Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Het raadsel van Zegelsem (3)

 

Een van de meest opvallende aspecten van het raadsel van Zegelsem is de tegenstelling tussen binnen en buiten. Zo ziet ons nieuwe huis er aan de buitenkant groot en imposant uit, een stoere burcht. Maar aan de binnenkant is het precies het tegenovergestelde: een lege doos die nauwelijks enige bescherming biedt, noch tegen lawaai, noch tegen regen, noch tegen ongedierte. Merkwaardig genoeg valt hetzelfde ook te zeggen van de omgeving. De streek rond Zegelsem ziet er op het eerste gezicht indrukwekkend uit, maar als je haar ‘binnenkant’ leert kennen, bekoelt het enthousiasme snel. Het gaat hier natuurlijk om een heel ander soort binnenkant. De binnenkant van een huis is materieel van aard, net als de buitenkant, maar de binnenkant van een landschap kan alleen in geestelijke zin begrepen worden, als de ziel van een streek, als de genius loci. Maar bestaat die ‘geestelijke binnenkant’ wel? Is die zogenaamde genius van een plaats geen inbeelding? 

De binnenkant van een huis is even reëel als de buitenkant, maar is de verlatenheid, zielloosheid en vijandigheid die ik in en rond Zegelsem ervaar geen projectie? Want ik kan niet ontkennen dat het precies is hoe ik me momenteel zelf voel: verlaten, zielloos en vijandig. De streek rond Scheldewindeke beleefde ik heel anders, maar ik voelde me daar ook heel anders. Ik was een tevreden man die net alles had gekregen wat hij nodig had en de omgeving leek dat te reflecteren. Is dat laatste niet ook in Zegelsem het geval? Het lawaaierige, onherbergzame huis heeft me een serieuze klap gegeven, waardoor ik niet meer dezelfde ben als in Scheldewindeke. Eigenlijk loop ik hier rond als een levende dode. Is dat de reden waarom mensen hier een stuk onvriendelijker zijn en de honden harder blaffen? Best mogelijk. Toch lijkt het me sterk dat mijn innerlijke gesteldheid in staat zou zijn bomen tegen de vlakte te doen gaan of helikopters boven mijn hoofd te doen cirkelen. 

Rudolf Steiner gaf landschapschilders ooit de raad om een landschap te zien als een menselijk gezicht. Wat hij daar precies mee bedoelde, is niet duidelijk, maar zijn woorden suggereren dat ook een landschap een ‘binnenkant’ heeft, net als een mens. Die menselijke binnenkant komt tot uitdrukking in het gelaat, maar heeft niks te maken met karakter, gewoonten, temperament, gevoelens of gedachten. Die behoren allemaal tot de lichamelijke buitenkant, tot het etherische en astrale lichaam. De binnenkant van een mens is zijn geestelijke dimensie, zijn Ik, en dat nemen we volgens Rudolf Steiner rechtstreeks waar. Het is een bovenzintuiglijke waarneming waarvan we ons niet bewust zijn omdat ze vermengd is met onze zintuiglijke waarneming. Wie een mens echter tekent, scheidt die twee. Hij concentreert zich alleen op het fysieke uiterlijk. Van het karakter van de geportretteerde, zijn reputatie, zijn woorden, de gevoelens van sympathie of antipathie die hij oproept, trekt hij zich niks aan. Hij reageert er niet op, hij legt zijn ziel het zwijgen op. 

Juist daardoor neemt de tekenaar het Ik van de ander objectief (zij het onbewust) waar en komt het ook tot uitdrukking in zijn portret. Ik had vroeger soms werkelijk het gevoel dat dit Ik meewerkte, dat het mijn potlood leidde, ja dat het eigenlijk zichzelf tekende. Want het waarnemen van een Ik (of een ander geestelijk wezen) is een soort eenwording. Je kunt een geest niet waarnemen zoals een materieel ding, dat wil zeggen door er tegenover te gaan staan. Je kan hem alleen van binnenuit leren kennen, door er één mee te worden. Dat leverde soms ontroerende ervaringen op, maar ook akelige. Toen ik ooit Jan Hoet portretteerde, had ik niet de ervaring van een Ik maar van een leegte, een groot zwart gat dat me dreigde op te slokken. Ik moest me daar hevig tegen verzetten (door me te concentreren op zijn fysieke uiterlijk) en toen ik ten slotte zag wat ik getekend had, bleek het een demonische figuur te zijn. Nochtans was Jan Hoet de joviaalste, aantrekkelijkste, meest charismatische man die ik ooit had ontmoet. 

De vraag is nu of dit alles ook van toepassing is op een landschap, op de natuur. De woorden van Rudolf Steiner lijken dat alleszins te impliceren. Tegen het eind van mijn verblijf in Scheldewindeke was ik weer landschappen beginnen schilderen, alsof ik een voorgevoel had dat ik het binnenkort nodig zou hebben. Het wilde echter niet lukken. Mijn aquarellen waren te braaf, te gehoorzaam aan de zintuiglijke werkelijkheid. En dus dacht ik aan de raad van Rudolf Steiner. Maar hoe doe je dat: een landschap als een gezicht zien? Moest ik er dan ogen, oren, een mond en een neus in gaan zoeken, lees: op projecteren? Dat sloeg toch nergens op! Toen viel de gedachte me in dat Rudolf Steiner misschien iets heel anders bedoelde. Misschien bedoelde hij dat ik een landschap op dezelfde manier moest benaderen als een menselijk gezicht. Toen wist ik meteen wat me te doen stond. Ik zou proberen een karikatuur te maken van het landschap, zoals ik dat altijd met mensen had gedaan.

Het was alsof de geschiedenis zich herhaalde. Vijftig jaar geleden had mijn tekenleraar me apart genomen en gezegd: je tekent uitstekend maar het is allemaal wat braaf. Je moet eens proberen het specifieke van een mens naar voor te halen, zoals dat gebeurt in een karikatuur. Het bleek een gouden raad en ik paste hem nu ook toe op het landschap. Ik zocht naar de meest kenmerkende elementen en zette die (figuurlijk) flink in de verf. En het werkte! De aquarellen die ik op de ‘nieuwe’ manier maakte, waren een stuk levendiger en spontaner geworden, en dat was de bedoeling. Ik dacht geen moment aan het Ik of het geestelijke wezen van het landschap – ik wist niet eens wat ik me daarbij moest voorstellen – het was me enkel te doen om de kwaliteit van mijn aquarellen. In Zegelsem was dat nog veel meer het geval, want de vreugde die ik beleef aan een geslaagde aquarel had ik toen heel erg nodig. Ik spande me dus tot het uiterste in om goede aquarellen te maken en concentreerde me op het specifieke van het landschap.

Was het mijn intense schilderactiviteit die me in contact bracht met de geest van het Zegelsemse landschap? De overeenkomst met wat ik vroeger ervaarde bij het tekenen van mensen was alvast opvallend. De geest die ik gewaarwerd was niet de aantrekkelijke, schilderachtige geest die ik verwacht zou hebben afgaand op het uiterlijk van de Vlaamse Ardennen. Het was een onverwacht lelijke, vijandige geest, een hondse geest zeg maar. Gelukkig verscheen hij niet in mijn aquarellen, althans niet voor zover ik kon zien, maar ik nam hem wel rondom mij waar. Ik nam hem ook in mezelf waar. Het was alsof ik, door te schilderen alsof m’n leven ervan afhing, zonder het te merken in die landschapsgeest was doorgedrongen en hij in mij. Wat ik vroeger alleen met mensen had beleefd, beleefde ik nu met de natuur. Alleen was de geest die ik daar ontmoette heel anders dan de soms wondermooie, ontroerende geest die ik bij mensen, en vooral dan bij kinderen, had waargenomen. Het was een duistere geest, zoals die ene keer bij Jan Hoet.

Ik ben geen landschapsschilder, ik ben een geboren portrettist. Ik heb altijd mensen getekend, dat deed – en doe ik nog altijd – het liefst van al. Ik vermoed dat ik als autist vrij gemakkelijk contact maak met het Ik van mensen, tenminste wanneer ik ze teken. Het contact met de aarde daarentegen – en dus ook met de lichamelijke aspecten van de mens (fysiek, etherisch en astraal) – valt me veel moeilijker. Ik ben pas landschappen beginnen tekenen toen ik niet meer in de gelegenheid was mensen te tekenen. De eerste keer dat ik een boom op papier probeerde te zetten, had ik geen idee hoe ik daaraan moest beginnen, het was zo volkomen anders dan een menselijk gezicht. Dat laatste was me (als kunstenaar) zeer vertrouwd, maar bomen, rivieren en velden waren me (als onderwerp) in hoge mate vreemd. Gelukkig zit ik ontzettend graag in de zon, in openlucht, tussen het groen, anders was er van landschapsschilderen nooit iets in huis gekomen. Ik leerde het langzaam en moeizaam.

Ook vandaag nog kost het me moeite om een landschap op papier te krijgen. Het feit dat ik met aquarel werk maakt het er natuurlijk niet beter op, want dat is een buitengewoon moeilijke techniek. Het kan dan ook geen verwondering baren dat het zolang heeft geduurd voor ik al schilderend contact maakte met de geest van een streek. Er was zelfs een grote schok voor nodig, die me deed schilderen alsof mijn leven ervan afhing. Nog nooit had ik zo lang en zo intensief geschilderd als tijdens die eerste weken in Zegelsem en op de een of andere manier bewerkte dat een doorbraak naar een wereld die innerlijk of geestelijk zeer ver van me af stond. Die doorbraak werd in Scheldewindeke reeds voorbereid. Daar had ik voor het eerst in mijn leven getuinierd, ik had er voor het eerst – zowel letterlijk als figuurlijk – contact gemaakt met de aarde. Ik had eindelijk een huis, ik had eindelijk een tuin, ik had eindelijk een vast inkomen, ik had eindelijk een plek op aarde gevonden.

Voor een autist als ik, die gestoord is in zijn verbinding met de aarde, met zijn lichaam, met de hele materiële wereld, voelde Scheldewindeke als een onverwachte doorbraak. Opeens kwam ik, in meer dan één betekenis, op aarde en dat voelde als … de hemel. Tegelijk maakte ik ook contact met de geest, want ik ontdekte Michaël in mijn leven, ik werd uitgenodigd op een antroposofische conferentie, ik wierp een blik op mijn persoonlijke karma. Was het toeval dat mijn ‘aarding’ tegelijk ook een ‘vergeestelijking’ was? Ik stond er in ieder geval van te kijken dat de beschouwingen over mijn tuin als vanzelf overgingen in beschouwingen over mijn karma, alsof het een het ander spiegelde. En daarbij kwam ook nog eens de ontmoeting met Adriaen Brouwer, wiens werk dezelfde nauwe relatie tussen aardsheid en geest vertoonde. Het was alsof door mijn contact met de zware klei van Scheldewindeke alle verspreide aspecten van mijn leven en mijn ziel zich verenigden tot een samenhangend geheel, tot een lichaam zeg maar.

Door dat contact met de aarde kwam er onverwacht ook evenwicht en ritme in mijn leven. Iedere ochtend zat ik te schrijven, terwijl het zonlicht mijn huis binnenstroomde. Ik plukte dan de vruchten van de nacht, zoals men in antroposofische kringen wel eens zegt. Na de middag plukte ik dan de vruchten uit mijn tuin of ik ging wandelen, al naargelang van het seizoen. Zo zag mijn leven eruit, iedere dag opnieuw. Ik leefde als een kluizenaar en praktiseerde het middeleeuwse ora et labora. Dat maakte me gelukkig, want door die afwisseling op het ritme van de natuur verwierf ik wat altijd zo belangrijk voor me was geweest: vrijheid. Ik had een huis dat een echte binnenruimte was, zorgvuldig afgesloten van de buitenwereld en toch vol licht. Ik had ook een grote open tuin die overging in de omliggende velden. En de grens tussen die twee werelden kon ik naar believen overschrijden. Was ik moe van denken, dan ging ik naar buiten. Was ik moe van tuinieren of wandelen, dan ging ik weer naar binnen. 

Juist die afwisseling gaf me een ongekend gevoel van vrijheid, het gevoel dat ik mijn leven nu eindelijk in eigen handen had en niet machteloos heen en weer werd gesleurd door allerlei verplichtingen. Soms had ik wel het gevoel alsof het nu de natuur was die mijn leven dicteerde, maar daar koos ik zelf voor. Niemand verplichtte mij om groenten en fruit te kweken. Ik deed het maar al te graag. Eén ding frustreerde me echter: ik begreep mijn tuin niet. Ik deed wat een tuinier moet doen om resultaat te hebben en het werkte. Reeds het eerste jaar slaagde ik erin om tomaten, sla, boontjes, aardappelen enzovoort te kweken. Maar ik had toch sterk het gevoel dat ik maar deed alsof, dat ik geen echte tuinier was, evenmin als ik vroeger een echte gelovige was toen ik nog naar de mis ging. Ik had immers geen idee wat ik daar deed, en in mijn tuin was het net hetzelfde. Ik wist hoe al die planten eruitzagen en ik kende hun naam. Maar hun wezen kende ik niet, ik kende alleen hun buitenkant. 

Ik voelde de behoefte om mijn tuin en zijn bewoners te begrijpen, om ermee in gesprek te gaan en hen te vragen wie ze waren en wat ik kon doen opdat ze zich gelukkig zouden voelen (want dan zouden ze goed groeien en was ik ook gelukkig). Maar ik had geen idee hoe ik daaraan moest beginnen en er was ook niemand waaraan ik dat kon vragen. De tuiniers en boeren van Scheldewindeke kenden maar twee dingen: spjeten en vetten. Onkruid noemden ze ‘vuiligheid’. Voor hen was de natuur geen levend wezen maar een verzameling dode dingen waarvan ze er sommige konden gebruiken en andere niet. Toch ben ik er één keer in geslaagd een ‘gesprek’ aan te knopen met mijn tuin. Het kostte me ieder jaar veel ergernis en rugpijn om mijn aardbeien met netten te beschermen tegen de vogels. Op een keer had ik er genoeg van. Ik verwijderde alles en zei in gedachten tegen de vogels: ga je gang, tenslotte is deze tuin net zo goed van jullie als van mij! Ze moeten het gehoord hebben, want sindsdien lieten ze mijn aardbeien met rust.

Aan dit beginnende gesprek met de natuur kwam echter bruusk een eind toen we moesten verhuizen. Of misschien toch niet. Misschien is Zegelsem de voortzetting van dat gesprek, het groter maken van dat kleine gaatje. Scheldewindeke was een soort rustmoment, een evenwicht tussen mens en natuur, een beginnende relatie tussen binnen buiten. In Zegelsem heb ik als het ware de grens tussen beide overschreden. Ik beleef nu niet langer mijn behoefte om met natuurwezens in gesprek te komen, ik beleef nu hun behoefte om met de mens in gesprek te komen, en die behoefte blijkt veel groter en kwellender te zijn dan de mijne. Ik beleef in Zegelsem wat Rudolf Steiner ooit zei over de goden: ze worden wraakzuchtig als ze door de mens genegeerd worden. Dat gaat ongetwijfeld ook op voor de natuurgoden. Het is hun woede, hun vijandigheid, hun wraakzucht die ik hier voel, in deze streek waarvan iedereen de buitenkant bewondert, maar niemand oog heeft voor de binnenkant. 

Een gevaarlijk man

  

Onderstaande tekst is van de hand van Johan Sanctorum, ik vond hem op Doorbraak.be


Een paar dagen geleden ben ik nog eens met mijn moeder gaan lunchen. Ze is 88, heeft kanker die met medicatie wat onder controle wordt gehouden. Uiteraard is ze een makkelijk slachtoffer voor het coronavirus. In de virologische context moet ze gewoon thuis blijven. En wachten tot ze dood gaat, dan is ze volledig immuun geworden. Het was deze sarcastische grap die ons verleidde tot het ‘verboden’ etentje. En of het gesmaakt heeft. Meteen zitten we in de discussie van medische logica versus welzijn. En de steen in de kikkerpoel die door gezondheidseconoom en geluksprofessor (zo kennen de media hem) Lieven Annemans werd gegooid. Na een open brief, eind augustus gepubliceerd, waarin letterlijk ‘de legitimiteit van de huidige experts in vraag wordt gesteld’, kreeg hij zowaar een zitje in Celeval, het ­expertencomité dat de Nationale Veiligheidsraad adviseert.

Annemans is sindsdien aangeschoten wild omdat hij de angstcultuur rond het virus durft te contesteren, en ook factoren als onzekerheid, eenzaamheid, depressies, leerachterstand in het onderwijs en de toenemende armoede ten berde brengt, veroorzaakt door de contactbeperking en de quarantainemaatregelen. Dat zint de virologen niet: ze willen hun autoriteit niet betwist zien door iemand die een master lichamelijke opvoeding haalde, en vervolgens nog bedrijfskunde en handelsingenieur studeerde, om tenslotte een doctoraat te behalen in de toegepaste economische wetenschappen. Een geleerd man dus, maar ook een veel beslagen generalist, van alle markten thuis, en die met twee voeten op de grond staat. Dat deze outsiderspositie met virologen botst, heeft vooral te maken met macht. Met Wilmès hadden die virologen zowat de status van sterrenwichelaars gekregen. Die geven ze zomaar niet prijs. Aan de andere kant was corona voor de politiek een alibi om de grenzen van de rechtstaat op te zoeken.

Annemans stelt die dubbelmonarchie in vraag, maar poneert tegelijk opnieuw de autonomie van het individu. We willen geen dummy’s zijn in handen van een controlestaat. Ook niet in tijden van pandemie. Het is dus ook een democratisch verzet dat we maar meteen ‘politiek incorrect’ zullen noemen. Doordat het virus ons leven beheerst zijn we in een totaaloorlog terecht gekomen, waarin het doel alle middelen wettigt. Iemand moest die ballon eens doorprikken: neen, het doel wettigt niét alle middelen. De term ‘totale oorlog’ is betrekkelijk jong: nazi-propagandaminister Joseph Goebbels lanceerde hem in 1943, toen Duitsland de oorlog al niet meer kon winnen en het Duitse volk werd uitgenodigd tot een collectieve zelfvernietiging. In die fase van het regime zijn mensen van geen tel meer. Dan vervaagt zelfs het collectieve belang tot een zaak van hysterie en massa-indoctrinatie, met een extreem vijandbeeld als wapen. 

Vandaag heet de vijand corona. Hij loert overal, en erger: iedereen is de vijand/besmettingshaard van iedereen. In zo’n oorlogssituatie zijn vrijheid en privacy van geen tel, weg ermee. Verre van Marc Van Ranst, Erika Vlieghe en co van nazi-sympathieën te verdenken. Maar men moet toch aandacht hebben voor het totalitaire karakter van hun denksysteem. Men aanvaardt zomaar dat er één wetenschap is, één doctrine die het beleid bepaalt en ons gedrag dicteert. Hun tamelijk autistisch redeneerpatroon is bovendien een uitloper van het Cartesiaanse wereldbeeld, waaraan ook een vorm van smetvrees verbonden is. Het menselijk lichaam is een machine die defect kan geraken door een externe oorzaak. Dit euvel moet gerepareerd worden door een technisch bevoegd persoon – de dokter, de chirurg – die de oorzaak van het euvel wegneemt en maatregelen voorschrijft om het risico op ‘hervallen’ te beperken. Het gezag van de dokter is totaal, en zijn visie op de mens is die van een levend lijk.

Deze garagistenvisie op het lichaam (de analogie met de auto gaat zeer ver) is zeer efficiënt in een maatschappij waar algemene, abstracte modellen primeren en individuen ondergeschikt zijn aan een ‘politiek correcte’ gedragscontrole. In wezen is deze verticale kijk op de patiënt al dominant in de westerse geneeskunde sinds de 13de eeuw en de oprichting van de universiteiten. Patiënten zijn leken, ze weten niets. Nog maar recent hebben ze inzage in hun eigen medisch dossier. Het leidde tot de hedendaagse architectuur van het mega-hospitaal vol specialisten die nauwelijks nog met elkaar communiceren. Want ook dat is een kenmerk van de moderne medische wetenschap: het vakjesdenken. Er is geen overzicht, er zijn alleen territoria van experts. Toen mijn zoon voor een infectie binnenin het been werd behandeld aan het UZ Leuven – hét topziekenhuis in België – geraakten infectiologen en orthopedisten het maar niet eens over de diagnose én de behandeling. Maanden heeft dat dispuut gewoed, boven het hoofd van de patiënt heen. Die is letterlijk, zoals het woord het zegt, een lijdend voorwerp.

Er bestaat ook zoiets als alternatieve geneeskunde, die door de klassieke wordt weggelachen. Dat is geen reactie ertegen, ze is veel ouder dan de doktorengeneeskunde. Zelfs zo oud als de mens zelf. Ze vertrekt meer van het totale levende wezen, als eenheid van lichaam en geest, de individuele existentie, de band met de natuur. Waarin dus ook allerlei bacteriën en virussen een plaats hebben. Ze aanvaardt niet de blinde onderwerping aan dokters en biedt ruimte tot zelfmedicatie. Dit gaat over het recht van het individu om over zijn eigen lichaam te mogen beschikken, als huis, als tuin, als microkosmos. Het actuele euthanasiedebat ligt in het verlengde daarvan. Het komt experten niet toe om te bepalen hoe iemand dood mag/moet gaan, wie daarbij hoort te zijn en welke documenten moeten ingevuld worden. In de limiet is iedereen zijn eigen arts en is het de natuur zelf die ons met beperkingen confronteert. Niet de Orde van Geneesheren of een of andere euthanasiewet.

In de middeleeuwen werd die claim op zelfbeschikking als hekserij aanzien door de Kerk én de academische wereld, met alle gevolgen van dien. Al wie met kruiden bezig was en met overgeleverde kennis, niet gedoceerd en gecontroleerd door een beroepsklasse, was ‘gevaarlijk’ voor de samenleving. Pas in de 18de en 19de eeuw kwam er terug plaats voor de organische totaalvisie, en het inzicht dat de mens niet tegen de natuurkrachten moet werken maar er een ‘modus vivendi’ mee moet ontwikkelen. Dat is wat Lieven Annemans eigenlijk zegt. Het virus is een vervelend ding en we moeten er intelligent mee omgaan, niet roekeloos maar ook niet panisch. Het ballonnetje dat de gezondheidseconoom opliet over groepsimmuniteit (het creëren van een natuurlijke weerstand door met het virus in aanraking te komen) ligt in het verlengde van die alternatieve visie. Zijn verzet tegen de angstcultuur is een verzet tegen de virologendictatuur én de politieke implicatie van een Big Brother-maatschappij, dat wat ik in mijn recente boek ‘gezondheidsfascisme’ heb genoemd: de toenemende greep van de controlestaat met als groot alibi het algemeen belang en de volksgezondheid.

Het corporatisme van artsen, virologen, en andere specialisten, nu ook de statistici, speelt daarbij een niet te onderschatten rol. Dit is hun moment de gloire, voor hen is corona een zegen en een bevestiging van hun almacht. Gewone mensen hebben niets te vertellen, ze moeten zwijgen en gehoorzamen, buigen voor de wetenschap. Het was en is de natte droom van Marc Van Ranst. Een Pekingmodel waarin contactverbod, mondmaskers, afzondering, quarantaine, bubbels en essentiële verplaatsingen het discours zijn gaan beheersen. En waarin autonomie, eigen verantwoordelijkheid, (jawel) burgerzin, maar ook algemeen psychisch en sociaal welbevinden geen enkele rol spelen.

‘Deze man is gevaarlijk’, was dus het quasi-unanieme oordeel van de andere experten (die zich de ‘echte experten’ noemen) over Lieven Annemans Ooit hadden we Dutroux, nu hebben we Annemans als publieke vijand nummer één. Men kan dit oordeel zelf ook gevaarlijk noemen, misschien nog veel gevaarlijker. Het is het verdict van de pensée unique. Ergens doet het denken aan de middeleeuwse verbrandingen van heksen en ketters. Om maar te zeggen: van zodra de kans zich voordoet blijken bepaalde wetenschappers wolven in schaapsvacht. Dan wordt iemand die gewoon bezorgd is om psycho-sociaal welbevinden, verketterd tot charlatan. Zo’n fenomeen moet alarmbellen doen afgaan.

Ondertussen blijft het een vraagteken of een vaccin wel de mirakeloplossing is. Misschien wordt het maar een deel van de oplossing. Een goudmijn voor de farma-industrie, maar zal de mens zich toch moeten aanpassen zoals elk organisme. En ook al zijn we van het virus nog niet af en moeten we het zeker niet minimaliseren, het totalitaire, door smetvrees geobsedeerde discours van de virologen is niet alleenzaligmakend. Van Ranst en Annemans zijn elkaars tegenpolen in een zinnig debat, maar de manier hoe de gezondheidseconoom wordt aangepakt is alles behalve proper. Ik hoop dat hij voldoende steun vindt in zijn dissident optreden en de pogingen tot beschadiging met de hem kenmerkende glimlach weerstaat. Tip voor de uitreikers van vrijheidsprijzen allerhande: zet deze man bovenaan op de shortlist.

Het raadsel van Zegelsem (2)

  

Mijn strijd met de draak heeft dit jaar de vorm aangenomen van een raadsel dat ik op moet lossen, het raadsel van Zegelsem. Als het van mij had afgehangen zou ik Scheldewindeke nooit verlaten hebben. Ik had het er veel te goed en ik wist het. Maar mijn (hoger) Ik dacht er anders over. Het verplichtte me niet alleen om Scheldewindeke te verlaten, het dwong me ook nog eens om in Zegelsem te gaan wonen. Daardoor kwam ik van het ene uiterste in het andere terecht. De tegenstelling kon niet groter zijn. Dat kwam als een complete verrassing, want op het eerste gezicht zijn Scheldewindeke en Zegelsem allebei dorpjes in de Vlaamse Ardennen, ver weg van de drukte van de stad. Toen ik Scheldewindeke leerde kennen, dacht ik: hoe heerlijk is de rust en de stilte van het platteland, ik wil nooit meer terug naar de stad! Het leek dan ook niet meer dan logisch dat we nog dieper de Vlaamse Ardennen in trokken. Maar tot mijn ontsteltenis bleek Zegelsem een oord vol lawaai te zijn. 

Hoe is zoiets mogelijk? En waarom heeft mijn karma me hier terecht doen komen hoewel ik niks erger vind dan lawaai? Het lijkt wel of mijn hoger Ik mijn lager zelf een lesje wilde leren. Maar misschien moet ik dat niet in figuurlijke maar in letterlijke zin opvatten: niet als een straf voor mijn zonden maar als een gelegenheid om iets te leren. Welke les zou het echter kunnen zijn die ik in Zegelsem te leren heb? Eén ding is zeker: het moet iets met lawaai te maken hebben, want dat was het eerste wat ons trof, het was de grootste schok. Net als de verhuizing was het een dubbele schok. De eerste was het lawaai in huis. Dat hadden we totaal niet verwacht en het viel ons rauw op de maag. Daarna volgde er nog een tweede schok. Toen ik naar buiten vluchtte op zoek naar de stilte van het platteland, bleek die nergens te vinden. Ook in de omringende natuur trof ik overal lawaai aan. Dat had ik nog minder verwacht. Ons huis was geen alleenstaand geval, het was een pars pro toto

Ik kan geen lawaai verdragen. Stilte is voor mij het grootste genot. Voor veel mensen is het precies omgekeerd en ze zullen mijn waarnemingen wellicht afdoen als subjectief en overdreven. Al dat lawaai, zullen ze zeggen, zit tussen je oren en niet in Zegelsem. Wat ze vergeten, is dat ik kan vergelijken. Ofschoon Scheldewindeke, net als Zegelsem, een dorp in de Vlaamse Ardennen is, vind je er een supermarkt, twee bakkers, twee beenhouwers, twee artsen, twee tandartsen, twee banken, twee garages, twee cafés, twee tuincentra, twee scholen, één notaris, een apotheker, een oxfamwinkel, een wekelijkse markt, een post, een station, een bibliotheek, en wat verderop zelfs een sporthal en een cultureel centrum. Alles wat een mens nodig heeft dus. In Zegelsem daarentegen vind je, behalve een café en een chinees, helemaal niets. Het ligt dus voor de hand om in het doodse Zegelsem veel meer rust en stilte te verwachten dan in het levendige Scheldewindeke. Maar het is precies omgekeerd.

Ik herinner me nog als de dag van gisteren onze aankomst in Scheldewindeke, bijna vier jaar geleden. De zon was net ondergegaan en toen ik uitstapte bleef ik roerloos staan. Er was niets te horen, niet het minste gerucht. Ik kon het nauwelijks geloven. 21 jaren van ononderbroken lawaai waren als bij toverslag verdwenen. Ik voelde me als Alice in Wonderland. We gingen slapen in volstrekte stilte en we stonden de volgende ochtend op in volstrekte stilte. Meer dan drie jaar lang zou ik me daarover verbazen, iedere dag opnieuw. Ik kwam die stilte ook tegen wanneer ik ging wandelen: het was alsof ik in de wolken liep. Natuurlijk werd ze regelmatig verbroken door traktoren, landbouwmachines, grasmaaiers, kettingzagen, blaffende honden, en soms zelfs een radio, maar het duurde nooit lang en daarna werd het altijd weer stil. Wel kon ik me niet van de indruk ontdoen dat er op dergelijke momenten meer lawaai was dan nodig. De Scheldewindekenaars leken van hun machines te houden.

Onze aankomst in Zegelsem kon niet verschillender zijn. Vanaf het allereerste moment was er lawaai en het werd steeds erger. Eigenlijk hield het nooit op. Na een slapeloze nacht hoorde ik ’s ochtends een soort rijdende disco-bar naderen: het bleek de vuilniskar te zijn. Op zoek naar soelaas in de natuur vond ik een stille plek midden tussen het groen. Het duurde niet lang of vanuit Het Burreken – het vlakbij gelegen natuurreservaat – klonk keiharde radiomuziek. Even later kwam een helikopter minutenlang boven mijn hoofd cirkelen. Algauw zou blijken dat helikopters hier dagelijkse kost zijn, godweetwaarom. Ik begon me al vlug ’s morgens af te vragen: wat zal het vandaag weer zijn? En het mankeerde nooit. Geen enkele dag vond ik in Zegelsem de rust en de stilte die in Scheldewindeke zo vanzelfsprekend waren. Ik mocht zover fietsen als ik wilde, het hielp niets. Het was alsof het lawaai me achtervolgde, alsof ik het aantrok, alsof ik er zelf de oorzaak van was. 

Op een dag kreeg ik bijna ruzie met een boer die het niet zinde dat ik op zijn grasland zat. In 40 jaar plein air tekenen en schilderen had ik zoiets nog nooit meegemaakt. Op een andere dag kwam een boer vlak naast me rijden met zijn mestkar. Op weer een andere dag begonnen achter mijn rug opeens verschillende kettingzagen te janken. De ene na de andere boom ging dreunend tegen de vlakte en loeiende traktoren reden af en aan om de gekortwiekte stammen weg te slepen. Een uur later was er een half bos verdwenen. Het deed me denken Jan Glorieus, een oud-medestudent van de academie. Hij vertelde me ooit dat hij niet meer durfde te gaan tekenen in Brussel, want alles wat hij op papier zette werd daarna afgebroken. In mijn geval braken ze het bos af nog vóór ik de kans had gekregen om het te schilderen. Net als Jan begon ik het persoonlijk op te vatten: het was alsof men niet wilde dat ik hier kwam schilderen, alsof men mij probeerde duidelijk te maken dat ik hier niet gewenst was. 

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ook het tegenovergestelde gebeurde. Op een snikhete dag zat ik een huis te schilderen dat tussen de bomen verscholen lag. Toen ik de bewoner naar me toe zag komen, zette ik me schrap, ik dacht: daar gaan we weer! De man had echter twee flesjes bier in de hand en vroeg: kan ik u iets aanbieden? Ook dat was me nog nooit overkomen. Het koele bier was een welgekomen lafenis, zowel voor lichaam als ziel. Andere keren gebeurde het dat passerende automobilisten uitstapten en een praatje met me kwamen slaan. Soms hadden ze er zelfs een hele wandeling voor over, want ik meed de straat. Ze toonden zich aangenaam verrast en gaven me de gelegenheid mijn hart uit te storten, iets waar ik die eerste weken echt wel behoefte aan had. Ik kreeg bijna de indruk dat de mensen van de streek me kwamen troosten en me vertelden hoe blij ze waren dat iemand hier kwam schilderen. Zegelsem leek me niet alleen af te stoten, het leek me ook te verwelkomen, althans de eerste dagen.

Het was echter vooral die onbestemde vijandigheid waarmee ik geconfronteerd werd. Op een dag kristalliseerde ze zich uit in een vreemde ervaring. Ik had beschutting gezocht in de schaduw van een bos en wilde me installeren toen ik door de bomen een dier zag lopen dat met razende snelheid naderde. Een hond, dacht ik. Maar het geluid dat het beest produceerde, had niets te maken met het blaffen van een hond. Het was een gebrul dat recht uit de onderwereld leek te komen en met niets te vergelijken viel dat ik ooit had gehoord. Hoewel ik ervan uitging dat het monster zich achter een (onzichtbare) omheining bevond, maakte ik me snel uit de voeten. Maar opnieuw moet ik zeggen dat ik ook het tegenovergestelde ben tegengekomen. Op een dag fietste ik langs een voortuin en zag tussen het groen een prachtige gouden vacht. Ik maakte rechtsomkeer om te kijken bij welk dier die vacht wel mocht horen en zag een Duitse herder liggen die zijn kop zo rustig en waardig naar me ophief dat ik ervan onder de indruk raakte.

Tegenover dit ene koninklijke dier stonden echter vele tientallen razend blaffende beesten die me naar de keel zouden gevlogen zijn als ze niet achter een omheining hadden gezeten. Ze vertolkten als het ware de vijandigheid van de streek. Als ik ergens zat te schilderen en er brak in de omgeving weer zo’n hondenconcert los, dan meende ik in dat uitzinnige geblaf angst te beluisteren. Honden die zo te keer gaan, zijn geen gelukkige honden, het zijn angstige honden, verlaten honden. Ze worden dan ook gehouden om al die lege villa’s te bewaken, terwijl de baasjes uit werken zijn. Ook in Scheldewindeke waren dit soort honden me al opgevallen. Ik schrok me telkens lam als er tijdens een wandeling weer zo’n blaffend monster naast me opsprong en als een bezetene te keer ging achter zijn omheining. Toch het waren er lang niet zoveel als hier. In Zegelsem lijken meer honden dan mensen te wonen. En dat gaf me een eerste sleutel tot het raadsel van Zegelsem. 

In feite is Zegelsem een verlaten, onbewoonde streek. Ze is weliswaar bezaaid met villa’s, maar kun je zeggen dat de bewoners van die villa’s in Zegelsem wonen? Vaak staan er twee, drie auto’s voor de deur, dure auto’s meestal. Ik heb nog nooit zoveel Porches, BMW’s, Mercedessen en Audi’s gezien als hier in Zegelsem. Je kunt hier dan ook niet leven zonder auto. Als je iets nodig hebt, moet je tientallen kilometers ver rijden. Mijn vrouw doet haar boodschappen nog altijd in Scheldewindeke, of zelfs in Destelbergen. Absurd natuurlijk, maar in Zegelsem en omstreken is niks te vinden. Je kunt hier eenvoudig niet (over)leven. En dat doen de inwoners dan ook niet. Ze leven elders, ze werken elders, ze winkelen elders, ze gaan elders uit. In Zegelsem slapen ze alleen maar, verschanst in hun villa’s als Egyptische grafkelders, bewaakt door blaffende Cerberussen. Fysiek zijn ze hier wel, maar geestelijk niet. En dat maakt van Zegelsem een verlaten, geestloze, ontzielde plek.

De Vlaamse Ardennen moet je beleven, lees ik op toeristische affiches. De streek wordt aangeprezen als Vlaanderens mooiste. En inderdaad, het valt niet te ontkennen, de Vlaamse Ardennen zijn mooi. Toch heeft deze streek me nooit aangesproken. Lang geleden reeds, toen we er uitstapjes maakten met de kinderen, verbaasde het mij dat al dat moois me zo onverschillig liet. Er ontbrak iets aan, maar ik wist niet wat. Nu weet ik het wel: er ontbreken mensen aan, er ontbreekt een ziel aan, er ontbreekt geest aan. Zo mooi als de Vlaamse Ardennen van buiten zijn, zo lelijk zijn ze van binnen: als graven met Pasen, witgekalkt maar vol bederf. Hoe meer ik erover nadenk, des te meer komt deze streek me voor als een kerkhof vol grafzerken. Al die villa’s zijn pompeuze grafmonumenten bewoond door levende doden, door mensen wier geest elders is. Ik hoef maar naar mezelf te kijken: mijn hart en mijn gedachten zijn nog altijd in Scheldewindeke. Ik woon in een grafkelder en zit me daar af te vragen wat me overkomen is. 

Zegelsem is een doodservaring, zoveel is duidelijk. Maar het vreemde is: Scheldewindeke was dat ook. Zo heb ik het van meet af aan ervaren. De zoektocht naar een huis was een lijdensweg geworden die uitmondde in het schrikbeeld om op straat terecht te komen, de ultieme nachtmerrie. In plaats daarvan kwamen we in de hemel terecht. Scheldewindeke was een zalig oord, er heerste stilte, het was er warm en aangenaam, ik kon er wandelen zoveel ik wilde en na de eerste winter werd ik zelfs tuinier en beleefde de mooiste lente van mijn leven. Vergeleken bij de jaren die achter mij lagen was het een paradijs. Zelfs uit mijn jeugd kan ik me niets herinneren dat ermee te vergelijken viel, de uren aan de academie uitgezonderd. Scheldewindeke was een beeld van de wereld waar mensen over spreken die een bijnadoodervaring hebben gehad: een wereld waar alles beter en echter is dan alles wat ze ooit hebben beleefd, een wereld die ze nooit meer willen verlaten.  

Dat is niet de wereld waar Rudolf Steiner over spreekt wanneer hij het heeft over het kamaloka, het vagevuur waar de zonden moeten worden uitgeboet. Daar beleeft de mens zijn leven opnieuw maar niet meer van binnenuit. Hij ervaart nu hoe de buitenwereld hem heeft beleefd en dat is, om het zacht uit te drukken, geen pretje. It burns like hell, en dat is precies wat ik vandaag beleef in Zegelsem. Scheldewindeke moet dus een soort overgangstijd zijn geweest, een rust-in-vrede dat ieder mens wordt gegund wanneer hij sterft. Of Rudolf Steiner daar iets over zegt, weet ik niet. Ik weet alleen dat Zegelsem totaal anders is dan Scheldewindeke. Het is hier afgelopen met de vrede, ik word hier zonder pardon teruggeworpen in mijn oude leven vol lawaai. Ik woon als het ware weer in Destelbergen en dat komt dubbel hard aan na de jaren van rust en vrede in Scheldewindeke. Ik wil niks liever dan terugkeren naar die hemel, ik denk er voortdurend aan. Maar het gaat niet, de weg is afgesloten door een engel met een vlammend zwaard.

Ik houd mijn hart vast als ik denk aan wat me nog te wachten staat. En ik kan er niks aan veranderen. Ieder verzet tegen mijn lot maakt het alleen maar erger. Het enige wat ik kan doen, is proberen het te begrijpen, proberen het raadsel van Zegelsem op te lossen. En dat is het raadsel van mijn eigen leven. Daar word ik nu mee geconfronteerd, als een living dead, als iemand die gestorven is en in het kamaloka arriveert waar hij zijn voorbije leven moet ‘oplossen’, in meer dan één betekenis. Het objectief begrijpen en doorgronden van het karma lost de obstakels op die een hereniging met het hoger Ik en de geestelijke wereld verhinderen. Zo gaat het ook wanneer je oordelend doordringt in een kunstwerk – en ieder mensenleven is een kunstwerk – je benadert dan de schepper van dat kunstwerk. In het kamaloka ben je dat zelf, want ieder mens is de schepper van zijn eigen leven, tenminste, dat is de karmische theorie. En die theorie moet ik nu om een of andere reden beproeven. 

Het raadsel van Zegelsem

  

Michaëlstijd. Tijd om moed te verzamelen en de strijd met de draak aan te gaan. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, zeker wanneer de draak je reeds te pakken heeft. De verhuizing van Scheldewindeke naar Zegelsem was een enorme klap voor mij. Eigenlijk waren het er twee, een links-rechtse die ik totaal niet had zien komen en die me in een oogwenk vloerde. Eerst was er het bericht dat we het huis in Scheldewindeke moesten verlaten. Die klap incasseerde ik zonder verpinken, omdat ik het niet kon geloven. Het drong gewoon niet tot me door. Voor de eerste keer in mijn leven had ik me ergens thuis gevoeld, voor de eerste keer had ik ergens wortel geschoten, ik was eindelijk op aarde gekomen – letterlijk en figuurlijk – en nu moest ik dat godsgeschenk weer teruggeven? Dat kon niet zijn, zoiets doen goden niet. Ik weigerde te geloven dat ze me dat cadeau gegeven hadden om het drie jaar later weer van me af te nemen. 

Toen kwam de tweede klap, even onverwacht als de eerste, maar veel harder. Zegelsem leek, net als Scheldewindeke, opnieuw een geschenk uit de hemel te zijn. We vonden ons nieuwe huis precies op de eerste dag van de corona-lockdown en er viel een enorm pak van ons hart. De goden hadden ons niet in de steek gelaten! Zegelsem mocht dan Scheldewindeke wel niet zijn, we zouden er meer ruimte hebben, de tuin zou minder werk vragen en de omgeving was ronduit prachtig. We zagen het helemaal zitten en de laatste maanden in Scheldewindeke werden zelfs de genoeglijkste van ons hele verblijf. We waren voor het eerst zolang samen thuis en dat viel prima mee. De lente was verrukkelijk, de bloemen bloeiden talrijker en uitbundiger dan ooit. De tuin overstelpte ons met vruchten, als wilde hij ons bedanken voor de goede zorgen. En het moet gezegd: we hadden goed gezorgd voor deze plek, we hadden ze liefgehad en de liefde was wederkerig geweest. Scheldewindeke eindigde in louter schoonheid.

Zegelsem daarentegen begon in louter lelijkheid. We kwamen van de hemel in de hel terecht. We konden onze ogen – en vooral onze oren – niet geloven. Het nieuwe huis, dat veel groter en imposanter was dan ons peperkoekenhuisje in Scheldewindeke, bleek helemaal geen huis te zijn. Het was een grote holle ruimte, een blikken doos waar onophoudelijk op getrommeld werd. Het was om gek te worden. De lelijkheid kon ik nog verdragen, al was ze erg genoeg, maar het lawaai was volstrekt onverteerbaar. Wat Scheldewindeke tot een geschenk uit de hemel had gemaakt, was niet de schoonheid van de plek, want zo bijzonder was die niet. Wat me in verrukking bracht, en waar ik de hemel voor dankte, iedere dag opnieuw, was de stilte die er heerste. Een mooier geschenk had ik me niet kunnen voorstellen. Om dezelfde reden was Zegelsem de zwaarste straf die ik had kunnen krijgen. Van godsgeschenk naar hellestraf, de tegenstelling kon niet groter zijn.

Zegelsem was erger dan Destelbergen met zijn steenweg en autostrade. Het was erger dan alles wat we ooit hadden meegemaakt. Het begon al toen we het terras opstapten en vlakbij de airco van de buren hoorden blazen en ronken. Bij onze vorige bezoeken hadden we dat niet gehoord, anders zouden we er niet over gepeinsd hebben hier te komen wonen. Ook het lawaai van de vlakbij gelegen steenweg klonk nu opeens veel luider. Ik voelde de grond onder mijn voeten verdwijnen. Toen we binnenvluchtten en de deur dicht deden, bleek dat nauwelijks verschil te maken. Het geraas klonk er dwars doorheen. We ontdekten dat de 22 vensters die het huis telde, geen van alle goed sloten. Ze waren van een lamentabele kwaliteit, net als de hele binnenkant van het huis. Die bestond uit louter gipsplaat en hout, goedkoop hout bovendien, want de trappen en vloeren kraakten zo luid dat het in het lege huis klonk als geweerschoten. Hoe zouden we ’s nachts ooit kunnen opstaan zonder de ander wakker te maken!

Het bleek het minste van onze zorgen te zijn. Toen we ’s avonds in bed lagen, afgepeigerd, ontgoocheld en gedeprimeerd, kwam er op straat een landbouwvoertuig aandenderen. Horen en zien vergingen. Het huis daverde op zijn grondvesten en kraakte in al zijn voegen. De machine leek rakelings naast ons bed te passeren. Dat horrorscenario herhaalde zich om de 10 minuten en die nacht deden we geen oog dicht. De volgende dag verhuisden we naar de achterkant van het huis, maar daar werden we dan weer wakker gehouden door de airco van de buren, die tot laat in de nacht bleef blazen. Het eindigde ermee dat ik mijn toevlucht zocht in het waskot en naast het toilet op de grond ging slapen. Of dat althans probeerde, want ook daar werd ik weggejaagd, dit keer door de muizen die overal in de valse muren en plafonds zaten te ritselen en te knagen. Vandaag slapen we in de woonkamer, tussen onuitgepakte verhuisdozen. We slapen heel slecht, want het is nooit stil in huis. Voortdurend klinken er allerlei geluiden, alsof het er spookt.

Die eerste weken in Zegelsem dacht ik werkelijk dat ik mijn verstand zou verliezen en dezelfde weg opging als mijn moeder die, toen ze haar huis moest verlaten, in de psychiatrie was terechtgekomen. Om dat lot af te wenden begon ik als een gek te schilderen. Van ’s morgens tot ’s avonds zat ik buiten in de omgeving aquarellen te maken in een poging om het contact met de realiteit niet kwijt te raken. Ik schilderde er honderd in drie weken, vijf per dag. Waanzin dus, maar het hielp. Similia similibus curentur, het homeopatische adagium. Langzaam kwam ik weer bij mijn positieven. Tot dan had iedere gedachte aan ons nieuwe huis een paniekaanval veroorzaakt. Door te schilderen dwong ik mijn gedachten zich op de natuur te richten en zich te onderwerpen aan het maken van beelden. Had ik ze aan zichzelf overgelaten dan zou ik de verhuizing naar Zegelsem (geestelijk) niet overleefd hebben. Het was de kunst die mij redde en voorkwam dat ik mijn verstand verloor. Maar ze maakte geen eind aan de nachtmerrie.

Tot mijn ontsteltenis trof ik buiten hetzelfde aan als binnen. Zegelsem mag dan in het hartje van de Vlaamse Ardennen liggen – in the middle of nowhere – het er nooit stil. Altijd staat er wel ergens een radio te blèren, of jankt er een kettingzaag, of blaffen er honden, of ronken traktoren, of schreeuwen wielertoeristen, of cirkelen helikopters in de lucht. Al die geluiden klinken niet alleen kilometers ver, ze worden ook nog eens weerkaatst en vermenigvuldigd door de talloze heuvels. De rust en de stilte die in Scheldewindeke zo vanzelfsprekend waren, bestaan hier gewoonweg niet. Zegelsem is in het groot wat mijn huis in het klein is: een holle, galmende ruimte vol lawaai. Het schilderen ging me dan ook steeds moeilijker af. Ik kreeg geen contact met het landschap, het leek me zelfs af te weren. Ik kende het verschijnsel van toen ik nog mensen tekende. Vaak waren het juist degenen van wie ik het niet verwachtte die zich (onbewust) hevig verzetten tegen mijn pogingen hen te portretteren. 

Ik ben het gevecht tegen die onzichtbare weerstanden nooit uit de weg gegaan, maar hier in Zegelsem sta ik voor een overmacht. Met mijn kunst alleen kan ik er niet tegenop. Mijn verstand moet bijspringen, hetzelfde verstand dat ik al schilderend heb weten te redden. Als ik niet kan begrijpen waarom dit me overkomt, dan kan ik het niet verdragen. Want het wordt steeds erger. Toen het eind september begon te regenen, steeg er een doordringende stank op in het huis, en in het kleine plaatsje waar we bivakkeren, begon het water binnen te sijpelen. Gealarmeerd ging An kijken in de grote garage waar de meeste van onze spullen opgestapeld staan. Ze kwam huilend terug: alles stond onder water. De verhuisdozen waren doorweekt, we durfden niet eens kijken naar de inhoud. Het past allemaal in het plaatje: dit huis is geen huis, het biedt geen enkele bescherming, niet tegen lawaai, niet tegen regen, niet tegen ongedierte. We durven niet eens de verwarming aansteken uit schrik dat ze niet werkt. 

Wat de hele zaak zo wrang maakt, is dat we dit huis hebben gekocht. Dat wil zeggen: Ans zus en haar man hebben het gekocht. Ze hebben er hun spaarcenten in geïnvesteerd om ons te kunnen helpen. Maar ze hebben het huis nooit gezien, want ze wonen in Spanje en door de corona-maatregelen konden ze niet naar België komen. Ze hebben alles aan ons overgelaten, ze hebben ons vertrouwd zoals ook wij andere mensen vertrouwd hebben. Het gaf de verhuizing een aspect van medemenselijkheid en solidariteit. Maar juist die band van vertrouwen is nu veranderd in een ketting van bedrog die ons vastketent aan een huis dat één grote leugen is. Hoe raken we dat huis ooit nog kwijt zonder dat onze weldoeners een bom geld verliezen? Hoe vinden we ooit nog een ander huis? Zonder hulp van boven of beneden lukt het niet, dat hebben we de afgelopen jaren genoeg ondervonden. Maar hoe kunnen we nog vertrouwen hebben in goden of mensen als dat vertrouwen zo ongenadig wordt afgestraft? 

In Scheldewindeke viel het me niet moeilijk om vertrouwen te hebben. Mijn leven had onverwacht een gunstige wending genomen en leek uiteindelijk een happy end te zullen krijgen. Dat maakte het een stuk gemakkelijker om erop terug te blikken. Scheldewindeke was een bevestiging van het motto dat ik twintig jaar eerder had geadopteerd: het leven als een kunstwerk zien. Dat lukte me hier meer dan ooit. Mijn nieuwe tuin inspireerde me tot karmische beschouwingen en mijn nieuwe huis gaf mij de gelegenheid daar in alle rust en stilte over na te denken. Het leverde naast verrassende inzichten ook de overtuiging op dat Michaël me altijd een beschermende hand boven het hoofd had gehouden. Van die overtuiging blijft vandaag echter niet veel meer over. Hoe kan ik nog geloven in geestelijke bescherming als ik zonder enige waarschuwing in een drakeval word gelokt? Hoe kan ik geloven dat ik mezelf in deze nachtmerrie heb doen verzeilen? Want dat is wat karma inhoudt: dat je zelf gekozen hebt wat je overkomt. 

Ik kan onmogelijk geloven dat ik er zelf voor gekozen heb Scheldewindeke in te ruilen voor Zegelsem. Waarom in ’s hemelsnaam zou ik een godsgeschenk teruggeven waar ik zo dankbaar voor was, waar ik zoveel vreugde heb aan beleefd en waarvan ik pas nu besef hoe hard ik het nodig had? Waarom zou ik me in een nachtmerrie storten die me langzaam sloopt? Dat houdt geen steek, dat is als zelfmoord plegen op het moment dat het leven je eindelijk toelacht. Ik heb dus alle reden om mijn geloof in karma af te doen als een groteske illusie, een luciferisch waanbeeld. Maar dan geef ik wel alles op waar ik mijn hele leven zo hard aan gewerkt heb. Want dat geloof in karma is me niet gegeven. Er zijn weinig mensen die van nature zo weinig geloof en vertrouwen in het leven hebben als ik. Ik heb dat geloof stap voor stap moeten opbouwen, en ofschoon ik daar veel hulp bij gekregen heb, is het toch ook mijn eigen verdienste. Ik zou mezelf verraden als ik dat duurbevochten geloof nu opgaf,.

Maar ik kan het ook niet zomaar behouden, daarvoor is het niet sterk genoeg. Als ik er niks mee doe, dreigt het in zijn tegendeel te keren. Het is een bekend verschijnsel: antroposofen veranderen in anti-antroposofen na een aanvaring, een teleurstelling, een ontmoeting met de draak. In plaats van de antroposofie te laten vallen, binden ze er een levenslange strijd mee aan. Hun liefde is niet verdwenen, ze is veranderd in haat. Dat verschijnsel valt ook buiten de antroposofie volop waar te nemen. De wereld wordt vandaag overspoeld door ‘activisten’ die in naam van de liefde louter haat verspreiden. Hun goede wil is niet gebroken, wel integendeel, maar hij is – zonder dat ze het zelf beseffen – in zijn tegendeel gekeerd. Dat gevaar bedreigt ook mij. Geef ik mijn geloof in karma op, dan heeft mijn leven geen zin meer en ga ik bij de pakken zitten. Doe ik dat niet en laat ik me niet zomaar klein krijgen, dan moet ik mij verzetten tegen mijn karma, dan moet ik mijn eigen Ik bevechten. 

Wat ik ook kies, het loopt uit op – actieve of passieve – zelfvernietiging. De enige manier om daaraan te ontsnappen, is door van mijn karmageloof een karmaweten te maken. Ik moet mijn karma begrijpen om het te kunnen verdragen. Ik moet erachter komen waarom mijn Ik die rampzalige verhuizing van Scheldewindeke naar Zegelsem heeft gepland. Ik moet met dat Ik in gesprek gaan en zijn beweegredenen doorgronden. Slaag ik daar niet in, dan raak ik steeds verder verwijderd van mezelf. Ofwel word ik dan een schotelvod die zich willoos uit laat wringen, ofwel ga ik een gevecht aan met mijn eigen Ik. In beide gevallen geef ik me over aan de draak en laat hem mijn leven besturen in plaats van dat zelf te doen. Ik neem dan deel aan de Grote Zelfvernietiging die vandaag overal aan de gang is, en die het tegendeel is van de michaëlische strijd met de draak. Dat is dan ook de – echte – keuze waarvoor ik sta: ofwel vecht ik tegen de draak ofwel vecht ik voor de draak, ofwel kies ik voor mezelf ofwel kies ik tegen mezelf.

De strijd met de draak heeft de vorm aangenomen van het oplossen van een raadsel. Ik moet begrijpen waarom ik van Scheldewindeke naar Zegelsem moest verhuizen. Dat raadsel kan ik niet alleen oplossen. Zonder luisterend oor kan ik niet in gesprek gaan met mezelf. Er moet een derde bij zijn. Daarom wil ik dat gesprek hier voeren. Het wordt mijn intieme en ultieme strijd met de draak. Lezers zullen mij wellicht vragen: wat hebben wij daarmee te maken? Die vraag werd me 28 jaar geleden ook gesteld, toen ik mij enthousiast toonde over Basic Instinct, het kunstzinnige oerbeeld van de strijd met de draak in onze tijd. Intussen is dat oerbeeld werkelijkheid geworden en rennen we rond als kippen zonder kop die geen idee hebben wat er aan de hand is. Als ik om me heen kijk, dan zie ik een mensheid die haar verstand dreigt te verliezen, die zich kortom in dezelfde situatie bevindt als ikzelf. Mijn strijd met de draak is geen andere dan eenieders strijd, het is een persoonlijke en tegelijk bovenpersoonlijke strijd. 

Kort bericht

De verhuizing heeft mij midscheeps getroffen en ik ben gezonken. U merkt het wel wanneer en of ik boven water kom.

Indrukwekkend zichtbaar

  

In Antroposofie Vandaag – altijd goed voor enige verbazing – lees ik van de hand van Matthias Girke de volgende zinsnede: ‘… de levenskracht van de antroposofie, die in de afgelopen jaren zo indrukwekkend zichtbaar was en het culturele en maatschappelijke leven heeft veranderd …’ Het is bekend dat antroposofen positieve mensen zijn die always look at the bright side of life, maar dat ze zó positief waren, nee dat had ik toch niet voor mogelijk gehouden. Van die ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ van de antroposofie heb ik namelijk niks gemerkt. Ik mag dan wel (nog heel even) in Scheldewindeke wonen, maar ik volg wat er in de wereld gebeurt en daar kwam de antroposofie – zoals gewoonlijk – niet in voor. Wat ik wel heb gezien, zijn de culturele en maatschappelijke veranderingen die de afgelopen jaren zichtbaar zijn geworden. Om er maar een paar te noemen: massa-immigratie, terrorisme, klimaatactivisme, corona-lockdown, BlackLivesMatter. En dat zou allemaal het werk zijn geweest van de antroposofie? 

Als je maandenlang opgesloten zit in je kot, zeggen zelfs de meest verstandigen onder ons wel eens dingen die ze beter niet hadden gezegd. Toch blijft het vreemd bovenstaande uitspraak te zien staan in een artikel over de verantwoordelijkheid van de antroposofie – en meer bepaald de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap – tegenover de wereld. Je zou verwachten dat mensen die, zoals Matthias Girke, deel uitmaken van deze Hogeschool, twee of zelfs drie keer nadenken voor ze in het openbaar een dergelijke uitspraak doen. Maar daar staat ze, zwart op wit, in Antroposofie Vandaag. Wat moet een mens daarvan denken? Misschien kan hij maar beter helemaal niets denken, dat is veiliger in de huidige ‘veranderende’ wereld. Gewoon op de like-knop drukken. Er is al genoeg kritiek, haat en verzuring. Laten antroposofen daar maar eens een uitzondering op vormen en ongeremd trots zijn op hun indrukwekkende zichtbaarheid en wereldtransformerende krachten. 

Maar heeft de waarheid niet ook haar rechten? Ik zie hoe zowat de hele mensheid opgesloten wordt ‘in haar kot’ omwille van een griepvirus, ik zie hoe bejaarden in mensonterende omstandigheden sterven, ik zie hoe kleine zelfstandigen failliet gaan, ik zie hoe jongeren wanhopig en depressief worden, ik zie hoe mensen tegen elkaar worden opgezet, ik zie hoe er een nieuwe normaal ontstaat waarin de overheid schier onbeperkte macht heeft, ik zie hoe er met grote haast gewerkt wordt aan een dubieus vaccin dat waarschijnlijk verplicht zal worden, ik zie hoe de mensheid langzaam tot waanzin wordt gedreven, ik zie hoe ze haar eigen verleden aan het uitwissen is, ik zie hoe standbeelden worden vernield, boeken verboden, piano’s op straat gegooid, enzovoort, enzovoort. Tenzij de media dat allemaal verzonnen hebben, zijn het harde feiten, indrukwekkend zichtbare feiten in een snel veranderende wereld. En daar eist de antroposofie de verantwoordelijkheid voor op?

Nee, dat kan niet zijn. Matthias Girke moet iets anders bedoelen. Maar wat dan wel? Welke andere veranderingen in het culturele en maatschappelijke leven van de jongste jaren kunnen op rekening van de antroposofie en haar Hogeschool worden geschreven? Ik zie ze niet. Van die ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ van de antroposofie zie ik nog veel minder. En dan woon ik nog in een land waar de antroposofie redelijk aanwezig is, wat van veel andere landen niet gezegd kan worden. Het vermoeden rijst dat de antroposofie waar Matthias Girke het over heeft, alleen in zijn verbeelding bestaat. En dat fenomeen ken ik. Veertig jaar geleden was ik een overtuigd makrobiotieker. Ik leefde in de enthousiaste overtuiging dat makrobiotiek de wereld aan het veroveren was en voelde me gedragen door een wereldwijde golf van bewustwording die steeds hoger steeg. The sky was the limit. Gelukkig werd ik ouder en wijzer, en toen ik uit de beweging groeide, hield ze plotseling op te bestaan.

Zolang ik deel uitmaakte van het makrobiotische wereldje, voordrachten volgde en deelnam aan praktische activiteiten, kwam de makrobiotiek me voor als ‘indrukwekkend zichtbaar’: ik zag ze overal. Ze was de wereld langzaam maar zeker aan het veranderen, daar twijfelde ik niet aan. Maar toen ik uit die ‘bubbel’ stapte, spatte de makrobiotiek als een zeepbel uit elkaar. Ze werd op slag onzichtbaar. Jaren later, toen het internet zijn intrede had gedaan, vroeg ik me af: zou ze nog bestaan, de makrobiotiek? Ik tikte het woord in, en ja hoor: de winkels, de restaurants, de tijdschriften, de voordrachten, het was er nog allemaal. Alleen zag ik de zaak nu in zijn ware proporties en die waren lachwekkend klein. Ik heb nooit spijt gehad dat ik mij heb laten meeslepen door deze luciferische illusie: het was een spannende tijd en ik lust nog altijd tahin. Maar ik ben ook blij dat ik eruit ben gegroeid. De makrobiotiek heeft goede dingen gedaan, maar mede dankzij de antroposofie heb ik haar beperktheid en eenzijdigheid leren inzien.

Vandaag herken ik diezelfde beperktheid en eenzijdigheid in het antroposofische wereldje zelf. Ik lees Antroposofie Vandaag en tref daar mijn makrobiotische enthousiasme van weleer aan. Het staat weliswaar op een hoger niveau, maar het heeft hetzelfde illusoire karakter. Indrukwekkende zichtbaarheid? Zoiets kan alleen gezegd worden door mensen die nooit afstand hebben genomen van de antroposofische wereld, die hem alleen van binnenuit kennen en beleven. Net als de makrobiotiek destijds, is de antroposofie een boeiende, spannende, leerrijke wereld waar je idealistische mensen ontmoet die iets anders willen dan gewoon meedraaien in de grote materialistische mallemolen. Ik heb dus – opnieuw – geen spijt dat ik die wereld heb leren kennen, wel integendeel. Hij maakt onlosmakelijk deel uit van mijn karma, zoals alle werelden die ik heb leren kennen in mijn leven. Maar net als die andere werelden is ook de antroposofische wereld mij te eng. Ik kan er niet vrij ademen.

Het is gek. Vandaag komt de jeugd overal op straat, skanderend I can’t breathe, en dat is exact het gevoel dat ik had toen ik als jongmens de antroposofische wereld leerde kennen: ik kreeg er geen adem. Meer dan eens heb ik tijdens een antroposofische voordracht de aanvechting gevoeld om op te staan, mijn stoel door het raam te keilen en te roepen: het is hier om te stikken, er is hier geen lucht! Ook bij andere gelegenheden moest ik moeite doen om niet baldadig te worden en vandaag is dat opnieuw het geval. Bij het lezen van de woorden van Matthias Girke moet ik me inhouden om niet mijn meest sarcastische pen boven te halen. Gelukkig heb ik in de loop der jaren geleerd dat sarcasme te bedwingen en om te zetten in inzicht. Op die manier ben ik dan toch aan de benodigde zuurstof geraakt en dat wil ik ook nu weer proberen. In plaats van de draak te steken met de uitspraak van Mattias Girke wil ik proberen te begrijpen waarom hij zo’n groteske dingen zegt.

Ik krijg daarbij onverwacht de hulp van Rudolf Steiner. In de voordracht van 1 februari 1919 (GA 188) zegt hij iets heel merkwaardigs. Als schuldig aan de eerste wereldoorlog noemt hij twee factoren: het kapitalisme en … de antroposofie. Jawel, zo staat het er: samen met het kapitalisme is de geesteswetenschap verantwoordelijk voor de grootste ramp van de 20ste eeuw, een ramp die wij ons nog altijd bezuren. Natuurlijk bedoelt Rudolf Steiner niet de antroposofie op zich, maar een specifiek soort antroposofie, een antroposofie die zich, zoals hij het uitdrukt, niks aantrekt van Ahriman en niet probeert ‘de alledaagse werkelijkheid te doordringen met een doortastend denken’. Hij heeft het met andere woorden over een luciferische antroposofie, een antroposofie die zich terugplooit op zichzelf en zich alleen bezig houdt met abstracte spirituele inhouden. En deze in een ‘bubbel’ levende antroposofie acht hij even schuldig aan de eerste wereldoorlog als het kapitalisme. 

Wie Antroposofie Vandaag (her)leest met deze woorden in gedachten, beseft opeens dat Matthias Girke … gelijk heeft. De antroposofie is de afgelopen jaren inderdaad ‘indrukwekkend zichtbaar’ geworden: wat we vandaag overal om ons heen zien gebeuren, het is mede mogelijk gemaakt door de antroposofie. Aan de ene kant trekken duizenden – vooral jonge – mensen de straat op, schreeuwend om drastische maatregelen tegen de opwarming van de aarde en luidkeels protesterend tegen het alomtegenwoordige racisme. Het lijkt wel een kruistocht tegen de ‘witte mannen’, gepaard gaand met het nodige geweld. Aan de andere kant zien we een soort wereldregering aan de oppervlakte komen, een deep state die de mensheid door middel van technologie wil controleren en robotiseren. Deze twee snel groeiende bewegingen – een spiritueel-luciferische en een onderaards-ahrimaanse – verpletteren het midden en vermengen zich met elkaar tot wat je ‘omgekeerde antroposofie’ zou kunnen noemen.

De jonge kruisvaarders worden bezield door louter christelijke idealen: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid, mensenliefde, respect voor de aarde en de natuur, noem maar op. Het zijn dezelfde mensheidsidealen die ook de antroposofie bezielen. Daartegenover staat de deep state, de ondergrondse organisatie van de nieuwe wereldheerser Ahriman die volgens het aloude principe ‘verdeel en heers’ de macht wil grijpen. Het is een indrukwekkend beeld: de scharen van Michaël trekken ten strijde tegen de draak. Antroposofie in actie dus. Maar als we wat nauwer kijken, dan zien we dat de drastische maatregelen waar de social justice warriors om schreeuwen, alleen maar opgelegd kunnen worden door een oppermachtige overheid, een overheid zoals we die momenteel aan het werk zien tijdens de corona-crisis. Met andere woorden, de door christelijke, antroposofische idealen bezielde activisten staan helemaal niet in oppositie met de ahrimaanse wereldregering, ze vormen er een … conjunctie mee.

Deze kwaadaardige conjunctie kan alleen plaatsvinden omdat het christelijke, antroposofische midden ontbreekt. Een werkelijk levenskrachtige en ‘indrukwekkend zichtbare’ antroposofie had kunnen beletten dat Lucifer en Ahriman de handen in elkaar sloegen en zich vandaag voordoen als het nieuwe midden, dat wil zeggen als de wedergekomen Christus. Maar die antroposofie is er niet, tenzij in de verbeelding van antroposofen zoals Matthias Girke. En bij gebrek aan dat inspirerende midden is er in de zielen van de jonge mensen van vandaag een kwellende leegte ontstaan die in toenemende mate gevuld wordt met ‘omgekeerde antroposofie’: de idealen die zoveel hedendaagse jongeren bezielen – en die vervat zitten in het beeld van Michaël en de draak – keren door gebrek aan levende inzichten in hun tegendeel en worden vernietigende krachten. Omdat er geen zichtbare en levenskrachtige antroposofie is, valt er opnieuw een generatie ten prooi aan de tegenmachten. 

Tijdens de eerste wereldoorlog trokken duizenden idealistische jongeren zingend naar het front. Met name degenen die de driegeledingsbeweging hadden moeten ontwikkelen, sneuvelden op de slagvelden van Vlaanderen. Tijdens de tweede wereldoorlog gebeurde hetzelfde: talloze jongeren die bestemd waren voor de antroposofie raakten in de greep van de nazi’s en kwamen roemloos aan hun eind. En de antroposofen? Die waren zich van geen kwaad bewust. Het is bekend dat er in Das Goetheanum – de Dornachse tegenhanger van Antroposofie Vandaag – vier jaar lang met geen woord gerept werd over de aan de gang zijnde wereldoorlog. Men deed alsof hij niet bestond. Als ik Antroposofie Vandaag lees, stel ik vast dat er nog niet veel veranderd is. Er wordt vol enthousiasme gesproken over de zoveelste internationale conferentie in Dornach, maar de buitenwereld, waar voor de derde keer ontelbare jongeren in hun ongeluk lopen, wordt slechts terloops een blik gegund.

De reden valt niet ver te zoeken: die buitenwereld is een spiegel. Er speelt zich precies hetzelfde af als in de antroposofische wereld. Bij gebrek aan ‘ademend’ midden raken mensen opgesloten in twee kampen waartussen geen gesprek meer mogelijk is. In de buitenwereld noemt men ze links en rechts, in de antroposofische wereld oude en jonge zielen, maar het gaat in wezen om dezelfde polariteit. Het verschil is dat deze fundamentele tweedeling in de buitenwereld ‘indrukwekkend zichtbaar’ is, terwijl er in de antroposofische wereld met geen woord over gerept wordt, ondanks de dringende woorden van Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven. De legendarische ruzie die uitbrak na zijn dood en die de antroposofische vereniging in twee scheurde, is waarschijnlijk niet vreemd aan dat stilzwijgen. Men wil voorkomen dat deze onverkwikkelijke geschiedenis zich herhaalt en denkt dat te bereiken door de tweedeling te negeren, door geen aandacht te besteden aan het feit dat de antroposofische beweging bestaat uit twee groepen van zielen.

Volgens Rudolf Steiner was er een verband tussen de (luciferische) antroposofie en de eerste wereldoorlog. Volgens Ita Wegman was er een verband tussen de grote ruzie in de antroposofische wereld en de opkomst van Hitler. De vraag rijst of er niet ook een verband is tussen het negeren van de antroposofische oer-tegenstelling en de ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ ervan in de wereld van vandaag. Anders gezegd, heerst er niet zoveel onenigheid in de buitenwereld omdat er zoveel tevredenheid heerst in de antroposofische wereld, omdat de – geestelijke – strijd tussen beide zielengroepen er angstvallig uit de weg wordt gegaan? Wie oud wordt, stelt vast dat hij niet zozeer spijt heeft van de dingen die hij gedaan heeft, dan wel van de dingen die hij niet gedaan heeft. Antroposofen mogen gerust trots zijn op wat ze gerealiseerd hebben, maar als die trots hen belet om te zien wat ze verzuimd hebben en nog altijd verzuimen, dan heeft Ahriman hen te pakken.  

I can’t breathe (6)

  

BlackLivesMatter is de jongste weken uitgegroeid tot de antiracistische slogan bij uitstek. De drie woorden betekenen letterlijk: zwarte levens doen ertoe, ze tellen mee, ze zijn belangrijk. Dat spreekt natuurlijk vanzelf. Niemand twijfelt er anno 2020 nog aan dat black lives matter. Het gaat dus op het eerste gezicht om een onschuldige slogan. Er wordt echt niet veel gevraagd, gewoon een beetje respect voor de zwarte medemens, meer niet. Maar als je begint na te denken over deze slogan, dan blijkt onder het wollige uiterlijk van BlackLivesMatter een wolf schuil te gaan. Juist de vanzelfsprekendheid van de drie woorden geeft ze een heel andere betekenis. Ze suggereert dat er nog altijd mensen zijn die vinden dat een zwart leven er niet toe doet. Gelet op de heftigheid en verontwaardiging waarmee de slogan geskandeerd wordt, zijn deze racisten zelfs zo talrijk dat ze een bedreiging vormen voor de zwarte mens. En dat maakt van BlackLivesMatter een zware beschuldiging.

Iedereen weet aan wie die beschuldiging gericht is: niet aan de Aziaten, niet aan de Indianen, zelfs niet aan de Arabieren, de spreekwoordelijke handelaars in zwarte slaven. Nee, het zijn de blanken die ervan beschuldigd worden racisten te zijn die geen waarde hechten aan een zwart leven. Dat was ook de betekenis die gegeven werd aan de dood van George Floyd: hij was het zoveelste zwarte slachtoffer van blank racisme. Het beeld van een zwarte man die in koelen bloede gewurgd wordt door een blanke man is in feite de inhoud van de BlackLivesMatter-slogan: de zwarte bevolking wordt zodanig gediscrimineerd en onderdrukt dat ze langzaam stikt. Of het nu onderwijs is, economie, justitie, gezondheidszorg of wat dan ook, nergens telt de zwarte mens mee, nergens doet zijn leven ertoe. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt uit de woede en de wanhoop waarmee BlackLivesMatter wordt geschreeuwd: de blanken proberen de zwarten uit te roeien.

De BlackLivesMatter-beweging rechtvaardigt de gewelddadigheid van haar protesten door ze voor te stellen als een vorm van zelfverdediging: de zwarte bevolking vecht voor haar leven en dan kun je geen redelijkheid verwachten. BlackLivesMatter zou dan ook vertaald kunnen worden als: Stop de Uitroeiing van de Zwarten. De blanken worden er met andere woorden van beschuldigd nazi’s te zijn die een tweede holocaust voorbereiden. Dat is de werkelijke betekenis van BlackLivesMatter, de betekenis die zich verbergt onder de schaapsvacht van Show me some Respect. Door de slogan in zijn concrete context te zien – en niet als een in de lucht zwevende abstractie – verandert de vanzelfsprekende mededeling in de zwaarst mogelijke beschuldiging: de blanken proberen het zwarte ras uit te roeien. Het is precies dezelfde beschuldiging die we ook horen uit de mond van moslims: blanken maken moslims het leven onmogelijk. Daarom zijn moslims verplicht een nietsontziende overlevingsstrijd te voeren: de jihad. 

BlackLivesMatter is niet alleen de zwaarst mogelijke beschuldiging, het is tevens de grootst mogelijke leugen. Verre van de zwarten te willen uitroeien, zijn het in Amerika juist de blanken die vaak het slachtoffer zijn van zwart geweld. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen blanken en moslims. Hoeveel blanke aanslagen worden er op moslims gepleegd? Hun aantal verzinkt in het niets vergeleken bij het aantal moslimaanslagen op blanken. Bovendien gaat het meestal om represailles voor het niet aflatende moslimgeweld. Men kan zich zelfs de vraag stellen of het politiegeweld in Amerika geen vorm van zelfverdediging is, want politieagenten zijn er vaak het mikpunt van (vooral zwart) geweld. In Europa zien we hetzelfde: dagelijks belanden politieagenten in het ziekenhuis omdat ze worden aangevallen door moslims. Geen wonder dat de houding van de politie verhardt en dat er brutaliteit optreedt. Met racisme heeft dat niets te maken, met de agressie van de zogenaamde slachtoffers des te meer. 

BlackLivesMatter keert de zaken dus gewoon om: daders worden voorgesteld als slachtoffers, slachtoffers als daders. Deze schijnbaar antiracistische slogan is in werkelijkheid de meest racistische slogan die men kan bedenken: een welbepaald ras – het blanke – wordt ervan beschuldigd een ander ras – de people of color – te willen uitroeien, niet om hen te beroven van hun materiële of geestelijke rijkdom, maar uit puur en onversneden racisme, uit blinde rassenhaat. Die rassenhaat, zo wordt steeds weer betoogd, is zo diep geworteld in het blanke ras dat de blanken er zich niet bewust van zijn. Racisme is voor hen zo vanzelfsprekend als ademen. Het kenmerkt al hun gewoonten, al hun gebruiken, al hun instellingen. De blanke beschaving – daar kan volgens antiracisten niet genoeg op gewezen worden – is in wezen racistisch. Racisme is haar fundament, het is wat deze beschaving zo machtig heeft gemaakt: het onderdrukken en uitroeien van andere rassen.

BlackLivesMatter is een zo groteske leugen dat niemand kan geloven dat mensen zoiets zouden beweren als het niet waar was. En dus begint men te zoeken naar voorbeelden van dit blanke racisme. Uiteraard vindt men die, want racisme is van alle tijden en alle volkeren, en ofschoon het uitgerekend in het blanke ras duidelijk op de terugweg is, blijven er overal nog resten over. Gaat men het begrip racisme dan ook nog eens uitbreiden tot ver voorbij de oorspronkelijke betekenis en verkettert men de meest onschuldige zaken, dan wordt de indruk gewekt dat de leugen inderdaad waar is. Zo hebben de nazi’s het ook met de joden gedaan: kleine verschillen en karaktertrekken werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers uiteindelijk gingen geloven dat het waar was wat Hitler zei: de joden probeerden het Duitse volk te vernietigen. En dat gaf de Duitsers natuurlijk het recht om zich met alle mogelijke middelen te verdedigen tegen die kwaadaardige joden. 

Hitler wist het al: hoe groter de leugen, des te gemakkelijker wordt hij geloofd. Want niemand kan geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn dat ze dergelijke leugens verspreiden. Juist dat ongeloof stelde hem in staat bijna een heel volk uit te roeien. Om dezelfde reden geloven mensen vandaag de groteske leugen van BlackLivesMatter: omdat ze niet kunnen geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn. Ze verspreiden die leugen verder, omdat ze het als hun morele plicht zien (wat zij als) de waarheid (beschouwen) te verdedigen. Het is dus hun eigen goede inborst die hen ertoe brengt de kwaadaardigste beschuldigingen te uiten. Dat is het perverse effect van de BlackLivesMatter-leugen: hij keert niet alleen de waarheid in zijn tegendeel, hij verandert ook goedheid in kwaadaardigheid. Mensen worden leugenaars omdat ze de waarheid liefhebben, ze worden kwaadaardig omdat ze goed zijn. Dat is de tragedie van de antiracisten: bezield met de beste bedoelingen en de hoogste morele normen, plaveien ze de weg naar de hel.

Een leugen als BlackLivesMatter kan zich als een lopend vuurtje verspreiden, niet omdat mensen kwaadaardig zijn, maar juist omdat ze goedaardig zijn. Vooral de blanke mens is vandaag zo idealistisch, zo bevlogen, zo spiritueel dat hij alles wat negatief en laag bij de gronds is verafschuwt. Zelfs gewone kritische opmerkingen betitelt hij als hate speech en hij maakt ze strafbaar. Alles wat maar enigszins kwetsend of onaangenaam zou kunnen zijn, wil hij verbieden. Hij wil met andere woorden het kwaad uitroeien. Wat hij echter niet weet is dat het kwaad twee tegengestelde kanten heeft. Hij beseft niet dat al zijn (luciferische) positiviteit van hem geen goed mens maakt, wel integendeel, ze roept juist het (ahrimaans) negatieve op. Want beide horen samen, beide maken deel uit van het kwaad. Hoe positiever een mens wordt, des te sterker wordt ook het negatieve in hem, en omgekeerd. Wanneer beide polen ten slotte een bepaalde graad van intensiteit bereiken, ontstaat er een Steigerung.

Dat is wat we vandaag meemaken: de Steigerung van het kwaad. Lucifer en Ahriman hebben elkaars werkzaamheid zodanig geïntensiveerd dat uit de spanning tussen beide een nieuw soort kwaad geboren is, een kwaad dat zowel extreem positief als extreem negatief is. Beide tegenpolen vallen samen en dat maakt het nieuwe kwaad zo verwarrend dat we er geen verhaal tegen hebben. Degenen die het bestrijden – in de vorm van racisme, terrorisme, fascisme, Global Warming, coronavirus of wat dan ook – zijn buitengewoon positieve mensen, die zichzelf vervuld weten van liefde. Ze willen een betere wereld en een betere mensheid maken. Maar tegelijk zijn het buitengewoon negatieve mensen die vervuld zijn van haat, die anderen onophoudelijk beschuldigen, die drastische maatregelen eisen en het uitstekend vinden dat de overheid de onwillige mensheid opsluit ‘in haar kot’. Wat deze wereldverbeteraars zo gevaarlijk maakt is dat hun negativiteit niet te onderscheiden is van hun positiviteit. 

Het nieuwe kwaad kan niet bestreden worden zoals het oude: door evenwicht te scheppen tussen de tegenpolen, door het gulden midden te zoeken tussen Lucifer en Ahriman. Want dat midden is verdwenen, de tegenpolen zijn samengevallen. Wie het kwaad bestrijdt zonder onderscheid te maken tussen zijn twee gezichten, wordt er als het ware door opgeslokt en verandert zonder het te beseffen in een bestrijder van het goede. Wie bijvoorbeeld ten strijde trekt tegen het rechtse (ahrimaanse) gevaar kiest automatisch partij voor (luciferisch) links, want een centrum is er niet meer. Omdat links samenvalt met rechts kiest hij partij voor beide kwaden en keert zich tegen het goede. Zolang niet wordt ingezien dat links en rechts kanten van dezelfde medaille zijn, betekent het kwaad bestrijden niets anders dan het goede bestrijden. Al die activisten die als paddestoelen uit de grond schieten, al die fanatieke wereldverbeteraars die schreeuwend door de straten trekken: ze zijn de stoottroepen van het nieuwe, geallieerde kwaad. 

Wie vandaag de draak wil bevechten, wie een echte Michaëliet wil zijn, moet in de allereerste plaats het kwaad leren onderscheiden. Hij moet onderscheid leren maken tussen de wolf en de schaapsvacht, tussen Ahriman en de luciferische idealen waarin hij zich hult. Het kwaad heeft een nieuw gezicht gekregen, een heel verleidelijk, onschuldig gezicht. Want Lucifer is niet langer de wilde fanaticus, die godsdienstoorlogen ontketent omdat God aan zijn kant staat. Nee, hij legt nu op een rustige, schijnbaar redelijke, ja zelfs wetenschappelijke manier uit waarom hij het gelijk aan zijn kant heeft. Hij heeft zich met andere woorden een ‘ahrimaanse stijl’ aangemeten. De tegenmachten spreken vandaag als door één mond: Lucifer levert de – christelijke – inhoud en Ahriman de – antichristelijke – vorm. Wie deze twee niet van elkaar onderscheidt, kan onmogelijk weerstand bieden aan de newspeak van het Nieuwe Kwaad. Daar ligt dan ook de echte michaëlische strijd: in het ontwikkelen van een nieuw onderscheidingsvermogen, een nieuw zintuig voor het kwaad. 

Dat zintuig is tegelijk ook een zintuig voor het goede, want door Lucifer en Ahriman uit elkaar te halen, maken we ook Christus weer zichtbaar. Met ons gewone morele zintuig kunnen we Hem niet meer waarnemen: Hij is als het ware opgeslokt door de wolf. Om het christelijke midden weer te kunnen waarnemen, moeten we het kwaad transparant maken, we moeten erdoorheen leren kijken. Dat is de Parsifalweg die naar Christus leidt: dwars doorheen de draak. We ontwikkelen pas een (nieuw) zintuig voor Christus als we onze ogen openen voor het (nieuwe) kwaad. Het een gaat niet zonder het ander. We moeten ‘het zwaard omgorden’ zoals de bijbel zegt, en dat is niet het oude, materiële zwaard, maar het geestelijke Michaëlszwaard van ons scherp onderscheidende denken. Blijven we het oude, gedachtenloze zwaard gebruiken, zoals de hedendaagse activisten dat doen, dan keert het zich tegen ons, dan wordt het tot een werktuig van de tegenmachten en zullen we erdoor vergaan.

Dit Michaëlszwaard moeten we zelf smeden, met behulp van ons denken, ons voelen en – vooral – ons willen. Want er is moed nodig om tegen de ‘wilde horden’ in te gaan. Iedereen juicht hen toe: de media, de overheid, het bedrijfsleven, de sportwereld, het onderwijs, ouders, grootouders, kinderen. Allemaal roepen ze enthousiast BlackLivesMatter en andere vergelijkbare slogans. Wie weigert mee te doen, betaalt een zware prijs. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de zeldzame sportlui die weigeren te knielen en de vuist in de lucht te steken voor aanvang van een wedstrijd? Hoe zullen zij door hun ploegmaats bekeken en behandeld worden? Welke maatregelen zal het bestuur van hun club tegen hen nemen, bang als het is dat sponsors zullen afhaken? Hun carrière kan in een oogwenk voorbij zijn, enkel en alleen omdat ze de moed hadden niet in te stemmen met de oproep tot geweld die BlackLivesMatter in wezen is. En dat geldt niet alleen voor sportlui, het geldt voor iedereen.

De draak bevechten is een gevaarlijke onderneming. Ze maakt alleen kans op slagen als we een nieuw bewustzijn ontwikkelen, een bewustzijn dat zich niet laat meeslepen door holle slogans en massa-bewegingen, maar dat er denkend doorheen kijkt en de wolf leert zien die zich in al die wolligheid verbergt. BlackLivesMatter is een voorbeeld van een onschuldig lijkende slogan die door eenvoudig, logisch te denken stap voor stap ontmaskerd kan worden. Dat vergt tijd en uithoudingsvermogen want er moet lang gehamerd worden om een michaëlszwaard te smeden dat scherp genoeg is om Lucifer en Ahriman te scheiden. Iedereen die wel eens een zeis heeft ‘gehamerd’ weet dat het geen kwestie van kracht is. Het is een kunst – net als het gebruik van de zeis – en kunst vereist de inzet van alle menselijke vermogens. Het michaëlszwaard wordt gesmeed door ons Ik, dat zich met dat zwaard verdedigt tegen het geallieerde kwaad dat het menselijke Ik probeert voor te stellen als de bron van alle kwaad. 

I can’t breathe (5)

  

Na de dood van George Floyd kwamen overal in Amerika – zwarte zowel als blanke – mensen op straat om te protesteren tegen het gewelddadige optreden van de politie. Als slogan gebruikten ze de laatste woorden van het slachtoffer: I can’t breathe. Al snel werden de protesten gewelddadig en veranderden in rellen, brandstichtingen en plunderingen. Ook de slogan veranderde, het werd BlackLivesMatter en de woede richtte zich niet langer alleen tegen politiegeweld maar tegen racisme in het algemeen. Pas toen president Trump dreigde om het Amerikaanse leger in te schakelen, kwam er een eind aan het oproer, of beter gezegd: het veranderde van richting en viseerde nu … standbeelden. Overal werden beelden van echte of vermeende racisten en slavendrijvers beklad, beschadigd of zelfs neergehaald. De beeldenstorm sloeg over naar Europa en nam in eigen land de vorm aan van het vandaliseren van standbeelden van Leopold II, de kolonisator van Kongo.

De dood van George Floyd werd onmiddellijk in verband gebracht met het racisme van de blanke Amerikanen, hoewel daar geen concrete aanwijzingen voor bestonden. In eigen land wordt de dood van ‘miljoenen’ Kongolezen onder het koloniale bewind van Leopold II in verband wordt gebracht met het racisme van de Belgen. Maar wie racisme zegt in België, denkt automatisch aan de Vlamingen. In Franstalig België zijn immers geen rechtse of extreemrechtse partijen die openlijk ‘racistische’ overtuigingen aanhangen, terwijl ze in Vlaanderen de helft van de bevolking vertegenwoordigen. België bestaat uit rechtse, racistische Vlamingen en linkse, antiracistische Franstaligen: dat is zo’n beetje het beeld dat in Franstalig België leeft, en dat ook in Vlaanderen gretig wordt overgenomen door antiracisten en dekolonisators. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het zijn in de eerste plaats de Vlamingen die zich moeten verantwoorden voor de ‘genocide’ van Leopold II.

Het zou interessant zijn om eens na te gaan of er in de Franstalig-Belgische media ook zoveel jonge, boze, zwarte intellectuelen aan het woord komen en of ze even ongeremd hun gal (mogen) spuwen op de Franstalige Belgen. Dat is weinig waarschijnlijk, want als het gaat om het erkennen van de eigen fouten staan de Franstaligen – in tegenstelling tot de Vlamingen – niet op de eerste rij. Hoe dan ook, in de Vlaamse pers draait de culpabiliseringsindustrie op volle toeren en wordt er onophoudelijk gehamerd op het racisme van de Vlamingen. Zoals een jonge Kongolees onlangs in de krant verklaarde: alle luxe en rijkdom die we hier genieten, alle kansen die ons geboden worden, wegen niet op tegen het racisme waarmee we dagelijks geconfronteerd worden. Vlamingen zijn een dankbaar mikpunt voor de zwarte woede, want ze verzetten zich niet, ze buigen het hoofd en slikken alle beschuldigingen. Dat kun je nu eenmaal verwachten van een volk dat al eeuwenlang wordt … gekoloniseerd.

De ironie wil inderdaad dat in ons land momenteel twee groepen tegenover elkaar staan die allebei nazaten zijn van mensen die op hetzelfde moment door dezelfde dwingeland – Leopold II, koning der Belgen – gekoloniseerd, vernederd en uitgebuit werden. De Vlaamse bevolking leefde aan het eind van de 19de eeuw in mensonwaardige omstandigheden. Mensen stierven aan de lopende band. ‘De Vlaamse ziekte’ was een uitdrukking die in heel Europa bekend was. Ze betekende: kreperen van honger en ellende. Daarom noemt men de Vlamingen wel eens ‘de negers van Europa’. In hartje Europa speelden zich dus vergelijkbare taferelen af als in hartje Afrika: twee volkeren – het ene blank, het andere zwart – werden op eenzelfde schandalige manier behandeld. Het is een dubbelbeeld waarover nooit gesproken wordt. Tegen de behandeling van het Kongolese volk werd en wordt luidop geprotesteerd, maar over de behandeling van het Vlaamse volk wordt nog altijd met geen woord gerept.

Sinds de dood van George Floyd duiken in de media overal jonge Kongolezen op die de Belgen – en dus vooral de Vlamingen – dringend aanmanen in het reine te komen met hun koloniale verleden. Het is een typisch voorbeeld van een verwarrende ahrimaanse omkering. In abstracto hebben deze zwarte intellectuelen overschot van gelijk: de Belgen en de Vlamingen moeten inderdaad leren hun (onderlinge) koloniale verleden onder ogen te zien en ophouden het debat daarover uit de weg te gaan. Maar in concreto vergissen de jonge zwarten zich zoals alleen jongeren dat kunnen: ze richten hun verwijten uitgerekend aan het volk dat – net als het hunne – slachtoffer was (en nog altijd is) van het Belgische kolonialisme. Ze willen een volk ‘dekoloniseren’ dat al eeuwenlang gekoloniseerd wordt en ook vandaag nog behandeld wordt als quantité negligeable. Enkele jaren geleden bestempelde een Franstalige Belgische minister de Vlamingen nog als ‘ongedierte’. Je kan net zo goed proberen de joden te denazificeren.

Deze zwarte intellectuelen beseffen niet dat Ahriman hen dingen laat zeggen waarvoor ze zich diep zouden schamen als ze er zich bewust van waren. Maar dat is juist het probleem: ze zijn niet woke, ze lijden aan de slaapziekte, net als hun blanke collega’s. Want de Vlaamse intellectuelen doen precies hetzelfde: ze beschuldigen een volk dat met de kolonisering van Kongo niets te maken had, behalve dan dat het missionarissen uitzond die in Kongo scholen bouwden en de bevolking leerden lezen en schrijven. Deze idealistische Vlamingen legden dus de basis voor de ontwikkeling van de zwarte intellectuelen die ons vandaag de huid vol komen schelden. Het doet onwillekeurig denken aan de paters en zusters die bij de ‘bevrijding’ van Kongo werden verkracht en vermoord door de kinderen die ze zelf hadden opgevoed. En nu komen de nakomelingen van die kinderen ons verwijten dat we moordenaars en verkrachters zijn. Het zou lachwekkend zijn als het niet zo beschamend was. 

Het dubbelbeeld van twee volkeren – een blank en een zwart – die allebei gekoloniseerd werden door België bestaat nog altijd. Vlaanderen, dat 100 jaar geleden enkel nog bestond uit een verzameling armoedige dorpen waar ongeletterden in primitieve omstandigheden probeerden te overleven (de rest van het land was volkomen verfranst) is vandaag een welvarend volk geworden dat er op eigen houtje voor zorgt dat het hele Belgische koninkrijk kan blijven bestaan. Maar dit rijke Vlaanderen wordt nog altijd onderdrukt, uitgebuit en vernederd alsof er niks veranderd is. Ook Kongo bestond honderd jaar geleden uit een verzameling primitieve stammen die in armoedige hutten woonden en voortdurend met elkaar vochten. Dankzij de kolonisatie werden ze een beschaafd en welstellend volk, maar ook zij worden vandaag nog altijd uitgebuit en gekoloniseerd, dit keer niet door Leopold II maar door hun eigen corrupte politici. En door de Chinezen natuurlijk (die heel wat racistischer zijn dan de blanken).

Daar hoor je de jonge Kongolese intellectuelen echter nooit over klagen. Ze richten hun pijlen liever op de Vlamingen: dat is zoveel gemakkelijker en zoveel veiliger en het brengt ook zoveel meer op. Want dankzij hun dekoloniserende ideologie kunnen zwarte academici hier vlot aan werk raken, boeken publiceren, in de media verschijnen, hoogleraar worden en zelfs politicus, allemaal zaken die in Kongo, dat intussen het armste land van de wereld is geworden, op zijn minst problematisch zijn. Bovendien hebben ze een concreet doel: geld. Ze willen herstelbetalingen afdwingen, nog méér herstelbetalingen, want België heeft in de loop der jaren al vele miljarden euro’s betaald aan Kongo, euro’s die hoofdzakelijk uit Vlaamse zakken kwamen en waarvan het zeer de vraag is of ze het Kongolese volk ooit bereikt hebben. De Rutazibwa’s, Nsayi’s en Etambala’s die ons onze koloniale geschiedenis ‘door de strot willen duwen’ zoals ze zelf zeggen, zijn geen haar beter dan de corrupte politici die Kongo weer tot de bedelstaf hebben gebracht.

Nog onverkwikkelijker is de waarheid dat hun jonge Vlaamse collega’s precies hetzelfde doen. In plaats dat ze hun volk helpen een eind te maken aan de reeds eeuwenlange kolonisatie door Franstalig België, doen ze net het tegenovergestelde: ze collaboreren met de kolonisator. Ze vervoegen het Franstalige scheldkoor en stemmen in met zijn grootste succesnummer: het beschuldigen van de Vlamingen van … collaboratie. Wee degene die tegen dit beschuldigingskoor durft in te gaan! Hij wordt terstond afgebeeld met nazi-uniform en Hitlersnor. Het is altijd weer hetzelfde beeld dat opduikt: de dief die roept ‘houdt de dief!’ nadat hij zijn slag heeft geslagen. De kolonisator beschuldigt de gekoloniseerde van kolonisatie, de collaborateur scheldt de gedupeerde uit voor collaborateur, de schuldige geeft de schuld aan de onschuldige: het zijn allemaal variaties op het thema dat zowel door de Kongolese als de Vlaamse intellectuelen bespeeld wordt: beschuldigen om niet beschuldigd te worden. 

Dat zwarte intellectuelen de Vlamingen komen beschuldigen van kolonialisme en racisme is een daad van agressie die met veel vertoon van geleerdheid en verontwaardiging gecamoufleerd wordt. Maar dat soort dingen zijn van alle tijden. De Europeanen deden net hetzelfde toen ze Afrika koloniseerden: onder de vlag van de beschaving der volkeren vielen ze gewoon een ander land binnen. De geschiedenis staat bol van daden van agressie. Meestal zijn ze echter gericht tegen andere landen, andere volkeren, andere rassen. Wat de agressie van de Vlaamse intellectuelen uniek maakt, is dat ze gericht is tegen het eigen volk. Er bestaat waarschijnlijk geen tweede voorbeeld van een intellectuele klasse die zich zo massaal en zo openlijk tegen haar eigen volk keert, ja die dat volk zonder meer haat. De Vlaamse intellectuelen die de media bevolken lijken – net als hun gekleurde collega’s – maar één levensmissie te hebben: het beschuldigen, kleineren en verdacht maken van het Vlaamse volk. 

Ze zullen dan ook nooit een woord van protest laten horen tegen de kolonialistische aanmatiging van de zwarte intellectuelen. Ze zullen nooit een vinger uitsteken om de rechten van de Vlamingen te verdedigen, of zelfs maar die van waarheid. Mensen als David Van Reybrouck zijn enthousiast over de recente spijtbetuigingen van koning Filip, ze noemen het een historische gebeurtenis hoewel ze heel goed weten dat die spijtbetuigingen een opstap zijn naar excuses en herstelbetalingen die zullen moeten worden opgehoest door de Vlamingen. De negertjes van Europa moeten maar een beetje harder werken, denkt Van Reybrouck waarschijnlijk. En zo denkt ook koning Filip, die daarmee in de voetsporen van zijn grootvader treedt. Zo blijft de geschiedenis zich herhalen, zo blijft het kolonialisme zich voortplanten. Nog altijd – en zelfs meer dan ooit – zijn er mensen die zichzelf zo superieur wanen dat ze het recht menen te hebben anderen – die ze als inferieur beschouwen – te beschuldigen, te onderdrukken en uit te buiten.

Er is met andere woorden niks veranderd, behalve dat de moderne kolonisators degenen die ze willen koloniseren ervan beschuldigen … kolonisators te zijn. Dat hebben de klassieke kolonisators nooit gedaan, het kwam geen moment in hen op de arme, ongeletterde Kongolezen kolonisators te noemen en hen ervan te beschuldigen zichzelf superieur te wanen aan de blanken. Dat zou wat al te belachelijk zijn geweest. Toch is dat precies wat de moderne kolonisators doen: ze keren de zaken helemaal om. En die omkering is hun wapen: ze koloniseren mensen door hen ervan te beschuldigen kolonisators te zijn en zichzelf voor te stellen als hun slachtoffers. Dat is een zo perfide leugen dat niemand weet hoe hij er zich tegen moet verweren. Ieder protest wordt immers gecounterd met de – verontwaardigde – uitroep: nu hebben de kolonisators ook nog eens het lef ons ervan te beschuldigen … kolonisators te zijn! Op die manier ontstaat er een spiegelpaleis waar iedereen tegen iedereen op botst en niemand nog de uitgang vindt.

De Rutazibwa’s, Nsayi’s en Etambala’s herkennen zichzelf in de Vlamingen. Ze herkennen een volk dat – net als het hunne – gekoloniseerd werd en nog altijd wordt. Die onbewuste herkenning is de motor van hun hele dekoloniseringsstreven. Ze willen een eind maken aan een dubbel onrecht dat maar blijft voortduren. Het is dus een nobel streven dat hen drijft en dat beide volkeren tot bondgenoten maakt in de strijd tegen kolonisering. Maar doordat de herkenning niet doordringt tot hun bewustzijn, keert dit bondgenootschap om tot vijandschap. Mensen die eenzelfde lot delen en elkaar dus zouden moeten begrijpen en steunen, worden tegen elkaar opgezet en gaan in toenemende mate zelf belichamen wat ze (menen te) bestrijden: de koloniale mentaliteit. Het is onmogelijk om in Vlaanderen te leven en je niet bewust te worden van het Franstalige kolonialisme dat de Vlamingen in de tang houdt. Maar de Kongolese intellectuelen onderdrukken die bewustwording omdat ze anders hun macht en hun privileges verliezen.

Dit onderdrukken van de bewustwording is ook het probleem van de Vlaamse intellectuelen. Het is het probleem van de moderne intellectuelen tout court. De geestelijke arbeid – waaraan zij zich ongestoord kunnen wijden dankzij de handenarbeid van de bevolking – opent hen de ogen voor de onderdrukking van die bevolking, een onderdrukking waaraan ze zelf meewerken. Ze worden met andere woorden geconfronteerd met hun eigen ‘kolonialisme’, hun eigen machtsstreven. En dat plaatst hen voor een morele keuze: ofwel diepen zij dit inzicht verder uit en worden ze zich bewust van de machtsrelatie tussen de bevolking en haar intellectuelen, ofwel onderdrukken ze die bewustwording en blijven daardoor ook de bevolking onderdrukken. Welke keuze ze maken, toont de beeldenstorm die nu aan de gang is. Het beeld van Derek Chauvin die George Floyd langzaam verstikt, is een spiegel waarin de intellectuele klasse zichzelf (onbewust) herkent. Daarom slaat ze nu alle spiegels stuk. Het is le trahison des clercs in actie: de weigering van de intellectuelen om in de spiegel te kijken.

De Laatste Oogst

  

Intellectuele prostitutie

  

“There is no such a thing in America as an independent press, unless it is out in country towns. You are all slaves. You know it, and I know it. There is not one of you who dares to express an honest opinion. If you expressed it, you would know beforehand that it would never appear in print. I am paid $150 for keeping honest opinions out of the paper I am connected with. Others of you are paid similar salaries for doing similar things. If I should allow honest opinions to be printed in one issue of my paper, I would be like Othello before twenty-four hours: my occupation would be gone. The man who would be so foolish as to write honest opinions would be out on the street hunting for another job. The business of a New York journalist is to distort the truth, to lie outright, to pervert, to villify, to fawn at the feet of Mammon, and to sell his country and his race for his daily bread, or for what is about the same — his salary. You know this, and I know it; and what foolery to be toasting an “Independent Press”! We are the tools and vassals of rich men behind the scenes. We are jumping-jacks. They pull the string and we dance. Our time, our talents, our lives, our possibilities, are all the property of other men. We are intellectual prostitutes.”

(John Swinton, chief editorial writer of The New York Times, 1883)