Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Gevaccineerd! (2)

  

In Vlaanderen is 99,78 procent van de 65-plussers gevaccineerd. Zo stond het onlangs in de krant. Joris Moonens, woordvoerder van Zorg en Gezondheid, verklaarde trots: je zult lang moeten zoeken voor je iemand vindt die niet gevaccineerd is. Nochtans is dat zogenaamde ‘vaccin’ in werkelijkheid een experimenteel genetisch middel waarvan niemand weet hoe het menselijk lichaam erop zal reageren. Dat geven zelfs de meest fervente voorstanders toe. Aangezien het risico dat je sterft aan corona heel klein is als je niet oud en ziek bent, is er geen enkele reden om de hele mensheid – kinderen inbegrepen – tot proefkonijn te maken in een medisch experiment waarvan de uitkomst onzeker is. Bovendien zijn de directe bijwerkingen van het ‘vaccin’ veel ernstiger dan verwacht en waarschuwen experts voor nog veel ernstiger bijwerkingen op lange termijn. Toch laat 99,78 procent van de 65-plussers zich vaccineren. 99,78 procent! Hoe valt zoiets te verklaren?

Het is een verbijsterend cijfer (als het tenminste klopt). 65-plussers behoren tot de risicogroep en het is dus begrijpelijk dat ze zich laten vaccineren, maar velen behoren ook tot de generatie van mei ’68 die zich – om het zacht uit te drukken – kritisch opstelde tegenover het establishment. Je zou dus verwachten dat deze generatie, wijs geworden na een leven vol ervaringen, zich niet zomaar leent tot een medisch experiment van de overheid. Maar wat zien we? Ze doen allemaal mee, van enige terughouding is geen sprake, integendeel. Nochtans zouden ze kunnen zeggen: ik stel mijn vaccinatie nog even uit want ik wil eerst kijken hoe de zaak zich ontwikkelt en of het vaccin werkelijk veilig is. Maar dat doen ze niet. In plaats daarvan staan ze te popelen om geprikt te worden, ze frauderen zelfs om eerst aan de beurt te komen. En als ze dan eindelijk de begeerde spuit hebben gekregen, is de vreugde zo groot dat ze met iedereen gedeeld wordt: hoera, ik ben gevaccineerd!    

Het doet onwillekeurig denken aan de jongeren die in 1914 zingend en juichend ten oorlog trokken om enkele jaren (of zelfs maanden) later vreselijk verminkt – naar ziel en lichaam – terug te keren en de rest van hun leven in ellendige omstandigheden door te brengen. Rudolf Steiner ontmaskerde de leugen dat Duitsland hier verantwoordelijk voor was. Volgens hem was Duitsland in de val gelokt en kreeg het daarna de schuld voor het hele debacle. De Europese jeugd werd massaal misleid en geslachtofferd door een kleine kring van machthebbers en bankiers. Door middel van grootscheepse propaganda stuurden ze de vreselijkste leugens de wereld in, leugens waartegen naïeve en idealistische jongeren zich niet konden verweren. De gelijkenissen met wat er vandaag gebeurt, zijn opvallend, met één groot verschil: dit keer zijn het geen onwetende jonge mensen die zich laten meesleuren in de oorlog (tegen het virus), maar oude – en verondersteld wijze – mensen.

De tweede wereldoorlog was een herhaling (of voortzetting) van de eerste. Maar nu waren de jongeren die ten strijde trokken niet meer de romantische dromers van 1914. Ze wisten – of konden weten – wat een oorlog betekende en welke gevolgen hij kon hebben. Ze hadden die gevolgen van dichtbij gezien. De meesten waren zonen van vaders die de oorlog hadden meegemaakt. Een mens vraagt zich af of die vaders hun zonen niet hebben gewaarschuwd. Maar als je beelden ziet van nazi-bijeenkomsten dan begrijp je dat hier krachten aan het werk waren waar het vaderschap niet tegen opgewassen was. De vaders gingen trouwens mee voor de bijl, veel verzet tegen het nazi-regime was er niet in Duitsland. Zelfs onder antroposofen bestond er behoorlijk wat sympathie voor de man-met-de-snor die – laten we het niet vergeten – een kunstenaar was. Trekken we die lijn verder door tot in onze tijd, dan zien we dezelfde massale steun voor het corona-regime. De 99,78 procent wordt al een stuk begrijpelijker.

Na de enthousiaste jeugd in 1914 – die nog in grote getale uit boerenzonen bestond – kwam in 1940 de enthousiaste middelbare leeftijd – die al een stuk minder ruraal was – en vandaag lijken we dus aanbeland bij de enthousiaste ouderdom die meer intellectuelen dan boerenzonen telt. En deze – veel minder naïeve, veel meer ontwikkelde en veel kritischer – ouderdom reageert op precies dezelfde manier als de onwetende jongeren uit 1914: hoera, we trekken ten oorlog, samen zullen we de vijand verslaan! Na twee keer in de val te zijn getrapt en geconfronteerd met de vreselijke gevolgen van een ‘noodzakelijke’ oorlog zou je verwachten dat we iets bijgeleerd hebben en dat we zeggen: dit lappen ze ons geen derde keer! Maar dat zeggen we dus niet, we zeggen precies het tegenovergestelde. Dit keer staan we op het punt om niet één maar vele generaties van jongeren te slachtofferen. Want als de geschiedenis zich herhaalt – en daar ziet het wel naar uit – zullen de gevolgen niet te overzien zijn.

Ik beklaag de ouders die hun kinderen willen beschermen tegen het monster dat ze kost wat kost wil vaccineren. Op termijn zullen ze die kinderen waarschijnlijk kwijtraken: de Almachtige Staat zal ze van hen afnemen om ze te beschermen tegen hun ontoerekeningsvatbaar verklaarde ouders. Zijn de kinderen al wat ouder, dan is de kans groot dat ze zich tegen hun ouders zullen keren. Een voorsmaakje daarvan krijgen we reeds in Duitse steinerscholen: gek gemaakt door de onophoudelijke propaganda in de media keren sommige leerlingen zich tegen hun leerkrachten en geven hen zelfs aan bij de politie. Het wordt dus ontzettend moeilijk om de kinderen te beschermen. Met een vaccinatiebereidheid van zo goed als 100 procent onder de Vlaamse 65-plussers, kun je je afvragen hoeveel ouders zich zullen (kunnen of willen) verzetten tegen een staat die wil experimenteren met hun kinderen. Tienduizend? Een paar duizend? Enkele honderden? Het lijkt vechten tegen de bierkaai.

Tegen deze overmacht zal uiteindelijk alleen een radicale oriëntatie op de geest helpen. Dat vereist een intensieve versterking van het Ik, die volgens Rudolf Steiner vooral bereikt wordt door middel van religie en kunst. Ouders die hun kinderen willen beschermen, zullen ze van kleins af een religieuze en kunstzinnige opvoeding moeten geven. Dat houdt in dat ze ook zichzelf op dat vlak zullen moeten opvoeden, want bij kleine kinderen werkt alleen het voorbeeld. Zeker wat het religieuze betreft zal die zelfopvoeding gepaard moeten gaan met geesteswetenschappelijk inzicht, want voor de meeste moderne mensen is religie een ver-van-mijn-bed-show. Maar ook de stap naar de antroposofie is slechts voor weinigen weggelegd, en hier tekent zich de scheiding der geesten af die Rudolf Steiner voorspeld heeft. Het zal waarschijnlijk slechts een heel kleine minderheid zijn die in staat is zich (geestelijk) te verzetten tegen de geallieerde aanval van de tegenmachten – Lucifer, Ahriman en Sorat – die vandaag plaatsvindt.   

De strijd tegen de tegenmachten zal dus in de allereerste plaats een strijd om inzicht zijn. En dat brengt ons weer bij de vraag: hoe komt het dat zoveel mensen staan te springen om als proefkonijn te mogen fungeren in een mondiaal genetisch experiment? Vanwaar dat blinde enhousiasme dat in het verleden al meer dan eens zelfvernietigend is gebleken? Wat brengt mensen tot zo’n ondoordacht en roekeloos gedrag? Ze lijken wel paarden die de stal ruiken en niet meer te houden zijn. Het is inderdaad alsof een of ander visioen van ‘thuiskomen’ hen alle bezinning doet verliezen en hen recht in hun ongeluk doet lopen. Is dat visioen werkelijk de belofte dat ze dankzij het vaccin weer zullen kunnen terugkeren naar hun ‘stal’, dat wil zeggen naar hun oude, vertrouwde leven? Dat zal zeker meespelen, maar het verklaart toch niet het blinde enthousiasme, want de laatste decennia heerste er juist een stijgende onvrede met dat oude leven. Iedereen verlangde naar een nieuwe, betere wereld.

Nee, het is uitgesloten dat dit vooruitzicht een hele bevolking zo gek krijgt dat ze zich massaal laat inspuiten met een verdacht goedje. Dat kun je misschien verwachten van een klein kind dat zich door een snoepje laat verleiden, maar niet van volwassen mensen, niet van 65-plussers die een leven vol kritiek op de machthebbers en het establishment achter de rug hebben. Het moet iets anders zijn dat hen hun bezinning doet verliezen, iets veel groters. En wat kan de kritische, zelfbewuste mens van vandaag zo buiten zichzelf brengen dat hij alle terughouding laat varen, alle wantrouwen overboord gooit en zich met huid en haar overgeeft aan een chemische verlosser? Dat kan alleen een geestelijke verlosser zijn, iemand waarvan hij dacht dat hij niet bestond, een niet-materiële werkelijkheid die hem compleet vloert. Als antroposoof weet je natuurlijk meteen waar het om gaat: het gaat om een visioen van Christus, de grote Verlosser die de mens ontmoet wanneer hij over de drempel gaat. 

De corona-maatregelen creëren een doodservaring. Mensen worden bij wijze van spreken de keel dichtgeknepen tot op het punt dat ze de dood voor ogen zien en dan wordt hen ‘het vaccin’ voorgehouden als datgene wat hen zal redden, als een pseudo-Christus zeg maar. Er wordt met andere woorden een situatie geschapen die het materiële spiegelbeeld is van de christelijke inwijdingsweg, van het Stirb und Werde dat als een oerbeeld diep in eenieders ziel leeft. De kern van dat oerbeeld is de ontmoeting met Christus, dat weten we uit getuigenissen over bijnadoodervaringen: het is Christus, het wezen van de alomvattende liefde, die ons aan de andere kant opwacht. Hem ontmoeten, voelt als thuiskomen. De ontelbaren die in de spuit hun ‘verlosser’ zien en er alles voor over hebben om gevaccineerd te worden, zijn het slachtoffer van een Christus-visioen dat in hen wordt gewekt door het zorgvuldig geregisseerde corona-theater dat vandaag overal ter wereld wordt opgevoerd. 

Dat theater is een zwart-magisch ritueel. Dat het ‘per ongeluk’ zou zijn ontstaan, is heel, heel onwaarschijnlijk. Alleen al het feit dat men er nu op aanstuurt om ook kinderen te vaccineren, verraadt kwaadaardig opzet, want er is geen enkele, maar dan ook geen enkele acceptabele reden om kinderen – die geen enkel risico lopen – massaal te gaan vaccineren met een genetisch middel dat hen alleen maar schade kan toebrengen. Dat een zo demonische onderneming geen golf van ontzetting door de bevolking doet gaan, is onbegrijpelijk, temeer daar het een herhaling dreigt te worden – op nog veel grotere schaal zelfs – van wat er tijdens beide wereldoorlogen is gebeurd: het massaal slachtofferen van jonge mensen. Als de dreiging van een wereldwijd kinderoffer de mensheid niet wakker maakt, zal niets haar nog kunnen wakker maken. En op dat wakker-worden anticiperen de zwart-magische krachten door de anti-vaxxers – die voornamelijk bestaan uit ouders die hun kinderen willen beschermen – te demoniseren. 

Alleen al de dubbele x in het woord ‘anti-vaxxer’ heeft iets demonisch, alsof men deze mensen het teken van het Beest op het voorhoofd wil prenten. Dat is dan ook wat de Antichrist – het Beest uit de Apocalyps – voortdurend doet: hij projecteert zichzelf op zijn slachtoffers, hij stelt ze voor als beesten, als demonische wezens die de hele mensheid in gevaar brengen en derhalve uit alle macht moeten bestreden worden. De Antichrist is de Grote Beschuldiger, hij beschuldigt mensen van wat hij zelf doet. Dat is zo grof, zo grotesk en zo leugenachtig dat het … geloofd wordt. Niemand kan zich voorstellen dat mensen met zoveel verontwaardiging beschuldigd zouden worden als de beschuldigingen niet terecht waren. Het komt er eigenlijk op neer dat men niet kan geloven dat er een kwaad bestaat dat zo kwaadaardig is dat het onschuldige mensen als beesten afschildert – en uiteindelijk ook behandelt. Wir haben es nicht gewusst, betekent vooral: wij konden het niet geloven, wij durfden het niet geloven. 

Volgens Rudolf Steiner is de confrontatie met het kwaad de grote opgave van de hedendaagse (en toekomstige) mens. Daarmee bedoelde hij ongetwijfeld niet alleen de onbewuste confrontatie (de beproeving) maar ook – en vooral – het bewuste onder ogen zien van het kwaad. Dat is de tweede grote stap in de strijd om inzicht. De eerste stap is het accepteren van de geesteswetenschap, de wetenschap dat er naast de materiële wereld ook nog een geestelijke wereld bestaat. Dat is reeds een heel grote stap. Het vergt een levenslange (om)scholing dat in te passen in het materialistische wereldbeeld dat we met de moedermelk hebben binnengekregen, het is niet iets wat je in een vingerknip doet. Maar de geestelijke wereld waar we op deze manier kennis mee maken is nog in hoge mate luciferisch. De inhoud mag dan wel christelijk zijn, de vorm – abstracte ideeën – is dat niet. Omdat de geest – in tegenstelling tot de materie – geen directe ervaring is, blijft hij voor ons in eerste instantie ‘het geheel andere’. 

Deze luciferische wereld – ver verwijderd van onze dagelijkse, materiële wereld – is als een zoete droom waar we ons graag aan overgeven. Daar is op zich niks mis mee, het is de eerste fase in onze kennismaking met de wereld van de geest: we moeten ons hart weer laten spreken. Dat hart is echter lang niet zo wakker als ons hoofd. Het is een dromer en loopt daarom groot gevaar misleid te worden. Daarom moeten we ook de tweede stap zetten: het hart moet wakker worden, we moeten ontwaken in deze luciferische droom, en dat gebeurt wanneer we de confrontatie met Ahriman aangaan. Het is voor de ‘spirituele mens’ een bittere ervaring vast te stellen dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is in de geestelijke wereld, dat er goede én kwade goden bestaan. Hij moet nu leren inzien dat de echte geestelijke wereld hier en nu is, en dat hij verdomd goed uit zijn doppen moet kijken om niet misleid te worden. Rudolf Steiner zei het al: voor elke stap op geestelijk gebied moeten we drie stappen op moreel gebied zetten. 

Gevaccineerd!

  

Ziezo! Ik ben net naar http://www.laatjevaccineren.be gesurft en heb daar na het intikken van mijn code laten weten dat ik bedank voor de spuit. Het was geen moeilijke beslissing, ze was 40 jaar geleden al genomen. Toen heb ik me eens laten overhalen om me te laten vaccineren tegen de griep. Dat jaar heb ik in plaats van géén griep twee keer de griep gekregen. Ik hoefde er niet lang over na te denken: geen vaccins meer voor mij! Nochtans ben ik niet principieel tegen vaccins. Als ik morgen naar Afrika zou moeten reizen – wat God verhoede – dan zou ik mij zeker laten inenten tegen malaria en wat voor akelige ziekten je daar nog allemaal kunt oplopen. Maar inenten tegen de griep? Waar is dat goed voor? Ik heb griep altijd ervaren als een zuivering: lastig, heel lastig soms, maar nadien voelde ik me altijd als herboren. Een mens heeft dat af en toe nodig. Als je al die relatief onschuldige ziekten gaat vermijden, zou het wel eens kunnen dat je later een great reset nodig hebt. 

Het is lang geleden dat ik nog eens griep heb gehad. Eigenlijk vind ik dat jammer. Al m’n kwalen zijn van het koude soort en ik zou best eens wat zuiverende koorts kunnen gebruiken. Intussen ben ik echter op een leeftijd gekomen dat je de rekening begint te betalen van wat je vroeger hebt gedaan of juist niet gedaan. Daar komt nog eens bij dat ik sinds mijn verhuizing naar Zegelsem lijd aan een posttraumatische stress-stoornis waardoor ik teveel ga eten en nog dikker word dan ik al ben. Met andere woorden, ik ben een risicogeval. Een corona-griepaanval zou me wel eens fataal kunnen worden. Dat maakt van mijn vaccinatie-weigering toch wel een serieuze beslissing, en ik weet niet zeker of het wel de juiste is geweest. Misschien was het in mijn geval toch verstandiger om mij te laten vaccineren. Misschien ook niet. Ik heb op facebook al teveel akelige foto’s en verhalen zien passeren om nog te geloven dat er geen risico’s verbonden zijn aan het vaccin. Kortom, ik weet het niet.

Een argument dat je in dat geval vaak te horen krijgt, is: als je het niet voor jezelf doet, doe het dan voor de anderen! Wees niet egoïstisch, wees solidair! Maar laat dat nu net het argument zijn dat mij heeft doen beslissen om me niet te laten vaccineren! Want ik heb me natuurlijk niet alleen gebaseerd op die ene slechte ervaring van 40 jaar geleden. Ik heb nagedacht over de hele kwestie en ben tot de conclusie gekomen dat de corona-vaccinatie geen goede zaak is voor de mensheid. Voor mezelf weet ik het niet. Als ik de zaak louter egoïstisch bekijk, is het een dubbeltje op z’n kant en zou ik (heel) misschien overgehaald kunnen worden om me alsnog te laten vaccineren. Maar benader ik de zaak louter altruïstisch, en denk ik alleen aan de anderen en aan de mensheid als geheel, dan is er voor mij geen twijfel mogelijk: ik laat me niet vaccineren. Uit solidariteit. Ik wil er door mijn instemming niet toe bijdragen dat vaccineren het nieuwe normaal wordt. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. 

Ik weiger het vaccin dus niet uit egoïsme, maar uit principe. Door die twee aspecten te onderscheiden en afzonderlijk te bekijken, is het voor mij duidelijk geworden wat ik moest doen. Zelfs als ik nu corona kreeg en doodging, zou ik mijn beslissing niet betreuren. Ik heb ze immers niet voor mezelf genomen, ik heb ze uit principe genomen. Ik wil niks te maken hebben met de wereld zoals die zich nu aandient, een wereld waar mensen zich voortdurend moeten laten testen, controleren en vaccineren, een wereld waar iedere griepepidemie een voorwendsel wordt om maatregelen te nemen die een normaal leven onmogelijk maken. Het moderne leven is zo al krankzinnig genoeg, een corona-maatschappij kan ik er niet nog eens bij hebben. Ik geloof trouwens niet dat de corona-maatregelen van voorbijgaande aard zullen zijn, zo van: we bijten even op onze tanden, laten ons twee keer vaccineren en dan zijn we ervan af. Nee, volgens mij is de geest uit de fles en met die geest wil ik absoluut niet solidair zijn.

Het is natuurlijk gemakkelijk gezegd dat ik geen spijt zal krijgen van mijn beslissing. Mocht ik echt ziek worden, zou ik wel anders piepen. Maar ik ben dus echt ziek geworden, veertien dagen na mijn weigering, alsof de duivel ermee gemoeid was. Het begon met algehele mottigheid. De volgende dag kwam daar een verscheurende hoest bij, waardoor het leek of de linkerkant van mijn borstkas telkens met pijlen werd doorboord. En ten slotte was er ook een doordringende, zeurende pijn in mijn linkerschouder die uitstraalde naar mijn hele arm. Nee, het was goed mis daar aan mijn linkerkant. Mijn vrouw kon het uiteindelijk niet meer aanzien en belde de dokter. Bent u gevaccineerd? was het eerste wat hij vroeg. Nee, antwoordde ik, in het midden latend of ik al was uitgenodigd of niet. Dan zou het best wel eens covid kunnen zijn, zei hij na geluisterd te hebben naar mijn klachten. Daar had ik natuurlijk zelf ook al aan gedacht. Vaccin weigeren en twee weken later ziek? Dat leek sterk op instant karma

Ik zuchtte. Gezond in Zegelsem was al geen pretje, maar ziek in Zegelsem … Toch kwam het geen moment in me op om te denken: had ik me maar laten vaccineren! Juist omdat mijn beslissing principieel en ethisch was, veranderde mijn persoonlijke lot niks aan mijn overtuiging dat het de juiste beslissing was geweest. Dat het voor mezelf slecht kon aflopen, had ik ingecalculeerd. Trouwens, ik was nog niet dood. Ik bleek zelfs geen koorts te hebben. Toen de dokter een knijpertje op m’n wijsvinger schoof, las hij daarop af dat mijn hartslag versneld was – maar dat is normaal als je zo hevig moet hoesten – en dat mijn longsaturatie – de zuurstofopname – in orde was. Het zal dus toch geen covid zijn, concludeerde hij. En dat kunt u allemaal aflezen aan zo’n knijpertje? vroeg ik hem. Jaja, knikte hij, alsof het hemzelf ook nog een beetje verbaasde. Daarna nam hij een ouderwetse stethoscoop en luisterde naar mijn longen. Daar bleek behoorlijk wat ruis op te zitten. Waarschijnlijk bronchitis, besloot hij.

Maar, voegde hij eraan toe, ik ben toch verplicht u te testen op corona, dat is tegenwoordig de regel. Hij haalde een lang wattenstaafje uit de verpakking en duwde dat diep in mijn neus. Op slag voelde ik me nog een stuk solidairder dan ik al was. De gedachte dat miljoenen mensen – kinderen inbegrepen – deze kwelling moesten ondergaan, schokte me. Nooit had de kwaadaardigheid van de hele corona-aanpak me duidelijker voor de geest gestaan dan nu. Zo’n PCR-test is zoniet een foltering, dan toch zeker een geval van grensoverschrijdend gedrag. Zoiets doe je niet om ‘eventjes te controleren’ of iemand al dan niet besmet is. Het was een uiterst onaangename ervaring en ik trok precies hetzelfde gezicht dat ik al talloze keren op krantenfoto’s had gezien. De volgende dag zat er zelfs bloed in m’n neus. Nee, dit klopte van geen kanten. Met een simpel knijpertje kan een arts nagaan of mijn longen genoeg zuurstof opnemen, maar om een virus op te sporen moet hij zijn toevlucht nemen tot een middeleeuws marteltuig?

We zien voortdurend foto’s van corona-patiënten in het ziekenhuis, omringd door de meest gesofisticeerde technologische apparatuur. Het is een beeld van de moderne materialistische geneeskunde. Wat zijn ze trots op hun machines, de hedendaagse artsen! Liefst van al zouden ze zelf een machine worden die dwars door de mens heen kijkt en alles ziet wat daar fout gaat. Maar om een corona-virus te kunnen betrappen, gedragen ze zich opeens als een kwakzalver die mensen een houten stok tot bijna in hun hersens boort. Dagen later had ik er nog last van. Het stond voor mij als een paal boven water: dit lappen ze mij geen tweede keer! Als ze mij nog eens wilden testen, moesten ze maar iets anders bedenken. In geen geval liet ik mij opnieuw zo’n stok in de neus duwen. Gelukkig bleek de uitslag (een paar dagen later) negatief te zijn. Maar de gedachte dat zelfs kleine kinderen deze kwelling bij herhaling moeten ondergaan, deed m’n verstand stilstaan. 

Mocht ik nog enige twijfel gekoesterd hebben, dan nam deze PCR-test hem definitief weg. Het is al erg genoeg dat we met man en macht worden aangespoord om als proefkonijn te dienen in een medisch experiment waarvan de afloop onbekend is, maar het is ronduit onaanvaardbaar dat we voortdurend onderworpen worden aan zo’n pijnlijke, primitieve test. Waar is de solidariteit met de ontelbare kinderen die zo’n traumatische behandeling moeten ondergaan? Een pedagogische tik mag niet meer, maar dit wel? Denken de pro-vaxxers daar wel eens aan wanneer zij zich – door zich te laten vaccineren – principieel akkoord verklaren met dit soort grensoverschrijdend gedrag? En dan hebben we het nog niet over het al even vernederende dragen van maskers, afstand houden, ontsmetten, in quarantaine plaatsen, enzovoort. Waar denken die fanatieke pro-vaxxers eigenlijk aan? Niet aan de anderen, zoveel is zeker. Ze denken alleen aan hun eigen hachje, daar moet alles voor wijken, zelfs kinderen, vooral kinderen.

En uitgerekend deze egoïsten – die bereid zijn de hele vrije samenleving op te offeren voor hun eigen (gevoel van) veiligheid – verwijten anderen dat ze egoïstisch zijn! Het zou om te lachen zijn als het niet zo tragisch was. Want heel dit schijnheilige gedrag is gebaseerd op een blind geloof in de medische wetenschap, dezelfde medische wetenschap die zeer hoog staat – volgens sommigen zelfs op nummer 1 – op de lijst met voornaamste doodsoorzaken. Volgens deze levensgevaarlijke wetenschap kan het coronavirus alleen onder controle worden gehouden door middel van groepsimmuniteit en daartoe moeten zoveel mogelijk mensen – minstens 70 percent van de bevolking – zich laten vaccineren. Daarop steunt het verwijt van egoïsme: wie zich niet laat vaccineren brengt de groep in gevaar. Maar dit soort groepsimmuniteit is een fabeltje. Voor de mazelen is er een vaccinatiegraad van meer dan 95 procent en toch zijn er nog altijd uitbraken. Het solidariteitsargument is dus niet alleen moreel maar ook feitelijk zeer dubieus. 

Chemische groepsimmuniteit is een illusie omdat een vaccin geen volledige bescherming biedt en ook de verspreiding van het virus niet tegenhoudt. Wie pech heeft en de mazelen op latere leeftijd krijgt, kan flink in de problemen komen en zelfs sterven. Dat zou allemaal niet gebeuren als er niet gevaccineerd werd, want kinderen krijgen de mazelen doorgaans op zeer jonge leeftijd en zijn daar goed tegen bestand waardoor ze levenslange (natuurlijke) immuniteit verwerven. Maar de medische wetenschap heeft het plan opgevat om de ongevaarlijke mazelen uit te roeien, met als resultaat dat ze nu gevaarlijk zijn geworden. Heeft de medische wetenschap daar iets van geleerd? Ja, dat er nog méér moet gevaccineerd worden. Het lijkt het communisme wel. Dat heeft in de vorige eeuw 100 miljoen doden gekost, en welke oplossing heeft men daarvoor gevonden? Jawel, nog méér communisme. Alles wat rechts is – en het coronavirus is zo rechts als Jürgen Conings – moet uitgeroeid worden, pas dan kan er vrede en veiligheid heersen.

Vijftig jaar geleden reeds stelde men vast dat het sterftecijfer daalde telkens de artsen in staking gingen. Sindsdien is het gebruik van medicijnen alleen maar toegenomen en is de medische wetenschap een van de grootste gevaren voor de volksgezondheid geworden. Hoe reageert de medische wetenschap daarop? Door plankgas te geven. Ze wil nu in één keer de gehele wereldbevolking vaccineren met een experimenteel genetisch middel dat nauwelijks getest is. Dat is geen wetenschap meer, dat is verslaafdheid. Ik ken het fenomeen maar al te goed. Als ik mij slecht voel dan ga ik te veel eten. Als ik te veel eet, ga ik me slecht voelen. Dat los ik op door nog meer te eten, waardoor ik me nog slechter voel, enzovoort. Met drinken gaat het net zo. Wat doe je tegen een kater? Drinken natuurlijk. En zo doet de medische wetenschap het ook. Haar middelen hebben bijwerkingen? Daar vindt ze nieuwe middelen voor uit, die op hun beurt bijwerkingen hebben. En intussen rinkelt de kassa.

Als het coronavaccin sterke bijwerkingen zou gaan vertonen, dan kan men er donder op zeggen dat ze bestreden zullen worden met … nog meer vaccinaties. Op die manier gaan we naar Amerikaanse toestanden en wordt onze gezondheid geruïneerd. Zal de medische wetenschap daar iets uit leren? De vraag stellen is ze beantwoorden. Heeft Marc Van Ranst het afgelopen jaar iets bijgeleerd? Hij is alleen maar arroganter en zelfverzekerder geworden. Zo vergaat het ook de medische wetenschap, en niet alleen de medische trouwens. Alle Lust will Ewigkeit, tiefe tiefe Ewigkeit, wist Nietzsche. De hele moderne wetenschap wordt gedreven door een ahrimaanse machtswellust die geen grenzen kent en de mensheid zal meesleuren in haar onvermijdelijke val. De solidariteit waarop de pro-vaxxers aandringen, is solidariteit met dit zelfvernietigende gedrag: allen samen de afgrond in, niemand mag achterblijven. Het is in wezen solidariteit met Ahriman. En dat allemaal in naam van de volksgezondheid. 

Het tragische van de hele zaak is dat het niet de eerste keer is dat dit soort solidariteit optreedt. Honderd jaar geleden besloot de Duitse overheid eveneens krachtig op te treden in naam van de volksgezondheid. Ze wilde – het was de tijd van de eugenetica – de genetische samenstelling van de Duitse bevolking verbeteren. Daarin werd ze massaal gesteund door de intelligentsia en de medische sector, net als vandaag. Wie zich verzet tegen de genetische ingreep die het coronavaccin ontegensprekelijk is, wordt verweten asociaal en egoïstisch te zijn én een gevaar voor de volksgezondheid. Daarom krijgt de gele jodenster vandaag een opvolger: het groene vaccinatiebewijs. Wie kon destijds bevroeden dat die leuke ster de voorbode was van Auschwitz? Ongetwijfeld alleen komplotdenkers, wappies en andere slecht geïnformeerden. Gelukkig was de meerderheid van de bevolking toen niet egoïstisch maar solidair en luisterde ze – net als vandaag – braaf naar de overheid … 

Joseph Beuys (2)

  

Wie begint na te denken over hedendaagse kunst komt algauw tot de conclusie dat er helemaal niet wordt nagedacht over deze kunst. Dat klinkt paradoxaal omdat er geen kunst is waarover meer boeken worden geschreven, meer artikels gepubliceerd en meer voordrachten gehouden dan juist de hedendaagse kunst. Maar al dat denken is geen echt denken. Het is niet gebaseerd op de zichtbare werkelijkheid, dat wil zeggen op de kunstwerken. Er is geen enkel verband tussen de kunstwerken en de ideeën die erover worden verkondigd. Deze laatste kunnen onmogelijk afgeleid worden uit de kunstwerken en omgekeerd kan men zich op grond van die ideeën nooit een beeld vormen van die kunstwerken. Tussen beide gaapt een diepe kloof waarover nooit wordt gesproken. Nooit wordt de vraag gesteld wat de ideeën van Joseph Beuys te maken hebben met zijn kartonnen dozen. Zelf rept hij er ook met geen woord over. De kloof tussen idee en kunstwerk is het offenbares Geheimnis van de hedendaagse kunst. 

Van dit geheim gaat een enorme kracht uit. De hedendaagse kunst heeft in pakweg 50 jaar de hele wereld veroverd en de klassieke kunst de catacomben in gejaagd. Iedereen die deze ‘hedendaagse’ wereld betreedt, voelt de intimiderende kracht die hier heerst. Het is alsof in de kloof-waarover-niemand-spreekt een geest huist die louter door zijn aanwezigheid iedereen de mond snoert. Niemand durft deze grimmige geest voor het hoofd te stoten door de vragen te stellen die zich in zijn hart opdringen. Wie dat toch doet, kan zich maar beter uit de voeten maken want de duistere geest-die-niet-gezien-wil-worden, haat ‘ongelovigen’. Cultuurbarbaren die weigeren hem de nodige eerbied te betonen, worden met veel intellectueel machtsvertoon – en nauwelijks verholen dreiging – de wereld van kunst en cultuur uitgejaagd. Ze worden gehoond en uitgescholden door de internationale gemeenschap van ‘gelovigen’ die in feite de enige echte creatie is van de geest-in-de-kloof.

Het zou net zo goed de beschrijving kunnen zijn van die andere wereldveroverende kracht, de islam. Ook die is gebaseerd op de blinde verering van een wezen – Allah – dat niet waarneembaar is en niet toegankelijk voor het denken. Daarmee staat deze godsdienst diametraal tegenover het christendom dat een goddelijk wezen vereert dat wel waarneembaar en wel toegankelijk is voor het denken. Het christelijke denken is gebaseerd op de getuigenissen van mensen die Christus werkelijk gezien hebben, niet op een openbaringstekst zoals de koran, die het product is van een inspiratie die niemand kan controleren. In het christendom is dan ook ruimte voor kritische, wetenschappelijke benadering, want Christus wil begrepen worden. De islam daarentegen wijst alle wetenschap af, want Allah wil helemaal niet begrepen worden, hij wil alleen gehoorzaamd worden. Precies dezelfde relatie bestaat ook tussen de klassieke en de hedendaagse kunst: de eerste wil kritisch benaderd worden, de tweede eist blinde onderwerping.

De islam noemt zichzelf de religie van de vrede, maar ze verovert de wereld met het zwaard. Er is met andere woorden geen enkel verband – tenzij een omgekeerd verband – tussen hoe de islam zichzelf noemt en hoe hij in werkelijkheid is. Hetzelfde geldt voor de hedendaagse kunst: ze noemt zichzelf de kunst van onze tijd, maar is in werkelijkheid een reactionaire religie die de mens tot blind geloof dwingt. De islamitische veroveringsgeest manifesteerde zich reeds in 1917 in de kunst, lang voor de moslims (opnieuw) in Europa verschenen. Je zou dus kunnen zeggen dat het de hedendaagse kunst is die het pad geëffend heeft voor wat vandaag de ‘islamisering’ van Europa wordt genoemd. Al meer dan 50 jaar is in die kunst het verbod op het denken van kracht, dat Rudolf Steiner voor het begin van de 21ste eeuw heeft voorspeld. De pensée unique die zich vandaag als een kanker over de hele wereld uitzaait, is in de hedendaagse kunst reeds lang een feit. Oscar Wilde wist het al: de werkelijkheid bootst de kunst na. 

Dit verbod op het denken gaat natuurlijk uit van Ahriman, die volgens Rudolf Steiner in onze tijd – het begin van de 21ste eeuw – zou incarneren. Dat stemt overeen met het feit dat hij Allah, die vandaag opnieuw zijn duivels ontbindt, een ahrimaanse geest noemt. We kunnen er tevens uit afleiden dat het intimiderende wezen dat zich verbergt in de kloof van de hedendaagse kunst eveneens een ahrimaanse geest is. Eigenlijk kan daar geen enkele twijfel over bestaan voor wie zijn hart laat spreken (wanneer hij naar deze kunst kijkt), of zijn verstand gebruikt (wanneer hij luistert naar de intellectualistische onzin die erover verkocht wordt). Maar dat maakt het juist zo onbegrijpelijk dat dit grauwe, afstotelijke wezen de wereld heeft kunnen veroveren en vandaag als vanzelfsprekend de plaats inneemt van het oneindig veel kleurrijker en aantrekkelijker wezen van de klassieke kunst. Het heeft zich zelfs een plaats veroverd in het hart van de antroposofie zonder dat iemand daar bezwaar tegen maakt. 

Hoe is zoiets mogelijk? Hoe is Ahriman erin geslaagd door te dringen tot in het hart van de antroposofische wereld en daar zelfs verering op te wekken? We kunnen die vraag ook stellen ten aanzien van de islam: hoe is die woestijnreligie er destijds in geslaagd (in zeer korte tijd) de helft van de christelijke wereld te veroveren en hoe slaagt ze er vandaag in ook de andere helft te veroveren? Vanwaar de enorme aantrekkingskracht van deze grote vijand van het christendom? Het is alsof de islam de – onvermijdelijke – schaduwzijde is van zijn christelijke tegenhanger. In de persoon van Jezus Christus verscheen ‘het licht der wereld’ als een impuls die de mens moest redden uit het duister van het materialisme. Het christendom was dus zeer ‘progressief’, het was een kleine avant-garde die de toekomst van de wereld voorbereidde. Maar zes eeuwen later verscheen in de persoon van Mohammed de duistere schaduw die alles ongedaan wilde maken wat het christendom in de wereld had gebracht. 

Christendom en islam horen samen als licht en duister. Het christelijke Europa heeft zich altijd moeten verdedigen tegen de niet aflatende aanvallen van de moslims. Die aanvallen waren niet enkel militair van aard, ook op filosofisch vlak moest het christendom een felle strijd voeren tegen de islam. De leidende figuur in deze geestelijke strijd was niemand minder dan Rudolf Steiner, in zijn toenmalige incarnatie als Thomas van Aquino. Zevenhonderd jaar later zou hij van de strijd tegen de arabische filosofie zeggen dat hij veel heviger was dan de fysieke strijd tegen de moslims. De geestelijke strijd die hij in de 19de eeuw tegen het materialisme moest voeren, was in feite een voortzetting van zijn middeleeuwse strijd tegen het arabisme. Hij beschouwde de moderne natuurwetenschap als een product van dit arabische denken en spande zich tot het uiterste in om haar te verlossen uit de greep van de materialistische Ahriman. Hij deed dat door haar – in navolging van Goethe – te verbinden met de kunst.

Het viel te verwachten dat deze christelijk-antroposofische impuls korte tijd later gevolgd zou worden door haar islamitische schaduw. Dat gebeurde in de vorm van de hedendaagse kunst en vooral dan in de persoon van Joseph Beuys. De man-met-de-hoed maakte gebruik van de ideeën van Rudolf Steiner zoals de islamitische geleerden destijds gebruik maakten van de ideeën van Aristoteles. Zij bogen de filosofie van Aristoteles om in materialistische zin en Joseph Beuys deed hetzelfde met de antroposofie: hij verbond haar met een kunst die uit geestloze materie bestond. Op die manier bracht hij antroposofen ertoe te geloven dat hij het ideaal van Rudolf Steiner verwezenlijkt had en dat de hedendaagse kunst een lichtbaken was waarop de antroposofie zich moest oriënteren. De oude strijd van het christendom tegen zijn islamitische schaduw speelt zich vandaag niet meer af op het vlak van religie en filosofie, hij speelt zich af op het vlak van kunst en wetenschap. 

Van deze strijd is echter zo goed als niets te merken. De antroposofie verzet zich al even weinig tegen de hedendaagse kunst als Europa zich verzet tegen haar ‘islamisering’. Integendeel, beide werken er ijverig aan mee. Zoals moslims in Europa de hand boven het hoofd wordt gehouden, zo worden Joseph Beuys en de zijnen van iedere antroposofische kritiek verschoond. Allebei kunnen ze ongestoord werken aan de vernietiging van de christelijke beschaving, want daar is het Ahriman om te doen. Kort voor zijn dood heeft Rudolf Steiner met de grootst mogelijke nadruk gewezen op wat deze vernietiging kon voorkomen: de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Niet toevallig waren dat juist degenen die in de Middeleeuwen betrokken waren bij de intense geestelijke strijd van het christendom tegen de islam. Die samenwerking vond destijds plaats over de grens tussen leven en dood heen. In onze tijd moest ze plaatsvinden tussen platonische en aristotelische zielen die – voor het eerst – samen geïncarneerd waren. 

Zoals er onder antroposofen met geen woord gesproken wordt over de relatie tussen de ideeën en de kunstwerken van Joseph Beuys, zo wordt er ook in alle talen gezwegen over de relatie tussen de (platonische) oude zielen en (aristotelische) jonge zielen. Daarmee is de vraag beantwoord hoe Ahriman is kunnen doordringen tot het hart van de antroposofische beweging: de relatie tussen beide zielengroepen is het hart van de beweging en het wordt volkomen genegeerd. Men doet geen enkele moeite om dit hart te doen kloppen, dat wil zeggen om de cruciale samenwerking tussen platonici en aristotelici tot stand te brengen. Op die manier kan de antroposofische beweging nooit een (christelijke) driegeleding worden en blijft ze een (islamitische) dualiteit. Er gaapt een diepe kloof tussen de ideeën die ze verkondigt en de ‘kunstwerken’ die ze schept. Die kunstwerken – haar maatschappelijke initiatieven – blijven in hoge mate ‘hedendaags’: ze spreken enkel een kleine intellectuele elite aan. 

De ‘antroposofische kloof’ werd voor het eerst zichtbaar na de eerste wereldoorlog, toen jonge zielen de antroposofische beweging (toen nog in hoofdzaak een oude-zielenbeweging) begonnen binnen te stromen. Vanaf dat moment moest Rudolf Steiner voortdurend bemiddelend optreden tussen beide zielengroepen. Hij was zelf het hart van de beweging en toen dat hart ophield met kloppen, viel de beweging uiteen. Pas 25 jaar later konden de brokken gelijmd worden, maar dat gebeurde in ‘hedendaagse’ stijl: zonder enig verband, zonder levend midden. Als gevolg daarvan kon de lege plaats van Rudolf Steiner ongemerkt ingenomen worden door Ahriman. Sindsdien leidt de antroposofische vereniging een kwijnend bestaan, zonder bezieling, zonder kloppend hart. Daarom kon ze ook nooit het hart van de moderne mens bereiken en bleef ze een marginaal verschijnsel dat – net als de hedendaagse kunst – bij de grote meerderheid van de bevolking alleen maar onverschiligheid, bevreemding en afkeer oproept. 

We zijn veel meer moslim dan we denken, zei Rudolf Steiner ooit tijdens een voordracht. Wie begint na te denken over hedendaagse kunst – en over de verering die Joseph Beuys ten deel valt in de antroposofische wereld – begrijpt waarom. Het islamitische intellectualisme – dat zich niks aantrekt van de waarheid – is veel dieper in onze ziel doorgedrongen dan we beseffen. Nergens komt dat zo duidelijk tot uitdrukking als in de wereld van de hedendaagse kunst waar we het volkomen vanzelfsprekend vinden geen vragen te stellen over het verband tussen de ideeën en de kunstwerken. Het is een beeld van onze onverschilligheid voor Christus, want hij is het wezen van de waarheid, hij is het gulden midden tussen de abstracte ideeën van Lucifer en de zintuiglijke materie van Ahriman. Het maakt ons niks meer uit of iets mooi is en of het ons hart aanspreekt, alles draait om lege, intellectualistische ideeën die ons het gevoel moeten geven in hogere sferen te verkeren en deel uit te maken van een uitverkoren elite. 

Een andere verontrustende uitspraak van Rudolf Steiner is dat er 100 keer meer haat dan liefde leeft in het hart van de moderne mens. Anders gezegd, Ahriman neemt in onze ziel een veel grotere plaats in dan Christus. Dat is alweer een inconvenient truth, maar ze klopt wel met de andere ongemakkelijke waarheden die we ontdekken wanneer we over hedendaagse kunst beginnen na te denken. Dat laatste is echter buitengewoon moeilijk want het dwingt ons Ik om actief te worden en orde te scheppen in de warboel Lucifer en Ahriman in onze ziel veroorzaken. Het is zoveel gemakkelijker om ons over te geven aan allerlei spiritueel klinkende ideeën en die dan op de werkelijkheid te plakken, dan om concrete ideeën uit de werkelijkheid zelf te halen, zoals een tuinier groenten kweekt. In het eerste geval laten we onze ziel verwilderen en blijft ons Ik werkloos, in het tweede geval cultiveren we notre jardin. En hoe die zieletuin er tegenwoordig uitziet toont de hedendaagse kunst: het is één groot stort, een afvalplaats. 

Dezelfde Rudolf Steiner heeft er ons echter ook op gewezen dat dit alles moet gebeuren. De opkomst van de islam, de incarnatie van Ahriman, het verschijnen van een figuur als Joseph Beuys: het hoort erbij als de schaduw bij het licht. Die schaduw is er om ons bewust te maken van het licht, want zolang we in dat licht staan, blijven we dromen. Er zijn geweldige luciferische en ahrimaanse krachten nodig om ons los te maken van Christus zodat we hem bewust kunnen leren kennen. Er is hedendaagse kunst nodig om ons bewust te maken van wat kunst eigenlijk is, en blijkbaar is er ook een figuur als Joseph Beuys nodig om de antroposofische beweging te wijzen op haar kunstzinnige ideaal, op de driegeleding met als christelijk midden – als kloppend hart – de samenwerking tussen oude en jonge zielen. Maar dan mogen we natuurlijk niet de vergissing maken de schaduw voor het licht te houden, het negatief voor het beeld. We moeten de omgekeerde wereld omkeren. 

Joseph Beuys (1)

  

Op 12 mei jongstleden zou Joseph Beuys 100 jaar zijn geworden en dat is voor antroposofen reden om nog eens de loftrompet te steken. Want Beuys is in de antroposofische wereld een ster. Velen zien hem als een lichtend voorbeeld en beschouwen hem als de belangrijkste antroposoof sinds Rudolf Steiner. Hij is in ieder geval de enige antroposoof – na Steiner zelf – die het ooit tot wereldroem heeft gebracht. Joseph Beuys belichaamde dan ook het antroposofische ideaal bij uitstek: hij was, net als Goethe, (geestes)wetenschapper én kunstenaar. Wat Rudolf Steiner zag als de voorwaarde om van de antroposofie een beslissende cultuurfactor te maken – de samenwerking van het kunstzinnige platonisme en het wetenschappelijke aristotelisme – had hij in zijn eentje tot stand gebracht. Geen wonder dat hij door heel wat antroposofen gezien wordt als een rolmodel, een na te volgen voorbeeld. Maar ze vergissen zich. Joseph Beuys is een dwaallicht, een voorbeeld van hoe het niet moet.

Voor zijn bewonderaars zal dat ongetwijfeld klinken als vloeken in de kerk. Volgens mij is het echter precies omgekeerd: niet ik ben het die vloekt, Joseph Beuys doet dat. Toen men Rudolf Steiner ooit verweet dat hij alles op zijn kop zette, antwoordde hij: de dingen staan reeds op hun kop, ik zet ze alleen weer recht. Dat is ook wat ik hier wil proberen: rechtzetten wat al zolang op z’n kop staat dat men het normaal is gaan vinden. Daarvoor moet ik opboksen tegen de vanzelfsprekendheid van datgene waar men zodanig aan gewend is geraakt dat men niet meer kan geloven dat er iets mis zou mee zijn. Ik heb het hier natuurlijk over de hedendaagse kunst waarvan Joseph Beuys een prominente vertegenwoordiger is. We beschouwen haar als de kunst van onze tijd, gewoon omdat het ons zo verteld wordt, omdat we het nooit anders geweten hebben. Op die manier is ook Joseph Beuys deel gaan uitmaken van de antroposofische wereld en het komt niet eens in ons op hem in vraag te stellen.

Het doet me onwillekeurig denken aan hoe het over 50 jaar zal zijn met het dragen van ‘mondmaskers’. Er zullen dan reeds generaties zijn opgegroeid die het nooit anders geweten hebben dan dat ze ’s morgens, samen met hun kleren, ook hun masker moeten aantrekken. Het zal niet slechts een vanzelfsprekende gewoonte zijn geworden, het zal iets zijn waar we niet meer zonder kunnen. We zullen ons bloot, angstig en weerloos voelen zonder masker. We zullen zo er zo aan gehecht zijn dat, als iemand erop zou aandringen dat masker af te zetten, we hem instinctief als een bedreiging zullen zien, als iemand die ons leven in gevaar brengt. Zo zullen heel wat antroposofen mij ongetwijfeld ook zien, nu ik hen ertoe wil bewegen eens na te denken over Joseph Beuys in plaats van hem te bewonderen zonder te weten waarom: als iemand die een bedreiging vormt voor de antroposofie. Terwijl ik niets anders doe dan een vraagteken plaatsen bij wat mijns inziens een slechte gewoonte is. 

Ik beweer geenszins de waarheid in pacht te hebben noch de figuur van Joseph Beuys te doorgronden. Daarom ben dan ik ook altijd bereid om over hem in gesprek te gaan. Maar hier duikt al een vaststelling op die ieder rechtgeaard antroposoof tot nadenken zou moeten stemmen: over Joseph Beuys is geen gesprek mogelijk. Er wordt al jaren gediscussieerd over de vraag of Rudolf Steiner een racist was en of we zijn werk al dan niet moeten zuiveren van ‘foute’ uitspraken. Er verschijnen boeken waarin Sergej Prokofieff, een andere grote naam, ervan beticht wordt de antroposofie misvormd te hebben. Zelf heeft hij een boek geschreven waarin hij Judith von Halle, een bekende mede-antroposoof, in diskrediet brengt. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te vinden van vooraanstaande antroposofen die stevig worden aangepakt. Dat moet kunnen, geen antroposofie zonder geestelijke strijd. Maar juist daarom valt het zo op dat die strijd geheel en al ontbreekt als het over Joseph Beuys gaat. 

Dit ontbreken van woord en wederwoord – dat wil dus zeggen van een wetenschappelijke benadering – geldt niet alleen voor Joseph Beuys, het geldt voor de hele hedendaagse kunst. Nergens – ook niet in de antroposofische wereld – is er een spoor van kritische bevraging van deze kunst, die nochtans schreeuwt om vragen, om reflectie, om onderzoek. Wat men telkens weer tegenkomt in de wereld van de hedendaagse kunst – en dus ook in die van Joseph Beuys – is blind geloof en verering, als had men te maken met een geest die rechtstreeks uit de hemel is neergedaald. Rudolf Steiner zei ooit dat zijn zwaarste kruis de blinde verering was die hij zo vaak ontmoette. Hij wilde helemaal niet vereerd worden, hij wilde dat zijn woorden onderzocht werden. Aan blinde gelovigen had hij niks, aan kritische onderzoekers des te meer. Hoe vreemd is het dan niet dat deze nuchtere, wetenschappelijke ingesteldheid totaal ontbreekt ten aanzien van Joseph Beuys en zijn kunst.  

Een dergelijk blind geloof is noch antroposofisch, noch wetenschappelijk, noch kunstzinnig. Het past totaal niet bij de moderne mens, die geacht wordt zelf een oordeel te vormen over de dingen waarmee hij geconfronteerd wordt. Dat is dan ook wat ik hier wil proberen: een zelfstandig oordeel vormen over de figuur van Joseph Beuys. Gemakkelijk is dat niet als het algemene oordeel zo overweldigend positief is – tenminste in de wereld van kunst en cultuur, want daarbuiten heerst een heel andere houding. Terwijl de intellectuele klasse – de kunstenaars, kunstliefhebbers, schrijvers, academici, filosofen, politici, journalisten, enzovoort – unaniem lovend zijn over de zogenaamde kunst van onze tijd, wekt ze bij de gewone bevolking – de man in de straat zeg maar – louter onverschilligheid en afkeer op. Nochtans kunnen we niet zeggen dat deze bevolking geen enkele belangstelling heeft voor kunst en cultuur, wel integendeel. Maar aan figuren als Beuys en zijn collega’s heeft ze helemaal geen boodschap. 

Dat is een eerste grote vaststelling wanneer we ons proberen een oordeel te vormen over hedendaagse kunstenaars als Joseph Beuys: ze polariseren, ze verdelen de geesten. Ze richten zich enkel tot een intellectuele elite, de rest van de bevolking stoten ze van zich af. Toch is die bevolking best wel kunstminnend, want ze loopt de musea plat, iets wat 50 jaar geleden nog lang niet het geval was. De hedendaagse kunst laat ze echter links liggen. Geen wonder, want deze kunst spreekt enkel het verstand aan, ze richt zich niet tot het gevoel zoals de klassieke kunst dat doet. Bij Joseph Beuys is deze scheiding overduidelijk: gevoelsmatig wekt zijn kunst alleen maar bevreemding en afkeer op. De enige manier om er toegang tot te krijgen, is door te gaan nadenken over de ideeën en theorieën die hij heeft verkondigd. En het moet gezegd, geen enkele kunstenaar heeft ooit meer gedacht en gesproken dan Joseph Beuys.

Kijken we naar een schilderij van Van Gogh, luisteren we naar een compositie van Bach, of gaan we gewoon naar de bioscoop, dan hebben we geen uitleg nodig. We begrijpen deze kunst intuïtief, gevoelsmatig, we scheppen er vreugde in zonder dat iemand ons moet helpen. We staan met andere woorden als zelfstandige mensen tegenover deze kunstwerken. We kunnen er desgevallend van alles over lezen, maar nodig is dat niet, integendeel. Met hedendaagse kunst ligt dat heel anders: hier staat we volkomen hulpeloos tegenover de kunstwerken. We weten niet wat we ermee moeten aanvangen, ze spreken ons niet aan. Veel werk van Joseph Beuys zouden we niet eens opmerken als we het buiten een museum of een tentoonstellingsruimte aantroffen, want het valt nauwelijks te onderscheiden van afval. Iemand moet ons dus vertellen waarom deze rommel als kunst wordt gepresenteerd. Op eigen kracht komen we daar nooit achter: het moet ons ‘geopenbaard’ worden.

De hedendaagse openbaringskunst bestaat dan ook uit twee componenten: het (materiële) kunstwerk en de (geestelijke) verklaring. Zonder die verklaring hebben de ‘kunstwerken’ geen enkele betekenis en zonder de kunstwerken heeft ook de ‘openbaring’ niets te betekenen. Beide krijgen pas betekenis – en dan in de eerste plaats de betekenis ‘kunst’ – wanneer ze samengaan. Ze fungeren als twee-componentenlijm: afzonderlijk doen ze niks, maar samen ontwikkelen ze een enorme aantrekkingskracht. De hedendaagse kunst dankt haar overweldigende succes (althans bij de intellectuele elite) niet aan haar kunstwerken en evenmin aan haar openbarende woorden, maar enkel en alleen aan het samenvoegen van beide. Joseph Beuys lijkt daar een uitzondering op te vormen omdat zijn antroposofische ideeën wél op zichzelf kunnen staan. Maar dat blijkt in de praktijk toch niet het geval te zijn. Joseph Beuys heeft geprobeerd om louter als geesteswetenschapper zijn ideeën te verspreiden, maar dat is niks geworden. 

Pas toen hij ook als kunstenaar optrad en zijn ideeën verbond met kunstwerken, kreeg hij de enorme invloed die van hem een beroemdheid maakte. Dit verbinden van ideeën met kunstwerken vormt dan ook de kern van de hedendaagse kunst. Wat deze kunst maakt tot wat ze vandaag is geworden – een kunst die de hele wereld heeft veroverd – zijn niet de kunstwerken of de ideeën, maar datgene wat beide met elkaar verbindt. Deze verbindende factor is het eigenlijke wezen van de hedendaagse kunst, het midden van een driegeleding. Neem dat midden weg en er blijven twee betekenisloze en krachteloze componenten over. Alle kracht en alle betekenis gaan uit van deze centrale factor, deze derde component. En dat is nu juist de component waar we steeds weer overheen kijken en waar nooit over gesproken wordt. Pas wanneer we de hedendaagse kunst benaderen als een driegeleding dringen we door tot haar wezen. Maar dat doen we niet. We sluiten er de ogen voor, we denken er niet over na.

Iedere kunst is driegeleed: ze bestaat uit inhoud, vorm en datgene wat die twee tot een onlosmakelijke eenheid smeedt. Dat laatste is het eigenlijke wezen van de kunst en het is geestelijk van aard: we kunnen het waarnemen, maar we kunnen het niet meten of beschrijven zoals we dat wel kunnen met inhoud en vorm. Het waarnemen van kunst is dus een bovenzintuiglijk waarnemen. Dat realiseren we ons echter pas, wanneer we inhoud en vorm duidelijk van elkaar onderscheiden. Dankzij dat onderscheid komen we tot de conclusie dat er nog een derde factor is. Op deze factor – het geestelijke midden van een kunstwerk – lijkt de hedendaagse kunst onze aandacht te willen richten door het gescheiden optreden van haar kunstwerken (inhoud) en ideeën (vorm). Ze lijkt ons wakker te willen maken voor de geestelijke dimensie van de kunst, ons te doen ontwaken uit onze dromerige, gevoelsmatige beleving (van de oude kunst). Daarom appelleert ze ook nadrukkelijk aan ons denken. 

Maar vreemd genoeg gaan we daar nooit op in. We denken niet na over hedendaagse kunst. We benaderen haar niet met een wakker bewustzijn, we vragen ons niet af wat het verband is tussen een pispot en het begrip ‘kunst’. We accepteren het gewoon, omdat iedereen het doet. Dit is kunst, klinkt het aan alle kanten, en wij geloven het. We worden er zelfs enthousiast over. Nogal wat antroposofen worden lyrisch wanneer ze het over Joseph Beuys hebben, ook al hebben ze geen idee waarom. Maar hij heeft zulke boeiende ideeën, zeggen ze. Die hebben andere antroposofen echter ook en daar doen ze lang niet zo lyrisch over – omdat ze niet in combinatie met kunst optreden. Het is de combinatie antroposofie-kunst die hen zo enthousiast maakt, maar … hen ook in slaap wiegt. Want ze stellen nooit de vraag wat die boeiende ideeën van Beuys te maken hebben met zijn kunstwerken. En zelf spreekt hij er ook nooit over. Het wezen – of de geest – van zijn kunst blijft dus in het duister. Zijn bewonderaars weten niet wat ze vereren. 

Dat is natuurlijk tegengesteld aan alles waar de antroposofie voor staat. Zij is een wetenschap die alles in het heldere licht van het denken wil plaatsen, ook – en vooral – de geestelijke dimensie der dingen. Als het echter over Joseph Beuys en de hedendaagse kunst gaat, doen (sommige) antroposofen precies het omgekeerde. In plaats van denkend door te dringen in het wezen van deze kunst, vallen ze in blinde verering voor iets dat ze niet kunnen waarnemen en dat ze ook niet kunnen begrijpen. Er wordt zelfs nooit over gesproken, als betrof het een god wiens naam niet uitgesproken mag worden. Misschien was dat in lang vervlogen tijden een gepaste houding, maar vandaag is het niets anders dan … afgoderij. Het is dan ook verbazingwekkend deze houding aan te treffen bij de moderne intelligentsia, de antroposofische inbegrepen. Geconfronteerd met hedendaagse kunst schakelen de intellectuelen van onze tijd hun denken uit en vallen in slaap. En het is een diepe slaap, waaruit ze niet wakker willen worden. 

In de hedendaagse kunst ontmoeten kunst en wetenschap elkaar. Dat levert, zoals Goethe zegt, religie op. Maar het is niet de religie die we nodig hebben. Het is een afgodendienst die ons doet terugvallen in een toestand van blinde verering die beschamend is voor ieder denkend mens en voor de antroposoof in het bijzonder. In plaats dat er een Steigerung plaatsvindt tussen kunst en wetenschap vernietigen ze elkaar en gaat het bewustzijn ten gronde dat we met zoveel moeite verworven hebben. Dat is de tragedie waarvan we vandaag getuige zijn: de zelfvernietiging van het denkende bewustzijn. Als daar geen eind aan komt, zijn de gevolgen niet te overzien. Daarom is er voor de moderne mens – en voor de antroposoof in het bijzonder – geen belangrijker opgave dan wakker te worden uit deze zelfvernietigende bewustzijnsslaap, deze religieuze extase, deze afgodendienst. En hoe kunnen we dat beter doen dan door na te denken over Joseph Beuys en de verlossende vraag te stellen die niemand stelt? 

Inferno

  

Volgens Rudolf Steiner gebeurt er op aarde niets wat niet eerst in de geestelijke wereld gebeurd is. Hij gebruikt in dat verband wel eens het beeld van het ijs: zoals ijs bevroren water is, zo is materie bevroren geest. Aardse gebeurtenissen zijn met andere woorden gestolde of bevroren geestelijke gebeurtenissen. Daarom kon Rudolf Steiner ook voorspellen: hij zag wat er in de geest gebeurde en hoeveel tijd het nodig zou hebben om te stollen tot materie en zichtbaar te worden op aarde. Aangezien het kunstzinnige vermogen verwant is aan het helderziende vermogen kunnen ook kunstenaars voorspellen, zij het niet bewust. Ze weten namelijk niet dat ze geestelijke waarnemingen hebben – tenslotte zijn ze materialistisch net als iedereen – maar die onbewuste waarnemingen komen wel tot uitdrukking in hun werk. Zo kan het gebeuren dat iemand een boek schrijft waarin – fictieve – gebeurtenissen voorkomen die later ook in de werkelijkheid plaatsvinden. Het lijkt dan of de schrijver die – reële – gebeurtenissen voorspeld heeft.

Zo’n boek was ik aan het lezen op 9/11. Het was een thriller zoals er dertien in een dozijn gaan en ik herinner me noch de titel noch de auteur. Het ging over een schimmige zakenman die het plan had opgevat alle drugkartels ter wereld te verenigen in één groot kartel. Blijkbaar bezat hij nogal wat overredingskracht want de grote drugsbazen zagen zo’n kartel-der-kartels wel zitten. Het zou een gigantische concentratie van geld worden die een ongeziene macht mogelijk maakte. Zo’n boek was het dus: derderangsfictie over een volstrekt ongeloofwaardig complot om de macht in de wereld te grijpen. Aan het hoofd van het kartel werd de grootste drugsbestrijder ter wereld geplaatst. Intussen had men ook een charismatische dominee gevonden – een volstrekt onkreukbare figuur met een groot moreel gezag – die de volgende president van Amerika moest worden. Om zijn verkiezing veilig te stellen, werden in het land bloedige aanslagen gepleegd die vervolgens toegeschreven werden aan een buitenlandse vijand. 

Zover was ik gekomen met mijn lectuur toen de buurvrouw kwam aanbellen om te zeggen dat we de televisie moesten aanzetten. Bij het zien van de beelden van de aanslag moest ik natuurlijk onmiddellijk denken aan de thriller die ik aan het lezen was. Toen er later geruchten opdoken dat de aanslag een inside job was geweest, moest ik er nog meer aan denken. Wat een merkwaardig toeval: mijn (ontspannings)lectuur liep parallel aan de realiteit! Een paar dagen later ging ik naar de bioscoop en zag daar – alweer toevallig – een film waarin een aanslag werd gepleegd met … een vliegtuig dat zich in een wolkenkrabber boorde. Ik kon m’n ogen niet geloven: nog maar een paar dagen geleden had ik zitten kijken naar soortgelijke filmbeelden, maar toen waren ze werkelijkheid geweest. Nu keek ik naar fictie – die lang vóór 9/11 moest zijn bedacht en vervolgens in de vorm van een film gegoten – en die fictieve beelden leken als twee druppels water op de beelden van de echte aanslag … 

Ook van deze film ben ik de titel vergeten. Net als het boek was hij de moeite van het onthouden niet waard, behalve dan voor die ene, heel merkwaardige eigenschap dat zijn fictie nagenoeg samenviel met de werkelijkheid. De enige acceptabele verklaring was dat beide schrijvers – die van het boek en die van de film – de aanslag in de geest hadden waargenomen, jaren vóór hij op aarde gepleegd werd. Dat het om een reële geestelijke waarneming ging, werd ook nog door iets anders ondersteund. Waar de film over ging weet ik niet meer, maar in het boek was het duivelse genie achter de aanslagen (en de greep naar wereldmacht) een uitgekookte figuur die zich op de achtergrond hield en de grote jongens liet geloven dat ze het allemaal zelf bedacht hadden. Hij was niet geïnteresseerd in roem of geld, alleen in absolute wereldmacht. Hij was de onzichtbare spin in het web en dat kwam me voor als een overtuigend portret van Ahriman. De schrijver had, zonder het te weten, een blik in de wereld van de geest geworpen.

Deze onbewuste kunstzinnige helderziendheid is typisch voor onze tijd. We vinden ze vooral in de wereld van het entertainment: in thrillers en films. Dat is ergens wel logisch want de zogenaamde hogere kunst zit helemaal in de greep van het intellectualisme en dat heeft geen toegang tot de wereld van de geest. Eén van de vertegenwoordigers van die zogenaamde lagere kunst, met een speciale antenne voor geestelijke realiteiten, is Dan Brown, de auteur van De da Vinci Code, de grootste bestseller aller tijden. Ik herinner me nog altijd dat er in de Fnac een pallet vol exemplaren van dat boek lag, een stère dus, een kubieke meter. Dat had ik nog nooit gezien en ik zou het later ook nooit meer zien. Dit onwaarschijnlijke succes was voor mij een reden om het boek niet te lezen. Als zoveel mensen er enthousiast over waren, kon het geen goed boek zijn, vond ik. Toen ik het later alsnog las, bleek dat inderdaad zo te zijn: De da Vinci Code was pulp, vakkundig geschreven pulp, maar pulp niettemin. 

Juist die artistieke banaliteit zette me aan het denken. Als het niet de kunstzinnige kwaliteit was die zoveel mensen aansprak, dan moest het de inhoud van het boek zijn. En die was inderdaad bijzonder, want hij ging over de zoektocht naar de graal. Maar hoe kon een geestelijk-esoterisch thema dat slechts bij weinig mensen bekend is, zo populair worden bij het grote publiek? Dan Brown had duidelijk een gevoelige snaar geraakt en dat bleek vreemd genoeg het graalthema te zijn. De moderne – door en door materialistische – mens is dus, zonder het zelf te beseffen, heel gevoelig voor dit esoterische thema. Dan Brown had, hoogstwaarschijnlijk per ongeluk, een onderwerp gekozen dat hij zelf niet ernstig nam, maar dat bij miljoenen lezers iets beroerde dat diep in hun ziel sluimerde en wakker werd door het lezen van zijn boek. Dat kan overigens wel kloppen met wat Rudolf Steiner zegt over de Parsifalweg, de weg naar de graal: dat is volgens hem de weg van de moderne mens.

Het is hoogst merkwaardig om een – allesbehalve voor de hand liggende – mededeling van Rudolf Steiner bevestigd te zien door iets wat volkomen tegengesteld lijkt aan de antroposofie: het mega-succes van een banale thriller. Nog merkwaardiger is dat het niet één maar twee keer kort na elkaar gebeurde. Want aan het onwaarschijnlijke succes van De da Vinci Code ging een ander onwaarschijnlijk succes vooraf: dat van de film Titanic. Ook die film had de zoektocht naar de graal tot onderwerp, zij het op een veel minder expliciete, maar juist daarom des te indringender wijze. De zoektocht naar de graal wordt in Titanic op een veel kunstzinniger, spiritueler en zuiverder manier in beeld gebracht dan in De da Vinci Code, waar het graalthema niet meer is dan een kapstok en door de schrijver zonder enig respect wordt benaderd. Een en ander was een illustratie van wat G.K. Chesterton ooit zei: het is niet de artistieke kwaliteit van een kunstwerk die het tot een succes maakt, maar de actualiteit van zijn onderwerp. 

Dat betekent dus dat de zoektocht naar de graal zeer actueel is in onze tijd en bij ontelbare mensen leeft. Dat is toch wel iets om van op te kijken, want van buitenaf gezien is daar helemaal niets van te merken. De (bewuste) belangstelling voor dit thema is heel beperkt. De meeste mensen die De da Vinci Code lazen hadden waarschijnlijk nog nooit van de graal gehoord, en de miljoenen mensen die Titanic zagen, beseften in de verste verte niet dat ze naar een moderne versie van de zoektocht naar de graal aan het kijken waren. Het enorme succes van soortgelijke boeken en films geeft aan dat er bij de moderne mens een enorme behoefte bestaat aan beelden met een diepere geestelijke betekenis. De kunstzinnige kwaliteit van die beelden speelt geen rol, het gaat om hun geestelijke inhoud. Die behoefte aan geïnspireerde beelden lijkt deel uit te maken van de zoektocht naar de graal: in zowel De da Vinci Code als Titanic is het een kunstwerk dat mensen op het spoor van de graal zet. 

In de graalliteratuur lezen we dat de graal niet gezocht kan worden, hij moet naar je toekomen. Dat paradoxale gegeven wordt duidelijk wanneer we naar De da Vinci Code en Titanic kijken. Geen enkele van de vele miljoenen lezers en kijkers was op zoek naar de graal. Ze werden er onverhoeds door overvallen, zoals dat ook met Parsifal gebeurde toen hij per ongeluk in de graalburcht terechtkwam. Wie bewust op zoek gaat naar de graal zal dat nooit doen in een goedkope thriller of een Hollywoodfilm. Het is de allerlaatste plaats waar men de graal gaat zoeken. Maar juist dat maakt deel uit van het oerbeeld. Wat voor goeds kan er uit Nazareth komen? De drie wijzen zochten de Messias in een koninklijk huis en vonden hem daar – eigenlijk – niet. Nooit zouden ze hem gezocht hebben in een stal. De gedachte alleen al! En toch was het op die meest onwaarschijnlijke plek dat de herders hem vonden – zonder hem gezocht te hebben. De hoogste geest was naar hen toegekomen, hij was afgedaald naar de laagste plek.  

Die tegenstelling tussen koningen en herders wordt gespiegeld door De da Vinci Code en Titanic. Het boek staat vol met informatie over de graal en heeft ook aanleiding gegeven tot vele geleerde beschouwingen over het graalthema en over Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci. Toch zijn in dit boek geen beelden van de echte, levende graal te vinden. Het is allemaal bedrieglijke, luciferische schijn. In de film daarentegen vinden we echte, levende beelden van de zoektocht naar de graal, ofschoon daar met geen woord over gerept wordt. Alles blijft hier op het ‘herderlijke’ gevoelsniveau. Het boek vertegenwoordigde als het ware de oude Jezusziel: boordevol kennis maar zonder levende kern. De film vertegenwoordigde dan weer de jonge Jezusziel: één en al levende kern, maar zonder kennis of bewustzijn. In de bijbel was het de oude Jezusziel die – als enige – de jonge Jezusziel begreep en er zich mee verenigde. In onze moderne tijd is er van begrip echter geen sprake en blijven beide werelden gescheiden.

Het dubbelbeeld van De da Vinci Code en Titanic – allebei afkomstig uit wat als lage kunst wordt beschouwd – toont ons heel duidelijk wat er ontbreekt in onze tijd en waardoor de graal (waar nochtans miljoenen mensen onbewust naar op zoek zijn) niet gevonden wordt: de oude-zielenwereld begrijpt de jonge-zielenwereld niet, hij merkt hem niet eens op, beschouwt hem als een achterlijke wereld die de moeite van het bestuderen niet waard is. Waar het onze tijd zo smartelijk aan ontbreekt zijn oude zielen die – zoals de solomonische Jezus – in liefde ontbranden voor de jonge zielen en hen hun wijsheid ter beschikking stellen. In plaats daarvan gebeurt het omgekeerde, zoals we dat duidelijk kunnen waarnemen in de spiegel van de – zogenaamde hoge – hedendaagse kunst: verre van zich ten dienste te stellen van de kunst, dwingt het intellect de kunst zich te onderwerpen aan haar verstarde, dode ideeën. Het resultaat is een naar beneden halen of ‘materialiseren’ van alles wat geestelijk is.

De hedendaagse kunst – die doorgaat voor de kunst van onze tijd – is het resultaat van een antichristelijke omkering. In plaats dat de kennis (als vrucht van het verleden) zich ten dienste stelt van het (toekomstgerichte) scheppende vermogen van de mens – en daardoor zelf ook weer tot leven komt – gebeurt het omgekeerde: het verstarde en arrogant geworden intellect dringt zich op aan het kunstzinnige scheppen van de mens en dwingt het om de dode ideeën een schijn van leven te geven. Daardoor lijkt het of ze toekomstgericht zijn, maar in werkelijkheid worden ze nog doder en achterhaalder dan ze al waren. Om het in bijbelse beelden te vertalen: de oude Jezus verenigt zich in onze tijd niet liefdevol met de jonge Jezus en beleeft in diens warme hart geen wedergeboorte van zijn oude wijsheid. Hij onderwerpt de jonge Jezus aan zijn wil – waar trouwens geen kunst aan is, want de jonge Jezus is één en al ontvankelijkheid – en misbruikt hem om zelf voor Messias te kunnen spelen.

Tweeduizend jaar geleden had zoiets nooit kunnen gebeuren, omdat de relatie tussen beide Jezuskinderen geïnspireerd werd door de kosmische Christus. Maar in onze tijd heeft Christus zich onderworpen aan de wil van de mens, en hangt het van deze laatste af welke relatie oude en jonge zielen aangaan. Die relatie is vandaag allesbehalve liefdevol want de intellectualistisch geworden mens kijkt met minachting neer op alles waar de jonge Jezus voor staat: hartelijkheid, onschuld, onbevangenheid, kunstzinnigheid. Niets illustreert dat beter dan het succes van de hedendaagse kunst, die tot materie gestolde ahrimaanse minachting voor de gewone-mensenwereld. We kunnen het ook aflezen aan het lot van boeken als De da Vinci Code of films als Titanic: er wordt geen enkele poging gedaan om ze te begrijpen, men vindt ze te laag, te banaal, te inferieur. Wat het moderne intellect in al zijn hoogmoed echter niet beseft, is dat het zelf veel te laag, banaal en inferieur is om de levende geest te kunnen begrijpen. 

Het lot heeft mij in contact gebracht met de wereld van de lage kunst en daar heb ik meer van opgestoken dan van welke hoge kunst ook. Ik heb er onder meer van geleerd dat het christelijke niet langer te vinden is in de hoge kunst – want die is antichristelijk geworden – maar wel in de lage kunst. Daar ligt het te wachten als een graal die ontdekt wil worden. De christelijke geest is echter niet zoeterig en sentimenteel zoals de luciferische. Dat ondervond ik toen ik na mijn verhuizing naar Zegelsem in een kartonnen doos een boek aantrof waarvan ik niet wist waar het vandaan kwam: Inferno van Dan Brown. Het bleek, zoals te verwachten was, een prul maar de inhoud was opmerkelijk: het ging over een briljante geleerde die een virus ontwikkeld had dat een eind zou maken aan het grootste van alle problemen: de overbevolking. Alweer dus een krankzinnige complottheorie zoals er vandaag zoveel de ronde doen. Gelukkig was het fictie en is iedere overeenkomst met de werkelijkheid uit de lucht gegrepen … 

The Great Reset (3)

  

We leven op het Keerpunt der Tijden. We bevinden ons precies in het midden van de mensheidsontwikkeling. Achter ons ligt een indrukwekkend verleden, vóór ons een niet minder indrukwekkende toekomst. Beide ontmoeten elkaar in onze tijd. Deze ontmoeting is het wezen van de huidige tijd, en ze komt tot uitdrukking in het feit dat twee grote idealen tegenover elkaar staan: vrijheid en eenheid. De vrijheid is het resultaat van het steeds verder opdelen van de oorspronkelijke eenheid die zich als een eicel opsplitste en in de loop der aeonen leidde tot de vorming van de individuele, vrije mens. Deze zelfstandige mens staat nu op het punt om ‘geboren’ te worden en zich weer te verbinden met andere mensen om in de loop van opnieuw vele aeonen samen te groeien tot één organisch geheel: de mensheid. Stond de eerste helft van zijn ontwikkeling in het teken van de tweedeling, dan zal dat in de tweede helft de eenwording zijn. Zo kunnen we het beeld van onze tijd in een paar grote lijnen schetsen.

We leven dus in een tijd van geboorte. Maar het is uiteraard geen fysieke geboorte die we meemaken, het is een geestelijke geboorte. In ons wordt een ‘tweede mens’ geboren, een geestelijke mens die ons wezenlijk verandert, zoals ook een fysiek kind zijn moeder verandert en van een egoïstisch, op zichzelf gericht wezen een altruïstisch, op haar kind gericht wezen maakt. Dit geestelijke kind wordt niet uit de mens geboren maar in de mens, als een soort omgekeerde, etherische geboorte, een spiegelbeeld van de fysieke geboorte. De mens waarin deze tweede mens geboren wordt, leeft niet langer alleen, hij bestaat als het ware uit moeder en kind – een oude en een nieuwe mens – die innig met elkaar verbonden zijn. Het is de nieuwe mens – het etherische kind – die de oude mens weer zal verbinden met de mensen van wie hij zich (in de eerste helft van zijn ontwikkeling) ver verwijderd had om een vrij en zelfstandig wezen te kunnen worden, dat wil zeggen om zwanger te worden van de nieuwe mens. 

Het is dus paradoxaal genoeg hetzelfde geestelijke kind dat de mens in de toekomst weer zal verbinden met andere mensen, dat hem in het verleden ook heeft losgemaakt uit de oorspronkelijke eenheid en van hem een individueel wezen heeft gemaakt. Dat kind is met andere woorden drager van zowel het sociale streven als het vrijheidsstreven van de mensheid. Het gaat hier natuurlijk om het Christuswezen, dat de mensheid in de eerste helft van zijn ontwikkeling geleid heeft als een zon, als een kosmische moeder. Op het Keerpunt der Tijden werd deze moeder kind (Christus incarneerde) en werd het kind moeder (de mens droeg Christus in zich). Het Christuswezen dat de mens altijd van buitenaf had geleid, was nu deel van de mens geworden en zou hem voortaan van binnenuit leiden – als de mens dat tenminste wilde. Want het Christuskind doet niets tegen de zin van zijn moeder: het laat het aan de individuele vrijheid van de mens over of deze (nog) door hem geleid wil worden. 

Het staat de mens van onze tijd dus vrij om Christus als (innerlijke) leider af te wijzen en andere leiders te kiezen. Aangezien de tegenmachten een essentiële rol hebben gespeeld bij de vrijheidsverwerving van de mens – ze werden door Christus gemend als een stel paarden – zien zij nu de kans schoon om zich op te werpen als de leiders van de toekomstige mensheid. Hoeveel succes zij daarbij hebben, komt tot uiting in de uitschakeling van het midden, het menselijke midden zowel als het wereldmidden. In Constantinopel, toen de geest werd afgeschaft, nam Lucifer het van Christus over. In onze tijd, nu ook de ziel wordt afgeschaft, neemt Ahriman het van Lucifer over. Beide tegenmachten zijn erin geslaagd de leiding van Christus over te nemen en Christus heeft zich daar niet tegen verzet want hij laat het aan de mens over om te bepalen door wie hij zich laat leiden. Het is de mens zelf die zich – vrijwillig – heeft overgegeven aan de tegenmachten, eerst aan Lucifer, daarna ook aan Ahriman. 

De eerste helft van de mensheidsontwikkeling stond in het teken van Lucifer (weliswaar van bovenaf gemend door de nog kosmische Christus): hij was de verleider in het paradijs, de verdeler van de eenheid, de verdeler ook van de christelijke wereld die hij langzaam maar zeker van Christus verwijderde. De tweede helft van de mensheidsontwikkeling dreigt echter helemaal in het teken van Ahriman komen te staan, Ahriman die niet langer gemend wordt door Christus maar door de Antichrist. Dat maakt van het Keerpunt der Tijden een buitengewoon precaire tijd: de mens moet nu – in volle vrijheid – beslissen door wie hij zich laat leiden: door Christus of door diens tegenpool. Want één ding moge duidelijk zijn: de vrije mens is nog niet in staat zichzelf te leiden. Hij wordt immers nog maar geboren, hij is de hulpeloosheid zelve. Hij staat dus voor de grootste keuze uit zijn bestaan, een keuze die over zijn toekomst zal beslissen: die tussen Christus en de Antichrist.

Eén blik op de Europese mens – ooit de christelijke mens bij uitstek – maakt duidelijk dat hij massaal voor de Antichrist kiest. Met name tijdens de coronacris wordt dat pijnlijk zichtbaar: de grote meerderheid onderwerpt zich gewillig aan de dictatoriale maatregelen en ziet er geen graten in om van kinderen medische proefkonijnen te maken en ongehoorzamen via een vaccinatiepas tot tweederangsburgers of zelfs misdadigers te reduceren. De overheid, het gerecht, de medische sector, de experts, de media, de intellectuelen, de kunstenaars: allemaal scharen ze zich eensgezind achter de kil cijferende Ahriman en protesteren zelfs niet tegen het brute geweld dat hij gebruikt om iedereen in het gareel te houden. In hun ogen is hij de enige hoop voor de toekomst, de enige uitweg uit een verleden dat doodziek is geworden. We zijn getuige van iets wat we nooit voor mogelijk hadden gehouden: een vrijwillig afwijzen van de vrijheid, een afstoten van het kind dat de vrucht is van het verleden, de quintessens van ons menszijn. 

Het is een verbijsterend schouwspel, een verloochenen van wat ooit het allerbelangrijkste voor ons was, datgene waar we alles voor over hadden: de vrijheid. Het is des te verbijsterender omdat het allemaal zo vanzelfsprekend gebeurt, alsof het niet anders kan. Eén ding is duidelijk: we zijn niet meer bij zinnen, anders zou het niet mogelijk zijn wat we vandaag meemaken. Ons bewustzijn is verdoofd door de angst die Ahriman ons aanjaagt. Maar die angst is niet nieuw, hij is eigen aan het materialisme, hij sluimert op de bodem van iedere mensenziel. Nu lijkt hij echter door te breken, alsof … de vliezen breken, alsof de geboorte is ingezet en enorme krachten het overnemen van de mens. Rudolf Steiner heeft voorspeld dat Ahriman in onze tijd zou incarneren en dat verklaart wat er vandaag in de wereld gebeurt: de golf van angst, de mondiale staatsgreep, de dictatuur van de cijfers. Maar zijn voorspelling wijst ook nog op iets anders: deze dingen moesten gebeuren, ze maken deel uit van de Grote Geboorte die in onze tijd plaatsvindt.

Ahriman speelt in die geboorte – zoals ook in de fysieke geboorte – een cruciale rol. Het is Lucifer die de mens in twee deelt, die hem bij wijze van spreken zwanger maakt en verdeelt in moeder en kind. Maar het is Ahriman die moeder en kind scheidt, die de navelstreng doorknipt. Hij is het die de dromerige (luciferische) relatie tussen moeder en ongeboren kind verandert in een bewuste relatie tussen moeder en geboren kind. Hij is degene die de mens wakker schudt en hij doet dat niet op zachtzinnige wijze. Was Lucifer het wezen van de tweedeling (en daarom ook van de liefde) dan is Ahriman het wezen van de scheiding (en van de smart): hij is de geweldige kracht die het kind uit de baarmoeder drijft. Hij doet dat niet uit liefde voor het kind, maar om het in zijn macht te krijgen en op die manier ook de moeder tot zijn slaaf te maken. De geboorte van de vrije mens – waarvoor hij al zijn scheidingskrachten inzet – is dan ook zijn grote kans. Hier heeft hij op gewacht, hiervoor is hij zelfs geïncarneerd.

Geboortegeweld werkt bewustzijnsverdovend. Tijdens een bevalling weet een vrouw nauwelijks waar ze is, ze heeft geen andere keuze dan mee te werken met Ahriman. Dat maakt haar bijzonder kwetsbaar en weerloos. Bij een fysieke geboorte wordt dat opgevangen door de zorg waar de aanstaande moeder als vanzelfsprekend mee omringd wordt. Tot voor kort was die zorg nog uitsluitend vrouwelijk, maar de afgelopen eeuw is ze sterk vermannelijkt. Dat is moeder en kind ten goede gekomen: de risico’s van de bevalling zijn sterk gereduceerd. Bij de geestelijke geboorte die momenteel plaatsvindt, is evenwel geen sprake van enige zorg, vrouwelijke noch mannelijke. De vrije mens wordt geboren zonder dat iemand daarop is voorbereid, een beetje zoals de vrouw die onlangs in een vliegtuig beviel omdat ze geen idee had dat ze (hoog)zwanger was. Ahriman heeft met andere woorden vrij spel. Hij maakt van de geboorte van het Christuskind een gewelddadig spektakel dat het menselijke bewustzijn met verlamming slaat. 

De moderne mens heeft geen flauw idee dat hij (geestelijk) zwanger is, hij gelooft niet eens dat zoiets mogelijk is, hij vindt het de grootste onzin. Hij wordt dan ook onverhoeds overvallen door de geboorteweeën en weet niet wat er gebeurt. Hij slaat in paniek en denkt het slachtoffer te zijn van een verschrikkelijke ziekte die hij uit alle macht moet bestrijden, wil hij ze overleven. Maar een geboorte is geen ziekte die bestreden moet worden, het is een beproeving die doorstaan moet worden en in goede banen geleid. Het is een kosmisch gebeuren dat niet tegen te houden valt. Integendeel, hoe sterker de mens er zich tegen verzet, des te meer brengt hij zichzelf – en zijn kind – in gevaar. De huidige coronacrisis is daar een voorbeeld van. Veel bedreigender dan het coronavirus zelf is de oorlog die ertegen ontketend wordt en die de mensheid pas echt in de problemen brengt. Het kwalijkste aspect van deze War on Virus is dat ze de aandacht van de mens afleidt van waar het werkelijk om gaat: de geboorte van de tweede mens. 

Speelt het menselijke bewustzijn een groeiende rol bij de fysieke geboorte – het wetenschappelijk inzicht in de geboorteprocessen heeft de bevalling een stuk veiliger gemaakt – dan is dat nog veel meer het geval bij een geestelijke geboorte. Bij een fysieke geboorte is van vrije wil nauwelijks sprake, hier is het eigenlijk het ongeboren (en nog kosmische) kind dat bepaalt wat er gebeurt. Het is een beeld van wat in ruimere zin ook het geval was gedurende de eerste helft van de mensheidsontwikkeling: de mens werd van bovenaf geleid. Bij de geestelijke geboorte van de vrije mens daarentegen – die de brug vormt naar de tweede helft van de mensheidsontwikkeling – geeft het (kosmische) kind zich over aan de (aardse) mens en laat hem bepalen wat er gebeurt. Gaat hij uit alle macht deze geboorte bestrijden als was het een dodelijke ziekte en raakt zijn bewustzijn daardoor steeds meer verdoofd, of gebruikt hij zijn bewustzijn om wakker te blijven en door te dringen tot de geestelijke dimensie van het hele gebeuren?

De geestelijke geboorte kondigt zich reeds aan in onze benadering van de fysieke geboorte. Dat kan geen verwondering baren want die twee zijn een spiegelbeeld van elkaar. Had vroeger alleen het vrouwelijk-intuïtieve bewustzijn toegang tot het geboortemysterie, dan is vandaag ook het mannelijk-wetenschappelijke bewustzijn doorgedrongen in dit gebied. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat vaders tegenwoordig zowat verplicht worden aanwezig te zijn bij de bevalling van hun kind. Dit verschijnen van de man in de verloskamer is een beeld van wat er bij de geestelijke geboorte dient te gebeuren: ons vrouwelijke aanvoelen van deze geboorte moet verhelderd worden door de mannelijke ratio. Hoe cruciaal de rol van deze laatste is, kunnen we aflezen aan de fysieke geboorte: onmiddellijk na de bevalling is moeder compleet uitgeteld en ligt de verantwoordelijkheid voor het kind geheel en al bij de vader. Hij moet erop toezien dat het kind niet in verkeerde handen valt en weer verenigd wordt met de moeder. 

In de moderne verloskamer is deze vaderlijke functie nadrukkelijk aanwezig, maar de geschiedenis van Kaspar Hauser – het kind van Europa – toont aan hoe verstrekkend de gevolgen zijn als ze niet vervuld wordt. Als een kind buiten weten van de moeder verwisseld wordt, dan heeft zij geen andere keuze dan met hart en ziel te gaan houden van het wisselkind. Daarin ligt het grote gevaar bij de geestelijke geboorte van het Christuskind: als dat verwisseld wordt voor een antichristelijk kind – omdat het mannelijke bewustzijn niet wakker genoeg is – dan kan de mens niet anders dan zich helemaal ten dienste stellen van dit duivelskind. Een concreet voorbeeld daarvan zien we in de corona-experts: het wordt steeds duidelijker dat zij op het verkeerde spoor zitten en dat hun beleid op een ramp aan het uitdraaien is. Misschien voelen zij dat zelf ook wel, maar ze kunnen niet meer terug. Ze moeten trouw blijven aan het ‘valse kind’ waarmee ze zich verbonden hebben, anders stort hun leven in elkaar. 

Hier ligt dan ook de grote opgave van de moderne mens: hij moet ervoor zorgen dat zijn bewustzijn niet uitgeschakeld wordt tijdens de geboorte van het Christuskind. Hij moet als het ware de blik gericht houden op dat kind en erop toezien dat het niet verwisseld voor een antichristelijk kind, want als hij zich daar eenmaal mee verbonden heeft, kan hij niet meer terug. Dit – michaëlische – bewustzijn van het Christuskind kan hij alleen ontwikkelen door de mannelijke en de vrouwelijke pool van zijn bewustzijn met elkaar te verbinden. Afzonderlijk zijn ze niet in staat door te dringen tot het niveau van het etherische kind en dat is het niveau waar ook de Antichrist zich ophoudt en waar hij zich voordoet als de geest van onze tijd, de hedendaagse geest, de geest van de toekomst. Het is dit – scherp onderscheidende – michaëlische bewustzijn dat zal bepalen of onze toekomst christelijk dan wel antichristelijk zal zijn. Het is het zwaard dat de scheiding der geesten zal veroorzaken.  

The Great Reset (2)

  
Volgens Rudolf Steiner vond de overgang van het drieledige naar het tweeledige mensbeeld plaats in de 9de eeuw, toen het concilie van Constantinopel ‘de geest afschafte’. Historici besteden weinig aandacht aan dit concilie, maar voor Rudolf Steiner was het een zeer belangrijke gebeurtenis waar hij vaak op terugkwam. Vandaag begrijpen we waarom: het tweeledige mensbeeld heeft zich helemaal gerealiseerd, de hele wereld is tweeledig geworden. Dat kunnen we onder meer aflezen aan de politiek, die gereduceerd is tot de tegenstelling tussen links en rechts. We kunnen er eveneens aan aflezen dat men (zoals Rudolf Steiner voorspelde) na de geest nu ook de ziel wil afschaffen, want links en rechts vormen geen ideologische tegenstelling meer, ze zijn een morele tegenstelling geworden. Het gaat niet langer om twee verschillende visies, het gaat om goed en kwaad. Links, dat zich identificeert met het goede, ziet zich moreel verplicht om het rechtse kwaad uit te roeien, anders kan er geen vrede op aarde komen.

Dat eenheidsstreven vinden we ook bij de islam, de religie van de vrede. Pas als alle mensen moslim zijn geworden, kan er vrede komen. Om dat vredesproces te versnellen, adviseert de koran om alle niet-moslims over de kling te jagen. Dezelfde instelling, zij het meer versluierd (sic) vinden we ook bij links, vandaar het onafgebroken demoniseren en beschuldigen van rechts. Dat leidt uiteraard niet tot vrede, wel integendeel. Maar links is zich van geen kwaad bewust. Het is er in zijn materialisme van overtuigd dat de (naar vrijheid strevende) ziel niet bestaat en dat vreedzame eenheid alleen bereikt kan worden door de mens te reduceren tot een (behoeftig) lichaam. Het legt dan ook alle schuld bij degenen die zich verzetten tegen de eenwording en de dualiteit instand willen houden. Tot die kwaadwilligen behoren ook de driegeleders, want zonder tweegeleding kan er geen driegeleding zijn. Volgens Rudolf Steiner was er dan ook maar één keuze: die tussen bolsjewisme en sociale driegeleding.

Die onzalige situatie kon alleen maar ontstaan doordat het concilie van Constantinopel eeuwen geleden de geest afschafte. Uiteraard werd niet zomaar alle geest afgeschaft, anders zou de kerk zichzelf opgeheven hebben, en dat deed ze juist niet. Ze reduceerde de mens tot ziel en lichaam, maar kende aan de ziel een aantal geestelijke kwaliteiten toe. Daardoor vervaagde het onderscheid tussen geest en ziel, met als gevolg dat Christus steeds meer verward werd met Lucifer. Het geloof werd luciferisch, abstract en egoïstisch, wat de ahrimaanse, machtsbeluste kerk natuurlijk goed uitkwam. De geest die zij in de 9de eeuw afschafte, was dus Christus. Het was de eerste grote slag die het middengebied te verduren kreeg, en hij kwam niet van buitenaf maar van binnenuit, van de kerk die verondersteld werd het christelijke geloof te verdedigen. Vanaf die tijd werd de kerk langzaam maar zeker een vijand van het christendom en een pleitbezorger voor het materialisme. 

In het klassieke drieledige mensbeeld werd onderscheid gemaakt tussen geest, ziel en lichaam – in die volgorde. De geest werd nog niet opgevat als een midden tussen ziel en lichaam. Dat gebeurde pas in onze tijd, toen Rudolf Steiner in zijn Mensheidsrepresentant Christus plaatste tussen Lucifer (die werkzaam is in de ziel) en Ahriman (die verwant is met het fysieke lichaam). Die verhouding bestond nog niet in de klassieke Oudheid, want Christus was nog niet geïncarneerd. Hij zweefde als het ware nog boven de aarde en veroorzaakte op die manier het zonnige en harmonische karakter van de Griekse cultuur. Christus bracht alles in evenwicht, maar deed dat van bovenaf, zoals de zon. Daarom komt de geest nog op de eerste plaats in het klassieke mensbeeld. Na de menswording van Christus verdwijnt hij als het ware in de mens, wat tot uitdrukking komt in het tweeledige mensbeeld dat door het concilie van Constantinopel wordt ingevoerd: men is het spoor van Christus bijster geworden.

De afschaffing van de geest is dus paradoxaal genoeg een gevolg van de menswording van Christus. Men nam op de een of andere manier waar dat Christus niet meer als een geest boven ziel en lichaam zweefde, maar dat hij er zich mee verbonden had. Hoe het precies zat met die verbinding was niet duidelijk. Vandaar de verwarring tussen Christus en Lucifer. Het was een echo van die andere verwarring, die tussen Christus en de solomonische Jezus. Men dacht dat deze oude Jezusziel de Messias was en bleef daardoor blind voor het feit dat Christus incarneerde in de jonge nathanische Jezusziel. Dat moest echter gebeuren opdat de Schrift vervuld zou worden en Jezus aan het kruis zou sterven. De verwarring maakte met andere woorden deel uit van het heilsplan. Ook de verwarring tussen Lucifer en Christus, die begon met het concilie van Constantinopel, moest plaatsvinden. Anders kon Christus aan het eind van de 19de eeuw niet voor de tweede keer gekruisigd worden en kon hij in de 20ste eeuw ook niet verrijzen. 

Vanuit dit perspectief kunnen we beter begrijpen wat er in die 20ste eeuw met de kunst gebeurde en waardoor de sociale driegeleding niet gerealiseerd kon worden. Het begon allemaal met de impressionisten die hun atelier verlieten om buiten te gaan schilderen. Men moet waarschijnlijk zelf geschilderd hebben om te kunnen begrijpen hoe groot die stap was. Maar de impressionisten deden niets anders dan Christus navolgen, de geest van de kunst, die zelf ook een grote stap zette door uit de fysieke sfeer van de aarde tevoorschijn te komen en zich te openbaren in de etherische sfeer. Het was die etherische sfeer die de impressionisten opzochten toen ze naar buiten trokken, de natuur in. Ze beleefden hun atelier als een gevangenis en wilden er zich uit bevrijden. De hele klassieke (atelier)kunst zat trouwens opgesloten in verstarde vormen die de kleuren gevangen hielden. Die kleuren, en daarmee ook hun eigen ziel en de hele schilderkunst, wilden de impressionisten weer tot leven wekken.

Naast de talloze materiële problemen die het plein air schilderen met zich meebracht, werden de impressionisten ook geconfronteerd met een geestelijk probleem: het oordeel van de kijker. De klassieke schilder duldde geen pottenkijkers in zijn atelier: het was een heiligdom waar alleen hijzelf (en enkele ingewijden) toegang tot hadden. Hoe zorgvuldig de ateliergeheimen bewaard werden, bleek uit David Hockney’s ontdekking van de camera-obscuratechniek die onder meer door Jan Van Eyck werd gebruikt. Het waren echter niet alleen technische geheimen die bewaard werden in het schildersatelier. Dat ontdekte Jos Verhulst toen hij de esoterische dimensie van de oude schilderkunst op het spoor kwam. Het impressionisme betekende niets minder dan een openbaarmaking van de mysteriën van de kunst. Die mysteriën – die nu in open lucht plaatsvonden – wekten het enthousiasme van het hart (van de voelende kunstliefhebber), maar stootten op onbegrip in het hoofd (van de denkende wetenschapper). 

Het eenvoudige tafereel van de kunstenaar die buiten staat te schilderen terwijl voorbijgangers toekijken, maakt zichtbaar wat zich op geestelijk gebied afspeelde tegen het eind van de 19de eeuw. Christus verliet de mysterievolle geborgenheid van de fysieke aarde (waarin hij tweeduizend jaar lang gewerkt had) en openbaarde zich in de etherische wereld. Hij betrad daarmee zijn eigen gebied – de etherwereld vormt het midden tussen de fysieke en de astrale wereld – maar stelde zich ook bloot aan het materialistische bewustzijn van de 19de eeuw en onderging dat als een (tweede) kruisiging. De etherische Christus vond weliswaar toegang tot het hart van de gewone mens – het impressionisme werd zeer populair – maar juist die populariteit was de moderne schriftgeleerden (de materialistische intellectuelen) een doorn in het oog. Zij reageerden op de openbaarmaking (of democratisering) van de mysteriën van de kunst door de hedendaagse kunst in het leven te roepen. 

Deze hedendaagse kunst was het vleesgeworden onbegrip van het materialistische denken voor de kunst, een onbegrip dat Rudolf Steiner reeds aan de kaak had gesteld in zijn esthetica. Door de gestalte van een kunst aan te nemen, drong dit intellectuele onbegrip door in het hart van de mens en begon diens natuurlijke begrip voor kunst te verlammen. Langzaam maar zeker werd de moderne mens blind voor de kunst. Hij slaagde er steeds minder in onderscheid te maken tussen wat kunst is en wat geen kunst is, en uiteindelijk zag hij zelfs geen verschil meer tussen de kunst en haar tegendeel. Nadat hij (door de afschaffing van de geest) Christus en Lucifer met elkaar begon te verwarren, slaagde hij er (door de afschaffing van de ziel) ook niet meer in Christus en Ahriman uit elkaar te houden. Vandaag vindt de modale kunstliefhebber alles kunst, hoe onkunstzinnig of zelfs anti-kunstzinnig het ook is. Hij is trots op zijn ruimdenkendheid die in werkelijkheid niets anders is dan geestelijke blindheid: hij ziet geen verschil meer tussen Christus, Lucifer en Ahriman. 

Met het concilie van Constantinopel begon een gestage verduistering van het Christusbewustzijn die zijn hoogtepunt bereikte in de 19de eeuw. In en door het impressionisme leek dat bewustzijn weer op te lichten, maar het werd brutaal de kop ingedrukt door de hedendaagse kunst die er een heel ander, antichristelijk bewustzijn voor in de plaats stelde. Alle kleur verdween uit de kunst, haar vormen werden aan stukken geslagen en de menselijke figuur werd vernederd, verminkt en vernietigd. In de spiegel van deze grauwe hedendaagse kunst zien we hoe Christus opnieuw aan het kruis wordt geslagen door het onbegrip voor zijn wezen. Deze kruisiging is geen eenmalig feit zoals 2000 jaar geleden, maar als een toestand die blijft duren zolang we geen nieuw begrip ontwikkelen voor Christus, zolang we hem met Lucifer of Ahriman blijven verwisselen. Tot dat nieuwe begrip er komt, blijft de etherische Christus gekruisigd en kan hij niet verrijzen als de hoeksteen van een nieuwe, driegelede wereld.  

In plaats daarvan verrijst de eengemaakte wereld onder impuls van de Antichrist. Deze geest van het anti-midden betrad het wereldtoneel in 1917 en heeft sindsdien de hele wereld veroverd. We kunnen hem niet bestrijden met zijn eigen middelen – (luciferisch) geweld en (ahrimaans) intellectualisme – maar alleen met een michaëlisch Christusbewustzijn, een helder bewustzijn van het midden. Ten tijde van het impressionisme lichtte dat bewustzijn op in de vorm van een luciferisch palmpasen-enthousiasme dat de nieuwe lente in de kunst toejuichte, maar even later schreeuwde het – misleid door de moderne schriftgeleerden – vol haat: kruisig hem, kruisig hem! Sindsdien wordt het kruisigen van Christus beschouwd als de kunst van onze tijd. Het alsmaar groeiende succes van de hedendaagse kunst (ook binnen de antroposofische beweging) maakt duidelijk dat het nieuwe michaëlische bewustzijn nog niet voor morgen is. We zijn er nog niet aan toe Christus van de Antichrist te onderscheiden. 

Zonder dit onderscheidingsvermogen kan er nooit een sociale driegeleding komen. De grote vraag is dus: hoe krijgen we oog voor Christus, de geest van het midden? De kunst kan ons hierbij tot voorbeeld zijn, want zij is een spiegel van Christus. Wanneer we zijn geest leren waarnemen in een kunstwerk, ontwikkelen we ook het vermogen om dat in de werkelijkheid te doen. Daartoe moeten we in de eerste plaats ons hart laten spreken, want met ons intellect kunnen we de kunst niet benaderen. Ons hart kan echter alleen maar voelen, niet zien. Daardoor staat het bloot aan misleiding: het weet niet of het zichzelf waarneemt (de luciferische ziel) dan wel de (christelijke) kunst. Het moet onderscheid leren maken tussen die twee en zonder hulp van ons hoofd gaat dat niet. Dat hoofd is echter zo ahrimaans geworden dat ons hart niet ernstig neemt. Het peinst er niet over zich ten dienste te stellen van dat hart. Het doet precies het omgekeerde: het legt het hart zijn wil op en vertelt het wat het moet zien. 

Als we Christus willen leren waarnemen – en iets belangrijkers is er volgens Rudolf Steiner niet – dan moeten we ons hoofd ertoe bewegen in gesprek te gaan met ons hart. Dat is voor allebei een zware dobber en het vereist een grote Ik-inspanning om het ahrimaanse hoofd in evenwicht houden met het luciferische hart. Dat laatste is een ruwe edelsteen die door blootstelling aan het scherpe verstand geslepen moet worden tot een lens waardoor we helder kunnen zien. Ons hart moet gezuiverd worden van het egoïsme dat het als waarnemingsorgaan vertroebeld heeft maar het tegelijk ook het Ik-gevoel gegeven heeft. Dat Ik-gevoel moet door een voortdurend Stirb und Werde gaan. Door voortdurend schuren en schaven moeten we ons een etherisch hart scheppen dat onschuldig is als een kind en alleen maar de waarheid kan spreken. Op die manier verlossen we Lucifer die – aldus Rudolf Steiner – tot de Heilige Geest wordt. Dat alles maakt deel uit van de mysteriën van de kunst. 

De openbaarmaking van deze scheppende mysteriën heeft een enorme antichristelijke reactie veroorzaakt, die neerkomt op de afschaffing van de ziel. De hedendaagse kunst is een fysiek lichaam zonder geest of ziel. Ze is een beeld van de verdierlijking van de mens en dat is een onheilspellend gebeuren dat veel verder gaat dan de afschaffing van de geest. Als we die weg opgaan, kunnen we eigenlijk niet meer terug. Dat kunnen we aflezen aan het feit dat de hedendaagse kunst, ondanks haar weerzinwekkendheid, nergens meer op verzet stuit. Integendeel, zij is al meer dan een halve eeuw het nieuwe normaal dat door de intellectuele wereld onophoudelijk wordt gepropageerd, becommentarieerd en uitgelegd. Als zelfs de antroposofische wereld volop meejubelt over deze nieuwe mysteriën-van-het-intellect dan is er nog maar weinig hoop dat de voyage au bout de l’enfer kan vermeden worden. Dan wordt de redding van de ziel een strikt persoonlijke verantwoordelijkheid. 

The Great Reset

  

Klaus Schwab, de oprichter van het World Economic Forum, schreef onlangs The Great Reset, een boek waarin hij de coronacrisis aangrijpt als een mogelijkheid om een nieuwe wereldorde te installeren. Hij is lang niet de enige die vindt dat het tijd is om het over een andere boeg te gooien. Velen zien in de epidemie een kans om de wereld op een betere leest te schoeien. In feite is zowat iedereen ervan overtuigd dat het anders moet. De problemen stapelen zich op en de roep om drastische maatregelen klinkt luider dan ooit. De coronacrisis lijkt de druppel te zijn die de emmer doet overlopen: zo kan het niet langer! De ironie wil echter dat juist die coronacrisis aantoont wat er gebeurt als er drastisch wordt ingegrepen: we verliezen onze vrijheid en komen binnen de kortste keren in een dictatuur terecht. Dat is natuurlijk niet wat we op het oog hebben. Maar wat hebben we dan wél op het oog? Hoe ziet de nieuwe wereld eruit waar we zo naar verlangen? Hoe pakken we die Great Reset aan?

Op de sociale media leest men regelmatig oproepen om ideeën aan te dragen voor een nieuwe wereld. Dat levert in de meeste gevallen niet veel meer op dan een herhaling van oude, bekende slogans. Heel vaak zijn dat linkse slogans die pleiten voor meer solidariteit, meer gelijkheid, meer verdraagzaamheid. Ze wijzen met een beschuldigende vinger naar het kapitalisme en het neo-liberalisme die verantwoordelijk worden gesteld voor alles wat er verkeerd gaat in de wereld. Het illustreert de ontstellende geestelijke armoede van onze tijd, dat men ter verbetering van de wereld blijft teruggrijpen naar collectivistische ideeën die tijdens de voorbije eeuw keer op keer bewezen hebben alleen maar ellende te veroorzaken. Als er voor deze oude, achterhaalde ideeën geen alternatief wordt gevonden dan zullen we nog zo vaak mogen proberen de wereld te resetten, het zal ons geen stap dichter brengen bij een betere wereld, wel integendeel. We zullen steeds verder de dieperik in glijden. 

Het grote probleem van onze tijd is dat er maar twee grote idealen overgebleven zijn en ze staan lijnrecht tegenover elkaar: het ideaal van de individuele vrijheid en het ideaal van de collectieve samenwerking. Ik en wij, liberalisme en socialisme, rechts en links: zo ziet de wereld er vandaag op ideëel vlak uit. Links heeft duidelijk de overhand en wijt alle problemen aan het ongebreidelde individualisme van de mens, aan zijn streven naar de grootst mogelijke vrijheid. Veel valt daar niet tegen in te brengen. Ieder probleem kan inderdaad teruggebracht worden tot het feit dat de mens zijn eigen zin wil doen. De oplossing lijkt dan ook te liggen in het ideaal van de dansende spreeuwenzwerm: duizenden vogels voeren in de lucht een betoverend ballet op dat alleen mogelijk is doordat geen enkele van die vogels zijn eigen zin doet. Allemaal, zonder één uitzondering, gehoorzamen ze aan één gemeenschappelijke wil. Dat levert een adembenemende schoonheid op die niemand onberoerd laat.

Het is dan ook meer dan begrijpelijk dat een dergelijke feilloze samenwerking als een ideaal wordt gezien dat zijn aantrekkelijkheid nooit verliest. Maar dat ideaal botst frontaal met dat andere, niet minder aantrekkelijke ideaal: de vrijheid. Eeuwenlang reeds streeft de mens naar vrijheid, en wanneer hij er eenmaal heeft van geproefd, dan wil hij haar nooit meer kwijt. Er valt veel voor te zeggen dat de hele voorbije mensheidsontwikkeling gericht was op het ontwikkelen van de individuele vrijheid zoals we die vandaag kennen. Iedere poging om de klok terug te draaien en de mensheid weer in het keurslijf van een collectiviteit te steken, is dan ook tot mislukken gedoemd. Vandaar het fiasco van de grote massa-bewegingen van de 20ste eeuw. Het nazisme, het communisme en het maoïsme waren stuk voor stuk reactionaire pogingen om tegen die machtige, oeroude stroom van het menselijke streven naar vrijheid in te roeien. En dat lukt niet, er is geen kruid gewassen tegen het vrijheidsstreven van de mens. 

Dat neemt niet weg dat deze vrijheidsstroom aan een grens is gekomen. Als hij gewoon verder stroomt, zal hij zichzelf vernietigen. Al die individuele mensen die steeds vrijer willen worden, zullen steeds meer met elkaar in botsing komen en dat zal uiteindelijk uitmonden in een oorlog van allen tegen allen. Wil de mens zijn vrijheid overleven, dan zal er iets moeten veranderen. Maar wat? Het collectivisme van links is geen oplossing, wel integendeel. Het leidt tot hetzelfde resultaat: de oorlog van allen tegen allen. Het maakt de zaken zelfs nog erger, zoals we in de 20ste eeuw telkens weer hebben gezien en in de toekomst zullen blijven zien als we geen oplossing vinden voor de tegenstelling tussen vrijheid en collectiviteit. Maar die oplossing bestaat al, zullen antroposofen zeggen: de sociale driegeleding! Volgens Rudolf Steiner stond de mensheid voor de keuze tussen driegeleding of bolsjewisme. Hij zag het gevaar van links komen en formuleerde daarop zijn alternatief. 

Nu rijst echter de vraag: als de sociale driegeleding het enige alternatief is voor het bolsjewistische collectivisme dat telkens weer als oplossing voor een betere wereld wordt aangedragen, hoe komt het dan dat het na 100 jaar nog altijd onbekend en onbemind is? Hoe komt het dat dit nieuwe en noodzakelijke ideaal er maar niet in slaagt een plaats te veroveren in de moderne wereld? Antroposofische initiatieven die de sociale driegeleding proberen toe te passen mislukken steevast. Telkens weer worden ze geconfronteerd met het Grote Probleem – de tegenstelling tussen vrijheid en collectivisme – en telkens weer vallen ze uiteen in twee groepen die niet samen door één deur kunnen. Het beste voorbeeld is de antroposofische vereniging zelf, die onmiddellijk na de dood van Rudolf Steiner verdeeld raakte in twee strijdende partijen waarvan er één het pleit won en de ander eruitgooide. De uitgeslotenen waren nog maar pas gerehabiliteerd of de verdeeldheid dook alweer op.

Blijkbaar ontbreekt er iets essentieels om de sociale driegeleding te doen lukken, om er een echt alternatief voor het onuitroeibare communisme van te maken. Wat mag dat ontbrekende element wel zijn? Als we daar geen antwoord op vinden, kunnen we zelfs geen begin maken met sociale driegeleding en is ieder debat over een Great Reset zinloos. De missing link ligt voor de hand: het is een derde ideaal – naast dat van de vrijheid en de samenwerking – dat beide tegenpolen met elkaar verbindt en verzoent. Een centraal ideaal dus, een ideaal van het midden. Maar welk ideaal kan daarmee bedoeld zijn? Kijken we naar het geestesleven, dan zien we dat het vanouds driegeleed is en bestaat uit wetenschap, kunst en religie. In wetenschap en religie herkennen we het vrijheidsideaal en het samenwerkingsideaal. Het derde ideaal zou dus de kunst zijn. En inderdaad, de kunst slaat de brug tussen religie en wetenschap, tussen geest en materie, tussen universaliteit en individualiteit. 

Als er vandaag gepraat wordt over maatschappelijke problemen, dan gebeurt dat altijd in termen van wetenschap of religie. Kunst komt er nooit aan te pas. De gedachte dat zij een stem zou kunnen hebben in het debat komt niet eens in ons op. Kunst is dan ook de blinde vlek in ons denken over sociale driegeleding, zij is de missing link, het wezen van het middengebied. We herkennen haar lot in dat van Europa, dat andere middengebied. In de 19de eeuw speelde Europa nog een hoofdrol in de wereld, vandaag wordt het publiekelijk vernederd. Toen beide Europese leiders onlangs op bezoek gingen bij Erdogan, speelde deze laatste hen tegen elkaar uit en gaf daarmee aan waar de zwakte van Europa ligt: het is niet driegeleed, het heeft twee leiders die vechten om het been, wat de spreekwoordelijke derde hond de kans geeft om ermee weg te lopen. Europa, het midden tussen Oost en West, heeft zelf geen midden meer. En het wezen van dat ontbrekende midden is de kunst. 

De grote vraag is dus: wat is er gebeurd met de kunst? Waardoor is zij de missing link geworden, de blinde vlek die ons belet de sociale driegeleding te realiseren en de menselijke beschaving te redden van het bolsjewisme? In de tweede helft van de 19de eeuw breekt in de schilderkunst – het middengebied van de kunst – een zachte revolutie uit: het impressionisme verschijnt. Nog één keer verovert Europa de wereld. Maar dan keren de verhoudingen opeens om en is het de wereld die Europa verovert, dit keer niet met kunst maar met geweld. In 1917 betreden Amerika en Rusland het wereldtoneel en voor Europa is dat het begin van het einde: het wordt in twee gescheurd en verdeeld tussen Oost en West. De wereld heeft geen midden meer. Op het artistieke toneel zien we precies hetzelfde gebeuren: in het rampjaar 1917 stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon en houdt daarmee de hedendaagse kunst boven de doopvont. Het zal de doodsteek betekenen voor de Europese kunst: ook zij wordt in twee gescheurd, het midden heeft geen midden meer.  

Het is een verbijsterende ommekeer: van de kleurrijke impressionistische kunst naar de grauwe hedendaagse kunst, van kinderlijke schoonheid naar weerzinwekkende lelijkheid. Grotere tegenstelling is niet denkbaar. Terwijl de wereldoorlog alle aandacht opeist, vindt deze geestelijk-culturele omslag onopgemerkt plaats. Niemand kan geloven dat deze pispot het begin is van een nieuwe kunst die in een mum van tijd de hele wereld zal veroveren. Maar wanneer het oorlogsgeweld ophoudt, is die verovering een feit: van het nog zo jonge impressionisme is reeds geen spoor meer te bekennen, de kunst is ‘hedendaags’ geworden en verstevigt stelselmatig haar machtspositie. De Europese kunst is vervangen door een kunst-zonder-midden, een kunst waarin de tegenpolen zich rechtstreeks met elkaar vermengen en die tegelijk religie en wetenschap is. De hedendaagse kunst is een onkunst, een anti-kunst. Het is de kunst van de vernietiging van het midden. 

De geest die deze nieuwe ‘kunst’ bezielt, is de grote tegenstander van de sociale driegeleding. Het is de geest die Europa vernietigd heeft, die de kunst vernietigd heeft en die vandaag de mens zelf wil vernietigen. Het is de anti-geest bij uitstek, de Antichrist zelve. Hij wil alles vernietigen wat christelijke middenkwaliteit heeft. Deze geest kan zo’n grote destructieve kracht ontwikkelen omdat niemand gelooft dat hij bestaat, omdat niemand een kwaad van deze orde mogelijk acht. Dat kan men in de hedendaagse kunst heel goed waarnemen: zij schotelt de mens de meest weerzinwekkende zaken voor, maar niemand – letterlijk niemand – waagt het deze geest aan de kaak te stellen. Men zal geen enkele kunstliefhebber, kunstkenner, kunstenaar, schrijver, filosoof of intellectueel vinden – ook geen antroposofische – die de hedendaagse geest publiekelijk durft af te vallen. Zolang deze geest heerst, kan men wel over sociale driegeleding praten, maar men zal ze nooit kunnen realiseren.

Hoe is het mogelijk dat deze antichristelijke geest de hele moderne intelligentsia op de knieën kan dwingen? Hoe slaagt hij erin de antroposofie nu al 100 jaar in lockdown te houden zodat ze de wereld niet kan bevruchten? Daar kan iedereen achter komen door in de hedendaagse kunstwereld zijn hart te laten spreken. Hij zal dan twee dingen ondervinden: enerzijds de enorme materiële macht van deze geest, en anderzijds zijn nog veel grotere geestelijke macht. Het volstaat één keer je stem tegen hem te verheffen of je ligt eruit voor de rest van je leven: je maakt niet langer deel uit van de culturele wereld van deze tijd en deze excommunicatie is de zwaarste straf die je kunt krijgen. Maar deze (grotendeels onzichtbare) materiële macht is gebaseerd op de (zeer zichtbare) geestelijke macht van de anti-geest, op zijn enorme intellectuele capaciteiten. Hij beschikt over een onafzienbaar leger van intellectuelen die klaar staan om iedere kritiek spottend en honend met de grond gelijk te maken. 

Het is een vreselijke ervaring om tegenover deze geest te komen staan en er is maar één iets dat een mens tot deze confrontatie met de draak kan bewegen: de liefde voor de kunst. Toen Rudolf Steiner zei dat er in het hart van de moderne mens 100 keer meer haat dan liefde heerste, sprak hij een harde waarheid uit die in de kunstwereld zichtbaar wordt. Het is zonder meer schokkend om vast te stellen dat al die mensen die beweren (en zelf ook geloven) de kunst lief te hebben, haar in werkelijkheid haten. Hun liefde is een luciferisch masker voor een ahrimaanse geest die de kunst haat. Vandaar de trots op hun ruimdenkendheid, op het feit dat ze alle kunst liefhebben, zowel de impressionistische als de hedendaagse. Maar je kunt niet én Christus én de Antichrist liefhebben, het is het één of het ander: wie niet voor mij is, is tegen mij. Je kunt de hedendaagse kunst alleen liefhebben als je liefde luciferisch is, als het in feite eigenliefde is die kunst gebruikt als een spiegel om zichzelf te bewonderen. 

Dat is dan ook de reden waarom de sociale driegeleding telkens mislukt: de eigenliefde en het egoïsme van de mens. Dat wil niet zeggen dat je een halve heilige moet zijn om het bolsjewisme (in de kunst en daarbuiten) te kunnen weerstaan, maar je moet wel onderscheid kunnen maken tussen luciferische liefde en christelijke liefde, tussen eigenliefde (die ahrimaanse haat verbergt) en werkelijke liefde. De ontwikkeling van dit michaëlische onderscheidingsvermogen hoort bij de liefde – tot de kunst of tot wat dan ook. Want liefde is zien, liefde wil graag zien. De moderne liefde voor kunst is blinde liefde, zij wordt gestuwd door een instinctief weten van het centrale belang van de kunst in dit ‘midden der tijden’. Van deze blindheid maakt de Antichrist gebruik van om onze liefde op hemzelf te richten en er een zelfvernietigende kracht van te maken. Tegen deze misleide liefde is geen ander kruid gewassen dan een wakker bewustzijn dat onderscheid weet te maken tussen echte liefde en schijnliefde, tussen Christus en Lucifer. 

De spuit

  

 

Een lezer maakt mij attent op een beeld dat nu al wekenlang voortdurend in de media verschijnt: de injectiespuit, al dan niet in combinatie met een naakte bovenarm. Hij noemt het een reclame-truc: hoe meer je een product laat zien, des te beter wordt het verkocht. Vreemd genoeg is het product in kwestie – het coronavaccin – gratis. Men wil ons dus iets aansmeren waarvoor we niet hoeven te betalen. Dat is verdacht, want voor niets gaat de zon op. Waar verkocht wordt, moet betaald worden. En inderdaad, het is de belastingbetaler die opdraait voor de kosten van de vaccinatie, met name dan de toekomstige belastingbetaler. Het zijn onze kinderen en kleinkinderen die het gelag zullen moeten betalen. Opnieuw duikt hier het beeld op van de jeugd die wordt opgeofferd aan de ouderdom. Dat zal nog duidelijker worden wanneer men ook kinderen gaat vaccineren. Daar worden ze reeds voor klaargestoomd met op maat gesneden affiches, filmpjes en slogans: wij roepen luid, hier met die spuit

Dat het allemaal om onze gezondheid zou gaan, is zeer twijfelachtig. Sinds wanneer is de overheid zo bezorgd om onze gezondheid? Alleen tijdens de verkiezingen trekt ze zich iets van ons aan. Eens de stemmen binnen zijn, doet ze opnieuw haar zin. En de virologen? Die bewijzen al een jaar lang dat het welzijn van de bevolking hen niks kan schelen. Voor hen bestaan er alleen cijfers: zoveel doden, zoveel besmettingen, zoveel ziekenhuisopnames, zoveel gevaccineerden. We weten intussen dat met cijfers alles kan bewezen worden en dat de tests eigenlijk niks vertellen. Wat de ziekenhuisopnames betreft: als het geld dat al werd uitgegeven voor de coronamaatregelen geïnvesteerd was in ziekenhuisbedden, dan was er nu geen coronacrisis. En wat de doden betreft: in Zweden kent men geen lockdown of maskerplicht en toch is er minder oversterfte dan in veel andere – drastisch optredende – Europese landen. Nee, het is niet voor onze gezondheid dat men ons kost wat kost een spuit in de arm wil duwen. 

Het gaat om geld, om heel veel geld. Want het zal niet bij één of twee vaccinaties blijven. Alle experts zeggen hetzelfde: dit virus zal niet meer weggaan. Sommige experts zeggen zelfs dat het onder druk van de maatregelen (waaronder het vaccin) zal gaan muteren en veel gevaarlijker zal worden dan het nu is. Er zal met andere woorden keer op keer moeten gevaccineerd worden en die vaccinaties zullen waarschijnlijk ook verplicht worden. Daar werkt men stap voor stap naartoe. De WHO heeft onlangs de definitie van groepsimmuniteit veranderd: die kon voortaan alleen nog via vaccinatie bereikt worden. Na protest is men daarop teruggekomen, maar het is duidelijk welke richting het uitgaat. Voor de farmaceutische bedrijven en hun eigenaars wordt het vaccin een geldkraan die continu blijft openstaan. Maar waarom willen die eigenaars, die nu al zo rijk zijn dat ze hun geld niet meer op kunnen, nóg rijker worden? Waarom doen ze zoveel moeite om ons dat ‘gratis’ coronavaccin verkocht te krijgen?

Wie aandachtig kijkt naar wat er in de wereld omgaat, stelt vast dat geld niet langer de hoofdrol speelt. Die rol is overgenomen door ideologie. Geest is met andere woorden belangrijker geworden dan materie. Dat is ook logisch. Wie zoveel geld heeft dat hij het niet meer op kan, heeft een nieuw en hoger doel nodig in het leven. Dat kon je al zien bij de eerste grote kapitalisten: de Amerikaanse magnaten uit de 19de eeuw. Dankzij de industriële revolutie waren ze de nouveaux riches dezer wereld geworden. Deze nieuwe rijken voelden hun snobisme – hun sine nobilitate – scherp aan. Dus trouwden ze (letterlijk of figuurlijk) met de verarmende adel en namen haar gewoonten over. Eén van die gewoonten was het verzamelen van kunst. Voor de rijke snobs fungeerden kunstwerken als aflaten: ze kochten er hun gebrek aan geest mee af en gaven er gigantisch veel geld aan uit. Ze werden ook gigantisch bedrogen, want ze konden geen echte van valse kunst onderscheiden. Geest is nu eenmaal niet te koop.

De materiële rijkdom nam sterk toe en snobisme en geestelijke blindheid verspreidden zich als een virus. Dat leidde in de 20ste eeuw tot het grootste bedrog aller tijden: het ontstaan van de hedendaagse kunst. Men verkocht de nouveaux riches letterlijk afval en ze merkten het niet eens. De snobs werden – net als hun bedriegers – alsmaar talrijker en uiteindelijk werd het bedrog het nieuwe normaal. Vandaag is het zodanig ingeburgerd dat het niet langer ontmaskerd kan worden. Wie nog onderscheid maakt tussen kunst en afval wordt beschouwd als een geestesziekte die maar beter zijn mond kan houden. Het is de wereld op zijn kop: wie blind is voor de geestelijke (of artistieke) kwaliteit van een kunstwerk wordt als een ziener beschouwd, en wie onderscheid maakt tussen goed en slecht wordt weggezet als een cultuurbarbaar. Die krankzinnige omkering is het gevolg van de overtuiging dat je geest kunt kopen, dat geest eigenlijk een gesofisticeerde vorm van materie is.

Vandaag gaan de nieuwe rijken – die met hun geld geen blijf meer weten – nog een stap verder. Ze kopen niet langer kunstwerken, ze kopen het kunstenaarschap zelf. Ze worden met andere woorden kunstenaar: ze willen een nieuwe wereld en een nieuwe mens scheppen. Dat is hun nieuwe, kunstzinnige – en dus geestelijke – ideaal. Bill Gates, de bekendste rijke mens van deze tijd, toont aan dat dit ‘spirituele’ ideaal uitstekend samengaat met het oude kapitalistische ideaal. Hij profileert zich als de grote weldoener van de mensheid die door middel van vaccinatie overal ter wereld ziekten wil uitroeien, maar maakt er geen geheim van dat investeren in vaccins enorm winstgevend is. Kapitalisme en spiritualiteit vormen voor hem een geslaagd huwelijk. Voor hem niet alleen trouwens: de hedendaagse kunstenaar is al sinds jaar en dag iemand wiens (meer dan ooit ‘spirituele’) kunst er voornamelijk in bestaat voor heel veel geld producten te verkopen die geen enkele waarde hebben. 

Het vaccin dat deze nouveaux artistes ons willen verkopen, zal ons op korte termijn misschien wel enige bescherming bieden, maar op lange termijn zal het onze fysieke gezondheid zonder twijfel ondermijnen. Net als hedendaagse kunst dient het alleen om geld te verdienen en om een nieuwe mens te scheppen. Die nieuwe mens zal lichamelijk of geestelijk niet gezonder zijn, wel integendeel. Hij zal gemodelleerd worden naar het beeld en gelijkenis van zijn nieuwe schepper: een snob die denkt dat hij geest kan kopen en verkopen, maar die geen goed van kwaad meer kan onderscheiden. De nieuwe mens zal met andere woorden een Ik-loze mens zijn, een mens waaruit de individuele geest verdreven is en vervangen door een collectieve geest die hem bestuurt als een machine. Deze kudde-mens, die niet zelf meer kan denken, voelen of willen, is het ultieme ideaal dat de nieuwe kunstenaars voor ogen staat bij hun scheppende handelen, bij hun verkoopkunst die ze momenteel wereldwijd tentoon spreiden.

Het zal wel geen toeval zijn dat de meeste vaccinverkopers betaald worden door de Bill & Melinda Gates Foundation. Het zal ook wel geen toeval zijn dat ze hun hand niet omdraaien voor een leugen of bedrog meer of minder. Hun agressieve en arrogante houding tegenover individuele, kritische wetenschappers baart al evenmin verwondering. Ze hebben hun macht en invloed te danken aan dezelfde geest die ook hun broodheren bezielt en die geen ruimte laat voor een menselijk Ik. Geïnspireerd door deze anti-Ik geest willen ze ons inspuiten met een genetisch middel dat diep ingrijpt in onze celwerking en daar onvoorspelbare dingen doet. Het beeld doemt op van een duivelse geest die de mens wil bevruchten met zijn zaad om aldus een nieuwe mens in het leven te roepen, een mens die uiterlijk lijkt op zijn moeder – de oude, morele mens – maar die innerlijk de wezenstrekken heeft van zijn vader – de amorele geest die een mengvorm is van de drie grote tegenmachten: Lucifer, Ahriman en Sorat. 

Rudolf Steiner voorspelde dat de mens ‘vermengd’ zou worden met machines en dat is precies waaraan die andere neo-kunstenaar – Elon Musk – ijverig werkt: het creëren van cyborgs, wezens die half mens, half machine of computer zijn. Rudolf Steiner voorspelde ook dat men een ‘medicijn’ zou uitvinden dat de mens zou afsnijden van de geest, wat natuurlijk een voorwaarde is om hem te kunnen ‘herscheppen’. Normale mensen, die over een Ik beschikken, waken nauwgezet over de integriteit van hun fysieke lichaam, want het is een beeld van hun Ik. Dat lichaam is hun meest volmaakte wezensdeel en daarom ervaren ze het instinctief als heilig. Aan de manier waarop de hedendaagse mens zijn lichaam toetakelt, kunnen we aflezen hoe zwak de verbinding met zijn Ik reeds geworden is. Zonder een Ik-geest die zichzelf herkent in en door het fysieke lichaam, is dat lichaam niet meer dan een werktuig waaraan naar believen gesleuteld kan worden. Dat de resultaten allesbehalve kunstzinnig zijn, wordt – bij gebrek aan Ik-kracht – niet meer waargenomen. 

Alles wijst erop dat de band tussen de moderne mens en zijn Ik steeds losser wordt. Dat is een gevolg van het feit dat hij ‘over de drempel’ gaat: zijn wezensdelen vallen uit elkaar en zijn Ik verliest er zijn greep op. Daarom moet de drempeloverschrijdende mens zijn Ik versterken. De sterkste Ik-vormende werking gaat volgens Rudolf Steiner uit van religie. Maar op de tweede plaats komt de kunst. Als ze echter vervangen wordt door anti-kunst – zoals dat in de loop van de 20ste eeuw is gebeurd – dan leidt dat niet tot versterking maar tot een verzwakking van het Ik. Het slaagt er dan niet meer in om door te dringen tot in het etherische lichaam en onderscheid te maken tussen de werking die Christus daar uitoefent en de werking van de Antichrist. In de 21ste eeuw gaat de anti-kunst nog een stap verder. Ze dringt nu door tot in het fysieke lichaam door middel van een genetisch middel dat zich presenteert als ‘de verlosser van de mensheid’ maar best wel eens het ‘medicijn’ zou kunnen zijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zal losmaken van zijn Ik.  

In verhalen over de Antichrist kan men lezen dat deze geest zich voordoet als een Verlosser, als een brenger van rust en vrede (in tegenstelling tot Christus die ‘het zwaard’ komt brengen). Maar eens zijn nieuwe rijk gevestigd is, laat hij zijn (luciferische) masker vallen en richt een bloedbad aan. Dat hebben we in de 20ste eeuw al verschillende keren meegemaakt en de geschiedenis lijkt zich vandaag te herhalen. Het is verbluffend hoe snel de nieuwe dictatoriale macht wordt aanvaard, met hoeveel gemak we de ogen sluiten voor het brutale optreden van overheid en politie, met hoeveel verlangen we uitkijken naar het begeerde vaccin. Het is alsof we ten prooi zijn aan een bijna sexuele opwinding die ons blind maakt voor de mogelijke gevolgen van de inspuiting. Door het spelletje dat de virologen met ons spelen – nog even volhouden, we zijn er bijna! – wordt die opwinding steeds groter en zijn we ten slotte tot alles bereid om verlost te raken van de ondraaglijke spanning. 

Als het vaccin-zaad eenmaal begint te stromen, dan is er geen houden meer aan. De kans dat de vaccinatie-campagne wordt afgeblazen is zo goed als onbestaande. Hoogstwaarschijnlijk zal het ook niet bij één campagne blijven. Aangezien het virus niet zal verdwijnen, zal er steeds meer ingeënt moeten worden, waarschijnlijk ook op steeds jongere leeftijd (zoals Rudolf Steiner ook voorspelde). De eerste resultaten zijn weinig bemoedigend: de bijwerkingen van het vaccin zijn talrijker en heviger dan verwacht. Nog verontrustender is de manier waarop ze worden weggewuifd: er is geen verband met het vaccin. Heel wat vaccin-doden worden naar verluidt geregistreerd als corona-doden. En dat is slecht nieuws, want sommige experts voorspellen hevige allergische reacties wanneer gevaccineerden in de toekomst opnieuw geïnfecteerd raken. Als ook die gevallen worden toegeschreven aan het virus dan zitten we in een vicieuze cirkel: er zal dan nog meer gevaccineerd worden.

Als de mens zich niet inspant om zijn Ik te versterken, zal hij er stap voor stap worden van losgemaakt. Hij zal dan in toenemende mate blootstaan aan talloze bedreigingen en steeds afhankelijker worden van de overheid en de medische industrie. Deze stelselmatige Ik-verzwakking zal van hem een zwak, willoos en vooral angstig wezen maken. De corona-crisis heeft aangetoond hoe angstig de moderne mens reeds geworden is. En een angstige mens is ook een agressieve, onverdraagzame mens. Hij gaat degenen die hun Ik niet willen opgeven zien als zijn vijanden. Er is reeds opvallend veel vijandigheid tegenover mensen die zich vragen stellen bij de corona-aanpak of de vaccinatie. Ze worden meteen weggezet als anti-vaxxers, complotdenkers, corona-ontkenners, egoïsten, ja criminelen wier onverantwoorde gedrag mensenlevens kost. Er bestaat dan ook weinig verzet tegen het vaccinatie-paspoort dat gevaccineerden meer rechten geeft dan niet-gevaccineerden.

Het ziet ernaar uit dat er een zware prijs zal moeten worden betaald voor het behouden van het Ik, voor de redding van de ziel zoals Bernard Lievegoed het noemde. Er is een nieuw soort apartheid in de maak, een scheiding der geesten waarbij niet-gevaccineerden als tweederangsburgers behandeld worden. Het is de logische voortzetting van de politieke correctheid die al decennia lang de bevolking verdeelt in moreel superieure en inferieure mensen. Het vaccin betekent als het ware de incarnatie van deze apartheidsgeest, die nu ook wil doordringen tot in het fysieke lichaam van de mens en dat losmaken van het Ik. Dat is waar de vaccinatie-reclamecampagne om draait: de toegang tot de diepste lagen van ons lichaam. We betalen het vaccin niet alleen met het geld van onze kinderen, we betalen het ook – en vooral – met het kind-in-ons, met ons Ik, ons jongste wezensdeel. Of om het met een oude uitdrukking te zeggen: we worden er met man en macht toe verleid onze ziel aan de duivel te verkopen. 

De lelijke eeuw

  

Nog nooit is de wetenschap zo sterk op de voorgrond getreden als het afgelopen jaar. Overal ter wereld – ik ga er even vanuit dat het elders niet anders is dan hier in Vlaanderen – kwamen virologen, epidemiologen, vaccinologen, microbiologen en andere experts tevoorschijn uit hun laboratoria en veroverden de media. Van de ene op de andere dag werden ze Bekende Vlamingen die niet meer weg te slaan zijn van het televisiescherm of de krantenbladzijden. Een jaar lang reeds komen ze bijna dagelijks in het nieuws om ons te vertellen wat we moeten doen en niet meer mogen doen. Het is niet langer de overheid die het land leidt, maar de wetenschap. Het waren wetenschappers die de corona-crisis hebben doen losbarsten, het zijn wetenschappers die ze met harde hand leiden en het zijn wetenschappers die ze bestendigen door onophoudelijk alarm te slaan en strengere maatregelen te eisen. De wetenschap heeft de macht gegrepen en het ziet er niet naar uit dat ze die gauw zal afgeven. 

Dit op de voorgrond treden van wetenschappelijke experts is een nieuw fenomeen. Ik kan me niet herinneren ooit iets dergelijks te hebben gezien. Religieuze leiders, politieke leiders, kunstenaars en sportlui, ja die verschijnen regelmatig in het nieuws, dat zijn we gewoon. Maar wetenschappers? Die kregen we vroeger alleen te zien wanneer ze een Nobelprijs hadden gewonnen en dan vroegen we ons af: wie zijn die lui en waar houden ze zich in godsnaam mee bezig? Wel, dat weten we nu. Ze commanderen de wereld alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en ze doen dat op een nietsontziende, dictatoriale manier die we van niemand anders zouden pikken. We gehoorzamen de experts omdat het geen machtsbeluste politici zijn die zich met hun ellebogen een weg naar de top hebben gebaand, maar wetenschappers die boven het machtsspel staan en zich louter door de waarheid laten leiden. Tegen de waarheid kan geen mens zich verzetten, die moet gewoon aanvaard worden. We zijn dan ook een nieuw tijdperk in gegaan: het tijdperk van de wetenschappelijke waarheid. 

In het vorige tijdperk werd de waarheid vertegenwoordigd door de kerk. Het was een goddelijke waarheid, maar die is vandaag van geen tel meer. Want God is dood, hij heeft zelfs nooit bestaan. We zijn overgestapt van de fictieve waarheid naar de werkelijke waarheid. Niets illustreert dat beter dan de kerken en gebedshuizen die vandaag worden gesloten op gezag van de wetenschap. Zelfs joden en moslims hebben er geen verhaal tegen. Onlangs verkondigde de paus van Rome dat iedere gelovige zich moest laten vaccineren. Het religieuze gezag onderwerpt zich dus publiekelijk aan het gezag van de wetenschap. Het was ooit anders. De felle discussies tussen bisschoppen en evolutionisten liggen nog vers in het collectieve geheugen. Zelfs het proces tegen Galileï is nog lang niet vergeten. Maar de wraak is zoet. Vandaag is macht in de wereld definitief overgegaan op de wetenschap. De corona-experts laten daar geen twijfel over bestaan: iedereen, zonder uitzondering, moet luisteren!  

We zijn getuige van een wereldhistorisch keerpunt: de overgang van het religieuze naar het wetenschappelijke tijdperk. Toch kunnen we niet zeggen dat we het einde van het religieuze tijdperk meemaken, want dat is – althans in de moderne wereld – reeds lang voorbij. Het liep 100 jaar geleden al ten einde. Vanaf de 15de eeuw begon de wetenschap langzaam maar zeker het gezag van de kerk te ondergraven. Dat slopingswerk ging onverpoosd door tot de genadeslag van de eerste wereldoorlog kwam. Die betekende het einde van de religieuze ‘wereld van gisteren’. Hoe konden mensen nog in God geloven wanneer dergelijke gruwelen gebeurden! Even later kwam daar ook nog eens de holocaust bij. Toen bleef er helemaal niks meer over van het ooit zo vurige christelijke geloof en het ooit zo onbetwiste gezag van de kerk. Het religieuze tijdperk was definitief voorbij. Maar als het 100 jaar geleden al ten einde liep en het wetenschappelijke tijdperk begint pas vandaag, wat gebeurde er dan in de 20ste eeuw?  

De 20ste eeuw was de eeuw waarin het gezag van de religie overging op de wetenschap. Het was dus een overgangseeuw. Maar dat is toch wel een beetje magertjes als typering van een eeuw waarin ongelooflijk veel is gebeurd. In de 20ste eeuw is er meer veranderd dan in de voorbije 1000 jaar. Wanneer we foto’s zien van de Europese wereld aan het begin van die eeuw – de wereld van gisteren dus – dan krijgen we een krop in de keel. Het lijkt wel een droomwereld vergeleken bij de hedendaagse realiteit. Het is de wereld die de impressionisten hebben geschilderd en die hen razend populair heeft gemaakt: een wereld die al modern was, maar nog niet zo onmenselijk lelijk als hij in de 20ste eeuw zou worden. ‘Het zien van uw steden doet pijn aan de ogen’ is een beroemde uitspraak die aan een Indiaans opperhoofd wordt toegeschreven. Hij brengt tot uitdrukking wat er spontaan bij een mens opkomt wanneer hij de menselijke beschaving aan het eind de 20ste eeuw ziet: ze doet pijn aan de ogen, ze is ondraaglijk lelijk. 

Als er iets is wat de 20ste eeuw onderscheidt van het verleden dan is het haar lelijkheid. Het valt moeilijk uit te maken of het leven beter of slechter werd in deze eeuw, maar aan één ding kan niet getwijfeld worden: de wereld werd onvoorstelbaar lelijk. Om te beginnen verdween er enorm veel natuur, en natuur is sowieso mooi. Als zij vervangen wordt door mooie gebouwen, is er niks aan de hand: kerken en kathedralen bijvoorbeeld maken het landschap mooier, ze geven er pit aan, ze doorbreken de natuurlijk eentonigheid. Maar moderne architectuur, autostrades en industriegebieden zijn een aanslag op dat landschap: ze vormen de grootst mogelijke tegenstelling met de schoonheid van de natuur. Geen wonder dat in de 20ste eeuw het toerisme is ontstaan: mensen gingen massaal op zoek naar schoonheid, en ze vonden die in het verleden: in de ongerepte natuur, in de kerken en kathedralen, in de oude stadskernen, in de musea. Zo gaat het altijd: men begint iets pas echt waarderen wanneer het dreigt te verdwijnen. 

De 20ste eeuw was de eeuw van de lelijkheid en daardoor was ze ook de eeuw van de waardering voor de schoonheid. Die twee gaan samen: hoe meer lelijkheid men ziet, des te bewuster wordt men van de schoonheid. Dat zien we nergens beter weerspiegeld dan in de kunst. De 20ste eeuw betekende de doorbraak van het lelijke in de kunst. Marcel Duchamp stelde in 1917 zijn pispot tentoon en dat was het begin van de stormachtige ontwikkeling van de ‘hedendaagse kunst’ die in de 20ste eeuw de wereld veroverde en een eind maakte aan de schone kunsten. Tegelijk was deze eeuw het toneel van een overweldigende belangstelling voor juist die schone kunsten uit het verleden. Halverwege de 20ste eeuw kon je in alle rust en stilte ronddwalen in de musea, er hing nog iets van een ‘gewijde sfeer’. Vandaag is het er een drukte van jewelste. Terwijl de kerken leegliepen, stroomden de musea vol. De kunst nam ongemerkt de plaats van de religie in. De moderne mens hongerde naar kunst, naar schoonheid, naar geest. 

In die zin zouden we de 20ste eeuw de eeuw van de kunst kunnen noemen. Dat is ook wel logisch want de kunst vormt de brug tussen religie en wetenschap: ze is tegelijk geestelijk en materieel. Maar ze kan zich niet handhaven tussen deze twee grote tegenpolen, ze wordt er als het ware door verpletterd. De kunst neemt de rol van de religie over, maar ze slaagt er niet in zichzelf te blijven. Ze wordt getransformeerd tot een nieuwe religie, een kunstreligie met een heuse kunstkerk en een kunstpaus. De moderne mens ontwikkelt in de 20ste eeuw een even blinde verering voor kunst als vroeger voor God. Hij accepteert letterlijk alles wat men hem voorschotelt. Maar deze kunstreligie ontwikkelt zich tegelijk ook tot een soort toegepaste wetenschap. Het gaat in de hedendaagse kunst niet langer om de schone beelden, het gaat enkel nog om de ideeën. De kunst slaagt er in de 20ste eeuw niet in haar eigen karakter te behouden, ze versmelt met religie en wetenschap en produceert louter lelijkheid.  

Wanneer we nu kijken naar de wetenschap die in de 21ste eeuw zo nadrukkelijk op de voorgrond is getreden, dan stellen we vast dat ook zij een onmiskenbaar religieus karakter heeft gekregen. De moderne mens gelooft in de wetenschap zoals hij vroeger in God geloofde. Wat de experts vandaag vanop hun mediakansels verkondigen is voor hem de enige, echte waarheid en wee de ketters die deze waarheid in twijfel durven te trekken! Zij worden als een gevaar beschouwd voor hun medemensen. De wetenschap wordt gezien als het licht dat ons door de duisternis naar ‘het rijk van de vrijheid’ moet leiden. Maar naast dit religieuze karakter heeft de wetenschap ook een onmiskenbaar kunstzinnig karakter gekregen: de experts volstaan er niet meer mee de wereld te begrijpen, zij willen die wereld ook verbeteren. De nieuwe wetenschap – de consensuswetenschap – werkt met man en macht aan het scheppen van een nieuwe wereld en een nieuwe mens. Zij is tegelijk kunst en religie geworden. 

De 20ste eeuw was dus niet zozeer de (kunstzinnige) overgang van een religieus naar een wetenschappelijk tijdperk, dan wel de (onkunstzinnige) overgang van een tijdperk waarin religie, kunst en wetenschap duidelijk onderscheiden gebieden waren naar een tijdperk waarin hun grenzen vervaagden en ze zich met elkaar vermengden. Wat we in de 20ste eeuw zagen gebeuren, was dat religie, kunst en wetenschap met elkaar versmolten en één werden. Dat streven naar eenheid, naar gelijkheid, naar globalisatie zagen we trouwens op alle gebieden aan het werk. De wereld werd een dorp en de moderne mens een wereldburger die de oude tegenstellingen en verschillen hartstochtelijk probeerde te overstijgen – of beter gezegd: te ontkennen. Of het nu ging om nationale verschillen, rassenverschillen, religieuze verschillen, sexeverschillen, verschillen tussen rijk en arm: ze waren de moderne mens een doorn in het oog en hij ijverde onverdroten voor een wereld waarin alle Menschen Brüder zouden zijn.  

Nu de 20ste eeuw – de eeuw van de eenwording – achter de rug ligt en eindelijk de enige, echte ‘wetenschappelijke’ waarheid zichtbaar wordt, zou je mogen verwachten dat ook die broederlijke, solidaire wereld die we al meer dan 100 jaar nastreven vorm begint te krijgen. Er zou een duidelijk verschil moeten zijn tussen de eengemaakte 21ste eeuw en de 19de eeuw met al zijn grenzen en hiërarchieën. Dat verschil is er inderdaad, en het is enorm. Maar het is niet het verwachte verschil, het is precies het omgekeerde. Alle Menschen zijn geen Brüder geworden, ze zijn homo homini lupus geworden. Liefde heeft plaatsgemaakt voor haat, schoonheid voor lelijkheid, waarheid voor leugen. Er kan geen twijfel over bestaan: de eenwording van kunst, wetenschap en religie zoals die zich in de 20ste eeuw heeft voltrokken, was een ramp. Ze betekende de dood van zowel de religie, de kunst als de wetenschap. Het oude drieledige geestesleven werd vervangen door een heksenbrouwsel dat louter ellende over de wereld bracht.

Rudolf Steiner zag die ramp aankomen en formuleerde in 1917 – hetzelfde jaar dat Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde – de driegeledingsgedachte. Volgens hem was de sociale driegeleding het enige alternatief voor het bolsjewisme, dat duivelse mengsel dat vandaag is doorgedrongen tot in de verste uithoeken van de wereld. De kern van Steiners driegeleding is juist het onderscheid – en niet de vermenging – van de drie gebieden waaruit mens, samenleving en cultuur bestaan. Dat duidelijke onderscheid – tussen lichaam, ziel en geest, tussen wetenschap, kunst en religie, tussen geestesleven, rechtsleven en economisch leven – staat een harmonische samenwerking niet in de weg, maar is er juist de voorwaarde van. Wanneer er geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen de drie gebieden, beginnen ze elkaar te bevechten en ontstaat dat – onbewuste – streven naar zelfvernietiging dat in de 20ste eeuw zoveel geweld heeft veroorzaakt en dat in de 21ste eeuw nog altijd doet.  

Al het goede komt in drieën. Verdwijnt die drieledigheid, dan verdwijnt ook het goede. Dat is wat in de 20ste eeuw is gebeurd, en daarom kan ze ook de eeuw van het kwaad worden genoemd. Eigenlijk moet ze het aanbreken van het tijdperk van het kwaad worden genoemd, want er is in de 21ste eeuw niks veranderd aan dat streven naar eenwording. Wel integendeel, het wordt alsmaar sterker. Juist omdat dit tijdperk samenvalt met het tijdperk van de wetenschap zien we het kwaad vandaag in zijn wetenschappelijke gedaante verschijnen. Ook dat heeft Rudolf Steiner voorspeld: het intellect zou in toenemende mate kwaadaardig worden. En het is zo buitengewoon misleidend omdat het versmolten is met de religieuze wil en het kunstzinnige gevoel. De experts werpen zich op als redders van de mensheid, als goede herders die hun kudde willen beschermen tegen het kwaad. Maar ze bereiken precies het omgekeerde omdat ze geen rekening houden met de – drieledige – vorm waarin het goede verschijnt. 

Wanneer we over de inhoud van het goede spreken, dan hebben we het over de waarheid, over de wetenschap. Spreken we over de vorm, dan hebben we het over de schoonheid, over de kunst. Schoonheid is de uiterlijke verschijning van de waarheid, haar incarnatie zeg maar. Tweeduizend jaar geleden werd de waarheid zichtbaar: Christus werd mens. Dat moet een diep aangrijpende schoonheidservaring zijn geweest. Vandaag verschijnt Christus in de etherische wereld, een wereld die we niet kunnen zien en alleen kunnen benaderen met behulp van kunst en wetenschap. Maar daarvoor moeten we die twee werktuigen eerst duidelijk onderscheiden, we moeten ze bevrijden uit het kwaadaardige mengsel waarin ze opgesloten zitten. Daarvoor hebben we het michaëlszwaard nodig, een scherp onderscheidingsvermogen dat we smeden door onze wetenschappelijke vermogens te stalen aan de schoonheid, door ons bewust te worden van de kunst. Dat is wat we in de 20ste eeuw verslapen hebben en nog altijd verslapen.