Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: augustus, 2018

De Tuin van Heden (7)

  

Op het dieptepunt van mijn leven – tussen mijn 30ste en mijn 33ste levensjaar – vond ik eindelijk de toegang tot de antroposofie. Er was een lange worsteling aan voorafgegaan, maar de ‘intrede’ zelf verliep moeiteloos. Ze gebeurde in drie stappen, telkens door het lezen van een boek dat me toevallig in handen viel: De Filosofie der Vrijheid (denken), Tussen Bethlehem en de Jordaan (voelen) en Christussucher und Michaeldiener (willen). Alledrie waren het variaties op hetzelfde thema, het thema van de polariteit. Ik zette deze drie stappen in de antroposofie met groeiend enthousiasme. De Filosofie der Vrijheid bevrijdde me uit de gevangenis van het dualisme, het verhaal van de twee Jezuskinderen opende mijn hart weer voor de christelijke oerbeelden uit mijn jeugd, en met het thema van de oude en de jonge zielen kon ik zelf aan de slag, ik kon het verbinden met mijn eigen leven. Vooral dat laatste sprak me aan, het maakte van de antroposofie een persoonlijke zaak. 

Speelde De Filosofie der Vrijheid zich nog helemaal in de regionen van de geest af, de twee Jezuskinderen brachten die geest naar de aarde in de vorm van oerbeelden, en het zielenthema individualiseerde hem ten slotte. Stap voor stap kwam de antroposofie naar me toe, eerst als iets vreemds en onaantrekkelijks, dan als iets verhevens dat uit de hemel neerdaalde, en uiteindelijk als iets eenvoudigs, iets gewoon-menselijks. Zo werd het zielenthema door Rudolf Steiner ook voorgesteld: als iets heel gewoons, een kleinigheid die hij bijna terloops vermeldde. Maar die kleinigheid bracht hij wel in verband bracht met het allergrootste – het voortbestaan van de menselijke beschaving – en hij verbond ze bovendien met het persoonlijke lot van zijn toehoorders. Hoewel hij zijn best deed om een lichte toon aan te slaan, kon hij de ernst van de zaak toch niet verbergen. Zijn publiek deinsde dan ook terug, zoals het dat eerder al had gedaan toen hij over karma sprak. Maar dit keer zette hij door. 

Ook voor Rudolf Steiner was het zielenthema een persoonlijke aangelegenheid, want voor het eerst in zijn leven kon hij openlijk spreken over wat hem het nauwst aan het hart lag: zijn eigen levensopgave, karma en reïncarnatie. Tot nog toe had hij daarover moeten zwijgen omdat de weerstanden – uiterlijk zowel als innerlijk – te groot waren. Maar nu onthulde hij de ‘geïncarneerde’ versie van De Filosofie der Vrijheid. De relatie tussen waarnemen en denken was een relatie tussen mensen geworden, tussen oude en jonge zielen. Tijdens de Weihnachtstagung had Rudolf Steiner de antroposofische vereniging opnieuw opgericht. Hij begon als het ware helemaal opnieuw en hij deed dat met een metamorfose van De Filosofie der Vrijheid. Zoals dit boek de grondslag vormde voor de oude antroposofie, zo vormde het zielenthema de grondslag voor de nieuwe antroposofie. Het was de hoeksteen van het nieuwe (geestelijke) Goetheanum, van de nieuwe mysteriën. 

Het was een grote stap van de oude wijsheidsmysteriën naar de nieuwe wilsmysteriën, een stap van denken naar willen, een stap ook van de oude naar de jonge zielen. Reeds vóór de Weihnachtstagung had die overgang zware problemen veroorzaakt. De antroposofische vereniging was aanvankelijk een oude-zielenvereniging, een vereniging van mensen die de wijsheid van Rudolf Steiner opnamen en verzorgden. Na de eerste wereldoorlog stroomden echter talloze jonge zielen de vereniging binnen en dat waren mensen die iets wilden doen, die de wereld wilden veranderen. Daardoor botsten ze met de oude zielen, die gesteld waren op hun rust. De conflicten escaleerden en de verhitte gemoederen materialiseerden zich in de brand van het Goetheanum. Ze vernietigden de tot kunst geworden antroposofie, de brug tussen oud en nieuw stortte in. Rudolf Steiner zag zich genoopt de vereniging helemaal opnieuw op te richten, dit keer niet als een wijsheidsvereniging maar als een wilsvereniging.

De nieuwe wilsmysteriën waren openbare mysteriën. Esoterie en exoterie vielen samen, de vroegere (strenge) scheiding was opgeheven. In de karmavoordrachten sprak Rudolf Steiner openlijk over de vorige levens van zijn leerlingen. De Lohengrin-vraag (die niet gesteld mocht worden) was vervangen door de Parsifalvraag, de vraag naar het lijden van de antroposofie. Dat lijden werd veroorzaakt door de conflicten tussen oude en jonge zielen. De toehoorders kenden die – al te persoonlijke – conflicten uit eigen ervaring, maar nu werden ze gelieerd aan diepe esoterische waarheden, en daar schrokken ze van. De antroposofie kwam nu toch wel heel dichtbij. Moeten we daar echt over gaan nadenken? vroegen ze. Ja, antwoordde Rudolf Steiner, daar moeten jullie echt over nadenken, iedere antroposoof moet dat doen. Hij liet er geen twijfel over bestaan: de antroposofie moest een persoonlijke aangelegenheid worden. Daarin bestond de vernieuwing die hij tijdens de Weihnachtstagung had doorgevoerd.

Rudolf Steiner had de mysteriewijsheid ‘in de harten’ gelegd en daar leefde ze nu als de meest intieme beleving. Hij kreeg echter de kans niet om deze ‘menswording’ nader toe te lichten, want de tegenmachten reageerden furieus. Ze ontketenden reactionaire krachten die hem het leven kostten en de vereniging in twee scheurden. Honderd jaar later lijkt de wonde geheeld te zijn, maar het zielenthema blijft onbespreekbaar en de reactionaire krachten bestaan nog altijd. Nadenken over het eigen karma is not done. Het geldt nog altijd als ongepast om de antroposofie in verband te brengen met persoonlijke zaken. Ik kreeg dan ook het deksel op mijn neus met mijn enthousiasme over het zielenthema. Wat ik ook probeerde, ik botste op een muur van onverschilligheid. Pas toen ik een vooraanstaand antroposoof zijn publiek hoorde bezweren niet na te denken over dit thema, begon ik te vermoeden dat het om meer ging dan onverschilligheid alleen. Het was onwil, het was openlijk verzet tegen Rudolf Steiner zelf. 

Mijn stap in de wilswereld van de antroposofie, leidde tot de ontmoeting met de anti-antroposofie, de vijand-in-de-eigen-gelederen waar Rudolf Steiner meer dan eens over gesproken had. De nieuwe wilsmysteriën omvatten ook het mysterie van het kwaad, en met dat mysterie werd ik nu geconfronteerd. Dat gebeurde overigens niet alleen in de antroposofie, het gebeurde ook in de kunst. Ik ontmoette de anti-antroposofie op hetzelfde moment als de anti-kunst. Deze laatste was me al langer bekend, maar ik kwam er pas echt mee in contact nadat ik radicaal gekozen had voor de kunst. Deze gelijktijdigheid was geen toeval: anti-kunst en de anti-antroposofie werden bezield door één en dezelfde geest. Maar dat besefte ik toen nog niet. Het was me nog niet duidelijk wat kunst en antroposofie met elkaar te maken hadden. Dat begreep ik pas enkele jaren later toen ik de antroposofie onverwacht herkende in de kunst. Toevallig gebeurde dat vlakbij een brug over de Schelde …

Opnieuw weerspiegelde de buitenwereld wat er in mijn ziel gebeurde. Daar werd namelijk een brug geslagen tussen de wereld waarin ik leefde en de antroposofie (die zich voornamelijk in mijn gedachten en gevoelens afspeelde). De antroposofie verscheen hier niet voor een kleine groep uitverkorenen, maar voor het oog van de hele wereld en ze maakte miljoenen jonge mensen enthousiast. Ze deed dat in de vorm van een mysteriedrama dat enerzijds diep in de hedendaagse wereld wortelde en anderzijds reikte tot in de hoogste gebieden van de geest. Exoterie en esoterie vielen hier naadloos samen. Ik herkende de geest van de kunst, die ik gestorven waande en nu in een geheel nieuwe, eigentijdse vorm zag verrijzen. Maar ik herkende tegelijk ook de geest van de antroposofie, die nu pas echt tot leven kwam voor mij. En langzaam begon ik te begrijpen wat Rudolf Steiner bedoelde toen hij zei dat kunst en antroposofie dezelfde geest in de cultuur doen stromen. 

Voor de vierde keer op rij ontmoette ik het thema van de polariteit, dit keer niet in de vorm van een boek, maar in de vorm van een kunstzinnig drama. Nadat de antroposofie achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen had aangesproken, sprak ze nu rechtstreeks mijn Ik aan. Maar dit keer deed ze dat niet vanuit de antroposofische wereld maar – geheel onverwacht – vanuit de vijandige buitenwereld. Toch herkende ik in dit onwaarschijnlijke mysteriedrama meteen de geest die mij zo lief was, die uit mijn leven was verdwenen en die ik nergens meer terugvond: de geest van de kunst. Ik trof hem uitgerekend daar aan waar ik hem nooit had verwacht. Hetzelfde gold voor de geest van de antroposofie: ik zag hem verschijnen op een plek waar antroposofen hem nooit zouden zoeken. Nochtans zegt Rudolf Steiner dat het Ik van de mens van buitenaf op hem toekomt. Ik stelde vast dat het voor de antroposofie niet anders is: ik zag haar Ik vanuit de buitenwereld op haar toekomen. 

Ik beleefde dat Ik-wezen tot in de kern van mijn ziel, maar mijn denkende bewustzijn kon het nog niet bevatten. Daardoor was ik niet in staat de zaak uit te leggen aan mijn mede-antroposofen. Ze waren ervan overtuigd dat ik me maar wat inbeeldde. Sommigen vonden het zelfs blasfemisch dat ik de antroposofie in verband bracht met iets zo werelds en laag-bij-de-gronds als het drama waar ik hen op wees. Ik was op mijn beurt geschokt door zoveel gebrek aan kunstzinnig gevoel. Het grote struikelblok was dat de makers van dit moderne mysteriedrama geen antroposofen waren. Ze hadden geen antroposofische ideeën in hun werk gelegd en bijgevolg konden die ideeën daar ook niet in aanwezig zijn. Deze redenering druiste volkomen in tegen Rudolf Steiners opvattingen over kunst, maar dat wist ik toen nog niet. Ik kon de onverschilligen en verontwaardigden niet duidelijk maken hoe anti-antroposofisch hun houding wel was. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt. 

De dualistische leer van de twee werelden zit zo diep ingebakken in de ziel van de moderne mens dat zelfs de antroposofie daar niet tegenop kan. Antroposofen kunnen het monisme van De Filosofie der Vrijheid in theorie nog wel aanvaarden, maar zodra ze de grens met de wilswereld overschrijden en in de praktijk terechtkomen, vallen ze weer in het oude, dualistische spoor. Daarvan getuigt hun houding tegenover kunst. Ik had het hen vroeger al eens gevraagd: hoe komt het toch dat antroposofen op alle gebieden tegen de stroom inroeien, behalve op één gebied: dat van de kunst? Uitgerekend daar waar de tegenpolen (door een wilsdaad) met elkaar verbonden worden en het dualisme overwonnen wordt, roeien ze vrolijk met de stroom mee, de lof zingend van de hedendaagse kunst, dat toppunt van dualisme. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Net als het zielenthema is het thema kunst onbespreekbaar en wel om dezelfde reden: het confronteert antroposofen met hun dualisme, met hun anti-antroposofie. 

Ik heb nooit getwijfeld aan de goede wil van antroposofen (en doe dat nog altijd niet), maar in de loop der jaren is me steeds duidelijker geworden dat er in hun ziel ook een ‘slechte’ wil leeft, een wil die zich tegen de antroposofie keert. Ik leerde die anti-wil voor het eerst kennen in verband met het zielenthema. Toen ik een gerespecteerd antroposoof in dit verband dwars tegen Rudolf Steiner hoorde ingaan, viel ik van mijn stoel van verbazing. Die verbazing werd nog groter toen niemand bleek te protesteren tegen deze anti-antroposofie. En ze steeg ten top toen mijn – voorzichtige – vraag over dit ‘merkwaardige’ standpunt op verontwaardiging werd onthaald. Hoe durfde ik! Het was de omgekeerde wereld: ik nam het op voor Rudolf Steiner en ik werd beschouwd als een … anti-antroposoof. Aandringen had geen zin, want een gesprek was niet mogelijk. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik te maken had met een gevaarlijke vijand die je onmiddellijk met gelijke munt betaalde.

Niet alleen onder antroposofen zaaide hij twist en tweedracht, hij trok ook een muur op tussen antroposofen en de buitenwereld. Dat ondervond ik door de afwijzende reacties op het mysteriedrama waarin ik de antroposofie in kunstzinnige vorm had zien verschijnen. Ook hierover was geen gesprek mogelijk. Ik besloot er dan ook het zwijgen toe te doen, niet zozeer omdat ik mezelf onmogelijk maakte, maar vooral omdat ik de zaak zelf schade berokkende. En die zaak was dat dit mysteriedrama een brug sloeg naar miljoenen mensen over de hele wereld. Die (overwegend jonge) mensen waren enthousiast geworden over de antroposofie, maar ze beseften het niet, het moest hen verteld worden. Was dit geen uitgelezen kans om vele antroposofen-in-spe te bereiken door hen aan te spreken in een taal die zij begrepen? Was dat niet waar antroposofen naar streefden: aansluiting vinden bij de moderne wereld, de taal spreken van deze tijd? Dat was tenminste wat ze steeds weer beweerden.

Maar het was niet wat ze wilden. Ze toonden geen enkele belangstelling voor dit unieke kunstwerk. Ze haalden hun schouders op en zeiden: wat hebben wij daarmee te maken! Het klonk me in de oren als: wat hebben wij te maken met de wereld daarbuiten! Wat hebben wij te maken met al die jonge mensen die de antroposofie zoeken! Wat hebben wij te maken met … de antroposofie! Zoals ik het wezen van de antroposofie vanuit de buitenwereld op me toe had zien komen, zo zag ik nu het wezen van de anti-antroposofie vanuit de antroposofische wereld op me toe komen. En zo verrukt als ik was over het eerste, zo ontzet was ik over het tweede. Ik zou deze anti-antroposofische geest later nog twee keer zien verschijnen en telkens wekte hij een diepe afschuw en verontwaardiging in me op. Maar ik stond machteloos want telkens wekte ook ik diepe afschuw en verontwaardiging bij anderen op. Het was onmogelijk om deze anti-geest te confronteren zonder daar zelf het slachtoffer van te worden. 

Advertenties

De Tuin van Heden (6)

  

Op mijn 30ste verjaardag greep ik uit verveling een willekeurig boek vast. Het bleek De Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Sinds ik mijn vrouw zeven jaar geleden had leren kennen, worstelde ik met de antroposofie. Ik had voordien al een aantal boeken van Rudolf Steiner gelezen, maar was nooit verder geraakt dan halverwege. Hun inhoud sprak mij wel aan, maar de saaie ‘wetenschappelijke’ vorm maakte ze voor mij onverteerbaar. In antroposofische kringen was het dan weer de religieuze sfeer die me op de maag lag. Men sprak er over engelen, kabouters en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was. Hebben jullie wel eens een kabouter gezien? wilde ik weten. Neen, dat hadden ze niet. Dus jullie geloven gewoon dat ze bestaan? Dat wilden ze dan weer niet toegeven. De steinerschool had me door haar kunstzinnige karakter meteen overtuigd, maar wat moest ik met de antroposofie, een geloof dat pretendeerde wetenschap te zijn? Ik had voor geen van beide enige aanleg. 

Mijn vrouw daarentegen bleek er geen moeite mee te hebben en dat intrigeerde me. Hoe kon een nuchter en verstandig iemand zoals zij zich inlaten met mensen die geloofden in het bestaan van sprookjeswezens? Talloze gesprekken en dicussies hadden we daarover, maar het lukte haar niet me te overtuigen. Het water tussen mij en de antroposofie was te diep. Uiteindelijk vond ik dan toch een brug, een volkomen onverwachte brug nog wel. De Filosofie der Vrijheid was het meest onverteerbare boek van de hele antroposofie. Om redenen die ik nog altijd niet begrijp, las ik het in één ruk uit. Ik voelde me als ijzeren Hendrik nadat de prinses de kikker had gekust: de ijzeren banden rond mijn hart sprongen los. Ze waren gesmeed uit de overtuiging die de moderne wereld overheerst: wat zich afspeelt in het menselijk hart heeft niks te maken met de wereld daarbuiten. De onzichtbare muur tussen beide was voor mij realiteit, hij had me opgesloten een in een onzichtbare gevangenis.

Uit die gevangenis bevrijdde Rudolf Steiner me door uit te leggen dat die muur alleen in ons bewustzijn bestaat. De werkelijkheid is één, maar in ons bewustzijn verschijnt ze als gescheiden in waarneming en denken. We hebben die scheiding zelf veroorzaakt en we kunnen ze ook weer opheffen door een brug te slaan tussen waarneming en denken. Vermoedelijk herkende ik in de gortdroge uiteenzetting van Rudolf Steiner mijn eigen situatie. Zoals de scheiding tussen stad en platteland in mijn (uiterlijke) leven steeds groter was geworden, zo was in mijn ziel een steeds groter wordende kloof ontstaan tussen mijn waarnemingen en gedachten. Nergens was die kloof zo duidelijk als op school, in de lessen wiskunde. Ik had geen idee wat die abstracte wereld van cijfers en getallen te maken had met de zintuiglijke wereld waarin ik leefde en niemand kon het me uitleggen. Het werd als volkomen vanzelfsprekend beschouwd dat waarneming en denken niks met elkaar te maken hadden.

Aan de academie had ik een heel andere ervaring. Daar beleefde ik al tekenend de vanzelfsprekende eenheid van waarneming en denken. Het eerste wat ik er leerde was een assenstelsel op mijn blad te tekenen en aan de hand daarvan de plaats van punten bepalen. Die les duurde hooguit vijf minuten en het was de enige die ik ooit kreeg. Al de rest vloeide eruit voort. De lijnen en punten ontwikkelden zich tot een koffiepot, een plant, een dier, een mens. In iedere tekening ging ik de weg van de meest abstracte wiskunde naar de meest zintuiglijke werkelijkheid. Het een was een metamorfose van het ander, er was geen wezenlijke scheiding. Maar deze kunstzinnige ervaring van de eenheid der tegendelen moest het in mijn puberteit steeds meer afleggen tegen de wetenschappelijke ervaring van hun scheiding. En die scheiding werd totaal toen ik volwassen werd. Het bewustzijn van de eenheid verdween en tegenpolen vielen uit elkaar in twee werelden waartussen een diepe kloof gaapte. 

In die kloof vond ik De Filosofie der Vrijheid. Het boek toonde aan dat waarnemen en denken twee zijden van dezelfde medaille waren, dat ze allebei tot dezelfde werkelijkheid behoorden. In scherpe, wetenschappelijke begrippen legde Rudolf Steiner uit wat ik in de kunst telkens weer had beleefd: dat er slechts één werkelijkheid was, dat we ze op twee zeer verschillende manieren ervaren – als zintuiglijke waarneming en als abstract, meetkundig denken – en dat we die twee weer met elkaar kunnen verbinden. Hoe had mijn hart niet kunnen opspringen nu het in de kern van de wetenschap – in dit denken-over-het-denken – de kunst herkende? Die herkenning was een begrijpen-met-het-hart, ze was nog lang geen begrijpen-met-het-hoofd. Ik beleefde De Filosofie der Vrijheid als een ziele-aangelegenheid, niet als de oplossing van een filosofisch raadsel. Toen ik het later opnieuw las, begreep ik er niks meer van. De herkenning was een moment van genade geweest. 

In feite was De Filosofie der Vrijheid een herhaling van mijn eerste tekenles. Opnieuw toonde een leraar mij dat waarneming en denken één zijn. Opnieuw deed hij dat op een zeer zakelijke, nuchtere manier die ogenschijnlijk niks te maken had met de kunstzinnige, zintuiglijke wereld die eruit zou voortvloeien. Wie zou bij het lezen van dit droog-filosofische boek ooit kunnen denken dat de hele antroposofie eruit is voortkomen, die wonderbaarlijke wereld met zijn ontelbare beelden en praktische toepassingen! Ik had destijds ook nooit kunnen denken dat de hele wereld van de kunst, met zijn grenzeloze vormenrijkdom, voortkwam uit een simpel assenstelsel, een zuiver meetkundige constructie. Maar ik was een kind, ik deed gewoon wat de leraar zei en ondervond dat hij gelijk had. Zo verging het me ook met De Filosofie der Vrijheid. Rudolf Steiner gaf me opnieuw vertrouwen in mijn denken, en door dat denken te verbinden met mijn waarnemingen ondervond ik gaandeweg dat hij gelijk had. 

De gedachte is de vader van het gevoel, schreef hij in De Filosofie der Vrijheid. Dat werd algauw bewaarheid, want kort daarna las ik een boek dat rechtstreeks mijn gevoel aansprak. Ik aarzelde toen ik in de boekhandel Tussen Bethlehem en de Jordaan zag liggen, het boek van Emil Bock over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Wat moest ik met een boek over Jezus? Had ik de godsdienst en de bijbel niet al jaren geleden achter me gelaten? Maar ik dacht bij mezelf: wie A zegt, moet ook B zeggen. En ik kocht het boek. Al op de eerste bladzijden was ik verrukt over de kunstzinnige beschrijving van Palestina’s geografie en de diepe betekenissen die daarin verborgen lagen. Dit was een taal die ik begreep en ik las ook dit boek in één ruk uit. Ik had nog nooit gehoord over het bestaan van twee Jezuskinderen, maar het stoorde me niet, integendeel. Ik vond het buitengewoon kunstzinnig, vanzelfsprekend en zelfs onvermijdelijk. Mijn gevoel accepteerde het onmiddellijk.

In feite was het verhaal van de twee Jezuskinderen de kunstzinnige versie van De Filosofie der Vrijheid. Het ene Jezuskind was een uitgesproken denker, het andere was één en al waarneming. Maar hoe verschillend ze ook waren, ze herkenden in elkaar het Christuswezen dat boven hen zweefde en waarvan ze in zekere zin de twee menselijke verschijningsvormen waren. De wederzijdse herkenning bracht hen ertoe samen te smelten tot een menselijke schaal die de Christusgeest kon ontvangen. Rudolf Steiner had deze ‘schaalvorming’ in De Filosofie der Vrijheid denkend verwezenlijkt. In Tussen Bethlehem en de Jordaan beschreef Emil Bock datzelfde ‘smeltproces’ aan de hand van bijbelse oerbeelden. Na het denken, de waarneming. Wat zich tussen de twee Jezuskinderen afspeelde kon ik me veel beter voorstellen dan wat Rudolf Steiner in abstracte begrippen beschreef. Het was de tweede – kunstzinnige – stap in de overbrugging van de kloof tussen mezelf en de antroposofie. 

De derde stap volgde niet lang daarna, opnieuw in de vorm van een boek: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van een vriend die het op zijn beurt kado had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht. Het was alleen te krijgen in het Goetheanum, en dan nog alleen voor leden van de vereniging. Hoe groot was de kans dat ik het in handen zou krijgen? Maar daar lag het, gewoon op tafel. Ik had nooit een woord Duits geleerd, laat staan een Duitse tekst gelezen, maar toen ik het boek opensloeg, las ik het – net als beide vorige boeken – in één ruk uit, het woordenboek in de aanslag. Het was mijn eerste kennismaking met Rudolf Steiners karamaonderzoek en ik herkende mezelf meteen in zijn beschrijving van de oude zielen. Ik herkende ook mijn vrouw onmiddellijk als een jonge ziel, en dat verklaarde veel, heel veel. Dit was antroposofie naar mijn hart, ik was meteen verkocht.

Opnieuw was dit boek een variatie op hetzelfde thema. Na waarnemen en denken in De Filosofie der Vrijheid, en de twee Jezuskinderen in het boek van Emil Bock, ging het hier om oude en jonge zielen, of Christuszoekers en Michaëldienaars zoals Hans Peter van Manen ze noemde. Na het denken en het voelen was het nu de beurt aan het willen. En dat was een heel andere wereld, dat zou ik al vlug ondervinden. Ik betwijfel of veel mensen De Filosofie der Vrijheid gelezen hebben, maar er wordt alleszins veel gesproken en geschreven over dit boek. Er worden zelfs cursussen en conferenties over gehouden. Ondanks zijn onaantrekkelijkheid heeft het niet te klagen over de aandacht die het krijgt. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is in de antroposofische wereld welbekend. Maar ofschoon het boeiender en kleurrijker is dan De Filosofie der Vrijheid moet ik toch diep nadenken om me een boek voor de geest te halen dat dit onderwerp behandelt.

Dat is echter nog niets vergeleken bij het lot van het zielenthema. Bijna 40 jaar na zijn verschijnen is het boek van Hans Peter van Manen nog altijd het enige dat het onderwerp ernstig neemt. De eerste druk is nog steeds verkrijgbaar en de vertaling die ik er later van maakte, staat intussen in de ramsj, want de uitgever raakt het aan de straatstenen niet kwijt. Er is waarschijnlijk geen enkel ander antroposofisch onderwerp waar zo weinig over geschreven en gesproken wordt dan juist het zielenthema. In al die jaren heb ik er welgeteld één voordracht weten over houden, en die gaf dan nog de niet mis te verstane boodschap mee dat antroposofen zich verre moesten houden van het zielenthema. Dat dit de algemene houding is in antroposofische kringen heb ik meer dan eens mogen ondervinden. Ik was dan ook diep teleurgesteld toen niemand (behalve mijn vrouw, met wie ik talloze gesprekken over het onderwerp voerde) mijn enthousiasme bleek te delen. Het zielenthema was gewoon taboe.

Ik begreep het niet. Hoe konden antroposofen zo onverschillig blijven tegenover een thema waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk had op gelegd! Tijdens zijn karmavoordrachten had hij verklaard dat iedere antroposoof over dit onderwerp hoort na te denken. Honderd jaar later wordt in antroposofische kringen precies het tegenovergestelde verkondigd. Mijn kennismaking met het wilsgebied van de antroposofie, betekende tegelijk mijn ontmoeting met de anti-antroposofie. Tot mijn verbazing stuitte ik in de antroposofische wereld op een (onbewuste) wil die zich hardnekkig tegen de antroposofie verzette. Later zou ik vernemen dat Rudolf Steiner zelf had gezegd dat in de antroposofische vereniging de uitgesproken tendens  bestond om hem dood te zwijgen. Nu kon ik alleen maar vaststellen dat het waar was.  Hoe was zoiets mogelijk? Hoe konden mensen met evenveel overtuiging voor én tegen de antroposofie zijn? Hoe konden er twee tegengestelde ‘willen’ in hun ziel leven zonder dat ze het beseften?

De Tuin van Heden (5)

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

De Tuin van Heden (4)

  

Voor het eerst in mijn leven woon ik op het platteland, tussen de velden en weiden. Tevoren woonde ik altijd op de grens tussen stad en platteland. In Mechelen bijvoorbeeld, waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht, woonde ik tijdens mijn tweede zevenjaarsperiode net buiten de stad. Vijf minuten stappen in de ene richting en ik stond op de Grote Markt. Honderd meter de andere richting uit begon er een – in mijn kinderogen eindeloze – wereld van velden, bossen en rivieren. Het platteland kwam er nog tot vlak bij de stad. Om deze laatste te bereiken moest ik de Dijle oversteken via de Winketbrug. Met haar vier torens zag ze eruit als de metalen versie van een middeleeuwse stadspoort. Ik passeerde ze dagelijks op weg naar school, of op weg naar het spel. Tussen die twee polen pendelde ik als kind heen en weer. In de stad zat ik op school in de klas. Buiten de stad speelde ik in ‘den bemd’ of op straat, of ik zat thuis te tekenen of te lezen. 

School en spel lagen nog dicht bij elkaar, letterlijk en figuurlijk. Ik leerde spelenderwijs, het kostte me geen enkele moeite. Spelen, binnen of buiten, had dan weer regels die geleerd moesten te worden. In de Winketbrug – enerzijds een fraai staaltje techniek, anderzijds een kunstwerk in ijzer – werden beide polen symbolisch verenigd. Ook hemel en aarde kwamen hier samen. Als een schip met bouwmaterialen passeerde, stond ik vol ontzag te kijken hoe de brug omhoog werd getakeld aan de vier wielen in haar torens. Als een roekeloze motorrijder met een sierlijke boog in het water verdween, volgde ik ademloos de reddingspogingen van de brandweer. Het met slijk overdekte lijk dat ze ten slotte bovenhaalden, was de eerste dode die ik zag. Het was ook mijn eerste confrontatie met het gevaar dat verbonden is met het overschrijden van de grens tussen twee werelden. Maar geen van die onderbrekingen kon mij uit de droom halen. Het leven was nog een spel.

Toen mijn derde zevenjaarsperiode aanbrak, verhuisden we naar de andere kant van de stad. Opnieuw woonden we op de grens met het platteland, opnieuw moest ik een brug oversteken om de stad te bereiken. Maar dit keer duurde het wel een half uur voor ik in het centrum stond en ook de velden en weiden lagen heel wat verder weg. Het was niet langer de kronkelende, slijkerige Dijle die ik moest oversteken, maar de propere, kaarsrechte Leuvense vaart. Er lag ook geen monumentale Winketbrug meer over, maar een belachelijk kleine Colomabrug, die nog met de hand moest open- en dichtgedraaid worden en zo smal was dat ze slechts verkeer in één richting toeliet. Dat bemoeilijkte het oversteken van de grens tussen stad en platteland in aanzienlijke mate en ik moest soms lang staan wachten tot de auto’s uit de andere richting de gammele Colomabrug waren overgestoken. Het verkeer tussen beide werelden verliep nu met horten en stoten. Het leven had zijn speelse, dromerige karakter verloren. 

Die uiterlijke verandering weerspiegelde mijn zieleleven. Ik werd langzaam wakker. De puberteit – of ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt – begon. Zoals stad en platteland zich van elkaar verwijderden, zo verwijderden zich ook binnen- en buitenwereld van elkaar. Ik speelde niet langer op straat of in ‘den bemd’, maar had voor het eerst een eigen kamer waar ik me kon terugtrekken. Mijn gedachten en gevoelens gingen niet langer dromerig en organisch heen en weer, ze werden nu gescheiden door een strakke, rechte lijn en het verkeer tussen beide verliep moeizaam. Nu eens kregen verhitte emoties de voorrang, dan weer was het de beurt aan de kille ratio. Het evenwicht was zoek en de balans kantelde in de richting van de stad. Zoals het platteland verdween uit mijn leven, zo verdween ook de godsdienst. Van beide had ik slechts een laatste uitloper meegemaakt, en toen ik van mijn geloof afviel, gebeurde dat zoals een appel van de boom valt. Ik was rijp voor de aarde, rijp voor de stad.

Ik herinner me nog altijd het moment waarop het gebeurde. Ik zat in de zondagsmis te dromen, toen ik plots opkeek en dacht: wat doe ik hier? Ik realiseerde me opeens dat ik hier niet langer thuishoorde en in één klap viel het hele godsdienstige leven van me af, alsof het er nooit geweest was. Zelfs de straatnamen weerspiegelden die plotse overgang. Van de Bethaniënstraat (vanwaar we de Sint-Romboutstoren konden zien) waren we verhuisd naar de Voetbalstraat. De bijbel had plaats gemaakt voor de sport, de seculiere religie van onze tijd. Ik zat niet langer in de mis te dromen, maar supporterde in de Winkethal voor het legendarische Racing Mechelen. De appollinische terughouding van de godsdienst had plaats gemaakt voor de dionysische extase van de sport. Zo’n basketwedstrijd was een echte heksenketel, en als het afgelopen was, liep ik als op wolken, ik voelde me herboren, mijn ziel was gezuiverd. Zo’n katharsis had ik in de kerk nooit meegemaakt.

Hoe groot de stap van godsdienst naar sport was, ondervond ik aan den lijve. Tijdens een volleybalwedstrijd op school kwam ik ongelukkig op een bal terecht en mijn linkerknie ging aan flarden. Na drie operaties door de oude dokter Thoen (what’s in a name) hoorde ik zijn assistenten zeggen dat hij een mirakel had verricht. Het ongeval was een beeld van wat mijn ziel was overkomen: ze was uit de hemel op aarde gevallen en onderuit gegaan. In het ziekenhuis maakte ik kennis met lijden en dood. Mijn eigen revalidatie was lang en pijnlijk. Zij was een beeld van wat me te wachten stond. Ik was schijnbaar moeiteloos van mijn geloof afgevallen, maar diep in mijn ziel had zich precies hetzelfde afgespeeld als in de turnzaal. Mijn spelende leven was bruusk afgebroken, ik kwam met een smak terecht in een duistere wereld zonder zin of betekenis, een wereld vol pijn en kwellingen, een wereld die geregeerd werd door het blinde toeval. Mijn voyage au bout de l’enfer was begonnen. 

Wat ik in de mis had beleefd, beleefde ik nu op school. De wetenschap was – samen met de sport – de nieuwe religie en opnieuw had ik geen idee waarover het ging. Ik begreep niet wat de man vooraan stond te vertellen, het ging mijn ene oor in en het andere weer uit. Wat vroeger een spel was geweest, kostte me nu de grootste moeite. Mijn schoolresultaten, die altijd uitstekend waren geweest, gingen in vrije val. Alles leek te vallen toen mijn puberteit begon, mijn hele leven brak in stukken. Maar net als mijn knie werd mijn schoolcarrière – middels verschillende ‘operaties’ – op miraculeuze wijze gered. Die knie speelde daar trouwens een beslissende rol in. Na het ongeval had de turnleraar mij aan mijn lot overgelaten. Uiteindelijk was het de tekenleraar die me naar huis bracht en me daar voor de deur achterliet, want er was niemand thuis. Toen de ernst van de situatie tot de schoolleiding doordrong, voelde ze zich waarschijnlijk schuldig en besloot me terug te betalen. Dat jaar kreeg ik de examenvragen op voorhand. 

Na bijna een jaar afwezigheid was ik blij eindelijk weer naar de academie te kunnen gaan, het enige lichtpunt in mijn leven. Toen de leraar me weer zag verschijnen, barstte hij in woede uit. Waar had ik in godsnaam gezeten? Waarom had ik hem niets laten weten? Mijn hart sprong op: ik betekende iets voor die man, ik was belangrijk voor hem! Zijn woedeaanval was het grootste compliment dat ik ooit had gekregen. Vanaf dat moment werd hij mijn leraar, degene die me met vaste hand doorheen de steeds dieper wordende duisternis van mijn leven zou leiden. Terwijl ik op school leugen en bedrog leerde kennen, was hij een toonbeeld van integriteit en waarheidsliefde. Hij leerde mij de kunst kennen en zij werd mijn nieuwe religie, de bron van alles wat goed, waar en mooi was in mijn leven. Ondanks haar strikte regels liet ze me volkomen vrij, want de regels werden me niet van buitenaf opgelegd, ze spraken uit de zaak zelf, de zaak die ik boven alles liefhad. De kunst werd mijn nieuwe Winketbrug, ze verbond buiten en binnen, hemel en aarde. 

De academie was gehuisvest in een nieuw gebouw dat eruitzag als een ziekenhuis. Het was dan ook bedoeld om in tijden van oorlog dienst te kunnen doen als hospitaal. Dit ‘academische’ ziekenhuis bevond zich op de plek waar vroeger een minderbroedersklooster had gestaan. Aan de ene kant werd het geflankeerd door de Sint-Romboutskathedraal, aan de andere kant door het Scheppersinstituut waar ik school liep. Religie, kunst en wetenschap lagen er vlak naast elkaar, alsof ze samenhoorden, maar ze werden wel gescheiden door twee straten. Ofschoon godsdienst me volkomen onverschillig liet, passeerde ik de kathedraal nooit zonder even stil te staan en vol ontzag omhoog te kijken naar de indrukwekkende Sint-Romboutstoren. ’s Zondags strooide hij zijn beiaardklanken uit over de academie, als om haar te zegenen. In mijn beleving was er dan ook geen tegenstelling tussen beide. De kathedraal was een kunstwerk, tekenen was een eredienst, en aan beide beleefde ik grote vreugde. 

Heel anders was het aan de andere kant. Daar keek ik in een duistere diepte vol kwellingen. Ondanks haar naam was er op mijn school geen ruimte voor kunst, alles stond er in het teken van wiskunde en wetenschap. Dezelfde dubbelzinnigheid vertoonde de Melaan, de straat die het school en academie van elkaar scheidde. Vroeger, in de tijd toen Mechelen er nog uitzag als een Brugge-in-het-groot, liep hier een van de vele reien die de stad doorkruisten. De Melaan was dus in feite een brede brug, maar desondanks werd het (onzichtbare) water tussen kunst en wetenschap steeds dieper. Een voorval illustreerde dat. Toen we op een dag na de examens de tijd zaten te doden in de klas, zag ik door het raam hoe de leerlingen van de academie aan de overkant toestroomden voor de proclamatie. Vol verlangen vroeg ik de toezichthoudende leraar of ik de straat mocht oversteken om mijn getuigschrift (en de felicitaties van de jury) in ontvangst te nemen. Maar daar kon geen sprake van zijn. 

Toen mijn leraar aan de academie vernam dat ik naar de universiteit zou gaan, schoot hij in de lach. Hij vond het een kostelijke grap, maar zei er verder niets over. Vlak voor ik zou vertrekken, sprak hij echter voor het eerst over zijn eigen leraar, die toen net gestorven was en wiens werk in het museum van Antwerpen tentoongesteld werd. ‘Als je eens iemand wil zien die het tekenen tot de uiterste consequenties heeft doorgedreven …’ Meer zei hij niet. Ik had de naam Jos Hendrickx nog nooit gehoord en dacht er verder niet over na. Ik had wel andere dingen aan mijn hoofd. Op school zat ik in een rollercoaster die me deed duizelen. Sinds mijn ongeval had men mij op alle mogelijke manieren door de examens gesleurd. Ik had het spel meegespeeld, maar uiteindelijk werd het me teveel. Tijdens de laatste examenperiode deed ik mijn mond nauwelijks open, de meeste vragen beantwoordde ik met een schouderophalen. De Broeders van Liefde kenden echter geen genade, ze dwongen me de rit tot het bittere eind uit te zitten.

Ten slotte brak de dag des oordeels aan. Op de achterste rij van een overvolle schoolkapel zat ik samen met mijn ouders te wachten op mijn doodvonnis. Ik had het eens nagerekend: meer dan 20 percent van de punten kon ik onmogelijk behaald hebben. En ik had besloten naar de universiteit te gaan! Wat een farce! Toen hoorde ik in de verte de directeur opeens trots verklaren dat dit jaar iedereen geslaagd was- een unicum in de schoolgeschiedenis! Ik dacht: waar hééft die man het over? Pas toen iedereen iedereen begon te feliciteren drong het tot me door: ik was geslaagd! Ik begreep er helemaal niks meer van. Drie jaar later zou me dat in Leuven nog eens overkomen. Toen kreeg ik een lachbui waar geen eind aan kwam, maar nu was ik als verdoofd. De zinloosheid en absurditeit van mijn bestaan waren ten top gestegen. De tegenstelling tussen school en academie, tussen wetenschap en kunst, tussen plicht en spel was nooit groter geweest. 

Met een zucht van opluchting trok ik de schoolpoort achter me dicht, maar tegelijk overviel me het besef dat ik er nu alleen voor stond. Voortaan zou ik het moeten doen zonder de – ondanks alles – vertrouwde omhulling van de school. De universiteit was dan ook gewoon een nieuwe omhulling waar ik naartoe vluchtte. Maar op de valreep ging ik eerst kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in Antwerpen. Het werd een verpletterende ervaring. Als een Sint-Romboutstoren rees deze machtige scheppende geest voor me op. Zijn monumentale tekeningen waren als kathedralen vol heilige stilte. Toen ik weer buitenkwam, zag de wereld er anders uit. Ik bekeek hem nu met de ogen van deze geniale tekenaar. De volgende dag had ik hoge koorts. Nierontsteking, constateerde de dokter en hij schreef me platte rust en een streng dieet voor. Zo bracht ik mijn eerste week in Leuven door: liggend op bed, starend naar vier witte muren, levend op beschuit en appelsap. Ik was 18 en bevond me in het hol van de leeuw.

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.