Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2015

Hoofddoeken en lange jurken

Het gaat van kwaad naar erger met het racisme in dit land.
Nadat de schaduwpremier eerder openlijk racistische uitspraken deed en daarbij met de vinger naar de Berbers wees, kwam vandaag uit Mechelen het bericht dat de prestigieuze Ursulinenschool moslimmeisjes verbiedt om lange rokken te dragen.
Niet alleen moeten ze bij het betreden van de school hun hoofddoek afdoen, ze moeten nu ook nog hun rok omhoog rollen.
Op de website van Kifkif lezen we dan ook dat de meisjes wanhopig zijn.
Ze zijn het moe telkens weer te moeten vechten tegen mensen die hen hun identiteit proberen af te nemen.
Arme moslims, ze worden steeds meer geconfronteerd met racisme, onverdraagzaamheid en agressie.
En het zijn heus net alleen de moslima’s die daar het slachtoffer van worden.
Onlangs konden we nog op Dailyracism lezen hoe in datzelfde Mechelen een moslimjongen door de leraar godsdienst aan de voeten uit het raam werd gehangen, enkel en alleen maar omdat hij moslim was.
Hoe racistisch kan een volk zijn!

Grote leugens hebben altijd meer effect dan kleine leugens.
Mechelen is de stad waar de autochtone bevolking na zonsondergang niet meer buiten durft te komen, of er zou de afgelopen jaren veel veranderd moeten zijn.
Ik herinner me nog dat ik het niet geloofde toen mijn ouders het vertelden.
Maar toen ik op een avond laat van het centrum naar het station wandelde, liep ik door een uitgestorven stad. De enige levende zielen die ik tegenkwam waren groepjes Marokkanen. Ze lieten me weliswaar met rust, maar gezellig is toch anders.
Mechelen is ook de stad waar leraars 20 jaar geleden al met fietskettingen in het ziekenhuis werden geslagen door … moslimleerlingen. En dat gebeurde in dezelfde school – het prestigieuze St.Romboutscollege – waar moslimleerlingen nu geterroriseerd zouden worden door de leerkrachten.
Ik ben dus zo vrij dat laatste met een korreltje zout te nemen, of beter: er geen woord van te geloven.
Al kan ik me wél voorstellen dat leerkrachten door het lint gaan als gevolg van eindeloze moslimpesterijen.

Onder die noemer plaats ik ook de hoofddoeken – en nu ook de lange jurken – van moslima’s.
Het zijn pesterijen en niets anders dan dat.
De moslimmeisjes van de Ursulinen klaagden dat ze het zo moe zijn voortdurend te moeten vechten tegen mensen die hen hun identiteit willen afnemen.
Het ‘afnemen van de identiteit’ moeten we hier begrijpen als het ‘verplichten de regels te volgen’, want het verbod op lange jurken geldt voor iedere leerling van de school.
Hoogstwaarschijnlijk is dat verbod ingesteld toen moslima’s die geen hoofddoek meer mochten dragen er iets anders op vonden om ‘hun identiteit te bevestigen’: lange gewaden.
Ik geloof die meisjes graag wanneer ze zeggen dat ze het moe zijn voortdurend te moeten vechten.
De vraag is echter: waarom doen ze het?
Om zich te verdedigen?
Dat is een lachertje, althans wanneer het om Vlamingen gaat, want die zijn zo mak als schapen.
Een andere kwestie is wanneer het om moslimmannen gaat.
Ik maak me sterk dat die moslimmeisjes het moe zijn om tegen hén te moeten vechten.
Want zij zijn het die de moslima’s hun identiteit als vrouw willen afnemen.
Hoe vernederend moet het voor die moslimmeisjes en moslimvrouwen niet zijn om zichzelf te moeten verbergen onder hoofddoeken en lange jurken, om zich niet mooi te mogen maken, om geen vrouw te mogen zijn!

Ik zie in Brugge al jaren wat voor een onweerstaanbare drang het voor vrouwen is om zich mooi te maken, om bekeken en bewonderd te worden.
En moslima’s zouden die drang niet voelen?
Moslima’s zouden niet zijn als andere vrouwen?
Maak dat de ganzen wijs!
Als die vrouwelijk oerdrang zo brutaal wordt onderdrukt als dat vandaag door moslims gebeurt, dan wordt hij volgens mij kwaadaardig, dan ontaardt hij in het pestgedrag dat we vandaag zo goed kennen – maar niet onder ogen willen zien.
Het is dan ook een zeer geraffineerd pestgedrag.
Jaren geleden kwam het Antwerpse Atheneum in het nieuws omdat de directrice geen andere manier zag om de ‘sociale dwang’ in te dijken die van de moslimleerlingen uitging, dan door de hoofddoek radicaal te verbieden.
Dat heeft toen een storm van verontwaardiging gewekt, maar de directrice zette door.
Ze had geen keuze: anders zou haar school een moslimschool worden.
Het heeft niet mogen baten: ondanks het hoofddoekenverbod is het Atheneum vandaag een moslimschool. Nagenoeg alle autochtone leerlingen zijn er weggevlucht.

Dat is ook wat de directie van de Ursulinen vreest: dat ze een moslimschool zullen worden, dat de autochtone leerlingen er zullen wegblijven, dat er van hun reputatie – de Ursulinen zijn een begrip in Mechelen – niets meer zal overblijven.
En in plaats van steun te krijgen van de overheid, van de intellectuele wereld, zullen ze waarschijnlijk spitsroeden moeten lopen, zullen ze ook nog eens door de media gepest worden en zullen ze zich moeten verdedigen tegen aanklachten allerhande.
Of ze hun strijd tegen de hoofddoek en de lange jurk nu winnen of niet, verliezen zullen ze toch.
Tegen vrouwelijk pestgedrag is nu eenmaal geen kruid gewassen, tenzij mannelijke eensgezindheid.
En die vinden we alleen bij de moslims.
We zijn weerloos tegen de moslim-pesterijen omdat we geestelijk verdeeld zijn, omdat er geen geestelijk principe is waar we ons allemaal achter kunnen scharen.
Vroeger was dat het christendom, vandaag is er niets meer.
We leven in een geestelijk vacuüm.
Dat vacuüm wordt langzaam maar zeker opgevuld met de islam.
Zolang we geen nieuwe geestelijke kern vinden, zijn we machteloos.
Ze mogen bij de Ursulinen vechten wat ze willen tegen hoofddoeken, lange jurken of wat de moslima’s er nog meer zullen op vinden, winnen kunnen ze die strijd (op die manier) nooit.
Zelfs een Gulliver als Bart De Wever zal vroeg of laat onder de speldenprikken bezwijken.

Advertenties

Alwadaggezegtzeddezelf

Op de blog van Jan Blommaert trof ik een zeer rake typering aan van de linkse, politiek-correcte intellectueel:

‘Hij lijkt zich vaak op lichtjaren afstand te bewegen van wat men “de realiteit” noemt.
Hij produceert aan de lopende band verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen over allerhande thema’s – doorgaans over wie “goed” en “slecht” is – terwijl hij die nonsens als grote wijsheden beweert te slijten.
Wie afwijkende visies en standpunten hanteert wordt snel als ongeïnformeerd, eenzijdig en bevooroordeeld, een slecht hoorder of een al te letterlijk citeerder afgeschilderd.
De wereld die zich tegenover zijn verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen onvouwt is er één van … verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen, zo beweert hij nogal vaak en graag.
Domheden worden dus gemotiveerd vanuit een standpunt waarbij kritiek erop als domheid wordt voorgesteld. Sta me toe dat ik dat als “idioot” bestempel.

Hij is een idioot.

Ik kan hem dus nog onmogelijk ernstig nemen als persoon, en als burger maak ik me grote zorgen over de kwaliteit van het bestuur dat hij voorzit.
We dichten hem al vele jaren een veel te grote dosis verstand toe, terwijl we zouden moeten weten dat “de slimste mens” gewoon een televisieformat is en geen ernstige indicator van intelligentie.
Hij is “slim” zoals een huisdier slim genoeg is om ons te bewegen tot een streling of een bordje melk; inhoudelijk stelt deze figuur evenwel niets – niéts – voor.
De lading bewijzen daarvoor wordt stilaan niet langer te overzien, die van het tegendeel schrompelt voortdurend verder ineen.
En steeds meer mensen beginnen dat te begrijpen, want steeds minder mensen laten zich door zijn overweldigende verstand intimideren.’

Ter informatie: Jan Blommaert heeft het hier over Bart De Wever, maar wie bekend is met het fenomeen ‘projectie’ zal zich daardoor niet in verwarring laten brengen.

Gij zult niet veralgemenen!

Ahriman, voorspelde Rudolf Steiner, zal zich ontpoppen tot een geniaal schrijver.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle geniale schrijvers ook spreekbuizen van Ahriman zijn.
Een voorbeeld daarvan is Maarten Boudry.
Deze nog zeer jonge intellectueel schrijft voortreffelijk en is een ware verademing tussen al die Ahriman-klonen.
Wat natuurlijk ook weer niet wil zeggen dat hij altijd aan de greep van Ahriman ontsnapt.
Zo simpel is het leven niet.

Vandaag schrijft Maarten in de krant onder meer het volgende:

‘Ze hebben een gesloten cultuur, meneer!
En dat niet alleen: ze zijn bovendien niet bijzonder gul en gastvrij, en ook nog eens knorrig.
Tiens, heeft de schaduwpremier op het Schoon Verdiep nog wat nagetrapt naar de Antwerpse Berbers, sedert zijn passage bij Terzake?
Nee hoor: aan het woord is de Leuvense rector Rik Torfs, in een opiniestuk over… de Vlamingen. Blijkbaar delen wij onze ‘gesloten cultuur’ met onze Berberse vrienden.
Dat moeten ze daar in het Riffgebergte hebben horen waaien – geen wonder dat ze naar hier uitweken.
Met die integratie kan het niet meer stuk!

Nu hoor ik u zeggen: Torfs is zelf een Vlaming, hij mag dat zeggen.
Als hij onder zijn eigen gordel wil meppen, dan moet hij maar op zijn tanden bijten.
Maar een rapport voor de Franse commissie Buitenlandse Zaken uit 2012 windt er nog minder doekjes om: Vlamingen zijn egoïstisch, ondankbaar, intolerant en fascistisch.
Soit, dat zijn nog steeds Europeanen onder elkaar.

Maar negatieve veralgemeningen over écht vreemde volkeren en culturen, dat kan toch niet?

Dat ligt eraan: er is nog minstens één cultuur die vogelvrij is onder opiniemakers (ik bedoel niet álle opiniemakers, want ik hoed me natuurlijk voor veralgemeningen): de Amerikanen.
In De Standaard las ik onlangs nog dat de Verenigde Staten voor de helft (= 50%) bestaat uit ‘bekrompen pummels die zweren bij God en geweer’.
Stel je voor dat daar had gestaan dat de helft van de Marokkanen ‘achterlijke kinkels zijn die zweren bij geit en couscous’.
Gesloten? Als een hermetisch verzegelde tajine, meneer.

Mogen we dan toch generaliseren over andere culturen?

Natuurlijk mag dat.
Indien veralgemeningen uit den boze zijn, dan mogen we meteen alle faculteiten sociologie en politieke wetenschappen sluiten.
Elke wetenschap is gestoeld op generalisatie.
Van het particuliere naar het algemene, van de gevalsstudie naar de wetmatigheid.
De meeste wetenschappers spreken echter over tendensen, neigingen, statistische gemiddelden.
Een generalisatie is geen universalisering.
Wie dat verschil niet snapt, kan niet langer inzien dat roken kanker veroorzaakt (Maar mijn nonkel paft twee pakjes per dag en is 93!) of dat de overweldigende meerderheid van moordenaars mannen zijn (Hoe seksistisch! Rosemary West was toch een vrouw?).

Ook in de politiek zijn veralgemeningen onontbeerlijk voor elk zinnig debat: over bruggepensioneerden, tweeverdieners en hoogopgeleide allochtonen, over CD&V-kiezers, onepercenters en de Vlaamse onderstroom.

Wie evenwel met opgeheven vinger gaat uitleggen dat je uit één slechte ervaring met een Berber niet mag afleiden dat “alle Berbers kwaaieriken zijn”, zoals Gwendolyn Rutten met de beste bedoelingen deed in Reyers Laat, maakt een triviaal punt en tevens een karikatuur van de discussie.
Natuurlijk zegt De Wever niet dat alle Berbers een gesloten geest hebben.
Zelfs een racist als Filip De Winter zou het zo ver niet drijven.

Als we veralgemenen over culturen, moeten we natuurlijk wel empirische evidentie aandragen.
Is er een bijzonder probleem met de integratie van de Berbergemeenschap?
Zijn ze oververtegenwoordigd in de criminaliteitscijfers, of vatbaarder voor de lokroep van het kalifaat dan andere culturele minderheden?
Of: als we alle “bekrompen pummels” in de VS bij elkaar optellen, komen we dan aan 160 miljoen stuks? Nadat we ons van die feiten vergewist hebben, kunnen we vervolgens oorzaak en gevolg uiteenrafelen.
Is autochtoon racisme de oorzaak van die geslotenheid, of wordt ze er net door uitgelokt?
Waarom zijn er zo’n opvallende verschillen in de integratie van etnisch-culturele minderheden?’

Tot zover Maarten Boudry.
Zoals ik al zei: een verademing na een verstikkend ahrimanische week.

Denken en stigmatiseren

We mogen niet veralgemenen, we moeten nuanceren.
Zo schreef ik vorige keer in verband met racisme.
Dat was natuurlijk sarcastisch bedoeld.
Er bestaat vandaag geen grotere dooddoener dan de eis om te nuanceren.
Hoe letterlijk dat opgevat mag worden, blijkt uit een opiniestuk van Yves Desmet.
Naar aanleiding van het vliegtuigongeluk in Frankrijk schrijft hij het volgende:

‘Ook al blijkt inmiddels de hypothese dat Lubitz opzettelijk de cockpit heeft afgesloten en dus meer dan waarschijnlijk het vliegtuig opzettelijk te pletter heeft doen storten, het meest aannemelijk, dan nog moet men voorzichtig blijven in het ‘jumping to conclusions‘.

Zo is het opvallend hoeveel nadruk er wordt gelegd op de depressieve ziektegeschiedenis van de man. Alsof daarmee meteen alles verklaard is.

Nee dus. Lang niet alle depressieve mensen hebben suïcidale gedachten, nog minder ondernemen een poging, haast nooit neemt iemand die depressief is en tot zelfdoding overgaat, anderen in de dood mee.

Vorig jaar nam het aantal mensen dat langdurig werkonbekwaam is door een psychische aandoening en daarvoor een vergoeding van de ziekteverzekering krijgt in dit land toe tot bijna 100.000 personen. De aandoening treft toppolitici, sporters, artsen, loodgieters, bakkers en werklozen, kortom haast zonder onderscheid iedereen.

Het heeft ons jaren gekost om deze aandoening bespreekbaar te maken, de schaamte ervoor te overwinnen, te durven nadenken over de relatie tussen een stress- en prestatiesamenleving en de kwalijke gevolgen ervan.

Wanneer we nu in een verklaringsmodel meestappen waarin een depressie als enige oorzaak voor deze daad wordt gegeven, doen we dan niet weinig meer dan iedereen die met een burn-out en een depressie thuis zit te stigmatiseren tot een potentiële massamoordenaar? Het kan toch ook niet de bedoeling zijn om iedereen die een ziektebriefje verscheurt, meteen te laten colloqueren? Om iedereen die er even onderdoor gaat, levenslang te veroordelen om nooit nog verantwoordelijkheid voor een job op te mogen nemen? Zowat 20 procent van de bevolking gaat ooit in zijn leven tegen een depressie aanbotsen. Gaan we die dan allemaal stigmatiseren?

Nee, depressie als allesomvattend en allesverklarend antwoord over deze crash is veel te simpel.’

Tot zover Yves Desmet.

Zoals altijd klinkt hij rustig, bedaagd, wijs en … politiek correct.
De ideale schrijvende schoonzoon dus.
Toch heeft zijn redenering iets ‘dodelijks’.
Met het nuanceringsargument kun je namelijk iedere discussie plat slaan.
Je kunt blijven nuanceren tot je in de deeltjesversneller van het CERN terechtkomt.
Maar in dit geval is de redenering nog op een andere manier dodelijk.
Het spreekt vanzelf dat we niet te vlug mogen jump to conclusions en dat de zaak grondig moet onderzocht worden.
Maar heel wat minder vanzelfsprekend is de reden die Yves Desmet aandraagt.
Hij vindt namelijk niet dat we grondig te werk moeten gaan om rampen te vermijden, hij vindt dat we het moeten doen om … stigmatisering te vermijden.
Huh?
Is de veiligheid van vliegtuigpassagiers dan minder belangrijk dan de gevoeligheden van depressieve mensen?
Nee, dat kan hij niet bedoelen!
Maar wat bedoelt hij dan wel?

Zijn vrees voor de stigmatisering van depressieve mensen doet natuurlijk denken aan de vrees voor de stigmatisering van Marokkanen.
Toen Bart De Wever onlangs zei dat Marokkanen voor problemen zorgen, deed dat een storm van verontwaardiging losbarsten: hij stigmatiseerde een hele bevolkingsgroep en dat werd als veel erger beschouwd dan de problemen die deze groep veroorzaakt.
Vanwaar die grote bezorgdheid voor stigmatisering, een bezorgdheid waarvoor blijkbaar alles moet wijken?
Op zich is het natuurlijk mooi dat men bevolkingsgroepen – Marokkaanse of depressieve – niet in een kwaad daglicht wil stellen. Dat heeft in het verleden – ik spreek nu natuurlijk over de joden – tot kwalijke gevolgen geleid.
Maar het is heel wat minder mooi als deze bezorgdheid als alibi wordt gebruikt.
Niemand kan er blind voor zijn dat de unanieme bezorgdheid voor de Marokkanen waarvan de hele politieke en intellectuele wereld deze week blijk gaf, meer te maken had met Bart De Wever dan met de Marokkanen.
Anders gezegd, die haast verstikkende bezorgdheid voor stigmatisering werd gebruikt als een politiek wapen.
Want de bezorgdheid is natuurlijk zeer selectief.
Mogen onder geen beding gestigmatiseerd worden: Marokkanen, depressieven, vrouwen, homo’s.
Mogen à volonté gestigmatiseerd worden: Bart De Wever, Vlamingen, blanken, mannen.

De bezorgdheid voor stigmatisatie – nauw verbonden met de eis tot nuancering – is dus niet wat ze lijkt.
Ze is zelfs het tegenovergestelde van wat ze lijkt te zijn.
Het is een middel om ongestraft mensen te kunnen stigmatiseren.
Welke mensen?
Na de storm van verontwaardiging over de uitspraken van Bart De Wever ben ik geneigd te denken: mensen die de waarheid spreken.
Want dat was wat Bart De Wever deed: hij sprak – en dan nog zeer voorzichtig – de waarheid.
Gebeurde dat ook bij de berichtgeving over het vliegtuigongeluk?
Er zijn inmiddels genoeg gevallen bekend van onverklaarbaar misdadig gedrag dat (waarschijnlijk) te wijten is aan depressiviteit in combinatie met medicatie – denk aan de man die onlangs in de Delhaize een vrouw verminkte met zuur – om ook in het geval van de vliegtuigramp in die richting te denken.
En inderdaad, al vlug ontdekte men dat de dader in behandeling was geweest voor depressie.
Dat is natuurlijk een buitengewoon inconvenient truth voor heel wat mensen en het ligt voor de hand dat men die niet zomaar onder ogen wil zien.

Toch is het bijzonder vergezocht om Yves Desmet ervan te verdenken dat hij betaald wordt door de farmaceutische industrie en dat zijn opiniestuk een poging is om de aandacht van (de behandeling van) depressiviteit af te leiden.
Ofschoon die mogelijkheid niet uitgesloten kan worden, denk ik toch dat de reden dieper moet gezocht worden.
Laten we nog eens kijken naar wat hij schrijft.
Hij vindt dat we er bij het onderzoeken van de vliegtuigramp moeten voor oppassen mensen niet te stigmatiseren. We moeten met andere woorden rekening houden met de gevoeligheden van bepaalde mensen.
Maar laat het nu juist de essentie van rationeel, wetenschappelijk onderzoek zijn dat persoonlijke gevoeligheden ondergeschikt worden gemaakt aan de (objectieve) waarheid.
Dat er überhaupt vliegtuigen door de lucht kunnen vliegen, is te danken aan het feit dat ontelbare wetenschappers zich niks aangetrokken hebben van subjectieve gevoeligheden.
Als we die zaak weer gaan omdraaien en gevoeligheden BOVEN de waarheid plaatsen, dan zullen er binnenkort géén vliegtuigen meer kunnen vliegen, want het is natuurlijk bijzonder kwetsend om piloten te screenen op drugs en medicatie en passagiers op bommen of slechte intenties.

Wat Yves Desmet hier betoogt, betekent in wezen de doodsteek voor het wetenschappelijke onderzoek, de doodsteek voor het rationele denken, de doodsteek voor de hele vrije samenleving.
Het is weinig waarschijnlijk dat hij daar bewust op aanstuurt.
En toch doet hij het, zoals ontelbare intellectuelen dat vandaag doen.
Om een lang verhaal kort te maken: in de hedendaagse intelligentsia leeft een instinctieve afkeer voor de waarheid, een afkeer waar ze zich niet bewust van is maar die wel haar denken stuurt.
En die sturing gebeurt door het equivalent van zelfmoordterroristen: door zelfvernietigende ideeën.
In het geval van Yves Desmet is dat de idee dat we bij het onderzoeken van de vliegtuigramp niet overhaast te werk mogen gaan en ervoor moeten opletten bevolkingsgroepen niet te stigmatiseren.
Dat is niets anders dan een contradictio in terminis.
Je kunt niet én objectief tewerk gaan én rekening houden met subjectieve gevoeligheden.
Toch presenteert Yves Desmet deze idee als een voorbeeld van zorgvuldig, weloverwogen denken, het soort denken dat past bij humane, gevoelige mensen die zich niet laten meeslepen door … instinctieve, irrationele overwegingen.

Rudolf Steiner zei het al: Ahriman zal zich ontpoppen als een geniaal schrijver.
Yves Desmet schrijft goed, dat kan niet ontkend worden.
Veel hedendaagse intellectuelen schrijven goed, zeer goed zelfs.
Maar hun kunstzinnige talenten worden gebruikt om de terroristische zelfmoordideeën in hun teksten te verbergen.
Het is onbegonnen werk om over iedere tekst die we lezen zo grondig na te denken dat we de zelfmoordideeën kunnen ontmaskeren. We zouden onze krant niet meer kunnen lezen, we zouden niet verder raken dan de eerste bladzijde, lezen zou een enorm corvee worden.
We moeten dus ons kunstzinnig gevoel – onze anschauende Urteilskraft – zodanig ontwikkelen dat we die terroristische ideeën en redeneringen in één oogopslag herkennen.
Anders zullen we niks meer kunnen lezen zonder dat ze ongemerkt ons bewustzijn binnensluipen en zich daar nestelen zonder dat we het beseffen.
Ten aanzien van Ahriman moeten we zeer, zeer wakker zijn.
Zonder kunstzinnige (zelf)scholing wordt dat zeer, zeer moeilijk.

Racisme en kunst

‘Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend.’

(Aristoteles)

In de kranten wordt dezer dagen weer de alarmklok geluid over het alomtegenwoordige racisme.
Terecht, vind ik.
Racisme is het grootste probleem waarmee de mensheid vandaag af te rekenen heeft.
Maar we mogen natuurlijk niet veralgemenen.
We moeten nuanceren.
Dat spreekt.
Er bestaan verschillende vormen van racisme en we moeten er ons voor hoeden ze niet op één hoop te gooien.

Zo is er het natuurlijke racisme.
Dat is zo oud als de zondeval en wortelt in onze fysieke lichamelijkheid.
We stoten (onder meer door het immuunsysteem) alles af wat lichaamsvreemd is.
In de mate dat we ons bestaan laten bepalen door onze lichamelijkheid zijn we racistisch.
Dit natuurlijke racisme bestaat uiteraard nog altijd, maar juist in onze moderne samenleving is het duidelijk op de terugweg, want door de ontwikkeling van ons intellect hebben we in hoge afstand genomen van ons lichaam.

Een heel andere vorm van racisme is het moslimracisme.
Moslims gedragen zich in toenemende mate afwijzend en zelfs ronduit agressief tegenover iedereen die geen moslim is.
Strikt genomen is dat geen rassenkwestie, maar islamofobie is dat ook niet en toch wordt het als een vorm van racisme beschouwd.
Ik volg dus gewoon de mainstream-interpretatie van het begrip ‘racisme’ en daaronder valt zeker het virulente en wereldwijde moslimracisme.

Daaronder valt ook nog een derde vorm van racisme: de houding van de Westerse intellectuelen tegenover hun eigen bevolking.
Strikt genomen heeft ook dit niks met ras te maken, maar de weerzin van met name Vlaamse intellectuelen voor alles wat met Vlaamse volksgebondenheid te maken heeft, komt toch heel dicht in de buurt van racisme.
Het lijkt wel of Vlaming zijn iets is om je over te schamen.
Je zou hier kunnen spreken van intellectueel racisme, want bij natuurlijk racisme gaat het om de instinctieve afkeer van het ene lichaam voor het andere, terwijl het hier gaat om de instinctieve afkeer van het ene lichaamsdeel – het hoofd – voor de rest van het lichaam.
Deze viscerale afkeer voor het eigen volk heeft mijn inziens echter niet veel te maken met intelligentie of redelijkheid.
Zoals het hoofd afhankelijk is van het lichaam, zo is ook de intelligentsia afhankelijk van het volk. Deze afhankelijkheid ontkennen, is een uiting van gebrek aan bewustzijn, en dus een terugkeer naar een meer lichamelijke staat van zijn.

Ten slotte onderscheid ik nog een vierde vorm van racisme en dat is het ‘kunstmatige‘ racisme.
Veel, zo niet de meeste racisme-uitingen die momenteel worden verzameld onder de noemer ‘DailyRacism’ vallen onder deze categorie.
Het zijn uitingen van ergernis over de drie andere vormen van racisme.
Wanneer mensen continu van racisme worden beschuldigd door … racisten, dan krijgen ze na verloop van tijd zo’n hekel aan die racisten dat het op racisme gaat lijken.
Zo konden we de afgelopen dagen op allerlei websites artikels lezen van gesluierde moslima’s die hun verontwaardiging uitspraken over minister Reynders die deelgenomen had aan een folkloristische optocht en daarvoor zijn gezicht zwart had gemaakt.
Snapt die man werkelijk niet, vroegen ze zich af, hoe beledigend zijn gedrag is voor de zwarte inwoners van dit land?
Ze stonden er natuurlijk geen moment bij stil dat hun hoofddoek minstens zo beledigend is voor de niet-islamitische inwoners van dit land.
Hun beschuldigingen waren dus in hoge mate schijnheilig, en die schijnheiligheid wekt afkeer.
Zo ontstaat wat we pseudo-racisme zouden kunnen noemen: een op racisme lijkende afkeer voor racisten.

Plaatsen we nu deze vier vormen van racisme naast elkaar, dan zien we dat vooral de laatste vorm, het pseudo-racisme, als racisme wordt gebrandmerkt.
In Afrika heersen al sinds mensenheugnis bloedige stammentwisten, maar niemand peinst erover om Afrikanen racisten te noemen.
Arabieren voelen dan weer een diepe verachting voor zwarten, en moslims voor joden, maar toch worden geen van beiden racisten genoemd.
Overal ter wereld worden christenen vervolgd door moslims, maar ook hier wordt het woord racisme niet gebruikt.
En in Engeland worden blanke kinderen aan de lopende band misbruikt en mishandeld door moslims, maar nog altijd valt het woord racisme niet.
Als daarentegen een Vlaming verrast opkijkt als een gesluierde moslima keurig Nederlands blijkt te spreken, dan is dat een uiting van racisme.
Als een Franstalige die al vijf jaar in Vlaanderen woont, niet in het Frans wordt bediend, dan is dat een uiting van racisme.
Als een zwarte om een sigaret bedelt en niet het hele pakje krijgt, dan is dat een uiting van racisme.
Enzovoort, enzovoort.

Hoe grover en brutaler het racisme, des te minder wordt erover gesproken.
Hoe ridiculer en denkbeeldiger, des te meer wordt het opgeblazen tot een misdaad tegen de mensheid.
Het is het oude verhaal van de splinter en de balk.
Men ziet wel de splinter in andermans oog, maar niet de balk in het eigen oog.
Er wordt veel misbaar gemaakt over de oude restanten van natuurlijk racisme en de nieuwe scheuten van pseudo-racisme bij de blanke bevolking, maar over het brutale moslimracisme en het Westerse intellectuele racisme wordt in alle talen gezwegen.
Zo staan de kranten dezer dagen vol van verontwaardigde berichten over de ‘racistische’ uitspraken van Bart De Wever.
Heel politiek correct Vlaanderen valt – nog maar eens – over hem heen.
En Abou Jahjah is er als de kippen bij om de zaak nog wat op te stoken.
Wat voor verschrikkelijks heeft De Wever dan wel gezegd?
Niets anders dan dat racisme relatief is en dat dus niet alleen blanken racistisch zijn.
Daarbij had hij de euvele moed naar de Marokkaanse Berbers te verwijzen en te zeggen dat ze ‘een gesloten gemeenschap’ vormen.
Het was het understatement van het jaar want iedereen (die niet in een politiek correcte roes verkeert) weet dat Marokkanen tot de grootste en meest agressieve racisten behoren.
De misdaad van Bart De Wever bestond er dus in dat hij (voorzichtig) protesteerde tegen racisme.
Maar hij protesteerde niet tegen het ‘kleine’ racisme, hij protesteerde tegen het ‘grote’ racisme.
En dat is natuurlijk not done.

Het grote racisme van de Westerse en moslimintellectuelen creëert een vicieuze cirkel, want door zijn agressiviteit en brutaliteit wordt ook het kleine (pseudo)racisme van de bevolking aangewakkerd.
Men kan geen tientallen jaren aan één stuk beschuldigd worden van racisme zonder uiteindelijk inderdaad racistisch te worden.
En dat is dan weer koren op de molen van het grote racisme, dat uitroept: zie je wel!
Deze vicieuze cirkel zal onvermijdelijk leiden tot de burgeroorlog waarvoor Aristoteles waarschuwt en die door Rudolf Steiner de ‘oorlog van allen tegen allen’ wordt genoemd.

De grote vraag is dus: hoe kan die vicieuze cirkel doorbroken worden?
Dat is tegelijk de vraag: hoe is die vicieuze cirkel ontstaan?
We komen dan terecht bij de massale immigratie van vooral moslims enerzijds en bij de politiek correcte reactie daarop anderzijds.
Wat die immigratie op gang heeft gebracht is niet duidelijk.
Er zijn natuurlijk de erbarmelijke levensomstandigheden in de moslimlanden, maar die dateren niet van gisteren. Ze zijn wel voorwaarde maar geen oorzaak van die toch wel plotse migratiegolf.
En dan de politieke correctheid, die de vrije meningsuiting aan banden legt in naam van de vrije meningsuiting. Wanneer is die begonnen?
Ook zij heeft het karakter van een plots opgedoken vloedgolf.
Wie al wat ouder is en de 20ste eeuw nog bewust heeft meegemaakt, kijkt vol ongeloof naar de gedachtenpolitie die het hedendaagse geestesleven beheerst.
Hij vraagt zich af: waar zijn die zo opeens vandaan gekomen?

Toen ik meer dan 40 jaar geleden in Leuven ging studeren, werd ik daar geconfronteerd met een fenomeen dat me totaal onbekend was: de linkse intellectueel.
Hij zag er niet uit als een intellectueel, hij was veeleer een wildeman.
Slordig gekleed, met lange haren en een grote baard stond hij aan de ingang van de alma te roepen dat we alle macht aan de arbeiders moesten geven.
Alle macht aan de arbeiders?
Ik had wel eens in een fabriek gewerkt en ook op voetbalwedstrijden had ik de arbeidersklasse leren kennen, maar de idee dat deze mensen alle macht moesten krijgen, was nooit in me opgekomen.
Ze leken me in heel andere zaken geïnteresseerd te zijn dan in macht.
Ik verdacht de marxisten, leninisten en maoïsten er dan ook van dat ze de arbeiders gewoon gebruikten om zelf ‘alle macht’ te grijpen.
Ze riepen een diep wantrouwen in me op.

Als ik daar nu op terugkijk, begrijp ik dat mijn wantrouwen gerechtvaardigd was.
Het zijn inderdaad deze linkse intellectuelen, deze roepende Johannes de Dopers, die vandaag de macht in handen hebben: ze bevolken de politiek, de media, het onderwijs, de hele culturele wereld.
En ze hebben de macht niet aan de arbeiders gegeven, wel integendeel.
Ze schelden hen juist uit voor rotte vis en betichten hen ervan racistisch, onverdraagzaam, verzuurd, islamofoob, haatdragend, sexistisch enzovoort te zijn.
Ze trekken een zeer scherpe grens tussen hun superieure intellectuele zelf en het inferieure onbeschaafde volk.
Maar ze hebben hun oude streken nog niet afgeleerd, want in plaats van de arbeiders spannen ze nu de moslims voor hun kar.
‘Alle macht aan de moslims!’
Ze roepen het wel niet met zoveel woorden, maar daar komt het toch op neer.
Hoe grof en brutaal en onbeschaafd de moslims zich ook gedragen, ze nemen hen in bescherming tegen de infame ‘arbeiders’, tegen het verachtelijke en racistische volk.
En opnieuw is deze solidariteit zo leugenachtig als ze groot is.
De linkse intellectuelen (die allemaal zuivere materialisten en atheïsten zijn) voelen geen enkele sympathie voor de diep gelovige moslims.
Ze gebruiken hen alleen, zoals ze 40 jaar geleden de arbeiders gebruikten.
Het is hen enkel en alleen te doen om de macht, en om die te grijpen zijn alle middelen goed.

Waar de linkse intellectuelen vandaag op aansturen, is niets minder dan een Europese burgeroorlog.
Door de inwijkende moslims carte blanche te geven en de oorspronkelijke bevolking de mond te snoeren, creëren ze een kruitvat.
Als dat ontploft, is het afgelopen met (wat er nog overblijft van) de Europese beschaving, en volgens Rudolf Steiner zelfs met de beschaving tout court.
Of denken de linkse intellectuelen werkelijk dat ze de zaak in de hand zullen kunnen houden?
Als ik lees wat ze schrijven dan komt het me voor dat ze helemaal NIET meer denken.
Ze doen niets anders dan steeds weer dezelfde holle frasen herhalen in eindeloze variaties.

Denken is het verbinden van begrippen met waarnemingen.
Wat hedendaagse intellectuelen doen, is vooral begrippen onderling verbinden zonder acht te slaan op waarnemingen.
Denken is vandaag vooral abstract denken, denken dat losstaat van de werkelijkheid.
Hadden de marxistische studenten destijds werkelijk de concrete arbeiders op het oog?
Of ging het hen alleen om het begrip ‘arbeider’ en alles wat het opriep in de mens?
Door begrippen te verbinden met de werkelijkheid stel je ze in dienst van de waarheid.
Door ze los te maken van de werkelijkheid stel je ze in dienst van de macht.
Machtsdenken is geen vrij en zelfstandig denken.
Het is denken dat zich laat sturen door het egoïsme van de onderbuik, door het racisme van het lichaam.
Het is daarom ook geen bewust denken, het is automatisch denken, het is denken dat geleid wordt door onbewuste, dierlijke impulsen.
Dat is wat ik instinctief al voelde toen ik die harige wereldverbeteraars hoorde roepen aan de ingang van de alma: dit waren geen intellectuelen, dit waren barbaren, en zo zagen ze er ook uit.
Vandaag zien ze er een stuk beschaafder uit, maar onder hun intellectualistische vernislaag gaat nog altijd een barbaar schuil.

Doordat de moderne intellectueel de begrippen losmaakt van de werkelijkheid, maakt hij ook de met die begrippen verbonden gevoelens los van de werkelijkheid.
En die gevoelens verwilderen, zoals kinderen die niet opgevoed worden.
Het begrip racisme bijvoorbeeld roept bepaalde emoties op, maar doordat het zo vaag en zo abstract is, gaan die emoties alle kanten uit en worden hysterisch.
Ze worden niet langer begrensd door de werkelijkheid.
Mensen die nooit blijk hebben gegeven van enig racisme kunnen door één enkel verkeerd begrepen woord het stempel van racist krijgen, want het hele racisme-discours speelt zich hoofdzakelijk af in de op zich al zeer abstracte wereld van het geschreven woord.
In die schijnwereld steken bijna iedere dag stormen van verontwaardiging op die eigenlijk geen enkele grond hebben, maar die er wel voor zorgen dat mensen gedemoniseerd worden.
En het zijn, zoals gezegd, niet de racisten die gedemoniseerd worden.
Het zijn juist de mensen die zich verzetten tegen het brutale racisme van onze tijd, mensen die de euvele moed hebben de waarheid te spreken.

Dag in dag uit worden in de media deze wilde emoties en dierlijke driften aangewakkerd.
Het minste wat men tegen deze ahrimanische praktijken kan doen, is er zich niet te laten door meeslepen.
Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Dagelijks de kranten lezen en de media volgen is zeer slecht voor de gemoedsrust.
Het is veel gezonder om de media gewoon het huis uit te gooien.
Het gevaar bestaat dan natuurlijk wel dat men zich uit de wereld terug gaat trekken en in luciferisch vaarwater terechtkomt.
De enige echte remedie is in beide gevallen: opnieuw leren denken, opnieuw de begrippen verbinden met de concrete werkelijkheid.
Dat is in wezen een kunstzinnige opgave, en de sleutel daarvoor ligt in het gevoel.
Ahriman maakt onze gevoelens los van de werkelijkheid en bindt ze aan (dode) begrippen.
Gevoelens zijn in wezen waarnemingen van de geest die in de werkelijkheid leeft.
Door ze van de werkelijkheid los te maken, maakt Ahriman ze los van de geest en bindt ze aan zichzelf.
De wilde emoties waardoor we vandaag telkens weer meegesleept worden, zijn ahrimanische emoties, emoties die losgemaakt worden van onze (zintuiglijke) waarneming en opgesloten in de ‘onderbuik’ waar ze tekeer gaan als racisten.

Als we de burgeroorlog willen vermijden waar Ahriman op aanstuurt, dan moeten we onze gevoelens bevrijden uit de greep van zijn dode begrippen en ze weer verbinden met de levende geest die in onze waarneming leeft.
We moeten met andere woorden de wereld weer kunstzinnig benaderen.
Ik zeg wel degelijk ‘weer’ want dat is wat we in normale omstandigheden doen: de wereld kunstzinnig benaderen, ons gevoelsmatig verbinden met de geest die erin leeft.
We voelen vreugde wanneer we iets moois zien, zoals een kind of een zonsondergang.
En we voelen weerzin wanneer we iets lelijks zien, zoals afval of uitwerpselen.
Dat ligt in onze menselijke aard.
Ahriman is erin geslaagd die aard zodanig te perverteren dat we een zonsondergang kitsch vinden en een pispot of een blikje stront grote kunst.
Die pervertering van onze gevoelens blijft weliswaar beperkt tot de intellectuele klasse, maar het is juist die klasse die vandaag zo’n enorme invloed uitoefent en die ons gevoelsleven dagelijks opstookt tot het vroeg of laat uitbarst in geweld.

Alleen kunst kan de wereld nog redden.
Daar komt het op neer.
Maar dan moeten wij wel eerst de kunst redden.
Want ze is in handen van Ahriman gevallen.
Ze zit gevangen in zijn web van dode begrippen.
Daaruit moeten we haar bevrijden, als we ons tenminste niet willen laten meesleuren in de broederstrijd die Ahriman met man en macht voorbereidt.
De kunst bevrijden, betekent onszelf bevrijden.
En daar is moed voor nodig, want we nemen het dan op tegen de gehele (linkse) intellectuele klasse, de klasse die het moderne geestesleven veroverd heeft en de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw geschreven.
Tegen deze fable convenue moeten we ons verzetten, want ik mag er niet aan denken welke geschiedenis er anders over de 21ste eeuw zal worden geschreven.

Achter de schermen van een ramp

Verbijsterend nieuws: de piloot van het neergestorte vliegtuig in de Alpen heeft het toestel opzettelijk doen crashen.
Of toch niet zo verbijsterend?
Vrijwel op hetzelfde moment verscheen in de krant het bericht dat het busongeval van drie jaar geleden in Sierre niet opnieuw zal onderzocht worden.
Elf ouders hadden daarvoor een rechtszaak aangespannen.
Waarom?
Omdat ze vermoedden dat de chauffeur de bus opzettelijk had doen crashen.
Ik herinner me nog dat ik destijds dacht: wat mensen allemaal niet doen als ze hun verdriet niet kunnen verwerken!
Maar ik had me (weer eens) laten misleiden door de kranten.
Wat die namelijk niet vertelden, was dat het vermoeden van de ouders gerechtvaardigd was.
De enige redelijke verklaring voor het ongeval was dat de chauffeur de bus opzettelijk tegen de muur had doen rijden.
De reden voor dat onbegrijpelijke gedrag moest ook niet ver gezocht worden: de man nam antidepressiva.
Het is geen geheim dat één van de bijwerkingen van antidepressiva suïcidaal gedrag is.
Dat staat gewoon in de bijsluiter.
Apotheker Fernand Haesbrouck voert al jaren een eenzame kruistocht tegen de grote onwetendheid omtrent de werking van antidepressiva, ritaline en andere populaire medicaties.
Volgens hem verzwijgt de farmaceutische industrie bewust wat de werking van deze middelen op het menselijk zenuwstelsel is.
Ze verdient namelijk gigantisch veel geld met deze medicamenten, geld dat ze inzet wanneer een rechtszaak dreigt, zoals in Sierre.

De enige redelijke verklaring voor het ongeval met het Duitse vliegtuig ligt waarschijnlijk (alweer) in het gebruik van antidepressiva of andere medicatie.
Want wat zou een jongeman anders tot zo’n onmenselijk gedrag kunnen bewegen?
Terrorisme?
Dan zou de aanslag al wel opgeëist zijn.
Nee, de kans dat het (zoals Haesbrouck het noemt) om chemische verwoesting van het zenuwstelsel gaat, is bijzonder groot.
En de kans dat dit boven water komt, is bijzonder klein.
Alhoewel.
Het zijn dit keer geen 11 ouders van kinderen die het opnemen tegen de farmaceutische industrie, maar een Duitse luchtvaartmaatschappij.
En die heeft eveneens heel veel te verliezen.
Achter de schermen van dit menselijke drama zal zich dus waarschijnlijk een enorme juridische strijd afspelen.
Benieuwd hoeveel daarvan doordringt in de media.

Kunst en geweld

In de citaten die ik de afgelopen dagen gepubliceerd heb, noemt Rudolf Steiner het afwijzen van de geestelijke wereld als oorzaak van het geweld dat de mensheid momenteel teistert.
De geestelijke wereld wil op twee manieren doordringen tot de mens: van buitenaf via de zintuigen en van binnenuit via (dixit Steiner) het onderlichaam.
Als de geest erin slaagde de mens te bereiken via de zintuigen dan zouden zintuiglijke indrukken tot imaginaties worden.
Deze imaginaties zouden de spookvoorstellingen van de materialistische natuurwetenschap vervangen en daardoor de weg vrij maken voor de geestelijke impulsen die in de mens willen opstijgen tot inspiraties.
De materialistische voorstellingen van de wetenschap sluiten deze geestelijke impulsen bij wijze van spreken op in het ‘onderlijf’ waar ze – nog steeds bij wijze van spreken – het bloed doen koken en wilde, dierlijke driften doen oplaaien.

De moderne mens leeft overdag alsof het nacht is.
Hij ziet overal dingen die er niet zijn.
Hij laat zich de stuipen op het lijf jagen door schaduwen en schimmen.
In de voorstellingen van de wetenschap werkt de maan van het dode intellect en dat schept een angstaanjagende nachtwereld vol spoken.
In de imaginaties daarentegen werkt de zon van de scheppende geest en die laat ons de wereld in het juiste (dag)licht zien.

De oorzaak van het huidige geweld is dus dubbel: enerzijds het verstarrende materialisme, anderzijds de opdringende geestelijke wereld.
Het Kali Yuga is voorbij en we beleven de wederkomst van Christus.
Er vindt dus een enorme geestelijke heropleving plaats.
Maar die wordt tegengehouden door het materialisme.
Het is alsof een bijna uitgedroogde rivier opeens weer begint te stromen, maar gestuit wordt door een hoge stuwdam.
Het gevolg ligt voor de hand: vroeg of laat breekt de dam en het levenbrengende water verandert in een vernietigende kracht.
Het geweld dat de wereld sinds het einde van het Kali Yuga treft, is in wezen opgehoopte, samengeperste geestelijke kracht die de mens overspoelt.
Het is scheppingskracht die tot vernietigingskracht is geworden doordat ze zichzelf niet kan ontplooien.

Zo komt Rudolf Steiner tot de verrassende uitspraak dat aan de basis van het hedendaagse geweld gebrek aan … kunstzinnige geest ligt.
Het is niet meteen waar de moderne mens aan denkt als hij zich bezint over het geweld dat de wereld teistert.
Het is zelfs het allerlaatste waar hij aan denkt.
En toch ligt hier de sleutel volgens Steiner
Er zal nooit een eind komen aan het geweld als we ons niet openstellen voor de geest.
En dat laatste kunnen we alleen op kunstzinnige wijze.
Om een eind te maken aan het geweld moeten we de wereld als een kunstwerk leren zien, zoals Goethe dat deed, en daarvoor moeten we ‘anschauende Urteilskraft’ ontwikkelen, aanschouwende oordeelskracht.

Anschauende Urteilskraft is de kracht waarmee we de kunstzinnige kwaliteit van iets waarnemen.
Die kunstzinnige kwaliteit wordt alleen zichtbaar wanneer we oordelen, wanneer we innerlijk actief worden.
Dat doen we vanzelf wanneer we naar kunst kijken.
We vragen ons dan (meestal onbewust) af: is het goed of is het slecht?
Dat oordeel drukt zich uit in een gevoel: treft het kunstwerk ons aangenaam, dan vinden we het goed, treft het ons onaangenaam dan vinden we het slecht.
Naarmate we meer oordelen, wordt ons gevoelsoordeel niet alleen objectiever maar ook bewuster.
We leren gaandeweg onderscheid maken tussen meer en minder goede kunst.
We leren de kwaliteit ‘kunst’ waarnemen: ons (subjectieve) oordeel ontwikkelt zich tot een (objectief) zien, een ‘aanschouwen’.

Deze ‘anschauende Urteilskraft’ ontwikkelen we spelenderwijs in onze omgang met kunst, tenminste als die omgang intens genoeg is.
De problemen beginnen wanneer we dit ‘oordelende zien’ ook willen toepassen op de werkelijkheid, wanneer we bijvoorbeeld een groententuin, een geschiedenisles, een medische diagnose of een wetenschappelijk onderzoek als een kunstwerk willen zien en dus kunstzinnig beoordelen.
Dat is namelijk not done in onze materialistische cultuur.
Nemen we bijvoorbeeld de moderne windmolens.
Dat zijn monsterlijke dingen, die in een kunstzinnige maatschappij geen enkele kans zouden maken.
Maar kunstzinnige overwegingen spelen geen enkele rol in onze moderne maatschappij.
Ze worden alleen geduld in de zorgvuldig afgebakende wereld van de kunst.
Daarbuiten gelden alleen materiële overwegingen (zijn windmolens rendabel?) en morele overwegingen (zijn windmolens goed voor het milieu?).
Samen leveren ze een bijzonder onkunstzinnig, ja zelfs anti-kunstzinnig resultaat op, want moderne windmolens zijn een verkrachting van de natuurlijke schoonheid van het landschap.

Wie zich, op grond van kunstzinnige overwegingen, verzet tegen de bouw van windmolens roept haat op: de ahrimanische haat van de rendabiliteitsdenkers en de luciferische haat van de ecologische denkers.
Beide soorten denkers haten ook elkaar, maar méér nog haten ze de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid, want die benadering oriënteert zich op de geest.
Deze haat-tegen-de-geest is zelfs de kunstwereld binnengedrongen en heeft zich ook daar gekant tegen de ‘anschauende Urteilskraft’.
Het wordt als onmogelijk beschouwd om van het (subjectieve) oordelen tot een (objectief) zien te komen.
Er valt immers helemaal niets te zien.
De kunstzinnige kwaliteit van een kunstwerk is een geestelijke kwaliteit.
Ze kan op geen enkele ‘wetenschappelijke’ manier gemeten of bewezen worden en dus behoort ze tot het rijk der fantasie.
Ze bestaat doodeenvoudig niet voor de materialist.

Deze overtuiging is vandaag zo wijd verspreid en zo diep geworteld dat ik er nog nooit in geslaagd ben iemand van het tegendeel te overtuigen.
Het is voor de moderne mens nagenoeg onmogelijk om te geloven dat kunstwerken een geestelijke kwaliteit bezitten die (dankzij onze anschauende Urteilskraft) even objectief kan waargenomen worden als de materiële wereld.
Dit ongeloof is als een muur waar je tegenaan botst.
De idee dat kunst de levende waarheid kan spreken, wordt als fantasie beschouwd.
Enkel de dode waarheid wordt erkend.
Als kunst ‘spreekt’, zo is de algemene opvatting, doet ze dat door middel van ideeën die uit het hoofd (van de kunstenaar) afkomstig zijn, ideeën die bewust in het kunstwerk zijn gelegd.
Dat ze ook kan spreken door middel van ideeën die uit het ‘onderlijf’ afkomstig zijn (en waar de kunstenaar zelf niets vanaf weet) stoot de moderne mens hevig tegen de borst.
De gedachte dat er ideeën leven in de natuur (en niet alleen in het hoofd van de mens) wekt zijn ongeloof, zijn woede en zelfs zijn haat.
Ideeën worden alleen geaccepteerd in hun intellectuele, dode en abstracte vorm.
In hun levende, zintuiglijk waarneembare vorm worden ze met grote kracht afgewezen.

Het rechtstreeks gevolg van dit ongeloof – Steiner zou het een bijgeloof noemen – is dat de hedendaagse kunstliefhebber geen enkele moeite meer doet om anschauende Urteilskraft te ontwikkelen, dat wil zeggen om zijn subjectieve oordeel te ‘slijpen’ tot een objectieve lens.
Integendeel, in de hedendaagse kunstwereld is oordelen taboe.
Niemand waagt het nog om zelf te oordelen over een kunstwerk.
Het gevolg daarvan is dat de kijker blind wordt voor de levende geest en hem zelfs vervangt door een grauwe ahrimanische geest.
Nu kan men zeggen: ach wat, laat die artistieke snobs maar in extase staan voor een pispot, een getatoeëerd varken of een hoop bananenschillen, daar zal de wereld niet van vergaan!
Maar het wordt met de dag duidelijker dat de grens tussen kunst en werkelijkheid vervaagt en dat de blindheid voor de geest zich als een besmettelijke ziekte over hele wereld verspreidt en de ‘wraak der goden’ oproept.

Nee, kunst is geen tijdverdrijf meer, het is een manier om te overleven.

Het vernietigende gebrek aan kunstzinnige geest

Hoe materialistischer de mens is, des te meer wordt alles wat hij over de buitenwereld zegt tot een holle frase.
De holle frase en het materialisme horen samen.
Maar hoe vreemd het ook klinkt: deze tijd van materialisme en holle frasen is tegelijk de tijd waarin de geest zich het sterkst aan de mens wil openbaren.
Want de wereld leeft in tegenstellingen.
Nooit was de mens de geestelijke wereld zo nabij als vandaag, hoewel hij uiterlijk gezien wegzinkt in materialisme.
Nooit waren de mensen zo dicht bij de geestelijke wereld, maar ze merken het niet.
Er wordt steeds weer gezegd dat antroposofie alleen maar geloofd kan worden, dat men alleen op gezag kan aannemen. Maar bij niets is minder gezag nodig, nergens is gezag minder op zijn plaats dan juist bij de antroposofie.
Ze spreekt over wat vandaag in ieder mensenwezen naar binnen wil, wat naar binnen wil door de zintuigen.
Maar de materialistische gezindheid van deze tijd verspert het de weg.
De antroposofie spreekt over wat vandaag wil opstijgen uit de innerlijke natuur van de mens.
Maar hart en hoofd laten het niet omhoog komen uit het onderlijf.
En natuurlijk merkt de mens daar niets van.

De zintuiglijke indrukken willen vandaag zo door de menselijke zintuigen naar binnen stromen dat ze tot imaginaties worden.
De mens heeft daar vandaag de innerlijke aanleg voor.
Hij is in staat om imaginaties, om aanschouwelijke voorstellingen over de wereld te ontwikkelen.
Maar hij haat dat, hij wil er niks van weten. Hij zegt: dat is allemaal fantasie.
Hij beseft niet dat de natuurwetenschap hem wel veel goeds kan brengen, maar niet de waarheid over de mens. Die kan hij alleen beleven wanneer hij tot imaginaties kan komen.

Wat in het innerlijk van de mens leeft, openbaart zich voortdurend als inspiraties.
Nooit werd de mens zo gekweld door inspiraties als vandaag.
Hij merkt wel dat er iets in zijn innerlijk omhoog wil stijgen, maar hij ondervindt het alleen als nervositeit. Want hij wil deze openbaringen van de geest niet laten doordringen tot zijn hart en hoofd. Hij verdooft er zich voor.

Wij hebben er hier vaak over gesproken dat de mens buiten zijn fysiek lichaam (dat hij met zijn ogen kan zien en met zijn handen kan grijpen) ook nog een etherisch lichaam heeft.
U weet ook dat het etherisch lichaam alleen waargenomen kan worden door wie zich overgeeft aan imaginaties.
Maar er bestaat vandaag een weg om het menselijke etherlichaam werkelijk te vatten.
Deze weg bestaat erin de kunst in Goetheaanse zin ernstig te nemen.
Goethe was er zijn hele leven lang van overtuigd dat de waarheid zich uitleeft in het kunstzinnige begrijpen van de werkelijkheid, dat de kunst ‘een manifestatie van geheime natuurwetten is die anders nooit tot uitdrukking kunnen komen’.

Ons schoolwezen laat echter een giftige dauw neerdalen op alles wat de wetenschap met productieve kunstzinnige geest wil ontwikkelen.
De wetenschap denkt de waarheid nader te komen door alles elke inhoud uit te bannen die van deze kunstzinnige geest doordrongen is. Ze komt de waarheid daardoor echter niet nader, ze verwijdert er zich van.
In de huidige wetenschap leven alleen voorstellingen van een spookachtige wereld, geen voorstellingen van de werkelijkheid.
De natuur zelf leeft met haar wezen niet in de voorstellingen van de huidige natuurwetenschap, en naar de natuurwetenschap hebben zich de andere wetenschappen gevormd.
Wat in deze voorstellingen leeft, is niet de natuur maar een spook van de natuur.
De wereldgeest heeft zich gewroken op de tegenwoordige mensen die niet meer aan een wereldgeest willen geloven, die het vreselijke bijgeloof koesteren het spook van de natuurwetenschap als echte wetenschap te beschouwen.

Hoe kunnen deze spoken weer tot werkelijkheid worden?

Dat kan gebeuren wanneer men in alle ernst het kunstzinnig gevoel ontwikkelt zoals Goethe het zijn land wilde bijbrengen, wanneer men kan opnemen wat oplicht in wat Goethe ‘anschauende Urteilskraft’ noemde, wanneer men het spookachtige van de natuurbeschouwing kan oplossen in de scheppende kracht van de geest.
Het etherlichaam van de mens is niet gebouwd volgens natuurwetten, maar volgens kunstzinnige wetten. Zonder kunstzinnige geest kan niemand het begrijpen, noch bij zichzelf noch bij anderen.
Het is het gebrek aan kunstzinnige geest dat tegenwoordig zo verwoestend, zo vernietigend werkt in de wereldbeschouwingen van onze tijd.

(Rudolf Steiner)

GA 192 – Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen – Stuttgart, 22 juni 1919 (bladzijde 212)

Geest en geweld

Ondanks haar materialisme staat de mensheid in onze tijd dichter bij de geest dan we denken.
In ons werken inspiraties en imaginaties, maar door ons gebrek aan productieve verbeeldingskracht veranderen wij die imaginaties in allerlei spookbeelden waarmee we de werkelijke verhoudingen in de wereld misvormen.
Ook de inspiraties worden omgevormd en wel tot wilde dierlijke emoties die het bloed doen koken. Kijken we maar naar het bloed dat vandaag vloeit, naar de mensen die tegen de muur gezet worden en neergeschoten: dat zijn inspiraties uit de geestelijke wereld die we echter haten en die daardoor omgezet worden in wilde dierlijke driften.
Want dat is wat er gebeurt als de inspiraties van de geestelijke wereld niet in ons tot wasdom kunnen komen: ze veranderen in wilde emoties, in dierlijke driften.
Daar moet u aan denken als u met antroposofie bezig bent.
De geesteswetenschap is er niet om kennis te verzamelen. Dan kan u net zo goed een kookboek overschrijven.
De geesteswetenschap moet als kennis overgaan in de menselijke ziel, maar het mag daar geen dof mystiek gevoel worden waarin een abstracte goddelijkheid vereerd wordt.
Het religieuze gevoel moet juist verhelderd worden door de geesteswetenschap en vooral moet de kunst de verpleegster worden van de geestelijke schoonheid van de materie.

(Rudolf Steiner)

GA 192 – Stuttgart, 22 Juni 1919

Er bestaat een geheimzinnige samenhang tussen het menselijk bewustzijn en de vernietigingskrachten: het ene treedt in de plaats van het andere.
Als het menselijke bewustzijn sterker was geweest, als het zich had opgewerkt tot een spiritueel bewustzijn, dan hadden de krachten der vernietiging niet hoeven in te grijpen in de eerste jaren van de 20ste eeuw.
Vele zielen die op het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw door de poort van de dood gingen, hadden op aarde niet de mogelijkheid gehad hun bewustzijn op te wekken met spirituele impulsen.
Ze hadden de geest hier niet leren kennen en dat had tot gevolg dat ze in de geestelijke wereld smachtten naar vernietigingskrachten hier beneden.
Er zal dan ook geen orde voortkomen uit de huidige chaos zolang de mens de geest niet leert kennen, want de geest laat zich niet ongestraft negeren.
Ofwel wordt de geest begrepen, ofwel blijft de chaos.
Dat is de tweesprong waarvoor de mens staat.

(Rudolf Steiner)

GA 177 – Dornach, 29 september 1917

Kunst en geld (4)

Als kunstenaar heb je geld nodig om te kunnen leven en werken, dat spreekt.
Maar je hebt het ook nog om een andere reden nodig.
Stel dat je door een of andere gelukkige speling van het lot geld genoeg hebt en je werk dus niet hoeft te verkopen, wat ga je er dan mee doen?
Opstapelen in je atelier?
Dat kan niet de bedoeling zijn.
Tentoonstellen dus.
Maar mensen die tentoonstellingen bezoeken, willen ook wel eens iets kopen.
Wie iets echt graag ziet, wil het ook hebben, want dat is de enige manier om er elke dag te kunnen naar kijken.
Dus toch verkopen, tenzij je je werk gewoon weggeeft.

Maar weggeven is geen goed idee.

Zo heb ik een schilderij van me al eens ergens in een rommelkast aangetroffen, tussen de afgedankte spullen.
Of ik zag een portret van me aan de muur hangen, vastgespijkerd met punaises en met viltstift ‘verbeterd’ door de eigenaar.
Ik heb het ook eens meegemaakt dat iemand een tekening in vier vouwde en in zijn binnenzak stak.
En dan spreek ik nog niet over degenen die het gekregen werk gewoon doorverkopen.
Nee, wie een beetje respect heeft voor zijn werk kan het niet weggeven.
Het voor een ‘schappelijke’ prijs van de hand te doen, is evenmin een goed idee.
Zo had ik ooit het plan opgevat om portretten tegen halve prijs te tekenen, omdat ik het een onaangename gedachte vond dat alleen welgestelde mensen zich een portret kunnen permitteren.
Het resultaat was dat men begon … af te dingen, en het waren heus geen arme mensen die dat deden.

Geld brengt brood op de plank, maar het heeft ook nog een andere, geestelijke betekenis.
Het is namelijk uitdrukking van de waardering die men voor je werk heeft.
De enige betrouwbare waardering, helaas.
Toen ik verleden jaar in Brugge gratis portretten begon te tekenen, was dat een groot succes.
De kandidaten stonden aan te schuiven, ik had geen tijd om te eten en ik werd de hemel in geprezen.
Bewondering alom!
Maar toen ik het weekend daarop 50 euro vroeg voor een portret (dat een veelvoud daarvan waard was) bleek niemand nog geïnteresseerd.
Niet één kandidaat diende zich aan.
Alle ‘bewondering’ was als bij toverslag verdwenen.

Hoe ontzettend goedkoop bewondering voor kunst vandaag is geworden, werd onlangs nog eens aangetoond door een jonge Nederlander die in IKEA voor 10 euro een (geprint) schilderij had gekocht en ermee in het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst was gaan staan.
Wat vindt u ervan? had hij aan de bezoekers gevraagd.
Ze waren zonder uitzondering vol waardering, bewondering en zelfs enthousiasme.
Eentje vond het een geniaal werk, een ander wilde er 2,5 miljoen (gulden of euro?) voor geven.
Niemand die zag dat het geen echt schilderij was.
Niemand die verschil zag tussen een meesterwerk en een waardeloos prul.
Misschien hadden ze de kritische stemmen uit het filmpje geknipt, dat is mogelijk, maar het gaf toch een goed beeld van hoe het er tegenwoordig in de kunstwereld aan toegaat: men bewondert alles, zolang het maar voorzien is van het etiket ‘kunst’.
Was de jonge Nederlander met zijn IKEA-schilderij buiten het museum gaan staan, dan had niemand het waarschijnlijk een blik waardig gekeurd, maar van zodra het binnen het museum stond – en dus als ‘kunst’ gelabeld werd – steeg de bewondering tot ijle hoogten.

De moderne kunstliefhebber bewondert niet langer het kunstwerk, hij bewondert het label ‘kunst’.
Hangt dat label aan een schilderij van Rafaël, dan vindt hij dat schilderij prachtig.
Hangt het aan een pispot, dan vindt hij die pispot prachtig.
Het maakt helemaal niet uit waaraan dat label hangt.
Kunst is vandaag gereduceerd tot een volkomen leeg begrip.
En ook de bewondering die dat begrip oproept, is volkomen leeg.
Het is een Pavlov-reactie.
Het verhaal is bekend: een hond begint te kwijlen als hij voedsel krijgt.
Gaat dat gepaard met een geluid dan begint de hond na verloop van tijd te kwijlen wanneer hij dat geluid hoort, zelfs al krijgt hij geen voedsel.
De hond is met andere woorden ‘geconditioneerd’.
Op dezelfde manier is ook de moderne kunstliefhebber geconditioneerd.
Eerst bewonderde hij tekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken.
Daarna werd aan die voorwerpen de naam ‘kunst’ gegeven.
Vandaag begint de kunstliefhebber al te kwijlen als hij de naam ‘kunst’ hoort, ook al krijgt hij helemaal geen kunst voorgeschoteld.

Die Pavlov-reactie wordt ook opgewekt door het prijskaartje, want kunst en geld betekenen allebei: waardevol, kostbaar.
Een kunstwerk dat 1500 euro kost is 30 keer meer kunst dan een portret dat maar 50 euro kost, ook al is dat ‘kunstwerk’ een … drol (en dat is helaas géén fictief voorbeeld).
Een collega in Brugge vertelde me ooit over een juwelenmaker die op de markt stond maar niks verkocht. Wat hij ook probeerde, de toeristen wilden zijn juwelen niet kopen.
Tot hij in een opwelling besloot zijn prijzen te verdubbelen.
En zie, opeens wilde iedereen zijn juwelen hebben!
De redenering achter zijn succes was even simpel als kinderachtig: als het niet veel kost, zal het wel niet veel waard zijn.
Jaren geleden informeerden buren eens naar de prijs voor een portret van hun kind.
Ik dacht: het zijn buren, dus ik doe het voor een zacht prijsje.
Ik hoorde er niks meer van, maar vernam later wel dat ze de prijs te laag vonden en iemand gezocht hadden die duurder – en dus beter – was.

De oplossing voor mijn probleem ligt dus voor de hand: ik vraag niet langer 50 euro voor een portret maar 100 euro of meer.
Maar zo eenvoudig ligt het niet.
Kunstliefhebbers betalen niet voor kwaliteit maar voor exclusiviteit.
Hedendaagse kunst bestaat vaak uit rommel en afval, maar die rommel wordt wel tentoongesteld in bijzonder chique en exclusieve galerijen en musea.
De duurste rommel wordt zelfs helemaal NIET meer tentoongesteld: hij is voorbehouden aan een uitgelezen schare van kenners die zich niet willen blootstellen aan het plebs.
De prijszetting van Hedendaagse kunst is uitdrukking van deze exclusiviteit.
Wie deze kunst kan kopen behoort tot een kleine kring van uitverkorenen die niet alleen materieel maar ook geestelijk superieur zijn, want ze kopen kunst die het gewone volk noch kan kopen noch kan begrijpen.

Wie Hedendaagse kunst koopt, koopt niet zozeer een kunstwerk dan wel een naam, een etiket, iets wat dus alleen in gedachten bestaat: de gedachten van een exclusieve gemeenschap, een avant-garde die ‘de massa’ ver vooruit is.
Als ik mijn prijzen in Brugge zou verdubbelen, moet ik ook de rest van het etiket ‘verdubbelen’: ik moet mijn kraam exclusiever maken, ik moet mezelf exclusiever maken, ik moet exclusieve praatjes gaan verkopen.
Afgezien van het feit dat ik dat niet KAN en ook niet WIL, is het nogal belachelijk om dat op een … markt te willen doen, een markt die per definitie NIET exclusief is.
Dat is trouwens wat ik zo aangenaam vind aan die markt: het niet-exclusieve.
De Brugse ‘folkloremarkt’ (alweer een etiket dat niks te maken heeft met de werkelijkheid) is in feite een rommelmarkt.
Daarin verschilt ze niet wezenlijk van de hedendaagse kunstwereld, want die biedt ook hoofdzakelijk rommel aan.
Het enige verschil is de exclusiviteit van de artistieke rommel.
Daarom betaal je op de folkloremarkt 5, 10, 20 of 50 euro, en op de kunstmarkt 500, 1000, 2000 of 5000 euro.
Het verschil is louter illusie, gebakken lucht.
Je betaalt Lucifer en in ruil laat hij je dromen.

In feite is dat altijd de functie van kunst geweest: een mens laten dromen, hem verplaatsen in een andere, geestelijker dimensie.
Daar is op zich niks mis mee, want als een mens niet meer kan dromen wordt de wereld wel een heel onaangename plek.
Materieel gezien heeft de moderne mens het beter dan ooit, maar toch is hij niet tevreden, wel integendeel.
Hij is waarschijnlijk de meest ontevreden mens uit de hele geschiedenis.
De reden?
Hij kan niet meer dromen.
Vroeger kon de mens nog dromen over een geestelijke wereld, een wereld waar alles beter en mooier was.
Vandaag kan hij dat niet meer.
De wetenschap vertelt hem namelijk dat zo’n wereld niet bestaat.

Alleen de kunst kan de moderne mens nog doen dromen.
Maar haar materiële karakter maakt hem dat in toenemende mate moeilijk.
De hedendaagse kijker kan in de materie geen geest meer zien en dus dreigt met name de beeldende kunst uit de boot te vallen als ‘dromenleverancier’.
Dat heeft deze kunst ‘opgelost’ door haar geest (het begrip ‘kunst’) los te maken van de materie (het concrete kunstwerk).
De kijker kan nu weer de geest aanbidden zonder gestoord te worden door de materie.
Hij kan weer volop dromen, al moet hij wel de ogen sluiten voor het kunstwerk.

Vroeger was de droomgeest van de kunst luciferisch en leefde hij in het gevoel.
Vandaag is hij ahrimanisch geworden en leeft hij alleen nog in gedachten.
Dat wil zeggen: hij leeft NIET meer, hij is dood.
Honderd jaar geleden kon Nietzsche zeggen: God is dood en we hebben de kunst nodig om die waarheid te overleven.
Vandaag moeten we zeggen: ook de kunst is dood en we weten niet meer hoe we dát moeten overleven.
Het vernietigen van kunstwerken door de jihadi’s van de Islamitische Staat is – andermaal – een spiegelbeeld.
We doen namelijk precies hetzelfde, zij het dan op geestelijk gebied.
Door de kunst te reduceren tot een abstract begrip, tot een etiket dat om het even waar kan opgeplakt worden, hebben we haar vernietigd.
IS maakt dat zichtbaar door kunst ook materieel te vernietigen.
De moslims voltrekken een doodvonnis dat we zelf geveld hebben.

We kunnen dat materiële geweld niet stoppen als we niet ophouden met het geestelijke geweld.
Het heeft geen zin de spiegel in stukken te slaan als we zelf niet veranderen.
In zekere zin moeten we de moslimwereld dankbaar zijn dat hij ons een spiegel voorhoudt, want die spiegel vertelt ons wat we verkeerd doen.
Het is beslist geen toeval dat de jihadi’s zoveel belang hechten aan kunst.
Ze overspoelen de wereld met zorgvuldig geregisseerde video’s van hun onthoofdingsperformances.
Ze executeren de tekenaars van Charlie Hebdo.
Ze vernietigen eeuwenoude kunstwerken.
Ze hebben net een aanslag gepleegd op een museum in Tunesië.
What’s next?
Het Lam Gods? De Sixtijnse kapel? De kathedraal van Chartres?
De musea voor Hedendaagse kunst zullen ze wel met rust laten, want daar is het vernietigingswerk al verricht, daar is het zelfs tot … kunst verheven.

De jihadi’s doen eigenlijk net hetzelfde als de Westerse intellectuelen: ze bewonderen de kunst van het vernietigen.
Het is het enige wat hen nog kan doen dromen.
Het is het enige wat een louter materiële wereld draaglijk kan maken.
Achter deze vernietigingsdrang schuilt in feite een enorme behoefte aan geest.
De religies kunnen in die behoefte niet meer voorzien, want ze dateren uit een tijd dat de mens de geest nog duidelijk genoeg kon waarnemen dat hij erdoor geïnspireerd werd.
De moderne mens kan de geest alleen nog in de kunst waarnemen, maar daar is hij zich niet van bewust.
In het beste geval ‘droomt’ hij die geest, in het slechtste ‘denkt’ hij hem alleen.
Het ‘artistieke’ geweld van IS lijkt ons aan te manen om wakker te worden voor de geest die in de kunst werkzaam is.
Ja, de hele Hedendaagse kunst lijkt ons daartoe te dwingen.
Ze roept onwillekeurig de vraag in ons op: wat is kunst?
Maar in plaats van te ontwaken voor de (echte) geest van de kunst – de enige die we nog hebben – vallen we in slaap en geven ons over aan de droom van een volstrekt illusoire luciferische geest.
Terwijl Ahriman intussen ongestoord zijn vernietigingswerk kan doen.

Als we niet ten prooi willen vallen aan blinde vernietigingsdriften, dan moeten we onze ogen openen voor de geest van de kunst.
Aangezien de hele wereld een kunstwerk is, is de geest van de kunst ook de geest van onze wereld.
We kunnen hem overal waarnemen als we tenminste met een kunstzinnige blik kijken.
Die blik kunnen we oefenen in de wereld van de kunst.
Als we dat tenminste willen, als we dat tenminste durven.
Het IKEA-filmpje was heel geestig, heel ludiek, en toen de aap uit de mouw kwam, moest iedereen (met één uitzondering) hartelijk lachen om de grap.
Maar onder al dat ‘plezier’ ging een diepe angst schuil: de angst om te oordelen, de angst om geest en materie met elkaar te verbinden – niet de dode, abstracte geest van het etiket ‘kunst’, maar de eigen levende geest.
Want daar komt het op aan als we naar kunst kijken: dat we in onszelf de geest wakker maken zodat hij zich kan herkennen in de spiegel van het kunstwerk.

Uiteindelijk is dat ook de opgave waarvoor ik in Brugge sta.
Ik moet de toeristen ertoe kunnen bewegen zichzelf te herkennen in mijn portretten.
Daarvoor moet ik natuurlijk mijn uiterste best doen om goede, gelijkende portretten te tekenen.
Maar dat is niet genoeg.
Ik moet de toeristen zover krijgen dat ze in die spiegel durven kijken, dat ze in die spiegel willen kijken.
Ik moet hen ertoe bewegen de geest in henzelf wakker te maken.
En ik weet nog altijd niet hoe ik dat moet doen, want die geest is diep in slaap.
Er worden in Brugge aan de lopende band selfies genomen – toeristen lijken meer geïnteresseerd in zichzelf dan in Brugge – maar het is niet hun geest die op de foto’s verschijnt, het is alleen de materiële buitenkant.
Wat ze, zonder het te weten, met hun gesofisticeerde fototoestellen en smartfoons doen, is geest en materie scheiden.
Hoe breng ik hen aan het verstand dat ze in wezen precies het omgekeerde willen?
Hoe breng ik aan hun verstand dat ze hun Ik weer willen verenigen met hun gezicht?
Hoe breng ik hen aan het verstand dat ze een selfie van mij willen?