Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

De goede dood

  

Met je verstand, zei Rudolf Steiner ooit, kun je veel verder in de geestelijke wereld doordringen dan op gelijk welke andere wijze. Dat ondervond ik zelf – in het klein – toen ik onder deskundige leiding leerde tekenen. Door de zintuiglijke werkelijkheid met mijn verstand te herleiden tot abstracte vormen, drong ik er veel dieper in door dan ik door kinderlijk nabootsen ooit had gekund. De zintuiglijke wereld is natuurlijk de geestelijke wereld niet, maar beide liggen wel in elkaars verlengde. Ze verhouden zich tot elkaar zoals kunstwerk en kunstenaar. Het kunstwerk behoort tot de materiële werkelijkheid, maar het is een schepping en uitdrukking van de geest van de kunstenaar. En die geest – zijn Ik – leren we beter kennen door het kunstwerk dan door de kunstenaar zelf, want veel van wat in deze laatste verborgen blijft, wordt zichtbaar in het kunstwerk. Op voorwaarde dat we doordringen tot bovenzintuiglijke dimensie van dat kunstwerk en daarvoor hebben we ons verstand nodig. 

Het menselijk gelaat is het kunstwerk waarin de geest het duidelijkst tot uiting komt. In de portretten die ik tekende, werden – tot mijn eigen verbazing – soms eigenschappen zichtbaar die ik op geen enkele (bewuste) manier had waargenomen aan mijn model. Door me uitsluitend te concentreren op de uiterlijke vormen van zijn gezicht, was ik doorgedrongen tot zijn geestelijke wezen. In bepaalde gevallen werd ik dat wezen reeds gewaar tijdens het tekenen zelf. Ik stuitte dan bijvoorbeeld op onverwachte weerstanden bij mensen die naar buiten toe heel open en sociaal waren, maar die innerlijk een onzichtbare vesting bleken die ik moest belegeren. Ook het omgekeerde gebeurde. Mensen die heel gesloten en terughoudend waren, legden me innerlijk niets in de weg. Ze gaven me vrij toegang tot hun diepste wezen, ofschoon daar uiterlijk niks van te merken was. Weerstand of medewerking: alles speelde zich af op geestelijk niveau, een niveau dat zij noch ik konden waarnemen – tot ik begon te tekenen. 

Dat niveau had ik nooit kunnen bereiken als ik op kinderlijk nabootsende wijze was blijven tekenen, als ik niet mijn verstand had gebruikt om iemands gezicht te herleiden tot louter abstracte vormen. Hoe is dat mogelijk? Waarom dringen we met ons verstand dieper door in de wereld van de geest dan bijvoorbeeld met ons gevoel? Staat het gevoel niet veel dichter bij de levende geest dan het verstand, dat de geest juist doodt? En toch kunnen we met dat dodelijke verstand dieper in iemands ziel doordringen dan met ons empathische gevoel. Dat ondervond ik bij het tekenen van portretten. Wat ik waarnam door iemands gezicht louter verstandelijk te analyseren en weer op te bouwen als was het een meetkundige constructie, kon ik op geen enkele andere manier waarnemen. Sprekende portretten – waarin het Ik van een mens tot uitdrukking komt – ontstaan dan ook niet doordat de kunstenaar zich zo goed kan inleven in zijn model, maar doordat hij er zo goed afstand kan van nemen. 

Hoe valt die paradox te verklaren? Dat lijkt misschien een vraag voor kunstliefhebbers, maar de manier waarop een kunstenaar de werkelijkheid benadert is vandaag de enige manier waarop we nog kunnen doordringen tot de wereld van de geest. Er bestaan weliswaar ook andere manieren, maar die brengen ons niet zover als de kunstzinnige benadering en ze openen bovendien de deur voor allerlei vormen van misleiding. Niet voor niets baseerde Rudolf Steiner zijn antroposofie op de werkwijze van Goethe, die kunstenaar was in alles wat hij deed. De Goetheaanse fenomenologie vormde de brug tussen de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. En die brug zocht hij, want hij wilde meer dan enkel spreken over de bovenzintuiglijke wereld die hij als helderziende waarnam. Hij wilde die wereld ook ontsluiten voor niet-helderzienden door hem te verbinden met de zintuiglijke wereld, of beter: door aan te tonen dat de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld zijden van eenzelfde medaille zijn. 

Mensen zoals Rudolf Steiner, die van nature de geestelijke wereld kunnen waarnemen, zijn uiterst zeldzaam. De moderne mens heeft in de regel zijn oude helderziende vermogens verloren, zelfs in die mate dat hij niet meer gelooft in het bestaan van een geestelijke wereld. Hij doet geen enkele moeite meer om die wereld waar te nemen, overtuigd als hij is dat de zintuiglijke werkelijkheid de enige, echte werkelijkheid is. Slechts één soort mensen heeft nog iets van de oude helderziendheid bewaard en dat zijn de kunstenaars. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze (onbewust) nog iets waarnemen van de bovenzintuiglijke dimensie van de wereld. In hun kunst proberen ze een brug te slaan tussen die bovenzintuiglijke dimensie en de gewone zintuiglijke dimensie. Ze creëren beelden die zowel materieel als geestelijk zijn. Op die manier houden kunstenaars in een steeds materialistischer wordende wereld een plekje vrij voor de geest, ook al is dat een geest die enkel gevoelsmatig waargenomen wordt. 

In die zin is iedere kunstenaar of kunstliefhebber een onbewuste antroposoof. Zonder het te beseffen, gaat hij een scholingsweg die leidt van de zintuiglijke waarneming naar de bovenzintuiglijke waarneming, van materie naar geest. Op die manier blijft hij, alle materialisme ten spijt, verbonden met de wereld van de geest. Maar vandaag dreigt die verbinding verloren te gaan doordat de kunst in toenemende mate vervangen wordt door een schijnkunst die de mens geen toegang meer biedt tot de geestelijke wereld. Het loutere feit dat deze ‘hedendaagse’ kunst erin geslaagd is de plaats van de ‘oude’ kunst in te nemen, toont aan hoe zwak ons zintuig voor de geest geworden is. Het dreigt helemaal in te slapen en ons over te leveren aan een geestloze, kunstloze wereld waarin het niet langer mogelijk is mens te blijven. We realiseren ons niet hoe groot het gevaar voor ontmenselijking en verdierlijking is, nu we langzaam maar zeker ons laatste contact met de geest – de kunst – kwijtraken. 

Paradoxaal genoeg wordt deze ontmenselijking aangevuurd door onze … vergeestelijking. Tijdens de zogenaamde Godenschemering trok de geestelijke wereld zich langzaam terug en verloren we stap voor stap al onze helderziende vermogens. Vandaag is het Duistere Tijdperk afgelopen en dringt de geestelijke wereld opnieuw tot ons door. Als gevolg daarvan worden we op natuurlijke wijze weer helderziend. Maar onze helderziende waarnemingen – die tussen haakjes kunstenaars en wereldverbeteraars van ons maken – vinden geen toegang tot ons materialistische bewustzijn. Ze worden er als het ware door teruggestoten en zien zich verplicht via ons onderbewustzijn een weg te banen naar ons hart. In die onbewuste, slapende wereld zijn ze echter niet meer op hun plaats en ze ontketenen er wilde driften en begeerten. Als we er niet in slagen deze instinctief werkende geest in ons bewustzijn te heffen en te verbinden met onze vrije wil, dan zal hij ons verdierlijken in plaats van vergeestelijken. 

Het is geen toeval dat Rudolf Steiner als één van zijn allereerste basiswerken een esthetica schreef. Hij had ondervonden hoe cruciaal de kunst was voor de toekomstige ontwikkeling van de mens en wees met nadruk op twee diametraal tegengestelde opvattingen over kunst: een Goetheaanse opvatting die de menselijke cultuur zou vergeestelijken en redden, en een materialistische opvatting die de menselijke cultuur ten gronde zou richten. Deze laatste opvatting wordt belichaamd door de hedendaagse kunst, die inderdaad een niet te miskennen beeld ophangt van een beschaving in verval. Toch wordt het dehumaniserende karakter van deze schijnkunst nauwelijks waargenomen, en dat is een veeg teken. Eén van de gevolgen van de verdierlijking is namelijk dat de mens er zich niet van bewust is. Een mens weet wel dat hij mens is, maar een dier weet niet dat het dier is. Het bezit de gave des onderscheids niet en juist die – typisch menselijke – gave is vandaag zienderogen aan het verdwijnen.  

Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid en daarbij duidelijk onderscheid maken tussen twee tegengestelde visies op kunst die Rudolf Steiner, niet zonder reden, centraal plaatste in zijn esthetica. Kunst, zei hij, is niet een idee in zintuiglijke vorm (zoals vandaag algemeen wordt aangenomen), het is een zintuiglijke werkelijkheid in ideële vorm. Anders gezegd, kunst is geen geest die materie wordt, maar omgekeerd, materie die geest wordt. Blijven we kunst zien als iets wat de geest ‘materialiseert’, dan zal deze benadering ons steeds dieper in de materie trekken, en dat des te meer naarmate we helderziender worden en de kunst instinctief tot voorbeeld nemen. Het zal dus paradoxaal genoeg onze (onbewuste) honger naar geest en kunst zijn die ons de onderwereld in drijft, die ons verdierlijkt en ontmenselijkt, en ons tegelijk in de waan brengt dat we steeds kunstzinniger en menselijker worden. 

Deze duivelse valstrik kunnen we alleen vermijden door kunst te zien als een zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee – als vergeestelijkte materie zeg maar – en niet omgekeerd. Zolang we nog enig gezond gevoel bezitten, doen we dat vanzelf. Niemand kan ons dan wijsmaken dat een pispot net zo goed kunst is als de madonna van Rafaël. Maar als dat gevoel zo zwak wordt dat we geen verschil meer zien tussen kunst en onkunst, dan kan alleen bewust inzicht ons nog helpen. En daarvoor moeten we met ons verstand doordringen in de wereld van de kunst, we moeten de manier waarop zij de wereld benadert in heldere begrippen gieten. Dat is wat Rudolf Steiner gedaan heeft in zijn esthetica en in zijn andere werken over Goethes Weltanschauung. Op dat fundament bouwde hij vervolgens zijn hele antroposofie waarmee hij de moderne mens de weg toonde om op een bewuste en vrijwillige manier – niet instinctief en dwangmatig dus – weer in contact te komen met de geestelijke wereld.

Om die reden is het van cruciaal belang dat we de twee kunstvisies waar Rudolf Steiner op wijst, duidelijk onderscheiden. Want als het fundament waarop we onze brug naar de geestelijke wereld bouwen verkeerd is, als het een omgekeerd fundament is, dan bouwen we geen brug naar de hemel maar naar de hel. We dalen dan steeds dieper in de onderwereld af, terwijl we ervan overtuigd zijn steeds hoger te stijgen. We hoeven maar aan moslimterroristen te denken om te begrijpen hoe reëel dit gevaar is. Deze mensen begaan gruwelijke misdaden, maar ze wanen zichzelf halve heiligen, martelaars voor de goede zaak. Dezelfde mentaliteit vinden we bij de politiek-correcten, de zogenaamde Gutmenschen. Ze richten de menselijke beschaving ten gronde in de overtuiging dat zij haar redden. Deze terreurzaaiers – Oostelijke zowel als Westerse – worden bezield door grootse idealen en gedreven door louter goede wil, maar zij steunen op het verkeerde fundament. 

Met ons verstand doordringen in de kunst, is doordringen in de fundamenten van onze wereldbeschouwing. Dat vergt een strijd met het kwaad, want de tegenmachten weten beter dan wie ook hoe belangrijk de kunst is voor de moderne mens. Ze weten ook dat de mens dat weet (dankzij zijn nieuwe helderziendheid) en dat het dus geen zin heeft hem ervan af te willen brengen. Wat ze echter wel kunnen doen – en wat ze, met doorslaand succes, ook gedaan hebben – is de kunst vervangen door een ‘nieuwe’ kunst, die precies hetzelfde doet als de oude maar dan omgekeerd. Ze hebben de kunstenaar en de kunstliefhebber – die altijd zijn uitgegaan van de zintuiglijke werkelijkheid – laten geloven dat ze in feite uitgaan van de bovenzintuiglijke werkelijkheid. Dat denkbeeld was des te aantrekkelijker omdat het materialisme de mens geestelijk uithongerde en hem tot een gemakkelijke prooi voor deze omkering maakte. De uitgehongerde mens wilde maar al te graag geloven dat hij uitging van de geest.

Rudolf Steiner doorzag deze duivelstruc en stelde hem aan de kaak in zijn esthetica. Maar hij werd niet begrepen. De ‘geestelijke honger’ verdoofde het onderscheidingsvermogen van zijn leerlingen. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner de antroposofie officieel verbond met de kunst – en daardoor de afscheuring van de theosofie bewerkstelligde – openden ze de poorten van het Goetheanum voor de hedendaagse kunst. Ze begrepen niet dat deze schijnkunst de visie belichaamde die Rudolf Steiner in zijn esthetica ontmaskerd had en dat ze dus het paard van Troje binnenhaalden. Ze dachten een brug te slaan naar de moderne wereld, maar in werkelijkheid deden ze net het tegenovergestelde en keerden ze terug naar het theosofische stadium. In plaats van uit te gaan van de zintuiglijke werkelijkheid gingen ze uit van de geest. Ze negeerden het dualistische karakter van de materiële wereld en probeerden hem – vergeefs uiteraard – de idee van de driegeleding op te leggen. 

Rudolf Steiner was geen dromer. Hij zag de mogelijkheid onder ogen dat de antroposofie een werktuig van de tegenmachten zou worden en drukte ons daarom op het hart om wakker te blijven. Dat laatste is vandaag niet meer mogelijk zonder de omkering van de kunst te doorzien. Het grote struikelblok daarbij, is de rol die het verstand speelt in het scheppingsproces. Die rol wordt onomwonden verwoord in het beroemde vers van Oscar Wilde: each man kills the thing he loves. Om scheppend werkzaam te kunnen worden, moet de kunstenaar (en moet ieder mens) datgene doden waarvan hij het meeste houdt: de geest. Het is de waarneming van de geest die een mens tot kunstenaar maakt, die in hem de liefde wekt voor de zintuiglijke werkelijkheid, en juist die liefde moet hij ‘doden’ door de zintuiglijke werkelijkheid (met zijn verstand) te herleiden tot dode, abstracte vormen. Dat is het – schokkende – mysterie van de kunst, het mysterie waarvoor de moderne mens instinctief terugdeinst.

James Ensor verafschuwde het academische kunstonderwijs, maar hij was eerlijk genoeg om het een noodzakelijk kwaad te noemen. Hij behoorde tot de generatie kunstenaars die na het aflopen van het Kali Yuga de geest steeds sterker begonnen waar te nemen en het daarom steeds moeilijker kregen die geest – waarnaar ze zozeer hongerden – te ‘doden’. Uiteindelijk konden ze dat niet meer opbrengen en werden ze met waanzin geslagen. Deze waanzin bedreigt vandaag de hele mensheid, want de werking van de geest wordt steeds sterker en grijpt steeds meer mensen aan. Daarom moet het mysterie van de kunst openbaar worden gemaakt. Het moet onttrokken worden aan de kunstscholen waar het in zijn tegendeel wordt gekeerd. We moeten leren begrijpen en beleven dat de geest niet sterft wanneer we hem met ons verstand doden, maar dat hij verrijst, stralender dan ooit. Dat is het pijnlijke maar verlossende geheim van de kunst, het wonder van het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen.

Advertenties

Wolken en gedachten

  

Zondagochtend. We zitten aan het ontbijt, mijn vrouw en ik. De koffie geurt, de zon schijnt door het raam en buiten siddert de forsythia in de wind. Terwijl ik geniet van een koffiekoek kijk ik naar de wolken die door de lucht drijven. Waar komen die wonderlijke dingen eigenlijk vandaan? Herinner je je die tekeningen niet meer van op school, zegt mijn vrouw, waarop je kon zien hoe wolken boven de zee ontstaan en dan naar land drijven waar het begint te regenen? Nee, antwoord ik, daar herinner ik me niks meer van, dat was allemaal veel te abstract voor me. Kom nou, reageert ze, iedereen kan toch zien hoe water kookt, verdampt en dan rook vormt? Ja, dat wel, maar de zee heb ik nooit zien koken, en ik heb de stoom uit de fluitketel ook nooit als een wolk naar de woonkamer zien drijven om daar alles nat maken! Daar moet mijn vrouw om lachen. De werkelijkheid zelf is abstract voor jou, zegt ze. Nee, schud ik het hoofd, dat is niet waar, het is de uitleg die ze eraan geven, die is abstract!

Dat is ook de reden waarom ik me van mijn schooltijd vrijwel niets herinner. Met mijn hoofd begreep ik wel wat ze vertelden, maar omdat ik het niet kon zien, sprak het mijn hart niet aan en beklijfde het ook niet. Het ergst waren de lessen wiskunde, daar kon ik me helemaal niks bij voorstellen, laat staan dat ik het kon zien. Mijn verveling werd hier weerzin en mijn verstand weigerde dienst, of beter: mijn hart blokkeerde het. Het ging in verzet tegen al die abstracte ‘onzichtbaarheden’. Wat ik me dan weer wel herinner, waren de zeer aanschouwelijke Historia-prenten die de meester gebruikte in de geschiedenisles. Daarop zag ik kruisvaarders door de woestijn strompelen, hun gezicht gegeseld door het zand, hun lippen verdroogd door de zon. Ja, dat was voedsel voor mijn ziel, dat onthield ik. Maar helaas waren die prenten louter illustratie, nooit uitgangspunt van een les. Altijd kwamen de abstracties eerst, en slechts bij uitzondering werden ze verbonden met dingen die ik kon zien. 

De school dreef een wig tussen waarnemen en denken, en maakte de kloof steeds breder. Ze dreef de werkelijkheid met zijn zon en wolken en bloeiende forsythia’s naar buiten om ruimte te scheppen voor het abstracte denken. Gelukkig was er na school nog volop tijd en plaats om buiten te spelen en zo de werkelijkheid te leren kennen, anders was ik misschien compleet wereldvreemd geworden. Maar in mijn ziel groeide een onoverwinnelijke afkeer voor het abstracte denken. Ik trok me terug in dromen. Als wolken stegen ze op uit mijn ziel om zich te ontladen in sombere treurigheid als de werkelijkheid haar rechten weer opeiste. Gelukkig kon ik op zondag gaan tekenen in de academie, en daar gebeurde precies het omgekeerde: waarnemen en denken werden er niet van elkaar gescheiden maar juist heel hecht met elkaar verbonden. Zintuiglijkheid en abstractie gingen er hand in hand en deden de zon door de wolken breken. Somberheid maakte plaats voor vreugde.

Opeens staat mijn vrouw op en komt terug met het Maigretje dat ze net aan het lezen is. Ze wijst op de omslagillustratie en zegt: ik dacht eerst dat dit een schilderij van Albert Marquet was, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik bekijk de rudimentair geschilderde huisjes en zeg: de enige die ik kan bedenken is Maurice De Vlaeminck, maar ik denk niet dat het van hem is. Nee, antwoordt ze, het is van André Derain, ken je die? Ja, die ken ik zeker, hij is van dezelfde generatie als Marquet en De Vlaeminck, een generatie die in haar kunst alles tot het uiterste vereenvoudigde. En op dat moment begrijp ik dat deze mensen net hetzelfde deden als ik op school: ze gingen in verzet tegen de terreur van de materialistische wetenschap met zijn abstracties en onzichtbaarheden. Instinctief probeerden ze de scheidende kracht van het abstracte denken terug te dringen net zoals hun voorgangers, de impressionisten, dat al hadden gedaan. Maar paradoxaal genoeg leidde dat niet tot een zintuiglijker kunst, het leidde tot een … abstracte kunst.

Hoewel de fauvisten zoals ze genoemd werden – Marquet, Matisse, De Vlaeminck, Derain en co – de werkelijkheid vereenvoudigden tot bijna abstracte vormen, bleef hun kunst figuratief. Dat was niet langer het geval bij Kandinsky en Mondriaan, die in hun jonge jaren fauvist waren, maar later evolueerden tot een zuiver abstracte kunst. Daar werd vervolgens de hedendaagse kunst uit geboren, die de alleenheerschappij van de abstracte ideeën uitriep en de zintuiglijke waarneming op alle mogelijke manieren geweld aandeed. Wat begon met het verzet tegen het abstracte denken, eindigde dus met de totale onderwerping aan dat abstracte denken. De zaken werden omgekeerd, de kunst werd alles wat ze niet wilde zijn. De impressionisten – met wie de revolte begon – wilden enkel nog een oog zijn dat de zichtbare werkelijkheid registreerde. Hedendaagse kunstenaars zijn enkel nog een stel hersens die zich zeer vijandig opstellen tegen (het afbeelden van) de zintuiglijke wereld.

Deze ‘verhersening’ van de kunst leidde niet tot meer wakkerheid, integendeel, ze veroorzaakte een soort bewustzijnsverdoving. Hedendaagse kunstenaars wentelen zich in drek en andere viezigheid, maar wanen zich verheven boven het verleden. Rubens en Rembrandt waren in hun ogen verdienstelijke schilders, maar ze slaagden er niet in zich te bevrijden van de zintuiglijke waarneming. De ‘hedendaagsen’ lukte het wel die keten af te werpen en op te stijgen tot duizelingwekkende hoogten. Dat die hoogten in werkelijkheid laagten waren, ontging hen volkomen, want ze maakten geen onderscheid meer tussen hoog en laag, tussen scheppen en vernietigen. Dat onderscheid bestaat nu eenmaal niet in de wereld van het abstracte denken. Een plus twee is daar net hetzelfde als twee plus een. Je kunt er de dingen omkeren zonder dat het enig verschil maakt. Alleen in de zintuiglijke werkelijkheid wordt dat verschil zichtbaar: de dingen werken hier niet meer als je ze op hun kop zet. 

De hedendaagse kunst is gespeend van moreel onderscheidingsvermogen, maar ze is wel geboren uit … morele verontwaardiging. Ze is in het leven geroepen omdat de kunst, zo vreesde men, in de greep van de massa zou raken. Die vrees was gegrond, want samen met de moderne kunst ontstond ook de filmkunst, die inderdaad op maat van de massa was gesneden. Er valt veel te zeggen over het ahrimaanse karakter van de filmkunst, maar wanneer we haar naast de hedendaagse kunst plaatsen, zien we dat deze laatste minstens zo ahrimaans is en dat de eerste, ondanks alle laagheden, toch in staat is grote hoogten te bereiken. Ook het morele onderscheid dat in de hedendaagse kunst helemaal verdwenen is, speelt in de filmkunst nog altijd een belangrijke rol. Met andere woorden, de hedendaagsen hebben bewerkstelligd wat ze wilden voorkomen – de verlaging van de kunst – en wel in de hoogste mate. Niet Ahriman bleek hun grootste vijand, maar hun eigen morele verontwaardiging. 

Het is die luciferische reactie die maakt dat de ‘hedendaagsen’ niet beseffen dat ze in de greep van Ahriman zitten. Ze leven nog altijd in de heilige overtuiging de draak te bestrijden, maar juist daardoor zinken steeds dieper weg, buiten het bereik van de rede. Wat deze redeloosheid pas echt angstaanjagend maakt, is dat ze niet langer beperkt blijft tot de kunstwereld. Ook in de gewone werkelijkheid breidt ze zich zienderogen uit en veroorzaakt een toenemende verwildering van mens en beschaving. Overal zien we hoe het grootste kwaad veroorzaakt wordt door degenen die het kwaad willen bestrijden, die de wereld willen redden en de mensheid beletten weg te zinken in riolen van racisme, fascisme of welk ander isme ook. Uitgerekend deze moreel verontwaardigden, deze politiek-correcten, antiracisten, mensenrechtenverdedigers en activisten allerhande, creëren in snel tempo de wereld waar ze zo bang voor zijn. Ze gaan precies dezelfde weg op als de hedendaagsen in de kunst.

En zo krijgt mijn vraag waar de wolken vandaan komen een onverwachte dimensie. Die kreeg ze trouwens al toen mijn vrouw me een beduimeld Maigretje toonde met daarop de afbeelding van een schilderij van André Derain. Kunstwerken zijn namelijk nauw verwant met wolken. Ze horen bij de zintuiglijke werkelijkheid en komen daar ook uit voort, maar toch maken ze deel uit van een hogere wereld waar we vol ontzag naar opkijken en zonder dewelke we niet zouden kunnen leven. Zo noodzakelijk als de wolken zijn voor het fysieke leven op aarde, zo noodzakelijk is de kunst voor het geestelijke leven. Als opeens alle kunst verdween – alle schilderijen, alle beelden, alle tekeningen, alle muziek, alle romans, alle gedichten, alle toneel, alle dans, alle films – zou het niet lang duren voor we allemaal gek werden. Het leven zou ondraaglijk worden, we zouden ons voelen als bioscoopgangers die plotseling in het donker komen te zitten omdat de film afbreekt. Het zou een heuse nachtmerrie zijn.

Het is begrijpelijk dat Ahrimans dreiging de kunstwereld in grote beroering bracht en dat men vreesde voor de geestelijke gezondheid van mens en beschaving. Het is begrijpelijk dat ook buiten de kunstwereld Ahriman opschudding veroorzaakte bij de ‘verantwoordelijken’ van de samenleving: de politici, de leiders, de intellectuelen. Maar angst is een slechte raadgever, dat bleek op ontstellende wijze. Zowel binnen als buiten de kunstwereld vond een ongeziene uitbarsting van geweld plaats, die in wezen een uitbarsting van angst en verontwaardiging was, gecamoufleerd met abstracte idealen. Sindsdien is er geen eind meer gekomen aan het geweld. De uitbarstingen volgen elkaar op en zetten de wereld telkens weer op zijn kop. Ook vandaag dreigt dat opnieuw te gebeuren. De klimaatbetogingen worden geïnspireerd door angst en verontwaardiging. Als die emoties niet beteugeld worden door rede, zullen de gevolgen van de pogingen om de wereld te redden veel erger zijn dan de opwarming van de aarde.

Er is dus alle reden om de vraag te stellen: hoe komt het dat we telkens weer van de regen in de drop terechtkomen, of juister misschien: van de drop in de regen? Hoe komt het dat ons verzet tegen Ahriman telkens weer uitmondt in een onderwerping aan Ahriman? Het antwoord op die vraag vind ik in de kunst. Als kind deed ik niets liever dan tekenen, eerst uit mijn fantasie, later aan de hand van afbeeldingen van kunstwerken. Dat leverde stuntelige, houterige kopieën op die geenszins de vloeiende, zinnelijke schoonheid van de originelen bezaten, maar genoeg talent verrieden om me naar de academie te sturen. Daar was het echter niet mijn liefde voor de zintuiglijke wereld die verder ontwikkeld werd, wel integendeel. Die zinnelijke liefde werd er compleet genegeerd. In plaats daarvan moest ik … abstract leren denken. Ik moest kubussen, bollen, kegels, cilinders en andere onaantrekkelijke, kleurloze voorwerpen tekenen. Gelukkig was ik nog een kind en deed ik wat van mij gevraagd werd. 

Ik vond het niet leuk, deze strenge discipline van het meetkundige denken, maar beklagen deed ik me niet want ik ondervond dat ze resultaat opleverde. Door de zintuiglijke werkelijkheid tot op het bot te abstraheren en te herleiden tot zuiver meetkundige figuren leerde ik tekeningen maken die veel zintuiglijker en zinnelijker waren dan mijn oude kindertekeningen. En dat was precies wat ik wilde. Dat is trouwens wat ieder kind wil: doordringen in de zichtbare wereld, er deel van uitmaken in plaats van er onhandig nabootsend buiten te blijven staan. Dat leerde ik stap voor stap  en zonder de omweg van het abstracte denken zou dan nooit gelukt zijn. Als mijn verlangen naar de zintuiglijke wereld niet zo drastisch – en deskundig – was gesnoeid, zou ik, zoals de meeste kinderen, het tekenen opgegeven hebben. Ik ondervond aan den lijve wat iedere tuinier weet: snoeien doet bloeien. Of wat Goethe op een andere wijze uitdrukte toen hij zei dat de dood een kunstgreep is om meer leven te hebben.

Wie de zintuiglijkheid – als waarneming of als werkelijkheid – wil redden, moet haar dus niet beschermen tegen het ‘dodelijke’ abstracte denken, hij moet er haar juist aan blootstellen. Maar dat moet wel op de juiste manier gebeuren, dat wil zeggen: het abstracte denken moet middel blijven, het mag geen doel worden. De fauvisten werden ‘wilden’ genoemd omdat ze zich wilden bevrijden uit het keurslijf van een abstract denken dat de zintuiglijkheid verstikte. Paradoxaal genoeg gebruikten ze daarvoor het … abstracte denken. Ze vereenvoudigden de werkelijkheid tot bijna meetkundige vormen, maar ze bleven wel vasthouden aan de figuratie, dat bleef het doel. En het werkte: er ontstond een vrolijke, kleurrijke en levendige kunst. Maar na het fauvisme keerden de zaken helemaal om: het middel werd doel. Mondriaan en Kandinsky gebruikten het dode denken niet langer om meer leven te hebben in de kunst, het dode denken gebruikte hen om het leven in de kunst uit te roeien. 

De fauvisten probeerden de kunst te redden uit handen van Ahriman en gebruikten daarvoor het geëigende middel: de abstractie. Ze deden dat echter instinctief, zonder inzicht in de relatie tussen waarnemen en denken. Hun gevoel vertelde hen nog dat het abstracte denken ondergeschikt moest blijven aan de zintuiglijke waarneming, maar tegen de machtsroes die dat denken veroorzaakte, was het niet opgewassen. De bevruchting van de waarneming door het denken werd steeds meer een verkrachting. Wat oorspronkelijk een liefdesdaad was, veranderde in een gewelddaad. Deze bracht kinderen van haat voort die de grenzen tussen kunst en werkelijkheid overschreden en zich meester maakten over de wereld. Op dat punt zijn we vandaag gekomen: we vernietigen de wereld in de overtuiging hem te redden. En dat allemaal omdat we niet begrijpen hoe waarnemen en denken samenhangen, hoe gedachten als wolken opstijgen uit de zintuiglijke werkelijkheid om haar daarna bevruchtten. 

Al is de leugen nog zo snel …

  

… de waarheid achterhaalt ze wel. Dat gebeurde dit weekend in Brussel, toen klimaatactivisten gingen betogen in de Wetstraat en een sit in hielden voor het parlement. Die plek is namelijk sinds jaar en dag verboden terrein voor betogers. Dat heb ik vroeger, toen ik wat verderop in die Wetstraat werkte, meer dan eens met eigen ogen kunnen zien. Regelmatig werd die zone hermetisch afgesloten met prikkeldraad, politie in gevechtstenue, pantserwagens en ander zwaar materieel. Hier kwamen geen manifestanten binnen. Nooit. Tot dit weekend. Toen zaten Anuna De Wever en co daar doodgemoedereerd, van geen politie gestoord, te protesteren. Wat klaar en duidelijk bewijst dat zij geen betogers waren en dat ze niet protesteerden. Verre van burgerlijk ongehoorzaam zijn, gedroegen ze zich als mensen die precies doen wat van hen verwacht wordt door degenen waartegen ze denken te manifesteren. En die daarvoor beloond worden met vrije toegang tot plaatsen (en personen) die voor ieder ander ontoegankelijk zijn. 

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Drempelwaanzin

  

De mensheid gaat over de drempel van de geestelijke wereld. Het is een zinnetje dat iedere antroposoof kent. Minder bekend is de huiveringwekkende werkelijkheid die achter deze onschuldig klinkende woorden schuilgaat. Want wie onbewust of onvoorbereid over de drempel gaat, verliest zijn verstand, hij wordt met waanzin geslagen, zoals de Romeinse keizers. En dat is precies wat vandaag op grote schaal gebeurt. De moderne mens weet niets af van een drempel, hij gelooft niet eens in een geestelijke wereld, en het gevolg van die onwetendheid is dat hij langzaam maar zeker gek wordt. Het overschrijden van de drempel is een bewustzijnsproces waarbij de mens geleidelijk weer voeling krijgt met de wereld van de geest. Hij begint die wereld – na duizenden jaren van ‘Godenschemering’ – opnieuw waar te nemen. Maar of die drempeloverschrijding zijn redding dan wel zijn vernietiging wordt, hangt af van zijn vermogen om zijn geestelijke waarnemingen te doordringen met gedachten.  

Waarnemen zonder denken levert geen zien op. Denken zonder waarnemen evenmin. Pas wanneer beide met elkaar verbonden worden, ontstaat er een helder zien, en dat geldt zowel voor de materiële als de geestelijke wereld. Een mooi voorbeeld daarvan is het orakel van Delphi, dat een belangrijke rol speelde in het oude Griekenland. Het orakel bestond uit een priesteres (de Pythia) en een priester (de Profeet). De priesteres was in staat waarnemingen te doen in de geestelijke wereld, de priester vertaalde haar waarnemingen in begrijpelijke taal. Hoe dat in zijn werk ging, kunnen we nog zien in primitieve culturen. De sjamaan of tovenaar die de geesten wil raadplegen, gaat in trance. Hij verliest zijn bezinning, gaat tekeer als een bezetene, slaakt luide kreten en maakt wilde gebaren. Hij gedraagt zich met andere woorden als een krankzinnige, maar zijn stamgenoten zijn in staat die ‘waanzin’ te duiden en er kostbare geestelijke informatie uit te puren. 

De moderne mens, die onvoorbereid over de drempel gaat, vertoont eenzelfde soort krankzinnigheid. Zonder het te beseffen gedraagt hij zich als een primitieve sjamaan of een Griekse orakelpriesteres. Hij bevindt zich in een staat van onbewuste geestvervoering. Voor de nuchtere toeschouwer is het alsof hij zijn verstand verliest en hysterisch wordt, maar zelf is hij zich van geen kwaad bewust. Integendeel, hij voelt zich geïnspireerd, bevlogen, verheven boven het aardse gewoel. De gedachte dat er iets niet in orde zou zijn met zijn vervuld-zijn-van-geest is de allerlaatste die in hem opkomt. Wat daarentegen wel in hem opkomt, is woede en verontwaardiging als men probeert hem uit deze ‘geestesslaap’ te halen en weer tot bezinning te brengen. Omdat steeds meer mensen ten prooi vallen aan deze ‘drempelwaanzin’, wordt ze langzaam maar zeker ‘het nieuwe normaal’. Dat is de akelige keerzijde van de drempeloverschrijding: krankzinnigheid wordt de norm waarnaar we ons moeten voegen. 

Er is een Orwelliaanse omkering aan de gang: wie (nog) niet krankzinnig is, wordt in toenemende mate bestempeld als … krankzinnig. Vervuld van geest als ze zich voelen, wanen de ‘drempelkrankzinnigen’ zich moreel superieur. Ze zien ze het als een morele plicht hun inferieure medemensen te helpen en herop te voeden. Wanneer deze ‘achterblijvers’ hun hulp afwijzen, zijn ze verbijsterd. Waarom keren deze mensen zich af van het licht? Waarom laten ze zich niet leiden? Langzaam slaat het onbegrip van de ‘superieuren’ om in woede en verontwaardiging. Ze raken ervan overtuigd dat de ‘inferieuren’ van slechte wil zijn, dat ze de geest moedwillig afwijzen en zich willens en wetens verzetten tegen alles wat goed, waar en mooi is. Ze vormen met andere woorden een bedreiging voor de samenleving, een kwaad dat uitgeroeid moet worden. Zo komen de krankzinnigen ertoe alle normalen te beschouwen als drakenmensen en hen te bestrijden alsof de redding van de wereld ervan afhing. 

Het klinkt als het scenario voor een of andere horrorfilm, maar het is harde werkelijkheid. Neem nu de klimaatbetogingen. Wie de zaak nuchter bekijkt, kan alleen maar het hoofd schudden bij zoveel ‘waanzin’. Scholieren spijbelen om te protesteren tegen het klimaatbeleid, maar verre van daarvoor gestraft te worden, worden ze toegejuicht door ouders, leerkrachten, schooldirecties en zelfs politici. Verschillende scholen verplichten hun leerlingen zelfs te gaan betogen, want als ze niet spijbelen wordt dat als … spijbelen beschouwd. Zelfs kleuterklassen worden opgetrommeld, want jong geleerd is oud gedaan. Greta Thunberg, een kind nog, wordt ontvangen door regeringsleiders die ze er vervolgens van beschuldigt ‘de grootste schurken uit de geschiedenis te zijn’. Als beloning wordt ze genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. En heel dit circus wordt enthousiast begroet als een uitdrukking van idealisme, milieubewustzijn, engagement, solidariteit, kortom alles wat goed en nobel is. 

De keerzijde van dit vurige enthousiasme is de kille verkettering van iedereen die weigert mee te applaudisseren voor deze krankzinnige vertoning. Wie het hoofd koel houdt, wordt weggezet als een verzuurd mens die het idealisme van de jeugd in de kiem wil smoren. Niet degenen die kleuters voor hun politieke kar spannen worden beschuldigd van kindermisbruik, maar degenen die daartegen protesteren. Hun protest wordt overigens vakkundig de kop ingedrukt door de media en er gaan zelfs stemmen op om deze ‘klimaatnegationisten’ – ze worden vergeleken met neo-nazi’s – achter slot en grendel op te sluiten. Het maakt deel uit van de drastische maatregelen waar de tienduizenden klimaatjongeren om schreeuwen. Maar daar geven ze zich geen rekenschap van. Net als degenen die hen toejuichen, fungeren ze als spreekbuis voor ‘hogere machten’. Ze bevinden zich in een soort trance die hen belet om helder te denken, maar die hen wel een goed gevoel geeft. Tenminste voor zolang het duurt.

Een ander voorbeeld van ‘drempelkrankzinnigheid’ is het transgenderfenomeen. Sinds kort is het mode geworden om van geslacht te veranderen: mannen laten zich ombouwen tot vrouwen, vrouwen laten zich ombouwen tot mannen. Dat levert groteske beelden op, zoals Conchita Wurst, een zangeres met een baard, of Caitlyn Jenner, een eertijds knappe mannelijke atleet die er nu uitziet als een griezelige vrouw. Het (voorlopige) toppunt van deze krankzinnigheid is het ‘transgendergezin’: de vader, een zwangere vrouw met een baard, de moeder, een man met borsten, het kind, een jongetje dat wordt omgebouwd tot meisje. Opnieuw zien we hoe kinderen bij deze waanzin betrokken worden. Het volstaat niet dat volwassenen tot de overtuiging komen dat ze in het verkeerde lichaam zitten, mensen moeten er van kindsbeen af op gewezen worden dat ze kunnen kiezen in welk lichaam ze door het leven willen gaan. Daartoe worden lespakketten verspreid in de scholen. 

Het transgenderisme toont opnieuw aan dat de drempelkrankzinnigheid niet alleen ligt bij degenen die ernaar handelen en hun lichaam door middel van operaties en hormonenkuren van geslacht doen veranderen, maar ook – en vooral – bij degenen die dit toejuichen. Want ofschoon de transgenderwereld er bij momenten uitziet als een freakshow en de absurditeit er duimendik bovenop ligt, is er vrijwel geen enkel protest te horen tegen deze waanzin. Op het internet vindt men een eindeloze parade van gepruikte, geschminkte, gebotoxede, gepiercete, blauwharige en andere ‘drakenkoppen’, maar men moet lang zoeken voor men een woord van kritiek vindt. De Amerikaanse journalist Ben Shapiro is een van de zeldzame uitzonderingen. Hij waagde het om in een tv-debat het transgenderfenomeen een waan – a delusion – te noemen, met als resultaat dat de transgender die aan het debat deelnam ermee dreigde hem in elkaar te slaan en Shapiro sindsdien nergens meer kan gaan spreken zonder politiebewaking. 

Een andere uitzondering is Jordan Peterson. De Canadese professor spreekt zich weliswaar niet uit tegen het transgenderisme zelf, hij protesteerde alleen tegen een wetsvoorstel dat het strafbaar wilde maken transgenders niet aan te spreken zoals ze aangesproken willen worden. Daarvoor werd hij belaagd door schreeuwende transgenders en dat betekende het begin van zijn beroemdheid maar tegelijk ook het einde van zijn academische carrière. Ondanks zijn protest werd het wetsvoorstel aangenomen. Ook in Engeland bestaat trouwens zo’n wet. Onlangs werd een moeder van drie kleine kinderen er gearresteerd en in de cel gegooid omdat ze in een (internet)discussie geweigerd had een omgebouwde man aan te spreken als vrouw. De overheid doet er inderdaad alles aan om transgenders te steunen en te beschermen (bijvoorbeeld ook door geslachtsoperaties terug te betalen en betaald verlof te verlenen). In een dergelijk klimaat valt het niet te verwonderen dat vrijwel niemand zich in het openbaar durft te verzetten tegen het transgenderfenomeen.

De polariteit van enthousiasme en verkettering die we reeds vaststelden bij de klimaatbetogingen, vinden we ook terug bij het transgenderfenomeen, en wel in de hoogste mate. Toen Boudewijn Van Spilbeeck, een Vlaamse tv-presentator, op een dag als Bo op het scherm verscheen, brak er een waar jubelkoor los. De media struikelden over elkaar om Bo te prijzen en zijn heldenmoed te bezingen. Hij verscheen als zij in diverse praatprogramma’s, er werd een documentaire gewijd aan zijn ‘transitie’ en er verscheen ook een boek. Van de ene dag op de andere werd Van Spilbeeck niet alleen een Bekende Vlaming maar ook een Vlaamse Held, een rolmodel voor de jonge generaties. Transgenders worden inderdaad voorgesteld als ‘nieuwe mensen’, die de moed opbrengen om zichzelf te zijn en heldhaftig ingaan tegen het hokjesdenken en de stereotiepe opvattingen waarin de ‘oude mens’ gevangen zit. 

Dat deze voorstelling van zaken het denken lamlegt, blijkt nergens beter dan in de sportwereld. Steeds vaker ziet men daar mannelijke atleten die zich laten ombouwen tot vrouwen, vervolgens deelnemen aan wedstrijden voor vrouwen en daar alles winnen omdat ze, ondanks hun lange haren en hun lippenstift, nog altijd beschikken over een mannelijke ‘infrastructuur’. Dat is natuurlijk je reinste competitievervalsing, maar het wordt nog erger, want in verschillende landen, waaronder België, is het niet langer nodig een geslachtsoperatie te ondergaan om als iemand van het andere geslacht te kunnen doorgaan. Wettelijk volstaat het dat een man verklaart vrouw te zijn om te kunnen deelnemen aan vrouwencompetities. Of om vrouwentoiletten te bezoeken. Dat levert natuurlijk eindeloze complicaties, discussies en moeilijkheden op, maar dat belet de overheid en de media niet om transgenders te blijven promoten als de avant-garde van de Nieuwe Wereld, als de voorlopers van de Nieuwe Mensheid. 

Deze Nieuwe Mensheid blijkt een verzameling angstige, agressieve en redeloze wezens te zijn. De transgenders zijn bijvoorbeeld prominent aanwezig in de Social Justice beweging, die zich radicaal keert tegen de vrijheid van meningsuiting en geen geweld schuwt om andersdenkenden het zwijgen op te leggen. Toen Ben Shapiro onlangs kwam spreken in Berkeley, een van de meest prestigieuze universiteiten van Amerika, werd de hele campus hermetisch afgesloten met betonblokken. Honderden politieagenten in gevechtsuitrusting bewaakten de gebouwen terwijl drie helikopters continu in de lucht rondcirkelden. De maatregelen waren een gevolg van de vernielingen die de Social Justice Warriors bij een vorige gelegenheid hadden aangericht. Er werden toen zelfs molotov-cocktails gegooid en de schade bedroeg meer dan een half miljoen dollar. Ook dit keer vloeide er bloed, en dat allemaal omdat er iemand kwam spreken die zich verzet tegen (onder meer) transgenderisme en abortus. 

Het is angstaanjagend om de redeloze haat te zien in de ogen van deze ‘drempelkrankzinnigen’, meestal jonge gepriviligieerde mensen die studeren aan de beste universiteiten ter wereld en later tot de intelligentsia van hun land zullen behoren. Ook hier weer die omkering: uitgerekend degenen die de rede zouden moeten vertegenwoordigen, gedragen zich als een horde wilde dieren. Het is dus niet de gewone bevolking die zienderogen haar verstand verliest, maar de elite, de intellectuelen. Zij zijn het die het eerst ‘gegrepen’ worden door de geest en ‘losgerukt’ van de werkelijkheid (waaronder hun eigen lichaam). Hier treffen we de orakelpriesteressen aan die in trance raken en hun bezinning verliezen, zonder hun onbewuste waarnemingen te kunnen verbinden met hun rationele verstand. Dat verstand is zo abstract en levenloos geworden dat het de brug niet kan slaan naar de veel concretere en veel levendiger wereld van de geest die via de instincten hun bewustzijn binnendringt.

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld. Men zou ook kunnen zeggen: de geestelijke wereld maakt zich weer kenbaar aan de mens. Maar die mens is zo materialistisch geworden dat de geest geen toegang vindt tot zijn bewustzijn en zich dus een weg moet banen via het onderbewustzijn, met allerlei vormen van ‘drempelwaanzin’ tot gevolg. Dat is de huiveringwekkende keerzijde van de toenemende ‘vergeestelijking’ van de moderne mens: hij wordt langzaam maar tot waanzin gedreven. Wie zich verzet tegen het krankzinnige gedrag van deze ‘vergeestelijkten’ wordt zelf beschouwd als een krankzinnige, die genezen of opgesloten dient te worden. De enige manier om aan deze drempelwaanzin te ontsnappen, is door het gedrag van de krankzinnigen te ‘lezen’ zoals de orakelpriesters dat eertijds deden. Want heel die waanzinnig wordende moderne wereld is in wezen één groot orakel: het is een openbaring van de geest die begrepen wil worden.  

Brossen voor de bossen (epiloog)

  

Open brief van Maarten Boudry aan Anuna De Wever en Kyra Gantois: 

Sinds jullie begonnen te spijbelen voor het klimaat, groeide jullie ergernis over de manier waarop politici jullie behandelen. Jullie kregen schouderklopjes en knuffels, jullie mochten op de thee bij de minister, jullie hoorden mooie beloften en bemoedigende woorden, maar daarna gebeurde er helemaal niets. Ook in de media ging het vooral over bijkomstigheden: met hoeveel jullie zijn, of jullie ouders allemaal vegetarisch eten en op Groen stemmen, wie er nu écht achter jullie actie zit. En ook weer veel lieve woorden en schouderklopjes.

Ik deel jullie ergernis. Grote mensen die jullie doodknuffelen met vrome platitudes over hoe fantastisch jullie engagement wel is, behandelen jullie als kleine kinderen. En dat zijn jullie niet, of niet langer. Jullie bleven doorzetten en op dezelfde nagel kloppen, en nu hebben jullie een heus boek geschreven, in de vorm van een open brief, opgetekend door de schrijver Jeroen Olyslaegers en uitgegeven bij De Bezige Bij. Proficiat daarmee! De tijd is dan ook rijp om de vrijblijvende complimentjes op te bergen en de fluwelen handschoenen uit te trekken. Ik wil ingaan op de fouten en tekortkomingen in jullie betoog, omdat ik jullie ernstig wil nemen. Ik neem aan dat jullie dat liever hebben dan voor de zoveelste keer te horen hoe hartverwarmend jullie passie en gedrevenheid zijn.

Laat over één iets duidelijkheid bestaan: jullie hebben volkomen gelijk dat het klimaat opwarmt, en dat dat grotendeels ligt aan de menselijke uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Voor klimaatontkenners hoeven we geen geduld meer te hebben. In jullie brief trekken jullie resoluut de kaart van de wetenschap, en daar ben ik blij om. Veel wat jullie daarnaast schrijven en zeggen, heeft weinig te maken met wetenschap, maar met het wereldbeeld van de traditionele ecologische beweging, dat helaas doordrongen is van religieuze denkbeelden.

Impliciet gaan jullie ervan uit, zoals vele anderen, dat ons klimaat zich tot de komst van de mens (of tot aan de industriële revolutie) in een harmonieus evenwicht bevond, dat sindsdien grondig wordt verstoord. Dan komen jullie als vanzelf bij doemvoorspellingen over een ‘onleefbare planeet zonder toekomst’, een ‘planetaire puinhoop’ en ‘onze eigen ondergang’. Dat is niet bijster wetenschappelijk. De natuur vertoont geen enkele harmonie of evenwicht, en ze wordt ook door niets of niemand bestuurd. De Griekse filosoof Heraclitus wist het al: panta rhei, alles stroomt. Continenten verschuiven, zeespiegels stijgen en dalen, poolkappen bevriezen en smelten. De natuur is ook wreed en onverschillig: 99 procent van de soorten die ooit leefden, zijn uitgestorven, soms in massa-extincties.

Neem het CO2-gehalte in de onze atmosfeer, waar jullie vooral van wakker liggen. Elke molecule CO2 die wij uitstoten, heeft een plant of alg lang geleden uit de lucht gehaald. Door toedoen van de mens bedraagt de concentratie CO2 in onze atmosfeer nu meer dan 400 ppm (deeltjes per miljoen). Dat is een stuk hoger dan de 280 ppm bij het begin de industriële revolutie, maar lang niet ongezien. In het plioceen, omstreeks 3,6 miljoen jaar geleden, zat er minstens evenveel CO2 in de lucht als nu. In de poolgebieden was het 14 graden Celsius warmer, er was geen permanent poolijs, en de zeespiegel lag 25 meter hoger dan nu. In het trias, toen de eerste zoogdieren ten tonele verschenen, schommelde het CO2-gehalte zelfs rond 2000 ppm, dus vijf keer hoger dan vandaag. Er was toen uiteraard volop leven, anders zouden we hier niet zijn om brieven aan elkaar te schrijven over het klimaat. En andersom: tijdens de laatste ijstijd, een luttele 20.000 jaar geleden, lag de zeespiegel maar liefst 120 meter lager. De Noordzee moest nog volstromen en van de eilandengroep Groot-Brittannië was nog geen sprake. Die vormde zich pas toen de poolkappen een beetje wegsmolten en het omliggende land werd omgedoopt tot zee (dat was nog eens een ‘harde brexit’). De planeet warmt vandaag sneller op dan goed is voor onze menselijke beschaving, omdat ons landbouwmodel is aangepast aan de huidige klimatologische omstandigheden, en omdat meer dan een derde van de wereldbevolking leeft op plekken niet hoger dan 100 meter boven de huidige zeespiegel. Maar dat is vooral óns probleem, niet dat van de planeet of van de natuur. Klimaatopwarming is ernstig, maar heus niet het einde van de wereld.

In jullie brief geven jullie ook blijk van een bijzonder eenzijdige opvatting over fossiele energie. Inderdaad, onze fossiele uitstoot warmt het klimaat op, maar daar staat tegenover dat zowat alle comfort dat jullie (en ik) vandaag genieten in grote mate te danken is aan de miljoenen tonnen dode planten en dieren die we hebben opgestookt. Het menselijk leven vóór de industriële revolutie was zoals de filosoof Thomas Hobbes het beschreef: ‘eenzaam, armoedig, afschuwelijk, beestachtig en kort’. De eeuwen zonder antropogene klimaatopwarming (voor 1800) waren eeuwen van doffe ellende en armoede, de twee eeuwen erna waren er van ongeziene welvaart en voorspoed. Fossiele brandstoffen hebben zelfs onze impact op het milieu verkleind, omdat we niet langer bossen hoefden te kappen om ons warm te houden, en ook niet langer op walvissen hoefden te jagen om ons ’s nachts (met lampolie) te verlichten. CO2 is ook helemaal geen ‘vervuiling’ of ‘vergiftiging’, zoals jullie schrijven. Niet alleen is CO2 volkomen veilig om in te ademen, het is ook voedsel voor planten. Wisten jullie dat onze planeet al decennia aan het vergroenen is, dankzij de recordhoeveelheden CO2 die we in de atmosfeer stootten? Ook dat is wetenschap.

Als je een probleem wilt oplossen, moet je het eerst in het juiste perspectief plaatsen: klimaatopwarming is een hinderlijk neveneffect van iets wat een enorme zegening betekende voor de mensheid. De vergelijking met ‘longkanker’ of ‘verslaving’ slaat dan ook nergens op. Jullie zijn even ‘verslaafd’ aan fossiele brandstoffen als wij allemaal. En terecht. Hoe moeten we klimaatprobleem dan oplossen? We moeten inderdaad de transitie maken naar een koolstofvrije economie, zoals jullie schrijven. Maar niet tegen elke prijs. Als we morgen de snelheidslimiet overal verlagen tot 20 kilometer per uur, valt er geen verkeersdode meer. Waarom doen we dat dan niet? Omdat we een afweging maken. Als we morgen alle fossiele brandstoffen verbieden, zal de klimaatopwarming ophouden (hoewel ook onze voorbije uitstoot, zoals jullie terecht schrijven, nog enkele decennia opwarming zal veroorzaken). Waarom doen we dat dan niet? Omdat die beslissing een veel grotere catastrofe zou zijn dan de ergst denkbare gevolgen van klimaatopwarming.

Ik begrijp dat de doembeelden over het klimaat jullie angst aanjagen, maar het klimaat is niet het enige probleem van de mensheid. Om maar iets te noemen: er zijn nog altijd honderden miljoenen mensen die nu in extreme armoede leven, en die nu al getroffen worden door natuurrampen. Groene activisten vergeten weleens dat Moeder Natuur sowieso op gezette tijdstippen haar duivels ontbindt, klimaatopwarming of niet. Opiniepeilingen tonen aan dat klimaatopwarming wel de laatste zorg is van mensen in arme landen, en dat kun je hun niet kwalijk nemen. Als je zelf amper overleeft, kun je je niet veroorloven om wakker te liggen van je toekomstige kleinkinderen. Die mensen hebben eerst economische ontwikkeling nodig, en ja, ook fossiele brandstoffen. Steenkool is namelijk een spotgoedkope en betrouwbare bron van energie, en industrialisering en economische ontwikkeling is de beste manier om je te wapenen tegen natuurgeweld.

We moeten overgaan naar een CO2-vrije economie, maar niet te snel en niet te drastisch. Anders doen we aan collectieve welvaartsvernietiging, een remedie die erger is dan de kwaal. Daarvoor moeten we niet alleen klimaatwetenschappers raadplegen, maar ook economen. De gevolgen van klimaatopwarming hebben een economisch kostenplaatje, maar de maatregelen tegen klimaatopwarming ook. In de economie geldt bovendien dat toekomstige kosten en baten altijd minder doorwegen dan huidige (dat heet ‘delay discounting’). Het is dus perfect rationeel om (tot op zekere hoogte) minder rekening te houden met toekomstige generaties dan met de huidige generaties, vanwege de onzekerheid die gepaard gaat met toekomstvoorspellingen. Niemand heeft een glazen bol, dus niemand weet precies hoe de kaarten geschud zullen zijn over vijftig jaar, zelfs met de beste klimaatmodellen. Net zoals bij verkeersongelukken moeten we een afweging maken. Wat zijn de huidige en toekomstige economische kosten van mitigatie (vermindering van CO2-uitstoot) en van accommodatie (aanpassing aan de gevolgen van klimaatopwarming, zoals dijken bouwen)? Hoe zeker zijn we van onze klimaatmodellen en van toekomstige technologische oplossingen? En hoe vinden we de gulden middenweg?

Ik begrijp dat jullie weinig geduld hebben voor zulke afwegingen, die jullie vooral als tijdverlies zien, of als een excuus om niets te doen. Jullie zeggen dat jullie generatie de ‘klok heel luid hoort tikken’. Wel, jullie zijn niet de eersten. In de jaren 1960 en 1970 hoorden doemprofeten de tikkende klokken van overbevolking, zure regen, het gat in de ozonlaag, de uitputting van grondstoffen en de naderende nucleaire holocaust. Kennen jullie de doomsday clock? Die zou aangeven hoever de mensheid nog verwijderd is van de zelfgemaakte ondergang. Je kunt haar vinden op het internet. De klok staat nu op 2 minuten voor 12. Dat klinkt niet goed. Maar in 1984 en in 1953 stond de klok óók op 3 voor 12. Daartussen ging ze soms wat vooruit, soms wat achteruit, tussen 10 en 2 voor 12. Niet echt een betrouwbare klok, zou je zeggen. Kennen jullie het liedje Vluchten kan niet meer? Dat komt uit de musical En nu naar bed uit 1971 . Hier is het vrolijke refrein: ‘ Vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten waar / Schuilen kan nog wel, heel dicht bij elkaar’. Jonge mensen waren toen niet in de ban van klimaat- opwarming, maar van de onheilsrapporten van de beroemde Club van Rome over grondstoffenschaarste en overbevolking, en van een naderende kernoorlog.

Dat van de vorige doembeelden niets is terechtgekomen, wil natuurlijk niet zeggen dat jullie ongelijk hebben. Maar ik vrees dat jullie dezelfde denkfout maken als de vorige generaties doemdenkers: jullie onderschatten het menselijk vernuft. Daarover schrijf ik uitgebreid in mijn boek Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat, dat binnenkort verschijnt. De doemvoorspellingen van de Club van Rome kwamen niet uit, omdat slimme wetenschappers betere gewassen ontwikkelden met een veel hogere opbrengst en omdat ze alternatieven vonden voor schaarse grondstoffen. De bevolkingscatastrofe werd afgewend omdat economische ontwikkeling (aangedreven door fossiele brandstoffen, jawel) zorgde voor beter onderwijs en meer vrouwenemancipatie, wat op zijn beurt leidde tot gezinsplanning en dalende geboortecijfers.

Wat moeten we dan doen? De beste manier waarop wij, het kleine België, een impact kunnen hebben op het klimaat, is niet door wat hogere klimaatambities te stellen. Dat zijn druppels op een hete plaat. Als de rest van de wereld niet mee wil, heeft onze extra inspanning geen enkele zin. Wij kunnen een veel grotere impact hebben door volop in te zetten op technologische innovatie. We moeten zo snel mogelijk oplossingen vinden die de transitie naar een koolstofvrije energie vlotter en goedkoper kunnen maken voor iedereen. Laat je niet wijsmaken dat het klimaat puur een kwestie van politieke wil is. Anders was het echt al lang opgelost (zoals met het gat in de ozonlaag destijds, dat werd opgelost door een wereldwijd verbod op drijfgassen). De huidige technologie is gewoon niet toereikend om de energietransitie te maken zonder gigantische welvaartsvernietiging. Maar de wetenschap zet elke dag rasse schreden. Denk aan het ‘waterstofpaneel’ dat de KU Leuven recent ontwikkelde, aan het plan van onderzoekers aan de Universiteit van Luik om windenergie van Groenland naar hier te halen, of aan ons nucleaire onderzoekscentrum MYRRHA, dat onderzoek doet naar nieuwe generaties van kerncentrales, die veiliger zijn en hun eigen afval recycleren. Of denk aan de prille technologie om CO2 die we al uitstootten weer uit de lucht te vangen en op te slaan ( carbon capture and storage).

Wij leven in een rijk en welvarend land, we kunnen het ons veroorloven om het voortouw te nemen op het gebied van technologische ontwikkeling. Jullie bedoelingen zijn goed, maar met goede bedoelingen alleen verander je de wereld niet. We hebben ook en vooral kennis en technologie nodig. Daarvoor moeten we studeren, ideeën bedenken, bijleren. Daar kunnen ook jullie, met jullie slimme hersenen, aan bijdragen. Begrijpen jullie nu waarom sommige mensen het een beetje ironisch vinden dat jullie uitgerekend de schoolbanken verlaten om het klimaat te redden?

Warme groet,

Maarten Boudry

Brossen voor de bossen (7)

  

Voor de tweede opeenvolgende keer reeds kwam Greta Thunberg mee betogen in ons land. Het mocht niet baten. In Antwerpen, waar ze present was, daagden niet meer dan 3000 betogers op. In Mechelen waren het er slechts 1000 en in Hasselt kwamen ze niet verder dan een schamele 37 manifestanten. Het had iets zieligs om het meisje-met-de-vlechten zonder veel animo de geijkte leuzen te horen debiteren. Het leek wel of zij de bui voelde hangen. Ze kreeg weliswaar de steun van een jongen die als een volleerd politicus in de microfoon begon te brullen, maar het kon niet langer verheeld worden: de klad zit in de zaak. Of we daar treurig moeten over zijn, is niet duidelijk. Maar ik wil van de gelegenheid gebruik maken om nog een laatste keer stil te staan bij het hele fenomeen. Ik wil meer bepaald de aandacht richten op de pioniersrol van Vlaanderen: onze jongeren lopen voorop bij de klimaatprotesten. Daarom was Greta Thunberg ook in ons land: nergens anders krijgt ze zoveel navolging. 

Klimaatspijbelen was in Vlaanderen al een doorslaand succes voordat de vonk oversloeg naar het Franstalig gedeelte van het land. We gaven zelfs het voorbeeld aan onze noorderburen! De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Vlaanderen is vandaag waarempel een gidsland: het voert de mensheid aan in de strijd om de redding van de planeet. Dat is toch wel iets om trots op te zijn. Of juist niet misschien? Het is maar hoe je ’t bekijkt. Als de klimaatbetogingen werkelijk iets uithaalden, zou het inderdaad mooi zijn: zo’n klein landje en zoveel enthousiasme voor de goede zaak! Maar als die spijbeltochten zijn wat ik denk dat ze zijn – gemanipuleerde uitbarstingen van angst en machteloosheid – dan zien de zaken er natuurlijk anders uit. Het avant-gardistische gedrag van Vlaanderen is dan eerder iets om beschaamd over te zijn: kijk eens hoe die domme Vlamingen zich bij de neus laten nemen door de klimaatalarmisten, hoe ze zich laten opjutten door de media en hun propaganda! 

Te midden van heel die klimaatheisa stierf – als een teken aan de wand – Vlaanderens grootste denker, Etienne Vermeersch. Zijn invloed werd door een andere Vlaamse denker, Maarten Boudry, vergeleken met die van Jezus. No kidding. De manier waarop Vlaanderens tv-filosoof de hemel werd in geprezen was al even grotesk als de manier waarop de Vlaamse klimaatjongeren op een voetstuk worden geplaatst. Maar die twee karikaturen hebben ook nog iets anders gemeen. Vermeersch ging er prat op te kunnen bewijzen dat God niet bestond. Hij wijdde er zelfs zijn allerlaatste boek nog aan. Zoals zoveel atheïsten was hij voortdurend met God bezig. Het atheïsme was voor hem een echte … religie. Dat kan ook gezegd worden van de klimaatactivisten: ze vormen een religieuze beweging. Ze verkondigen het ware geloof en proberen iedereen te bekeren. Wie zich verzet wordt verketterd. Hoe kan de wereld gered worden als niet iedereen hetzelfde gelooft!  

Een atheïst die voortdurend met God bezig is? Een wetenschap die zich gedraagt als een religie? Het zijn illustraties van het gezegde dat je wordt waartegen je vecht. Vermeersch vocht zijn hele leven tegen God en aan het eind werd hij zelf een beetje God-in-Vlaanderen. De verbetenheid waarmee hij vocht, maakte duidelijk dat hij in de grond nog altijd een jezuïet was, een militante gelovige dus. De inhoud van zijn geloof was weliswaar veranderd, maar de vorm was hetzelfde gebleven. Vermeersch streed met evenveel ‘religieus vuur’ tegen het geloof als hij er voor had gestreden. Hetzelfde geldt voor de Vlaamse klimaatjongeren: ze baseren zich op de wetenschap, maar hun streven is religieus van aard. De rapporten van het IPCC mogen dan wel de inhoud zijn van hun activisme, de vorm ervan is die van het blinde geloof: de spijbelende scholieren willen van geen redenen weten, ze willen niet in debat gaan, ze willen niet nadenken. Ze willen alleen dat hun geloof in daden wordt omgezet. 

Etienne Vermeersch probeerde onvermoeibaar te bewijzen dat God niet bestond en werd daarvoor bijna heilig verklaard. De klimaatjongeren vechten tegen de opwarming van de aarde, met als enig resultaat dat ze zelf verhit raken en denken dat ze de wereld kunnen veranderen. Ouders, grootouders, leerkrachten, media en politici dragen hen op handen als waren ze verlossers, heilanden die de wereld komen redden. Die heiligenverering is zo potsierlijk dat de vraag rijst: wat is hier aan de hand? En waarom is het juist in Vlaanderen aan de hand? Waarom worden uitgerekend in ons land zowel atheïsme als klimaatkwestie tot een karikatuur, met overal missionarissen die het ware geloof prediken? Wat is het dat Vlaanderen onderscheidt van andere Europese landen? En wat hebben klimaat en atheïsme met elkaar gemeen? Of is het louter toeval dat Etiennne Vermeersch stierf op het moment dat in Vlaanderen de klimaatjongerenbeweging geboren werd? 

Er is alvast een verband tussen Etienne Vermeersch en Vlaanderen. De professor was niet alleen Vlaamsgezind (iets wat zorgvuldig verzwegen werd bij zijn canonisatie), zijn leven kon ook model kon staan voor het moderne Vlaanderen. Als jongeman was hij zo diepgelovig dat hij intrad bij de jezuïeten. Maar toen hij de wetenschap ontdekte, sloeg zijn geloof om in ongeloof en werd hij een strijdbaar atheïst. Eenzelfde parcours doorliep ook Vlaanderen in de 20ste eeuw. Ernest Claes en Felix Timmermans tonen ons de Vlaming nog als een simpele ziel met een kinderlijk geloof. Dat naïeve volksgeloof was het enige wat nog overbleef van de materiële en geestelijke rijkdom die Vlaanderen ooit bezat en die het in de loop der eeuwen was kwijtgeraakt. Maar toen verrees Vlaanderen uit het graf en werd opnieuw rijk en welvarend. Het had zijn geloof niet meer nodig en wierp het als ballast overboord. De kerken liepen leeg, niemand wilde nog priester worden en vandaag waagt geen enkele Vlaming het nog zijn geloof – mocht hij er een bezitten – openlijk te belijden. 

Zo gelovig als het oude Vlaanderen was, zo ongelovig is het nieuwe. Die omslag vond in heel Europa plaats, maar nergens was hij zo extreem als in Vlaanderen. Hier ging het in pakweg vijftig jaar van de grootste armoede naar de grootste rijkdom, van het kinderlijkste geloof naar het arrogantste ongeloof. Het was een enorme sprong: van de achterhoede die in de 19de eeuw het contact met de Europese beschaving dreigde te verliezen naar de avant-garde die in onze tijd vooruitloopt op die beschaving. Maar les extrêmes se touchent. Het nieuwe Vlaanderen zet zich zo hevig af tegen het oude Vlaanderen dat het er weer begint op te lijken. Zijn atheïsme is zo virulent dat het een religie is geworden, zijn kunst zo hedendaags dat ze een traditie is geworden. En vandaag herhaalt die geschiedenis zich met de Vlaamse klimaatbeweging. In een mum van tijd is ze uitgegroeid tot een kerk met priesters en misdienaars die het nieuwe geloof prediken en voorop lopen in de talloze processies.

De Nieuwe Kerk is minstens even machtig en strijdbaar als de oude. Ze dringt door in alle gebieden van het leven en heeft vele gezichten: de atheïstische kerk, de linkse kerk, de kunstkerk, de klimaatkerk … Allemaal hebben ze echter één ding gemeen: ze blijven het oude Vlaanderen bestrijden, ook al is het reeds lang verdwenen. Ja, het verketteren van het verleden lijkt de enige bestaansreden van het nieuwe geloof te zijn. Intellectueel en cultureel Vlaanderen is vandaag één groot atheïstisch, links, hedendaags en progressief blok. En toch blijven de Etienne Vermeerschen en Jan Hoets dezer wereld heldhaftig strijd leveren tegen het dreigende spookbeeld van een diepgelovig, rechts, traditionalistisch en conservatief Vlaanderen. Deze – als heiligen vereerde – drakenvechters zijn inmiddels dood, maar hun geest leeft verder. Vandaag staat hij weer op in de Vlaamse jeugd, die met hetzelfde religieuze vuur ten strijde trekt tegen een nieuw spookbeeld: de dreigende opwarming van de aarde.

Wat is er zo afschrikwekkend aan het oude Vlaanderen dat zelfs de herinnering eraan beschouwd wordt als een groot gevaar, als een draak waarvan de afgehakte koppen ieder moment weer kunnen aangroeien? Het antwoord vinden we in de leuze die tot voor kort op de voorpagina van De Standaard prijkte: AVV-VVK, Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Inmiddels is die leuze verdwenen en is de meest Vlaamsgezinde krant van het land de meest politiek-correcte krant geworden. Ook hier weer ging de omslag zeer snel en wordt vandaag hartstochtelijk bestreden wat gisteren nog hartstochtelijk verdedigd werd: het gelovige Vlaanderen dat Christus centraal stelt. Dat christendom is het spookbeeld dat de moderne Vlaming met ontzetting vervult, de draak waartegen hij verbeten vecht en waarvoor hij zich verenigd heeft in een nieuwe kerk. Opnieuw is dat iets wat in heel Europa, ja in heel de wereld gebeurt, maar nergens wordt zo hevig gestreden als in Vlaanderen. 

Wat is er met het Vlaamse christendom dat het de gemoederen zo hevig in beweging brengt? Het antwoord vinden we opnieuw in de oude leuze van de Vlaamse Beweging: AVV-VVK. Wat het christendom in Vlaanderen typeert, is zijn verbondenheid met de aarde, met de Vlaamse grond. Het mooiste voorbeeld is de Vlaamse schilderkunst, die even aards en zinnelijk is als innig en vroom. Nergens komt deze verbinding van geest en materie sprekender tot uitdrukking dan bij Rubens en Brouwer. De eerste vertegenwoordigt nog het oude, glorieuze Vlaanderen uit de Middeleeuwen, de laatste preludeert in zijn kroegtaferelen reeds op het ‘deplorabele’ Vlaanderen van de 19de eeuw. In de overgang van Rubens naar Brouwer zien we hoe het christendom in Vlaanderen steeds ‘esoterischer’ wordt, hoe het ondergronds gaat en zich terugtrekt in duistere diepten. Maar daar begint het op te lichten als de gouden glans op de tronies van Brouwer, als de kinderlijke onschuld van de personages van Claes en Timmermans.   

Meer dan enig ander land volgde Vlaanderen Christus in zijn verbinding met de aarde. Toen aan het eind van de 19de eeuw in de etherische wereld de ‘tweede kruisiging’ van Christus plaatsvond, werd Vlaanderen het Golgotha van Europa: het krepeerde van honger en ellende. De wonderbaarlijke verrijzenis die daarop volgde, kreeg een stem in de literatuur van Streuvels, Gezelle, Timmermans en Claes. Ze vond weerklank tot ver over de landsgrenzen heen. Al deze schrijvers hadden een zeer innige verbondenheid met de natuur gemeen. Wat bij Adriaen Brouwer ondergronds was gegaan – in piepkleine schilderijtjes die als zaadjes eeuwenlang verborgen bleven – kwam bij hen tevoorschijn als het eerste groen van een nieuwe lente. En wie lente zegt, zegt Christus, ‘hij die alles nieuw maakt’. Vandaag is er van die Vlaamse lente niks meer te merken, tenzij in negatieve zin: ze wordt heftig bestreden. De moderne Vlaming schaamt zich dood voor het kinderlijk-christelijke Vlaanderen van Claes, Timmermans en Gezelle.  

Vol walging spreekt hij vandaag over de ‘bruine onderstroom’ van het oude, conservatieve Vlaanderen, als was dat één grote riool vol racisme, fascisme, nazisme, antisemitisme, verzuring, haat, discriminatie enzovoort. En ja, de lente is inderdaad het seizoen waarin de mest van de winter over de velden wordt verspreid en er bijwijlen een doordringende stank hangt. Maar geen weldenkend mens zal daarom zijn neus ophalen voor de lente. Hij zal duidelijk onderscheid maken tussen het nieuwe leven en de oude mest, en hij zal ook begrijpen dat de afvalstoffen van de oude wereld de voedingsstoffen leveren voor de nieuwe wereld. Het komt niet in hem op de stank van het verleden te bestrijden omdat hij weet dat hij dan ook de toekomst in gevaar komt. Jan met de Pet, die het in het moderne Vlaanderen zo hard te verduren krijgt, is helemaal geen racist of fascist, wel integendeel. Maar door hem voortdurend te beschuldigen, wordt hij er wel een. Wie het ‘lagere’ fanatiek bestrijdt, vernietigt ook het ‘hogere’. 

De strijd tegen de draak is een oerbeeld dat heel sterk leeft in de ziel van de moderne mens. Het is een beeld van de lente, die één grote strijd is tegen de draak van de winter. Maar dit Michaëlische oerbeeld wordt niet begrepen, het werkt onbewust in de ziel van de mens, en wordt daardoor in zijn tegendeel gekeerd. De moderne mens ziet de draak niet als een geestelijk wezen dat ook in zijn eigen ziel leeft, maar als een materieel wezen, als een mens, een slechte mens, een drakenmens. Dit onbewuste naar buiten ‘projecteren’ en bevechten van de draak geeft de ‘drakenridder’ weliswaar het gevoel een goed mens te zijn, maar het herschept de wereld in één groot slagveld. Het enige voordeel van deze ‘materialisering’ is dat de draak zichtbaar wordt: ze wordt geprojecteerd op het grote scherm van de mensheid. Maar dan moeten we die kwaadaardige geest wel onderscheiden van de mens, anders bevechten we de lente – dat wil zeggen Christus – die probeert door te breken in de winterse ziel van de moderne mens. 

Wat heeft dit nu te maken met de klimaatkwestie? Volgens Rudolf Steiner beleven we vandaag de wederkomst van Christus, een wederkomst die, zoals de bijbel het uitdrukt, plaatsvindt ‘op de wolken’, dat wil zeggen in de etherische wereld. Wolken spelen een essentiële rol in het klimaat, ze bemiddelen tussen zon en aarde, en maken (menselijk) leven mogelijk. Ze maken deel uit van het etherische lichaam van de aarde, het lichaam waarin Christus momenteel doordringt. Men hoeft geen wetenschapper te zijn om daarvan de gevolgen te zien: er is werkelijk iets aan de hand met het klimaat. Maar men moet wel (klimaat)wetenschapper zijn om die gevolgen louter materialistisch te duiden en CO2 als de grote boosdoener aan te wijzen. Het daaruit voortvloeiende klimaatactivisme is een zoveelste blinde strijd tegen de draak, een strijd die in werkelijkheid gericht is tegen Christus, die vandaag actief is in de etherische wereld van (onder meer) de wolken en het klimaat. 

Hoe tragisch deze strijd is, blijkt uit het feit dat hij vandaag gevoerd wordt door kinderen, bange, wanhopige en depressieve kinderen. Want dat is nog iets wat Greta Thunberg gemeen heeft met de Vlaamse klimaatjongeren. Nergens ligt het zelfmoordcijfer en het gebruik van anti-depressiva zo hoog als in Vlaanderen. De reden is duidelijk geworden uit het voorgaande: de Vlaamse jongeren verlangen wanhopig naar Christus, met wie ze door hun volksaard nauw verbonden zijn. Ze groeien echter op in een land dat Christus heftiger bevecht dan welk Europees volk ook, niet uit kwaadaardigheid maar uit gebrek aan bewustzijn, aan onderscheidingsvermogen. Vlaanderen raakte dat Michaëlische bewustzijn vierhonderd jaar geleden kwijt en iedere poging om het te herstellen wordt in de kiem gesmoord. Als gevolg daarvan is Vlaanderen bezig zichzelf – letterlijk en figuurlijk – te vernietigen. De klimaatbetogingen zijn in feite één grote, collectieve zelfmoordpoging van het kinderlijke, depressieve Vlaanderen dat geen kans krijgt om op te groeien. 

Brossen voor de bossen (6)

  

Het was een grote dag voor onze klimaatjongeren: Greta Thunberg kwam mee betogen! De persbelangstelling voor het boegbeeld van de spijbelbeweging was zo groot dat de politie moest ingrijpen. Zelf leek het meisje-met-de-vlechten niet onder de indruk. Ze is dan ook al een en ander gewoon. ’s Ochtends had ze al een toespraak gehouden voor de Europese Commissie, nadat ze eerder al sprak op de Internationale Klimaatconferentie in Katowice en het World Economic Forum in Davos. Ze gaf ook al TED-talks, werd geïnterviewd door CNN en verscheen op de cover van Time-magazine. De blitz-carrière van kleine Greta – een half jaar geleden begon ze in haar eentje met haar Skolstrejk for Klimatet en een paar maanden later was ze al wereldberoemd – doet nogal wat wenkbrauwen fronsen. Niet ten onrechte, want achter haar enorme succes zit een Zweedse pr-firma die meteen brood zag in het spijbelende meisje en intussen al heel wat geld verdiende aan de nieuwe Pipi Langkous.

Het kan ook niet anders dan dat er een zorgvuldige regie schuilgaat achter dit hedendaagse sprookje. Wie organiseert al die reizen van Greta Thunberg? Wie zorgt ervoor dat zij kan spreken op internationale conferenties? Wie regelt de afspraken met regeringsleiders? Wie betaalt haar verplaatsingen en hotelkosten? Het meisje – een kind nog – reist ook niet alleen. In Brussel was zij minstens vergezeld door haar vader. Moet die man niet werken? Of heeft hij van zijn dochter zijn beroep gemaakt? Eén ding is zeker: Greta Thunberg is een groep. Hoe groot die groep is, blijft vooralsnog onduidelijk. Ook Anuna De Wever, de Vlaamse Greta Thunberg, heeft mensen achter zich staan. Hoewel ze alles samen doet met Kyra Gantois, is het toch altijd Anuna die spreekt, Anuna die in beeld komt, Anuna die overlegt met politici en wetenschappers. Hoe komt dat? Ze heeft natuurlijk een leuker snoetje, maar ze heeft ook een activistische moeder die het klappen van de zweep kent. 

Dat betekent nog niet dat het klimaatspijbelen één groot complot is zoals Joke Schauvlieghe beweerde. Daarvoor is de beweging te groot en te stormachtig. Nee, Greta Thunberg heeft bij wijze van spreken olie aangeboord en die spuit nu overal hoog in de lucht. Hoe deskundig dat aanboren ook gebeurt, de olie was er vóór Greta begon te spijbelen, en ze bestaat uit veel meer dan alleen bezorgdheid voor het klimaat. Dat blijkt al uit het feit dat milieu en klimaat op één hoop worden gegooid. Maar ook deze twee kunnen de kracht en de omvang van de spijbelbeweging niet verklaren. Er zit meer achter, veel meer. Het spijbelen zelf geeft al een eerste aanwijzing. Al die tienduizenden scholieren zijn maar wat blij dat ze een dag niet op de schoolbanken hoeven te zitten, dat ze buiten op straat kunnen lopen en daar luidkeels hun stem laten horen. Die vrijheid is voor hen een ongekende sensatie. Ze kunnen even ontsnappen aan de kooi waarin ze van jongs af aan opgesloten zitten.

De moderne mens brengt zijn gehele jeugd door in kinderbewaarplaatsen, in kleuterscholen, in lagere scholen, in middelbare scholen. Ouders hebben trouwens geen tijd meer voor hun kinderen, want ze zitten zelf opgesloten, in hun werk, in de auto, in de file. En aan het eind van de rit wordt iedereen opgesloten in een bejaardentehuis. Het leven is een luxueuze gevangenis geworden, een gouden kooi. De mens leeft samengepropt in miljoenensteden vol wolkenkrabbers, auto’s, drukte, lawaai en fijn stof. Wil hij deze stenen woestijnen ontvluchten, dan stelt hij vast dat alle land opgekocht is, dat er bijna nergens nog een plekje te bemachtigen is. Boordevol rijkdom is de moderne wereld, maar toch leven mensen er als gevangenen, als slaven. Ze moeten steeds harder en steeds langer werken, en ze moeten steeds meer afstaan aan de staat die er al die gouden kooien mee bouwt. Het zijn trouwens niet alleen fysieke kooien, het zijn ook – en misschien zelfs vooral – geestelijke kooien.

Zelfs over zijn eigen gedachten heeft de mens vandaag geen zeggenschap meer. De tijd dat hij nog kon zeggen wat hij wilde, is voorbij. Hij moet heel erg op zijn woorden letten als hij niet wil uitgescholden, uitgestoten, gebroodroofd, gearresteerd of zelfs vermoord worden. ‘Durf te denken’ – met die slogan pakken zowel media als universiteiten uit. ‘Wij willen mensen opleiden tot kritische burgers’, heet het in onderwijsbrochures. Maar iedereen weet – of ondervindt algauw aan den lijve – dat het net omgekeerd is: wie het waagt zelf te denken, kan fluiten naar zijn punten, zijn diploma, zijn werk, zijn reputatie, zijn toekomst. Zelfstandig denken wordt in toenemende mate verboden. De klimaatkwestie is in dit verband onthullend. Scholieren die weigeren mee te gaan betogen – en zo te kennen geven er een andere mening op na te houden – worden streng gestraft. Ze worden voor hun medeleerlingen stilzwijgend te kijk gezet als misdadigers in de dop, als mensen die ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan’. 

De klimaatkwestie toont pijnlijk duidelijk aan dat het denkverbod vruchten afwerpt. Niemand stelt zich vragen bij de ‘wetenschappelijke consensus’. Niemand maakt onderscheid tussen milieu en klimaat. Niemand ziet er graten in dat ‘het systeem’ enthousiast meewerkt aan de protesten tegen het systeem: scholen organiseren spijbelbetogingen, media smoren iedere kritiek, regeringsleiders ontvangen de klimaatmeisjes, politici applaudisseren wanneer Greta Thunberg hen ‘de grootste schurken uit de geschiedenis’ noemt. Geen wonder dat ‘het systeem’ zo enthousiast is: de klimaatbetogingen zijn koren op zijn molen. De protesterende jongeren willen een overheid die krachtig ingrijpt, een staat die nog meer macht krijgt dan ze nu al heeft, een leider die hen leidt zodat ze kunnen volgen. Deze naïeve scholieren vormen de natte droom van iedere machthebber. Zolang ze niet zelf beginnen nadenken, bouwen ze mee aan de kooi waarin ze opgesloten worden. 

Het wordt de moderne mens niet alleen verboden om na te denken, hij heeft ook de tijd niet meer heeft om bij de dingen te blijven stilstaan. Voortdurend wordt hij opgejaagd. Van kindsbeen af moet hij meedraaien in de mallemolen, anders valt hij onherroepelijk uit de boot en is hij een loser voor het leven. De enige keuze die hij heeft is die tussen een slavenbestaan en een bestaan aan de zelfkant van de maatschappij. Jongeren worden steeds meer gewaar dat ze in de val zitten. Het is geen toeval dat Greta Thunberg ontwikkelingsgestoord is. Ze ziet eruit als een kind ofschoon ze reeds 16 is. Haar hele verschijning vertelt dat ze wil niet opgroeien: ze wil niet volwassen worden, ze wil niet gegrepen worden door het systeem. Anuna De Wever wil dan weer niet kiezen tussen jongen of meisje zijn. Ze schrikt terug voor de aardse lichamelijkheid die een mens tot keuzes dwingt. Beide meisjes deinzen ervoor terug op aarde te komen en dat roept bij ontelbare jongeren een onbewuste herkenning op. 

De klimaatkwestie heeft Greta Thunberg hardhandig geconfronteerd met de realiteit. De rapporten van het IPCC deden haar kinderlijke dromen omslaan in een nachtmerrie en ze viel in een diepe depressie. Alleen door te kiezen voor een radicaal klimaatactivisme, slaagde ze erin aan dit zwarte gat te ontsnappen. Ze beleeft nu de tijd van haar leven. Haar nachtmerrie is veranderd in een sprookje: Pipi Langkous redt de wereld. Maar de depressie loert nog altijd om de hoek. Wanneer Greta Thunberg ooit ontwaakt uit de droom zal ze dieper vallen dan ooit. De angst voor het zwarte gat drijft haar voort en zal haar waarschijnlijk tot een klimaatactiviste voor het leven maken. Maar die mengeling van angst en idealisme maakt haar ook tot een instrument in handen van de machthebbers. De depressie en wanhoop die vandaag op de bodem van iedere mensenziel sluimeren, vormen een enorm ‘oliereservoir’ dat een onuitputtelijke bron van brandstof is voor hun machtsstreven. 

De klimaatbetogingen zijn een collectieve angstaanval, een uitbarsting van wanhoop. Maar in plaats dat de ‘aangeboorde olie’ geraffineerd wordt door het rationele denken en aangewend voor concrete doeleinden, wordt ze gewoon in brand gestoken en vervuilt ze de atmosfeer met geestelijke broeikasgassen. Deze vervuiling zal alleen maar groter worden naarmate uitbarstingen toenemen. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren als het hele klimaatspijbelen met een sisser afloopt? Nu reeds zit de klad in de zaak: de betogersaantallen dalen zienderogen. Afgezien van een harde kern die het klimaatactivisme tot levensdoel maakt, zullen de meesten het moe worden, de media zullen het moe worden, de bevolking zal het moe worden. Wat een ontgoocheling zal het niet zijn voor al die jonge mensen die dachten dat ze de wereld konden veranderen! Hoe bedrogen zullen ze zich niet voelen! In hun ziel zal het nog een stuk donkerder worden dan voorheen en meer dan ooit zullen ze de olie leveren voor degenen die de wereld in brand willen steken. 

Het enige wat deze vicieuze cirkel kan doorbreken, is het wakker worden voor de realiteit, het ontwaken uit de droom (of die nu een sprookje of een nachtmerrie is). Onbewust willen de jongeren dat ook. Achter hun bezorgdheid voor het klimaat gaat een diep verlangen schuil: het verlangen om op aarde te komen, het verlangen om te incarneren. Eeuwenlang hebben ze in de geestelijke wereld gewerkt aan hun huidige incarnatie. De aarde is het voorwerp van hun diepste geestelijk streven en het doembeeld dat er binnenkort misschien wel eens geen aarde meer zou kunnen zijn, schokt hen diep. Anders dan de volwassenen hebben de jongeren – en dan vooral de meisjes – nog iets bewaard van dat geestelijke (incarnatie)streven. Maar juist omdat het geen enkel aanknopingspunt vindt in het materialistische denken, kan het niet tot bloei komen. In plaats daarvan wordt het onderdrukt en samengeperst tot zwarte ziele-olie, tot brandstof voor de aardse machthebbers. 

Het drama dat zich vandaag voor onze ogen afspeelt, is een soort uitvergroting van de drempeloverschrijding die plaatsvindt wanneer de puberteit begint. De mens wordt nu ‘aarderijp’ zoals Rudolf Steiner het uitdrukt, hij is klaar om de geestelijke wereld achter zich te laten en echt op aarde te komen. Hoeveel moeite hem dat kost, wordt geïllustreerd door de soms vreselijke onhandigheid van de puber. Het is voor hem een grote stap om door te dringen tot in zijn ledematen en op die manier actief te worden in de wereld. Maar het gaat niet alleen om fysieke activiteit, de puberende mens ontwikkelt nu ook zijn oordeelsvermogen, hij dringt door tot in zijn hersenen. Ook dat kost hem veel moeite, want hij komt terecht in een kille, ‘dode’ wereld. Eigenlijk wordt de jonge mens nu opgesloten in zijn eigen lichaam, maar daar ontdekt hij geheel nieuwe manieren om zich te verbinden met de wereld: het denken en de liefde. Het probleem is dat hij deze manieren te vroeg ontdekt, dat hij te vroeg wordt opgesloten.

De moderne mens ontwaakt veel te vroeg uit de droom, hij begint veel te vroeg te denken. Greta Thunberg is daar een goed voorbeeld van. Op een leeftijd dat de mens moet spelen en dromen, leest zij de rapporten van het IPCC. De gevolgen laten niet op zich wachten: haar verstand ontwikkelt zich buitensporig, maar haar lichaam stopt met groeien, en haar hart raakt vervuld van angst. Op het moment dat ze dan moet beginnen puberen en zich verbinden met de aarde, blijkt ze een lichaam te hebben dat daar ongeschikt voor is, dat ‘gestoord’ werd in zijn ontwikkeling. Daar is ze zich niet bewust van, maar ze voelt het wel en het vervult haar met paniek. Ze projecteert haar angst op het klimaat, maar in wezen gaat het om iets veel diepers: het gaat om het machteloos gevangen zitten in de materie, om het onvermogen contact te maken met de geest van de aarde, waarvan ze diep van binnen weet dat hij haar enige redding is. 

Uit dit opgesloten zitten in een slecht ontwikkeld lichaam dat het de mens onmogelijk maakt om in verbinding te treden met de levende werkelijkheid, komt volgens Rudolf Steiner het grootst mogelijke onheil voort. De jonge mens die niet op aarde kan komen, zoekt een uitweg in sex en macht. Daarvan getuigen zowel de sexueel getinte slogans die de spijbelende scholieren meedragen als de drastische maatregelen – dat wil zeggen de machtsontplooiing – waar ze om roepen. De jongeren zoeken wanhopig een uitweg uit hun gevangenis, maar ze worden om de tuin geleid door materialistische wetenschappers en machtsbegerige politici. Als gevolg daarvan wordt hun vrijheidsstreven explosief en zelfvernietigend. Het enige wat hen kan helpen is een denken dat de natuur ziet als een levend wezen en niet als een mechanisme dat beschreven kan worden met cijfers, modellen en grafieken. Alleen met zo’n levend denken zullen ze weer contact kunnen maken met de natuur.  

De klimaatbetogingen zijn in feite één grote schreeuw om geesteswetenschap. Waar de puberende jongeren – en bij uitbreiding de hele moderne mensheid – behoefte aan hebben, meer dan aan wat ook, is een wetenschap van de geest die hen in staat stelt zich bevrijden uit hun gevangenis, of beter gezegd: die (in wezen natuurlijke) gevangenis om te vormen tot een menselijke wereld. Zonder de antroposofische wetenschap zal het (in wezen geestelijke) streven van de mens naar incarnatie hem er alleen maar toe brengen de wereld waar hij zo naar verlangt te vernietigen. Each man kills the thing he loves. Wat de klimaatjongeren op straat doet komen, is liefde, liefde voor de natuur, liefde voor de wereld waarin ze leven. Maar het is blinde liefde, die zonder het te beseffen het voorwerp van haar verlangen vernietigt en een instrument wordt in handen van de tegenmachten. De klimaatbetogingen maken pijnlijk duidelijk waar zo’n liefde zonder wijsheid toe leidt: tot het misbruiken van kinderen. 

Brossen voor de bossen (5)

  
 

De klimaatbeweging – met de spijbelende scholieren op kop – confronteert ons met een aantal fundamentele vragen. Om te beginnen de waarheidsvraag: is de aarde werkelijk gevaarlijk aan het opwarmen zoals de klimaatactivisten beweren en moeten er drastische maatregelen worden genomen, of schuilt het gevaar juist in dat alarmisme zoals de klimaatsceptici volhouden? Beide partijen klinken overtuigd en overtuigend, maar voor de leek is het onbegonnen werk om hun cijfers, tabellen en grafieken te controleren en te beoordelen. Hoe komen we er dus achter wie gelijk heeft? Het gemakkelijkst is natuurlijk om de meerderheid – de ‘wetenschappelijke consensus’ – te volgen en de kritische minderheid te negeren. Maar voor antroposofen ligt dat een beetje moeilijk want volgens de wetenschappelijke consensus is antroposofie onzin. En homeopathie boerenbedrog. Kinderen kun je dan weer niet genoeg vaccineren, ook daar bestaat een wetenschappelijke consensus over. Of is het een farmaceutische?

De moderne wetenschap is veel te materialistisch om als waarheidscriterium in aanmerking te komen. Wie de jongste ontwikkelingen een beetje volgt, krijgt bovendien de indruk dat een zeer onwetenschappelijke – om niet te zeggen anti-wetenschappelijke – geest zich meester gemaakt heeft van de academische wereld. Het geval James Watson doet alvast het ergste vermoeden. In die academische wereld – waar social justice belangrijker is dan waarheid – is de klimaatwetenschap groot geworden. Alleen al het feit dat ze voortdurend in de spotlights van de media staat, is voldoende om wantrouwig te worden. Ze heeft ook al haar Climategate beleefd waarbij allerlei onfrisse praktijken aan het licht kwamen. En het meest dubieuze is misschien nog wel dat ze één enkele schuldige aanwijst: CO2. Dat klinkt meer als een politiek-correcte praktijk dan als wetenschap. Reden genoeg dus om de bevindingen van de nieuwe consensus-wetenschap met een korreltje zout te nemen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er niks aan de hand is met het klimaat en – vooral – het milieu. Er is heel veel aan de hand en op tal van gebieden dreigt de toestand rampzalig te worden. Denken we maar aan de toenemende droogtes en overstromingen, of aan de bijensterfte en het plasticprobleem. Er is meer dan genoeg om alarm over te slaan. Maar één ding is zeker: we kunnen al die problemen nooit het hoofd bieden als we ophouden met denken. En dat is wat we momenteel lijken te doen. Op gezag van twijfelachtige deskundigen en meegesleept door onbetrouwbare media eisen we drastische maatregelen van een leugenachtige overheid. Intussen zien we een cruciaal onderscheid – dat tussen klimaat en milieu – over het hoofd, met als gevolg dat de spijbelende scholieren hun goede wil aan het klimaat verspillen in plaats van op te komen voor realistischer milieudoelstellingen, zoals – om maar iets te noemen – het redden van de bijen. Als die uitsterven, is het ook met ons gedaan.

Een ander cruciaal onderscheid dat we over het hoofd zien, is dat tussen de waarheidsvraag en de doe-vraag. Wat moeten we doen? Als de aarde inderdaad opwarmt en het is inderdaad de schuld van de mens, dan moet de CO2-uitstoot naar beneden, zoveel is duidelijk. Maar hoe gaan we dat aan boord leggen? Hoe gaan we alle landen ter wereld ertoe brengen hun CO2-productie drastisch terug te schroeven? Want als alleen België het doet, zal het geen enkel verschil maken. Zelfs als heel Europa meedoet zal het nauwelijks iets veranderen. Amerika moet meedoen, en China, en Rusland, en India, want dat zijn de grootste ‘opwarmers’. Hoe gaan we al die grootmachten rond de tafel krijgen om een bindend akkoord te tekenen? En wie gaat toezien op de naleving van dat akkoord? Wat gebeurt er als een land het akkoord niet naleeft? Hoe gaan we het tot de orde roepen? Met een wereldtroepenmacht? Maar wacht eens even, behoren legers niet tot de grootste verbranders van fossiele brandstoffen …?

Anuna De Wever begint haar geduld te verliezen omdat ze al zes keer betoogd heeft en er is nog altijd niets veranderd. Het zou hilarisch zijn ware het niet zo pijnlijk. Bijna 18 is ze, maar ze kent het verschil niet tussen theorie en praktijk. Ze beschouwt de waarheidsvraag als opgelost en begrijpt niet waarom dat niet tot de oplossing van de doe-vraag leidt. Wie vertelt dit naïeve meisje dat een consensus in de wetenschap niet hetzelfde is als een consensus in de politiek? Wie maakt haar duidelijk dat de drastische maatregelen die ze eist de hele samenleving zullen treffen en dat die samenleving daar dus akkoord moet mee gaan? Of wil ze gewoon de democratie afschaffen? Wie legt haar het verschil uit tussen denken en doen? Niemand blijkbaar. Je vraagt je af wat kinderen vandaag nog op school leren. Maar wat wil je, met volwassenen die zelf het noorden kwijt zijn, die geen verschil meer zien tussen wetenschap en politiek, en die er geen graten in zien dat het onderwijs aan politiek doet en de politiek aan opvoeding. 

Het mag verontrustend zijn dat de aarde opwarmt, nog veel verontrustender is dat de mens opwarmt en er niet meer in slaagt het hoofd koel te houden. We juichen de scholieren toe in plaats van hen te wijzen op het onderscheid tussen klimaat en milieu. Of tussen wetenschap en politiek. Of tussen droom en werkelijkheid. Het is alsof de grenzen in ons bewustzijn vervagen en we langzaam in slaap vallen zonder het merken. Van jongeren kun je verwachten dat ze dromen zonder rekening te houden met de realiteit, maar als ook de volwassenen met hun hoofd in de wolken lopen, dan wordt het gevaarlijk. Het is alsof de moderne mens weer kind wordt met de kinderen en er stellig op rekent dat pappie en mammie alles weer in orde zullen brengen. Maar de ontwikkeling van het bewustzijn kan niet zomaar omgekeerd worden zonder de grootste ellende te veroorzaken. We kunnen niet meer terugkeren naar de tijd toen het volk nog droomde en alleen de koning wakker was. 

Het is een utopie te denken dat de opwarming van de aarde de mensheid ertoe zal brengen al haar geschillen bij te leggen en eensgezind te werken aan de redding van de aarde. Nog nooit was er zoveel onenigheid, nog nooit was de mensheid zo verdeeld, nog nooit was er zoveel wantrouwen en haat. De globalisering van de wereld maakt pas goed duidelijk hoe groot de verschillen zijn, hoe onverzoenlijk de tegenstellingen. Er dreigt een nieuwe Koude Oorlog, dit keer tussen Amerika en China. Er is de jihad van de moslims tegen de ongelovigen. Er zijn de rassenconflicten. Er is de kloof tussen links en rechts. Er is de groeiende animositeit tussen de geslachten. We leven in een wereld waar iedere gemeenschappelijkheid tussen mensen ontkend wordt, waar zelfs gesproken wordt van ‘wit denken’ en ‘feministische wetenschappen’. En in die versplinterde wereld zou binnen de tien jaar een universele eensgezindheid ontstaan? Geen mens die dat gelooft!

En toch. Op het moment dat overal ter wereld de spanningen hoog oplopen, gelooft de moderne mens meer dan ooit dat Alle Menschen Brüder kunnen worden. Hij droomt van een universele broederschap zonder zich iets aan te trekken van de realiteit. Maar juist doordat hij de ogen sluit voor de werkelijkheid verwordt zijn ideaal tot een machtsfantasie. De klimaatbetogers dromen niet van een wereldwijde samenwerking tussen vrije geesten, ze dromen van een sterk gezag dat drastische maatregelen neemt, de schuldigen hard aanpakt en andersdenkenden het zwijgen oplegt. Dat is waar de scholieren om roepen, dat is wat de klimaatbeweging eist. Dat is tussen haakjes ook waar moslimterroristen van dromen: dat ongelovigen de mond worden gesnoerd, dat de hele wereld zich bekeert tot de islam en dat de mensheid uit louter ‘broeders en zusters’ bestaat. Het is geen toeval dat uitgerekend de groene partijen de grootste toegeeflijkheid aan de dag leggen ten aanzien van het islamitische machtsstreven. 

Idealisme en machtsstreven, het is een zoveelste onderscheid dat niet gemaakt wordt. Wat maakt de moderne mens tot zo’n onverbeterlijke dromer? Waarom blijft hij onverminderd in utopieën geloven, ook al hebben ze in de vorige eeuw de wereld tot een hel gemaakt? Waarom wil hij maar niet wakker worden? Misschien vinden we een antwoord op die vraag als we de aandacht richten op een ander onderscheid. Het kan niemand ontgaan zijn dat spijbelende scholieren bezield en geleid worden door louter meisjes: Greta Thunberg, Anuna De Wever, Kyra Gantois, Stella Van de Velde, Hanne De Guytenaer, enzovoort. Jongens komen er niet aan te pas. Ze lopen wel mee in de betogingen, maar dat is dan ook alles wat ze doen: meelopen. Ook de reacties op de betogingen zijn vrouwelijk, om niet te zeggen moederlijk: vol empathie, warme steun en aanmoediging. De ‘stoute kindertjes’ worden in bescherming genomen tegen de strenge ‘vaderlijke’ kritiek. Die wordt afgedaan als een teken van verzuring, een aanslag op het zuivere idealisme van de jeugd.

De scholierenbetogingen weerspiegelen de machtsverhoudingen in het lager en middelbaar onderwijs. Dat is de laatste 50 jaar nagenoeg compleet ‘vervrouwelijkt’: mannelijke leerkrachten zijn bijna niet meer te vinden. Soms is de klusjesman nog de enige man die in een school werkzaam is. Dit fenomeen beperkt zich overigens niet alleen tot het onderwijs: vrouwen zijn op alle gebieden aan een opmars bezig. De hele moderne wereld is in snel tempo aan het ‘vervrouwelijken’. Na duizenden jaren van patriarchaat, vrouwenonderdrukking en mannelijk geweld (onder meer tegen moeder Natuur) is dat een begrijpelijke en zelfs noodzakelijke reactie. Maar deze inhaalbeweging gaat gepaard met zoveel agressie en wraakzucht dat ook hier het ideaal – de gelijkheid van man en vrouw – nauwelijks nog te onderscheiden valt van het machtsstreven. Sinds de metoo-beweging is de jacht op mannen geopend en spreekt men van ‘toxische mannelijkheid’ alsof mannelijkheid een vergif is waarvan de wereld gezuiverd moet worden. 

Mannen zijn inderdaad verantwoordelijk voor bijna alle geweld dat de wereld ooit getroffen heeft. De klimaatbeweging is een strijd tegen één van de gevolgen van dit mannelijk geweld. In groene kringen leeft deze anti-mannelijkheid heel sterk: men is het er roerend over eens dat de aarde beter af zou zijn zonder de mens. Ten aanzien van de natuur is de mens wat de man is ten aanzien van de vrouw: een afwijking, een afsplitsing, een kind dat zich tegen zijn moeder keert. Mannelijkheid is synoniem met dualisme, verdeeldheid, onenigheid, wrijving, botsing, geweld. Vandaar ook dat sommige feministen ervoor pleiten om het voortaan zonder mannen te doen: de wereld kan er alleen maar beter van worden. Vandaar ook dat groene jongens proberen de natuur ‘in zijn oorspronkelijke staat te herstellen’. Vandaar ook dat links probeert om rechts uit te schakelen (want links is vrouwelijk en rechts is mannelijk). De ‘vervrouwelijking’ van de moderne wereld blijkt in hoge mate een ont-mannelijking te zijn.

Dat is opnieuw een reactionaire beweging, een poging om de ontwikkeling om te keren, want die gaat van vrouwelijk naar mannelijk. Ieder mens is oorspronkelijk vrouwelijk, pas in de loop van zijn ontwikkeling treedt de scheiding der geslachten op. Aan deze ‘vermannelijking’ van de mens hebben we onze vrijheid te danken en ook ons vermogen om lief te hebben. We betalen er wel een zware prijs voor, maar op de een of andere manier bezit ‘het mannelijke’ het vermogen om zijn eigen gewelddadigheid te overwinnen, iets wat van moeder Natuur niet kan gezegd worden. De vrije samenleving – waarin fysiek geweld vervangen is door de botsing van ideeën – is een ‘mannelijke’ prestatie. Deze choc des idées is nog altijd een vorm van geweld, maar het is toch al een enorme stap vooruit, een stap die de hele wereld ons benijdt. Maar de vervrouwelijking – of beter ontmannelijking – van de moderne samenleving dreigt deze stap weer ongedaan te maken. 

De klimaatbeweging wijst ideëel geweld af: ze weigert het debat, beschouwt andersdenkenden als halve misdadigers. Dat veroorzaakt een roes van eensgezindheid en solidariteit waarop echter vroeg of laat de kater zal volgen. Tijdens een klimaatconferentie in Brussel werd premier Michel onderbroken door activisten van Extinction Rebellion die schreeuwend eisten dat de noodtoestand werd afgekondigd. Dat is nog een stap verder dan de drastische maatregelen waar de scholieren om vragen. Het is een pleidooi om de democratie af te schaffen. Geen wonder dat Michel stond te glunderen: het is de natte droom van iedere machthebber dat de bevolking hem volmachten geeft. Hoe kinderlijk naïef is het niet om te geloven dat deze volmachten niet misbruikt zullen worden, dat ze de bevolking ten goede zullen komen, dat ze de wereld zullen redden. Dergelijk geloof is gewoon zelfvernietigend gedrag. In de ‘vervrouwelijking’ van de wereld is een kwaadaardige geest geslopen die van de utopische dromen apocalyptische nachtmerries wil maken. 

Gisteren was Greta Thunberg in Brussel, het autistische meisje dat dankzij haar klimaatactivisme uit een diepe depressie kroop. Men mag er niet aan denken in welke depressie ze terecht zal komen als haar dromen niet blijken uit te komen. De betogersaantallen lopen zichtbaar terug. Sommige scholieren gaan reeds betogen uit protest tegen het feit dat ze verplicht worden om te gaan betogen. Sommige scholen beschouwen het als spijbelen als leerlingen niet willen spijbelen. Het begint stilaan lachwekkend te worden en hopelijk komt er vlug een eind aan deze klimaatwaanzin. Wat we meemaken is een soort massale black out, een collectieve bewustzijnsverdoving bij het blanke, intellectuele, welgestelde deel van de bevolking. Dat is veel verontrustender dan de opwarming van de aarde. Rudolf Steiner wees honderd jaar geleden reeds op het gevaar van dit ‘slaapwandelen’ en steeds weer maande hij ons aan om wakker te blijven. We moeten ons niet verzetten tegen het kwaad, zei hij, we moeten het doorzien.

Brossen voor de bossen (4)

  

Scheldewindeke begot