Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

De Verlosser van Tsjernobyl

  

(door Jens Mühling)

Toen het gebeurde heette Vader Nikolaj nog niet Vader Nikolaj. De zone heette nog niet de zone. Tsjernobyl heette Tsjernobyl, maar daarmee werd een stad bedoeld, geen catastrofe. God heette God, maar men noemde hem liever niet bij zijn naam.

Kernenergiecentrales doen aan splijting, daarvoor zijn ze er. Deze ene echter, in wiens schaduw vader Nikolaj leefde, en die Tschernobylskaja Atomnaja Elektrostanzija ‘Lenin’ werd genoemd, deze ene spleet alles: levenswegen, families, namen. En ook de tijd. Pas daarna wist men dat er ook een daarvóór was geweest.

Vader Nikolaj heette toen het gebeurde Nikolaj Jakuschin. Hij werkte in een coöperatie van landbouwmachines, hij was ingenieur. Een ingenieur weet hoe een kerncentrale functioneert. Heeft de kerncentrale een ziel? Hoe kan hij nu een ziel hebben, vroeg vader Nikolaj zich af, hij is immers zonder ziel gebouwd? Met zijn vlakke hand sloeg Vader Nikolaj op het stuur van zijn Opel, bouwjaar ’94. De Opel was oud, maar hij hield het nog steeds uit. Waarom? Omdat hij in Duitsland is gebouwd. Omdat hij met een ziel is gebouwd. ‘Wij’, zegt Vader Nikolaj, op de schoorstenen wijzend en op de elektriciteitsmasten en op de prikkeldraadpalen en op alle andere resten van de sovjet-tijd, ‘wij hebben 70 jaar lang gebouwd en gebouwd en gebouwd. Maar wij hebben dat zonder ziel gedaan.’

Tsjernobyl, voorjaar 2011. De sneeuw bedekt nog steeds de Noord-Oekraïensche laagvlakte, maar weldra zal hij smelten. Dan zullen de voetstappen weer verdwijnen en de bandensporen, die het stadje Tsjernobyl ingaan en er weer uit gaan. Maar dat zijn er niet veel. Vijfentwintig jaar geleden stak men een passer in een landkaart en trok men een cirkel. Al cirkelend sneed deze 4300 vierkante kilometer wereld van de rest van de wereld af. Drie concentrische cirkels met prikkeldraad omgeven het Niemandsland: de 30-kilometer-zone, de 10-kilometer-zone en de zone van de centrale. In het midden staat een sarcofaag. Hier ligt onder duizenden tonnen beton en staal begraven: blok 4, ontploft op 26 april 1986. Oorzaak van het ongeluk: menselijk falen.

De geigerteller geeft de zone een andere vorm. Minder geordend. Soms piept hij hysterisch, soms zoemt hij zachtjes, een patroon is er niet in te ontdekken. Er zijn dichtbij in de onmiddellijke omgeving van de reactor stille plekken, en er zijn andere veel verder weg liggende plekken, waar de teller ineens verschrikkelijk schril begint te gillen. De meest raadselachtige plek ligt een paar kilometer ten zuiden van de reactor aan het riviertje de Pripjat, tussen de eerste en de tweede ring van prikkeldraad, in de stad die de reactor zijn naam gaf. De stad Tsjernobyl zou van weinig betekenis zijn als de kerk er niet was geweest. Veertig meter hoog reikt de Kerk van de heilige Ilja naar de Oekraïensche winterhemel. Betreed men de kerk, dan verstomt de geigerteller. ‘Het is Gods huis’, zegt vader Nikolaj, ‘de straling dringt hier niet binnen’.

En dat is één van de vele wonderen.

De Jakoeschins waren een priesterfamilie. Nikolaj’s overgrootvader was in dienst van de Kerk van de heilige Ilja, Nikolaj’s grootvader eveneens. Tot de bolsjewieken kwamen. Zij hamerden op de kerkdeur en zeiden: ‘Houd op met bidden, vadertje, de mens heeft geen ziel.’ ‘Ja zeker wel’, zei Nikolaj’s grootvader, ‘de mens heeft een ziel, en die is onsterfelijk’. Toen sloten de bolsjewieken grootvader op in de gevangenis. Toen hij eindelijk vrijkwam was hij heel oud. Dat was zijn geluk. Hij stierf net vroeg genoeg om de zuiveringen door Stalin niet meer mee te hoeven maken. Er is nauwelijks een priester geweest die de terreur van de dertiger jaren heeft overleefd. 

De zoon van deze grootvader, Nikolaj’s vader, werd geen priester. De tijden waren er niet naar. Desondanks werd Nikolaj Januschkin wel gedoopt, heimelijk, thuis. Alle russisch-orthodoxen deden dat, want wie zijn kinderen in de kerk liet dopen, kon zijn baan verliezen. Toen Nikolaj werd geboren, kort voor het einde van de oorlog, was het godshuis gesloten, de plaatselijke kolchose gebruikte haar als graansilo. Zo leerde Nikolaj de kerk van zijn voorvaderen kennen: tot onder de koepel was zij met graan gevuld. Op het plafond verbleekte een bedrukte Christusfiguur, zijn handen meer afwerend dan zegenend naar de korenkorrels uitgestrekt.

Het stadje Tsjernobyl, in het Oekraïens Tsjornobyl genoemd, is oud, oeroud voor hedendaagse begrippen, ook al ziet men het haar niet aan. Er is geen enkel bouwwerk uit de tijd van haar grondvesting overgebleven, eerst werd het stadje door de Mongolen verwoest, later kwamen de Litouwers, de Polen, de Duitsers en tenslotte de Bolsjewieken. Tegenwoordig staan er naast de vierkante bouwwerken uit de Sovjet-tijd nog maar een paar houten huizen, waarvan er geen een ouder is dan tweehonderd jaar. Maar Tsornobyl werd in dezelfde tijd als Kiev gesticht en toen de grootvorst van Kiev zijn onderdanen liet dopen in het jaar 988, behoorden de mensen uit Tsjernobyl tot de eerste christenen van de slavische wereld. 

Wie dit verleden nog kon beleven in de toekomstroes van de Sovjet-Unie, die was niet verbaasd dat nu hier, in Tsjernobyl, duizend jaar na die slavendoop, de tijd aan haar einde kwam, zoals dat was voorzegd in de Apocalyps, het boek der Openbaring: ‘En de derde engel blies op zijn bazuin; en er viel een grote ster uit de hemel, die brandde als een fakkel. En hij viel op het derde deel van de waterstromen en op de waterbronnen. En de naam van de ster was Alsem. En het derde deel van de wateren werd tot alsem, en veel mensen stierven door de wateren omdat ze bitter waren geworden.’ Dit schreef Johannes in zijn Apocalyps hoofdstuk 8 vers 10 en 11. Alsem heet in het Oekraïens: Tschornobyl.

Het was een grauwe ochtend, de laatste ochtend vóór de Goede Week. Nikolaj Jakuschin was op weg naar de markt, hij wilde vis kopen voor de vastenmaaltijd. Toen zag hij uit Kiev grote kolonnes van auto’s in de richting van de kerncentrale rijden, met daarin soldaten, brandweermannen, doctoren en allemaal hadden ze gasmaskers op. De mensen ter plaatse stelden allemaal vragen, maar die werden door niemand beantwoord. Een oefening, dacht Nikolaj Jakuschin, het moet een oefening zijn. Uit de kerncentrale waaide een rookwolk omhoog. 

Op Paasmaandag, negen dagen na het ongeluk, werd Tsjernobyl geëvacueerd. Binnen een dag werd de stad tot weeskind. ‘Het is maar tijdelijk’, zei men tegen de mensen, maar dat geloofde niemand. De oudjes moesten met geweld in de bussen worden gehesen. ‘Waar is die straling dan’, vroegen zij, ‘waar hebben jullie het over, we zien niets!’ Soldaten deden de huizen op slot. Ze verzegelden de kerken. Een stilte spreidde zich uit over Tsjernobyl.

Christus strekte zijn bleke armen uit over het verlaten schip van de kerk. Tussen de planken van de vloer zochten de muizen naar resten van het graan. De wind droeg zaden door de gebroken vensters, onkruid overwoekerde het altaar. Op een dag kwamen er plunderaars. Op zoek naar oud metaal trokken zij door de zone en braken de verlaten huizen open. Zij knoopten een stalen kabel aan de vergrendelde kerkdeur en spanden die achter een tractor. De kabel brak. Het geknapte eind vloog door de lucht, zocht een doel en vond een zondaar. Eén van de plunderaars werd getroffen midden in het gezicht, hij zakte in elkaar, de anderen vluchtten weg. Iedereen in de zone kent het verhaal van de wraak van God.

Nikolaj Jakuschin was met zijn familie geëvacueerd naar Kiev. Af en toe keerde hij terug naar zijn geboorteplaats, dan stond hij voor de kerk en weende. De metalen koepel van de klokkentoren raakte los en wapperde in de wind. De wanden brokkelden af. Wilde zwijnen hadden het kerkhof omgewoeld, de grafkruisen staken scheef omhoog uit de omgewoelde aarde. Op een dag hield Nikolaj het niet meer uit. Hij ging voor de residentie van de bisschop van Kiev staan en wilde niet meer weggaan van die plek totdat de kerkoversten hem hadden aangehoord. ‘De kerk van mijn voorvaderen raakt in verval’, zei hij, ‘die kerk heeft een priester nodig.’ De oversten overlegden samen. Na een maand riepen ze Nikolaj weer bij zich. ‘We hebben gezocht’, zeiden zij, ‘maar wij hebben niemand gevonden. Niemand wil daarheen. Verplaats je zelf in de situatie van die priesters, jij zou je toch ook niet die zone in laten sturen?’ Zo kwam het dat Nikolaj Jakuschin vader Nikolaj werd.

Tien jaar is dat nu geleden. Een tijdlang overlapte zijn oude leven het nieuwe leven. Een ingenieur weet, hoe je een huis herstelt, ook als het een godshuis is. Vader Nikolaj bouwde een steiger. Hij deed een touw om zijn middel en voordat hij het kerkdak op klom maakte hij een kruisteken. De koepel richtte hij zelf weer op. Hij poetste de wanden schoon, zette er nieuwe ramen in, hij haalde het onkruid weg en beschilderde opnieuw de handen van het verbleekte Christusbeeld. Toen alles klaar was zette Vader Nikolaj een grote ikoon voor de achterwand van het altaar. Die ikoon kwam uit Kiev. Een van de opruimers, die na het ongeval door de smeltende centrale waren gekropen, had die laten schilderen. Op een nacht had de man een droom gehad, waarin hem de Verlosser was verschenen. De Verlosser wandelde op de wolken, de wolken zweefden boven de kerncentrale, een ster die alsem heette viel uit de hemel, en in haar licht verzamelden zich de doden en de overlevenden uit de zone. 

De man liet zijn droombeeld schilderen. De voorstelling werd een beetje onorthodox. In de ikonen-schilderingen komen geen gewone mensen voor, en al helemaal geen mensen met gasmaskers. De ikoon van ‘de verlossers van Tsjernobyl’ kreeg desondanks toch de zegen van de kerk, de metropoliet van Kiev wijdde de ikoon hoogstpersoonlijk in. Terwijl hij nog zijn gebeden sprak gebeurde het eerste wonder: een duif vloog dicht langs de beeltenis, bijna streken zijn vleugels langs de verlossers. Toen men het beeld enige tijd later met wijwater besprenkelde, werd de ikoon omgeven door een regenboog, die als een heiligen-aura om hem heen welfde.

Zo ging het verder, wonder na wonder, vader Nikolaj heeft tientallen getuigenissen verzameld. Draagt men de ikoon door de verregende stad, dan klaart de hemel op. Plaatst men haar in een kerk, dan vormt zich om de koepel heen een regenboog. Een verlamde, die vanaf zijn kindertijd zijn arm niet kon gebruiken, bad dagenlang geknield voor de beeltenis, tot hij zijn vingers kon bewegen. Vader Nikolaj is met de ikoon door de halve Oekraïne getrokken, van de Zwarte Zee, langs de Dnjepr, tot aan Tsjernobyl. Diezelfde weg had eens de slaven-apostel Andreas afgelegd. De ikoon bewerkstelligde overal wonderen. Ze hielp de mensen en uit dankbaarheid daarvoor hielpen de mensen vader Nikolaj. Met de roebels die men hem onderweg in zijn buidel wierp, renoveerde hij thuis zijn kerk. 

Toen de kerk gereed was, kwamen de mensen. Eerst kwamen ze uit nieuwsgierigheid, zei vader Nikolaj, niet omdat ze geloofden. Oude mensen waren het die kwamen, die terug waren gekeerd in de zone, om weer in de verlaten dorpen te wonen. Het waren mensen die niet aan straling geloofden of te oud waren om nog bang te zijn voor de dood. Ook kwamen er wachters, die men aan de zonegrens had neergezet. En er kwamen werkers van de centrale, die de wacht hielden bij de verwoeste centrale. Zij vroegen allemaal: ‘Vadertje wat doe je daar?’ ‘Ik bouw een huis’, antwoordde vader Nikolaj, ‘een huis voor God, opdat God naar Tsjernobyl terug kan keren.’ 

En Hij keerde terug.

‘Wie zich in de zone bevindt’, zegt vader Nikolaj, ‘die bevindt zich aan de rand van de dood. Hij heeft angst. Hij denkt na over het sterven, over het Daarna, over de Eeuwigheid. Zo komt God in zijn leven. Als de mensen de zone betreden, kan men van buiten aan hen zien, hoe het er van binnen bij hen toegaat.’ De mensen, die vader Nikolaj in de kerk bezochten, begonnen al gauw vragen te stellen. ‘Wat zal er met ons gebeuren, vadertje? Waarom is dit allemaal gebeurd? Worden wij door God gestraft? Zal hij ons vergeven? En als wij sterven, is het waar, dat onze zielen voortleven?’

‘In de zone’, zegt vader Nikolaj, ‘is momenteel geen enkele ongelovige’. Veel mensen beweren, dat het leven buiten de zone gevaarlijker is dan hier, binnen in haar. Vele mensen die weggetrokken zijn lijden aan ziektes waarvoor de wetenschappers geen namen hebben. ‘Stress’, zeggen de wetenschappers dan, ‘door emigratie veroorzaakte stress, tsjernobyl-stress.’ Veel mensen zijn gestorven aan deze stress, aan hartproblemen, longproblemen, bloedproblemen, hoofdproblemen. ‘Wij daarentegen’, zegt vader Nikolaj, ‘wij hier in de zone hebben een goede gezondheid. God de Almachtige zij geprezen. De oude mensen in de verlaten dorpen sterven, maar zij sterven door ouderdomszwakheid, niet aan ziektes.’ Daarbij drinken ze zelfs het water. Het water uit het riviertje dat langs de centrale stroomt. ‘Wij zegenen het water’, zegt vader Nikolaj, ‘en dan drinken we het’. Hij maakt een kruisteken over de besneeuwde band van ijs van het riviertje Pripjat, ‘In de naam van de Vader’, fluistert hij, ‘en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’

‘Je moet geloven’, zegt vader Nikolaj. ‘met wie gelooft, kan niets gebeuren’.

Vandaag, op de dag van de Opstanding, zal vader Nikolaj de russisch-orthodoxe paasliturgie zingen. Christus is opgestaan uit de dood. Hij heeft de dood overwonnen en de mensen in het graf weer leven gegeven. De hele nacht, tot aan het ochtendgloren zal vader Nikolaj voor de ikoon staan en roepen: ‘Christus is opgestaan!’ En een klein, maar hoorbaar koor zal antwoorden: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Twee dagen later, op 26 april om 1 uur 23, zal vader Nikolaj de treurklok luiden op het kerkhof. Dat doet hij elk jaar. 25 klokslagen zullen door de zone schallen, één voor elk jaar dat verlopen is. De wetenschappers zeggen dat het 20.000 jaar duurt, voor de mensen mogen terugkeren in de zone. Als de klokken weer verstommen, zullen dat er nog maar 19.975 zijn …

(Bron: http://www.alertgroepen.nl)

Corona (5)

  

Science is the belief in the ignorance of experts. (Richard Feynman)

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen miljoenen mensen stierven op het slagveld, werd er in Dornach getimmerd, gebeeldhouwd en geschilderd aan het Goetheanum. Ook tijdens de daaropvolgende katastrofe, toen nog veel meer mensen stierven aan de Spaanse griep, bleef Rudolf Steiner voordrachten geven over de wereld van de geest. Juist in deze tijden, zei hij, is het van belang dat we ons blijven concentreren op het antroposofische werk. Zowel de wereldoorlog als de epidemie waren volgens hem karmische gevolgen van het 19de eeuwse materialisme en zolang dat niet overwonnen werd, zouden de katastrofes elkaar blijven opvolgen. Daaraan moest ik denken tijdens het werken aan mijn beschouwingen over het ontwikkelen van een oog voor kunst. Hoe futiel lijkt het niet om je daarmee bezig te houden in tijden van corona-crisis! Maar kijk, tot mijn eigen verbazing stel ik vast dat mijn conclusies nauw aansluiten bij de huidige situatie waarin we ons blindelings overleveren aan ‘experts’ die de hele wereld op zijn kop zetten.   

Virologen, epidemiologen en bacteriologen buitelen over elkaar en overstelpen ons met hun expertise tot onze oren ervan tuiten. Niet alleen spreken ze elkaar tegen, maar ze veranderen ook geregeld van mening, een beetje zoals wijlen Jan Hoet, die de ene dag zonder verpinken het tegenovergestelde zei van wat hij de dag tevoor nog had beweerd. Het deed niets af aan zijn gezag of geloofwaardigheid, wel integendeel, hij werd op handen gedragen, net als griepcommissaris Marc Van Ranst vandaag. Deze laatste lijkt wel in quarantaine te zitten op de VRT en brengt zijn tijd door met de bevolking te vertellen wat ze moet doen en vooral niet mag doen. Volgens hem zal de toestand nog maanden duren en vallen de drastische maatregelen niet zomaar terug te schroeven. Niet alleen in ons land, maar in heel Europa, ja in de hele wereld zullen mensen nog een hele tijd ‘in hun kot’ moeten blijven en dat terwijl de zon schijnt en iedereen naar buiten wil. 

Zoals dat ook met de klimaatkwestie het geval was, heerst er grote eensgezindheid onder de experts. Tenminste, dat wordt ons voorgehouden. Wie echter een beetje rondkijkt op het internet weet dat die consensus een fabeltje is. Verschillende virologen, en heus niet de eerste de beste, beweren dat de hele corona-pandemie een hoax is, boerenbedrog dus. Ze wijzen er onder meer op dat het dodental niet hoger ligt dan andere jaren. Ieder jaar weer kost de griep het leven aan talloze mensen, meestal bejaarden. Het is een soort jaarlijkse lenteschoonmaak. Wat is er dit jaar dan anders? Vanwaar die wereldwijde paniekreactie? Verleden jaar bijvoorbeeld stierven wereldwijd 650 000 mensen aan de griep. In eigen land waren dat er een kleine drieduizend. Dat waren normale gemiddelden en geen haan kraaide er dan ook naar. Ondanks alle dramatische berichten staan we nog altijd ver van die cijfers af. Maar, waarschuwen de experts, dit is de stilte voor de storm, er zullen mogelijk miljoenen slachtoffers vallen! 

Twintig jaar geleden voorspelden experts dat half Europa vandaag onder water zou staan. Reden genoeg dus om sceptisch te staan tegenover ‘wetenschappelijke’ doemscenario’s. Eén ding is zeker: door luid alarm te slaan over een virus dat tot nog toe vrij onschuldig is gebleken, wordt een virus verspreid dat veel gevaarlijker is: angst. Volgens Rudolf Steiner is angst de beste voedingsbodem voor virussen en bacillen. Hoe angstiger mensen zijn, des te gemakkelijker worden ze geïnfecteerd. Dat zou dus betekenen dat de experts bevorderen wat ze menen te bestrijden. Ze creëren een vicieuze cirkel: hoe meer angst, hoe meer infecties, hoe meer infecties, hoe meer angst. Dat doet opnieuw de vraag rijzen: waarom jagen ze de mensen dit jaar zoveel angst aan en niet verleden jaar of de jaren daarvoor, toen er net zoveel slachtoffers vielen? Wat is het verschil? Is het na de klimaatexperts wellicht de beurt aan de virusexperts om ons de stuipen op het lijf te jagen met hun onheilspellende cijfers, tabellen en grafieken? 

Aan sommige experts, moeten we opnieuw zeggen, want er zijn er ook die beweren dat de remedie erger is dan de kwaal en dat de maatregelen die vandaag getroffen worden (veel) meer ellende veroorzaken dan het virus zelf. Denken we maar aan al die oude mensen die vandaag in eenzaamheid sterven, of aan jonge ouders die samen met hun kinderen opgesloten zitten in hun appartementje, of aan de economische gevolgen die dreigen de hele gezondheidszorg (en nog veel meer) in het gedrang te brengen. Maar, zeggen de experts, dat is de prijs die we moeten betalen om nog groter verschrikkingen te voorkomen! Dan hebben ze in Azië toch betere experts, want daar slagen verschillende landen erin het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken zonder dat ze daarvoor een lockdown nodig hebben. Jamaar, roepen de Europese experts, we kunnen de cijfers van die communistische landen niet zomaar geloven! Alsof kapitalistische cijfers wel betrouwbaar zijn en Marc Van Ranst geen communist is …

Wie bepaalt welke experts het voor het zeggen hebben? Net als in de klimaatkwestie wordt ook nu weer een hele groep deskundigen monddood gemaakt. Alleen de angstverspreiders mogen hun mening verkondigen. Dat ligt geheel in de lijn van wat de media nu al decennia lang doen: angst en tweedracht zaaien, afwijkende meningen doodzwijgen of belachelijk maken. Daar plukken we nu de vruchten van: de angst sleurt iedereen mee. Landen die een eigen aanpak voorstaan, worden gedwongen hun standpunt te herzien. Overal moeten individuele reacties wijken voor de grote, collectieve angstreactie. Krijgswetten worden afgekondigd, alsof het oorlog is. In Amerika kan gelijk wie opgesloten worden als hij ervan verdacht wordt virusdrager te zijn. Wie bij ons op voedingswaren hoest riskeert vijf jaar cel. In Indië dreigt men overtreders van het uitgaansverbod gewoon neer te schieten. Enzovoort, enzovoort. En dat alles wordt mogelijk gemaakt door experts die onafgebroken angst zaaien. 

Marc Van Ranst vertelt op televisie dat het nog wel het hele jaar zal duren voor de situatie weer normaal is. Hij vertelt ook dat het virus terug zal keren. Dat betekent dat we volgend jaar weer hetzelfde zullen meemaken en dat de angst dus permanent zal worden. Tenzij er een vaccin wordt gevonden (Marc Van Ranst werkt nauw samen met Johnson & Johnson). Maar vaccins verzwakken het immuunsysteem, ze maken de mens kwetsbaarder en de virussen derhalve gevaarlijker. Het beste voorbeeld zijn de mazelen, een onschuldige kinderziekte die (onder meer) door massale vaccinatie vandaag levensbedreigend is geworden. De roep om een universeel vaccin zal na de corona-epidemie dan ook luider klinken dan ooit. Wellicht wordt dat het geneesmiddel dat Rudolf Steiner voorspelde en dat de mens van bij zijn geboorte zou afsnijden van de geest. De vicieuze cirkel zal dan helemaal rond zijn, want juist dit afgesneden-zijn van de geest is de grondoorzaak van de huidige crisis. 

De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesloten in een gevangenis die ze zelf bewaakt. Men moet het maar eens wagen de nieuwe regels in vraag te stellen: onmiddellijk wordt men er door zijn medemensen van verdacht een gewetenloze egoïst te zijn, een gevaar voor de anderen, een corona-terrorist. Angst maakt mensen volgzaam op een agressieve manier: ze beginnen elkaar te controleren, ze dwingen elkaar in de pas te lopen. Het politiek-correcte bewind waaronder we al zolang leven, is een angstbewind. Het heeft het pad geëffend voor de huidige angstepidemie en die effent op haar beurt het pad voor nog meer angst, nog meer eenheidsdenken, nog meer controle. Tenzij we van de gelegenheid gebruik maken om die vicieuze cirkel te doorbreken. Maar dan komen we een nog diepere angst tegen: de angst voor de geest. Daar vinden de corona-angst, de politiek-correcte angst en de vele andere moderne angsten hun oorsprong. Nergens is de moderne mens zo bang voor als voor de geest.

Die angst kunnen we goed waarnemen in de kunst. Gevaar voor virale besmetting bestaat hier niet, want onze relatie met kunst is zuiver geestelijk: we kijken of luisteren ernaar, meer niet. Toch heerst in de kunstwereld precies hetzelfde angstklimaat als elders, met dat verschil dat het hier al zo gewoon is geworden dat we niet eens meer beseffen hoe bang we zijn, bang om zelf te kijken, bang om zelf te voelen, bang om zelf te denken. We durven niet meer oordelen over kunst omdat we geloven dat alleen experts kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. Dat blinde geloof bepaalt heel onze omgang met kunst. Experts bepalen wat we te zien krijgen en hoe we erop moeten reageren. Zij hebben de rol van ons Ik overgenomen, een Ik dat verlamd is van angst voor de geest en zelfs niet meer durft te protesteren als het de grootste rotzooi te slikken krijgt. We leven in een angstcultuur en we beseffen het niet. Integendeel, we zijn er trots op en reageren agressief tegen al wie onze angst niet deelt.

Maar hoe kunnen we nu bang zijn voor iets waar we niet meer in geloven? Heeft ons materialisme ons niet juist bevrijd van vele irrationele angsten? Niemand is vandaag nog bang voor spoken, demonen en andere kwelgeesten. Althans niet bewust. Want onbewust gaan we allemaal over de drempel en nemen we weer geestelijke wezens waar. De angst die ze ons aanjagen projecteren we op de fysieke wereld, op onze medemensen of op virussen waarmee we de strijd aanbinden. Maar die strijd dient alleen om onze angst voor de geest te verdoven. In die zin zouden we de huidige angst-pandemie kunnen zien als het gevolg van een collectieve opstoot van onbewuste helderziendheid. Zonder het te beseffen ‘zien’ we een geest die ons de stuipen op het lijf jaagt. En wie kan dat anders zijn dan Ahriman, die op het punt staat zijn gezicht te tonen? Het corona-virus is dan ook een wake up call. We moeten onze ogen openen voor de geest die ons zoveel angst aanjaagt, anders komen we in een spiraal van geweld terecht.

Maar hoe doen we dat? Hoe ontwikkelen we een oog voor Ahriman, voor de geestelijke dimensie van de corona-epidemie? Het antwoord luidt: op dezelfde manier als we een oog voor kunst ontwikkelen. Want in de kunst slaan we geen acht op de materie, we vragen ons niet af welke verf, welke olie of welke pigmenten de schilder gebruikt heeft (tenzij we een expert zijn). We richten onze aandacht enkel op het beeld dat door deze materialen zichtbaar wordt. Daar ligt het wezen van het kunstwerk en het heeft geen zin om het elders te zoeken, bijvoorbeeld aan de achterkant van het schilderij, want daar is niets te zien. Ook de gedachten en bedoelingen van de kunstenaar kunnen we niet zien, dus daar houden we evenmin rekening mee. We kijken enkel en alleen naar het kunstwerk, naar het – in wezen geestelijke – beeld dat aan ons verschijnt. Tenminste, zo deden we dat vroeger, want sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, kijken we niet meer naar beelden, we luisteren enkel nog naar de woorden van (materialistische) experts.

De ooit zo vanzelfsprekende fenomenologische benadering van kunst – waarbij we ons enkel baseren op wat we waarnemen – is vervangen door een blind geloof in experts die ons, op grond van hun vermeende helderziendheid, vertellen wat we moeten zien, wat we moeten denken en wat we moeten voelen. Trekken we hun alwetendheid in twijfel en proberen we ons zelf een oordeel te vormen, dan is verontwaardiging ons deel: wie denken we wel dat we zijn! De kunstexperts dwingen hun gezag af door middel van angst en niemand durft tegen hen in te gaan. Die geestelijke lafheid is inmiddels een tweede natuur geworden zodat niemand in de kunstwereld zich nog realiseert hoe bang hij wel is. Immers, wie niet durft te verroeren, voelt niet dat hij verlamd is van angst. Hij verkeert in de mening dat er niks aan de hand is, en de gedachte dat er angst heerst in de kunst komt hem bespottelijk voor. De kunst is in zijn ogen juist een wereld waar iedereen zich bevrijd heeft van de angst, een wereld die moedig voorop loopt, een avant garde

We staan vandaag voor de keuze: ofwel geven we toe aan de angst en kiezen we voor een wereld vol geweld – medisch geweld, politiek geweld, sociaal geweld, militair geweld – ofwel overwinnen we die angst en openen we onze ogen voor de geest. Dat laatste doen we door de wereld fenomenologisch te benaderen, dat wil zeggen op dezelfde manier waarop we dat in de kunst doen. Maar daar komen we opnieuw voor de keuze te staan: laten we ons intimideren door de hedendaagse kunst en haar leger van experts of kiezen we voor de klassieke kunst en haar fenomenologische benadering van de werkelijkheid? Pas wanneer we dat laatste doen, ondervinden we hoe groot onze (geestelijke) angst is. Want ofschoon we volkomen vrij zijn, waagt niemand het om deze keuze te maken. We zijn als de dood voor de reactie van de experts en hun volgelingen, voor hun woede en verontwaardiging, voor hun spot en hun minachting. We zijn verlamd van angst voor de geest die door hen spreekt. 

Na de War on Drugs, de War on Terror en de War on CO2, is vandaag de War on Virus uitgebroken. Het zal de laatste niet zijn. We zitten gevangen in een spiraal van geweld waar geen eind zal aan komen tenzij we ons bewust worden van de bron van al dat geweld: onze angst voor de geest. Die angst voelen we pas wanneer we geestelijk in beweging komen, wanneer we zelf beginnen kijken, zelf beginnen voelen, zelf beginnen denken. Door ons blinde geloof in te ruilen voor vertrouwen in onszelf krijgen we de ware – ahrimaanse – aard van de experts te zien. Want zij dulden geen tegenspraak, zij dulden geen twijfel aan hun (geestelijke) gezag. Het zijn dus geen wetenschappers en het zijn evenmin kunstenaars, het zijn magiërs die de wetenschap en de kunst gebruiken om ons steeds dieper in slaap te brengen zodat ze met ons kunnen doen wat wij met de dieren doen. Het enige wat we tegen die verdierlijking kunnen doen, is wakker worden, geestelijk in beweging komen, zelf aan kunst en wetenschap doen.      

Corona (4)

  

Omdat lachen gezond is: Koen Meulenaere

Kaaiman krijgt dezer dagen bezorgde mails van zijn vele vrienden in Noord-Korea. ‘Kameraad, is het juist dat er bij jullie een regering is die maar 26 procent van de kiezers vertegenwoordigt, het parlement heeft afgeschaft, regeert per oekaze, een samenscholingsverbod en een avondklok heeft ingevoerd, burgers verbiedt om ook overdag buiten te komen, oude mensen wegsteekt in detentiehuizen waar zelfs hun kinderen niet meer binnen mogen, niet toelaat verder dan één kilometer te fietsen, restaurants en cafés en scholen en universiteiten sluit, de toegang tot recyclageparken blokkeert, verhindert om met vakantie of naar de kust te gaan, uw huizen binnenvalt, en communie- en andere privéfeesten buiten de wet stelt? Wij dachten dat dat fake news was, maar we beginnen te twijfelen. Hoe zit dat? Antwoord asap.’

Wij sturen dan een boodschap terug, gecodeerd want je weet steeds minder wie allemaal meeleest: ‘De uil zit in de perenboom. Op de heide waait de wind. En de boter, die is er zo diere.’ Dan weten ze ginder genoeg: het is waar. Toen dat werd doorgegeven via de vele echelons van de partij, werd onze mailbox overstelpt. ‘Klopt het dat jullie geen toiletpapier meer kunnen kopen en dat de keukenrollen gerantsoeneerd zijn?’ ‘Zijn de citroenen op?’ ‘Is het echt mogelijk dat jullie kapitalistisch systeem niet bij machte is om doekjes met een elastiekje te produceren?’ ‘Is jullie geldbeluste farmasector niet bekwaam een pil tegen een griepje te draaien?’ ‘Mogen jullie geen optochten van meer dan 2 miljoen mensen meer houden?’ ‘Zijn de play-offs afgeschaft?’ ‘Gaat de Ronde van Vlaanderen niet door?’

Zodra ze aan de hand van onze cryptische antwoorden ontsluierd hadden onder wat voor dictatoriaal regime wij hier kreunen, kwam de spreekwoordelijke internationale solidariteit van het proletariaat snel op gang. ‘We sturen wc-rollen, extra strong.’ ‘Conserven onderweg.’ ‘Hierbij doos witloof.’ ‘Om verveling tijdens gevangenschap te verdrijven, ingesloten de roman ‘Wat Stalin echt heeft gezegd’.’   

Een kameraad met een hoge functie op het ministerie van Defensie liet weten dat hij zijn netwerk, 18 miljoen soldaten, zal mobiliseren voor een briefschrijfactie naar Amnesty International. ‘De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties moet van dit schandaal horen’, sloot hij zijn bericht af. Toen wij terugseinden dat België deel uitmaakt van de Veiligheidsraad, begrepen ze er in Pyongyang helemaal niets meer van. Een zeer hoog geplaatste besliste dat het tijd was om de hoogst gerespecteerde leider zelf op de hoogte te brengen.

Kim Jong-un barstte eerst in lachen uit, Noord-Koreanen staan bekend om hun humor. Maar toen ook hij inzag dat het niet om een grap ging, nam hij een rode telefoon en belde het hoofd van zijn nucleairerakettendivisie: ‘Geraken we al tot in Brussel?’

Houdt dus moed, gij allen. Hulp is onderweg. En komt zoals gebruikelijk van boven.

Corona (3)

  

Corona (2)

  

Omdat het al zolang geleden is: Koen Meulenaere

Carpoolen moesten we doen,met vijf in een Berlingo. En dicht bij elkaar gaan wonen, onderwees opperbouwmeester Leo Van Broeck, liefst in een kangoeroe­woning met alle generaties samen. De eerste die het deed, de Heilige Hilde uit Torhout, zit al weken in quarantaine te hoesten.

Zou de ziekenhuisbacterie nog bestaan? Daar hoor je niet veel meer van. Nu is die seriemoordenares altijd wel doodgezwegen door ziekenhuisdirecties, die anders hun winkel konden sluiten, maar God weet heeft ze geen zelfmoord gepleegd. Of euthanasie. Wat gebeurt als een corona­virus een blind date heeft met een ziekenhuisbacterie? In een van die deprimerende hospitaalgangen die overal door dezelfde boosaardige architect ontworpen lijken. Komen daar kindjes van? Of wie eet wie op? In dat geval kunnen we de ene kweken om de andere te vernietigen. Beter één vijand dan twee, hebben tal van overmoedige veldheren ondervonden.

Er zijn ook geestige aspecten aan deze crisis. Wij kennen iemand die bij een bedrijfsherstructurering op zijn 61ste werd ontslagen. Kreeg twee jaar salaris uitbetaald en viel dan terug op een werkloosheidsuitkering. Zat al drie jaar thuis toen de VDAB hem in februari meldde dat ze een job hadden gevonden en dat hij moest gaan werken. Drie weken later brak de coronahel los en mócht hij niet meer gaan werken. Waardoor hij terug thuiszit in tijdelijke werkloosheid, met een hogere uitkering dan anderhalve maand geleden. Bij elk bericht over een mogelijk vaccin slaat de schrik hem om het hart.

In De Tijd stond een artikel over een Antwerpse professor die coronapatiënten twee uur per dag in de oven wil steken! Zoals Hans, uit ‘Hans en Grietje’. Naar verluidt een Duits idee, tja. Bedoeling is het lichaam op te warmen tot 42 graden, want zoals men weet kan een virus nog minder tegen de hitte dan een Eskimo. De professor hoopt zo snel mogelijk groen licht te krijgen van de Europese Unie, en nog sneller subsidies. Zonnebankcentra en saunaconstructeurs kijken verwachtingsvol toe.

En zo zoekt iedereen op zijn manier naar een middel om dat gele gevaar te stoppen. De een test pillen tegen malaria uit, een ander probeert het met antiroestspray, het schijnt dat bepaalde soorten boschampignons ook helpen, en in de donkerte van zijn eigen lab is Kaaiman volop bezig met het ontwerpen van een lasergestuurde coronadetectorpen. Dat in afwachting dat zijn kweeklama’s groot genoeg zijn, en dat de twee die donderdag ontsnapt zijn worden teruggevonden. Het probleem is dat wij niet weten of het uitgerekend de twee zijn die we met het virus hadden geïnfecteerd om antilichamen op te wekken. We waren nog van plan een kruis op hun rug te schilderen, zoals je soms bij schapen ziet, maar we hadden geen verf en corona had Colora gesloten.

Ziet u twee verwilderde lama’s ronddraven, mail ons. Maar houd anderhalve meter afstand. Van de lama’s. Dat was vroeger ook al aangewezen.

Een oog voor kunst (5)

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De oude, klassieke kunst moet gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Willen we voor deze kunst een oog ontwikkelen, dan moeten we alle gedachten weren en alleen ons gevoel laten spreken. Voor de nieuwe, hedendaagse kunst geldt het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst met andere woorden zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware stil is blijven staan, waar ze tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Om deze ‘gewijde’ ruimte te kunnen betreden, moeten we ons verstand het zwijgen opleggen en kritische vragen achterwege laten. Alleen eerbied en bewondering horen hier thuis. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit ‘gewijde ruimten’ en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte benaderd moest worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en in dit geval is dat jammer, want De Man in de Stoel valt heel goed rationeel te benaderen. Meer zelfs, het schilderij vraagt erom, het is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de mysterieuze betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze elkaar aanvullen. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de oude kunst een uitzondering was, is in de nieuwe kunst de regel: ze spreekt zowel het gevoel als het verstand aan. De hedendaagse kunst lijkt zich dus veel beter dan de klassieke te lenen om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een gewijde ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in onze houding tegenover dit feit, niet in het feit zelf (dat juist niet verandert). Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wekt vandaag bewondering en wordt beschouwd als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is helemaal veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder erbij na te denken. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens, kunst en wetenschap vormden gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds aan het eind van de 19de eeuw duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. De ingrijpende omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt inderdaad het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Vandaag wordt deze ‘wetenschappelijke’ visie algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie die zich in de afgelopen eeuw heeft voltrokken. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan zijn woorden en wie er vandaag nog durft aan te twijfelen, wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel aanvaard werd. Het was alsof men zat te wachten op een held die de klassieke (waarnemings)kunst zou neerslaan en haar vervangen door een ‘geloofskunst’. De nieuwe, hedendaagse kunst veroverde dan ook in geen tijd de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Die verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Bewonderde men in de klassieke kunst wat men zelf kon zien en beoordelen, dan berust de verering voor de nieuwe, hedendaagse kunst op geloof in de autoriteit van mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen hun bewering staven? Geenszins. Waarop berust hun gezag dan? Waarom worden ze geloofd, ondanks het groteske van hun statements? Omdat ze zich gedragen als helderzienden, als ingewijden die de geestelijke dimensie van kunst kunnen waarnemen. Hun (voorgewende) hogere waarnemingsvermogens vormen de basis van een wereldwijde geloofsgemeenschap, een internationale kunstkerk waar ieder weldenkend en vooruitstrevend mens deel wil van uitmaken. Maar waarom wil de moderne mens zo graag lid zijn van deze kerk? Omdat het nieuwe geloof appelleert aan iets dat diep in zijn ziel leeft. En wat kan dat anders zijn dan het (onbewuste) verlangen naar de geest, de geest die geboren wordt wanneer kunst en wetenschap zich verenigen?

Wie kunst en wetenschap heeft, die heeft ook religie, aldus Goethe. De hedendaagse kunst is het beste bewijs van die waarheid: door zich te verbinden met de wetenschap heeft deze kunst een wereldwijde religie doen ontstaan. Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’, doet hij hetzelfde als de katholieke priester die een stuk brood zegent en verkondigt: ‘dit is het lichaam van Christus’. Ofschoon de kerkgangers alleen een stukje brood zien, betuigen zij het de allergrootste eerbied. Ook de hedendaagse kunstgelovigen buigen eerbiedig het hoofd voor het getranssubstantieerde stukje materie dat opeens geen ordinaire pispot meer is maar het lichaam van een nieuwe god. Om het even wat kan veranderd worden in het lichaam van deze god, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. En iedereen kan dit magische ritueel uitvoeren, iedereen kan priester worden in de nieuwe godsdienst: Jeder Mensch ein Kunstler

Op deze ‘kunstgod’ zat de mensheid te wachten toen in 1917 zijn profeet Marcel Duchamp verscheen en de wereld veroverde met de blijde boodschap dat alles kunst was als men het maar hard genoeg geloofde. Een beetje antroposoof begrijpt dat het de wederkomst van Christus is die voorvoeld werd in de kunst en die ertoe leidde dat de kunst zich verbond met de wetenschap. De wetenschap verbond zich van haar kant ook met de kunst: ze deed dat in de antroposofie van Rudolf Steiner. De conclusie ligt voor de hand: hedendaagse kunst en geesteswetenschap zijn voor elkaar geboren, ze vormen elkaars complement. In de mate dat ze samenwerken ontwikkelt de mens een oog voor Christus. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de hedendaagse kunst in groot aanzien staat in de antroposofische wereld en dat met name Joseph Beuys als een lichtend voorbeeld wordt beschouwd. Hedendaagse kunstenaars verkondigen immers op hun manier dezelfde christelijke boodschap als de antroposofie.

Tenminste, zo lijkt het. Want hoe mooi het plaatje ook klopt, er rijzen toch enkele vragen. Als de hedendaagse kunst inderdaad het spiegelbeeld is van de antroposofie, hoe komt het dan dat zij een doorslaand succes is geworden, terwijl de antroposofie een marginaal verschijnsel is gebleven? Hoe valt het blinde geloof dat van de hedendaagse kunstliefhebber wordt geëist, te rijmen met de aanmaning van Rudolf Steiner om vooral niet te geloven wat hij zegt, maar alles zelf te onderzoeken? Hoe strookt het blasfemische karakter van de hedendaagse kunst met de diepe eerbied die de antroposofie koestert voor het geestelijk verleden van de mens? Hoe kan men een kunst christelijk noemen die van bovenaf wordt opgelegd, geen enkele kritiek duldt en hard optreedt tegen ketters, een kunst die gepropageerd wordt door de machthebbers en verafschuwd door het gewone volk? En hoe waarschijnlijk is het ten slotte dat de inzichten van de geesteswetenschap in beeld worden gebracht door pispotten en kakmachines? 

Het vermoeden rijst dat hier iets niet klopt en dat de hedendaagse kunst wel eens een koekoeksjong zou kunnen zijn dat in het nest van de kunst werd gedropt en groot is geworden door zich te voeden met het blinde verlangen van de moderne mens naar de geest. Dat vermoeden wordt bevestigd door Rudolf Steiner, uit wiens esthetica duidelijk op te maken valt dat de hedendaagse kunst precies het omgekeerde is van wat kunst in wezen is. Wat iedere rechtgeaarde kunstliefhebber in zijn hart voelt – en wat bevestigd wordt door nuchter nadenken over de zaak – is dat de hedendaagse kunst één groot bedrog is, een bedrog van apocalyptische dimensies. Want wat erdoor verhinderd wordt is de vereniging van kunst en wetenschap die in het menselijk bewustzijn de ‘religieuze’ schaal moet vormen waarin de etherische krachten van de wedergekomen Christus ontvangen worden, de krachten die de wereld nodig heeft om zich weer op te richten uit de dood. 

Wie een oog wil ontwikkelen voor kunst, dat wil zeggen voor de geest in de materie, moet de hedendaagse kunst radicaal afwijzen. Doet hij dat niet, dan wijst hij de klassieke kunst af, want het hedendaagse koekoeksjong duldt geen andere jongen naast zich. De intellectuele benadering die het voorstaat maakt de mens blind voor kunst, alle kunst, ook de hedendaagse kunst zelf. Want de moderne mens kijkt niet echt naar hedendaagse kunst, hij legt de gevoelens die ze oproept het zwijgen op, en hij denkt er ook niet over na. Hij geeft zich gewoon over aan het oordeel van zelfverklaarde experten die hem zeggen: dit is kunst omdat ik het zeg! Op die manier laat hij zich de meest groteske en vernederende dingen in de maag splitsen zonder zich ook maar één moment af te vragen waarop hun oordeel berust. Hij neemt het gewoon over uit angst de culturele verdoemenis over zich af te roepen en uit de nieuwe geloofsgemeenschap te worden gestoten. Liever dan alleen te komen staan en zelf te leren kijken, voelen en denken, verkoopt hij zijn ziel aan de duivel. 

Corona

  

Een oog voor kunst (4)

  

De vraag hoe je een oog ontwikkelt voor kunst is in wezen dezelfde als de vraag hoe je een oog ontwikkelt voor de geest. Want een oog-voor-kunst is geen fysiek oog dat ziet wat er bijvoorbeeld op een schilderij staat, het is een innerlijk oog dat ziet wat dat schilderij tot een kunstwerk maakt. Het is een zintuig voor de geestelijke dimensie van kunst, voor datgene wat door fysieke ogen niet kan waargenomen en door het verstand niet bewezen of begrepen kan worden. Het is met andere woorden een geestelijk oog, maar dan wel een geestelijk oog dat niet kan bestaan zonder fysieke ogen. Wie blind is voor de materiële dimensie van kunst – wie geen schilderij kan zien of geen muziek kan horen – kan ook de geestelijke dimensie ervan niet waarnemen. In de kunst geldt: geen geest zonder materie. Het fysieke, zintuiglijke waarnemen is hier voorwaarde voor het geestelijke, bovenzintuiglijke waarnemen. Een oog voor kunst is dus geen oog voor de zuivere geest, het is een oog voor de geest in de materie. 

De wereld van de zuivere geest werd definitief voor ons afgesloten door de komst van Christus, de geest die afdaalde in de materie en verklaarde: niemand komt tot de Vader dan door mij. Hij deed de vijgeboom – symbool van de oude helderziendheid – verdorren en werd zelf de poort waardoor we voortaan de geestelijke wereld binnengaan. Als we dat tenminste willen, want we moeten ervoor kiezen, we kunnen alleen uit vrije wil de ogen openen voor Christus. Het waarnemen van de geest-in-de-materie is ons niet gegeven zoals de oude helderziendheid dat was. Het moet ontwikkeld worden vanuit de zintuiglijke waarneming van de materie. Die ontwikkeling is vrij, maar niet vrijblijvend, want sinds het einde van het Kali Yuga wordt onze oude helderziendheid weer wakker, en ze leidt ons weg van Christus, recht in de armen van de tegenmachten. We moeten dus kiezen tussen twee vormen van helderziendheid: de christelijke (die ons omhoog leidt) en de antichristelijke (die ons omlaag leidt, de onderwereld in). 

We gaan vandaag over de drempel en we zouden geen vrije mensen zijn als we dat niet op twee manieren konden doen: via Christus of via de tegenmachten. Voor de christelijke manier moeten we bewust en vrijwillig kiezen, voor de antichristelijke manier hoeven we helemaal niet te kiezen, dat gaat vanzelf. Om Christus waar te nemen moeten we ons inspannen, om in de greep van de tegenmachten te raken, volstaat het dat we ons laten meedrijven met de stroom. Wat er in dat laatste geval gebeurt, zien we vandaag overal: we verliezen ons verstand, we worden langzaam maar zeker met waanzin geslagen. Het is echter geen fysieke waanzin die ons treft (als gevolg van het slecht functioneren van onze hersenen), maar geestelijke waanzin (als gevolg van het niet wakker en actief worden van onze geest). En wat deze ziekte zo gevaarlijk maakt, is dat we er ons niet bewust van zijn. Integendeel, we zien ze als een teken van geestelijke gezondheid, als een vorm van hoger bewustzijn.

De oorzaak van deze waanzin ligt in de desintegratie van onze ziel bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Denken, voelen en willen komen los van elkaar en gaan ieder hun eigen gang. Ze onttrekken zich aan de controle van ons Ik en plaatsen ons voor de keuze: ofwel proberen we onze losgeslagen zielevermogens weer in het gareel te krijgen, ofwel laten we ze in handen van de tegenmachten vallen. Deze laatsten blazen onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen op tot karikaturen en creëren in onze ziel een chaos waarin ons Ik zich niet langer kan handhaven. We worden als het ware uit ons eigen huis gedreven en de tegenmachten nemen het in bezit. We raken met andere woorden ‘bezeten’, maar dat beseffen we niet want ons Ik is buitenspel geplaatst. We kunnen geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad, en identificeren ons steeds meer met de nieuwe, antichristelijke geest die onze ziel bezet houdt en die ons in de waan brengt dat we superieure wezens zijn. 

Deze superioriteitswaan verspreidt zich momenteel als een epidemie over de hele wereld, want we gaan allemaal over de drempel en komen daarbij allemaal voor de keuze te staan: blijven we baas in eigen ziel of ‘verkopen’ we onze ziel aan de duivel? Dat dringt echter niet tot ons door en we kiezen, al naargelang van onze natuur, voor de spirituele Lucifer of voor de materiële Ahriman, die ons meesleuren in hun onderlinge strijd en ons in de waan brengen dat het de (goede en noodzakelijke) strijd tegen de draak is. We denken dus te kiezen tussen goed en kwaad, maar in werkelijkheid kiezen we tussen twee kwaden – de links-idealistische Lucifer en de rechts-materialistische Ahriman – waardoor we in de greep raken van de vernietigende wil die beide bezielt. Door ons over te geven aan de machts- en superioriteitsroes die ze in onze ziel wekken, beginnen we in naam van het goede een nietsontziende strijd tegen het goede, tegen ons eigen Ik, tegen alles wat christelijk is.

Deze zelfvernietigende strijd is de keerzijde van de scheppende strijd die we moeten voeren om oog te krijgen voor Christus, en dat is de strijd om juist niet te kiezen tussen Lucifer en Ahriman maar beide tegenmachten in evenwicht te houden. Want we hebben ze allebei nodig om een zintuig voor Christus te ontwikkelen: Ahriman opent onze ogen voor de materie en legt aldus de grondslag voor het waarnemen van de geest-in-de-materie, terwijl Lucifer het verlangen wekt naar de geest. We mogen ze uiteraard niet hun eigen gang laten gaan, want dan raken ze slaags en veroorzaken in onze ziel een chaos van haat en geweld die ons blind maakt voor het christelijke midden. Alleen een Steigerung van beide tegengestelde krachten kan ons de ogen openen voor Christus en beletten dat we zonder het te weten voor de Antichrist kiezen. Daarom moeten Lucifer en Ahriman uit elkaar worden gehouden, ze mogen zich onder geen beding met elkaar vermengen, want dan sleuren ze ons mee in hun waanzin.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel ontwikkelen we een oog voor Christus, ofwel worden we blind voor Christus. Dat laatste is het ergste wat ons kan overkomen, want als we de wederkomst van Christus ‘verslapen’, aldus Rudolf Steiner, zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen. We moeten dus kost wat kost een ‘etherisch oog’ ontwikkelen, een oog voor de etherische wereld waarin Christus verschijnt. Een belangrijker en dringender opgave bestaat momenteel niet. En hier betreedt de kunst het toneel, want zij maakt de etherische dimensie van de werkelijkheid zichtbaar. Zij legt de etherische levens- en vormkrachten vast in de materie en stelt ons daardoor in staat er een zintuig voor te ontwikkelen. Dat gebeurt op exemplarische wijze in de filmkunst, die met zijn bewegende beelden en in elkaar vloeiende kunstvormen een uitgesproken etherisch karakter heeft. Maar we leren hier ook de keerzijde van de medaille kennen: de etherische wereld wiegt ons in slaap.

Door de verbinding met de materie ‘sterft’ de geest: hij wordt door de kunstenaar bij wijze van spreken gedood en in zijn graf gelegd. Maar daaruit kan hij door de kijker weer worden opgewekt. Dit Stirb und Werde van de geest is in wezen een Offenbares Geheimnis, een openbare mysteriehandeling. In de kunst gebeurt dus in het klein wat vandaag in het groot gebeurt: de mens gaat over de drempel, hij wordt ingewijd. Vroeger was die inwijding streng voorbehouden aan uitverkorenen, maar vandaag gaat iedereen over de drempel: we betreden allemaal de grafwereld van de inwijding en de kunst, en vallen daar ‘in slaap’. We doen dat echter als vrije mensen, wat betekent dat het van onszelf afhangt of we wakker worden in die inwijdingsslaap en de ogen openen voor de geest-in-de-materie die zich daar manifesteert. Doen we dat niet en blijven we slapen, dan kunnen we Christus niet onderscheiden van de tegenmachten die ons de onderwereld binnenloodsen. 

Sinds het aflopen van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw onze materiële wereld binnen en maakt er een inwijdingsplek van, een ‘grafwereld’ waar een zelfde ‘etherische’ sfeer heerst als in de kunst. Daar zijn we ons echter niet van bewust. We beseffen niet dat de moderne wereld een mysterieplaats is geworden waar we ons instinctief op dezelfde manier gedragen als in de kunst: ons overgevend aan de schone schijn, onderduikend in beelden en gevoelens die ons kritische verstand uitschakelen. We zijn ‘geestdronken’ maar voelen ons nuchterder en wakkerder dan ooit. Met nauw verholen misprijzen kijken we neer op onze ‘domme’ voorouders die nog in sprookjes geloofden, overtuigd als we ervan zijn de wereld – eindelijk – te zien zoals hij is. Geen moment komt het in ons op dat wij de slaapwandelaars zijn, de dromers die alles geloven wat hen voorgehouden wordt en geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad. We beseffen niet dat we in het duister tasten en op grote schaal misleid worden. 

Dit dromende inwijdingsbewustzijn maakt ons tot puppets on a string die in de waan verkeren vrij te zijn maar in werkelijkheid precies doen wat de antichristelijke puppetmaster van hen verlangt. Het probleem is dat we niet zomaar wakker kunnen worden uit deze ‘inwijdingsslaap’, want dan gebeurt hetzelfde als wanneer we in de bioscoop tijdens een film om ons heen kijken: we zien ons omringd door louter zombies die roerloos in het donker voor zich uit zitten te staren. Proberen we hen wakker te maken dan verzetten ze zich hevig, want ze willen niet uit de droom worden gehaald. En dus zit er niets anders op dan zelf ook weer onder te duiken in de film, anders kunnen we net zo goed de zaal verlaten. Dat laatste is in de reële wereld echter geen optie. Daar zitten we gevangen in het donker en breekt er een gevecht in regel uit tussen de ‘dromers’ en de ‘wakkeren’. In feite slapen ze allebei: de eersten slapen een luciferische slaap, de laatsten een ahrimaanse slaap. 

Ontwaken uit deze inwijdingsslaap is niet mogelijk. Keren we terug naar ons wakkere, materialistische bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de geest en bestrijden instinctief alles wat spiritueel of idealistisch is. Geven we ons over aan ons dromende spirituele bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de materie en verliezen het contact met de realiteit. Wat we ook doen, we ontsnappen niet aan de slaap en aan de onvermijdelijke botsing met andere slapers. Aangezien beide manieren van slapen elkaar versterken, sluiten ze ons op in een onderwereld vol haat en geweld, waaruit we niet eens willen ontsnappen. Want de strijd die hier woedt – het gevecht tussen de dromers en de wakkeren, tussen de idealisten en de realisten, tussen luciferisch links en ahrimaans rechts – beschouwen we als een heilige strijd, een strijd tegen de draak die gewonnen moet worden als we de wereld willen redden. Niets is belangrijker in onze ogen, niets kan ons van deze strijd afhouden.  

De enige manier om deze zelfvernietigende strijd te stoppen, is door onze ogenen te openen in de slaap en te zien dat het niet onze strijd is, maar de strijd van onze dubbelganger, die ons als een bal heen en weer kaatst tussen Lucifer en Ahriman. Vroeger werd de inwijdeling voorbereid op de ontmoeting met de dubbelganger, hij leerde diens twee gezichten kennen en wist dat hij zich niet mocht laten meezuigen in de draaikolk die ze veroorzaakten. Zoals Odysseus, moest hij tussen Scylla en Charybdis door laveren, hij moest als het ware dwars door de dubbelganger heen om Christus te bereiken, de poort tot de geestelijke wereld. Dat is vandaag nog altijd zo, maar dan met dat verschil dat de moderne mens onvoorbereid – en dus onbewust – geconfronteerd wordt met de twee wachters aan de drempel, met de dubbelganger en met Christus. In zijn slapende bewustzijn vloeien ze samen tot één wezen waaraan hij zich, gedreven door zijn intense verlangen naar de geest, blindelings overgeeft. 

Wat de mens die over de drempel gaat dus het meest nodig heeft, is onderscheidingsvermogen. Hij moet onderscheid leren maken tussen de dubbelganger en Christus, zodat hij een vrije keuze kan maken tussen beide. Want kiezen moet hij, een compromis is geen optie. Christus laat daar geen twijfel over bestaan: wie niet voor hem is, is tegen hem. Het gaat dan ook om een morele keuze, een keuze tussen goed en kwaad. En wat deze keuze zo moeilijk maakt, is dat de oude morele grenzen verdwenen zijn: goed en kwaad zijn niet langer zorgvuldig gescheiden, ze lopen door elkaar. Onze gewone moraliteit volstaat niet meer bij het overschrijden van de drempel. Daar doelt Rudolf Steiner op wanneer hij zegt dat iedere stap op de scholingsweg gepaard moet gaan met drie stappen op de morele weg. We moeten ons morele onderscheidingsvermogen versterken, we moeten het over de drempel leiden zodat we niet langer alleen maar voelen wat goed en kwaad is, maar het ook zien en doordringen tot hun wezen. 

Hoe kan de mens echter doordringen tot het wezen van goed en kwaad – dat wil zeggen tot de dubbelganger en tot Christus – als hij geen geestelijke wezens kan waarnemen, als hij niet eens gelooft in hun bestaan? Het antwoord luidt: met behulp van de kunst. Hier wordt het hele drempeloverschrijdingsproces weerspiegeld in beelden die we in alle rust kunnen bekijken en beoordelen. Anders dan in de werkelijkheid geven we ons in de kunst bewust en vrijwillig over aan de slaap. We weten dat het slechts schijn is wat we zien en precies deze wakkerheid-in-de-slaap stelt ons in staat de beelden te beoordelen op hun morele (lees: artistieke) kwaliteit. In de kunst nemen we ons morele oordeelsvermogen mee over de drempel: we leren onderscheid maken tussen goed en slecht in de etherische sfeer. En dat is precies wat we vandaag zo dringend nodig hebben. Als we niet in de grootst mogelijke ellende terecht willen komen, moeten we onze artistieke wakkerheid versterken en uitbreiden. Alleen op die manier kan kunst de wereld redden.  

Antroposofie Vandaag

  

Wie de actualiteit een beetje volgt, weet dat de vooruitzichten niet goed zijn. Om het met de woorden uit de populaire tv-serie Game of Thrones te zeggen: winter is coming. Om het antroposofisch uit te drukken: Ahriman is op komst. Niemand weet wat er te gebeuren staat, maar er hangt dreiging in de lucht en overal nemen angst en onrust hand over hand toe. Voor veel mensen is de zaak duidelijk: de jaren ’30 zijn weer terug. Honderd jaar na dato staan de nazi’s weer voor de deur en maakt Hitler opnieuw zijn opwachting. Alleen gebeurt dat dit keer niet enkel in Duitsland, maar in heel Europa en zelfs daarbuiten. Reden genoeg voor politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars om te waarschuwen voor de verrechtsing van de maatschappij en de heropleving van het fascisme. Maar het mag niet baten: de rechtse partijen worden alsmaar sterker. Steeds dringender klinkt dan ook de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe kunnen we een nieuwe katastrofe vermijden?

Die vraag is ook aan de orde in het winternummer van Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging in België. ‘Het is niet gemakkelijk’, aldus Werner Govaerts in het editoriaal, ‘om in deze woelige tijden van fake news, trumpisme, Brexit, IS, klimaatproblemen en andere bedreigingen het hoofd koel te houden en te trachten de grote tendensen, de grote ontwikkelingen te ontwaren.’ Toch citeert hij even verder een door Herbert Hahn opgetekende anekdote over Rudolf Steiner die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Maar hij zag donkere wolken aan de historische horizon opdoemen, waarvan mensen zoals wij niets konden vermoeden. Zo zei hij op een keer over de waldorfschool: ze zal elke ruk naar links uithouden, maar niet een stevige ruk naar rechts.’ Rudolf Steiner lijkt dus te waarschuwen voor rechts, maar de hoofdredacteur van Antroposofie Vandaag pleit voor enige terughouding. ‘Het zou de moeite waard zijn’, schrijft hij, ‘om te onderzoeken wat Rudolf Steiner precies in gedachten had toen hij dat zei’. 

Ook in een langer artikel over steinerpedagogie pendelt Werner Govaerts heen en weer tussen voorzichtige terughouding en duidelijke stellingname. Zo brengen ‘de rechts-nationalistische en zelfs pre-fascistische tendensen in Noord-België’ hem ertoe een vergelijking te maken tussen de situatie van de steinerscholen vandaag en de situatie van de eerste waldorfschool in Stuttgart. Daar heerste destijds grote verdeeldheid over de houding die de school moest aannemen tegenover het nieuwe nazi-regime. De enen drongen aan op samenwerking teneinde de school open te kunnen houden, de anderen wilden zich niet compromitteren. ‘Historisch gezien’, schrijft Werner Govaerts, ‘hadden de hardliners natuurlijk gelijk’, maar, voegt hij eraan toe, ‘achteraf is het makkelijk oordelen, als je er middenin zit is het moeilijk om een klare kijk te krijgen op de zaak.’ Wijze woorden zijn het, die hij echter meteen weer vergeet, want hij verbaast er zich over hoe weinig mensen zich vandaag uitspreken tegen de rechts-nationalisten. 

‘Dat is des te verwonderlijker’, schrijft hij, ‘omdat we in de jaren ’30 van de vorige eeuw gezien hebben tot welke verschrikkingen het rechts-nationalisme heeft geleid.’ Voor hem is het duidelijk: de N-VA is de Vlaamse NSDAP in wording en hij houdt deze partij dan ook verantwoordelijk voor ‘de verzieking en ontmenselijking van de maatschappij, het ondergraven van het sociale leven en het maatschappelijk vertrouwen, het opwekken en aanwakkeren van angst en eigenbelang’. Hoewel hij kort daarvoor nog schreef hoe moeilijk het is om een klare kijk te ontwikkelen op een situatie waar je middenin zit, twijfelt Werner Govaerts er geen moment aan dat hij met zijn visie aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Hij is er zelfs zo zeker van dat hij onomwonden pleit voor politieke actie in de steinerscholen. Als de maatschappij hun voortbestaan bedreigt, schrijft hij, dan moeten ze die maatschappij veranderen. Dat is trouwens wat de leerlingen zelf willen, voegt hij eraan toe, ze willen iets doen

De hoofdredacteur van het ledenblad van de Antroposofische Vereniging die onomwonden aan politiek doet, die vroeger al vond dat steinerscholen kinderen van rechtse ouders moeten kunnen weigeren, en die nu oproept tot links activisme in de klas? Een mens vraagt zich onwillekeurig af wat Rudolf Steiner daarvan gevonden zou hebben. Hoorden steinerscholen volgens hem niet open te staan voor mensen van alle politieke en religieuze gezindten? Of verliest die regel zijn geldigheid in crisissituaties? In dat geval zouden steinerscholen wel eens tamelijk exclusief kunnen worden, want de helft van de Vlaamse bevolking stemt rechts. Met de kinderen van die andere helft wil Werner Govaerts dan de op rechts aansturende maatschappij van koers doen veranderen zodat ze de steinerpedagogie niet langer stokken in de wielen steekt. En dat moet allemaal nu gebeuren, want de jaren ’30 naderen snel, er is niet veel tijd meer om de wereld te veranderen en de steinerscholen te redden.

Hier is duidelijk iemand aan het woord die de kille adem van Ahriman in zijn nek voelt. Werner Govaerts doet weliswaar zijn best om rustig te blijven en wijze, terughoudende woorden te spreken, maar lang kan hij dat niet volhouden. Algauw slaat hij spijkers met koppen: als we geen actie ondernemen, dreigt er opnieuw een katastrofe zoals 100 jaar geleden! Het is een klassiek dilemma dat hier zichtbaar wordt: moeten we ons aanpassen aan de werkelijkheid en proberen er het beste van te maken of moeten we voet bij stuk houden en proberen die werkelijkheid te veranderen? Actie tegenover resignatie, idealisme tegenover realisme, doen tegenover denken. Werner Govaerts kiest zonder omhaal voor actie, voor links activisme tegen het rechtse gevaar. Zijn standpunt heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid: gedaan met wikken en wegen, er moet aangepakt worden! Dat is ook wat de jongeren vragen en Werner Govaerts schaart zich ondubbelzinnig aan hun kant.

Het moet gezegd, het is een verfrissend geluid in een antroposofisch blad dat niet meteen uitmunt door eigentijdsheid. Het is wel niet zo erg als destijds in Das Goetheanum, waaruit onmogelijk op te maken viel dat er een wereldoorlog aan de gang was, maar de naam Antroposofie Vandaag dient toch met een korreltje zout te worden genomen. Werner Govaerts doet al een hele tijd zijn best om het blad bij de tijd te brengen, maar de eerbiedwaardige oude-zielensfeer blijft zijn stempel drukken. De spanning tussen de twee zielensferen – de oude en de jonge – is overigens een probleem dat zich niet beperkt tot Antroposofie Vandaag, het is het antroposofische probleem bij uitstek: moeten antroposofen zich terugtrekken en mediteren of moeten ze de wereld in trekken en actief worden? Moeten ze denken of moeten ze doen? Wanneer we de zaken zo stellen, wordt het antwoord vanzelf duidelijk: de antroposofie wil zowel denken als doen. Het is zelfs haar doel om die twee te verbinden, om denkend te doen en doend te denken.

Was dat niet wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung? Hij wilde een vereniging die zowel esoterisch-naar-binnen-gericht als exoterisch-naar-buiten-gericht was. Tevoren stonden die twee aspecten los van elkaar en dat gaf enorme spanningen omdat ze elkaar steeds weer voor de voeten liepen. Het bracht Rudolf Steiner zelfs tot wanhoop maar uiteindelijk resulteerde het in wat we een Steigerung van doen en denken zouden kunnen noemen: er ontstond een geheel nieuwe vereniging waarin beide polen samenvielen. Tijdens de daarop volgende karmavoordrachten onthulde Rudolf Steiner de menselijke grondslag van die vereniging: de samenwerking tussen oude en jonge zielen, de denkende samenwerking tussen beide zielengroepen. Kort na die onthulling stierf hij echter, hij kreeg niet meer de kans die prille samenwerking te begeleiden. Nagenoeg meteen braken de vijandelijkheden weer uit. De zielen die hadden moeten samenwerken vervielen in hun oude gewoonten.

Honderd jaar later zijn die antroposofische zielen ouder en wijzer geworden, ze maken geen ruzie meer, ze hebben hun lesje geleerd. Maar kunnen we zeggen dat ze samenwerken, en vooral: dat het een denkende samenwerking is? Werken oude en jonge zielen samen in het besef van hun verschillende aard en met inzicht in hoe die twee geaardheden – de denkende en de doende – met elkaar verzoend moeten worden? De vraag stellen is ze beantwoorden: er is geen sprake van nadenken over oude en jonge zielen, en dus is er ook geen sprake van denkende samenwerking tussen beide. Dat is ook wat zo treffend tot uitdrukking komt in het winternummer van Antroposofie Vandaag, met name dan in de bijdragen van hoofdredacteur Werner Govaerts. Hier zijn twee zielen aan het woord: een oude ziel die pleit voor terughouding en een jonge ziel die oproept tot actie. Maar ze luisteren niet naar elkaar, de vraag is zelfs of ze van elkaars bestaan afweten, want de jonge ziel doet precies het tegenovergestelde van wat de oude ziel adviseert.

Wat we hier zien gebeuren, is in zekere zin een herhaling van wat honderd jaar geleden gebeurde. Na de eerste wereldoorlog stroomden honderden jonge zielen een antroposofische wereld binnen die hoofdzakelijk bestond uit oude zielen die zich in alle rust bezighielden met studie en meditatie. De jonge zielen geloofden echter niet meer in de oude wereld, ze wilden een nieuwe wereld waar de gruwelijkheden die ze hadden gezien niet meer mogelijk waren. Het resultaat was … een voortzetting van de oorlog, zij het dan op kleinere schaal: de spanningen tussen beide zielengroepen escaleerden en ontlaadden zich ten slotte in de brand van het Goetheanum waarvan de oorzaak volgens Rudolf Steiner niet buiten maar binnen de antroposofische vereniging moest worden gezocht. Het betekende het einde van de oude vereniging en de oprichting van een nieuwe vereniging. Maar het mocht niet baten: opnieuw raakten beide zielengroepen slaags alsof er niets veranderd was.

Honderd jaar later is er nog altijd geen eind gekomen aan deze ‘kleine oorlog’, de geschiedenis blijft zich herhalen. De twee zielentypes zijn duidelijk te herkennen in de bijdragen van Werner Govaerts: de wijze oude ziel en de onstuimige jonge ziel. Hun verhouding is nagenoeg dezelfde als tijdens de eerste ontmoeting van beide zielengroepen in de schoot van de antroposofische vereniging: de jonge ziel wil actie zien en de oude ziel maant tot terughouding. We herkennen deze zieledualiteit ook op het wereldtoneel. In de klimaatkwestie bijvoorbeeld staan jonge mensen die dringend om actie roepen tegenover een oude wereld die nauwelijks in beweging te krijgen is. De politieke wereld toont hetzelfde beeld: het jonge progressieve links staat lijnrecht tegenover het oude conservatieve rechts. En in al deze gevallen is er geen sprake van samenwerking, integendeel: er is geen gesprek meer mogelijk. Er heerst louter haat en vijandigheid beide zielengroepen. 

Zwei Seelen wonen ach in meiner Brust, schreef Goethe, de ene wil ten hemel opstijgen, de andere klampt zich vast aan de aarde. Hij had het over het luciferische en het ahrimaanse streven in de mens. De afgelopen honderd jaar hebben we een duidelijke slingerbeweging tussen die twee krachten kunnen waarnemen, alsof de mensheid haar evenwicht verloren heeft. Het begon met een links-luciferische reactie op het ahrimaanse materialisme. Daarop volgde de beruchte rechtse reactie in de jaren ’30. In de jaren ’60 sloeg de slinger weer uit naar links om vandaag opnieuw naar rechts te gaan. Niemand weet hoe dit zal eindigen, maar één ding is zeker: de mensheid zal haar evenwicht niet hervinden zolang ze blind blijft voor deze slingerbeweging. Zolang ze zich blijft identificeren met één van beide polen en de andere pool als de grote vijand beschouwt die te vuur en te zwaard dient bestreden te worden, zal er niets veranderen. Integendeel, de slinger zal steeds verder uitslaan.

Het onvermogen om deze fundamentele dualiteit onder ogen te zien, is de grote blinde vlek in het moderne bewustzijn. Ze vindt haar wortels in de 9de eeuw toen op het concilie van Constantinopel ‘de geest werd afgeschaft’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Het drieledige mensbeeld – geest, ziel en lichaam – werd vervangen door een tweeledig mensbeeld waarin geen duidelijk onderscheid meer werd gemaakt tussen ziel en geest. Als gevolg daarvan ging men Christus en Lucifer steeds meer elkaar verwarren. Lucifer werd onbewust geassocieerd met het goede en Ahriman met het kwade. Deze verwarring of vermenging culmineert in de 20ste eeuw: de mens meent de grote strijd met het kwaad uit te vechten maar wordt in werkelijkheid heen en weer geslingerd door de tegenmachten. Deze slingerbeweging veroorzaakt niet alleen ongezien menselijk lijden, ze veroorzaakt ook een bewustzijnsverdoving die de mens dreigt te beroven van zijn menselijkheid, van datgene wat hem onderscheidt van het dier.

Juist doordat de moderne, weldenkende, idealistische mens geen onderscheid meer maakt tussen Lucifer en Ahriman, wordt hij een speelbal van deze zwei Seelen in seiner Brust. Hij voelt Ahriman naderen en werpt zich in de strijd met de draak, niet beseffend dat het Lucifer is die hem daartoe aanzet. Steeds meer mensen, tot kinderen toe, trekken vandaag ten oorlog tegen Ahriman in de overtuiging dat ze daardoor zichzelf redden, dat ze de planeet redden, dat ze deelnemen aan de levensbelangrijke strijd van het goede tegen het kwade. In werkelijkheid doen ze echter precies het omgekeerde: heen en weer geslingerd door de tegenmachten voeren ze een blinde strijd tegen het goede, tegen het menselijke, tegen het christelijke. Slechts één ding kan deze zelfvernietigende strijd-van-allen-tegen-allen een halt toe roepen en dat is zelfkennis, kennis van de zwei Seelen die in eenieders borst wonen en weerspiegeld worden in de links-rechtstegenstelling die de wereld verscheurt en zal blijven verscheuren tot ze begrepen wordt. 

Een oog voor kunst (3)

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten – de oude en de nieuwe – die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De klassieke kunst wil gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Als we voor deze kunst een oog willen ontwikkelen, dan moeten we ons verstand uitschakelen. Voor de hedendaagse kunst geldt dan weer het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we natuurlijk beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware is blijven stilstaan en tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Deze ‘gewijde’ ruimte kunnen we alleen met ons gevoel betreden, we moeten ons verstand het zwijgen opleggen, want het is ongepast hier kritische vragen te stellen. Alleen eerbied en bewondering zijn hier op hun plaats. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit gewijde ruimten en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte moest benaderd worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en dat is bijzonder jammer, want dit kunstwerk valt heel goed rationeel te benaderen, meer zelfs, het vraagt erom. De Man in de Stoel is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld, die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze eendrachtig samenwerken. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste in ons gevoelens van eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de klassieke kunst een uitzondering is, is in de hedendaagse kunst de regel: ze spreekt niet alleen het gevoel aan maar ook – en vooral – het verstand. Ze lijkt dus bij uitstek geschikt te zijn om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem dan geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een ‘gewijde’ ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in de aanvaarding van dit feit. Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wordt vandaag beschouwd als het omgekeerde: als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk in de kunst inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is compleet veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder gedachten. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens. Kunst en wetenschap waren gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds tijdens het impressionisme duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. En de omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Deze wetenschappelijke visie wordt vandaag algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie zich de afgelopen eeuw in de kunst voltrokken heeft. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan die woorden en wie er vandaag nog durft aan twijfelen, wordt als een cultuurbarbaar beschouwd, als een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel werd aanvaard. Het is alsof iedereen zat te wachten op de held die de klassieke kunst dood zou verklaren en vervangen door een nieuwe kunst. Die nieuwe kunst veroverde in ieder geval de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Deze verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Berustte de klassieke kunst op de eigen ervaring – men bewonderde wat men zelf kon waarnemen en beoordelen – dan berust de nieuwe, hedendaagse kunst op blind geloof, op het geloof in mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen bewijzen wat ze zeggen? Helemaal niet. Kunst laat zich niet bewijzen. Maar waarop berust hun gezag dan? Waarom worden hun beweringen blindelings geloofd? Eenvoudig: omdat iedereen dat doet. De afgelopen eeuw heeft de hedendaagse kunst zich ontwikkeld tot een wereldwijde geloofsgemeenschap, een kunstkerk waar iedere kunstenaar en kunstliefhebber deel van uitmaakt. Waarom willen moderne, ontwikkelde mensen deel uitmaken van een kerk die zo’n extreem autoritair geloof belijdt? Om dezelfde reden waarom mensen vroeger deel uitmaakten van de katholieke kerk: omdat het grote problemen oplevert als je dat niet doet. 

Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden dit is kunst omdat ik het zeg, dan doet hij hetzelfde als de priester die een stuk brood zegent en het aan de gelovigen toont met de woorden ‘dit is het lichaam van Christus’. En net zoals dat vroeger in de mis gebeurde, buigen de hedendaagse gelovigen eerbiedig het hoofd voor dit getranssubstantieerde stukje materie, dat opeens geen ordinaire pispot meer is, maar ‘het lichaam van de nieuwe god van de kunst’. Deze nieuwe kunstgod is een stuk machtiger dan de oude want om het even wat kan veranderd worden in zijn lichaam, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. Iedereen kan ook priester worden: Jeder Mensch ein Kunstler. De nieuwe kunstkerk is veel democratischer en internationaler dan de katholieke kerk ooit was: ze is toegankelijk voor iedereen en overstijgt alle grenzen, alle rassen, alle volkeren, alle culturen. Op deze internationale kerk was het dat de mensheid zat te wachten, voor deze wereldreligie was ze klaar. 

Werkelijk? Wie kan geloven dat de mens van de 20ste eeuw zat te wachten op een religie die van hem een blind geloof vergt in wat niet kan waargenomen, aangevoeld of begrepen worden! De hedendaagse kunst is geen heruitgave van de katholieke kerk, ze is een regressie naar veel oudere tijden, toen de mens nog niet in staat was tot zelfstandig denken en voelen. En op die prehistorische religie zat de moderne mens te wachten? Voor dat blinde geloof was hij bereid zijn hoogontwikkelde bewustzijn op te geven? Nee, dat is ondenkbaar. En toch. Zowat ieder kunstminnend mens belijdt vandaag het nieuwe geloof. Althans in het openbaar. Niemand waagt het en plein public ook maar één kritisch woord te zeggen over de hedendaagse kunst. Wat de kunstliefhebber werkelijk denkt en voelt over de nieuwe god die hij slaafs eer betuigt, daar hebben we het raden naar. De vraag is of hij dat zelf nog weet, want zelfstandig denken en voelen levert in de hedendaagse kunstwereld alleen maar problemen op.

Hoe is de moderne mens ten prooi kunnen vallen aan dit volstrekt anachronistische geloof? Wat heeft die beschamende regressie veroorzaakt? Dat ligt eigenlijk voor de hand: het is het verlangen naar de geest, het verlangen dat sinds het einde van het Kali Yuga weer wakker is geworden en alsmaar sterker wordt. Van dat verlangen is de mens zich, materialistisch als hij is, echter niet bewust. Hij weet niet dat er in zijn ziel een onstuitbaar verlangen leeft naar een hogere, geestelijke wereld, een verlangen om zich over te geven aan iets of iemand die groter is dan hijzelf. Zonder dat hij het beseft, vermengt dat geestelijke verlangen zich met dat andere onstuitbare verlangen in zijn ziel, het verlangen naar de materie. Het resultaat van die onbewuste vermenging van luciferisch en ahrimaans verlangen, is de nieuwe religie van de hedendaagse kunst, een religie die niets menselijks meer heeft omdat ze berust op het opgeven van het eigen oordeelsvermogen, op de overgave van denken, voelen en willen aan de tegenmachten. 

Wie een reis maakt doorheen de wereld van de hedendaagse kunst waant zich in een krankzinnigengesticht. Hij ziet mensen die met hun uitwerpselen spelen en zich kunstenaar wanen. Hij ziet deskundigen die instemmend knikken alsof ze denken: wie niet wordt als de kinderkens zal het Rijk Gods niet binnengaan. Hij ziet bezoekers die met een mengeling van huiver en fascinatie kijken naar deze aberraties en stiekem denken: gelukkig zijn wij zo niet! Hij ziet rijkelui die waanzinnige bedragen betalen voor het afval dat deze krankzinnigen produceren en hij ziet hoe de overheid het ene paleis na het andere optrekt om dit afval te etaleren. Hij denkt: dit kan niet waar zijn! Het is niet mogelijk dat al die mensen krankzinnig zijn geworden, dat de hele kunstwereld krankzinnig is geworden! En hij begint te twijfelen aan zichzelf: misschien zijn het niet de anderen die krankzinnig zijn, misschien ben ik zelf krankzinnig aan het worden! En om verlost te zijn van die kwellende twijfel treedt hij ten slotte toe tot de nieuwe kerk.

Door deze overgave komt er een eind aan zijn innerlijke strijd. De bekeerde kunstliefhebber hoeft nu niet meer te kiezen tussen de oude en de nieuwe kunst, hij hoeft zich niet voortdurend af te vragen: is dit nu kunst of niet? Hij kan nu onbekommerd alles omarmen. En hij wordt ook zelf omarmd: hij koestert zich in het besef opgenomen te zijn in de nieuwe moederkerk. Hij is nu eindelijk een mens van deze tijd geworden: ruimdenkend, inclusief, geen onderscheid makend tussen goed en slecht. Dat laatste laat hij over aan de bekrompen hokjesdenkers die overal grenzen willen trekken, die overal onderscheidingen willen maken. Wat een opluchting om bevrijd te zijn van dat oude, polariserende denken! Wat een vreugde om over die drempel te zijn geraakt en deel uit te maken van de heerlijke nieuwe wereld! En het is zo gemakkelijk! De nieuwe god vraagt helemaal niet veel van zijn volgelingen: alleen dat ze hun oordeelsvermogen opgeven, dat ze ophouden onderscheid te maken, dat ze niet meer kiezen.