Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: juli, 2017

Lichtbaken (epiloog)

  

Als het niet zo ernstig klonk, zou ik zeggen: het is volbracht. Eindelijk is mijn verslag van de Lichtbaken-conferentie klaar. Dat het zolang geduurd heeft, is te wijten aan mijn nieuwe tuin die me de voorbije lente zowat iedere dag opeiste, maar ook – en vooral – aan het feit dat het om méér ging dan een verslaggeving van (mijn aandeel in) de conferentie. Ik was, zonder dat aanvankelijk te beseffen, bezig met het afronden van het werk van een heel leven. Die ‘afronding’ begon toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie en nam een heel jaar in beslag. In dat jaar – waarin ik ook verhuisde – kwam ik stap voor stap tot een synthese van zowat een halve eeuw nadenken. De cirkel is, hoewel verre van volmaakt, rond. En dat zou me nooit gelukt zijn zonder de steun van wat ik ‘de geest van de conferentie’ noem, een geest die ik als zeer reëel heb ervaren. Hij hielp me de zaak tot een goed einde te brengen en gaf me daardoor de erkenning waarop ik niet meer hoopte. 

Waarover heb ik m’n hele leven nagedacht? Over kunst uiteraard, over datgene wat het allerbelangrijkste voor me is. Daar ben ik niet uit eigen beweging mee begonnen. Ik heb het gedaan omdat de kunst aangevallen werd. Mijn denken was een poging om haar te verdedigen tegen datgene wat zich hedendaagse kunst noemde. Dat is wat me van meet af aan gedreven heeft. In de praktijk kon ik niks doen. Achter haar masker van vrijheid en verdraagzaamheid ontplooide de hedendaagse kunst zo’n verpletterende macht dat het zelfmoord was je daartegen te verzetten. Ik kwam aanvankelijk dan ook niet verder dan machteloze verontwaardiging. Daar werd ik alleen maar ziek van en dus zat er niets anders op dan te proberen de hele situatie te begrijpen. Op een andere manier kon ik de kunst niet helpen, op een andere manier kon ik ook mezelf niet helpen. Dat is de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat ik me ertoe gedwongen voelde.     

Zonder de hedendaagse kunst zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. Ik zou mijn dagen gevuld hebben met tekenen en schilderen, niet met schrijven en nadenken. Ik zou nu een gerespecteerd lid zijn van de artistieke gemeenschap en niet een anonieme blogger zoals er duizenden zijn. Ik zou in lijnen en kleuren getuigd hebben van mijn grenzeloze bewondering voor het kunstwerk dat de wereld is, in plaats van verwikkeld te zijn in een vaak wanhopige en altijd eenzame strijd. Want medestanders heb ik nooit gevonden, tegenstanders des te meer. In de ogen van de meeste mensen ben ik een soort Don Quichote, een deels meelijwekkende deels ergerlijke figuur die tegen windmolens vecht. Ik werd dan ook voortdurend geconfronteerde met de vraag: ben ik nu gek of zijn het de anderen die hun verstand verloren hebben? Die vraag vergde het uiterste van mij, want hoe groot was de kans dat ik gelijk had en al die anderen ongelijk? 

Tijdens die (geestelijke) strijd heb ik vaak de moed verloren, maar nooit heb ik echt getwijfeld aan de zaak waarvoor ik vocht. Ik was verbijsterd dat ik die strijd überhaupt moest voeren, want wie kon nu geloven dat het uitkieperen van een vuilnisbak op hetzelfde (of zelfs een hoger) artistiek niveau stond als het maken van een meesterlijk schilderij! En toch geloofden ze het allemaal, al die kunstliefhebbers, al die kunstkenners, al die wetenschappers. Slechts bij hoge uitzondering klonk er een woord van kritiek, maar dat werd onmiddellijk overstemd door dat duizendkoppige koor van gelovigen. Ik had het gevoel in een soort onderwereld te zijn terecht gekomen, een Orwelliaanse nachtmerrie waar leugen waarheid was, lelijkheid schoonheid, en blind geloof wetenschap. Het was – en is nog altijd – om gek van te worden. Daarom deed het me zo’n deugd om erkenning te krijgen van de geest van de Lichtbaken-conferentie, want hij zou me nooit gesteund hebben als ik de verkeerde strijd had gestreden. 

Wie was nu die geest van de Lichtbaken-conferentie, de geest die meewerkte aan de herdenking van 1917, het jaar waarin de apocalyps losbarstte, het jaar ook waarin de hedendaagse kunst geboren werd? Wel, dat vertelde hij me zelf, niet met woorden – het is een zwijgzame geest – maar met beelden, en dan vooral met één beeld. Toen ik op zaterdagmiddag naar de vierde verdieping vertrok om te doen waarvoor ik gekomen was, besloot ik de lift te nemen, teneinde niet al buiten adem te zijn nog voor ik moest beginnen. Tot mijn verbazing trof ik daar een … liftboy aan. Ik was meteen gecharmeerd door het idee en vernam naderhand dat de kleine Tilman (genoemd naar de 15de-eeuwse Duitse beeldhouwer Riemenschneider) zelf het initiatief genomen had. Toen ik de lift binnenstapte en me omdraaide, zag ik hoe de knaap met een klein handgebaar een bekende en vooraanstaande antroposofe tegenhield. Ze keek verwonderd op, maar protesteerde niet. Er ging een vanzelfsprekend gezag uit van de jongen. 

Hij sprak geen woord, glimlachte niet en was absoluut niet toeschietelijk. Toch sprak er niet de minste arrogantie of machtswellust uit zijn gedrag. Kinderlijke ernst en volwassen terughouding gingen harmonisch samen. De jonge Tilman leek te opereren vanuit een andere dimensie, een dimensie waar louter rust en zekerheid heersten. Het was die geestelijke sfeer die me trof, maar ik stond er niet bij stil, want ik was gefocust op mijn eigen opdracht. Pas later, toen ik er begon over na te denken, drong het tot me door dat ik (een beeld van) Michaël had ontmoet, de geest die de zielen weegt en bepaalt wie ‘omhoog’ mag en wie nog beneden moet blijven. Ik begreep ook dat het dezelfde geest was geweest die ik in Brugge had leren kennen. Ook daar had ik in een ‘lift’ had willen stappen – ik wilde schilderen, ik wilde met kleuren werken en niet langer alleen maar in zwart-wit – maar dit keer hield hij me tegen. Ik botste als op een muur die me duidelijk maakte dat ik deze weg niet moest vervolgen. 

Het was niet de eerste keer dat Michaël me tegenhield, maar het was wel de eerste keer dat ik begreep wie achter dat onverbiddelijke no pasaran zat. Meer dan eens heb ik in mijn leven het gevoel gehad dat de weg van de kunst mij op onverklaarbare wijze versperd werd, alsof de duivel ermee gemoeid was. Pas (veel) later kwam het inzicht dat deze wegversperring mij voor erger had behoed. En ‘erger’ was: het soort (geestelijke) krankzinnigheid dat mensen overvalt wanneer ze zich blind overgeven aan de geest van de hedendaagse kunst. Of er zich blind tegen verzetten, want dat komt op hetzelfde neer. Er is  geen kruid gewassen tegen deze geest, behalve inzicht in de kunst. En dat inzicht veronderstelt een tweedeling – als kunstenaar moest ik mij losrukken van de kunst en er denkend tegenover gaan staan – maar ook een vereniging – als denker moest ik mij verbinden met het kunstzinnige element en ‘levend’ leren denken. Het was op die dubbele beweging van scheiden en verbinden – de Ik-beweging – dat Michaël toezicht hield.

Inzicht in de kunst is inzicht in Christus, de scheppende geest bij uitstek. Niemand had er mij kunnen toe bewegen om me los te maken van deze geest, behalve dan zijn tegenstander, de Antichrist, de geest van de hedendaagse anti-kunst. Hij richtte zo’n verwoestingen aan in de wereld van de – vooral de beeldende -kunst, dat ik het niet langer kon aanzien. Alles wat ik kon doen, was inzicht verwerven in de kunst, mij bewust worden van de geest die in mij werkte als ik tekende of schilderde. Dat was meteen ook het allermoeilijkste, want daarvoor moest ik in de huid van de draak kruipen. Alleen op die manier kon ik tegenover de Christusgeest gaan staan. Ik moest dus net hetzelfde doen als al die intellectuelen die met hun kille verstand de kunst vernietigden, maar dan zonder het contact met de kunst te verliezen. Dat kon niet in één keer, het moest stap voor stap gebeuren, in een pendelbeweging die mij afwisselend verwijderde van de kunst en er mij weer mee verbond. 

Ik begrijp Michaël dan ook als degene die het ritme van deze pendelbeweging bewaakt. Hij komt in actie als het (al te zeer) verstoord dreigt te worden, zowel in ruimte als in tijd. Hij roept de mens een halt toe wanneer deze te ver in deze of gene richting gaat, wanneer hij te vroeg of te laat van richting verandert. Michaël is de grote stuurman, de geest die corrigerend optreedt en de mens weer op het goede spoor zet als hij het bijster is. Maar dat doet hij alleen als iemand zelf dat spoor gekozen heeft, als hij uit vrije wil de weg van het Ik gaat, dat pendelt tussen scheiden en verbinden, en deze polariteit nooit tot een dualisme laat verstarren. Michaël laat de mens vrij, dat maakt hem tot zo’n on-vaderlijke en on-populaire geest. Hij stimuleert niet, hij moedigt niet aan en troost niet. Hij waakt. Hij is de onvermurwbare Wachter aan de Drempel die de confrontatie van de mens met het kwaad gadeslaat en diens drempeloverschrijding in goede banen leidt, steeds op voorwaarde dat de mens de drempel bewust overschrijdt en vrijwillig de confrontatie met het kwaad aangaat.

Ik herinner me nog dat ik op een dag tegen mijn tekenleraar zei: ik wil de hedendaagse kunst begrijpen! Hij schudde het hoofd en zei: dat zal je niet lukken, zij zal joú grijpen! Hij wist waarover hij sprak, hij had genoeg mensen ten gronde zien gaan aan die confrontatie en hij zou er zelf ook ten gronde aan gaan. Maar mijn liefde voor de kunst liet mij geen andere keuze. Ik besefte het niet, maar ik had mijn levensopdracht uitgesproken. En vandaag heb ik het gevoel dat ik hem vervuld heb. Het is me gelukt! De Lichtbaken-conferentie was de laatste zet die ik nodig had. Daarom riep Michaël me in Brugge een halt toe, daarom steunde hij me in Antwerpen van begin tot eind: ik moest mijn werk afmaken, ik wilde mijn werk afmaken. Dat begreep hij veel beter dan ikzelf en daar hielp hij me bij, vaak tot mijn grote – maar voorbijgaande – verdriet. Als ik daar nu op terugkijk, voel ik alleen maar dankbaarheid. Liefde is er voorlopig nog niet bij, daarvoor ken ik deze grote geest niet goed genoeg. Maar dat komt wel. Want er is nog veel te doen. 

Advertenties

Lichtbaken (22)

  

Toen ik de vraag kreeg om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen, was de afspraak dat ik het zou hebben over driegeleding en tweegeleding. Ik was ervan overtuigd dat het eerste uit het tweede diende ontwikkeld te worden, want rechtstreeks geïmplementeerd veroorzaakt driegeleding alleen maar meer dualisme. Zijn het immers niet nog altijd de idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid – die de moderne mens drijven? En toch leidt dit driegelede streven niet tot een betere wereld, wel integendeel. De samenleving is nooit zo gepolariseerd geweest als vandaag. Maar hoe moet het dan wel? Hoe moet de driegeleding ontwikkeld worden vanuit de tweegeleding, dat wil zeggen vanuit de dualistische werkelijkheid zoals we die kennen? Daar had ik aanvankelijk geen idee van, tot mij, volkomen onverwacht, de gedachte inviel – of aangereikt werd – om de karikatuur als uitgangspunt te nemen. 

Uit eigen beweging zou ik dit onderwerp nooit aangesneden hebben, het was het laatste van mijn gedachten. Maar er zijn van die gedachten die via het gevoel rechtstreeks tot in de wil doordringen, en dit was er zo een. Na een korte aarzeling – ik vond het toch wel wat gewaagd – volgde ik dit pad less traveled by, and that has made all the difference. Ik stelde vast dat de karikatuur model stond voor de dualistische wereld van vandaag: ze splitst de mens in twee, met aan de ene kant zijn lager Ik en aan de andere kant zijn hoger Ik. Die zwei Seelen tekenen zich in onze tijd duidelijk af en maken van de moderne mens een levende karikatuur. Maar dat ziet hij niet. Hij is zich niet bewust van deze dualiteit. De levende karikaturen hebben op hem niet het bevrijdende effect dat getekende karikaturen hebben, wel integendeel. Ze doen hem niet lachen maar wekken afschuw, haat en agressie in hem op.

Er ontbreekt de karikaturale mens iets wat de karikatuur wel heeft: kunstzinnig bewustzijn. De karikaturist weet wat hij doet wanneer hij zijn model in twee splijt (of doodt, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt) en het vervolgens weer tot leven wekt door de gescheiden delen weer samen te voegen tot … een driegeleed geheel. Want de karikatuur is uiteraard geen simpele kopie van de mens. Wat aan die mens toegevoegd word – of beter: wat in hem zichtbaar gemaakt wordt – is ‘de vorm van de idee’. De karikatuur ‘vergeestelijkt’ de mens, de geest (of de idee) krijgt vorm in hem. En die geest is driegeleed: het is niet alleen zijn eigen geest, het is ook de geest van de kunstenaar, die ‘zijn ziel in zijn werk legt’, en last but not least is het ook nog de geest die beide geesten tot een eenheid smeedt: de geest van de kunst. De karikatuur toont ons de dualistische (materialistische) mens in de vorm van de driegelede geest. 

Dat laatste doet ze echter slechts in de mate dat ze een kunstwerk is. De karikaturist slaagt er meestal wel in een gelijkend portret te maken, en hij legt er ook altijd iets van zichzelf in, maar of zijn tekening ook een kunstwerk is, hangt af van de aanwezigheid van de ‘derde geest’, de geest van de kunst. Deze verschijnt pas wanneer de relatie tussen de tegenpolen (de kunstenaar en zijn model) een zodanige intensiteit bereikt dat er, zoals Goethe het noemt, een Steigerung plaatsvindt. De tekening bereikt dan een hoger niveau: het kunnen wordt een kunst, de tweegeleding wordt een driegeleding. Eerst daalt de geest van de kunst neer in dit spanningsveld tussen de tegenpolen en daarna stijgt hij er weer uit op, beide andere geesten met zich meenemend. Het is door het Stirb und Werde van deze ‘derde geest’ dat een dualistische, strijdige relatie de driegelede, harmonische kwaliteit krijgt die men kunst noemt. 

In feite is ieder kunstwerk een miniatuurbeeld van de mensheidsontwikkeling. De dualistische wereld zoals we die vandaag kennen, is het resultaat van de zondeval die de mens steeds dieper in de materie heeft doen afdalen. Vandaag hebben we het dieptepunt bereikt, dat tevens het keerpunt is. De spanning tussen de tegenpolen is extreem, maar of er een Steigerung zal ontstaan die onze karikaturale wereld op een hoger niveau tilt, hangt af van de mens. De ‘derde geest’ kan pas optreden als de mens dat wil, als hij zich bewust wordt van de nood aan verlossing uit de onhoudbare dualistische situatie. Maar precies op dat moment valt de mens in slaap. Dat ziet men nergens beter dan in de kunst: zij is uiteengevallen in delen (de oude en de nieuwe kunst) die tegenover elkaar staan als hoger Ik en lager Ik, maar die extreme tegenstelling, die karikatuur, wordt niet waargenomen, men doet alsof er niets aan de hand is. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, zegt Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid, wordt door de idee geknecht. En de idee waardoor de moderne mens geknecht wordt, is de idee van de tweegeleding. We leven in een wereld die steeds dualistischer wordt omdat we het dualisme niet onder ogen zien. We beschouwen het dualisme als de bron van alle kwaad en willen het radicaal uitroeien. Maar juist daardoor blijven we blind voor de geest die er zich in verbergt en die eruit tevoorschijn wil komen. Deze ‘derde’ geest is de geest van ons ware Ik, dat geboren wil worden uit de spanning tussen ons hogere en ons lagere Ik. Het is de geest die Rudolf Steiner gestalte heeft gegeven in de Mensheidsrepresentant, het grote houten beeld dat Christus voorstelt tussen Lucifer en Ahriman. Het is beslist geen toeval dat de Christusfiguur onafgewerkt is gebleven, terwijl de tegenmachten tot in de details zijn afgewerkt.

Zoals ieder beeldend kunstwerk moet de Mensheidsrepresentant in beweging worden gedacht. De kijker moet het (ruimtelijke) beeld in de tijd plaatsen, hij moet het als het ware vertalen in muziek. Want als materieel ding belichaamt het slechts een fase in de voortdurende metamorfose die de kunst is. Maar het is wel een cruciale fase, overeenkomend met de materialistische tijd waarin we momenteel, op het keerpunt der tijden, leven. Dat keerpunt is de Ik-fase, het middelpunt van de hele mensheidsontwikkeling. Het is tevens het vrijheidsmoment. De mens staat nu voor de keuze: blijft hij louter materie zien, dan verliest de wereld zijn betekenis en wordt een nietszeggend hedendaags kunstwerk dat van de kijker een gedresseerde aap maakt. Slaagt hij er evenwel in deze verstarde, materialistische wereld als een kunstwerk te zien, meer bepaald als een karikatuur, dan wordt de (Christus)geest zichtbaar, die hem bevrijdt en weer doet lachen. 

Het klinkt waarschijnlijk oneerbiedig om de Mensheidsrepresentant te vergelijken met een karikatuur, maar die vergelijking komt niet (enkel) van mezelf. De idee om de karikatuur tot het uitgangspunt van mijn beschouwingen te maken, werd me niet alleen ‘van buitenaf’ aangereikt, ze werd ook nog eens bevestigd door de Lichtbaken-conferentie zelf, die begon en eindigde met … een karikatuur. In de eerste voordracht (die ik bijwoonde) stelde Matthijs van Alstein de drie tegenmachten voor als karikaturen van de drieëenheid. Tegenover de Vader, de Zoon en de Heilige Geest plaatste hij Ahriman, de Antichrist en Lucifer. Ook die tegenstelling op zich had iets karikaturaals, en het verbaasde me dan ook niet in een verslag te lezen dat ‘Matthijs van Alstein gelukkig gecorrigeerd werd door het publiek’. Het was de klassieke reactie van de slapende mens. Op mij had de karikatuur echter juist een bevrijdend effect.

Dat effect had ook de slotvoordracht van de conferentie. Zo ernstig als Matthijs van Alstein (een priester) was, zo humoristisch was Roland Halfen (een kunstwetenschapper). Hij overdreef zelfs een beetje : er werd het eerste halfuur meer gelachen dan tijdens de hele conferentie samen – ongetwijfeld een reactie op alle denkinspanningen die geleverd waren. De bevrijdende humor was echter niet alleen de vorm maar ook de inhoud van de voordracht, en dat mag wel merkwaardig heten, want het ging over de … Mensheidsrepresentant, toch niet meteen een beeld dat de lachlust opwekt. Niettemin bracht uitgerekend dit ernstige en dramatische beeldhouwwerk de spreker tot de conclusie – die meteen ook het slotakkoord van de conferentie was – dat humor de ‘antroposofische stijl’ dient te zijn, de manier waarop antroposofie bedreven moet worden en in praktijk gebracht. 

De – schijnbare – tegenstelling tussen ernst en humor kwam ook tot uiting in de twee anekdoten waarrond Roland Halfen zijn voordracht had opgebouwd. De eerste betrof een klein voorval met grote consequenties. Tijdens het werk aan de Mensheidsrepresentant, een beeld van bijna 10 meter hoog, verloor Rudolf Steiner op een gegeven moment het evenwicht. Hij stond op een hoge stelling en een puntige staak die zich meters lager bevond, zou hem gespietst hebben als zijn medewerkster Edith Maryon hem niet op het laatste nippertje had vastgegrepen. Om de tegenmachten te kunnen uitbeelden, had Rudolf Steiner ze gedwongen voor hem te poseren en dat wilden ze hem betaald zetten. Het zegt iets over de nauwe relatie die de kunstenaar met de tegenmachten aangaat en de risico’s die daaraan verbonden zijn. Het was de kunst die Rudolf Steiner in levensgevaar bracht, maar het was ook de kunst (in de persoon van Edith Maryon) die hem redde.

De tweede anekdote ging in wezen over hetzelfde – het verliezen van het evenwicht en de gevolgen daarvan – maar had een heel ander karakter. Toen de Mensheidsrepresentant zijn voltooiing naderde, nodigde Rudolf Steiner enkele getrouwen uit voor een eerste bezichtiging. Eén daarvan was Mieta Waller, een rijke vrouw zonder wier financiële steun het Goetheanum waarschijnlijk niet gebouwd had kunnen worden (en de Mensheidsrepresentant niet gebeeldhouwd). Om die reden, aldus Roland Halfen, mocht (of durfde) ze al iets meer zeggen dan een ander. En dat deed ze ook toen ze het beeld zag. Ze flapte eruit: maar Herr Doctor, het staat scheef! Herr Doctor fronste de wenkbrauwen, ging naast haar staan en bekeek het beeld nog eens goed. Verdorie, zei hij, je hebt gelijk! Het torenhoge beeld leek inderdaad naar rechts te hellen, het was uit balans. 

Ieder ander zou de wanhoop nabij zijn geweest, maar niet zo Rudolf Steiner. Hij loste het probleem op door als tegenwicht linksboven een figuur toe te voegen die de ‘wereldhumor’ voorstelde en die hij das Felsenwesen, het rotswezen, noemde. Nu was het beeld wél in evenwicht. Op het eerste gezicht heeft het voorval iets opportunistisch, iets van daar-passen-we-wel-een-mouw-aan. Rudolf Steiner was dan ook geen kunstenaar in de klassieke zin. Hij had geen artistieke opleiding genoten, zijn leerschool was zuiver wetenschappelijk geweest. Geen wonder dus dat hij fouten maakte, ook al liet hij zich bijstaan door Edith Maryon, een ervaren beeldhouwster. Hun samenwerking was in feite een beeld van de antroposofie zelf: een wetenschap die kunst wil worden en daarvoor de hulp van de kunst nodig heeft. Die samenwerking tussen kunst en wetenschap is een ‘hogere’ kunst (of wetenschap) waarvoor nog geen opleiding bestaat. 

Ze moet dus met vallen en opstaan ontwikkeld worden, en dat impliceert humor. Niet voor niets gebruikt Rudolf Steiner het woord ‘humor’ om de (her)verbindende kracht van de kunst aan te duiden, de kracht waarmee ze heelt wat ze zelf in twee heeft gedeeld. De humor is met andere woorden een opstandingskracht, een kracht waarmee de mens zich opricht als hij een fout heeft gemaakt, als hij uit balans is geraakt. Het is, zou je kunnen zeggen, de manier waarop de mens Christus volgt, terwijl Lucifer en Ahriman proberen hem uit evenwicht te brengen. Zonder humor, zei Rudolf Steiner dan ook, kom je de geestelijke wereld niet binnen. Hoe dichter je die wereld nadert, hoe groter het gevaar van luciferische sentimentaliteit, en om dat te bezweren heb je humor nodig. Nee, het is beslist geen toeval dat de humor, samen met Christus, Lucifer en Ahriman deel uitmaakt van de Mensheidsrepresentant.  

Net als das Felsenwesen in de Mensheidsrepresentant is de karikatuur een randverschijnsel in de wereld van de kunst. Ze is er maar op het laatst bijgekomen en vervult de rol van hofnar: ze grijpt de kunst vast op het moment dat deze het evenwicht verliest en in de diepte dreigt te storten. Ze is een kunstvorm die geen opleiding behoeft en die de mens aangeboren is. Maar ze moet wel beoefend worden, ze mag niet vergeten worden. Het trof me toen ik las dat Mieta Waller tot de nauwste intimi van Rudolf Steiner behoorde, want ik had nog nooit van haar gehoord. Sinds het congres van Munchen in 1907, waarop de antroposofie verbonden werd met de kunst, woonde ze samen met hem en Marie von Sivers in een soort ménage á trois. Ze was een van de belangrijkste antroposofen en toch kent vrijwel niemand haar. Daarin deelt ze het lot van de kunst, en vooral dan van de humor: men neemt ze niet ernstig. 

Na de slotvoordracht van Roland Halfen en de dankwoorden van initiatiefnemer Wilbert Lambrechts, nam een jongeman aan de piano plaats om bij wijze van afsluiting de Sonate Pathétique van Beethoven te spelen. Er viel een diepe stilte in de zaal, een stilte vervuld van de rust na volbrachte (geestelijke) arbeid. Geduldig wachtte men op het eerste akkoord. Toen dat eindelijk weerklonk, begon men op exact hetzelfde moment ergens in het gebouw te rammelen met potten en pannen, alsof men gewacht had met afwassen tot de muziek begon (of was het omgekeerd?). Het was zo’n potsierlijke coïncidentie dat ik bijna in de lach schoot: aan de ene kant die ernstige, pathetische muziek van Beethoven (ook al geen lachebek), en aan de andere kant dat gerommel uit de ingewanden van de school waar de leerlingen (opgeruimd en vrolijk) aan de schoonmaak begonnen. 

Niemand leek daar echter aandacht aan te besteden, evenmin als aan het feit dat de pianist er een paar keer flink naast sloeg. Het gerammel had hem blijkbaar toch uit zijn evenwicht gebracht. Maar juist doordat ik mijn oren niet sloot voor deze wanklanken, en er de humor van inzag, trof mij de ‘hogere’ kunstzinnigheid van het geval. De muzikale afsluiting van de conferentie was alweer een karikatuur – de ernstige muziek tegenover het vrolijke gerammel – en sloot daardoor naadloos aan bij het hele gebeuren, ook bij mijn eigen optreden als hofnar. Door gehoor te geven aan de impuls – of de wenk – om over de karikatuur te spreken, had ik uitdrukking gegeven aan de geest die – vanuit onzichtbare hoogten – de hele Lichtbaken-conferentie vorm had gegeven, de vorm van de idee, de vorm van de karikatuur. Het was mij een eer en een genoegen om deze geest op te merken en door hem opgemerkt te worden. 
 

Anna leest Steiner

  

… en denkt er het hare van. 

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld. 

Lichtbaken (20)

  

Toen ik karikaturen begon te tekenen, werd het ‘beest’ in me ontketend. Had ik me tot dan braaf gehouden aan de grenzen die de wereld me stelde, nu overschreed ik ze zonder schroom. Tenminste op papier. In mijn tekeningen kon ik ongeremd stout zijn en mijn vernietigingsdriften botvieren. Een doel op zich was dat echter niet. Het was een middel om beter te leren tekenen. Het beest bleef ondergeschikt aan de kunst en onder haar invloed verloor het langzaam zijn wildheid. Dat werd bevestigd toen kinderen me vroegen om karikaturen van hen te tekenen. Mijn vernietigende krachten vormden geen bedreiging meer, ik had ze getransformeerd tot het vermogen om al tekenend iemands Ik zichtbaarder te maken. En daar hadden die kinderen (blijkbaar) behoefte aan. Mijn modellen werden steeds jonger en uiteindelijk maakten ze het beest in me helemaal onschadelijk. Het was er nog wel en het had nog al zijn tanden, maar het deed nu wat ik wilde, niet omgekeerd. 

Kinderen zijn wijzer dan volwassenen. Ze begrepen altijd veel beter waar het om ging in mijn karikaturen. Bij momenten begrepen ook volwassenen het, maar evenmin als bij de kinderen drong het tot hun bewustzijn door. Dat was ook bij mezelf niet het geval. Pas nu, vele jaren nadat ik gestopt ben met het tekenen van karikaturen, begin ik me een beeld te vormen van wat er allemaal speelde. Dat kost me veel moeite, want duisternis is eigen aan het scheppingsproces. Pas wanneer het voltooid is, kan het licht van het bewustzijn ontstaan. Die volgorde is essentieel, want als je ze omkeert worden scheppingskrachten vernietigingskrachten. Dat valt goed waar te nemen in de hedendaagse kunst, die niet vertrekt vanuit de duisternis van de wil, maar vanuit het licht van de ideeën, en daardoor (zelf)vernietigend wordt. In de werkelijkheid gebeurt hetzelfde: ook daar wordt steevast uitgegaan van bewuste ideeën, concepten en theorieën, en ook daar wordt de scheppende wil vernietigend. 

Ik heb die omkering eens op een heel merkwaardige manier meegemaakt toen ik nog tekende op de Gentse Feesten. Dat was geen plek om (gewone) portretten te maken, maar er waren altijd mensen die geen karikatuur wilden. Omdat ik de centen goed kon gebruiken, probeerde ik dat probleem op te lossen door dubbel zoveel te vragen voor een portret. Dat hield mensen echter niet altijd tegen, en op een dag vroeg een jonge vrouw me om haar portret te tekenen, een gewoon portret drukte ze me op het hart, géén karikatuur. Dat laatste zou me waarschijnlijk toch niet gelukt zijn, want ze was een verbluffende schoonheid. Zo’n model had ik nog nooit van m’n leven gehad, en er kwam een gedachte in me op die ik ook nog nooit van m’n leven had gehad. Als ik nu eens, in plaats van deze vrouw zo lelijk mogelijk te maken, precies het omgekeerde deed en haar nóg mooier maakte dan ze al was! Als ik met andere woorden eens een geïdealiseerd portret van haar maakte! 

Een bevriend antroposoof had me dat ooit eens gesuggereerd. Mijn karikaturen riepen gemengde gevoelens bij hem op. Waarom toch altijd de klemtoon leggen op het lagere in de mens! Waarom niet eens proberen het hogere zichtbaar te maken! Hij was wat je noemt ‘een mens van goede wil’, hij probeerde overal het goede te zien. Zei je iets negatiefs, dan plaatste hij daar steevast het positieve tegenover. Heel vermoeiend, vond ik dat. Toch dacht ik bij mezelf: waarom niet eigenlijk? Waarom zou ik voor de verandering niet eens de schijnwerpers richten op het hogere, geestelijke Ik van de mens? Tenslotte was ik toch antroposoof. Maar alle goede voornemens ten spijt, kon ik mezelf er niet toe brengen het eens te proberen. Het was zoveel plezieriger en spannender om stout te zijn. En dus bleef ik karikaturen tekenen en mijn uiterste best doen om mensen zo lelijk mogelijk te maken. Tot die dag op de Gentse Feesten, toen die onwaarschijnlijk mooie vrouw op mijn stoel plaatsnam.

Ik dacht meteen: nu ga ik het eens proberen! Ik ga deze vrouw nog mooier maken dan ze al is! Ik hoefde er mezelf niet eens geweld voor aan te doen: haar schoonheid ontwapende me. Je moest echt wel een onmens zijn om dit godenkind naar beneden te willen halen. Zelfs ík was zo slecht niet. En zo kwam het, dat op die zomerse dag, te midden van de feestdrukte, mijn betere Ik de bovenhand kreeg en ik mijn allereerste geïdealiseerde portret tekende. Het resultaat mocht er best wezen, vond ik. De vrouw op mijn papier was nóg knapper dan de vrouw die voor me zat, en ik verheugde me al op haar reactie. Toch zat het me niet helemaal lekker. Ik had het gevoel niet eerlijk te zijn en de boel te belazeren. Slijmerd die je bent, dacht ik bij mezelf, schijnheiligaard! Het scheelde niet veel of ik had een hekel aan mezelf gekregen. Ik begreep het niet. Was ik voor één keer niet onversneden positief geweest? Had ik mijn slechte Ik niet het zwijgen opgelegd? En uitgerekend nu kreeg ik een vieze smaak in de mond.

Ik haalde m’n schouders op. Waarschijnlijk voelde mijn lagere Ik zich verongelijkt omdat het zijn tanden niet in mijn model had mogen zetten. Trots en vol verwachting toonde ik de vrouw het resultaat van mijn inspanningen. Ze bevroor. Met opengesperde ogen staarde ze naar mijn tekening. Ben ík dat? kon ze uiteindelijk uitbrengen. Ze was in shock. Ben ik dan ZO lelijk? stond er in grote letters op haar verbijsterde gezicht geschreven. Mijn eigen gezicht moet het hare weerspiegeld hebben, want ik was op mijn beurt verbijsterd. Ik had deze vrouw nóg mooier gemaakt dan ze al was, en wat ze zag was … een monster! Zo’n reactie hadden zelfs mijn kwaadaardigste karikaturen nooit teweeggebracht. Ik begreep er niks van. Wat was hier aan de hand? Mijn portret mocht dan misschien niet zo ‘ideaal’ zijn als ik wel dacht, maar een karikatuur was het heel zeker niet. En toch was de vrouw vervuld van afgrijzen en ongeloof. Wat had zij eigenlijk verwacht? Welk beeld had zij van zichzelf? 

Ik moest denken aan de onaantrekkelijke vrouwen die af en toe in mijn stoel kwamen zitten. Soms waren ze ronduit lelijk. Toch lieten ze een karikatuur van zich maken en ze konden er nog hartelijk om lachen ook. Het wekte onwillekeurig mijn bewondering. Dat zelfrelativeringsvermogen heb ik ooit eens in de overtreffende trap meegemaakt toen ik twee zwaar spastische mensen tekende. Ze waren vreselijk om aan te zien, ik durfde haast niet te kijken. Ben je zeker dat ze een karikatuur willen? vroeg ik aan hun begeleider. Heel zeker, antwoordde hij. Het was trouwens onmogelijk om van hen iets anders dan een karikatuur te maken, karikaturaler dan ze eruitzagen kon eenvoudig niet. En dus tekende ik gewoon wat ik zag. Toen ik aarzelend het resultaat liet zien, kregen ze allebei een soort epileptische aanval. Ze hingen half uit hun rolstoel, liepen paars aan, maakten piepende geluiden en schokkende bewegingen. O God, dacht ik, wat heb ik gedaan! Maar hun begeleider stelde me gerust: ze komen niet bij van het lachen!

Hij vertelde me dat er niks mis was met hun verstand, innerlijk waren ze net als iedereen. Alleen uiterlijk zagen ze er monsterlijker uit dan zelfs mijn ‘beestachtigste’ karikaturen. En met dat afschuwelijke uiterlijk waren ze nu als gek aan het lachen. Later op de dag zag ik ze in de verte passeren. Ze waren nog altijd naar mijn tekening aan het kijken. Het voorval maakte een diepe indruk op mij. Deze ‘ongelukkigen’, zoals ze vroeger genoemd werden, hadden niet alleen vrede met hun uiterlijk, ze konden er zelfs hartelijk om lachen. Zoveel relativeringsvermogen kwam me bijna bovenmenselijk voor. Het verschil met de vrouw die geschokt naar haar geïdealiseerde portret staarde, kon niet groter zijn. Haar reactie had iets ‘ondermenselijks’: ze was begiftigd met een uiterlijk dat velen haar ongetwijfeld benijdden, maar in plaats van dit geschenk naar waarde te schatten, was ze diep teleurgesteld omdat het niet mooier was. Mijn portret mocht dan geïdealiseerd zijn, haar reactie was een groteske karikatuur. 

Waarom bracht mijn streven om mensen zo lelijk mogelijk te maken het beste in hen naar boven? Waarom beleefden zij, net als ikzelf, ongeremd plezier aan het zichtbaar worden van hun lager Ik, terwijl het omgekeerde – het zichtbaar worden van hun hoger Ik – hen met afschuw vervulde? Ik heb weliswaar maar één keer geprobeerd een geïdealiseerd portret te maken, en misschien was die ene vrouw toevallig een uitzondering. Maar als ik denk aan een fenomeen als de politieke correctheid, dan meen ik daarin dezelfde reactie te herkennen. De moderne mens is, althans uiterlijk, een ‘mooie’ mens: beschaafd, vriendelijk, verdraagzaam, vredelievend, enzovoort. De wereld waarin hij leeft steekt schril af tegen de vele landen waar oorlog heerst, armoede, honger, onderdrukking, enzovoort. Toch is deze mooie mens niet te spreken over zijn wereld. Als iemand er een beeld van schetst dat de positieve kanten accentueert, reageert hij geschokt en ziet alleen maar monsterlijk racisme.

Die mooie vrouw was dus geen uitzondering, evenmin als die twee spastische mensen. Samen belichaamden ze een regel: probeer iemands hoger Ik zichtbaar te maken (door bijvoorbeeld een geïdealiseerd portret van hem te maken) en zijn lager Ik komt tevoorschijn, probeer hem daarentegen zo lelijk mogelijk te maken (door bijvoorbeeld een karikatuur van hem te maken) en hij wordt mooi. Anders gezegd, het hogere maakt het lagere wakker, het lagere het hogere. Of nog: positief-zijn werkt averechts, negatief-zijn ook. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Mijn vriend de antroposoof zou het er zeker niet eens mee zijn. En hij zou nog gelijk hebben ook. Want er ontbreekt iets aan mijn regel, iets essentieels: hij geldt alleen in de kunst. De klemtoon leggen op het lagere in de mens, werkt alleen ‘verhogend’ als het een middel is om kunst te maken. In de werkelijke wereld maakt het accentueren van het lagere de mens niet beter, wel integendeel. En het accentueren van het hogere maakt hem ook niet slechter. Dat gebeurt alleen in de kunst. 

Maar als deze (omkering)regel alleen geldt in de kunst, hoe komt het dan dat je hem ook aantreft in de politieke correctheid, die maar al te werkelijk is? Men probeert uit alle macht het hogere Ik van de mens tevoorschijn te roepen door te hameren op verheven idealen als gelijkheid, verdraagzaamheid, liefde, diversiteit, enzovoort. Het resultaat is een schrikbarende ‘verlaging’ van de mens, want de haat, de afschuw, de onverdraagzaamheid en de verontwaardiging nemen hand over hand toe. Met andere woorden, de moderne mens reageert in toenemende mate zoals de mooie vrouw op mijn poging tot idealisering. Wat in de kunst gebeurt, gebeurt dus ook in de werkelijkheid. De grenzen tussen beide vallen weg. Toch blijft er nog altijd één groot verschil: de moderne mens reageert beslist niet zoals de twee ‘ongelukkigen’ op mijn (getekende) karikatuur. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een levende karikatuur barst hij niet in lachen uit, maar in woede en verontwaardiging.

Geen mooier voorbeeld dan de Amerikaanse presidentsverkiezingen van dit jaar. Ze waren een karikatuur van wat verkiezingen horen te zijn en de verkozen president was een karikatuur van wat een president hoort te zijn. Maar daar werd niet om gelachen, o nee. Overal ter wereld braken protesten uit, de mensheid leek wel ten prooi aan massahysterie. De reacties op Donald Trump waren nog karikaturaler dan de man zelf. Ze getuigden van een gebrek aan relativeringsvermogen dat in de kunst ondenkbaar is. Want zelfs als mensen niet kunnen lachen om een karikatuur, beseffen ze dat ze dat eigenlijk wel zouden moeten kunnen, en dat het getuigt van zwakheid om je kwaad maken. Wat de mens in de kunst wél kan, kan hij niet in de werkelijkheid. En hij kan het niet omdat hij niet weet dat de grenzen tussen kunst en werkelijkheid verdwenen zijn. Hij realiseert zich niet dat de moderne wereld één grote karikatuur is geworden waar hij eigenlijk zou moeten kunnen om lachen.  

De moderne mens beseft niet dat het omkeringsprincipe van de kunst vandaag ook in de werkelijkheid werkzaam is en dat hij de wereld dus niet zal kunnen verbeteren door er louter positieve, idealiserende krachten op los te laten. Dat zal juist averechts werken, de actualiteit bewijst het iedere dag. Het enige wat echt zal helpen, is het omgekeerde: een karikatuur maken van de werkelijkheid. Alleen door het negatieve uit te vergroten zal de mens kunnen doen wat hij zo graag wil: een nieuwe, mooiere wereld maken. Hij moet ‘het beest’ in zich loslaten, maar dan wel op een kunstzinnige manier: niet als een doel op zich, maar als een middel om kunst te maken. Daarvoor moet hij echter eerst een beeld hebben van wat kunst is, hij moet weten hoe een kunstwerk ontstaat. En dat betekent in de eerste plaats dat hij zich bewust moet worden van het omkeringsprincipe dat in de kunst werkzaam is. Want als hij dat niet doet, zal al zijn idealisme, al zijn streven naar wereldverbetering hem alleen maar in het ongeluk storten.