectueel van wie je toch énige nuancering en zelfkritiek zou mogen verwachten.
Maar die ontbreken totaal.
Yassine Channouf toont niet het minste begrip voor het wantrouwen van de Belgen.
En hij is niet de enige.
Nog nooit heb ik uit de mond van Marokkanen of andere moslims één blijk van begrip vernomen voor de wrok van de autochtone Vlamingen.
In al die honderden artikels en opiniestukken van hun hand heb ik nog nooit één teken van empathie aangetroffen.
Altijd weer zijn het klachten, beschuldigingen, waarschuwingen en zelfs bedreigingen.
Met deze week dus als klap op de vuurpijl de bewering van Wouter Van Bellingen dat Vlamingen meer empathie hebben voor dieren dan voor migranten.

Als ik die groteske woorden lees, kan ik niet anders dan denken: deze man heeft het over zichzelf.
Hij projecteert zijn eigen gebrek aan empathie op de Vlamingen.
Hij doet daarmee niets anders dan wat allochtonen al tientallen jaren doen.
Ze verwijten de Vlamingen, de Belgen, de Europeanen, kortom het hele Westen waar ze zelf mank aan gaan: een totaal gebrek aan inlevingsvermogen.
Hoe is het in godsnaam mogelijk, roepen ze, dat de Vlamingen niets doen aan hun racisme! Ze blijven ongestoord verder discrimineren en behandelen allochtonen alsof het geen mensen zijn! Hebben ze dan werkelijk geen greintje empathie? Wat zijn dit toch voor wezens!
Ze kunnen er echt niet bij dat er zulke mensen bestaan.
De Westerse mens is voor hen een volslagen raadsel, een wezen waar ze totaal geen hoogte van krijgen, waar ze zich onmogelijk kunnen in verplaatsen.

Kunnen?

Als ik pasgeboren kinderen zie lachen naar wildvreemde mensen die zich over hun wieg buigen, dan lijdt het voor mij geen twijfel dat ze beschikken over een aangeboren inlevingsvermogen.
Ze hebben nog nooit mensen gezien, en die volwassenen moeten hen voorkomen als monsterachtig grote en vreemde wezens, maar toch glimlachen ze alsof ze hen herkennen, alsof ze voelen: die reuzen zijn mensen, net als ik.
Hetzelfde stel ik vast wanneer Westerse camera-ploegen doordringen in het Amazone-oerwoud en daar Indianen ontmoeten die nog nooit contact hebben gehad met de buitenwereld.
Ik zie dan mensen die op een kinderlijke manier reageren op die vreemde Westerlingen: ze lachen, ze zijn nieuwsgierig, er is een soort elementaire menselijke verstandhouding.
Nee, gebrek aan inlevingsvermogen is de mens niet aangeboren.
Empathie maakt deel uit van zijn menselijke natuur.

Als mensen blijk geven van een totaal gebrek aan empathie, als ze er niet in slagen zich in te leven in andere mensen, dan is dat geen kwestie van kunnen, maar van niet-willen.
Als deze onwil een hele volksgemeenschap kenmerkt, dan is dat geen kwestie van natuur, maar van cultuur.
Het is een bewust verzet tegen een aangeboren menselijke eigenschap: de empathie, het inlevingsvermogen.

In de woorden van zowel Yassine Channouf als Wouter Van Bellingen klinkt de ‘clash of civilisations‘ door, de botsing tussen culturen.
Om welke culturen gaat het hier?
Er is natuurlijk de botsing tussen de islamitische en de Westerse cultuur.
Maar er is ook nog een andere botsing.
Wouter Van Bellingen werpt de Vlamingen dezelfde beschuldigingen in het gezicht die we altijd horen van moslims.
Maar Van Bellingen is geen moslim, Van Bellingen is een … Vlaming.
Of belet zijn zwarte huid hem om een Vlaming te zijn?
Kunnen Vlamingen alleen maar blank zijn?
Veel mensen zouden dat een racistische gedachte vinden, en daar wil ik hem niet van verdenken.
Dus hebben we hier te maken met een Vlaming die zichzelf – met een brede glimlach – beschuldigt van een schrijnend gebrek aan empathie.
Ofwel is deze Van Bellingen zwakzinnig, ofwel gaat hij er vanuit dat er twee soorten Vlamingen, of beter gezegd, twee Vlaamse culturen zijn: een cultuur (waar hij uiteraard zelf toe behoort) die vreemdelingen met open armen ontvangt, en een cultuur die meer van honden dan van migranten houdt, een racistische cultuur dus.

Ook onder Vlamingen vindt er dus een ‘clash of civilisations’ plaats.
Het gaat met andere woorden niet om één botsing maar om twee ‘botsingen van culturen’.

Laat we eens naar de eerste botsing kijken, de botsing tussen de islam en het Westen.
Die komt tot uitdrukking in twee kapitale verwijten:
De moslims willen zich niet integreren en de Westerlingen zijn racistisch.
Goed en wel bekeken, gaat het hier om één en hetzelfde verwijt: het ontbreekt de anderen aan inlevingsvermogen.
Alleen gaat het in het ene geval om een ‘fysiek’ inlevingsvermogen: de moslims weigeren zich aan te passen aan de gewoonten en gebruiken van het Westen.
In het andere geval gaat het om een ‘geestelijk’ inlevingsvermogen: de Westerling kan zich niet verplaatsen in de geest van de moslim en behandelt hem daarom zonder respect.

Het begint bekend te klinken, maar ze hebben allebei gelijk.
De moslims weigeren zich inderdaad ‘in te leven’ of te integreren: ze vragen aparte wetten, ze willen apart zwemmen, ze willen apart slachten, ze willen apart vlees. Ze willen kortom niet op gelijke voet behandeld worden.
De Westerlingen van hun kant zijn niet bereid zich in te leven in de geest van de moslim, die in de eerste plaats een religieuze geest is. Moderne Westerlingen willen niets meer te maken hebben met religie. Ze peinzen er niet over om religieuze wetten op voet van gelijkheid met seculiere wetten te plaatsen.

Het gaat dus niet zomaar om de botsing tussen twee culturen, het gaat om de botsing tussen de wereldbeelden die aan die culturen ten grondslag liggen.
In het Westen is dat het wetenschappelijke wereldbeeld.
In de islam is dat het religieuze wereldbeeld.
En beide wijzen elkaar radicaal af.
In het materialistische wereldbeeld van het Westen is er geen plaats voor religie of geest, tenzij als een soort bijproduct van de materie. Van gelijkheid tussen geest en materie kan geen sprake zijn. Een dialoog op voet van gelijkheid tussen materialistische en religieuze denkbeelden is dan ook uitgesloten.
Omgekeerd is het niet anders.
In het religieuze wereldbeeld van de islam is er geen plaats voor wetenschap, tenzij als een commentaar op de koran. Dat de Westerse wetenschap op gelijke voet zou staan met het woord van God is ondenkbaar voor de moslim. Een dialoog tussen beide is dan ook uitgesloten.

Van zodra de islam en het Westen doordringen tot de grondslagen van hun cultuur houdt de verstandhouding op en vindt er een frontale botsing plaats.
Ten aanzien van die geestelijke grondslagen gelden de woorden van Kipling: East is East and West is West, and the twin shall never meet.
Anders gezegd: tussen de religieuze islam en het materialistische Westen heerst de broedertwist.

(wordt vervolgd)