Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Het Coronaraadsel (4)

  

 

Onlangs verscheen in Humo een interview waarin acteurs Tine Reymers en Peter Van den Begin verklaarden zich niet te zullen laten vaccineren. Het was waarschijnlijk de eerste keer dat Bekende Vlamingen zich publiekelijk uitspraken tegen het vaccin en dat verwekte nogal wat opschudding. De reactie van viroloog Steven Van Gucht was klassiek. Enerzijds had hij begrip voor de vaccinweigeraars, hij vond dat we met hen moesten blijven praten en hen de juiste informatie geven zodat ze een verantwoorde beslissing konden nemen. Anderzijds was hij niet mals voor de Nederlandse vaccinoloog Theo Schetters, een van de inspiratiebronnen van Tine en Peter. Deze man verkoopt wetenschappelijke nonsens, aldus een verstoorde Van Gucht, hij is gevaarlijk en we moeten er ons over beraden hoe we zo’n pseudowetenschapper de mond kunnen snoeren. Het was de typische reactie van de wetenschappelijke experts op kritiek: zalven en slaan, praten en de mond snoeren.

Het lijkt een beetje op de good cop, bad cop methode – een samenwerking van de verleidelijke Lucifer en de keiharde Ahriman – maar het is in de eerste plaats leugenachtig gedrag. Want als er één ding is wat de experts nooit doen, dan is het praten met andersdenkenden. Het is één van de meest opvallende constanten in de hele coronacrisis: de wetenschappelijke experts gaan ieder debat uit de weg. Als ze beweren dat er gepraat moet worden, dan bedoelen ze: door henzelf, niet door anderen. Ze lopen zich het vuur uit de sloffen om zoveel mogelijk mensen te overtuigen van het belang van de corona-maatregelen, maar ze ontwijken systematisch datgene wat mensen écht zou kunnen overtuigen: een publiek debat waarin corona-experts de vloer aanvegen met corona-critici. Zeker als ze zijn van hun stuk, moet dat voor de experts een fluitje van een cent zijn. Maar ofschoon ze alomtegenwoordig zijn in de media en zelfs optreden in kinder- en spelprogramma’s hebben ze voor zo’n debat absoluut geen tijd. 

De experts liegen dus wanneer ze zeggen: we moeten praten met deze mensen. Want ze doen het nooit. Ze liegen ook wanneer ze zeggen dat ze pseudo-wetenschappers de mond willen snoeren. Want ook dat doen ze niet. Ze noemen Theo Schetters een bedrieger, een pseudo-wetenschapper, een fraudeur, een gevaarlijk man. Maar ze dienen geen klacht tegen hem in. Er is nochtans alle reden om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen iemand die een gevaar is voor de volksgezondheid. Maar die stappen worden nooit gezet, hoewel mensen vandaag voor veel minder aangeklaagd worden. ‘Pseudowetenschappers’ zoals Theo Schetters overspoelen de sociale media, maar nooit wordt er eentje voor de rechter gedaagd. Zelfs in de vorm van een publiek debat worden ze nooit op het matje geroepen, terwijl het voor de topexperts toch een kleintje moet zijn om zo’n ‘amateur’ alle hoeken van de kamer te laten zien en hem voor de hele bevolking te kijk te stellen als een ordinaire bedrieger. 

Wat we hier aan het werk zien, is de veelgeroemde wetenschappelijke consensus. De experts waar het om gaat, spreken als uit één mond. Ze komen uit verschillende wetenschapstakken – de virologie, de epidemiologie, de immunologie, de vaccinologie, de microbiologie enzovoort – maar ze zijn het allemaal roerend met elkaar eens. Hun gezamenlijke stem weerklinkt niet alleen in eigen land of in Europa, ze weerklinkt over de hele wereld. Wat we tijdens de coronacrisis luid en onafgebroken horen, van Noord tot Zuid en van Oost tot West, is de stem van de wetenschappelijke consensus. En wordt die niet beschouwd als de stem van de rede, de stem van de waarheid? De hele mensheid luistert en handelt vandaag naar deze stem. Nooit eerder heeft ze zich zo eensgezind rond de Logos geschaard heeft en gaat ze onvervaard de strijd aan met het kwaad. Wat altijd een onbereikbare utopie was – de Verenigde Mensheid – is opeens werkelijkheid geworden.  

Wat we in 2020 hebben zien verschijnen is de Heerlijke Nieuwe Wereld, een wereld die één is en waar alle mensen zich laten leiden door het licht van de waarheid. Dat we dat nog mogen meemaken! Is dat niet wat de antroposofie altijd als doel voor ogen heeft gezweefd? Als alle mensen zich laten inspireren door de geestelijke wereld – met in het centrum Christus, het wezen van de Waarheid – dan kan de harmonie van die wereld ook op aarde ontstaan. Maar vreemd genoeg is van die harmonie vandaag niets te merken, wel integendeel. We zien precies het omgekeerde: mensen worden tegen elkaar opgezet, ze willen niet meer met elkaar praten, ze verklikken elkaar bij de politie, ze worden met andere woorden homo homini lupus. De Heerlijke Nieuwe Wereld waarin we nu al een jaar leven, is in werkelijkheid een verdeelde wereld, vol angst en wantrouwen, een wereld waaruit het menselijke langzaam maar zeker verdwijnt, een wereld waar steeds minder vreugde te beleven valt. 

Hoe is zoiets mogelijk? We laten ons toch leiden door de waarheid, door de wetenschap? In theorie wel natuurlijk. Wetenschap is het streven naar waarheid. Wetenschappers zijn mensen die zich helemaal ten dienste hebben gesteld van dat streven, die hun persoonlijke wensen en begeerten aan de kant hebben geschoven om een bovenpersoonlijke houding te ontwikkelen die de waarheid de kans geeft om in verschijning te treden. Niets kenmerkt een wetenschapper meer dan deze dienstbaarheid: hij wil alles doen voor datgene wat hij bovenal liefheeft en dat is de waarheid. Deze waarheidsliefde komt tot uiting in de bereidheid om de eigenliefde te overwinnen, om de eigen bevindingen (waar men aan gehecht is als een moeder aan haar kind) steeds weer ter discussie te stellen. Dat laatste gebeurt in debat met andere waarheidszoekers en dit debat – waarin meningen met elkaar botsen – vormt het hart van de wetenschap: du choc des idées jaillit la lumière

Wanneer we deze theorie echter vergelijken met de praktijk waarvan we nu al maanden lang getuige zijn, dan blijken die twee helemaal niet overeen te komen. Meer zelfs, ze spreken elkaar tegen. Waar is het debat dat het hart van de wetenschap zou moeten vormen? Het schittert door zijn afwezigheid. De wetenschappelijke experts die vandaag ons leven bepalen, gaan met niemand in debat, zelfs niet met hun collega’s. Hun critici doen ze af als losers, als ‘mislukte amateurs die zich in de belangstelling willen werken’ (sic). Het lijkt wel of de wetenschappelijke wereld bestaat uit nobele experts en deplorabele outlaws. En waar is de liefde voor de waarheid bij deze topexperts? Ze liegen erop los, alsof wetenschap politiek is en men gelijk wat kan vertellen als het maar bijdraagt tot het bereiken van het beoogde doel. Maar welk doel kan de wetenschap hebben dan het streven naar waarheid? En toch beschouwen we deze arrogante, leugenachtige experts als de stem van de wetenschap. 

Verre van dienstbaar en terughoudend te zijn, lijken de corona-experts ‘zot van glorie’. Ze worden het maar niet moe op televisie te verschijnen of geïnterviewd te worden in de kranten, hoewel ze niks nieuws te vertellen hebben. Integendeel, ze herhalen steeds weer dezelfde boodschap: er dreigt nog altijd gevaar, de drastische maatregelen kunnen niet afgebouwd worden, iedereen moet zich laten vaccineren. Ze zijn verstandig genoeg om te weten dat men niet houdt van boodschappers die slecht nieuws brengen, dat men een hekel aan ze krijgt en dat men ze op de duur niet meer wil horen. Toch blijven ze overal opduiken en uitentreuren hun onheilsberichten herhalen. De experts staan met andere woorden hun eigen boodschap in de weg, de boodschap die ze zo belangrijk (beweren te) vinden. Blijkbaar vinden ze hun eigen persoon nog belangrijker en moet het algemeen belang daarvoor wijken. Hun dienstbaarheid geldt dus niet zozeer de waarheid dan wel hun eigen ego.

Moeten we nog verder gaan? Moeten we het nog hebben over de vanzelfsprekendheid waarmee ze de bevolking adviezen geven die in feite bevelen zijn? Moeten we het nog hebben over de manier waarop ze iedereen angst aanjagen met waarschuwingen als: ‘ons land is een schuur vol buskruit en de Engelse variant is het vuur aan de lont’ (Erika Vlieghe)? Moeten we nog spreken over hun optreden als rechters en aanklagers: ‘iedere 14 minuten sterft er een mens omdat sommigen onder ons de maatregelen niet naleven’ (Dirk Devroey)? En wat moeten we denken van het cynisme van Marc Van Ranst, die als oplossing voor bedrijven die door de coronamaatregelen in financiële nood verkeren, adviseert: minder geld uitgeven? Het lijkt wel of deze experts genieten van hun macht. Marc Van Ranst geeft dat zelfs openlijk toe. Deze kleine Napoleon beleeft de tijd van zijn leven, onvermoeibaar leidt hij zijn troepen van de ene zege naar de andere. 

Maar wie zegeviert hier: de wetenschap of de experts? De dienstbaarheid of de machtswellust? De waarheid of de leugen? In theorie het eerste, in de praktijk het tweede. Over de wetenschap kunnen we als leken niet oordelen, maar over de wetenschappers wel. En dat oordeel valt zo negatief uit dat we ook hun wetenschap gaan wantrouwen. Hoort een wetenschapper – althans wanneer hij als wetenschapper spreekt – niet de ziel en de geest van de wetenschap uit te stralen? Moet hij zich niet omzichtig en nauwkeurig uitdrukken? Moet hij niet consequent zijn in zijn uitspraken en iedere onwaarheid, hoe klein ook, schuwen? Welnu, wat betekent het dan dat vaccinoloog Pierre Van Damme vandaag overal verkondigt dat het vaccin veilig is en dat we ons geen zorgen hoeven te maken, terwijl hij een maand of wat geleden nog toegaf dat de vaccinatie het grootste medische experiment in de geschiedenis is? Wat moeten we van zo’n wetenschapper en zijn wetenschap denken? 

Jullie moeten stoppen met zeuren, verkondigde Erika Vlieghe onlangs op televisie. Zij is een van de strengste stemmen in het expertenkoor, maar zij lijkt zich totaal niet bewust te zijn van de gevolgen van haar optreden. Mensen gaan failliet, mensen plegen zelfmoord, mensen verliezen hun levensvreugde, mensen leven in angst, mensen wantrouwen elkaar, maar volgens Vlieghe moeten ze niet zo zeuren. Er spreekt zoveel wereldvreemdheid, zoveel onverschilligheid, zoveel minachting uit haar woorden dat je je afvraagt: wat voor soort mensen zijn dit eigenlijk? Eén ding is duidelijk: ze leven in een andere wereld. Ze behoren tot de succesrijken, de welgestelden, de machthebbers, de elite. Maar ze behoren in de eerste plaats tot de wereld van de moderne wetenschap, de wetenschap van het oneindig kleine waar niks menselijks meer te bekennen is. Deze wetenschap heeft een enorme macht verworven die haar beoefenaars duidelijk naar het hoofd is gestegen en hen op hun wetenschap doet lijken. 

Juist omdat de wetenschap zich zover in de wereld van het oneindig kleine heeft gewaagd dat ze het contact met de mens verloren heeft, is het des te belangrijker dat haar beoefenaars hun menselijkheid onderhouden en versterken. Daar is vandaag echter niets van te merken, wel integendeel. Het zou overdreven zijn de experts onmensen te noemen, maar het zijn wel mensen die sterk in de greep zitten van de geest die de onderwereld beheerst: de duistere wereld van atomen, elementaire deeltjes, virussen en andere onzichtbaarheden. In deze wereld heersen immense krachten en als we die als mens niet onder controle kunnen houden, dan controleren ze ons, dan stijgt die hele onderwereld naar boven. En hij komt niet alleen van buiten op ons toe, via de experts en hun maatregelen, hij stijgt ook in onze eigen ziel naar de oppervlakte. Als we het over de experts hebben, moeten we het ook over onszelf hebben, en niet in de laatste plaats over ons geloof in de wetenschap. 

Dat plaatst ons voor een heel moeilijke keuze, want we zijn allemaal wetenschapsgelovigen geworden. Het geloof in de wetenschap – en in de autoriteit van de experts – is de grondslag van ons moderne leven. Waar kunnen we nog in geloven als de wetenschap faalt, als we de experts niet meer kunnen vertrouwen? Dan verdwijnt de grond onder onze voeten. Maar het is ons eigen waarheidsstreven dat ons dwingt om het machtsinstituut van de wetenschap in vraag te stellen. De coronacrisis plaatst ons met andere woorden in de schoenen van de ketters van weleer, die in verzet kwamen tegen het machtsstreven van de kerk en haar weer wilden terugvoeren naar haar oorspronkelijke taak. Deze dissidenten hadden het niet altijd bij het rechte eind, maar ze probeerden wel te voorkomen dat de kerk verstarde en tot de grootste vijand werd van datgene wat ze verkondigde. Ze probeerden de kerk en haar geloof te redden en betaalden daar vaak een zware prijs voor.

Ketters worden vandaag niet meer op de brandstapel gezet, althans niet letterlijk. Maar ze worden wel figuurlijk verbrand: ze worden belasterd, uitgesloten, gebroodroofd, bedreigd, enzovoort. Dat is de prijs die we moeten betalen als we de wetenschap willen redden. En daar gaat het uiteindelijk om. De wetenschap is in handen geraakt van experts, van mensen die macht belangrijker vinden dan waarheid. Ze weigeren hun inzichten nog langer bloot te stellen aan kritiek en worden daardoor tot vijanden van de wetenschap. Het is eerder gebeurd met de religie en met de kunst, en nu gebeurt het ook met de wetenschap: ze bezwijkt onder haar eigen gewicht. Wie de wetenschap wil redden, moet de strijd aangaan met de experts, want hun macht is veel te groot geworden. Maar hij moet zich in de eerste plaats zijn eigen geloof in hun autoriteit overwinnen. En dat betekent: zelf aan wetenschap beginnen doen. Want zoals Richard Feynman zei: science is the belief in the ignorance of experts

Het coronaraadsel (3)

  

De coronacrisis is in een nieuw stadium getreden: de vaccinatie. In theorie is dat het eindstadium. Als voldoende mensen gevaccineerd zijn – minstens 70 procent – dan ontstaat er groepsimmuniteit en kunnen de corona-maatregelen opgeheven worden. Daar kijkt iedereen reikhalzend naar uit en de vaccinatie-bereidheid ligt dan ook zeer hoog. Het vaccin vervult ons met hoop en verlangen. De lente staat voor de deur en als we straks de mondmaskers mogen afleggen, wordt het één groot feest: eindelijk weer samenkomen, eindelijk weer op café gaan, eindelijk weer vrienden, kennissen en familieleden zien. Nooit zal de vrijheid zo zoet geproefd hebben, nooit zal het leven zo mooi zijn geweest. Voor veel mensen zal het niets minder dan een redding zijn: degenen die het niet meer zagen zitten en aan zelfmoord dachten, degenen die hun zaak bijna failliet zagen gaan, degenen wier huwelijk op de klippen dreigde te lopen. Nee, als we eenmaal gevaccineerd zijn, breekt er een summer of love aan die we nooit meer zullen vergeten.

Tenminste, dat is de theorie, het beeld dat in ontelbare mensen leeft: het vaccin als redder der mensheid, als belofte van vrijheid, als verlosser van het kwaad. We mogen er niet aan denken wat er zal gebeuren als die farmaceutische heiland zijn belofte niet zou inlossen, als de hooggespannen hoop van zoveel mensen de kop zou worden ingedrukt. Dan zullen we ons voelen als een gevangene die na een lange celstraf eindelijk vrijgelaten zal worden, die al helemaal in de toekomst leeft en de mooiste dromen droomt, maar die op het laatste moment te horen krijgt dat het feest niet doorgaat en dat hij opgesloten blijft. Zoiets kan een mens breken. Nog eens een jaar in lockdown? Nog eens een jaar vol mondmaskers, afstandhouden, avondklok, gesloten cafés, afgelaste concerten, afstandsonderwijs, boetes en arrestaties, angst en wantrouwen? En dat alles terwijl de zon schijnt, de bloemetjes bloeien en de vogeltjes fluiten? Nee, dat kan niet, dat zou een nachtmerrie zijn. 

Het is dus ontzettend belangrijk dat de theorie over het vaccin juist is. Maar is dat het geval? Is het waar wat ons verteld wordt door de experts, de overheid en de media? De praktijk vertelt alvast een ander verhaal. Om te beginnen is het een krankzinnige onderneming: het intenten van zowat de hele wereldbevolking. Hoe gaat men dat – louter logistiek – ooit voor elkaar krijgen? In Duitsland – het best georganiseerde land ter wereld – loopt de zaak reeds in het honderd. Wat moet dat worden in landen als Roemenië, Zimbabwe of België? Het is weinig waarschijnlijk dat men overal de grenzen zal sluiten om de groepsimmuniteit per land tot stand te brengen. Het is waarschijnlijk niet eens mogelijk en dat betekent dat de maatregelen niet kunnen worden opgeheven vooraleer minstens 70 procent van de hele wereldbevolking gevaccineerd is. Hoelang gaat het duren voor die miljarden mensen – twee keer – gevaccineerd zijn? Louter op logistieke gronden kan men voorspellen dat de verhoopte summer of love niet voor dit jaar zal zijn. 

Maar ook al zou men erin slagen dit Hercules-werk tot een goed einde te brengen, dan nog is het onzeker of men op deze manier tot groepsimmuniteit kan komen. Men weet namelijk niet of het vaccin besmetting zal voorkomen. De producenten kunnen tot op zekere hoogte garanderen dat gevaccineerden niet ziek meer zullen worden. Maar of zij het virus ook niet meer kunnen doorgeven, dat moet afgewacht worden. Daarom spreekt men ook van een experiment: men kent de uitkomst niet. Als de gevaccineerden besmettelijk blijven, dan is groepsimmuniteit een ijdele droom: het virus zal blijven circuleren en diegenen treffen die om medische redenen niet kunnen gevaccineerd worden. Maar laten zij nu juist de doelgroep zijn die beschermd moet worden! De kans bestaat dus dat die megalomane vaccinatieonderneming een maat voor niks zal blijken te zijn. De onvermijdelijke conclusie luidt dat de massale vaccinatie een gok is, een gok waarop ontelbare mensen hun hoop gevestigd hebben. 

Er schuilt iets wanhopigs in deze vaccinatie-campagne. De experts hebben gewaarschuwd voor een levensgevaarlijk virus waartegen draconische maatregelen moeten worden genomen. Maar die maatregelen zijn op den duur onhoudbaar: ze kosten niet alleen enorm veel geld, ze veroorzaken ook enorm veel leed. Dat weten de experts ook en daarom propageren ze met man en macht de vaccinatie. Ze moeten wel, want ze zien geen andere uitweg meer. Ze zouden alsnog kunnen opteren voor de Zweedse aanpak – die zonder lockdown hetzelfde resultaat oplevert – maar daarvoor is het nu te laat. Als de bevolking erachter zou komen dat die ellendige maatregelen een maat voor niks zijn geweest, dan waren de experts hun leven niet meer veilig. De volkswoede zou dan over hen losbarsten, volkomen terecht overigens. Dus nemen ze de vlucht vooruit en zetten alles in op het vaccin. Niet omdat er geen alternatief is, maar omdat ze niet meer terug kunnen. Het vaccin moet hun vel redden. 

Het is goed daar even bij stil te blijven staan. Er is een vaccinatie-campagne van start gegaan die iedereen met hoop vervult, want het is volgens de experts de enige uitweg uit de crisis. Maar als we er nuchter over nadenken, komen we tot de conclusie dat het succes van deze campagne zeer twijfelachtig is. Het is eigenlijk een gok, een wanhoopspoging. De betrokken experts zullen dat natuurlijk ontkennen, maar hun gedrag spreekt boekdelen. De manier waarop ze het vaccin propageren is allesbehalve wetenschappelijk. Ze stellen het voor alsof het no big deal is om zomaar eventjes de hele wereldbevolking te vaccineren (wat reeds tegengesproken wordt door de praktijk), alsof het vaccin volkomen veilig is (wat ook reeds tegengesproken wordt door de praktijk) en alsof het de oplossing zal brengen voor al onze corona-zorgen (wat door henzelf wordt tegengesproken). Ze doen zich voor als nuchtere wetenschappers, maar ze gedragen zich als politici die van alles beloven dat ze nooit hard kunnen maken. 

Deze tegenstelling tussen woord en daad, tussen theorie en praktijk is één van de meest opvallende fenomenen in deze corona-crisis. Nu ja, opvallend. We merken de tegenstrijdigheden pas op wanneer we zelf proberen theorie en praktijk met elkaar te verbinden. Het feit dat zoveel mensen de experts blindelings geloven, toont aan dat ook bij henzelf theorie en praktijk losgekoppeld zijn. Het is pas wanneer we zelf actief die koppeling weer maken dat de waarheid omtrent ‘de experts’ zichtbaar wordt. En dat is an inconvenient truth. Want deze mensen gedragen zich als leerling-tovenaars. Vol vertrouwen in hun eigen beperkte weten (gebaseerd op louter cijfers en modellen) hebben ze iets in beweging gezet dat ze niet meer kunnen stoppen. De corona-maatregelen waren al buiten proportie, het vaccinatie-programma is helemaal van de pot gerukt: het is een medisch experiment waarbij de hele mensheid tot proefkonijn wordt gemaakt. Dat is niet alleen krankzinnig, volgens de Code van Neurenberg is het zelfs misdadig. 

Deze ontketende leerling-tovenaars kennen maar één methode: meer van hetzelfde. Dat is dan ook wat zal gebeuren, daarvoor hoeven we niet in de toekomst te kunnen kijken. Want stel nu dat de vaccinatie-campagne onverhoopt een succes wordt, dat de experts gelijk krijgen en dat we de zomer beleven waar we al zolang naar uitkijken. Het is weinig waarschijnlijk, maar je weet maar nooit. Wat zal er in dat geval gebeuren? Er zal een wilde vreugde losbarsten, het vaccin zal beschouwd worden als een wondermiddel en – om een herhaling van 2020 te voorkomen – zullen de experts vurig pleiten voor een uitbreiding van het vaccinatieprogramma. Het vaccin is immers het enige effectieve wapen gebleken in de strijd tegen de alomtegenwoordige virussen en aangezien die niet zullen ophouden ons te belagen, moeten we ons wapenen om een nieuwe oorlog te voorkomen. Systematisch (en wellicht verplicht) vaccineren zal het nieuwe devies worden. En wie zal daartegenin durven gaan? Wie zal de feestvreugde willen bederven? 

Het valt niet moeilijk te bedenken waar dat ‘verruimde vaccineren’ zal op uitdraaien. De gezondheid van de bevolking zal stelselmatig achteruitgaan, zeker als men ook kinderen zal gaan vaccineren. Wetenschappelijke studies hebben immers uitgewezen dat de gezondheid van niet-gevaccineerde kinderen stukken beter is dan die van gevaccineerde kinderen. Wie die studies niet vertrouwt – wat niet eens zo onverstandig is in de huidige omstandigheden – hoeft gewoon maar naar Amerika te kijken waar aan de lopende band gevaccineerd wordt. De gezondheid van de jeugd is daar zeer slecht, de kindersterfte ligt er zelfs hoger dan in Afrika. Wie ook dat niet gelooft, kan zijn gezond verstand gebruiken en zichzelf de vraag stellen of hij in een wereld wil leven waar de mensheid voor haar gezondheid afhankelijk wordt van vaccinaties. Want dat is wat ons te wachten staat als het corona-vaccin een succes wordt: een verslaafde mensheid die niet meer kan leven zonder haar jaarlijkse of maandelijkse shot.

Tot zover het best case scenario – dat bij nader inzien een bad case scenario is. Maar er is ook nog een worst case scenario. Er kan van alles misgaan. Om te beginnen kan de zaak louter logistiek in de soep draaien en moeten de coronamaatregelen gehandhaafd blijven omdat de beoogde groepsimmuniteit niet wordt bereikt. Zal men de hele vaccinatie-campagne dan afblazen? Dat is zeer onwaarschijnlijk. Zal men misschien de grenzen sluiten zodat tenminste in eigen land de groepsimmuniteit bereikt kan worden? Ook dat is weinig waarschijnlijk. Veel waarschijnlijker is dat men de druk zal opvoeren, en dat betekent: meer vaccinatie-inspanningen en uiteindelijk zelfs verplichte vaccinaties. In Israël – of all places – worden nu reeds vaccinatie-paspoorten gebruikt die de bevolking duidelijk maken dat niet-gevaccineerden tweederangsburgers zullen worden. Het is nauwelijks te geloven dat uitgerekend joden daar als eersten mee beginnen, maar de werkelijkheid overtreft weer eens de verbeelding. 

Maar er kan nog meer verkeerd gaan. Zo kunnen de anti-vaxxers gelijk krijgen die beweren dat de bijwerkingen van het vaccin erger zijn dan de ziekte die het heet te voorkomen. Er zijn alvast tekenen die daarop wijzen want er vallen veel meer doden dan verwacht. Als gevolg daarvan is de vaccinatie-campagne op verschillende plaatsen reeds opgeschort. Zal dit de experts tot andere gedachten brengen? Die kans is bijzonder klein. Ze ontkennen zonder meer het verband tussen het vaccin en de sterfgevallen: de doden worden toegeschreven aan onderliggende ziektes. Wie dat in twijfel durft te trekken, wordt brutaal de mond gesnoerd. Nu er volop gevaccineerd wordt, stijgen de ziekenhuisopnames opnieuw, maar dat wordt de ‘derde golf’ genoemd. Nee, de experts zijn niet van plan om bakzeil te halen. Ze zullen blijven aandringen op vaccinatie en op die manier dezelfde vicieuze cirkel creëren als in het best case scenario. Wat er ook gebeurt – succes of mislukking – het zal alleen maar leiden tot meer vaccinaties. 

Het feit dat beide tegengestelde scenario’s – best case en worst case – op hetzelfde uitdraaien, toont aan dat les extrêmes se touchent. En daar ligt de echte kwaal, de onderliggende ziekte waarvan de coronacrisis slechts een symptoom is: het verdwijnen van het gulden midden, het stilvallen van de levendige wisselwerking tussen de tegenpolen. Waar vroeger drieledigheid heerste – de tegenpolen en het midden – bestaat nu nog slechts een troebel mengsel van angst, haat en wantrouwen. Overal, op ieder gebied staan twee partijen tegenover elkaar die exact hetzelfde denken: de ander moet kapot, dan komt alles goed. Zo reageren de experts ook op het coronavirus: het moet kost wat kost uitgeschakeld worden. Daardoor worden ze echter zelf tot een virus dat angst verspreidt, dat de besmettelijkheid nog doet toenemen en dat een zelfvernietigende vicieuze cirkel doet ontstaan. De oorzaak van de coronacrisis is niet het virus maar de zuigende draaikolk die het gulden midden heeft vervangen.

De remedie voor de coronacrisis is niet de vaccinatie die nu van start is gegaan. Wat we nodig hebben is een geestelijk vaccin. We moeten onszelf inenten met de idee van het gulden midden, we moeten – op ieder gebied – de drieledigheid weer in ere herstellen. En dat zal op regelmatige basis moeten gebeuren, dat zal het nieuwe normaal moeten worden. Of we daarin slagen of niet, het is de enige echte uitweg uit de huidige impasse. Rudolf Steiner wees daar al op: zolang de realiteit van de geest niet erkend wordt, zal het alleen maar erger worden. En met geest bedoelde hij niet alleen de christelijke geest van het midden, maar ook de michaëlische geest van het onderscheidingsvermogen. Want wat ons momenteel het meest bedreigt is de vermenging van de tegenpolen, de vicieuze cirkel. Zolang die niet doorbroken wordt en we de tegenpolen weer duidelijk onderscheiden, kan er geen ruimte ontstaan voor het enige vaccin dat ons weer gezond kan maken: het Christus-vaccin.   

Het Coronaraadsel (2)

  

Verrassend bericht in de krant van 25 januari: volgens epidemioloog Luc Bonneux zullen we in mei verlost zijn van de zware coronamaatregelen! Heel wat mensen zullen dan al gevaccineerd zijn, anderen zullen reeds immuun zijn. En vorig jaar hebben we gezien dat in mei het aantal ziekenhuisopnames spontaan terugliep, gewoon omdat het mooi weer was en de mensen meer buiten kwamen. Het virus zal geen kans meer hebben om terug te komen, aldus Bonneux, die er wel lachend aan toevoegt dat al onze voorspellingen tot nog toe verkeerd zijn gebleken. Dat we dat nog mogen meemaken: een lachende epidemioloog, een wetenschapper met goed nieuws! Maar niet te vlug gejuicht! Eén zwaluw maakt de lente niet. In dezelfde krant staan ook andere berichten. De situatie is in werkelijkheid veel ernstiger dan het lijkt! Er is een nieuwe reus opgestaan die nog groter is dan de vorige en er moet dringend ingegrepen worden! Nee, de winter is nog niet voorbij.

Zou er tijdens de hele coronacrisis ooit al zo’n relativerende, geruststellende stem geklonken hebben als die van Luc Bonneux? Misschien die van de immer beheerste Lieven Annemans, maar die is van de aardbodem verdwenen, kaltgestellt door de partij van de alarmisten, de extremisten en de paniekzaaiers. Die partij voert al sinds het begin van de crisis het hoge woord. Al bijna een jaar lang bestoken virologen, epidemiologen, vaccinologen, immunologen en microbiologen ons met onheilstijdingen, waarschuwingen, bloedstollende voorspellingen en angstaanjagende cijfers. Zij adviseren de regering onophoudelijk om drastische maatregelen te nemen. Nu ja, adviseren. Er gaat geen dag voorbij of de experts worden uitgebreid geïnterviewd in kranten en tijdschriften, ze verschijnen op televisie, duiken zelfs op in spel- en kinderprogramma’s of demonsteren hun kookkunsten. Alsof zij de nieuwe regering vormen en in deze moeilijke tijden om de gunst van de bevolking moeten dingen. 

Er heeft zich een soort staatsgreep voorgedaan, niet alleen in eigen land, maar in de hele wereld: overal is de macht gegrepen door wetenschappers die in theorie alleen maar adviseren, maar in praktijk regeren. En deze wetenschapsregering legt er ongenadig de zweep op, zij regeert met ijzeren hand. Gedaan met de vrijheden, gedaan met de grondwet, gedaan met de mensenrechten. Zonder dat we er erg in hadden, is de democratie (of wat er nog van overbleef) vervangen door een dictatuur. Elke dag moeten we in de krant lezen wat er verboden of verplicht is. Het regent voorschriften: hoe dicht we elkaar nog mogen naderen, met hoeveel we aan tafel mogen zitten, waar we naar het toilet mogen gaan. Verliezen we een regel uit het oog en gaan we argeloos op een bank zitten, dan riskeren we een zware boete. Organiseren we een verjaardagsfeestje dan moeten we er rekening mee houden dat de deur kan ingebeukt worden en dat we de nacht op het politiekantoor moeten doorbrengen.

Deze Orwelliaanse toestanden worden gerechtvaardigd doordat er een Verschrikkelijke Vijand verschenen is: het coronavirus. Iedereen moet ten strijde trekken, niemand mag achterblijven. Winkels, cafés, restaurants en concertzalen worden gesloten, mensen mogen geen bezoek meer ontvangen, grootouders mogen hun kleinkinderen niet meer zien, bejaarden worden geïsoleerd, overal verschijnen waarschuwingen, overal patrouilleert de politie. De noodtoestand is afgekondigd, we zijn in oorlog. Wie de noodmaatregelen niet opvolgt wordt hard aangepakt, zowel fysiek, financieel als moreel. Afzijdig blijven wordt beschouwd als lafheid, egoïsme, gebrek aan verantwoordelijkheidszin en respect voor de medemens. Afwijkende meningen worden verketterd en belachelijk gemaakt, critici van het oorlogsbeleid worden afgedaan als anti-vaxxers, complotdenkers, fanatici, criminelen. Van een democratisch debat is geen sprake meer. De wetenschap regeert, in naam van de enige, echte waarheid. 

De achterliggende gedachte luidt: het is maar tijdelijk. Zodra de vijand verslagen is, kan het leven weer zijn gewone gang gaan en keren de virologen weer terug naar hun labo’s. Beter de korte pijn dan de langdurige ziekte. Maar dat horen we nu al een jaar lang en het einde is nog niet in zicht. Momenteel wordt er massaal gevaccineerd, maar volgens de WHO betekent dat niet dat de maatregelen opgeheven worden, integendeel, ze gaan gewoon door. Tot wanneer? Dat weet niemand. Intussen wordt er al een derde golf voorspeld en zijn er nieuwe mutaties van het virus opgedoken. Alles wijst erop dat we nog lang niet ‘aan de nieuwe patatjes’ toe zijn. Als we luisteren naar de dagelijkse berichten over stijgende besmettingen dan lijkt de kans dat Luc Bonneux gelijk krijgt niet bijster groot te zijn. De partij van de alarmisten is duidelijk nog niet van plan om de teugels te vieren, en de Summer of Love waar velen op hopen zal hoogstwaarschijnlijk niet voor dit jaar zijn. 

Zoals dat ook met vorige wereldoorlogen het geval was, dachten we aanvankelijk dat de oorlog tegen het coronavirus niet lang ging duren: na een paar maanden zouden we er wel vanaf zijn. Inmiddels is de War on Virus al een jaar bezig en mogelijk komt er nog een jaar bij. We hebben geen idee wanneer deze oorlog zal eindigen. Sommigen beweren dat hij nooit meer zal eindigen, dat de huidige toestand het nieuwe normaal wordt en dat we zullen moeten leren leven met mondmaskers, ontsmettingsgel, afstandsregels en lockdowns. Anderen beweren dan weer dat je geen oorlog kunt voeren met virussen. Ze komen en gaan wanneer ze dat willen. Het beste wat je kunt doen is de zaak zo goed mogelijk opvangen en wachten tot het virus weer verdwijnt. Het slechtste wat je kunt doen, is de verspreiding tegengaan, want dan kan het virus zich niet uitleven en dwing je het te blijven. Wat er ook van zij, het ziet er niet naar uit dat beide oorlogvoerenden – het virus en de virologen – de strijd vlug zullen opgeven. 

De gematigde, ‘pacifistische’ stemmen zijn nauwelijks hoorbaar. Ze worden overstemd door de oorlogstaal van virologen, epidemiologen en vaccinologen die dagelijks uit de medialuidsprekers schalt. De reden waarom deze krijgsheren zoveel gehoor krijgen en zonder slag of stoot de leiding van de wereld kunnen overnemen, is dat het wetenschappers zijn. De wetenschap heeft in onze tijd een enorm gezag verworven, groter dan enig gezag ooit geweest is. Wetenschappers hebben de plaats ingenomen van de hogepriesters en de bisschoppen van weleer. Zij vertegenwoordigen de God van onze tijd: de wetenschap. Maar terwijl er vroeger meerdere rivaliserende goden en godsdiensten waren, is er vandaag nog slechts één God die geen enkele concurrentie meer heeft. De wetenschap is uitgegroeid tot een wereldomspannend instituut dat machtiger is dan welke religie ook. Zij vertegenwoordigt een gezag zoals de wereld nog nooit gezien heeft, en dat gezag ontplooit nu zijn macht.

De enorme machtsontplooiing waarvan we vandaag getuige zijn, berust niet enkel op uiterlijk gezag. De virologen zouden nooit zo’n dictatoriaal bewind kunnen voeren als de mensheid niet zo’n diep geloof in de wetenschap had. Wie bezwaren heeft tegen de dictatuur waaronder we vandaag leven, moet in eigen hart kijken, want daar leeft de voedingsbodem voor dit nieuwe totalitarisme: ons onwrikbare wetenschapsgeloof. Op dat geloof is ons hele wereldbeeld gebouwd. Wie het niet deelt, wordt als een barbaar beschouwd. Hij wordt (zoals de recente relschoppers in Nederland) gerekend tot ‘dat deel van de bevolking dat zijn mening niet meer baseert op feiten en wetenschap’. Geen enkel beschaafd mens wil tot dat barbaarse bevolkingsdeel behoren. Dat is de reden waarom de virologische machtsgreep zonder slag of stoot heeft kunnen plaatsvinden: iedereen wil ‘wetenschappelijk’ in de wereld staan, niemand wil nog terug naar het duistere middeleeuwen met zijn irrationele geloof in goden en geesten.

Ons geloof in de wetenschap is zo sterk omdat het onlosmakelijk verbonden is met onze grootste hartstocht: de vrijheid. Wie eenmaal van de vrijheid heeft geproefd, wil haar nooit meer kwijt. Aangezien we onze vrijheid te danken hebben aan het nuchtere, rationele denken van de wetenschap, kunnen we die wetenschap niet afvallen zonder ons vrije bestaan op de helling te zetten. De wetenschap is ons heilig omdat de vrijheid ons zo nauw aan het hart ligt. We verdedigen de wetenschap met een hartstochtelijk, fanatiek en strijdbaar geloof, hetzelfde geloof dat ons nu ten strijde doet trekken tegen het coronavirus en … een eind maakt aan onze vrijheid. Dat is de paradox waarmee we vandaag geconfronteerd worden: dezelfde wetenschap die ons de vrijheid heeft gegeven, neemt ons die vrijheid ook weer af. Geven we ons geloof in de wetenschap op dan verliezen we onze vrijheid, maar houden we eraan vast dan verliezen we onze vrijheid eveneens. Dat dilemma vormt de kern van de hele coronacrisis.

Een jaar lang reeds staat de wetenschap in het centrum van de gebeurtenissen. Het is de wetenschap die ons gewaarschuwd heeft voor het virus, het is de wetenschap die de draconische maatregelen heeft voorgesteld, en het is de wetenschap die aandringt op vaccinatie. Het was het afgelopen jaar al wetenschap wat de klok sloeg en het zal dit jaar niet anders zijn. Nog nooit zijn we ons op zo’n grote schaal bewust geworden van de rol die de wetenschap speelt in ons leven. Tot nog toe ‘sliep’ ons geloof in de wetenschap. Het was als een geruststellend achtergrondgeluid in ons bestaan: ging er iets mis dan zou de wetenschap daar wel een oplossing voor vinden. Nu de wetenschap op de voorgrond is getreden, zijn we wakker geschrokken en heeft ons geloof een flinke schok gekregen. Want de wetenschap blijkt een januskop te hebben: ze boezemt niet alleen vertrouwen in, ze wekt ook angst, ergernis en wantrouwen door haar eigengereide optreden. Ze gedraagt zich zoals de kerk dat vroeger deed: ze moeit zich met alles, ze bepaalt ons hele bestaan. Alsof de geschiedenis zich herhaalt.

De religie heeft het wakker worden van ons geloof niet overleefd. Ons religieuze geloof ging langzaam over in wetenschappelijk geloof. Maar ook dat laatste begint nu te ontwaken, en is er geen alternatief meer. Want waardoor zou ons geloof in de wetenschap kunnen vervangen worden? Waarin kunnen we nog geloven als de wetenschap niet meer voldoet? Die vragen stellen we ons nog niet, maar nu we het levens- en vrijheidsvijandige karakter van de wetenschap aan den lijve ondervinden, komt ons geloof onder druk te staan. Het wankelt nog lang niet, maar slapen doet het toch ook niet meer. Er is waarschijnlijk nog nooit zoveel nagedacht over wetenschap als afgelopen jaar en er tekenen zich duidelijk twee kampen af: degenen die onwrikbaar blijven geloven in de wetenschap (en strikt de regels volgen die ze oplegt) en degenen die hun twijfels hebben (en de regels in vraag beginnen te stellen). Tussen deze twee kampen lopen de spanningen langzaam op.

In Nederland zijn ze al een paar keer tot uitbarsting gekomen en dat zal er waarschijnlijk niet op beteren, want de machtsgreep van de experts is wurgend en er zijn geen tekenen dat ze hun greep gauw zullen lossen. De manier waarop de ‘relschoppers’ worden veroordeeld, geeft aan dat het gezag de wetenschap nog altijd onbetwist is. Tegelijk krijgen mensen het steeds moeilijker. Ondernemingen gaan failliet of stapelen de schulden op, in de horeca leeft men van zijn spaarcenten, in de cultuursector rukt men zich de haren uit het hoofd, jongeren krijgen zelfmoordneigingen en – als de scholen straks weer dicht moeten – hun ouders ook, zieken worden niet meer behandeld, de grote depressie, zowel economisch als psychisch, dreigt. De samenleving wordt langzaam een snelkookpan waarin de druk toeneemt. De levenskrachten van de mensheid snakken naar expansie en als de wetenschap haar greep niet lost, zullen ze vroeg of laat exploderen. 

Opvallend is het verschil tussen Nederland en Vlaanderen. Bij onze noorderburen wordt volop geprotesteerd tegen de corona-maatregelen. Het wemelt er van de youtube-filmpjes waarin kritische stemmen aan bod komen die geen blad voor de mond nemen. Er is zelfs een tijdschrift opgericht – Gezond Verstand – dat helemaal gewijd is aan ‘de strijd tegen de corona-waanzin’. In Vlaanderen is van dat alles niets te merken. Hier klinkt alleen de stem van de wetenschappers die zich allemaal voordoen als topexperts, die erop wijzen dat ons land een leidende rol speelt in de ontwikkeling en controle van het coronavaccin en die ons op alle mogelijke manieren duidelijk maken dat we ons geen zorgen hoeven te maken als we maar goed naar hen luisteren. En daar is de Vlaming natuurlijk goed in: zwijgen en luisteren. Hij betaalt er echter een zware prijs voor: nergens worden zoveel zelfmoorden gepleegd, nergens worden zoveel anti-depressiva geslikt als in het brave, volgzame Vlaanderen. 

De ijzeren greep van de wetenschap doet de spanningen in de samenleving (en in de mens zelf) oplopen. Dat kan leiden tot een explosie van barbarij die de wereld (en ook de wetenschap) in chaos stort. Maar het kan ook nog tot iets anders leiden: namelijk tot het uitdoven van het vuur onder de snelkookpan. Hier duikt het schrikbeeld op van een mensheid wier vrijheidsstreven gebroken is en die zich als een kudde schapen laat leiden door een wetenschappelijke herder. Samen vormen beide mogelijkheden een klassiek beeld: dat van Scylla en Charybdis. Ze vormen ook een antroposofisch beeld: dat van Lucifer en Ahriman, de vurige vrijheidsstrijder en de wetenschappelijke dictator. Beide beelden vertellen ons hetzelfde: het grootste gevaar komt van de allesverstikkende Ahriman. Voor hem is het dat we wakker moeten worden, het is ons onwrikbare geloof in de moderne wetenschap dat we in twijfel moeten trekken. Dat is onze grote opgave in deze coronacrisis, dat is de coronacrisis. 

Het Coronaraadsel (1)

  

In een krantenartikel van 6 februari in De Morgen betoogt filosoof Johan Braeckman, een van Vlaanderens prominente intellectuelen, dat het risico op een ernstige aandoening door het coronavaccin verwaarloosbaar klein is. Reden voor zijn betoog: hij wil de antivaccinatiebeweging de wind uit de zeilen nemen nu er mensen sterven nadat ze ingeënt werden. Die mensen, citeert hij Marc Van Ranst, waren anders ook wel doodgevallen. Het is niet zo eenvoudig om de oorzaak van iets vast te stellen, daar is in de filosofie hard over nagedacht. En hij geeft een kort historisch overzicht, gaande van Aristoteles over Hume tot de huidige tijd. Vandaag, gaat hij verder, beschikken we over nieuwe technieken om onderscheid te maken tussen reële en valse causaliteit. Die moeten we helder uitleggen zodat we het vertrouwen terugwinnen van de anti-vaxxers en al degenen wier gezonde kritische denken misvormd is tot irrationeel wantrouwen. Een goed begrip van causaliteit, besluit hij, redt mensenlevens. 

Op een heldere, boeiende wijze zegt Johan Braeckman hetzelfde wat zowat alle experts zeggen: het vaccin is veilig, bezorgdheid is overbodig, anti-vaxxers zijn halve zolen. Maar interessanter dan wat hij zegt, is wat hij niet zegt. Zo vermeldt hij geen enkel onderzoek waarin de moderne technieken waarover hij het heeft, worden gebruikt om aan te tonen dat er geen causaal verband is tussen vaccinaties en sterfgevallen. Die onderzoeken moeten er nochtans zijn want het valt moeilijk voor te stellen dat een vooraanstaand intellectueel als Braeckman zomaar zou beweren dat er geen verband is als dat niet ondersteund werd door gedegen wetenschappelijk onderzoek. De zaak is belangrijk genoeg om voor een groot publiek geen stellige uitspraken te doen die niet onderbouwd zijn. Toch noemt Braeckman geen enkel concreet voorbeeld. Hij zegt ook niet wat de preciese uitkomsten waren van die onderzoeken. Was er werkelijk geen enkel verband, was het percentage heel klein? We hebben er het raden naar. 

Blijkbaar moeten we er maar op vertrouwen dat die studies bestaan en dat ze in het voordeel van het vaccin uitvielen. Het is een vreemde manier van doen voor iemand die beweert het vertrouwen te willen terugwinnen van misleide zielen. Maar er is nog iets anders dat Johan Braeckman niet zegt en dat al evenmin van aard is om vertrouwen terug te winnen. Hij spreekt namelijk met geen woord over het feit dat zijn betoog net zo goed opgaat voor het oorzakelijk verband tussen virussen en sterfgevallen. Dat verband wordt algemeen verondersteld, maar wie zegt dat degenen die stierven na met corona besmet te zijn anders ook niet waren ‘doodgevallen’? Het waren immers overwegend oude en zieke mensen die niet lang meer te leven hadden. Hoe kun je met zekerheid vaststellen dat er een causaal verband was tussen hun besmetting en hun dood? Het is al vaak gezegd: het is niet omdat je met corona gestorven bent, dat je ook door corona gestorven bent. Toch zwijgt Johan Braeckman in alle talen over dat causaliteitsprobleem.

Voor iemand die zich laat voorstaan op zijn kritisch denken en wetenschappelijke nauwgezetheid is dit zwijgen onbegrijpelijk. Braeckman moet toch weten dat dit het eerste is waar je als lezer aan denkt: als er geen oorzakelijk verband is tussen de vaccinaties en de sterfgevallen, waarom zou er dan wel een zijn tussen de virusbesmetting en de coronadoden? Een vertrouwenwekkende handelwijze zou zijn geweest om in allebei de gevallen concrete onderzoeksresultaten te vermelden die aantonen dat er geen causaal verband is in het geval van het vaccin maar wel een in het geval van het coronavirus. Dat hij dat niet doet, wekt juist (nog meer) wantrouwen. Het wekt het vermoeden dat hier weer een paternalistische expert aan het woord is die zijn lezers niet lastig wil vallen met moeilijke onderzoeken waar ze toch niks van begrijpen, maar ze wel aanmaant om vertrouwen te hebben in de wetenschap, om keurig de corona-maatregelen na te leven en zich braaf te laten vaccineren.  

Over gebrek aan vertrouwen kunnen de experts niet klagen, want de bevolking volgt nu al maanden lang heel keurig de toch wel verregaande corona-maatregelen en ze is meer dan bereid zich te laten vaccineren. Het aantal anti-vaxxers wordt begroot op 4 procent en vormt geen enkele bedreiging voor de vaccinatiecampagne. Bovendien komen ze nooit aan het woord in de reguliere media en kunnen ze hun ideeën alleen verspreiden via Facebook en Youtube. Toch schrijft Johan Braeckman een artikel om deze marginale ideeën te counteren en voor te stellen als een vorm van irrationeel wantrouwen. Waarom doet hij dat? Waarom maakt hij zich zorgen over die paar dissidente stemmen? Is hij bang dat ze besmettelijk kunnen worden? Het vertrouwen in de wetenschap is nochtans massaal in ons land, zelfs de katholieke kerk had nooit zoveel aanhangers. En toch lijkt Johan Braeckman ook die laatste weerstanden uit de weg te willen ruimen. Hij gaat daar zelfs heel ver in 

Want stel nu eens dat het verkeerd afloopt met de corona-vaccinatie. Met die mogelijkheid houdt hij geen rekening, maar ze bestaat wel degelijk. Het kan toeval zijn dat honderden mensen gestorven zijn na vaccinatie, maar dat duizenden jonge mensen in het ziekenhuis terechtkwamen nadat ze het vaccin kregen, is toch een stuk bedenkelijker, want deze categorie liep zo goed als geen risico op covid 19. Het ‘veilige’ vaccin was voor hen dus gevaarlijker dan het ‘dodelijke’ virus. Misschien is dit een te voorbarige conclusie en is er een aannemelijke uitleg, maar het feit blijft dat men niet weet welke bijwerkingen het corona-vaccin zal hebben. Men weet het niet op korte termijn – in het verleden is steeds weer gebleken dat testresultaten door de werkelijkheid worden tegengesproken (wat nu ook weer lijkt te gebeuren) – en men weet het zeker niet op lange termijn, want men heeft het nieuwe type vaccin nog nooit op grote schaal gebruikt.

Zelfs de grootste voorstanders van vaccinatie kunnen niet ontkennen dat het gaat om een experiment waarvan de uitkomst onzeker is. Ze doen dat dan ook niet, want ze zouden liegen. Maar ze maken wel onverpoosd propaganda voor het vaccin en reageren vijandig of neerbuigend tegenover de zogenaamde anti-vaxxers. Is hun vertrouwen in de ‘nieuwe technieken’ dan zo groot dat ze bereid zijn te gokken met mensenlevens en hun hele reputatie op het spel te zetten? Na de tweede wereldoorlog werd de Code van Nurenberg opgesteld om te voorkomen dat er in de toekomst nog geëxperimenteerd zou worden op mensen zoals dat in de concentratiekampen gebeurde. Experimenten mochten voortaan alleen nog plaatsvinden na volledige instemming en grondige informering van de deelnemers. In het geval van het coronavaccin-experiment is het zeer twijfelachtig of er aan beide voorwaarden wordt voldaan, en dat stelt Johan Braeckman dus bloot aan rechterlijke vervolging mocht het verkeerd lopen. 

Er zijn experts die waarschuwen voor de gevolgen van de vaccinering en die het volkomen onverantwoord vinden om zo’n experiment op touw te zetten. Ze vinden het zelfs immoreel omdat men de gezondheid op het spel zet van mensen die niks te vrezen hebben van het coronavirus. Maar deze proteststemmen worden gesmoord. Men schildert de dissidente experts af als tweederangswetenschappers, als ‘mislukte amateurs die zichzelf in de belangstelling willen werken’. Dat laatste argument klinkt natuurlijk weinig overtuigend uit de mond van experts die niet weg te slaan zijn uit de media. Men kan zich ook de vraag stellen of het de taak is van (eersterangs)wetenschappers om de bevolking voortdurend angst aan te jagen – niet voor het vaccin maar voor het virus. Wat bezielt deze mensen om zo ver hun nek uit te steken voor een experiment – een medisch experiment (de vaccinatie) en een sociaal experiment (de lockdown)? De kans is immers reëel dat de hele zaak verkeerd afloopt. 

Eén ding is zeker: het is niet hun gezonde verstand dat hen drijft. Je hoeft echt niet gestudeerd te hebben om te beseffen dat het een krankzinnige onderneming is om de hele wereldbevolking te willen vaccineren. Het is een daad van grenzeloze hubris. De vaccinatie-campagne is nog maar van start gegaan of de problemen stapelen zich al op. In Duitsland – zowat het best georganiseerde land ter wereld – loopt de zaak reeds in het honderd. Wat moet dat worden in landen als Roemenië, Zimbabwe of België? En men beoogt geen groepsimmuniteit per land, men beoogt herd immunity voor de hele wereld. De mensheid wordt als één grote kudde gezien. Niet alleen strookt zo’n benadering totaal niet met de huidige (individualiserende) bewustzijnsontwikkeling van de mens, ook louter logistiek is deze poging om de hele mensheid te vaccineren een waanzinnige onderneming. Het lijkt wel of we vanuit de normale werkelijkheid (die al niet bijster normaal meer was) in een science fiction film zijn gestapt.

De experts die dit megalomane experiment propageren, lijken niet alleen hun gezond verstand kwijt te zijn, ze lijken ook hun wetenschappelijke houding te hebben opgegeven. Het is beslist geen wetenschap om de bevolking dagelijks voor te schrijven wat ze moet doen en niet mag doen. Zoiets heet grensoverschrijdend gedrag. Het is ook geen wetenschap om de hele mensheid tot proefkonijn te maken in een experiment dat gedoemd is om te mislukken, logistiek, medisch en sociaal. Want wat zal er gebeuren als het vaccinatie-experiment toch een succes zou worden? Dat ligt voor de hand: het zal herhaald worden. De pro-vaxxers zullen victorie kraaien en verklaren dat we de manier gevonden hebben om verlost te raken van infectieziekten, van angst voor virussen, van draconische maatregelen. Vaccineren zal het wondermiddel van de toekomst worden – en een ramp voor de volksgezondheid. 

De WHO heeft in volle corona-crisis de definitie van groepsimmuniteit veranderd. Die kan voortaan niet meer op natuurlijke weg worden bereikt – namelijk door ziek te worden en te genezen – maar alleen nog door middel van vaccinatie. Dat kan maar één ding betekenen: er wordt met man en macht aangestuurd op massale en herhaalde vaccinatie. De huidige vaccinatie-campagne is slechts een begin. Wat zal er gebeuren als ze (ondanks alles) een succes wordt en het verzet van de anti-vaxxers gebroken wordt? Dan staat ons te wachten wat in Amerika reeds een feit: we zullen vanaf onze geboorte voortdurend gevaccineerd worden. Amerikaanse jongeren zijn op hun 18de soms al 75 keer gevaccineerd. Het resultaat is ontstellend: in Amerika ligt de kindersterfte hoger dan in Afrika. Johan Braeckman zal wellicht zeggen dat we geen causaal verband mogen leggen tussen beide. Maar vergelijkende studies tonen aan dat de gezondheid van gevaccineerde kinderen wel degelijk slechter is dan die van niet-gevaccineerde kinderen. 

De wetenschap zegt met andere woorden precies hetzelfde als het gezonde verstand: aan de lopende band vaccineren is niet goed voor de gezondheid. Vooral met de nieuwe genetische technieken dreigt het immuunsysteem van de mens zodanig ontregeld te raken dat hij de rest van zijn leven afhankelijk wordt van medische behandeling. Het mazelenvaccin is daar een goed voorbeeld van. Vroeger kreeg zowat ieder kind de mazelen en was daarna immuun voor de rest van zijn leven. Vandaag wordt er massaal ingeënt tegen deze onschuldige kinderziekte en ontstaat er groepsimmuniteit. Maar die is niet waterdicht, waardoor er toch nog besmettingen voorkomen. Voor kleine kinderen is dat geen probleem maar voor oudere kinderen en volwassen zijn de mazelen gevaarlijk geworden. Dat is voor de pro-vaxxers echter geen reden om bakzeil te halen, integendeel, zij reageren door nog meer aan te dringen op vaccinatie en de anti-vaxxers de schuld te geven van de sterfgevallen.

Mensen als Johan Braeckman – die zich laten voorstaan op hun redelijkheid – zouden dit kunnen weten, zouden dit moeten weten. Er is al genoeg misgegaan met grootschalige vaccinatie-campagnes – denk maar aan het debacle van Bill Gates in Indië – om op zijn minst enige terughoudendheid aan de dag te leggen. Maar dat doen deze experts niet, ze doen precies het tegenovergestelde. Tegen alle redelijkheid, tegen alle wetenschappelijkheid (ze negeren alle kritische stemmen en onderzoeken), ja zelfs tegen alle wettelijkheid in (de code van Neurenberg) voeren zij onvermoeibaar propaganda voor het vaccineren van de hele mensheid. Zij zijn met andere woorden een gevaar voor de volksgezondheid. Dat is geen emotionele uitlating maar de conclusie van nuchter en rationeel nadenken. Of de corona-vaccinatie nu een doorslaand succes wordt of een beschamende mislukking, in beide gevallen zal het ten koste gaan van onze gezondheid. Dat is geen vrees, geen doembeeld, maar een feit. 

Het is een bijzonder ongemakkelijke waarheid die hier aan de oppervlakte komt: degenen die streven naar herd immunity door middel van vaccinatie en zich opwerpen als ‘goede herders’ zijn in werkelijkheid misleiders. Ze doen zich voor als kritische denkers, maar ze zijn het niet. Ze noemen zich wetenschapper, maar ze gedragen er zich niet naar. Ze beweren bezorgd te zijn om de volksgezondheid, maar ze maken ons ziek. Uitgerekend degenen die we het meest vertrouwen – de wetenschappelijke experts – blijken in hoge mate onbetrouwbaar te zijn. Hoe moeten we die – ontstellende – waarheid begrijpen? Rudolf Steiner waarschuwde er 100 jaar geleden reeds voor dat het intellect kwaadaardig zou worden. En dat is precies wat we vandaag zien gebeuren. Johan Braeckman is geen kwaadaardige mens, Integendeel wellicht, maar zijn intellectualistische manier van denken is dat wel. Als we dat eenmaal onder ogen zien, weten we ook wat we moeten doen: zelf beter leren denken. Dat is meteen ook het enige wat we kunnen doen. 

Het raadsel van Zegelsem (15)

  

Eind september ben ik begonnen met het oplossen van het raadsel van Zegelsem. Sindsdien is dat raadsel alleen maar groter geworden. Het is inmiddels uitgegroeid tot het raadsel van een menswording – bevruchting, conceptie en geboorte – maar dan op etherisch vlak. Van die geestelijk-etherische wereld heb ik geen enkele rechtstreekse waarneming, dus ik kan mijn ‘kind’ niet zien. Ik kan het alleen maar denken, op grond van een zorgvuldig waarnemen van de zintuiglijke werkelijkheid. Dat heb ik naar best vermogen gedaan, dat wil zeggen: ik ben ‘wetenschappelijk’ tewerk gegaan, ik heb naar de waarheid gezocht zonder een vooropgesteld doel na te jagen. Anders zou ik nooit zijn uitgekomen bij het denkbeeld van een etherisch kind. Als antroposoof van het mannelijk geslacht wist ik natuurlijk wel dat ik een vrouwelijk etherisch lichaam heb, maar dat zo’n lichaam ook zwanger kan worden en een kind baren, kwam als een volslagen verrassing.

Aanvankelijk was dat etherische kind slechts een vermoeden, een zijdelings opduikende gedachte. Maar hoe meer ik er begon over na te denken, des te duidelijker kwam het baarmoederlijke karakter van Scheldewindeke me voor ogen te staan. Het verklaarde ook de bijzonder pijnlijke verhuizing naar Zegelsem en toen ik op zoek ging naar de ‘bevruchting’ die logischerwijze bij die ‘geboorte’ hoorde, snapte ik opeens wat er in Brugge was gebeurd. Ik kwam tot de conclusie dat ik – zonder het te beseffen – m’n hele leven naar deze Steigerung had toe gewerkt en dat het ‘kind’ dat eruit voortkwam eigenlijk het doel van mijn leven was. Dat kind verklaarde alles. Het strookte ook met mijn oude-ziel-zijn, met het kerstthema van Mattheus: de drie koningen die op zoek gaan naar het kind, het kind van de wijsheid, het kind van de wetenschap. Ik zou vandaag dus in feeststemming moeten verkeren, want ik heb eindelijk gevonden wat ik zocht. Maar in plaats daarvan ben ik in rouw, want mijn kind leeft niet. 

Ik kan mijn wijsheidskind niet zien, niet voelen, niet horen, niet ruiken. Het bestaat uit louter gedachten. De verleiding is dan ook groot om het als een hersenschim te beschouwen en ik zou het zeker niet kunnen (of zelfs maar durven) verdedigen tegenover een ‘echte’ wetenschapper. Maar ik heb zolang gezocht naar dit kind, ik heb er zoveel moeite voor gedaan, ik heb er eigenlijk m’n hele leven aan besteed. Als ik dit kind nu verloochen, dan verloochen ik mijzelf, dan verloochen ik mijn hele leven. En in ruil voor wat? Zelfs als ik zou willen, kan ik niet terug naar een warmbloedig leven dat geen tijd verspilt aan zoeken naar een ideëel kind. Daar is het te laat voor. Ik heb al mijn levenskrachten geïnvesteerd in dit bewustzijnskind en het is alles wat ik nog heb. Ik voel me als de mythische beeldhouwer Pygmalion, met dat verschil dat ik niet treur omdat mijn beeld niet tot leven komt, maar omdat het gestorven is. Want mijn kind leefde wel degelijk voor het geboren werd, daar kan geen twijfel over bestaan.

Kort na de bevruchting in Brugge liet het zijn magische werking al voelen. Volkomen onverwachts kreeg ik een uitnodiging om te komen spreken over het antroposofische thema dat me het nauwst aan het hart ligt: de relatie tussen oude en jonge zielen. Een kwarteeuw lang had ik geprobeerd dit zielenthema op de agenda van de antroposofische wereld te plaatsen, maar ofschoon ik daarmee niets anders deed dan waar Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven zo sterk had op aangedrongen, leverden mijn pogingen niets op. Het was alsof ik tegen een muur botste, er was geen doorkomen aan. En toen opeens veranderde alles, de muur verdween, onbegrip maakte plaats voor enthousiasme. Men vroeg me zelfs – zij het niet met zoveel woorden – om te komen spreken over mijn persoonlijke karma. Dat had ik niet eens voor mogelijk gehouden. En als kers op de taart kwam dan Scheldewindeke, het grootste wonder van allemaal. Het kind dat in me was beginnen groeien, opende deuren die ik anders nooit open had gekregen. 

Daarom treft het mij zo pijnlijk dat die deuren opnieuw zijn dichtgegaan en dat de betovering verbroken is. Niets blijft ervan over, alsof alles een droom is geweest. Wat is er gebeurd? Heeft mijn kind de geboorte niet overleefd? Want geboren is het zeker, anders was ik er mij nooit bewust van geworden. In Scheldewindeke wist ik nog niets af van een kind. Ik beleefde zijn aanwezigheid wel in de harmonie die me opeens aan alle kanten omringde, maar het kwam geen moment in me op dat ik zwanger was van een kind. Zegelsem was in feite een ‘maagdelijke’ geboorte, want ik was me van geen bevruchting bewust. Die had zich afgespeeld op ‘onschuldig’ etherisch vlak, aan de verborgen karmische keerzijde van mijn bestaan. Ik was weliswaar begonnen mij daar een beeld van te vormen, maar het was nog lang niet scherp en helder genoeg om het te herkennen. Dat zou pas gebeuren in Zegelsem, toen ik – door de geboorte – gescheiden werd van mijn kind en het voor het eerst leerde kennen. 

Maar het is niet langer hetzelfde kind, want het heeft zijn magische, betoverende werking verloren. In Zegelsem is niks meer te merken van de wonderlijke, baarmoederlijke sfeer van Scheldewindeke. Dat komt nog het duidelijkst tot uiting in het feit dat ik niet meer kan tuinieren. Ik kan alleen nog karmaonderzoek doen. Mijn kind is door de geboorte als het ware in twee gedeeld: alleen het hoofd blijft over, het lichaam is weg. Maar daardoor is ook datgene verdwenen wat eigenlijk het wezen van het kind uitmaakte: de wisselwerking tussen hoofd en lichaam, tussen denken en doen. Was ik in Scheldewindeke moe van denken en stilzitten, dan liep ik de tuin in, daar viel altijd wel iets te doen. Was ik moe van tuinieren, dan ging ik weer naar binnen om wat te schrijven. Beide activiteiten – de geestelijke en de lichamelijke – wisselden elkaar af en stimuleerden elkaar. Mijn leven verliep als het vrije, ongedwongen spel tussen twee kinderen. En juist dat spel is nu verdwenen.

Dit kinderlijke spel was in feite een metamorfose van de relatie tussen kunst en wetenschap die mijn hele leven bepaald had. Mijn ‘wetenschappelijke’ werk werd als het ware geheeld: persoonlijk en bovenpersoonlijk karmaonderzoek – die altijd gescheiden waren opgetreden – vormden nu een samenhangend geheel. Hetzelfde kan gezegd worden van mijn kunstzinnige werk, dat zich altijd afgespeeld had binnen de klassieke grenzen van de kunst, zorgvuldig afgescheiden dus van de levende werkelijkheid. Toch betekende de kunst voor mij een verbinding met het leven. Als ik tekende voelde ik bij wijze van spreken het bloed door mijn aderen stromen. Schilderen bracht me nog een stap dichter bij de werkelijkheid, het maakte zelfs een marktkramer van me. En in Scheldewindeke werd de kloof ten slotte overbrugd. Mijn kunstzinnige streven richtte zich nu rechtreeks op de levende aarde: ik begon te tuinieren. Kunst en wetenschap kwamen als het ware tot leven: ze verbonden zich allebei, zij het nog stuntelig, met de aardse werkelijkheid. 

Maar ze verbonden zich ook – en vooral – met elkaar. Dat was zonder twijfel de meest opvallende verandering. Mijn leven lang hadden kunst en wetenschap om voorrang gevochten, als twee kinderen die voortdurend riepen: nu is het mijn beurt, nee het is aan mij! Ik moest ze zorgvuldig uit elkaar houden want zodra ze in elkaars buurt kwamen raakten ze slaags. Ze konden niet zonder elkaar, maar samen spelen, nee dat zat er niet in, dat ontaardde telkens in slaande ruzie. Maar in Scheldewindeke lukte het opeens wel, zonder enige moeite zelfs. Het vroegere moeizame pendelen tussen beide tegenpolen veranderde er in een vanzelfsprekend dagelijks ritme, als een motor die na lang zwengelen eindelijk aanslaat en geruststellend begint te ronken. Het was alsof er een onzichtbaar ouderlijk gezag op het toneel was verschenen dat louter door zijn aanwezigheid een klimaat schiep waarin de twee kemphanen hun vetes vergaten en vreedzaam met elkaar samenspeelden.

De wonderlijke aanwezigheid van die ‘ouderlijke’ geest was ik reeds tijdens de verhuizing gewaar geworden, maar pas in Scheldewindeke ontplooide hij zijn vredestichtende kwaliteiten. Hij drukte zich zowel uit in de kunst als in de wetenschap – die hij allebei op een hoger niveau tilde – maar toch vooral in hun onderlinge samenspel. Hij belichaamde dat spel en was dus zelf ook kinderlijk van aard. In Scheldewindeke waren er met andere woorden geen twee, maar drie kinderen die samen speelden. Anders gezegd: mijn levende kind was drieledig van aard. Dat kwam tot uitdrukking in mijn drieledige huis (met de drie schoorstenen), mijn drieledige tuin en mijn driejarige verblijf in Scheldewindeke. Het was die – zowel uiterlijke als innerlijke – drieledigheid die dat verblijf zo harmonisch maakte. Er ging een waarlijk magische werking uit van het samenspel van de drie kinderlijke geesten. Het ‘ouderlijke’ kind dat zich altijd op de achtergrond had gehouden en de twee ruziemakers hun gang had laten gaan, had zich bij hen gevoegd en vrede gesticht. 

Nergens kwam die vrede duidelijker tot uiting dan in de betoverende stilte die in Scheldewindeke als een zegen over me neerdaalde. Mijn lawaaierige, dualistische leven – dat in feite één langgerekte ruzie tussen kunst en wetenschap was geweest – veranderde opeens in een vreedzaam spel dat met kinderlijke ernst en vreugde gespeeld werd. Voorwaarde voor die plotse omslag was de ‘bevruchting’ in Brugge, waar beide ruziemakers elkaar bij wijze van spreken buiten westen hadden geslagen. Hun strijd bereikte daar zijn hoogtepunt en eindigde in totale chaos. Die chaos schiep echter ruimte voor een hemelse geest die beide ‘verslagenen’ weer tot leven wekte. Eerst verrees mijn karmaonderzoek weer uit zijn assen in een nieuwe persoonlijk-bovenpersoonlijke vorm. Daarna kwam de kunst weer bij zijn positieven, eveneens in een geheel nieuwe gedaante. En anders dan voor hun dood, bleken de twee ‘verrezenen’ zich uitstekend met elkaar te verstaan. 

Maar even onverwachts als de levenscheppende en vredebrengende geest verscheen, verdween hij ook weer en zadelde mij op met een levensgroot raadsel. Ik begrijp dat mijn kind geboren moest worden, anders was ik me er nooit bewust van geworden, het was veel te zalig dromen tijdens die zwangerschap in Scheldewindeke. Maar na een fysieke geboorte worden moeder en kind weer verenigd en vergeten ze al vlug hun traumatiserende scheiding. Ze leren elkaar kennen en daardoor gaat er een nieuwe wereld voor hen open die hen – als was het een derde persoon – helemaal omhult en vervult. Voor mij is er echter geen nieuwe wereld opengegaan, integendeel, er is er een dichtgegaan. Ik ben weer teruggevallen in mijn oude dualistische wereld, met dat verschil dat mijn twee vechtende kinderen – kunst en wetenschap – geen zin meer hebben om te spelen. Het verdwijnen van hun speelkameraadje heeft hen ontroostbaar gemaakt. Het oude vuur is verdwenen, er blijven alleen nog assen over. 

Na de geboorte in Zegelsem laaide het artistieke vuur nog even op om dan weer uit te doven. Het was allesbehalve een vreugdevuur, het was een wanhopige poging om te overleven die me algauw duidelijk maakte dat ik het met de kunst alleen niet zou redden. Dus greep ik – als vanouds – naar de wetenschap, naar het (karma)denken. Dat kostte me de grootste moeite, maar ik slaagde erin ook dat vuur weer te doen oplaaien. Ik werd me bewust van het gedachtenkind waarvan ik in Scheldewindeke zwanger was geweest en dat vervulde me met verbazing. Er ontstond zelfs even de hoop dat dit kind me uit het slop zou helpen en dat het wonder van Scheldewindeke zich zou herhalen. Maar na de kersttijd doofde ook dit vuur uit. De inspiratie die me geholpen had mijn gedachtenkind zichtbaar te maken, droogde plotseling op en liet me met lege handen achter. Wat ik ook probeerde, ik kreeg er geen beweging meer in. Mijn kind was geboren, maar het was dood. 

Het raadsel van Zegelsem blijkt dus uiteindelijk het raadsel te zijn van de geboorte en dood van een kind. Ik voel me inderdaad als een moeder die haar dode kind in de armen houdt. Dat kind was de enige zin van de zware bevalling die ik heb moeten doorstaan. Ik raakte ervan in verwachting toen ik het niet meer verwachtte. Het was een godsgeschenk dat ik in grote dankbaarheid ontving en dat me alle vruchteloze pogingen en ontgoochelingen uit het verleden deed vergeten. Maar toen het werd geboren bleek het dood te zijn. De levenskrachten waarmee het me vervuld had, stroomden weg en lieten me leeg achter. De droom van Scheldewindeke veranderde in een nachtmerrie. Vreemd genoeg gebeurde dat op hetzelfde moment dat ook het leven van ontelbare andere mensen in een kwade droom veranderde. En daar zit ik nu, net zoals zovelen, niet wetend hoe het verder moet. Mijn dode kind is alles wat ik nog heb en mijn enige hoop is dat het op wonderbaarlijke wijze weer tot leven komt. 

Ik voel me echter niet alleen een moeder die haar dode kind in de armen houdt, ik voel me ook als dat kind zelf. Tenslotte was ik het die uit de baarmoeder van Scheldewindeke werd verdreven en terechtkwam in het kille Zegelsem. Ik ben niet dood, maar het scheelt niet veel. Ik voel me angstig en hulpeloos als een pasgeboren kind. Ik denk voortdurend aan het paradijs dat ik heb moeten verlaten en verafschuw de wereld waarin ik nu moet leven. Ik ben omringd door de restanten van mijn leven als door een hoop dorre herfstbladeren. Het doet pijn om ernaar te kijken en dus maak ik me zo klein mogelijk, als een zaadje dat op de grond gevallen is. Ik kan niets anders doen dan – net als mijn moeder – hopen op een nieuwe lente, hopen op de terugkeer van ons speelkameraadje dat ons allebei weer tot leven zal wekken. Want ik begrijp nog altijd niet waarom het is weggegaan. Dat vragen zich vandaag waarschijnlijk veel mensen af. Het raadsel van Zegelsem is niet enkel mijn raadsel. 

Het raadsel van Zegelsem (14)

  

Als Zegelsem het raadsel van een geboorte is en Scheldewindeke dat van een conceptie, dan is Brugge het raadsel van een bevruchting. Aangezien het geen fysiek kind is dat in Zegelsem geboren werd, was het in Brugge ook geen eicel die bevrucht werd. Maar wat was het dan wel? Wat werd er op de Dijver in een complete chaos herschapen? Het antwoord ligt voor de hand: mijn kunstzinnige streven. Brugge was een cruciale fase in mijn poging om de kunstenaar-in-me nieuw leven in te blazen. Als ik erin slaagde om op de markt voldoende geld te verdienen dan kon ik blijven schilderen en bestond de kans dat ik op de valreep nog iets kon waarmaken van mijn droom om kunstenaar te worden. Slaagde ik daar niet in, dan was het game over en zou het definitief afgelopen zijn. Brugge was mijn laatste kans en ik had dan ook alles op alles gezet. Het was nu of nooit. Maar de hele onderneming mislukte. Mijn kunstenaarsdroom viel aan scherven en zelf viel ik in een groot, zwart gat. 

Brugge zien en dan sterven. Daar kwam het op neer. En het moet gezegd: ik eindigde in schoonheid. Ik had me geen mooiere plek kunnen dromen om naar buiten te komen met mijn werk. De drempeloverschrijding vond plaats op de Dijver – oud-Keltisch voor ‘heilig water’ – in het centrum van Brugge, een stad die een kunstwerk op zich is. Als een eicel daalde ik af in een baarmoeder waar ik me al vlug thuis voelde. Door op de markt te gaan staan met mijn schilderijtjes betrad ik een wereld waar ik me tot nog toe verre van had gehouden: de wereld van de materie, het openbare leven, de omgang met mensen. Dat was heel wat anders dan thuis in mijn eentje te zitten denken en schrijven. In mijn nieuwe – publieke en toch beschutte – omgeving voelde ik het bloed weer door mijn aderen stromen. Ik vond het geweldig om buiten te zijn en deel uit te maken van die kleurrijke marktdrukte. Het deed ook enorm veel deugd om eindelijk weer eens iets te verdienen. Kortom, ik kwam weer tot leven.

En toen was het opeens allemaal voorbij. Ik had het wel zien aankomen, maar ik had koppig volgehouden. Op het laatste moment had ik zelfs nog een ultieme reddingspoging ondernomen. Maar het mocht niet baten. Ik werd gevloerd door drie opeenvolgende klappen en ofschoon ik nog probeerde recht te krabbelen, moest ik inzien dat ik verslagen was. Net op het moment dat ik aan de winnende hand leek te zijn, leed ik een beschamende nederlaag. Ik had weliswaar nog nooit een gevecht gewonnen in mijn leven, maar het wende nooit om het onderspit te delven. Ik had alles gegeven en me tot het uiterste ingespannen, maar in Brugge verloor ik mijn laatste strijd. Het ontbrak me nochtans niet aan talent en evenmin aan inzet, maar net als altijd was er weer iets dat stokken in de wielen kwam steken. Alsof de duivel ermee gemoeid was, alsof ik niet mocht winnen. Ik voelde me compleet verslagen, letterlijk en figuurlijk, als een eicel die getroffen is door een zaadcel, zeg maar.

Wat mocht die zaadcel dan wel wezen? Wat was het dat mijn kunstzinnige streven in rouw dompelde? Op mijn allerlaatste marktdag in Brugge kreeg ik bezoek van een bevriend kunstenaar die – net als ik – zijn werk verkocht op de markt, een paar honderd meter verder. We raakten aan de praat en hij vertelde me dat zijn schilderijen verkochten als zoete broodjes. Hij gaf wel toe dat zijn vrouw een geboren verkoopster was, anders zou het hem ook niet lukken. Hij had collega’s gekend die rijk waren geworden met de verkoop van ingekleurde fotocopies – de toeristen zagen toch het verschil niet. Eentje had er zelfs een kasteel van kunnen kopen (dat hij vervolgens weer verspeeld had door te gokken). Ik luisterde met pijn in het hart naar al die succesverhalen en opeens drong het tot me door dat ik dat ook gekund zou hebben – als ik het gewild had. Maar ik wilde het niet. Ik wilde iets anders, en ik wilde het met zoveel kracht dat het mijn kunstzinnige streven keer op keer torpedeerde. 

Het probleem was dat ik twee verschillende dingen wilde. Enerzijds wilde ik kunstenaar zijn, met hart en ziel, daar kon geen twijfel over bestaan. Ik zou nooit op de markt zijn gaan staan als ik niet zo graag had willen schilderen. Ik had er alles voor over. Dat had ik wel bewezen toen ik op m’n 33ste mijn schepen achter me verbrandde om mijn leven helemaal te kunnen wijden aan wat ik altijd het liefst gedaan had: tekenen. Kunst betekende alles voor me, ze was mijn thuis, ze was de enige plek op aarde waar ik mezelf kon zijn. Toch had ik haar vijftien jaar tevoren verlaten om naar de universiteit te gaan. Hoewel er grote maatschappelijke druk op me werd uitgeoefend, zou ik dat toch nooit gedaan hebben als ik niet diep van binnen iets anders had gewild. Wat dat ‘andere’ was ontdekte ik tijdens mijn tocht door de woestijn van de wetenschap. In Leuven vond ik zowel mijn vrouw als de antroposofie. Zij werden voor mij een tweede thuis, dat ik algauw evenmin kon missen als het eerste. 

Ik wilde het allebei, kunst en (geestes)wetenschap. Daarom pendelde ik al mijn hele leven tussen beide heen en weer, want ze waren tegenpolen en lieten zich niet met elkaar verzoenen. Tijdens mijn jeugd bezocht ik school en academie in een wekelijks ritme. Toen ik naar de universiteit ging, probeerde ik die pendelbeweging in stand te houden, maar de kloof tussen beide tegenpolen was te groot geworden. De wetenschap eiste al mijn energie en aandacht op en de kunst verdween helemaal naar de achtergrond. Vervolgens sloeg de pendel weer de andere richting uit en was het de wetenschap die naar de achtergrond verdween en de kunst die me helemaal opeiste. Hoewel ik me tot het uiterste inspande om deze terugkeer te doen slagen, liep het op een mislukking uit. Voor de tweede keer wendde ik mij tot de wetenschap, die intussen geesteswetenschap was geworden, maar ook die pendelslag leverde niets op. En opnieuw keerde ik, met de staart tussen de benen, terug naar de kunst.

Zo kwam ik in Brugge terecht, vast van plan mijn tweede terugkeer naar de kunst niet te laten mislukken, want een derde keer zou er niet komen, daar was ik te oud voor geworden. Bovendien kon ik niet eeuwig heen en weer bijven pendelen. Maar mijn kunstzinnige streven, hoe hartstochtelijk ook, droeg zijn eigen ondergang in zich. Diep van binnen wist ik allang dat kunst nooit alles voor me kon zijn, daarvoor was mijn (wetenschappelijke) verlangen om te begrijpen veel te groot. Maar dat kon ik mezelf niet toegeven. Want hoe moest ik die liefdes met elkaar verzoenen? Op de kunst kon ik moeiteloos mijn verlangen richten, op de geesteswetenschap eveneens. Ze waren allebei van levensbelang voor me. Maar wat moest ik me voorstellen bij de vereniging van kunst en (geestes)wetenschap? In de antroposofie werden daar wel pogingen toe ondernomen, maar een overtuigend resultaat had ik nog niet gezien. Er was niets waar ik mijn twee verlangens tegelijk kon op richten en dus bleef ik pendelen tussen beide.

In Brugge bereikte mijn dubbele verlangen zijn grootste intensiteit. Ik had al mijn krachten verzameld om mijn kunstenaarsdroom te doen uitkomen en ik leek er heel dichtbij te staan. Maar toen de officiële marktvergunning om onbegrijpelijke redenen uitbleef, zag ik mijn droom in rook opgaan. Ik deed wat ik in dergelijke gevallen altijd deed: ik schakelde over naar mijn andere verlangen en begon een blog. Dat bleek te beantwoorden aan een diepe behoefte, want ik schreef van ’s morgens tot ’s avonds. Ik stond er zelf van te kijken. Die schrijfroes hielp me in ieder geval om Brugge te vergeten en toen na twee jaar de vergunning alsnog in de bus viel, kostte het me de grootste moeite om opnieuw over te schakelen. Die administratieve vertraging had tot gevolg dat in Brugge mijn twee verlangens – het kunstzinnige en het wetenschappelijke – voor het eerst tegelijk optraden. Ze waren elkaar heel dicht genaderd en het stond in de sterren geschreven dat daar kortsluiting zou van komen. 

Ik had altijd heen en weer gependeld tussen kunst en wetenschap omdat beide niet met elkaar te verzoenen waren. Ik kon niet tegelijk tekenen en nadenken. Ik wilde dat ook niet. Ik ondervond hoe verlammend het bewuste denken werkte op het dromerige scheppingsvermogen en hoezeer dat laatste op zijn beurt het heldere denken vertroebelde. Bovendien zag ik in de hedendaagse kunst wat er gebeurde als beide met elkaar in contact kwamen. Ik peinsde er niet over om kunst en wetenschap elkaar te laten vernietigen en dus hield ik ze streng gescheiden. Tegelijk besefte ik dat het uitstel van executie was: tegen de machtswellust van de wetenschap was geen kruid gewassen, zij wilde alles in haar greep krijgen. De kunst verkeerde in gevaar en enige manier om haar te redden was de onontkoombare coniunctio oppositorum te laten plaatsvinden op de voorwaarden van de kunst en niet op die van de wetenschap. Dus begon ik als kunstenaar na te denken over de kunst. Ik werd wetenschapper uit liefde voor de kunst. 

In Brugge kwam ik als het ware oog in oog met mezelf te staan. De cirkel was rond. Het was allemaal begonnen toen ik als kind de trappen van de academie besteeg en daar ingewijd werd in de mysteriën van de kunst. In deze ‘tempel’ bruiste het van geestelijk leven en dat maakte een onuitwisbare indruk op me. Maar de kunst was een oase in een woestijn van wetenschap, en ik zag hoe ze in snel tempo veroverd werd door de – als hedendaagse kunst vermomde – woestijnwetenschap. Geen moment kwam het in me op om de knie te buigen voor de barbaarse demonen die zich meester hadden gemaakt van de tempel en dus trok ik de woestijn in. Na een omzwerving van 40 jaar kwam ik terecht op de Dijver in Brugge, een oude mysterieplek in een stad die sterk leek op het oude Mechelen met zijn bruggen en reien. Ik kwam als het ware weer thuis, maar nu als … marktkoopman. Ik was met andere woorden geworden waarvoor ik op de vlucht was gegaan: een barbaarse ontwijder van de tempel. 

Ik had de kunst hartstochtelijk verdedigd tegen de opdringerige wetenschap maar was daardoor zelf een opdringerige wetenschapper geworden. Zo gaat dat: men wordt waartegen men vecht. Toen dat tot me doordrong, legde ik de wapens neer. De kunstenaar-in-me besefte dat het geen zin had me te blijven verdedigen tegen de wetenschap, want dan hield ik op kunstenaar te zijn. En de wetenschapper-in-me besefte dat het geen zin had om aan te dringen, want in plaats van de kunst te begrijpen zou ik haar vernietigen. Om het in bevruchtingstermen uit te drukken: de kunstzinnige eicel besefte dat het geen zin had zich te blijven afschermen tegen de wetenschappelijke zaadcel, want dan zou ze verdorren tot een oude vrijster. En de zaadcel van zijn kant besefte dat het geen zin had deze vesting te blijven bestormen, want daardoor zou de eicel zich alsmaar krampachtiger afsluiten. Ze zou haar eigen mysterie vernietigen en het zou geen zin meer hebben daarin te willen doordringen. 

Het staakt-het-vuren van zowel mijn vrouwelijk-kunstzinnige als mijn mannelijk-wetenschappelijke verlangen betekende echter niet het einde van mijn streven, want beide verlangens verenigden zich: de eicel werd bevrucht door de zaadcel. Deze eenwording was echter niet het resultaat van persoonlijk of egoïstisch begeren. Ze geschiedde als het ware in dienst van een hoger wezen dat zich met mijn dualistische streven wilde verbinden. En dat wezen bleek Michaël te zijn. Ik werd deze geest gewaar toen Brugge op zo’n ostentatieve, karikaturale wijze mislukte dat ik voelde dat er meer aan de hand was. De gebeurtenissen die op Brugge volgden, bevestigden dat. Eerst werd ik uitgenodigd op de antroposofische zomeruniversiteit, daarna op de Lichtbakenconferentie en vervolgens kwam Scheldewindeke uit de hemel vallen. Het waren drie onverwachte geschenken die alleen maar van hogerhand konden komen, want ik had ze jarenlang ‘van lagerhand’ nagestreefd en dat had niets opgeleverd. 

Vijftien jaar lang had ik vergeefs geprobeerd het thema van oude en jonge zielen op de antroposofische agenda te krijgen, en nu werd het mij opeens gevraagd. Die toenadering kwam er pas toen ik het opgegeven had aan te dringen. Het streven zelf had ik niet opgegeven, maar ik had het overgelaten aan het lot (en dus aan een hogere geest). Ik was met andere woorden een ‘Michaëldienaar’ geworden. Om het met het beeld van de bevruchting te zeggen: mijn zaadcel had het opgegeven de antroposofische eicel met geweld te willen binnendringen, haar verlangen was gezuiverd van egoïsme en pas toen ging de deur open. Hetzelfde met Scheldewindeke. Hoelang zochten we al niet naar een acceptabel huis? We vonden het pas toen we alles opgegeven hadden en ons overgeleverd hadden aan het lot. In Brugge was mijn persoonlijke streven gestorven en daarna verrees het – gelouterd – uit zijn assen. Ik kreeg wat ik altijd gewild had, maar niet langer begeerde. 

Brugge betekende de Steigerung van mijn dubbele verlangen. Mijn kunstzinnige en mijn wetenschappelijke streven verenigden zich, maar in plaats van elkaar te verlagen (zoals ze deden in hun ongezuiverde vorm), verhoogden ze elkaar en kregen een bovenpersoonlijk karakter. Dat ging niet ten koste van hun persoonlijke karakter, wel integendeel. Mijn streven werd juist persoonlijker dan ooit, en wel op instigatie van Michaël, de tijdgeest. Het sloot nu aan bij het streven van de tijd. Niet toevallig drukte zich dat uit in karmaonderzoek, want door mijn eigen karma te onderzoeken, onderzocht ik ook het wereldkarma. Alle persoonlijke karma’s maken immers deel uit van één groot karmisch geheel. Dat geheel is een wereldkunstwerk-in-wording. Mijn wetenschappelijke streven was nu tegelijk een kunstzinnig streven geworden, het was niet langer alleen maar een poging om te begrijpen, het was ook een poging om mee te scheppen aan dat wereldkunstwerk. Mijn denken was met andere woorden scheppend geworden.

Het raadsel van Zegelsem (13)

  

Het raadsel van Zegelsem is het raadsel van de geboorte van een kind. In zekere zin is het dus een kerstraadsel. Toch is de geboorte van het kerstekind slechts een beeld van wat er destijds op 25 december gebeurde. In werkelijkheid ging het om de intrede van het Christuswezen in de aardesfeer. Kerstmis is dus niet het feest van de geboorte – geen van beide Jezuskinderen wordt in december geboren – maar het feest van de conceptie: een geestelijk wezen verbindt zich met de materie. Vergeleken daarbij is de geboorte een relatief eenvoudig gebeuren dat zich helemaal afspeelt op het fysieke vlak: het kind verlaat de baarmoeder. De conceptie daarentegen is een mysterie dat zich afspeelt op de grens tussen twee werelden: de kosmisch-geestelijke wereld en de aards-fysieke wereld. Daarom is kerstmis het meest tot de verbeelding sprekende feest: we vieren de ontmoeting tussen hemel en aarde. Het is ook het enige feest dat de ontkerstening van onze tijd overleefd heeft. 

Om dezelfde reden zal ik nooit onze verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke vergeten: het was het moment waarop de hemel doordrong in mijn leven en daar een aards paradijs creëerde, dat wil zeggen een materieel beeld van de hemel. Dankzij dat beeld – mijn nieuwe huis en tuin – kon ik op mijn beurt denkend doordringen in de hemel en werd ik (zonder het te beseffen) zwanger van een kind, een gedachtenkind dat aards en hemels tegelijk was. Ik nam met andere woorden een zaadje van die binnendringende hemelse wereld in me op, niet alleen door na te denken over mijn karma maar ook door te tuinieren. Ik had dat even goed niet kunnen doen en me tevreden stellen met gewoon te genieten van mijn aardse paradijs – al zou dat wel moeilijk zijn geweest, want wat moet je als gepensioneerde de hele dag doen? – maar ik genoot heel actief van mijn ontmoeting met de hemel, ik werkte volop mee met de hemelse geest, zoals een goede minnares dat doet wanneer een minnaar haar leven binnendringt.

Anders gezegd, de vreugdevolle ontmoeting met mijn ‘hemelse minnaar’ werd lichamelijk, ik liet hem niet alleen mijn leven maar ook mijn lichaam binnendringen, mijn etherisch lichaam welteverstaan, want het was geen fysieke minnaar. Maar ook al kon ik hem niet zien, hij was heel reëel, hij was reëler dan alles wat ik ooit gekend had. Hij drukte zich uit in de betoverende stilte die me omgaf, in het comfortabele huis dat precies groot genoeg was voor ons beiden, in de zuivere lucht die ik inademde, in de eindeloze ruimte, in de bomen en struiken, de vogels en vossen, de vriendelijke buren, kortom in alles. En met dat alles verbond ik mij, met hart en ziel, met hoofd en handen, met mijn hele wezen. Daardoor werd ik bevrucht, zonder het te weten, maar wel met mijn volle toestemming. Nog nooit – één keer uitgezonderd – had ik zo volmondig ja gezegd tegen het leven. Ik was altijd een trotse maagd geweest, uiterst kritisch en veeleisend op het vlak van minnaars. Maar als ik de ware ontmoette, gaf ik mij helemaal.

Nee, ik zal die liefdeshistorie – dat mysterie van de (etherische) conceptie – nooit vergeten. Mijn leven lang zal ik dit kerstfeest in gedachten blijven vieren, al ligt het momenteel wat moeilijk zo vlak na de bevalling. Want dat mysterie had ik niet zien komen toen ik zo genoot van de eenwording met mijn geestelijke minnaar. Het verschil tussen het mysterie van de conceptie en dat van de geboorte kon niet groter zijn. De herinnering aan de uittocht uit het paradijs, de lijdensweg naar Zegelsem en (vooral) de verschrikkelijke aankomst ligt nog vers in mijn geheugen, maar ik hoop dat ze daar vlug zal uit verdwijnen. Die geboorte was het tegendeel van een feest en zeker geen reden om te vieren – tenzij ik natuurlijk mijn kind mag zien en het in mijn armen houden. Dat zou alles veranderen. In die hoop en verwachting leef ik nu, want dankzij die schokkende geboorte weet ik dat mijn kind bestaat, anders had het mijn leven niet zo op zijn kop kunnen zetten. Mijn zalige minnaar zie ik niet meer – hij is in geen velden of wegen te bespeuren – maar ik vermoed dat hij nu in mijn kind leeft, en ik hoop ze samen terug te zien.

Het mysterie van de geboorte is dan ook het mysterie van de toekomst, van datgene wat er al is maar nog moet komen. Of het er komt, hangt van mezelf af, van de moederlijke en vaderlijke kwaliteiten die ik in mezelf ontwikkel. Het mysterie van de conceptie daarentegen is het mysterie van het verleden, en dat is het mysterie waar we momenteel in de eerste plaats mee te maken hebben, gewoon omdat er vandaag zoveel verleden en zo weinig toekomst is. Maar het is de bedoeling dat het mysterie van de geboorte toeneemt, terwijl dat van de conceptie afneemt. We leven op het keerpunt der tijden: beide mysteries ontmoeten elkaar en gaan in elkaar over. We leven in feite op een wereldhistorisch conceptiemoment en of het ook een wereldhistorisch geboortemoment wordt, hangt af van ons vermogen om die ‘penetratie van de geest’ te beantwoorden en denkend door te dringen in het mysterie van de conceptie, het mysterie waar we nu middenin zitten.

De bewustwording van deze geestelijke liefdesdaad – de (weder)komst van Christus – is in zekere zin reeds een geboorte, want we maken ons los uit de roes die dit conceptiegebeuren veroorzaakt en gaan ertegenover staan. In mijn eigen leven heb ik dat conceptiemoment – de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke – heel bewust beleefd. Ik wist weliswaar (nog) niet dat het om een conceptie ging en dat ik zwanger zou worden – daarvan werd ik me pas veel later bewust, na de geboorte in Zegelsem – maar ik beleefde alles niettemin heel wakker. Daardoor viel het me op dat alles zo wonderlijk gesmeerd liep, alsof er een onzichtbare regisseur aan het werk was. Het was de eerste gewaarwording van de ‘hemelse minnaar’ en het bracht mijn gekwelde zenuwen tot bedaren. De zware, pijnlijke verhuizing begon te veranderen in een genot, dat in Scheldewindeke zijn climax bereikte. De bewustwording van de liefdesdaad maakt het genot dus niet minder, wel integendeel. Maar het moet eerst wel door een doodservaring gaan.

Dat zien we vandaag ook in het groot. De menselijke sexualiteit (de aardse kant van het hemelse conceptiegebeuren) is altijd het voorwerp geweest van strenge voorschriften en taboes. Doordat de mens (nog) weet had van de geestelijke keerzijde van deze medaille, wist hij welke enorme krachten er schuilgingen in de sexualiteit. En zoals de verticale conceptie (het contact tussen hemel en aarde) streng behoed werd in de mysterietempels, zo werd ook de horizontale conceptie (het contact tussen man en vrouw) aan strenge regels onderworpen. Doordat we vandaag geen weet meer hebben van de geestelijke dimensie van het hele gebeuren zijn de regels verdwenen en is het mysterie aan de openbaarheid prijsgegeven. Met ons ‘halve’ bewustzijn zijn we echter niet opgewassen tegen de krachten die in de sexualiteit leven. Ze sleuren ons mee, verdoven ons bewustzijn en doen genot in geweld ontaarden. Het enige wat daartegen helpt, is de ‘heling’ van ons bewustzijn, het doordringen in de geestelijke dimensie van de conceptie. 

Sinds het ontstaan van het internet ligt het hele mysterie van de sexualiteit op straat. Het is ontheiligd en vervuild. Maar juist op dit dieptepunt ontbrandt een intens verlangen naar her-wijding en vergeestelijking. Het komt tot uitdrukking in de metoo-beweging en in het feminisme in het algemeen: vrouwen willen paal en perk stellen aan de ontaarding van de sexualiteit, aan het overschrijden van de grens met de gewelddadigheid. Wat hen drijft is in wezen het verlangen naar een hemelse minnaar. Maar omdat ze niet meer kunnen geloven in de geest, projecteren ze hun verlangen op de fysieke wereld, met alle gevolgen vandien. Hetzelfde zien we gebeuren met het kerstfeest, het feest van de conceptie. Dat is verworden tot een louter materieel ritueel, met veel eten, drinken en kadootjes. Bij veel mensen is daar een diepe afkeer voor ontstaan, een afkeer die dit jaar de (materiële) vorm aannam van politieagenten die controleerden of het kerstfeest wel beantwoordde aan de corona-regels. 

Voor het eerst in vele jaren hebben we in 2020 weer een bescheiden kerstfeest gevierd, in kleine kring. Dat moet voor veel mensen een verademing zijn geweest, een terugkeer naar het oude ‘geestelijke’ kerstmis. Helaas, gebeurde die terugkeer niet uit vrije wil, hij werd afgedwongen via boetes en gevangenisstraffen, zoals dat nu ook gebeurt in de omgang tussen man en vrouw. Dat is natuurlijk geen vooruitgang, integendeel, het is een reactionaire beweging die kwaad met kwaad bestrijdt. Feministen bestrijden het sexuele geweld met politiegeweld, op dezelfde manier dus als politici en virologen het kerstfeest bestrijden. Het is de tragiek van onze tijd in een notedop: het verlangen naar de geest – dat in wezen het verlangen is naar Christus, naar de hemelse bruidegom – wordt omgebogen tot het verlangen naar Ahriman, de onderaardse wereldheerser die ons met geweld dwingt tot datgene waartoe we zelf niet in staat zijn: de bewustwording van het kerstfeest, van het mysterie van de conceptie.

Op kerstavond liepen dit jaar overal ‘de soldaten van Herodes’ rond, die in opdracht van hun corona-koning al maandenlang een sfeer van angst verspreiden. Maar juist dit akelige beeld moet ons eraan herinneren dat wat we beleven een oerbeeld is, waaraan de tegenmachten (zonder het zelf te weten) meewerken, maar dat geschapen wordt door een geest die daar ver boven staat: Christus zelf. De hele onzalige toestand waarin we ons vandaag bevinden, wordt veroorzaakt door de wederkomst van Christus, door zijn hernieuwde liefdesdaad: zijn ‘penetratie’ in de etherische sfeer van de aarde. Maar Christus is een minnaar die ons op geen enkele manier dwingt: het staat ons volkomen vrij om op zijn avances in te gaan of niet, dat wil zeggen om er ons bewust van te worden en er actief aan mee te werken, dan wel om ze als grensoverschrijdend gedrag te interpreteren en de hulp in te roepen van de tegenmachten. Wat we echter ook kiezen, het zal uiteindelijk tot bewustwording leiden.

Dat is de keuze waarvoor we vandaag staan: ofwel worden we ons bewust van het kosmische conceptiegebeuren dat in onze tijd plaatsvindt, ofwel verslapen we de wederkomst van Christus. In dat laatste geval zullen we uit onze (materialistische) droom worden gewekt door een uiterst pijnlijke geboorte die ons tot waanzin zal drijven. Het goede nieuws is: in al die madness is a system te vinden: het oerbeeld van Christus. Hij openbaart zich in apocalyptische tijden. Dat zien we nu gebeuren. De corona-maatregelen die voor kerstmis werden getroffen waren buitensporig. Het naderende feest veranderde de politici in kleine Herodessen wier soldaten niet zouden aarzelen kleinkinderen uit de armen van hun grootouders te rukken – net als tweeduizend jaar geleden. Als dat niet hielp, verklaarden ze grimmig, zouden ze nog strenger optreden. De komst van het kerstekind deed de heersers der aarde het hoofd verliezen, maar juist daardoor maakten ze – ongewild – de geestelijke dimensie van onze conceptie-tijd even zichtbaar.

Het zijn dit soort beelden waar we attent op moeten zijn, en we zien ze pas wanneer we ons niet laten meesleuren door de angst of de verontwaardiging, maar ons losmaken uit deze emoties en afstand nemen van de gebeurtenissen. Hoe we dat moeten doen, leert ons het eerste (bijbelse) kerstverhaal. Het kind krijgt bezoek van de drie koningen die ieder een geschenk meebrengen: goud voor een warm hart, wierook voor een zuivere wil en mirre voor een helder hoofd. De kleine Jezus kan daar natuurlijk niks mee doen, maar zijn ouders wel, en dan vooral Jozef. Tot nog toe heeft hij de gebeurtenissen moeten ondergaan – een vrouw die zwanger werd zonder dat hij er iets van wist en dan de geboorte zelf waarbij hij alleen maar hulpeloos kon toekijken – maar nu treedt hij handelend op. Na een droom beslist hij om naar Egypte te vluchten. Dat is geen kleine verhuizing en hij moet alles alleen regelen want Maria wordt helemaal in beslag genomen door haar kind. Jozef kan de koninklijke geschenken nu heel goed gebruiken. 

Ook de vlucht naar Egypte is een veelbetekenend beeld, want het is een vlucht naar het verleden. In het heden heerst immers Herodes en die heeft het op het kind gemunt, niet alleen het kind van Jozef en Maria, maar alle kinderen, ook – en vooral – het kind-in-de-mens. Dat beeld is vandaag heel herkenbaar. De moderne machthebbers – met hun corona op het hoofd – stellen de jeugd aansprakelijk voor de dood van de bejaarden. De jongeren moeten boeten voor de zonden van de ouderen. Ook alles wat kinderlijk is in de mens, zijn hele middengebied – de ontmoeting, het gesprek, de kunst – moet het ontgelden. En het mensenkind is weerloos, het kan zich niet verweren en kwijnt langzaam weg. Er komt een groot innerlijk sterven over de mens en de vraag is of hij in dat sterven, in zijn gekwelde, verduisterde hart het licht van het bewustzijn kan ontsteken, het bewustzijn dat de tekenen des tijds kan lezen en doorheen de Herodiaanse machtsontplooiing het kind kan waarnemen waar het allemaal om draait.

Om dat kind op het spoor te komen moeten we – zoals de herders in het tweede kerstverhaal – ons hart volgen. Maar dat hart wordt geterroriseerd door de valse koningen, de intellectuele Herodessen van onze tijd, en dus moeten we naar het oude Egypte vluchten, naar de wereld van het verleden, van onze herinneringen en voorstellingen. Daarvoor moeten we tegen de stroom in roeien, want de media schreeuwen dagelijks om aandacht voor het heden. Slagen we er echter in ons terug te trekken uit het dagelijkse tumult en een innerlijk Egypte te bereiken, dan komen we langzaam tot rust en keren uiteindelijk zelfs terug naar Nazareth waar onze beide Jezuskinderen – hoofd en hart – samen kunnen opgroeien. Als alles goed gaat verenigen ze zich met elkaar en wordt in het hart het licht van de rede ontstoken en wordt dat licht tegelijk verwarmd door onze gevoelens. Dat is in ieder geval de weg die ik tot nog toe gevolgd heb en ook verder zal volgen, want ook – en vooral – als het kind geboren is heeft het allebei zijn ouders nodig. 

Het raadsel van Zegelsem (12)

  

 
Het raadsel van Zegelsem is tevens het raadsel van Scheldewindeke. Zonder Scheldewindeke zou er helemaal geen raadsel zijn. Was ik rechtstreeks van Destelbergen naar Zegelsem verhuisd, dan zou er niks wezenlijks veranderd zijn in mijn leven. Nu is het echter helemaal op zijn kop gezet. Want er is een kind geboren. Het bestaat alleen in mijn gedachten, maat toch is het geen hersenspinsel. Het heeft mijn leven grondig veranderd, zoals ook een fysiek kind dat pleegt te doen. Het raadsel van Zegelsem is dus het raadsel van een geboorte, een etherische geboorte die zich afspeelt in de geest – en derhalve onzichtbaar is – maar die wel weerspiegeld wordt in de zintuiglijke werkelijkheid. Het raadsel van Scheldewindeke is dan logischerwijs het raadsel van de conceptie, want geen geboorte zonder conceptie. Scheldewindeke is het raadsel van een etherische conceptie die, net als de etherische geboorte, onzichtbaar is maar die wel in de zichtbare werkelijkheid terug te vinden moet zijn. 

De geboorte van een (gewoon) kind is een zeer fysieke aangelegenheid, een zaak van blood, sweat and tears. Toch wordt ze volgens Rudolf Steiner begeleid door geestelijke wezens, anders zou ze niet tot een goed eind kunnen gebracht worden. Hetzelfde geldt voor de conceptie. Ook dat is een zeer fysieke aangelegenheid, een zaak van sex, drugs and rock’n roll (drugs in de natuurlijke betekenis dan), maar ook hier is minstens één geestelijk wezen bij betrokken: de incarnerende mensenziel. Die verbindt zich met de vrouwelijke eicel nadat die door de mannelijke zaadcel herschapen is in een chaos, die volgens dezelfde Rudolf Steiner nergens anders ter wereld voorkomt. Die uitzonderlijke materiële chaos is het aangrijpingspunt voor de mensenziel die op aarde wil komen. In zekere zin heeft die hemelse ziel de aardse chaos zelf bewerkstelligd, want volgens de antroposofie kiest het het kind zijn ouders en brengt ze tesamen om de conceptie mogelijk te maken.

Scheldewindeke was onmiskenbaar het conceptiemoment van mijn (etherische) kind: een hemelse geest verbond zich met de chaotische eicel van mijn leven en bracht vrede op aarde. Ik zal nooit de betoverende stilte vergeten die me begroette bij onze aankomst in het kleine dorp. Het onophoudelijke kabaal van Destelbergen had plaats gemaakt voor een diepe rust die drie jaar lang door niets verstoord zou worden en waarvan ik iedere dag zou genieten zoals ik me ook voorstel dat een zwangere vrouw geniet van de wonderlijke aanwezigheid van een kind in haar lichaam. Scheldewindeke was in alle opzichten een baarmoederlijke wereld. Voor het eerst in mijn leven had ik een huis dat werkelijk afgesloten was van de buitenwereld, zonder dat ik me evenwel opgesloten voelde, wel integendeel. Als ik het huis verliet, kwam ik terecht in een tweede baarmoeder: mijn tuin, vol levenskracht en vruchtbaarheid. En die tuin was omgeven door een derde baarmoeder: het platteland waar ik ongestoord kon wandelen. 

Deze drie jaren van (etherische) zwangerschap waren niettemin een tijd van hard werken, zowel geestelijk als fysiek. Niet alleen werd mijn karmaonderzoek veel intenser, ik begon voor het eerst ook te tuinieren, iets wat me – met mijn stramme knoken – heel wat pijn en zweet kostte. Maar dat kon de pret niet bederven: ik beleefde buitengewoon veel vreugde aan dit werk in mijn tuin, aan dit contact met de levende aarde, net zoals een zwangere vrouw vreugde beleeft aan haar lichaam waarin nu een scheppende geest aan het werk is. Je kunt het vrouwen aanzien als ze zwanger worden: er verschijnt een bijzondere glans op hun gezicht. Later wordt die verandering ook fysiek zichtbaar: ze worden ronder, zachter, blozender, alsof ze zelf weer kind worden. De werking van de incarnerende geest dringt als het ware door alle omhullende lagen heen. Maar dat scheppingswerk eist zijn tol. Ik wilde het mezelf niet toegeven maar het werk in de tuin begon tijdens mijn ‘zwangerschap’ steeds zwaarder te wegen. 

Dat verontrustte me, want ik wilde heel graag verder blijven tuinieren. Ik kon me mijn leven al vlug niet meer voorstellen zonder die tuin. Toch werd hij in de loop der (drie) jaren een blok aan mijn been en hij belette me dingen te doen die ik ook graag deed, zoals tekenen en schilderen. Ik besefte niet dat deze groeiende zwaarte een vooraankondiging was van de geboorte. Ik had geen flauw idee dat ik zwanger was, dat er een kind in me groeide en dat ik vroeg of laat zou moeten bevallen. Ik dacht nog helemaal niet in die termen, ofschoon alle symptomen er waren, zoals het verlangen dat het altijd zo zou blijven. Ik was één van die vrouwen die altijd zwanger willen zijn, omdat het zo heerlijk is de aanwezigheid van een scheppende geest in jezelf te voelen. Als kunstenaar kende ik dat verlangen maar al te goed. Zo opwindend het is om aan een nieuw werk te beginnen en weer onder te duiken in die scheppende, etherische wereld, zo pijnlijk is het om die wereld weer te moeten verlaten als het werk klaar is.

Kunstenaars beleven op etherisch gebied wat zwangere vrouwen op fysiek gebied beleven: de betoverende werking van het kind dat groeit. Maar anders dan vrouwen willen kunstenaars hun kind niet zien. Liefst van al staan ze het onmiddellijk na de geboorte af en beginnen meteen aan een nieuw ‘kind’. De reden is dat fysieke kinderen volmaakt zijn (wat je al kunt opmaken uit het feit dat ze leven) terwijl kunstwerken dat niet zijn (en daarom ook telkens tot leven moeten worden gewekt). Wat de kunstenaar zo vreest, is de confrontatie met alle fouten en gebreken die zichtbaar worden wanneer zijn kunstwerk klaar is. Hij houdt dan namelijk op een moeder te zijn en wordt een vader die met een heel andere blik naar zijn kind kijkt. Is dat mijn kind, vraagt hij zich geschokt af bij het zien van de pasgeborene, lijk ik werkelijk op dat lelijke mormel? De kunstenaar die naar zijn voltooide werk kijkt, kijkt opeens in een spiegel, en dat kan geen mens verdragen. Daarom duikt hij zo vlug mogelijk weer onder in de etherwereld om opnieuw ‘zwanger’ te worden.

Ik zou niets liever doen dan terugkeren naar het etherische, baarmoederlijke Scheldewindeke en opnieuw  ‘in verwachting’ raken. Ik verlang intens naar de komst van een geest die als een geschenk uit de hemel neerdaalt en vrede brengt. Wat ik niet wil, is mijn pasgeboren kind onder ogen zien in de spiegel van mijn nieuwe leven. Er blijft immers niets over van de betoverende vrede die tijdens de kersttijd, vier jaar geleden, neerdaalde over mijn bestaan. Er is weer overal lawaai, net als Destelbergen, alles loopt spaak en op de koop toe zijn de soldaten van Herodes op pad om de geest van kerstmis te vernietigen. De ontkerstening van mijn leven – en van het leven in het algemeen – is totaal. Maar ze maakt me wel bewust van het kind dat de oorzaak is van heel die omkering. Als ik in Scheldewindeke was blijven wonen, als ik dat baarmoederlijke paradijs niet had (moeten) verlaten, als ik met andere woorden zwanger was gebleven, dan zou ik me waarschijnlijk nooit bewust zijn geworden van het kind dat in me leefde. 

Zonder geboorte kan een moeder haar kind niet leren kennen. Ze komt dan niet verder dan de zalige, dromerige eenheid van de zwangerschap. Maar op iedere zwangerschap moet een geboorte volgen, anders loopt het verkeerd af voor moeder en kind. Hoe pijnlijk en traumatiserend die geboorte voor allebei ook is – een kind komt huilend ter wereld, en de moeder is na de bevalling een ‘open wonde’ – het feit dat ze elkaar nu echt kunnen zien, doet hen wonderbaarlijk snel genezen. Tijdens de zwangerschap wisten ze wel van elkaars bestaan af, maar ze kenden elkaar niet. Juist het bewuste kenproces dat na de geboorte begint, werkt helend en doet het doorstane leed vlug vergeten. Zo gaat het ook na de dood: de mens leert dan zijn ‘kind’ – zoals het zich heeft uitgedrukt in zijn leven – op een veel bewustere manier kennen dan op aarde, waar hij eigenlijk nooit echt wakker is (omdat hij nog aan zijn leven werkt). En het is dat verhoogde bewustzijn dat hem snel geneest van de wonden die het leven hem toegebracht heeft.

Dit hogere bewustzijn – het kennen van het kind – kan een mens reeds op aarde verwerven door bijvoorbeeld aan karmaonderzoek te doen en zich een beeld te vormen van zijn leven – want daarin verbergt het kind zich. Hij moet dan wel tegenover zijn leven gaan staan en dat is een doodservaring te vergelijken met wat een kunstenaar voelt wanneer hij zich losmaakt uit de scheppingsroes en nuchter naar zijn voltooide kunstwerk kijkt. Of wat een moeder voelt tijdens de bevalling wanneer ze gescheiden wordt van haar kind. Of wat een vader voelt nadat hij vol verwachting heeft uitgekeken naar zijn eerste kind en dan een lelijke schreeuwer te zien (en te horen) krijgt. Of wat ikzelf beleef in Zegelsem, waar ik vol afschuw, verdriet en ongeloof kijk naar het grauwe, slopende leven dat mijn deel is sinds de geboorte van mijn kind. Ik zou die geboorte niet overleefd hebben als ik mezelf niet gedwongen had om te kijken naar dat leven, want juist daardoor ben ik op het spoor gekomen van mijn kind. 

Dat kerstekind is het enige wat me kan genezen. Maar dan moet ik het wel vinden, dan moet ik het kunnen zien, dan moet ik het leren kennen. En dat kan alleen via de spiegel van de materie, van de zintuiglijke werkelijkheid die me omringt. Rechtstreeks heb ik geen enkele waarneming van dat etherische kind, het bestaat voorlopig alleen uit wat verspreide gedachten die ik me gevormd heb aan de hand van wat me overkomen is. Toch vertonen die gedachten een merkwaardige samenhang, alsof ze deel uitmaken van een levend geheel, alsof ze een lichaam vormen. Dat gedachtenlichaam is nog zeer klein en ongevormd, maar toch gaat er reeds een genezende kracht vanuit die me op de been houdt. In Scheldewindeke bevonden die weldoende levenskrachten zich nog om me heen en ze genazen me in geen tijd van de pijnlijke mislukkingen die ik achter de rug had. In Zegelsem bevinden ze zich in mezelf en moet ik ze zelf activeren. 

Rondom mij heerst nu alleen nog doodsheid en verlatenheid. Zegelsem is een lege baarmoeder, een akelige holle ruimte. Het is alsof Scheldewindeke zich binnenstebuiten heeft gekeerd, alsof het kind dat toen om me heen zweefde, nu in mezelf zit, in mijn eigen etherlichaam, waar zich mijn gedachten en herinneringen bevinden. In die geestelijke ideeënwereld moet ik mijn kind nu vinden, dat wil zeggen: ik moet er verder aan werken, zodat het groter, sterker en zichtbaarder wordt. Want dat is het grote verschil met Scheldewindeke: daar manifesteerde het kind zich op overweldigende wijze in de paradijselijke wereld die zo onverwacht uit de hemel was komen vallen. Maar het was (nog) niet van mij. Ik stond er niet bij stil dat het me ook weer afgenomen kon worden, tenslotte was het huis niet van mij. Toen de huisbazin op een mooie dag zei dat er voor ons geen plaats meer was in haar herberg, kon ik daar niks aan doen. Nu kan ik dat wel. Niemand kan me nog mijn kind afnemen. Het is in mezelf geboren, het is (van) mezelf geworden. 

Daar staat tegenover dat ik er nu verantwoordelijk voor ben. Als ik er niet voor zorg en het op tijd en stond (geestelijk) eten geef, dan kwijnt het weg en lost het weer op in de ideeënwereld. Ik moet mijn kind voeden met karmaonderzoek, dat wil zeggen met pogingen om doorheen de zintuiglijke werkelijkheid te kijken en door te dringen tot haar geestelijke dimensie. En dat is de werkelijkheid van het verleden, van de baarmoeder waaruit mijn kind geboren is. Daar vertoeft het nog het grootste deel van de tijd. Zoals een fysiek kind vult het zijn dagen met slapen en dromen. Als het wakker is, huilt het of bevuilt het zichzelf. Zoals mijn kind zich in Zegelsem manifesteert, is het (nog) niet om aan te zien. Alleen wanneer het in dromenland verkeert, dat wil zeggen in de baarmoederlijke wereld waar het vandaan komt, is het een genot om ernaar te kijken. Dat is dan ook wat ik doe: ik kijk achterom, naar de wereld waar ik vandaan kom, naar Scheldewindeke, naar Destelbergen, enzovoort.

Dat betekent dat ik van de geboorte (het bewustwordingsmoment) terug moet keren naar de conceptie (het incarnatiemoment) en naar de bevruchting (de chaotisering van mijn leven). Scheldewindeke was het moment van de conceptie, dat lijdt geen twijfel. Het was het neerdalen van een hemelse geest. Die incarnatie – dat kerstmoment – volgde onmiddellijk na een doodservaring: de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke. Dat was onze tocht naar Bethlehem, met mezelf in de rol van Maria, mijn vrouw als Jozef en onze oude Berlingo als ezel. Maar hoezeer die tocht ons gewone leven ook verstoorde en ik node het Damvalleimeer – mijn kleine meer van Galilea – verliet, toch voelden we ons onmiskenbaar gedragen door de goden. De verlossing was nabij en ze bleek onvergetelijk te zijn. Maar aan dat heerlijke sterven was wel een lange en pijnlijke weg voorafgegaan, een weg die eigenlijk begonnen was in Brugge. Daar beleefde ik de ultieme mislukking van mijn leven, de crash die een totale chaos veroorzaakte in mijn ziel.  

Brugge was met andere woorden het moment van de bevruchting, het binnendringen van een zaadcel in mijn eicel. Daar was ik me uiteraard niet van bewust, het speelde zich af in mijn etherische lichaam, in een innerlijke baarmoeder waarvan ik het bestaan niet afwist maar die wel weerspiegeld werd door de uiterlijke omgeving. Brugge is een betoverende plek, een kunstwerk in steen. Ik verkocht er zelfgemaakte afbeeldingen van dat kunstwerk, weerspiegelingen van een baarmoeder dus die zelf een weerspiegeling was van een mysterieuze plek in mezelf. Ik deed dat op de Dijver, een plek die lang geleden een mysterie-oord was geweest maar nu een marktplaats was geworden. Toch kon je er ’s ochtends vroeg, als de marktkramers er nog niet waren en de zwanen geruisloos voorbijgleden op het water van de rei, nog altijd iets voelen van de oude geheimen. Daar was het dat ik Michaël ontmoette, de vader van mijn kind, die een eind maakte aan mijn kunstenaarsdroom en mijn ziel in de chaos stortte. 

Het raadsel van Zegelsem (11)

   
Het raadsel van Zegelsem is een zeer persoonlijk raadsel. Niet iedereen krijgt, zoals ik, op zijn oude dag twee opeenvolgende verhuizingen voor de kiezen die – als de twee zijden van eenzelfde medaille – volkomen tegengesteld zijn aan elkaar. Toch is dit dubbelbeeld ook herkenbaar in de wereld om me heen. Het begon al toen onze verhuizing naar Zegelsem beklonken werd precies op de eerste dag van de corona-lockdown. Ik zie An nog voor het raam van de badkamer staan zwaaien met haar smartfoon tegen het oor. Ik was in de tuin aan het werk en dacht: yessss, het is voor mekaar, we hebben een nieuw huis! De opluchting was groot en we genoten met volle teugen van de laatste maanden in Scheldewindeke in de overtuiging dat het in Zegelsem wel anders, maar daarom niet slechter zou zijn. We hadden geen flauw idee wat ons boven het hoofd hing en nog minder beseften we dat ons lot ook bovenpersoonlijk was, dat we in het klein beleefden wat de wereld in het groot beleefde.

Het is natuurlijk gewaagd om een parallel te trekken tussen je persoonlijke leven en wat zich op het wereldtoneel afspeelt. Maar als antroposoof moet je risico’s durven nemen. Rudolf Steiner waarschuwde er weliswaar voor dat karmaonderzoek niet lichtzinnig mag worden opgevat – karma stamt uit de hoogste geestelijke gebieden en dient met de nodige eerbied te worden benaderd – maar hij waarschuwde ook voor een nog groter gevaar: de angst om eraan te beginnen. Mijn karmaonderzoek in Scheldewindeke begon met een waagstuk: ik nam mijn persoonlijke karma als uitgangspunt van een voordracht op een internationale antroposofische conferentie. Ik meende dat te doen op aanwijzing van Michaël, maar dat was een – alweer – gewaagde veronderstelling. Tot mijn opluchting bleek ik het bij het rechte eind te hebben. Michaël gaf duidelijk te kennen dat hij het eens was met mijn beslissing om te luisteren naar mijn hart in plaats van op veilig te spelen zoals mijn hoofd me aanmaande. 

Een betere aanmoediging om die weg verder te volgen kon ik me niet dromen en dus doe ik in Zegelsem wat ik ook in Scheldewindeke al deed: ik luister naar de stem van mijn hart zonder die van mijn verstand in de wind te slaan. Die samenwerking van denken en voelen houdt risico’s in maar tot nog toe zijn die lonend gebleken. Ik heb reeds de overeenkomst ontdekt tussen mijn twee verhuizingen en respectievelijk de terugblik en het kamaloka, en ook wat er vandaag in de wereld gebeurt lijkt te beantwoorden aan dat dubbelbeeld. Maar mijn hoofd eist meer argumenten en dus stel ik mezelf de vraag: zijn er nog meer voorbeelden te vinden van de ‘dubbele omkering’? Een courant begrip is het zeker niet, maar wanneer ik ‘omkering’ vervang door ‘keerpunt’ – wat min of meer hetzelfde betekent – gaat er een belletje rinkelen. Niet alleen is Het Keerpunt de titel van een beroemd boek waarin Klaus Mann, door zijn eigen lot te beschrijven, een heel tijdperk in beeld brengt, het is ook een begrip dat iedere antroposoof kent. 

Rudolf Steiner noemt de tijd waarin we leven ‘het keerpunt der tijden’. We bevinden ons precies in het midden van de mensheidsontwikkeling en dat is een scharniertijd, een tijd van belangrijke beslissingen, een tijd ook van grote geestelijke strijd. Omstreeks 1900 liep ‘de wereld van gisteren’ ten einde en begon ‘de wereld van morgen’. De 20ste eeuw werd het toneel van zo ingrijpende veranderingen dat hij met recht en reden een ‘keerpunt der tijden’ mag worden genoemd. Maar Rudolf Steiner gebruikt dat begrip ook nog voor iets anders: de menswording van Christus. Dat heeft me altijd in de war gebracht. Wat was dat fameuze keerpunt nu precies: de tijd van Christus of onze tijd? Of moeten we de hele 2000 jaar daartussen als één groot keerpunt zien? In de grondsteenspreuk heeft Rudolf Steiner het over een Welten-Zeitenwende-Anfang. Het keerpunt der tijden begon blijkbaar pas toen Christus op aarde kwam. Maar wanneer eindigt het dan? Alleszins niet in onze tijd, want die blijkt eveneens nog maar een begin te zijn.

Een en ander wordt duidelijker als ik het ‘keerpunt der tijden’ vergelijk met mijn eigen persoonlijke keerpunt en het zie als een dubbel gebeuren. Ook bij het bovenpersoonlijke keerpunt gaat het om twee doodservaringen: de kruisdood van Christus 2000 jaar geleden en de ‘tweede kruisiging’ van Christus aan het eind van de 19de eeuw. De eerste doodservaring vond plaats op fysiek vlak, de tweede op etherisch vlak. De fysieke kruisdood betekende de climax van een zware lijdensweg die uitmondde in de etherische wederopstanding, niet alleen van Christus zelf maar van de hele menselijke beschaving. Dat kwam onder meer tot uitdrukking in de Europese beschaving – de beschaving van het ‘midden’ van de wereld – die een waar hoogtepunt vormde in de geschiedenis van de mensheid. Aan die bloei kwam bruusk een eind met de tweede, etherische kruisiging van Christus, die voor de mensheid het begin vormde van een afdaling in de hel, een soort wereldkamaloka.

De dubbele omkering die ik zelf heb meegemaakt (en nog altijd meemaak) blijkt dus een christelijk oerbeeld te zijn, een oerbeeld dat Christus zelf in de aardesfeer heeft geprent. Zoals ik mezelf pas bewust werd van dit tweevoudige oerbeeld na mijn tweede omkering in Zegelsem, zo werd de mens zich ook pas bewust van het mysterie van Golgotha na de tweede kruisdood van Christus. Dat gebeurde in de persoon van Rudolf Steiner die, geïnspireerd door Michaël, de kosmische betekenis van dit centrale mensheidsmysterie onthulde. Er is dus een tweede keerpunt nodig om ons bewust te kunnen worden van het eerste keerpunt. Dat ‘bewustwordingskeerpunt’ is als het ware de omkering van het eerste keerpunt. Kregen we de eerste keer alleen de fysieke ‘voorkant’ van het keerpunt der tijden te zien, dan krijgen we nu ook de etherische ‘achterkant’ te zien, het karmische weefsel dat door Rudolf Steiner openbaar werd gemaakt. Maar die etherische (of esoterische) bewustwording is slechts een begin. 

De fysieke kruisdood van Christus was een zo diep mysterie dat het aanvankelijk alleen voor de wil en het gevoel toegankelijk was. Het kon nog niet bewust begrepen worden. Eerst moest Christus de fysieke sfeer van de aarde doordringen. Hij moest als een tuinman de bodem klaarmaken voor het bewustzijnszaad dat later gezaaid zou worden. Tweeduizend jaar zou het duren voor het begrijpen-met-het-hart ook een begrijpen-met-het-hoofd kon worden. De openbaarmaking van het centrale mysterie van dood en wederopstanding verliep dus in twee stappen: eerst werd het op een kunstzinnige manier zichtbaar in de zintuiglijke werkelijkheid en pas daarna werd het ook zichtbaar in de ideële werkelijkheid en kon het wetenschappelijk benaderd worden. De eerste kruisdood van Christus vond plaats op Golgotha, op de Schedelplaats. De tweede kruisdood vond plaats in de schedel, dat wil zeggen in het denken. Deze ‘omgekeerde’ kruisiging betekende de bewustwording – en daardoor ook de dood – van de kunstzinnige benadering. Het was de stap van kunst naar wetenschap. 

Het gelijke wordt door het gelijke gekend, schreef Aristoteles. Rudolf Steiner kon het mysterie van Golgotha bewust begrijpen doordat hij zelf deze etherische dood doormaakte en de stap van kunst naar wetenschap zette. Hij ontwikkelde de kunst van Goethe tot een geesteswetenschap. Deze kunst streefde zelf reeds naar wetenschap – en daardoor ook naar religie – maar Goethe kwam niet tot de Steigerung die het overschrijden van de drempel naar de geest mogelijk maakt. Het was nog te vroeg, de tweede kruisiging van Christus had nog niet had plaatsgevonden. Rudolf Steiner, die honderd jaar later kwam, slaagde daar wel in. Hij wist de kunst tot wetenschap te transformeren zodat hij de geestelijke wereld bewust kon betreden en hem wetenschappelijk onderzoeken. Op die manier ontmoette hij Christus in een volkomen bewust ‘etherisch’ beleven van het mysterie van Golgotha. Dat was het grote keerpunt in zijn leven. Nu treedt hij naar buiten als geesteswetenschapper, als geestelijk leider.

De etherische kruisdood van Christus werd niet alleen gespiegeld in het leven van Rudolf Steiner. Ze werd ook zichtbaar in de kunst, die aan het begin van de 20ste eeuw ‘sterft’. Ze houdt op uitdrukking te zijn van de levende geest en wordt het voertuig van louter dode, abstracte gedachten. De kunst, zou je kunnen zeggen, wordt wetenschap, ware het niet dat dit ‘sterven’, deze transformatie volkomen onbewust verloopt. Ze leidt dan ook tot een contradictio in terminis: een onbewuste wetenschap die tegelijk een onbewuste kunst is. Rudolf Steiner daarentegen transformeert de kunst heel bewust tot een wetenschap die tegelijk een kunst is. Hij loodst de kunst door de dood en brengt ze tot wederopstanding in zijn antroposofie. De geesteswetenschap wordt geboren uit de stervende kunst en na de ‘grote scheiding’ volgt de herverbinding van (de kunstzinnige) moeder en (het wetenschappelijke) kind. In de wereld gebeurt het omgekeerde: kunst en wetenschap drijven steeds verder uiteen, ze worden vreemden voor elkaar.

De ontmoeting met Christus in het meebeleven van diens etherische kruisdood betekende voor Rudolf Steiner niet alleen een innerlijk maar ook een uiterlijk keerpunt. Er komt abrupt een eind aan zijn artistieke vie de bohème en hij wordt een ‘spiritueel leraar’. Maar de geesteswetenschapper verbindt de antroposofie onmiddellijk weer met de kunst. Rudolf Steiner begint zijn openbare leven met een voordracht over een kunstwerk: Goethes sprookje van de groene slang. Op het theosofisch congres in Munchen versiert hij de zaal met zeven schilderijen die een voorbode zijn van de zeven zuilen van het Goetheanum, het gebouw dat de hereniging van het antroposofische kind met zijn kunstzinnige moeder moet bezegelen. Maar deze herverbinding – deze re-ligie zeg maar – van geesteswetenschap en kunst stuit van meet af aan op weerstanden die alsmaar sterker worden en uiteindelijk culmineren in de brand van het Goetheanum. Moeder en kind worden met geweld weer gescheiden. 

De vernietiging van het Goetheanum was voor Rudolf Steiner een enorme klap die zijn etherische lichaam dreigde te scheiden van zijn fysieke lichaam. Het was zijn Hof-van-Olijvenmoment: net als Christus worstelde hij tijdens de fatale nacht met de dood en met het mislukken zijn levensmissie. Want zijn leerlingen waren ‘in slaap gevallen’: ze hadden niet het wakkere bewustzijn ontwikkeld dat moeder en kind – en ook de vader – had moeten beschermen. Slechts met inspanning van al zijn Ik-krachten wist Rudolf Steiner deze aanslag op zijn etherische lichaam te overleven. De brand van het Goetheanum mocht dan wel van buitenaf aangestoken zijn, de voorwaarden waren volgens hem van binnenuit geschapen doordat de antroposofische vereniging ‘sliep’. Steiners leerlingen waren er niet in geslaagd zich tot het niveau van het wakkere denken te verheffen, ze waren blijven steken op het oude niveau van het dromerige voelen met al zijn dualiteiten, tegenstellingen en conflicten.

Het in de as gelegde Goetheanum weerspiegelde de interne toestand van de antroposofische vereniging: alleen het betonnen fundament bleef over. De antroposofie was erin geslaagd een kunstwerk te worden, maar dat had een vernietigende aanval van de tegenmachten uitgelokt, en nu was men terug bij af. De brand was het begin van Rudolf Steiners lijden en sterven. Een jaar later volgde zijn eigen Golgotha toen hij tijdens de Weihnachtstagung zijn leven gaf voor zijn vrienden. Hij verbond zijn lot met dat van zijn leerlingen en nam – net als Christus – vrijwillig hun ‘zonden’ op zich. Dat kostte hem het leven. De brand van het Goetheanum had zijn etherische lichaam verwoest en nu was het de beurt aan zijn fysieke lichaam. Op foto’s uit zijn laatste levensjaar ziet Rudolf Steiner eruit als een levende dode. Louter door inspanning van al zijn geestelijke krachten weet hij nog een tijdlang in leven te blijven, een beetje zoals Kaspar Hauser een messteek door het hart nog enkele dagen overleefde. 

Beide doodservaringen – de brand van het Goetheanum en de Weihnachtstagung – zijn het gevolg van de conflicten binnen de antroposofische vereniging. Het zijn de ruzies tussen zijn leerlingen die Rudolf Steiner het (etherische en fysieke) leven kosten. Na zijn dood breken ze heviger uit dan ooit en scheuren de vereniging in twee. Men kan zich de vraag stellen of dit voor Rudolf Steiner – die zijn lot had verbonden met dat van de antroposofische vereniging – geen nieuwe doodservaring was. Hoe dan ook, deze conflicten hadden vreselijke gevolgen. Reeds van de eerste wereldoorlog had Rudolf Steiner gezegd dat hij vermeden had kunnen worden als het Goetheanum vlugger klaar was geweest – lees: als antroposofen beter hadden samengewerkt – en na zijn dood zei Ita Wegman dat Hitler aan de macht zou komen als de antroposofen hun ruzies niet wisten bij te leggen. Ook wat we vandaag zien gebeuren had vermeden kunnen worden als platonici en aristotelici erin geslaagd waren samen te werken.

Het is natuurlijk gewaagd om een verband te veronderstellen tussen wat er in de antroposofische wereld gebeurt en wat er op wereldvlak gebeurt. Maar noblesse oblige. Wie Rudolf Steiner ernstig neemt, moet dit verband onder ogen zien, hoe pijnlijk het ook is. Pas wanneer we de (etherische) doodservaring van die bewustwording meemaken, leren we de keerzijde van het antroposofische karma kennen. En die is dat we niet machteloos zijn. Door aan karmaonderzoek te doen, herenigen we moeder en kind, we brengen de geestelijke en de fysieke dimensie van het leven weer bij elkaar, we verbinden kunst en wetenschap, hart en hoofd. We versterken de band die al meer dan honderd jaar de grootste doorn is in het oog van de tegenmachten. Dat is vandaag meer dan ooit nodig want de tegenmachten ontketenen opnieuw hun duivels. De corona-pandemie is geen fysieke maar een geestelijke pandemie: ze wil moeder en kind zover uit elkaar drijven dat ze elkaar nooit meer kunnen vinden.

Het raadsel van Zegelsem (10)

  

Het raadsel van Zegelsem is het raadsel van de omkering. Vreemd genoeg is dat raadsel niet nieuw voor me. Het dook vroeger meer dan eens op in mijn overpeinzingen. Telkens weer kwam ik erbij uit, als was het een soort Rome waar alle wegen samenkwamen, een knooppunt waar ik niet doorheen raakte. Veel meer dan een abstract begrip werd de omkering nooit en het frustreerde me dat ik dit raadsel niet kon oplossen. Het was een Gordiaanse knoop die ik niet kon ontwarren, een labyrint waarin mijn denken verloren liep. Hoewel ik de omkering alleen in mijn gedachten tegenkwam, was het begrip gedistilleerd uit concrete waarnemingen. Het was beslist geen hersenschim. In het centrum van de werkelijkheid bevond zich iets – een heart of the matter – dat heel reëel was, maar waarvan ik mij geen voorstelling kon maken omdat het veel te complex was. Mijn verstand schoot telkens tekort, het kwam voor een grens te staan waar het niet overheen raakte.

Nu is die grens opeens in mijn leven opgedoken. De omkering is niet langer een abstracte gedachte, ze is nu een heel concrete realiteit geworden. Toch is het nog altijd heel moeilijk om er een voorstelling van maken. Het enige wat ik kan doen, is blijven proberen dit raadselachtige fenomeen in kaart te brengen. Ik heb geen andere keuze. Nu de omkering als het ware tot leven is gekomen, heeft het denken erover zijn vrijblijvende karakter verloren. Ik kan niet meer zeggen: ach, het lukt weer niet om het te begrijpen, laat ik maar over iets anders gaan nadenken. Er is vandaag niks anders meer om over na te denken. Mijn leven is herleid tot dit raadsel en als ik er niet in slaag het op te lossen, kan ik niet verder met mijn leven. Het raadsel van Zegelsem is het raadsel van mijn leven geworden en eigenlijk was het dat altijd al. Mijn leven is één langgerekte poging om te begrijpen wat er me overkomt, en vandaag lijkt die poging zijn climax te bereiken – alsof leven en denken elkaar eindelijk ontmoeten.

Merkwaardig genoeg verschijnt die omkering niet alleen in mijn eigen leven. De hele wereld wordt vandaag op zijn kop gezet. Van de ene dag op de andere is de vrije samenleving vervangen door een dictatuur waarin de overheid bepaalt met hoeveel je aan tafel mag zitten en waar je naar het toilet mag gaan. Opeens moet iedereen met een masker rondlopen, als was hij een misdadiger, een gevaar voor zijn medemens. Drukke wereldsteden liggen er verlaten bij, iedereen zit opgesloten in zijn eigen huis. De wereld is één grote gevangenis geworden, en dat op het moment dat de mens eindelijk zijn vrijheid veroverd leek te hebben. Alles wordt in zijn tegendeel gekeerd. De wereld is ten prooi aan een omkering zoals we die nooit eerder gezien hebben. De draconische maatregelen worden voorgesteld als tijdelijk, maar het is zeer de vraag of het ooit nog wordt als voorheen. Zelf zou ik niks liever willen dan terugkeren naar Scheldewindeke, maar ik vrees dat het niet zal gebeuren, dat de omkering definitief is.

Het raadsel van Zegelsem is niet enkel mijn probleem, het is eenieders probleem. En het is een dubbel probleem. Enerzijds is het een levensprobleem: er wordt diep ingegrepen in het leven van de mens. Anderszijds is het een denkprobleem: we weten niet wat we ervan moeten denken, we begrijpen niet wat er aan de hand is. Deze twee aspecten – het reële en het ideële – kunnen we duidelijk onderscheiden, en paradoxaal genoeg zien we daardoor pas goed dat ze samenhoren. Het levensprobleem is een denkprobleem, en omgekeerd. Als we echt begrepen wat er aan de hand is, zou de huidige werelddictatuur onmogelijk zijn. We zouden dan ofwel inzien wat er nodig is om het gevaar te bezweren en we zouden het uit vrije wil doen zonder daartoe verplicht te moeten worden. Ofwel zouden we inzien dat de huidige draconische maatregelen zinloos zijn en we zouden er ons massaal tegen verzetten. Hoe dan ook, de crisis die we vandaag meemaken is een crisis van het denken, een denken dat een levensprobleem is geworden. 

Wat zal er gebeuren als we dat denkprobleem niet oplossen, als we er niet in slagen de Grote Omkering te begrijpen? Dan zal de onzichtbare wereldheerser die nu op het toneel is verschenen zijn macht schier onbeperkt kunnen uitbreiden. Hij zal met de mens kunnen doen wat hij wil. Na verloop van tijd zal hij zelfs niets meer hoeven te doen: de mensheid zal het in zijn plaats doen, ze zal zichzelf controleren in de overtuiging dat haar voortbestaan ervan afhangt. We zien nu reeds hoe dat in zijn werk gaat: mensen die zich niet aan de maatregelen houden, worden afgeschilderd als een gevaar voor hun medemensen. Ze worden door die ‘medemensen’ tot de orde geroepen of aangegeven bij de politie. Dat zet uiteraard kwaad bloed en de mensheid, die reeds zo verdeeld is, raakt nog verdeelder. Die verdeeldheid is paradoxaal genoeg het gevolg van een gebrek aan ‘verdeeldheid’ in ons denken. Een denken dat onvoldoende onderscheid maakt, leidt tot scheiding tussen mensen. 

Het verdeel-en-heersprincipe dat momenteel de wereld op zijn kop zet en een ongekende machtswellust ontketent – van de hoogste regeringsleider tot de eigen buurman – kan alleen maar worden tegengegaan door het over te planten naar het denken, door in dat denken de onderscheiding te maken die we nu onder mensen maken. Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel leren we onderscheiden, ofwel worden we gescheiden. Ofwel leren we ons denken beheersen, ofwel worden we overheerst. Ofwel geven we ons over aan de rede ofwel geven we ons over aan de machtswellust. Ofwel voeren we strijd in het denken, ofwel voeren we strijd tussen mensen. En steeds meer wordt dat een keuze tussen leven en dood. Als we ons laten meesleuren door de machtswellust stevenen we af op totale onderwerping, op ontmenselijking, op de strijd-van-allen-tegen-allen. Geen mens die goed bij zijn hoofd is, zal daarvoor kiezen. Dus komt het er in de eerste plaats op aan om goed bij ons hoofd te zijn en te blijven. 

To think or no to think, dat is vandaag the question. Gebruiken we ons verstand of gebruiken we het niet. Het grootste gevaar van de huidige coronacrisis is niet het virus, het is ook niet het vaccin, het zijn zelfs niet de maatregelen van de regering. Het grootste gevaar is dat we het denken opgeven. Waar we werkelijk bang voor moeten zijn, is de overtuiging dat we niet in staat zijn te begrijpen wat er gebeurt, dat we het denken maar beter kunnen overlaten aan de experts, aan de wetenschappers, aan de overheid, want-zij-kunnen-dat-veel-beter. Alleen al het feit dat ‘onze leiders’ het daar volmondig mee eens zijn en er alles aan doen om ons het denken te beletten of het belachelijk te maken, zou ons tot nadenken moeten stemmen. Wie anderen in zijn plaats laat denken, geeft hen onbeperkte macht en onbeperkte macht wordt altijd misbruikt. Wie de denkwapens neerlegt, zal fysieke wapens tegen zich gekeerd zien. Hij zal vroeg of laat zelfs verplicht worden ze zelf tegen anderen te gebruiken.

De grote vraag is dus: hoe kunnen we de omkering begrijpen? Want dat is het raadsel dat ons denken verlamt, het raadsel dat ons het hoofd doet verliezen (soms zelfs letterlijk). Niemand lijkt zich echter bewust te zijn van de Grote Omkering, ze speelt zich grotendeels af in ons onderbewuste. Want ze gaat wel degelijk van de mens uit. Hij is degene die – zonder het te beseffen – deze hele omwenteling in gang heeft gezet. Rudolf Steiner beveelt in dit soort gevallen de zogenaamde symptomatologie aan: we vertrekken van een (zichtbaar) symptoom en banen ons van daaruit een weg naar de (onzichtbare) dieperliggende oorzaak. Zo’n symptoom trof ik onlangs aan in de krant, in de vorm van een opiniestuk met als titel: Sluit ons maar op, we hebben het verdiend! Die oproep was geen boutade, geen ironie of sarcasme, nee, de schrijver meende het. Hij was zo woedend over degenen die de coronamaatregelen niet naleefden, dat hij de overheid opriep de hele bevolking op te sluiten. 

Hoe komt een ontwikkeld mens, een intellectueel, een kunstenaar dan nog, ertoe om anno 2020 zoiets te zeggen? De geschiedenis van de mensheid is één lange strijd om vrijheid geweest. Vanaf de zondeval was haar ontwikkeling gericht op het verwerven van vrijheid. Na millennia van blood, sweat and tears heeft de moderne mens eindelijk die vrijheid bereikt. En wat zegt hij? Sluit mij maar op, beveel mij, ik wil die vrijheid niet! Dat is een koerswijziging die met recht en reden een Grote Omkering mag genoemd worden. Want ze beperkt zich niet tot enkele intellectuelen die het op hun heupen krijgen. Nee, niemand protesteerde tegen die oproep om iedereen op te sluiten. Velen waren het daar ongetwijfeld mee eens. De wereld wordt overspoeld door activisten allerhande – klimaatactivisten, mensenrechtenactivisten, milieuactivisten, genderactivisten, noem maar op – en allemaal zien ze maar één manier om hun doel te bereiken: een overheid die de bevolking drastische maatregelen oplegt.

Deze roep om een sterke overheid is niet nieuw. Welk probleem vandaag ook wordt aangekaart, het eindigt altijd met een oproep aan de politici om ‘hun verantwoordelijkheid te nemen’. Alsof de moderne mens een kind is dat erop rekent dat zijn ouders alles zullen oplossen en in ruil daarvoor gehoorzaamheid verschuldigd is. Deze infantilisering wijst op een drastische omkering in ons wilsleven: uitgerekend op het moment dat we volwassen worden, willen we niet vrij meer zijn. We wijzen af waar we heel ons leven naar verlangd hebben. En dat doen we niet bewust, want we zullen het nooit toegeven. We willen niet geconfronteerd worden met die enorme tegenstelling tussen onze onbewuste wil en ons bewuste denken. Daarom weten we niets af van de Grote Omkering: omdat we het niet willen weten. Dit raadsel brengt ons zodanig van onze melk dat we in paniek roepen op onze ouders: Vadertje Staat, help ons, los dit raadsel op, doe dit probleem verdwijnen!

Honderd jaar geleden zou niemand het over zijn lippen hebben gekregen om te roepen: sluit ons maar op, straf ons, want we hebben het verdiend, we zijn stout geweest! Vandaag is het echter het nieuwe normaal. Hoe is zo’n enorme omslag mogelijk? Het antwoord moet mijns inziens gezocht worden in de wereldoorlog(en). Die uitbarsting van infernaal geweld heeft de (Europese) mens diep geschokt. Ze confronteerde hem met een raadsel dat hij niet kon oplossen en waarvoor hij tot op de huidige dag geen afdoende verklaring heeft gevonden. Dat massale sterven verlamde zijn denken en het enige wat hij na de oorlog wilde was in vrede leven. Het denken liet hij over aan Vadertje Staat, die door de oorlog veel sterker was geworden en alle problemen voor hem oploste. Het was een tijd vol welvaart en onbeperkte mogelijkheden. Maar zonder dat we het beseften, hadden we opgehouden met denken. Zonder dat het ons iets kon schelen, verzamelde Vadertje Staat steeds meer macht. 

Vandaag vindt de tweede omkering plaats. Vadertje Staat voelt zich sterk genoeg om de absolute macht te grijpen en de bevolking is machteloos want ze denkt niet meer. Ze kan het wel, maar ze doet het niet. We bezitten het meest ontwikkelde verstand ooit, maar we gebruiken het niet. We laten anderen in onze plaats denken, maar die anderen – de experts, de wetenschappers – denken evenmin. Het is alweer een klein symptoom dat hun denkverlamming verraadt: steeds weer krijgen we – in verband met het klimaat, met corona of met gelijk welk ander probleem – te horen dat er een wetenschappelijke consensus is. Dat betekent echter niets anders dan dat de wetenschappers het ook niet weten en dan maar gaan stemmen, om de schijn hoog te houden. Maar stemmen om tot een consensus te komen, is een praktijk uit de politiek. Wetenschap is met andere woorden politiek geworden en het is voortaan Vadertje Staat die bepaalt wat waarheid is en wat de bevolking moet geloven.

Deze geschiedenis doet me denken aan mijn eigen omkeringen. Eerst was er de jarenlange huizenzoektocht geweest, een eindeloze lijdensweg die eindigde in wanhoop en doodsangst. Al die tijd leefden we in armoedige omstandigheden en onder het onophoudelijke gebulder van de autostrade alsof er een oorlog aan de gang was en het front vlakbij lag. En dan opeens was het gedaan. Het lawaai van Destelbergen maakte plaats voor de betoverende stilte van Scheldewindeke. We hadden eindelijk een comfortabel huis en een grote tuin. Het was een ongelooflijke bevrijding. Er brak een tijd van vrede en welvaart aan die het geleden leed vlug deed vergeten. Ik genoot met volle teugen van mijn nieuwe leven en wist niet beter of het zou altijd blijven duren. Gelukkig bleef ik denken. Ik maakte gebruik van de rust, de stilte en het comfort van Scheldewindeke om aan karmaonderzoek te doen. Ik versterkte het karmageloof dat ik algauw nodig zou hebben.

Want toen kwam, volkomen onverwacht, de tweede omkering. Het was alsof de oorlog opnieuw uitbrak en ik terug naar het front moest, naar Destelbergen en het gebulder van de kanonnen. De schok van mijn lockdown in Zegelsem was zo hevig dat ik er bijna mijn verstand bij verloor. Ik wist het slechts te behouden dankzij het karmageloof dat ik ontwikkeld had tijdens mijn jaren van vrede in Scheldewindeke. Zonder dat geloof zou ik mijn denken niet meer in beweging hebben gekregen, het zou voorgoed verlamd zijn geweest en me machteloos overgeleverd hebben aan de kwellingen van mijn nieuwe bestaan, dat in feite een karikaturale heruitgave is van mijn oude bestaan. In plaats daarvan lijk ik nu eindelijk met mijn verstand te kunnen doordringen in het fenomeen van de omkering, dat al zolang een raadsel voor me is. Op die manier wordt de persoonlijke apocalyps die ik doormaak een tijd van openbaring en begin ik in Zegelsem zaken te begrijpen die ik in het vredige Scheldewindeke waarschijnlijk niet had kunnen begrijpen.