Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: zee

Strandzicht

  

De grijze garnaal

Habt doch endlich einmal die Courage
euch den Eindrucken hinzugeben,
euch ergötzen zu lassen,
euch rühren zu lassen,
euch erheben zu lassen,
ja euch belehren und entflammen zu lassen.

(Goethe)

Gisteren ben ik m’n ouders gaan oppikken in Mechelen om ze naar De Haan te brengen waar ze twee weken zullen doorbrengen in Dunepanne, een hersteloord van het ziekenfonds.
Dat betekende: vijf uur in de auto.
Méér dan voldoende om een mens ervan te overtuigen dat de wereld doldraait.
De vraag die altijd in me oprijst als ik, geklemd tussen vrachtwagens, in die gekkenmolen zit, is: hoe lang kan dit nog blijven duren?
Je zou bijna blij zijn met de invasie van moslims, want zij zijn waarschijnlijk de enigen die deze waanzin kunnen stoppen, de waanzin van onze moderne wereld.

20140906-134158.jpg

Als je na die beproeving De Haan binnenrijdt, kom je terecht in een oase van schoonheid en stilte.
Het is september, en dat is eraan te merken.
De jeugd zit weer opgesloten in de scholen en de kust is nu voor de ouderen.
Maar ook in de natuur is de jeugd verdwenen: het is al volop herfst, de bladeren vallen en die betoverende atmosfeer van het najaar is er weer.
Ik maak samen met An een lange wandeling op het strand.
Alles is er nog hetzelfde als een maand geleden.
En toch.
Het eerste wat ons opvalt, is dat het zand … ‘piept’ onder onze voeten.
Een vreemd, onverklaarbaar geluid.
Dat hebben we in juli of augustus nooit gehoord.
Ook de duinen zien er heel anders uit: alsof ze dringend naar de kapper moeten.
Als we met onze voeten in het water lopen – het is nog niet afgekoeld – zien we ontelbare donkere schelpjes waaruit pootjes komen. Ze bewegen zich snel voort door het water om zich dan al even snel in te graven en onder het natte zand te verdwijnen.
Honderden zijn het er, duizenden.
Ik heb ze nog nooit gezien.
Wat ik wél al gezien heb, zijn de strandlopertjes.
Ik herinner ze mij van vorig jaar september, ik heb er nog een stukje over geschreven.
Ik zie er een tiental in formatie over het strand lopen, als een groepje pastoors dat zich naar een of ander concilie rept.
Onder hun zwarte lijfje bewegen de pootjes zich aan een duizelingwekkend tempo.
Ze zijn niet het enige dat zich zo snel beweegt.
In de waterplassen zie ik grijze schimmen wegflitsen.
Pas wanneer ze weer stilhouden, zie ik wat het zijn: garnalen.
Op hetzelfde moment worden ze weer onzichtbaar: ze lossen als het ware op in het zand, ze worden weer zand.
Garnalen – levende dan – zijn doorzichtige vormen die uit niets anders lijken te bestaan dan … zandkorrels.
In de biologie heet dat mimicry: dieren bootsen de omgeving zo goed na dat ze er nagenoeg onzichtbaar in worden.
De garnaal is daar een meester in: hij lijkt uit louter water en zand te bestaan.
Hij lijkt dus helemaal niet te bestaan.
Hij lijkt niet meer te zijn dan een … beweging van water en zand.
Maar die beweging is zo flitsend dat ze duidelijk van een andere orde is dan het water en het zand.
Daar moet ik trouwens ook aan denken als ik de pootjes van die strandlopertjes zie bewegen: de snelheid waarmee dat gebeurt, is van een andere orde.
Het is geen fysieke beweging, het is een geestelijke beweging.
Het is niet het lichaam dat beweegt, het lichaam wordt bewogen.

20140906-134417.jpg

Zo stel ik me eigenlijk voor dat de wereld is ontstaan: door een beweging van de geest, een beweging die vervolgens langzaam verstart en tot vorm wordt.
Als ik die garnalen zie zwemmen, dan zie ik eigenlijk niets anders dan een beweging in het water en het zand. Alsof enkele zandkorreltjes worden opgetild in het water, even samenblijven en de vorm van een garnaal aannemen, om dan weer op te lossen alsof er niets was gebeurd.
Waar komt die vorm vandaan?
Niet uit het zand en het water,
Die dienen alleen om die vorm te vullen.
Althans zo lijkt het.
Want we weten natuurlijk allemaal waarmee een garnaal gevuld is: met heerlijk vlees.
Dat vlees komt evenmin voort uit water en zand.
Maar waar komt het dan wél vandaan?
Tja, dat zijn de wonderen der schepping.

Door naar een garnaal te kijken, en er even over na te denken, kun je zonder veel moeite onderscheid maken tussen het fysieke, etherische en astrale niveau.
Het is een rudimentair onderscheid, maar het is onmiskenbaar.
Als je over dat onderscheid leest in antroposofische boeken, dan is het dor en saai.
Zijn ze daar weer met hun lichamen, denk je onwillekeurig.
Maar als je dat onderscheid zelf ontdekt, door het af te lezen aan de werkelijkheid, dan wordt het levend en werp je een blik in een eindeloos mysterieuze wereld, een scheppende wereld.

20140906-134723.jpg

Ik heb het daarover met An, terwijl we garnaalkroketjes zitten te eten op het terras van de Auberge des rois.
Ik vertel haar over het laatst vertaalde boek van Prokofieff, dat rode.
Hoe was de titel ook alweer? vroeg ze.
Ja, zei ik, daar vraag je me wat.
Ik kon me van het hele boek – alweer – niks meer herinneren.
Zelfs de titel niet.
Zou dat met mijn teksten ook zo zijn, vroeg ik me af.
Tenslotte ben ik ook een oude ziel, zoals ‘de Prok’.

Ik heb ooit eens de opmerking gekregen dat wat ik schrijf over kunst zo abstract en dor is.
Daar viel mijn mond wel even van open, want wat ik schrijf komt voort uit een beleving die het tegendeel is van dor en abstract.
Ik ben buitengewoon gepassioneerd door kunst (en ja, garnalen maken daar ook deel van uit), maar om daarover op een waarheidsgetrouwe manier te kunnen schrijven, moet je die passie als het ware ‘doden’, je moet er ‘passieloos’ tegenover kunnen gaan staan.
En ja, dat kan dan dor en abstract overkomen, vermoed ik.
Zelf kan ik dat niet zien of voelen, want voor mij zijn de passie en het schrijven erover één geheel.
Als lezer, en zeker als lezer die niet dezelfde passie deelt, zie je slechts een deel van dat geheel: de tot vorm verstarde buitenkant.
Je ziet slechts een … grijze garnaal, een buitengewoon onaanzienlijk beestje.
Wat je niet ziet, is de wijdsheid van het strand en de zee waar dat beestje deel van uitmaakt, waar het een verschijningsvorm van is.
En wat je nog minder ziet, is hoe smakelijk dat diertje is.
Want daar is vuur voor nodig, passie, kokend water.
Pas dan is de cirkel rond en heb je deel aan het mysterie waaruit de garnaal is voortgekomen.
Pas dan proef je het wezen van de garnaal.
Want het wezen der dingen moet je proeven, je moet het smaken, je moet er één mee worden.
En tegenover het wonder van die eenwording, staat de grauwheid van de tweedeling: de garnaal als ‘ding’, los van de wereld waarin hij zich beweegt.
Zonder tweedeling is er geen bewustzijn van de eenwording.
En bewuste eenwording is … een nog grotere délicatesse dan rose, gekookte garnalen.

20140906-134954.jpg

Het is een troostende gedachte na die lijdensweg op de autostrade.
De krankzinnige wereld waarin we leven is grauw en flitsend als een grijze garnaal.
Het is een wereld die uit louter tweedeling bestaat.
Maar juist die wereld van botsende tweedelingen doet in ons het bewustzijn ontstaan waarmee we de eenwording op een veel intensere wijze kunnen beleven.
De dood, zei Goethe, is een kunstgreep van de natuur om meer leven te hebben.
Het is een gedachte om vast te houden.
We leven in een wereld waarin de doodskrachten woekeren als nooit tevoren.
Je hoeft niet naar Irak om dat te beseffen.
Een uurtje op de autostrade volstaat.
Maar hoe grauw en afschuwelijk die doodskrachten ook lijken, ze zijn een kunstgreep.
Ze zijn de voorbode van een nieuw leven dat veel intenser en wonderlijker zal zijn dan het oude, om de eenvoudige reden dat het veel bewuster zal zijn.
Leven en bewustzijn staat nu nog als onverzoenlijke tegenstanders tegenover elkaar, maar ooit zullen ze één worden, en dán zullen we wat beleven!
De garnaalkroketjes met witte wijn, op het terras van de Herberg der Koningen, zullen erbij verbleken.
Daar geloof ik stellig in.
Ik heb geen andere keuze.
Toch geen verstandige.

20140906-135051.jpg

Een week aan zee

Zaterdag 27 juli was een dag om snel te vergeten.
Aan 50 kilometer per uur over de autostrade schuiven, terwijl de regen op het dak van de auto ratelt.
De hele weg niets anders zien dan rode achterlichten.
Aankomen in een lawaaierig appartement.
Omkeren van vermoeidheid en stress.

Zondag was een mirakel: na de hel, de hemel.
Ideaal strandweer. Precies genoeg van alles, van niets te veel.
De hele dag op het zand doorgebracht.
Ik lees: Berichten van autisten.
An leest: Maigret viert kerstmis.

20130806-180745.jpg

Maandag: idem.

Dinsdag: grijs en somber. Zware bewolking.
Waar komt die opeens vandaan?
Na de middag: felle regenbuien.
Door het raam kijken.
Lezen.

20130806-181029.jpg

Woensdag: nog altijd zwaar bewolkt en winderig, maar geen regen.
Fietsen gehuurd.
Het plan is om langs de kust tot in Westende te rijden en dan met een grote boog landinwaarts terug te keren.
Geen goed plan, zo blijkt.
We moeten namelijk dwars door Oostende, en de koningin der badsteden is aan lagerwal geraakt.
Hier en daar kan je nog iets proeven van haar oude glorie, maar de algemene indruk is: verloedering.
En toeval bestaat ook hier niet: dijk en strand zijn bezaaid met hedendaagse kunst.

20130806-181617.jpg

20130806-181935.jpg

We haasten ons door dit culturele inferno heen, maar we hebben de wind tegen.
In Mariakerke (het kerkje staat er nog steeds) besluiten we het land in te duiken.
Dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Eerst stuiten we op het vliegveld van Raversijde.
Daarna raken we maar niet voorbij een uitgestrekt industriegebied.
We doorploegen het Oostendse hinterland in alle richtingen.
Vooral de verkeerde.
Mijn afkeer van uitgestippelde wegen wreekt zich.
We zijn opgelucht wanneer we in Oudenburg de keurig bewegwijzerde Ter Duinen fietsroute ontdekken.
Eindelijk gedaan met zoeken, denken en kiezen.
Alleen nog maar fietsen.
Toch slaag ik er in De Haan nog in om verloren te rijden in de duinbossen.
Meer dan zes uur hebben we op de fiets gezeten en vooral dat zitten is eraan te voelen.

Een avondwandeling zit er (sic) niet meer in.

20130806-182302.jpg

Donderdag: alweer een klein mirakel.
De lucht is smetteloos blauw, geen wolkje te bespeuren.
We hebben de fietsen nog tot 2 uur en wagen een tweede poging.
Dit keer gaan we de andere kant op, richting Wenduine.
Het is heerlijk fietsen langs de duinen en de bossen.
De zon doet alles glinsteren alsof het nieuw was.
We rijden het binnenland in, le plat pays waarvan Jacques Brel zong dat het het zijne was.
Het land is inderdaad plat en je hoort vooral Frans.

De graanakkers staan roerloos te rijpen in de zon.
We zien zelfs verschillende vlaschaards, om het op z’n Streuvels te zeggen.
Ze zijn net gemaaid en het vlas ligt keurig plat in eindeloze rijen te drogen.
Te wachten om verwerkt te worden tot schilderijen?
Een mens mag al eens dromen.

20130806-182909.jpg

Zover je kunt zien, ligt het vlakke land te blakeren in de zon.
Af en toe passeert er een tractor.
Voor de rest is er alleen stilte en rust.
En het ruisen van de populieren natuurlijk.

O, ’t ruisen van de populier!
Hoe menig mens aanschouwt u niet
En hoort uw zingend’ harmonij
Doch luistert niet, en gaat voorbij!
Voorbij alwaar hem ’t herte jaagt
Voorbij waar klinkend goud hem plaagt,
Maar uw geluid verstaat hij schier
O mijn beminde populier!

We rijden door Vlissegem,
en zoeken koelte in de schaduw van het kerkhof.
Niets beweegt.
Door een opening in de muur leidt een zandweggetje naar een groot huis, dat minstens 200 jaar oud is.
Het is omringd door een grote ommuurde tuin.
Alles spreekt hier van lang vervlogen tijden.
Zoals twee vijgenbomen, de grootste die ik ooit heb gezien.
Hier zou ik willen wonen.

Tegen één uur brengen we de fietsen terug.
An gaat siësten, maar ik trek meteen naar het strand.
Ik ben een beetje als het graan: ik heb veel zon nodig om te rijpen.
Het zand is gloeiend heet. Ik voel de warmte door m’n hele lichaam trekken.
Ik weet niet wat het heerlijkst is aan zee: luisteren naar het ruisen van de baren of met je blote voeten lopen in het zand.
Het eerste is hemels, het tweede aards en zinnelijk.
Ik wil niet kiezen tussen die twee.
Een hemel zonder aarde?
Dat lijkt me maar niks.
En een aarde zonder hemel is ook maar een droeve zaak.
Nee, ik wil beide.
Daarom ga ik zo graag naar zee.

20130806-183349.jpg

Ik wandel de hele middag langs de kustlijn, waar de baren zich vrolijk op het strand werpen.
Hitte en koelte zijn hier precies in evenwicht, en over die smalle lijn wandel ik heen en weer, met links de duinen en rechts de eindeloze zee.
Of omgekeerd.
Ik kijk naar de mensen die hier zo ongegeneerd hun blote zelf prijsgeven.
De mannen hun dikke buik, de vrouwen hun dik … (dat nu opeens niet te dik meer is.)
Ja, het is me de kermis der ijdelheid wel.

Ik moet lachen om al die mensen die daar roerloos in de zon liggen te bakken.
Wat een enorme behoefte aan zonlicht spreekt daar niet uit!
Ze zijn zelfs bereid om er hun lichaam voor te laten roosteren.
Het is de materialistische versie van de aloude zonnecultus.

Ik vermaak me met twee oudere heren die zich laten verassen door de vloed en zich op een zandbank plots omringd zien door water.
Met hun rugzak in de ene hand trekken ze met de andere hand hun zwembroek aan.
Een tijdlang staan ze daar met hun witte billen bloot te balanceren op één been, midden in de zee.
Comedy Casino, op het strand van De Haan, gratis voor niks.

Maar het vermakelijkst zijn natuurlijk de kinderen.
Die beleven de tijd van hun leven.
Met niets anders dan zand en water zijn ze de hele dag zoet.
They see the world in a grain of sand.

20130806-184302.jpg

Rond vier uur, als de grootste hitte al wat voorbij is, verschijnt An met haar parasol.
Ik zou wel eens in het water durven gaan, kondig ik aan.
Moet je vooral doen, zegt ze.
Hoelang is het geleden dat ik nog ‘te water’ ben gegaan?
Ik kan het me al niet meer herinneren.
Het water is absoluut niet koud en ik ga er tot mijn nek in.
Zwemmen is er helaas niet meer bij.
Veel te gevaarlijk met die rug van me.
Jammer.
Ik had de ‘Life Guards’ zoals ze zich tegenwoordig noemen, graag een beetje gesard.
Vroeger stonden ze alleen maar een beetje te toeteren en te zwaaien met hun vlaggetje. Vandaag racen ze met hun rubberen speedboat in onvervalste Miami Vice stijl heen en weer om de verdwaalde schapen weer naar de stal, lees: de bewaakte zone, te jagen.
Zelfs oma’s die zich tot aan hun witte knieën in het water wagen, laten ze niet met rust.
Gelukkig is er nog genoeg burgerlijke ongehoorzaamheid om deze bemoeizucht een hak te zetten: als er teveel ongehoorzame schapen zijn, geven de ‘Life Guards’ het op.

En intussen is er in De Haan een schrijnend gebrek aan vuilnisbakken.

We blijven op het strand tot 8 uur.
Zalig is dat, om nergens aan te hoeven denken.
Om buiten in de zon te zitten als in het binnenland iedereen al voor tv zit.

We gaan een douche nemen, eten iets en keren dan terug om de zon te zien ondergaan.
We zijn niet de enigen.
Er zwemmen zelfs nog mensen in zee.
We wandelen naar het dorp om een ijsje te eten.

20130806-185106.jpg

Onderweg zien we hoe de teunisbloemen zich ontvouwen.
Overdag zie je ze niet, maar als de zon verdwijnt, gaan hun opgerolde bloemen open.
Evening Star noemt men ze in het Engels.
En inderdaad, van zodra de avond valt, steken ze hun grote citroengele lichten aan.
Als evenzovele lantaarnpalen staan ze overal verspreid in de duinen.

Het ijsje is voortreffelijk – vanille-mokka as always – en door de rustige en pittoreske villawijken waar De Haan bekend voor is, wandelen we terug naar ons appartement.
Ik kruip meteen in bed, terwijl An nog wat gaat lezen.

De volgende dag is het vrijdag.
Ik sta op met de zon en ga mijn gebruikelijke ochtendwandeling maken.
Geen levende ziel te zien: de hele Belgische kust voor mij alleen!
Just me and the four elements.
Ik verwacht eenzelfde warme dag als gisteren, maar dat blijkt zonder de waard gerekend.
Vrijdag wordt alweer heel anders.
Er drijven mooie witte wolken door de lucht en er waait een aangename bries.

Als ik nu eens wat ging schilderen vandaag!
Tot nog toe is het er niet van gekomen.
Maandag en zondag moest ik acclimatiseren.
Dinsdag regende het.
Woensdag gingen we fietsen.
Donderdag was het veel te warm.
Maar vandaag is het precies gepast.

20130806-185646.jpg

Ik zoek mijn materiaal bij elkaar en vertrek naar het strand.
Het is er nog drukker dan gisteren, maar ik laat het niet aan mijn hart komen en haal mijn aquareldoos boven.
Het is van de vorige zomer geleden dat ik nog geaquarelleerd heb.
Het vervelende, om niet te zeggen tragische, van aquarel is dat je de mooiste onderwerpen hebt op momenten dat het nagenoeg onmogelijk is – lees: te koud en te vochtig – om te schilderen.
En wanneer de omstandigheden technisch gezien ideaal zijn – lees: als het zo warm is dat het natte papier snel droogt – is er in de natuur weinig dat zich tot aquarelleren leent.
Geen wonder dat de aquarel uitgevonden werd in het mistige Engeland.
Al vraag ik me wel af hoe ze het aan boord legden om hun papier droog te krijgen.
Want dát lees je nooit in de boeken!
Waarschijnlijk oefenden ze gewoon geduld.
Aquarel is sowieso een oefening in geduld.

Mijn geduld wordt al meteen op de proef gesteld door allerlei technische problemen: golvend papier, bloemkolen (als het water weer terugloopt in een verflaag die nog niet droog is), zand in m’n verf, zand op mijn papier, zand in mijn penselen, zand overal.
Ja, het is altijd wat als je buiten werkt.
De oude meesters waren zo verstandig om binnen te blijven.
Het was zo al moeilijk genoeg.
Waarom moesten de modernen in godsnaam buiten gaan schilderen?
Goeie vraag.
Ook daar zeggen ze in de boeken niks over.

20130806-191048.jpg

Maar ik ken het antwoord wel: buiten gaan tekenen of schilderen doe je om de wereld te heroveren, de wereld die de moderne mens onder invloed van de wetenschap dreigt kwijt te spelen.
Want de moderne wetenschap helpt ons niet om de wereld te begrijpen.
Ze helpt ons alleen om de wereld te onderwerpen.
En een wereld die geconfronteerd wordt met zoveel machtswellust, kruipt in haar schelp.
Ze sluit zich voor ons af.
Als kunstenaar voel je dat: de wereld begint je te ontglippen, hij wordt onbereikbaar.
En dus loop je er achteraan. Naar buiten. Om hem bij wijze van spreken tegen te houden, om je er weer mee te verbinden.
Ja, buiten schilderen is een ‘religieuze’ daad.

Dat voel je ook: het is een zegen.
Ik ken niks heerlijkers dan buiten gaan schilderen.
Je moet je dubbel concentreren om alle technische en fysieke problemen te overwinnen (warmte, regen, wind, vliegen, voorbijgangers, enzovoort), maar juist daardoor kan je ziel veel groter worden.
Die twee tegengestelde bewegingen zijn kenmerkend voor iedere kunstzinnige activiteit: het samentrekken van het bewustzijn en het uitbreiden van de ziel, het afstand nemen en het verbinden, wetenschap en religie, eb en vloed.
Het is dit ritme dat als een balsem is voor de menselijke ziel en haar ‘heelt’ zonder in het andere uiterste te vallen.
In dit genezende ritme leeft de eigenlijke geest van de kunst, de geest die wetenschap en religie met elkaar verbindt tot een menselijke drieëenheid.

Mooier geest bestaat er niet.
En we moeten naar buiten om hem te vinden.

Je moet echter goed uitgerust zijn ‘daar buiten’, anders kan je alleen maar wat ‘religieus’ in de zon gaan liggen, en dat is niet verantwoord volgens de medische wetenschap.
Ik had een parasol mee, een stoeltje, papier, verf, penselen, planken, plakband, water, enzovoort. Dat moest ik allemaal meesleuren.
En dan zwijg ik nog over de benodigde ervaring.
Die is weliswaar veel lichter, maar ook veel moeilijker te verwerven.
Het duurt lang voor je een acceptabele aquarel op papier krijgt.
Tien jaar, volgens de kenners.
Je kunt natuurlijk een binnenweg kiezen en abstract werken.
Maar dan mis je de kern van de zaak, die zo ongrijpbare ‘derde’ geest.
Die laat zich niet benaderen op de oude religieuze manier, dat wil zeggen door louter overgave.
Hij laat zich alleen op kunstzinnige wijze benaderen, ritmisch, stap voor stap, laag voor laag, zoals je een aquarel opbouwt.
Met veel geduld en veel inspanning dus.

Daarom zie je bijna nooit nog iemand buiten schilderen.
De moderne mens kan het geduld en de inspanning niet meer opbrengen om een echte relatie aan te gaan met de wereld.
Zijn verlangen naar die wereld is zo groot geworden dat hij in plaats van wetenschappelijk geweld nu religieus geweld gebruikt. Of beide samen.
En dat werkt niet.
De geest van de kunst is een geweldloze geest.
Hij zet zich niet af tegen geweld, want dat baart nieuw geweld.
Hij omarmt het geweld, hij neemt het in zich op, verteert het.

Wie tekent of schildert of beeldhouwt, pleegt geweld.
Hij wijst de ‘wetenschappelijke’ benadering van de wereld niet af, integendeel.
Maar gaandeweg transformeert hij de gewelddadigheid ervan.
Hij maakt van geweld een spel.

Aquarelleren oogt licht, vrolijk en vrouwelijk.
Maar schijn bedriegt.
Het is een techniek die veel overleg vraagt, veel beheersing, veel ervaring.
De weg ernaartoe is even mannelijk als vrouwelijk.
Maar het doel is kinderlijk.
De mooiste definitie ervan heb ik van mijn leraar.
Aquarelleren, zei hij, is spelen met gekleurd water.

20130806-191925.jpg

Spelen als een kind is voor een volwassene natuurlijk het allermoeilijkste.
Maar het strand is een goede start.
Het beste papier heeft een ‘zanderige’ structuur.
Aquarelleren op zo’n papier is als spelen met water en zand.

Toen ik zat te schilderen, waren achter me enkele kinderen aan het spelen.
Met hun spaden groeven ze greppels, bouwden ze dijken, leidden ze water om.
Ze trokken sporen op het gezicht van de aarde en ze deden dat zonder geweld.
Want het diende nergens toe en even later zou de zee weer alles uitwissen.
Ik was dus in goed gezelschap.

Toen ik een paar uur later opkraamde, waren ze nog altijd bezig, en ze zagen eruit alsof ze nog de hele dag konden doorgaan.
Tja, je kunt niet álles hebben: kunnen aquarelleren én het een hele dag kunnen volhouden.
Aquarelleren is voor mij zwaar werk.
Alleen al de moed verzamelen om naar buiten te trekken, valt me ongehoord zwaar.
En dan spreek ik nog niet over het schilderen zelf.
Maar de bedoeling is: te kunnen spelen met gekleurd water, zonder enige moeite.
Alleen maar vreugde beleven, samen met de wereld.
Samen spelen: dat is het ultieme doel.

Op een mooie dag, als het niet te warm is, als het niet te hard waait, als je niks vergeten bent, als de insecten en de mensen je met rust laten, en – vooral – als de aquarel lukt, dan kun je al iets proeven van dat Grote Doel, van dat Nieuwe Jeruzalem dat ik me voorstel als een strand waar alleen maar gespeeld wordt onder het goedkeurende oog van de zon.

20130806-192637.jpg

Maar zover zijn we nog lang niet.
Opeens voelde ik nattigheid.
Groot alarm!
Eén enkele regendruppel kan een aquarel waar je uren aan gewerkt heb, ruïneren.
Ik bracht m’n materiaal in veiligheid onder de parasol, en keek omhoog.
Ik zag een blauwe lucht met hooguit enkele tere wolkensluiers.
Waar kwam die regen vandaan?
Uit het niets?
Ik zag ook rond mij verbaasde blikken.
Het duurde gelukkig niet lang, maar het volstond om me eraan te herinneren hoe kwetsbaar het menselijke spel vooralsnog is.

Ik keerde terug naar het appartement om een hapje te eten, en even later begon het echt te regenen.
De vlagen striemden over de duinen en we zagen de strandgangers ijlings wegvluchten.
Het leek de uittocht uit Egypte wel.
Maar ook dit keer duurde het niet lang.
Een uur later kon ik alweer naar buiten.
Het strand was schoongeveegd.
De vele honderden zonnekloppers waren als bij toverslag verdwenen.
En ze kwamen niet meer terug.
Ik kon in alle rust opnieuw wat schilderen.
Proberen te spelen met gekleurd water.
En ondervinden hoe lang de weg nog is.

Maar hoe groot de mislukkingen, de teleurstellingen, de moedeloosheid en wanhoop ook zijn waarmee je tijdens dit leren-spelen krijgt af te rekenen – een mens moet zijn hemel verdienen – de vreugde om die enkele min of meer geslaagde pogingen is net groot genoeg om het vol te houden.
Maar dan mag je wel geen grote ‘religieuze’ stappen willen zetten.
Je moet voetje voor voetje gaan.
Zoals een kind.
In het zand.

’s Avonds aten we gebakken zalm.
Daarna gingen we naar de zonsondergang kijken.
We aten in het park ons laatste ijsje – drie bollen! – terwijl we luisterden naar een jazz-combo dat ‘bei mir bist du schön’ speelde, ter attentie van de vele Duitsers in De Haan.

Zo eindigde ons weekje aan zee.
In schoonheid.

20130806-193336.jpg

Maar waarom ik u dit allemaal vertel, is eigenlijk het volgende.
Na dinsdag begon het me op te vallen dat de dagen van deze week hun naam alle eer aandeden.
Het begon met een uitzonderlijk Saturnale zaterdag. De sombere god ontketende werkelijk al zijn duivels. Het leek wel een herfststorm die ons bijna van de autostrade afranselde.
Ik hield er een halve depressie aan over.
De volgende dag was net het tegenovergestelde: een echte zon-dag.
Hier hadden we niet eens durven op hopen.
Ideaal, een ander woord is er niet.
Maandag was een exacte kopie van de zondag: precies wat je van de weerspiegelende maan kunt verwachten.
Dinsdag was dan weer een echte Mars-dag.
Al onze vakantiedromen aan diggelen.
Zonder genade.
Daarna kwam woensdag, en die deed zijn Mercuriuskarakter alle eer aan.
Terwijl de vorige dagen zich afspeelden tussen het strand, ons appartement en de winkels van het dorp, kropen we nu op de fiets en verkenden de wijde omgeving.
We doorkruisten het afschuwelijke Oostende, kwamen in onbekende dorpjes, langs een vlieghaven, in een industriegebied, reden over een Japanse weg en Vlaamse fietsroute, en hadden allebei pijn aan ons achterwerk.
Wat dat laatste met Mercurius te maken heeft, daar ben ik nog niet achter, maar dat komt wel.
Een vermoeiend gevarieerde dag was deze woensdag zeker.
Donderdag was – alweer – heel anders.
Maar dit keer had ik het verwacht.
Jupiter: dat moest wel een stralende dag worden!
En zo was het ook.
Het hoogtepunt van de week.
Alleen had ik me Jupiter niet zo overweldigend voorgesteld.
Die hitte!
Het was zo overdreven dat het bijna om te lachen was.
Ik leerde Jupiter kennen als een soort karikatuur van de zon.
Als een van die bruinverbrande kerels die over het strand lopen: trotse blik, golvende haren, brede borstkas, strak lijf en gespierde benen.
Mannen die trots zijn op hun mannelijkheid.
En er daardoor afbreuk aan doen.

De volgende dag, vrijdag, was de vrouwelijke versie van de donderdag: de dag van Venus.
Het weer was nu veel milder.
De lucht was niet langer staalblauw maar zacht gesluierd, met beminnelijke witte wolkjes.
De allerdrukste stranddag.
Maar niet zonder vrouwelijke grillen.
Een onverwachte regenbui joeg iedereen op de vlucht.
En daarna was het weer alsof er niet gebeurd was.
Onverklaarbare vrouwelijkheid.
Maar o zo mooi!
En al die schoonheid vroeg natuurlijk om kunst.
Om aquarellen, om muziek, en om ijsjes.

De volgende dag, de tweede zaterdag dus, toonde een ander gezicht van Saturnus.
Alweer een stralende dag, maar we moesten wel vertrekken.
Al vroeg begon het inpakken en schoonmaken.
Scheiden doet lijden.
We reden huiswaarts door het polderland en zagen hoe alles ongelooflijk helder en kleurig glinsterde in het zonlicht.
Ik keek als om alles vast te houden, want langzaam namen de helderheid en de kleurigheid af.
Voorbij Brugge nam de dofheid zienderogen toe, alsof er een heel fijn laagje stof over de wereld kwam te liggen.
Het was dezelfde wereld, maar zonder schittering.
Proza in plaats van poëzie.
We moesten even stoppen in een benzinestation en zaten meteen gevangen in de drukte en de stress.
En ten slotte kwamen we thuis, waar alles nog hetzelfde was, behalve dat het er muf rook en verstikkend warm was.
Geen twijfel mogelijk: de vakantie was voorbij!
Saturnus maakte de cirkel rond.
De eerste zaterdag leek hij woedend omdat we aan zijn greep ontsnapten.
De tweede zaterdag zag hij tevreden dat zijn greep hersteld werd.

Voorwaar, het was een exemplarisch mythische week!

20130806-202844.jpg

Ik heb altijd met de grootste belangstelling gekeken naar het wisselen van de seizoenen, en gaandeweg ook naar het wisselen van de opeenvolgende zodiaktekens.
Ik weet dat de meeste mensen dat laatste onzin vinden, maar ik laat me door hun dorre en ontluisterende theorieën niet weerhouden om te kijken naar de natuur.
En door dat kijken weet ik dat de oude goden realiteiten zijn.
Het zijn grootse geesten die in de natuur leven en haar gang bepalen.
Je leert ze maar kennen als je wat ouder wordt en afstand leert nemen van de details.
Maar nu lijkt het erop dat ik weer de omgekeerde weg moet gaan en die natuurgeesten ook in kleinere verbanden moet zien.
Zoals de dagen van de week.

Ik had nooit kunnen bevroeden dat de namen van die dagen – namen van de oude goden – iets wezenlijks vertellen over de dagen zelf.
Ik was blijkbaar nog te ‘nominalistisch’ ingesteld.
Nu begin ik te vermoeden dat je, door aandachtig te letten op de verschillen tussen de dagen, en in die verschillen de grootste gemene deler te ontdekken, weer het karakter van die verschillende goden kunt leren kennen.

Maar waarom zou je dat doen?
Waarom zou je die oude natuurgoden weer leren kennen?
Het antwoord op die vraag heb ik eigenlijk al gegeven: om je weer met de wereld te kunnen verbinden, om verlost te raken uit het ‘schimmenrijk’ waarin we, zonder het te beseffen, meer en meer opgesloten raken.

Maar er is nog een ander, veel dringender antwoord.
En dat las ik in de twee boeken die ik als vakantielectuur had meegenomen en waarin enkele autisten schrijven over (onder meer) hun ‘gesprekken’ met natuurgeesten.
Het was, moet ik zeggen, aangrijpende lectuur en ze heeft mijn ervaringen met de natuur (en ook met kunst) in een nieuw perspectief geplaatst.
Maar daarover vertel ik u later meer.

20130806-203151.jpg

Een week aan zee

Zaterdag 27 juli was een dag om snel te vergeten.
Aan 50 kilometer per uur over de autostrade schuiven, terwijl de regen op het dak van de auto ratelt.
De hele weg niets anders zien dan rode achterlichten.
Aankomen in een lawaaierig appartement.
Omkeren van vermoeidheid en stress.

Zondag was een mirakel: na de hel, de hemel.
Ideaal strandweer. Precies genoeg van alles, van niets te veel.
De hele dag op het zand doorgebracht.
Ik lees: Berichten van autisten.
An leest: Maigret viert kerstmis.

20130806-180745.jpg

Maandag: idem.

Dinsdag: grijs en somber. Zware bewolking.
Waar komt die opeens vandaan?
Na de middag: felle regenbuien.
Door het raam kijken.
Lezen.

Woensdag: nog altijd zwaar bewolkt en winderig, maar geen regen.
Fietsen gehuurd.
Het plan is om langs de kust tot in Westende te rijden en dan met een grote boog landinwaarts terug te keren.
Geen goed plan, zo blijkt.
We moeten namelijk dwars door Oostende, en de koningin der badsteden is aan lagerwal geraakt.
Hier en daar kan je nog iets proeven van haar oude glorie, maar de algemene indruk is: verloedering.
En toeval bestaat ook hier niet: dijk en strand zijn bezaaid met hedendaagse kunst.

20130806-181617.jpg

20130806-181935.jpg

We haasten ons door dit culturele inferno heen, maar we hebben de wind tegen.
In Mariakerke (het kerkje staat er nog steeds) besluiten we het land in te duiken.
Dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Eerst stuiten we op het vliegveld van Raversijde.
Daarna raken we maar niet voorbij een uitgestrekt industriegebied.
We doorploegen het Oostendse hinterland in alle richtingen.
Vooral de verkeerde.
Mijn afkeer van uitgestippelde wegen wreekt zich.
We zijn opgelucht wanneer we in Oudenburg de keurig bewegwijzerde Ter Duinen fietsroute ontdekken.
Eindelijk gedaan met zoeken, denken en kiezen.
Alleen nog maar fietsen.
Toch slaag ik er in De Haan nog in om verloren te rijden in de duinbossen.
Meer dan zes uur hebben we op de fiets gezeten en vooral dat zitten is eraan te voelen.

Een avondwandeling zit er (sic) niet meer in.

20130806-182302.jpg

Donderdag: alweer een klein mirakel.
De lucht is smetteloos blauw, geen wolkje te bespeuren.
We hebben de fietsen nog tot 2 uur en wagen een tweede poging.
Dit keer gaan we de andere kant op, richting Wenduine.
Het is heerlijk fietsen langs de duinen en de bossen.
De zon doet alles glinsteren alsof het nieuw was.
We rijden het binnenland in, le plat pays waarvan Jacques Brel zong dat het het zijne was.
Het land is inderdaad plat en je hoort overal Frans.

De graanakkers liggen roerloos te rijpen in de zon.
We zien zelfs verschillende vlaschaards, om het op z’n Streuvels te zeggen.
Ze zijn net gemaaid en het vlas ligt keurig plat in eindeloze rijen te drogen.
Te wachten om verwerkt te worden tot schilderijen?
Een mens mag al eens dromen.

20130806-182909.jpg

Zover je kunt zien, ligt het vlakke land te blakeren in de zon.
Af en toe passeert er een tractor.
Voor de rest is er alleen stilte en rust.
En het ruisen van de populieren natuurlijk.

O, ’t ruisen van de populier!
Hoe menig mens aanschouwt u niet
En hoort uw zingend’ harmonij
Doch luistert niet, en gaat voorbij!
Voorbij alwaar hem ’t herte jaagt
Voorbij waar klinkend goud hem plaagt,
Maar uw geluid verstaat hij schier
O mijn beminde populier!

We rijden door Vlissegem,
en zoeken koelte in de schaduw van het kerkhof.
Niets beweegt.
Door een opening in de muur leidt een zandweggetje naar een groot huis, dat minstens 200 jaar oud is.
Het is omringd door een grote ommuurde tuin.
Alles spreekt hier van lang vervlogen tijden.
Zoals twee vijgenbomen, de grootste die ik ooit heb gezien.
Hier zou ik willen wonen.

Tegen één uur brengen we de fietsen terug.
An gaat siësten, maar ik trek meteen naar het strand.
Ik ben een beetje als het graan: ik heb veel zon nodig om te rijpen.
Het zand is gloeiend heet. Ik voel de warmte door m’n hele lichaam trekken.
Ik weet niet wat het heerlijkst is aan zee: luisteren naar het ruisen van de baren of met je blote voeten lopen in het zand.
Het eerste is hemels, het tweede aards en zinnelijk.
Ik wil niet kiezen tussen die twee.
Een hemel zonder aarde?
Dat lijkt me maar niks.
En een aarde zonder hemel is ook maar een droeve zaak.
Nee, ik wil beide.
Daarom ga ik zo graag naar zee.

20130806-183349.jpg

Ik wandel de hele middag langs de kustlijn, waar de baren zich vrolijk op het strand werpen.
Hitte en koelte zijn hier precies in evenwicht, en over die smalle lijn wandel ik heen en weer, met links de duinen en rechts de eindeloze zee.
Of omgekeerd.
Ik kijk naar de mensen die hier zo ongegeneerd hun blote zelf prijsgeven.
De mannen hun dikke buik, de vrouwen hun dik … (dat nu opeens niet te dik meer is.)
Ja, het is me de kermis der ijdelheid wel.

Ik moet lachen om al die mensen die daar roerloos in de zon liggen te bakken.
Wat een enorme behoefte aan zonlicht spreekt daar niet uit!
Ze zijn zelfs bereid om er hun lichaam voor te laten roosteren.
Het is de materialistische versie van de aloude zonnecultus.

Ik vermaak me met twee oudere heren die zich laten verassen door de vloed en zich op een zandbank plots omringd zien door water.
Met hun rugzak in de ene hand trekken ze met de andere hand hun zwembroek aan.
Een tijdlang staan ze daar met hun witte billen bloot te balanceren op één been, midden in de zee.
Comedy Casino, op het strand van De Haan, gratis voor niks.

Maar het vermakelijkst zijn natuurlijk de kinderen.
Die beleven de tijd van hun leven.
Met niets anders dan zand en water zijn ze de hele dag zoet.
They see the world in a grain of sand.

20130806-184302.jpg

Rond vier uur, als de grootste hitte al wat voorbij is, verschijnt An met haar parasol.
Ik zou wel eens in het water durven gaan, kondig ik aan.
Moet je vooral doen, zegt ze.
Hoelang is het geleden dat ik nog ‘te water’ ben gegaan?
Ik kan het me al niet meer herinneren.
Het water is absoluut niet koud en ik ga er tot mijn nek in.
Zwemmen is er helaas niet meer bij.
Veel te gevaarlijk met die rug van me.
Jammer.
Ik had de ‘Life Guards’ zoals ze zich tegenwoordig noemen, graag een beetje gesard.
Vroeger stonden ze alleen maar een beetje te toeteren en te zwaaien met hun vlaggetje.
Vandaag racen ze met hun rubberen speedboat in onvervalste Miami Vice stijl heen en weer om de verdwaalde schapen weer naar de stal, lees: de bewaakte zone, te jagen.
Zelfs oma’s die zich tot aan hun witte knieën in het water wagen, laten ze niet met rust.
Gelukkig is er nog genoeg burgerlijke ongehoorzaamheid om deze bemoeizucht een hak te zetten: als er teveel ongehoorzame schapen zijn, geven de ‘Life Guards’ het op.

En intussen is er in De Haan een schrijnend gebrek aan vuilnisbakken.

We blijven op het strand tot 8 uur.
Zalig is dat, om nergens aan te hoeven denken.
Om buiten in de zon te zitten als in het binnenland iedereen al voor tv zit.

We gaan een douche nemen, eten iets en keren dan terug om de zon te zien ondergaan.
We zijn niet de enigen.
Er zwemmen zelfs nog mensen in zee.
We wandelen naar het dorp om een ijsje te eten.

20130806-185106.jpg

Onderweg zien we hoe de teunisbloemen zich ontvouwen.
Overdag zie je ze niet, maar als de zon verdwijnt, gaan hun opgerolde bloemen open.
Evening Star noemt men ze in het Engels.
En inderdaad, van zodra de avond valt, steken ze hun grote citroengele lichten aan.
Als evenzovele lantaarnpalen staan ze overal verspreid in de duinen.

Het ijsje is voortreffelijk – vanille-mokka as always – en door de rustige en pittoreske villawijken waar De Haan bekend voor is, wandelen we terug naar ons appartement.
Ik kruip meteen in bed, terwijl An nog wat gaat lezen.

De volgende dag is het vrijdag.
Ik sta op met de zon en ga mijn gebruikelijke ochtendwandeling maken.
Geen levende ziel te bekennen: de hele Belgische kust voor mij alleen!
Just me and the four elements.
Ik verwacht eenzelfde warme dag als gisteren, maar dat blijkt zonder de waard gerekend.
Vrijdag wordt alweer heel anders.
Er drijven mooie witte wolken door de lucht en er waait een aangename bries.

Als ik nu eens wat ging schilderen vandaag!
Tot nog toe is het er niet van gekomen.
Maandag en zondag moest ik acclimatiseren.
Dinsdag regende het.
Woensdag gingen we fietsen.
Donderdag was het veel te warm.
Maar vandaag is het precies gepast.

20130806-185646.jpg

Ik zoek mijn materiaal bij elkaar en vertrek naar het strand.
Het is er nog drukker dan gisteren, maar ik laat het niet aan mijn hart komen en haal mijn aquareldoos boven.
Het is van de vorige zomer geleden dat ik nog geaquarelleerd heb.
Het vervelende, om niet te zeggen tragische, van aquarel is dat je de mooiste onderwerpen hebt op momenten dat het nagenoeg onmogelijk is – lees: te koud en te vochtig – om te schilderen.
En wanneer de omstandigheden technisch gezien ideaal zijn – lees: als het zo warm is dat het natte papier snel droogt – is er in de natuur weinig dat zich tot aquarelleren leent.
Geen wonder dat de aquarel uitgevonden werd in het mistige Engeland.
Al vraag ik me wel af hoe ze het aan boord legden om hun papier droog te krijgen.
Want dát lees je nooit in de boeken!
Waarschijnlijk oefenden ze gewoon geduld.
Aquarel is sowieso een oefening in geduld.

Mijn geduld wordt al meteen op de proef gesteld door allerlei technische problemen: golvend papier, bloemkolen (als het water weer terugloopt in een verflaag die nog niet droog is), zand in m’n verf, zand op mijn papier, zand in mijn penselen, zand overal.
Ja, het is altijd wat als je buiten werkt.
De oude meesters waren zo verstandig om binnen te blijven.
Het was zo al moeilijk genoeg.
Waarom moesten de modernen in godsnaam buiten gaan schilderen?
Goeie vraag.
Ook daar zeggen ze in de boeken niks over.

20130806-191048.jpg

Maar ik ken het antwoord wel: buiten gaan tekenen of schilderen doe je om de wereld te heroveren, de wereld die de moderne mens onder invloed van de wetenschap dreigt kwijt te spelen.
Want de moderne wetenschap helpt ons niet om de wereld te begrijpen.
Ze helpt ons alleen om de wereld te onderwerpen.
En een wereld die geconfronteerd wordt met zoveel machtswellust, kruipt in haar schelp.
Ze sluit zich voor ons af.
Als kunstenaar voel je dat: de wereld begint je te ontglippen, hij wordt onbereikbaar.
En dus loop je er achteraan.
Naar buiten.
Om hem bij wijze van spreken tegen te houden.
Om je er weer mee te verbinden.
Ja, buiten schilderen is een ‘religieuze’ daad.

Dat voel je ook: het is een zegen.
Ik ken niks heerlijkers dan buiten gaan schilderen.
Je moet je dubbel concentreren om alle technische en fysieke problemen te overwinnen (warmte, regen, wind, vliegen, voorbijgangers, enzovoort), maar juist daardoor kan je ziel veel groter worden.
Die twee tegengestelde bewegingen zijn kenmerkend voor iedere kunstzinnige activiteit: het samentrekken van het bewustzijn en het uitbreiden van de ziel, het afstand nemen en het verbinden, wetenschap en religie, eb en vloed.
Het is dit ritme dat als een balsem is voor de menselijke ziel en haar ‘heelt’.
In dit genezende ritme leeft de eigenlijke geest van de kunst, de geest die wetenschap en religie met elkaar verbindt tot een menselijke drieëenheid.

Mooier geest bestaat er niet.
En we moeten naar buiten om hem te vinden.

Je moet echter goed uitgerust zijn ‘daar buiten’, anders kan je alleen maar wat ‘religieus’ in de zon gaan liggen, en dat is niet verantwoord volgens de medische wetenschap.
Ik had een parasol mee, een stoeltje, papier, verf, penselen, planken, plakband, water, enzovoort.
Mijn ervaring was veel lichter, maar ook veel moeilijker te verwerven.
Het duurt lang voor je een acceptabele aquarel op papier krijgt.
Tien jaar, volgens de kenners.
Je kunt natuurlijk een binnenweg kiezen en abstract werken.
Maar dan mis je de kern van de zaak, die zo ongrijpbare ‘derde’ geest.
Die laat zich niet benaderen op de oude religieuze manier, dat wil zeggen door louter overgave.
En ook niet op de nieuwe wetenschappelijke manier, door louter afstandelijkheid.
Hij laat zich alleen op kunstzinnige wijze benaderen, ritmisch, stap voor stap, laag voor laag, zoals je een aquarel opbouwt.
Met veel geduld en veel inspanning dus.

Daarom zie je bijna nooit nog iemand buiten schilderen.
De moderne mens kan het geduld en de inspanning niet meer opbrengen om een echte relatie aan te gaan met de wereld.
Zijn verlangen naar die wereld is zo groot geworden dat hij in plaats van wetenschappelijk geweld nu religieus geweld gebruikt. Of beide samen.
En dat werkt niet.
De geest van de kunst is een geweldloze geest.
Hij zet zich niet af tegen geweld, want dat baart nieuw geweld.
Hij omarmt het geweld, hij neemt het in zich op, verteert het.

Wie tekent of schildert of beeldhouwt, pleegt geweld.
Hij wijst de ‘wetenschappelijke’ benadering van de wereld niet af, integendeel.
Maar gaandeweg transformeert hij de gewelddadigheid ervan.
Hij maakt van geweld een spel.

Aquarelleren oogt licht, vrolijk en vrouwelijk.
Maar schijn bedriegt.
Het is een techniek die veel overleg vraagt, veel beheersing, veel ervaring.
De weg is zowel mannelijk als vrouwelijk.
Maar het doel is kinderlijk.
De mooiste definitie heb ik van mijn leraar.
Aquarelleren, zei hij, is spelen met gekleurd water.

20130806-191925.jpg

Spelen als een kind is voor een volwassene natuurlijk het allermoeilijkste.
Maar het strand is een goede start.
Het beste papier heeft een ‘zanderige’ structuur.
Aquarelleren op zo’n papier is als spelen met water en zand.

Toen ik zat te schilderen, waren achter me enkele kinderen aan het spelen.
Met hun spaden groeven ze greppels, bouwden ze dijken, leidden ze water om.
Ze trokken sporen op het gezicht van de aarde en ze deden dat zonder geweld.
Want het diende nergens toe en even later zou de zee weer alles uitwissen.
Ik was dus in goed gezelschap.

Toen ik een paar uur later opkraamde, waren ze nog altijd bezig, en ze zagen eruit alsof ze nog de hele dag konden doorgaan.
Tja, je kunt niet álles hebben: kunnen aquarelleren én het een hele dag kunnen volhouden.
Aquarelleren is voor mij zwaar werk.
Alleen al de moed verzamelen om naar buiten te trekken, valt me ongehoord zwaar.
En dan spreek ik nog niet over het schilderen zelf.
Maar de uiteindelijke bedoeling is: te kunnen spelen met gekleurd water, zonder enige moeite.
Alleen maar vreugde beleven, samen met de wereld.
Samen spelen: dat is het ultieme doel.

Op een mooie dag, als het niet te warm is, als het niet te hard waait, als je niks vergeten bent, als de insecten en de mensen je met rust laten, en – vooral – als de aquarel lukt, dan kun je al iets proeven van dat Grote Doel, van dat Nieuwe Jeruzalem dat ik me voorstel als een strand waar alleen maar gespeeld wordt onder het goedkeurende oog van de zon.

20130806-192637.jpg

Maar zover zijn we nog lang niet.
Opeens voelde ik nattigheid.
Groot alarm!
Eén enkele regendruppel kan een aquarel waar je uren aan gewerkt heb, ruïneren.
Ik bracht m’n materiaal in veiligheid onder de parasol, en keek omhoog.
Ik zag een blauwe lucht met hooguit enkele tere wolkensluiers.
Waar kwam die regen vandaan?
Uit het niets?
Ik zag ook rond mij verbaasde blikken.
Het duurde gelukkig niet lang, maar het volstond om me eraan te herinneren hoe kwetsbaar het menselijke spel vooralsnog is.

Ik keerde terug naar het appartement om een hapje te eten, en even later begon het echt te regenen.
De vlagen striemden over de duinen en we zagen de strandgangers ijlings wegvluchten.
Het leek de uittocht uit Egypte wel.
Maar ook dit keer duurde het niet lang.
Een uur later kon ik alweer naar buiten.
Het strand was schoongeveegd.
De vele honderden zonnekloppers waren als bij toverslag verdwenen.
En ze kwamen niet meer terug.
Ik kon in alle rust opnieuw wat schilderen.
Proberen te spelen met gekleurd water.
En ondervinden hoe lang de weg nog is.

Maar hoe groot de mislukkingen, de teleurstellingen, de moedeloosheid en wanhoop ook zijn waarmee je tijdens dit leren-spelen krijgt af te rekenen – een mens moet zijn hemel verdienen – de vreugde om die enkele min of meer geslaagde pogingen is net groot genoeg om het vol te houden.
Maar dan mag je wel geen grote ‘religieuze’ stappen willen zetten.
Je moet voetje voor voetje gaan.
Zoals een kind.
In het zand.

’s Avonds aten we gebakken zalm.
Daarna gingen we naar de zonsondergang kijken.
We aten in het park ons laatste ijsje – drie bollen! – terwijl we luisterden naar een jazz-combo dat ‘bei mir bist du schön’ speelde, ter attentie van de vele Duitsers in De Haan.

Zo eindigde ons weekje aan zee.
In schoonheid.

20130806-193336.jpg

Maar waarom ik u dit allemaal vertel, is eigenlijk het volgende.
Na dinsdag begon het me op te vallen dat de dagen van deze week hun naam alle eer aandeden.
Het begon met een uitzonderlijk Saturnale zaterdag.
De sombere god ontketende werkelijk al zijn duivels.
Het leek wel een herfststorm die ons bijna van de autostrade afranselde.
Ik hield er een halve depressie aan over.
De volgende dag was net het tegenovergestelde: een echte zon-dag.
Hier hadden we niet eens durven op hopen.
Ideaal, een ander woord is er niet.
Maandag was een exacte kopie van de zondag: precies wat je van de weerspiegelende maan kunt verwachten.
Dinsdag was dan weer een echte Mars-dag.
Al onze vakantiedromen aan diggelen.
Zonder genade.
Daarna kwam woensdag, en die deed zijn Mercuriuskarakter alle eer aan.
Terwijl de vorige dagen zich afspeelden tussen het strand, ons appartement en de winkels van het dorp, kropen we nu op de fiets en verkenden de wijde omgeving.
We doorkruisten het afschuwelijke Oostende, kwamen in onbekende dorpjes, langs een vlieghaven, in een industriegebied, reden over een Japanse weg en Vlaamse fietsroute, en hadden allebei pijn aan ons achterwerk.
Wat dat laatste met Mercurius te maken heeft, daar ben ik nog niet achter, maar dat komt wel.
Een vermoeiend gevarieerde dag was deze woensdag zeker.
Donderdag was – alweer – heel anders.
Maar dit keer had ik het verwacht.
Jupiter: dat moest wel een stralende dag worden!
En zo was het ook.
Het hoogtepunt van de week.
Alleen had ik me Jupiter niet zo overweldigend voorgesteld.
Die hitte!
Het was zo overdreven dat het bijna om te lachen was.
Ik leerde Jupiter kennen als een soort karikatuur van de zon.
Als een van die bruinverbrande kerels die over het strand lopen: trotse blik, golvende haren, brede borstkas, strak lijf en gespierde benen.
Mannen die trots zijn op hun mannelijkheid.
En er daardoor afbreuk aan doen.

De volgende dag, vrijdag, was de vrouwelijke versie van de donderdag: de dag van Venus.
Het weer was nu veel milder.
De lucht was niet langer staalblauw maar zacht gesluierd, met beminnelijke witte wolkjes.
De allerdrukste stranddag.
Maar niet zonder vrouwelijke grillen.
Een onverwachte regenbui joeg iedereen op de vlucht.
En daarna was het weer alsof er niet gebeurd was.
Onverklaarbare vrouwelijkheid.
Maar o zo mooi!
En al die schoonheid vroeg natuurlijk om kunst.
Om aquarellen, om muziek, en om ijsjes.

De volgende dag, de tweede zaterdag dus, toonde een ander gezicht van Saturnus.
Alweer een stralende dag, maar we moesten wel vertrekken.
Al vroeg begon het inpakken en schoonmaken.
Scheiden doet lijden.
We reden huiswaarts door het polderland en zagen hoe alles ongelooflijk helder en kleurig glinsterde in het zonlicht.
Ik keek als om alles vast te houden, want langzaam namen de helderheid en de kleurigheid af.
Voorbij Brugge nam de dofheid zienderogen toe, alsof er een heel fijn laagje stof over de wereld kwam te liggen.
Het was dezelfde wereld, maar zonder schittering.
Proza in plaats van poëzie.
We moesten even stoppen in een benzinestation en zaten meteen gevangen in de drukte en de stress.
En ten slotte kwamen we thuis, waar alles nog hetzelfde was, behalve dat het er muf rook en verstikkend warm was.
Geen twijfel mogelijk: de vakantie was voorbij!
Saturnus maakte de cirkel rond.
De eerste zaterdag leek hij woedend omdat we aan zijn greep ontsnapten.
De tweede zaterdag zag hij tevreden dat zijn greep hersteld werd.

Voorwaar, het was een exemplarisch mythische week!

20130806-202844.jpg

Ik heb altijd met de grootste belangstelling gekeken naar het wisselen van de seizoenen, en gaandeweg ook naar het wisselen van de opeenvolgende zodiaktekens.
Ik weet dat de meeste mensen dat laatste onzin vinden, maar ik laat me door hun dorre en ontluisterende theorieën niet weerhouden om te kijken naar de natuur.
En door dat kijken weet ik dat de oude goden realiteiten zijn.
Het zijn grootse geesten die in de natuur leven en haar gang bepalen.
Je leert ze maar kennen als je wat ouder wordt en afstand leert nemen van de details.
Maar nu lijkt het erop dat ik weer de omgekeerde weg moet gaan en die natuurgeesten ook in kleinere verbanden moet zien.
Zoals de dagen van de week.

Ik had nooit kunnen bevroeden dat de namen van die dagen – namen van de oude goden – iets wezenlijks vertellen over de dagen zelf.
Ik was blijkbaar nog te ‘nominalistisch’ ingesteld.
Nu begin ik te vermoeden dat je, door aandachtig te letten op de verschillen tussen de dagen, en in die verschillen de grootste gemene deler te ontdekken, weer het karakter van die verschillende goden kunt leren kennen.

Maar waarom zou je dat doen?
Waarom zou je die oude natuurgoden weer leren kennen?
Het antwoord op die vraag heb ik eigenlijk al gegeven: om je weer met de wereld te kunnen verbinden, om verlost te raken uit het ‘schimmenrijk’ waarin we, zonder het te beseffen, meer en meer opgesloten raken.

Maar er is nog een ander, veel dringender antwoord.
En dat las ik in de twee boeken die ik als vakantielectuur had meegenomen en waarin enkele autisten schrijven over (onder meer) hun ‘gesprekken’ met natuurgeesten.
Het was, moet ik zeggen, aangrijpende lectuur en ze heeft mijn ervaringen met de natuur (en ook met kunst) in een nieuw perspectief geplaatst.
Maar daarover vertel ik u later meer.

20130806-203151.jpg

Vakantie!

20130726-112139.jpg

De zomer – hoe warmer hoe beter – is een goed moment om iets te doen aan digitale dementie,
om even los te komen van de hersenen,
om weer lichaam te worden.

Dus legt Vijgen na Pasen er even de riem af.
Ik ga met vrouwlief voor een weekje naar zee.
Op het strand wandelen,
op het zand liggen,
helemaal niks doen.
En schilderen.

Dat is het plan.

U hoort nog wel wat ervan gekomen is.

20130726-112810.jpg