Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Vakantielectuur (2)

  

Wie spreekt over Donna Leon en Venetië, denkt onvermijdelijk ook aan Georges Simenon en Parijs. Commissaire Maigret is de voorganger (en wellicht ook het voorbeeld) van commissario Brunetti. Ik ken alleszins geen andere politieromans waarin een stad zo’n prominente rol speelt. Bij Simenon is dat nog meer het geval dan bij Donna Leon. Maigret bezit het vermogen helemaal op te gaan in zijn omgeving: hij wordt Parijs, hij is Parijs. Brunetti is een stuk afstandelijker. Hij woont in Venetië, hij houdt van Venetië, hij is opgegroeid in Venetië, maar hij is zich daar goed van bewust. Maigret niet. Hij blijft nooit staan kijken naar een gebouw of een bezienswaardigheid. Hij spreekt nooit over Parijs als de stad waar hij van houdt. Maar dat maakt zijn liefde juist sterker voelbaar: ze is niet vermengd met zelfbewustzijn, zoals bij Brunetti. Het is Maigrets onbewuste en onzelfzuchtige liefde die Parijs meer tot leven brengt dan Brunetti’s afstandelijker en zelfbewuster liefde dat doet met Venetië. 

Natuurlijk is de liefde van Maigret die van Simenon, zoals het zelfbewustzijn van Brunetti dat van Donna Leon is. De Amerikaanse vertoont weliswaar geen spoor van het snobisme waarmee Pieter Aspe en Jef Geeraerts de aandacht op zichzelf vestigen, maar dat neemt niet weg dat ook zij in haar boeken aanwezig is. Zij bezit niet het vermogen om er helemaal in te verdwijnen zoals Simenon dat kan. Bij Donna Leon denk je wel eens: dit is knap geschreven. Je wordt je dan bewust van de schrijver en van de weeromstuit ook van jezelf. Bij Simenon is het taalgebruik echter zo eenvoudig dat iedere gedachte aan schrijver, lezer of literatuur verdwijnt. En is dat niet de grootste literaire prestatie: de lezer doen vergeten dat hij aan het lezen is? Wie Maigret leest, waant zich in Parijs. In werkelijkheid bevindt hij zich in het hoofd van Simenon, maar daar is hij zich niet van bewust, want Simenon verstaat als geen ander de kunst om onzichtbaar te worden in zijn werk. 

Onzichtbaar betekent evenwel niet afwezig. Door zijn terughouding is Simenon juist heel sterk aanwezig in zijn boeken. Het woordgebruik, de zinswendingen, de opbouw, de dramatiek, de sfeerschepping, al die zaken waarvan de lezer zich nauwelijks bewust is en die de vorm van het boek uitmaken: daar is Simenon in aanwezig. Hij is er zelfs meer in aanwezig dan wanneer hij over zichzelf zou schrijven. Wat een schrijver (over zichzelf) schrijft, hoeft immers niet waar te zijn. Hoe hij daarentegen schrijft (over om het even wat), kan nooit een leugen zijn, want hij is er zich niet van bewust. Een schrijver weet niet hoe hij schrijft: dat is zijn sterkte en zijn zwakte. Hij kan scheppen, maar hij kan zichzelf daarbij niet waarnemen, want dat zou zijn scheppingskracht verlammen. Dus offert hij zijn zelfbewustzijn op om te kunnen schrijven, en hij moet het van anderen terugkrijgen om weer ‘heel’ te worden. Door te schrijven slaat de schrijver een wonde in zijn ziel, die door de lezer moet genezen worden. 

Die genezing vindt plaats wanneer de lezer hetzelfde doet als de schrijver en zijn zelfbewustzijn aan de kant zet, helemaal verdwijnt in het boek en zichzelf vergeet. Hij kan dan de schrijver ontmoeten in zijn eigen wereld en door die ontmoeting worden beiden genezen. Want ook de lezer is ‘gewond’. Zijn zelfbewustzijn heeft een kloof geslagen tussen hemzelf en de wereld, en voor die ‘wonde’ zoekt hij genezing in de kunst. Maar daar vindt hij die steeds minder, want hedendaagse schrijvers bezitten niet meer het vermogen om, zoals Simenon, helemaal onzichtbaar te worden in hun boeken. Ze zijn er steeds nadrukkelijker in aanwezig, niet alleen in de inhoud maar ook – en vooral – in de vorm. De lezer die zich bewust wordt van die vorm, wordt zich ook bewust van zichzelf en kan zich niet meer verliezen in het boek. Lezer en schrijver zijn vandaag geen van beiden nog echt in staat hun zelfbewustzijn opzij te zetten en de ander te ontmoeten. Als gevolg daarvan heeft de literatuur haar genezende kracht verloren. 

Onlangs zag ik in de krant een vakantieverhaal staan van een Vlaamse schrijver. Het speelde zich af aan de kust en daarom wilde ik het wel eens lezen. Het begon echter met de mededeling van de schrijver dat dit het laatste verhaal was dat hij in de hij-vorm zou schrijven. Daarna zou hij definitief overschakelen op de ik-vorm, want ‘dat verdiende hij’. Verder heb ik niet meer gelezen. Wat kon het mij schelen wat de schrijver verdiende en waarom! Ik wilde lezen over zon, zee en vakantie, ik wilde me even aan het strand wanen, niet in een appartementje waar een schrijver zat te schrijven over het schrijven. Ik hou van kunst, niet van de kunstenaar. Hoe onzichtbaarder hij is, des te liever is het mij. Daarom hou ik van Simenon: niemand is zo onzichtbaar als hij in zijn werk. 

Wie een Maigretroman leest, stapt in een andere wereld. Hij waant zich in Parijs en is de bevoorrechte getuige van een moordonderzoek. Hij volgt dat onderzoek op de voet en ziet hoe talloze nietszeggende puzzelstukjes langzaam samenvallen tot één betekenisvol geheel: de dader wordt gevonden, de misdaad opgelost. Dat alles wekt in hem een soort catharsis, een loutering, een genezing. Veel stelt het misschien niet voor, maar het lezen is wel een drempeloverschrijding-in-het-klein. Wat de lezer meemaakt die zichzelf verliest in een boek en er als herboren weer uit opduikt, verschilt niet wezenlijk van wat iemand meemaakte als hij in de tempel werd ingewijd, of wat hij meemaakt wanneer hij sterft of gewoon in slaap valt. Het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema. En de literaire ‘inwijding’ van de Maigret-lezer wordt mogelijk gemaakt doordat Simenon zijn zelfbewustzijn opoffert en helemaal verdwijnt in zijn boek. Op die manier geeft hij de lezer alle ruimte om hetzelfde te doen en eveneens ‘over de drempel’ te stappen. 

Schrijvers als Simenon behoren echter tot het verleden. Hedendaagse schrijvers zijn lang niet zo opofferingsgezind meer. Ze zijn niet meer in die mate bereid – of in staat – hun zelfbewustzijn on hold te zetten. Steeds vaker treden ze op het voorplan in hun boeken, niet alleen in de inhoud maar ook in de vorm. Door een opvallende, originele, gewild-kunstzinnige manier van schrijven vestigen ze de aandacht op zichzelf, maken de lezer daardoor ook bewust van zichzelf en beletten hem om ‘over de drempel’ te gaan. Zo sloeg ik kort geleden de nieuwe roman van een (andere) Vlaamse schrijver open. Ik moest de openingszin drie keer lezen voor ik hem begreep en dan nog was ik niet zeker dat ik de betekenis snapte. Vroeger zou ik gedacht hebben: o jee, deze schrijver gaat mijn petje te boven! Nu dacht ik: o jee, deze schrijver kan het niet! Maar net zo goed werd mijn aandacht afgeleid naar de schrijver en dus ook naar mezelf. Daarmee was de kans op een genezende ontmoeting verkeken. 

Maar ook de hedendaagse lezer is niet meer bereid – of in staat – zijn zelfbewustzijn opzij te schuiven en over de drempel van een boek te stappen. Zo las ik ooit een boek van de Japanse schrijver Mishima. De allereerste zin deed me meteen in een andere wereld terechtkomen, een wereld die ik bijna kon zien, voelen en ruiken. De ‘drempeloverschrijding’ was zo plots en zo sterk dat ik ervan schrok. Hoe deed Mishima dat? Ik las de zin opnieuw, maar kon er niks bijzonders aan ontdekken. Het was een heel gewone zin en toch bezat hij een magische kracht die me telkens weer over de drempel trok. Daar deinsde ik voor terug. Ik wilde niet zomaar uit mezelf gerukt worden en mijn zelfbewustzijn verliezen zonder te weten hoe dat kwam. Voor de moderne, zelfbewuste mens is het een schokkende, ontredderende ervaring om over de drempel te gaan in de kunst. De zeldzame keren dat het mij overkwam, kan ik mij nog levendig herinneren. Het zijn ervaringen die zich diep in het geheugen prenten. 

In het verleden moeten dergelijke ervaringen veel talrijker zijn geweest. De mens was nog lang niet zo verhard en kon nog veel gemakkelijker uit zijn lichaam worden gerukt. Van kunstwerken ging een veel grotere kracht uit, die zelfs tot in het fysieke genezend werkte. De Griekse tragediën bijvoorbeeld veroorzaakten bij het publiek een catharsis, een zuivering van de ziel. Ze waren dan ook een openbaarmaking van de mysteriën, die uitverkorenen (onder leiding van ingewijden) over de drempel leidden, waarna ze ‘geheeld’ terugkeerden. De kunst heeft deze inwijdingskracht in de loop der eeuwen langzaam verloren, maar tegelijk is ze voor steeds meer mensen beschikbaar geworden. De democratisering van de kunst was tegelijk een democratisering van de inwijdingsmysteriën. Ze was ook een keerpunt. De kunst verloor niet alleen haar genezende karakter, ze werd een ziekmakende factor. Ze wijdt de moderne mens nog altijd in, maar niet meer in helende, gezondmakende mysteriën. 

Met name in de beeldende kunsten zien we het mysteriekarakter van de kunst weer opleven. Hedendaagse kunstenaars zijn (of gedragen zich als) ingewijden die een select publiek van uitverkorenen over de drempel van een hogere wereld leiden door middel van een kunst waar het gewone volk niks van begrijpt. Het is echter geen geestelijke bovenwereld waarin ze de kunstliefhebber inwijden, maar een onderwereld waaruit hij niet genezen maar ziek terugkeert. Met name het zelfbewustzijn dat hij bij de drempel moest achterlaten, wordt aangetast. In de mysterietempels werd het ‘zelf’ van de inwijdeling bewaakt door de hogepriester die de hele inwijdingsproces superviseerde. In de kunst werd het bewaakt door de normen waaraan iedere kunstenaar moest voldoen. Maar die artistieke normen zijn afgeschaft. De kunstenaar mag doen wat hij wil, en daardoor staat hij – net als de kunstliefhebber – bloot aan tal van gevaren, waarvan het grootste wel het verlies van zelfbewustzijn is.

Dat klinkt nogal tegenstrijdig, want treft men in de kunst niet juist veel zelfbewuste mensen aan? De vraag is natuurlijk van welk ‘zelf’ ze zich bewust zijn: hun hogere of hun lagere zelf? Wanneer we een roman lezen, een Maigret bijvoorbeeld, dan vergeten we onszelf. We wanen ons in Parijs, in een wereld waar we louter toeschouwer kunnen zijn en waar ons lagere zelf zich niet hoeft te weren tegen andere lagere zelven. Het kan even vrijaf nemen van de struggle for life en met vakantie gaan naar een betere wereld. Parijs is niet alleen een tot de verbeelding sprekende stad, de problemen die er zijn, worden ook altijd opgelost. Dat weten we vooraf: misdaadromans en thrillers eindigen altijd met een bevrijdende ontknoping. Uiteraard bestaat die ‘betere wereld’ alleen in de verbeelding van de schrijver, maar dat vergeten we, omdat Simenon onzichtbaar blijft in zijn werk. Hij is er echter wel in aanwezig, met name in de vorm ervan, de ‘vorm van de idee’ zoals Rudolf Steiner het noemt.

Die ‘idee’ is het zelf van Simenon, maar dan een beter zelf, een lager zelf dat een hogere, ideële vorm heeft aangenomen. Het is deze hogere vorm die we ook als lezer aannemen wanneer we over de drempel van het boek gaan en ons eigen lagere zelf bij de drempel achterlaten. Die drempeloverschrijding maakt ons bijzonder kwetsbaar want we nemen de vorm aan van een ander mens, we worden even een ander mens en beleven de wereld zoals hij die beleeft. Het gevaar dat ons bedreigt, is dat we ons niet meer kunnen losmaken van die ander, dat we onszelf niet meer terugvinden. Dat gevaar herkennen we in een banaal voorbeeld: het gebeurt wel eens dat we met een liedje in ons hoofd zitten dat we het niet meer kwijtraken. We zijn er als het ware van bezeten. Na een tijdje verdwijnt het wel weer, maar het is een (kleine) afspiegeling van het (grote) gevaar dat de inwijdeling bedreigde wanneer hij over de drempel ging: in de greep te raken van de geesten die hij aan gene zijde ontmoette.

Het is dus niet zonder reden dat de moderne mens niet langer bereid is zijn zelfbewustzijn op te geven en over de drempel te stappen. Hij voelt instinctief dat er gevaar dreigt: het gevaar ‘geknecht’ te worden door een idee of geest, het gevaar erdoor bezeten te raken. Daarom deinst hij terug voor de drempel en klampt zich vast aan zijn zelfbewustzijn. Maar dat werkt averechts, zoals we in de literatuur zien. Hedendaagse schrijvers willen hun zelfbewustzijn niet opgeven en onzichtbaar worden in hun werk. Door de inhoud van dat werk (ze schrijven over zichzelf) of door de vorm ervan (ze willen origineel, authentiek en kunstzinnig zijn) vragen ze om aandacht van de lezer. Ze willen dat hij denkt: wow, wat een originele, authentieke en kunstzinnige schrijver! Maar tegelijk denkt die lezer ook: wow, hoe origineel, authentiek en kunstzinnig ben ik zelf niet om dit op te merken en te appreciëren! Hij bewondert de schrijver omdat hij dan ongemerkt – onder het mom van liefde voor de kunst – zichzelf kan bewonderen. 

En zo zien we dat de moderne mens applaudisseert voor alles wat hem als kunst wordt voorgeschoteld. De kunstenaar geeft hem immers een alibi om ongeremd voor zichzelf te kunnen applaudisseren. Het resultaat is een kunstwereld waar de kunst er niet meer toe doet, waar ze gedegradeerd is tot een zelfbevredigingsmiddel. Ze geneest mensen niet meer door ze – even – te bevrijden van hun lager zelf en ze te laten proeven van een hoger zelf. Ze doet net het omgekeerde: ze sluit de mens op in zijn lager zelf, in de overtuiging dat hij het hoger zelf van de ander bewondert. Met andere woorden, de kunstliefhebber die terugdeinst voor de drempel en zijn zelfbewustzijn wil behouden, gaat toch over de drempel, maar dit keer van de onderwereld. Hij verliest toch zijn zelfbewustzijn, want hij merkt niet dat hij de gevangene wordt van een collectief lager zelf dat hem stap voor stap reduceert tot een (weliswaar zeer intelligent) dier dat precies doet wat zijn baasje van hem verwacht. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld en dat plaatst haar voor een dilemma. Ofwel gaat ze onbewust over die drempel en dreigt ze ‘geknecht’ te worden door de geest of de idee, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Eén blik op de actualiteit leert ons hoe groot dat gevaar is. Ofwel behoudt ze haar zelfbewustzijn en verzet ze zich tegen de drempeloverschrijding. Maar ook dan wordt ze geknecht, dat kunnen we waarnemen in de kunst. De oplossing van dit dilemma ligt in het ontwikkelen van een nieuw zelfbewustzijn, een bewustzijn dat de mens niet verhindert over de drempel te gaan, en dat hem niet opsluit in zijn lager zelf. Het ontwikkelen van dit hogere zelfbewustzijn – dit bewustzijn van zijn hoger zelf – kan de mens oefenen in de kunst. En eigenlijk doet hij dat voortdurend, want art is everywhere tegenwoordig. Zonder het te weten gaat de moderne mens hier voortdurend over de drempel, ten goede en ten kwade. Daar moet, of beter gezegd: daar kan hij zich bewust van worden. Want anders dan in de werkelijkheid is hij hier vrij. 

Vragen

  

Terreur

  

Gezocht: moraal

  

Een werknemer van Google schreef onlangs in een memo dat het lage percentage vrouwen in de technologiesector te wijten is aan de biologische verschillen tussen man en vrouw. Hij werd prompt ontslagen. ‘Dit is niet het standpunt van het bedrijf’ verklaarde de diversiteitsverantwoordelijke bij de technologiereus. Het is de typische politiek-correcte reactie: iedereen die er andere opvattingen op nahoudt, wordt monddood gemaakt, uitgesloten, ontslagen, gebroodroofd, karakterieel vermoord, enzovoort. En dat gebeurt allemaal in naam van de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid, de gelijkheid, de menselijkheid, de liefde. Anders gezegd, de linkerhand heeft geen idee wat de rechterhand uitspookt. Deze onbewuste contradictie – een klassiek gegeven – is door de politieke-correctheid tot een kunst verheven waarvan we het laatste nog niet gezien hebben. Dat bewijst de Google-affaire. Want wat is hier aan de hand? Een groot technologiebedrijf discrimineert vrouwen, en nog geen klein beetje. In de technologiesector werken namelijk dubbel zoveel mannen als vrouwen, en volgens het politiek-correcte dogma kan dat alleen te wijten zijn aan discriminatie. Google is dus absoluut niet politiek-correct bezig. Nu werkt er bij Google een ingenieur die dat tegenspreekt. Hij vindt dat Google helemaal niet discrimineert en dus wel politiek-correct is. Reactie van Google: de man wordt ontslagen. De vraag rijst wat er gebeurd zou zijn als hij Google had aangeklaagd wegens discriminatie. Waarschijnlijk zou hij promotie hebben gekregen. Moraal van het verhaal: geen. 

Vakantielectuur

  

Ieder jaar verschijnt in juni de nieuwe Donna Leon. Al 25 jaar houdt de in Venetië wonende Amerikaanse schrijfster – Donna Leon is merkwaardig genoeg haar echte naam – dat vol. Ik ben haar daar dankbaar voor, want de avonturen van commissario Brunetti behoren tot mijn favoriete vakantielectuur. Avonturen is een groot woord, veel actie of spanning valt er in haar boeken niet te bespeuren. Eigenlijk zijn ze één lang bezoek aan Venetië, onder leiding van iemand die al zowat een halve eeuw in de stad woont en er geen geheim van maakt dat ze dat een voorrecht vindt. Dat laatste kan ik me overigens levendig voorstellen: ik zou het ook een voorrecht vinden om in dat andere Venetië – Brugge – te wonen. Voortdurend omringd te zijn door schoonheid, wat een droom! De toeristen moet je er natuurlijk bijnemen. Dat doet Donna Leon ook, al sakkert ze er bij monde van haar hoofdpersonage wel eens op. Maar ze is te verstandig om niet te beseffen dat die toeristen een soort levensverzekering vormen voor de stad. 

De inwoners van Brugge zijn zo verstandig niet. Het is me meer dan eens opgevallen hoe kregelig ze reageren op de toeristen. Ik kan begrijpen dat de drukte hen wel eens teveel wordt, maar ik had meer van hen verwacht. Uit de les vaderlandse geschiedenis herinner ik me nog dat Jacques de Chatillon, de Franse landvoogd van Vlaanderen, tijdens zijn intocht groen zag van nijd omdat de Brugse vrouwen rijker uitgedost waren dan de adellijke dames in zijn gevolg. De Bruggelingen uit de 14de eeuw wisten hoe ze een buitenlander op zijn nummer moesten zetten. Bovendien paarden ze kracht aan schoonheid: een paar maanden later zou de Chatillon sneuvelen tijdens de Guldensporenslag, toen de Vlamingen de Franse adel in de pan hakten. Dat waren nog eens tijden! Vandaag blijft van ‘der vaadren fierheid’ alleen nog een soort verongelijkte kregeligheid over die noch van kracht noch van schoonheid getuigt. Alleen de rijkdom is er nog – of beter gezegd opnieuw – want het toerisme heeft Brugge geen windeiereren gelegd. 

In de boeken van Donna Leon gaat het er gelukkig een stuk beschaafder aan toe. Commissario Brunetti getuigt zonder schaamte van zijn liefde voor Venetië en neemt de schaduwkanten op de koop toe. Hij is dan ook een ontwikkeld man, met oog voor schoonheid. Regelmatig staat hij stil om een kerkgevel te bewonderen, een palazzo, of het uitzicht op het Canal Grande. In zijn keuken (!) hangt zelfs een echte Canaletto, een huwelijksgeschenk van zijn adellijke schoonouders. Over de biënnale van Venetië, de wereldberoemde hoogmis van de hedendaagse kunst, rept hij dan weer met geen woord. Ook dat getuigt van beschaving. Toch sluit Donna Leon zich niet op in het verleden. Hedendaagse problemen komen in haar boeken wel degelijk aan bod, zowel tijdens de onderzoeken van Brunetti als tijdens de tafelgesprekken die hij voert met zijn kritische kinderen en zijn sociaal bewogen vrouw. Toch is het Venetië dat Donna Leon schetst in de eerste plaats een oase van schoonheid en cultuur. 

Ik vind het zalig om die oase te kunnen bezoeken zonder uit mijn luie zetel te komen. Ik wilde dat ik hetzelfde kon met Brugge, maar Pieter Aspe, de Vlaamse tegenhanger van Donna Leon, laat me in de steek. Zijn boeken spelen zich wel af in Brugge, maar afgezien van enkele bekende straatnamen en gebouwen, zou je je in gelijk welke andere Vlaamse provinciestad kunnen wanen. Commissaris Van In heeft helemaal geen oog voor de schoonheid van Brugge. Hij denkt alleen maar aan de borsten en billen van zijn vrouw, en aan zijn Duvel. Pieter Aspe maakt van hem een soort Pallieter, een Lamme Goedzak, een karikaturale Vlaming die wel slim is maar wiens geestloosheid blijkt uit zijn snobisme: exclusieve wijnen, exclusieve restaurants, exclusief design en andere peperdure dingen-met-een-naam moeten de lezer duidelijk maken dat hij met een man van de wereld te maken heeft en niet met een kneuterige kerktoren-Vlaming die van Brugge en Bokrijk houdt.  

Natuurlijk is juist die geblaseerde onverschilligheid voor de schoonheid van Brugge een uiting van provincialisme. En Pieter Aspe is helaas niet de enige Vlaming die zich zo klein betoont. Ook Jef Geeraerts besteedt in zijn politieromans nauwelijks aandacht aan Antwerpen, toch ook een stad met een groot verleden. De verfilming van zijn boeken lijdt aan hetzelfde euvel. Ik zag ooit ‘De zaak Alzheimer’, een best genietbare film, maar van Antwerpen: geen spoor. Idem voor ‘Aspe’, de op de boeken van Pieter Aspe gebaseerde tv-serie. Niet één keer komt de Rozenhoedkaai in beeld, niet één keer de Halletoren, niet één keer het begijnhof. Niets krijgt de kijker te zien van het typische Brugge, zelfs geen zwaan. Nu zou men kunnen zeggen: filmen in steden als Antwerpen en Brugge is geen sinecure, het vergt een groot budget en dat heeft de Vlaamse televisie niet. Maar wat kosten enkele sfeerbeelden? En waarom kon het bijvoorbeeld wel in ‘Flikken’, de tv-serie die zich in Gent afspeelt?

Wat ‘Flikken’ zo geslaagd maakte, was juist het feit dat Gent mocht meespelen, als decor, als sfeer, als taal, als … geest. Daar! Het grote woord is eruit! Het provincialisme van de Vlaming die zich schaamt voor Vlaanderen is een vorm van geestelijke armoede, een uiting van materialisme. Waar hij zich voor schaamt, is de Vlaamse geest. Niet de dode, abstracte geest die iedereen in hetzelfde keurslijf dwingt, maar de levende geest die zich uitdrukt in talloze vormen: Franse, Duitse, Engelse, Vlaamse, Brugse, Antwerpse, Gentse, enzovoort. Door neer te kijken op de Vlaamse geest denkt de snobistische Vlaming – de Vlaming zonder geestelijke adel – deel te hebben aan een hogere, Europese of zelfs universele geest. Maar ook hier geldt het spreekwoord: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. De geest is één, het grote spreekt door het kleine, God verbergt zich in de details. Wie de Vlaamse geest versmaadt, versmaadt ook de Europese geest en de wereldgeest.

‘Flikken’ was goed zolang het volks, Vlaams en Gents bleef. In de eerste afleveringen spraken de acteurs ‘keurig’ Nederlands maar daar stapten ze gelukkig gauw vanaf. In de latere seizoenen ging de serie de internationale toer op en dat betekende het begin van het einde. Het was pijnlijk om te zien hoe de Gentse flikken krampachtig probeerden wereldburgers te zijn en precies daardoor hun provincialisme in de verf zetten. Vergelijk dat met Inspector Morse, een serie van wereldklasse, en toch very British. Ze pakte als vanzelfsprekend uit met de toeristische aantrekkelijkheden van Oxford, iets waar Vlaamse filmmakers de neus voor ophalen. Je ziet het telkens weer: internationale successen gaan hand in hand met liefde voor het eigen volk, de eigen taal, de eigen stad. Niets is zo universeel als het eigene. Succes is weliswaar niet hetzelfde als kwaliteit, maar het is zeker geen toeval dat Donna Leon, met haar onverholen liefde voor Venetië, een betere schrijfster is dan Pieter Aspe, met zijn verholen minachting voor Brugge. 

In Flanders fields

  

Helen Mirren schittert bij herdenking van Slag bij Passendale. Zo stond het gisteren in de krant. Vreemde titel vond ik dat. Alsof het bij de herdenking van een van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis vooral ging om de acteerprestaties van de herdenkenden. Ik besloot de bijgaande video eens te bekijken en zag hoe een ravissante Helen Mirren het beroemde oorlogsgedicht In Fanders Fields op bijna triomfantelijke toon voordroeg. Wat ik verder nog zag of las bevestigde die indruk: de herdenking was vooral een viering van de overwinning. Ieper werd overstroomd door Engelsen. Van Duitsers was er geen spoor te bekennen. Nochtans waren zij de grote verliezers, die door het perfide Albion in deze verschrikkelijke oorlog werden gelokt.

In een tijd waarin men de mond vol heeft van gelijkheid, solidariteit, de Europese gedachte en ‘nooit meer oorlog’, zou je toch denken dat de herdenking van de Slag bij Passendale een gelegenheid was om vrede te sluiten, fouten te erkennen en stil te staan bij het lijden dat het nationalisme veroorzaakt heeft. Maar neen, de Britten maakten er een Britse vertoning van, met als hoogtepunt een Britse actrice die een Brits gedicht voordroeg. Je zou denken dat Helen Mirren, een actrice, iemand met invoelingsvermogen dus, een beetje terughoudendheid en ingetogenheid aan de dag zou leggen. Maar neen, ze gaf uiting aan het Britse triomfantalisme alsof 1917 gisteren was. En dat is tegelijk beschamend en verontrustend. 
 

Lichtbaken (epiloog)

  

Als het niet zo ernstig klonk, zou ik zeggen: het is volbracht. Eindelijk is mijn verslag van de Lichtbaken-conferentie klaar. Dat het zolang geduurd heeft, is te wijten aan mijn nieuwe tuin die me de voorbije lente zowat iedere dag opeiste, maar ook – en vooral – aan het feit dat het om méér ging dan een verslaggeving van (mijn aandeel in) de conferentie. Ik was, zonder dat aanvankelijk te beseffen, bezig met het afronden van het werk van een heel leven. Die ‘afronding’ begon toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie en nam een heel jaar in beslag. In dat jaar – waarin ik ook verhuisde – kwam ik stap voor stap tot een synthese van zowat een halve eeuw nadenken. De cirkel is, hoewel verre van volmaakt, rond. En dat zou me nooit gelukt zijn zonder de steun van wat ik ‘de geest van de conferentie’ noem, een geest die ik als zeer reëel heb ervaren. Hij hielp me de zaak tot een goed einde te brengen en gaf me daardoor de erkenning waarop ik niet meer hoopte. 

Waarover heb ik m’n hele leven nagedacht? Over kunst uiteraard, over datgene wat het allerbelangrijkste voor me is. Daar ben ik niet uit eigen beweging mee begonnen. Ik heb het gedaan omdat de kunst aangevallen werd. Mijn denken was een poging om haar te verdedigen tegen datgene wat zich hedendaagse kunst noemde. Dat is wat me van meet af aan gedreven heeft. In de praktijk kon ik niks doen. Achter haar masker van vrijheid en verdraagzaamheid ontplooide de hedendaagse kunst zo’n verpletterende macht dat het zelfmoord was je daartegen te verzetten. Ik kwam aanvankelijk dan ook niet verder dan machteloze verontwaardiging. Daar werd ik alleen maar ziek van en dus zat er niets anders op dan te proberen de hele situatie te begrijpen. Op een andere manier kon ik de kunst niet helpen, op een andere manier kon ik ook mezelf niet helpen. Dat is de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat ik me ertoe gedwongen voelde.     

Zonder de hedendaagse kunst zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. Ik zou mijn dagen gevuld hebben met tekenen en schilderen, niet met schrijven en nadenken. Ik zou nu een gerespecteerd lid zijn van de artistieke gemeenschap en niet een anonieme blogger zoals er duizenden zijn. Ik zou in lijnen en kleuren getuigd hebben van mijn grenzeloze bewondering voor het kunstwerk dat de wereld is, in plaats van verwikkeld te zijn in een vaak wanhopige en altijd eenzame strijd. Want medestanders heb ik nooit gevonden, tegenstanders des te meer. In de ogen van de meeste mensen ben ik een soort Don Quichote, een deels meelijwekkende deels ergerlijke figuur die tegen windmolens vecht. Ik werd dan ook voortdurend geconfronteerde met de vraag: ben ik nu gek of zijn het de anderen die hun verstand verloren hebben? Die vraag vergde het uiterste van mij, want hoe groot was de kans dat ik gelijk had en al die anderen ongelijk? 

Tijdens die (geestelijke) strijd heb ik vaak de moed verloren, maar nooit heb ik echt getwijfeld aan de zaak waarvoor ik vocht. Ik was verbijsterd dat ik die strijd überhaupt moest voeren, want wie kon nu geloven dat het uitkieperen van een vuilnisbak op hetzelfde (of zelfs een hoger) artistiek niveau stond als het maken van een meesterlijk schilderij! En toch geloofden ze het allemaal, al die kunstliefhebbers, al die kunstkenners, al die wetenschappers. Slechts bij hoge uitzondering klonk er een woord van kritiek, maar dat werd onmiddellijk overstemd door dat duizendkoppige koor van gelovigen. Ik had het gevoel in een soort onderwereld te zijn terecht gekomen, een Orwelliaanse nachtmerrie waar leugen waarheid was, lelijkheid schoonheid, en blind geloof wetenschap. Het was – en is nog altijd – om gek van te worden. Daarom deed het me zo’n deugd om erkenning te krijgen van de geest van de Lichtbaken-conferentie, want hij zou me nooit gesteund hebben als ik de verkeerde strijd had gestreden. 

Wie was nu die geest van de Lichtbaken-conferentie, de geest die meewerkte aan de herdenking van 1917, het jaar waarin de apocalyps losbarstte, het jaar ook waarin de hedendaagse kunst geboren werd? Wel, dat vertelde hij me zelf, niet met woorden – het is een zwijgzame geest – maar met beelden, en dan vooral met één beeld. Toen ik op zaterdagmiddag naar de vierde verdieping vertrok om te doen waarvoor ik gekomen was, besloot ik de lift te nemen, teneinde niet al buiten adem te zijn nog voor ik moest beginnen. Tot mijn verbazing trof ik daar een … liftboy aan. Ik was meteen gecharmeerd door het idee en vernam naderhand dat de kleine Tilman (genoemd naar de 15de-eeuwse Duitse beeldhouwer Riemenschneider) zelf het initiatief genomen had. Toen ik de lift binnenstapte en me omdraaide, zag ik hoe de knaap met een klein handgebaar een bekende en vooraanstaande antroposofe tegenhield. Ze keek verwonderd op, maar protesteerde niet. Er ging een vanzelfsprekend gezag uit van de jongen. 

Hij sprak geen woord, glimlachte niet en was absoluut niet toeschietelijk. Toch sprak er niet de minste arrogantie of machtswellust uit zijn gedrag. Kinderlijke ernst en volwassen terughouding gingen harmonisch samen. De jonge Tilman leek te opereren vanuit een andere dimensie, een dimensie waar louter rust en zekerheid heersten. Het was die geestelijke sfeer die me trof, maar ik stond er niet bij stil, want ik was gefocust op mijn eigen opdracht. Pas later, toen ik er begon over na te denken, drong het tot me door dat ik (een beeld van) Michaël had ontmoet, de geest die de zielen weegt en bepaalt wie ‘omhoog’ mag en wie nog beneden moet blijven. Ik begreep ook dat het dezelfde geest was geweest die ik in Brugge had leren kennen. Ook daar had ik in een ‘lift’ had willen stappen – ik wilde schilderen, ik wilde met kleuren werken en niet langer alleen maar in zwart-wit – maar dit keer hield hij me tegen. Ik botste als op een muur die me duidelijk maakte dat ik deze weg niet moest vervolgen. 

Het was niet de eerste keer dat Michaël me tegenhield, maar het was wel de eerste keer dat ik begreep wie achter dat onverbiddelijke no pasaran zat. Meer dan eens heb ik in mijn leven het gevoel gehad dat de weg van de kunst mij op onverklaarbare wijze versperd werd, alsof de duivel ermee gemoeid was. Pas (veel) later kwam het inzicht dat deze wegversperring mij voor erger had behoed. En ‘erger’ was: het soort (geestelijke) krankzinnigheid dat mensen overvalt wanneer ze zich blind overgeven aan de geest van de hedendaagse kunst. Of er zich blind tegen verzetten, want dat komt op hetzelfde neer. Er is  geen kruid gewassen tegen deze geest, behalve inzicht in de kunst. En dat inzicht veronderstelt een tweedeling – als kunstenaar moest ik mij losrukken van de kunst en er denkend tegenover gaan staan – maar ook een vereniging – als denker moest ik mij verbinden met het kunstzinnige element en ‘levend’ leren denken. Het was op die dubbele beweging van scheiden en verbinden – de Ik-beweging – dat Michaël toezicht hield.

Inzicht in de kunst is inzicht in Christus, de scheppende geest bij uitstek. Niemand had er mij kunnen toe bewegen om me los te maken van deze geest, behalve dan zijn tegenstander, de Antichrist, de geest van de hedendaagse anti-kunst. Hij richtte zo’n verwoestingen aan in de wereld van de – vooral de beeldende -kunst, dat ik het niet langer kon aanzien. Alles wat ik kon doen, was inzicht verwerven in de kunst, mij bewust worden van de geest die in mij werkte als ik tekende of schilderde. Dat was meteen ook het allermoeilijkste, want daarvoor moest ik in de huid van de draak kruipen. Alleen op die manier kon ik tegenover de Christusgeest gaan staan. Ik moest dus net hetzelfde doen als al die intellectuelen die met hun kille verstand de kunst vernietigden, maar dan zonder het contact met de kunst te verliezen. Dat kon niet in één keer, het moest stap voor stap gebeuren, in een pendelbeweging die mij afwisselend verwijderde van de kunst en er mij weer mee verbond. 

Ik begrijp Michaël dan ook als degene die het ritme van deze pendelbeweging bewaakt. Hij komt in actie als het (al te zeer) verstoord dreigt te worden, zowel in ruimte als in tijd. Hij roept de mens een halt toe wanneer deze te ver in deze of gene richting gaat, wanneer hij te vroeg of te laat van richting verandert. Michaël is de grote stuurman, de geest die corrigerend optreedt en de mens weer op het goede spoor zet als hij het bijster is. Maar dat doet hij alleen als iemand zelf dat spoor gekozen heeft, als hij uit vrije wil de weg van het Ik gaat, dat pendelt tussen scheiden en verbinden, en deze polariteit nooit tot een dualisme laat verstarren. Michaël laat de mens vrij, dat maakt hem tot zo’n on-vaderlijke en on-populaire geest. Hij stimuleert niet, hij moedigt niet aan en troost niet. Hij waakt. Hij is de onvermurwbare Wachter aan de Drempel die de confrontatie van de mens met het kwaad gadeslaat en diens drempeloverschrijding in goede banen leidt, steeds op voorwaarde dat de mens de drempel bewust overschrijdt en vrijwillig de confrontatie met het kwaad aangaat.

Ik herinner me nog dat ik op een dag tegen mijn tekenleraar zei: ik wil de hedendaagse kunst begrijpen! Hij schudde het hoofd en zei: dat zal je niet lukken, zij zal joú grijpen! Hij wist waarover hij sprak, hij had genoeg mensen ten gronde zien gaan aan die confrontatie en hij zou er zelf ook ten gronde aan gaan. Maar mijn liefde voor de kunst liet mij geen andere keuze. Ik besefte het niet, maar ik had mijn levensopdracht uitgesproken. En vandaag heb ik het gevoel dat ik hem vervuld heb. Het is me gelukt! De Lichtbaken-conferentie was de laatste zet die ik nodig had. Daarom riep Michaël me in Brugge een halt toe, daarom steunde hij me in Antwerpen van begin tot eind: ik moest mijn werk afmaken, ik wilde mijn werk afmaken. Dat begreep hij veel beter dan ikzelf en daar hielp hij me bij, vaak tot mijn grote – maar voorbijgaande – verdriet. Als ik daar nu op terugkijk, voel ik alleen maar dankbaarheid. Liefde is er voorlopig nog niet bij, daarvoor ken ik deze grote geest niet goed genoeg. Maar dat komt wel. Want er is nog veel te doen. 

Lichtbaken (22)

  

Toen ik de vraag kreeg om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen, was de afspraak dat ik het zou hebben over driegeleding en tweegeleding. Ik was ervan overtuigd dat het eerste uit het tweede diende ontwikkeld te worden, want rechtstreeks geïmplementeerd veroorzaakt driegeleding alleen maar meer dualisme. Zijn het immers niet nog altijd de idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid – die de moderne mens drijven? En toch leidt dit driegelede streven niet tot een betere wereld, wel integendeel. De samenleving is nooit zo gepolariseerd geweest als vandaag. Maar hoe moet het dan wel? Hoe moet de driegeleding ontwikkeld worden vanuit de tweegeleding, dat wil zeggen vanuit de dualistische werkelijkheid zoals we die kennen? Daar had ik aanvankelijk geen idee van, tot mij, volkomen onverwacht, de gedachte inviel – of aangereikt werd – om de karikatuur als uitgangspunt te nemen. 

Uit eigen beweging zou ik dit onderwerp nooit aangesneden hebben, het was het laatste van mijn gedachten. Maar er zijn van die gedachten die via het gevoel rechtstreeks tot in de wil doordringen, en dit was er zo een. Na een korte aarzeling – ik vond het toch wel wat gewaagd – volgde ik dit pad less traveled by, and that has made all the difference. Ik stelde vast dat de karikatuur model stond voor de dualistische wereld van vandaag: ze splitst de mens in twee, met aan de ene kant zijn lager Ik en aan de andere kant zijn hoger Ik. Die zwei Seelen tekenen zich in onze tijd duidelijk af en maken van de moderne mens een levende karikatuur. Maar dat ziet hij niet. Hij is zich niet bewust van deze dualiteit. De levende karikaturen hebben op hem niet het bevrijdende effect dat getekende karikaturen hebben, wel integendeel. Ze doen hem niet lachen maar wekken afschuw, haat en agressie in hem op.

Er ontbreekt de karikaturale mens iets wat de karikatuur wel heeft: kunstzinnig bewustzijn. De karikaturist weet wat hij doet wanneer hij zijn model in twee splijt (of doodt, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt) en het vervolgens weer tot leven wekt door de gescheiden delen weer samen te voegen tot … een driegeleed geheel. Want de karikatuur is uiteraard geen simpele kopie van de mens. Wat aan die mens toegevoegd word – of beter: wat in hem zichtbaar gemaakt wordt – is ‘de vorm van de idee’. De karikatuur ‘vergeestelijkt’ de mens, de geest (of de idee) krijgt vorm in hem. En die geest is driegeleed: het is niet alleen zijn eigen geest, het is ook de geest van de kunstenaar, die ‘zijn ziel in zijn werk legt’, en last but not least is het ook nog de geest die beide geesten tot een eenheid smeedt: de geest van de kunst. De karikatuur toont ons de dualistische (materialistische) mens in de vorm van de driegelede geest. 

Dat laatste doet ze echter slechts in de mate dat ze een kunstwerk is. De karikaturist slaagt er meestal wel in een gelijkend portret te maken, en hij legt er ook altijd iets van zichzelf in, maar of zijn tekening ook een kunstwerk is, hangt af van de aanwezigheid van de ‘derde geest’, de geest van de kunst. Deze verschijnt pas wanneer de relatie tussen de tegenpolen (de kunstenaar en zijn model) een zodanige intensiteit bereikt dat er, zoals Goethe het noemt, een Steigerung plaatsvindt. De tekening bereikt dan een hoger niveau: het kunnen wordt een kunst, de tweegeleding wordt een driegeleding. Eerst daalt de geest van de kunst neer in dit spanningsveld tussen de tegenpolen en daarna stijgt hij er weer uit op, beide andere geesten met zich meenemend. Het is door het Stirb und Werde van deze ‘derde geest’ dat een dualistische, strijdige relatie de driegelede, harmonische kwaliteit krijgt die men kunst noemt. 

In feite is ieder kunstwerk een miniatuurbeeld van de mensheidsontwikkeling. De dualistische wereld zoals we die vandaag kennen, is het resultaat van de zondeval die de mens steeds dieper in de materie heeft doen afdalen. Vandaag hebben we het dieptepunt bereikt, dat tevens het keerpunt is. De spanning tussen de tegenpolen is extreem, maar of er een Steigerung zal ontstaan die onze karikaturale wereld op een hoger niveau tilt, hangt af van de mens. De ‘derde geest’ kan pas optreden als de mens dat wil, als hij zich bewust wordt van de nood aan verlossing uit de onhoudbare dualistische situatie. Maar precies op dat moment valt de mens in slaap. Dat ziet men nergens beter dan in de kunst: zij is uiteengevallen in delen (de oude en de nieuwe kunst) die tegenover elkaar staan als hoger Ik en lager Ik, maar die extreme tegenstelling, die karikatuur, wordt niet waargenomen, men doet alsof er niets aan de hand is. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, zegt Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid, wordt door de idee geknecht. En de idee waardoor de moderne mens geknecht wordt, is de idee van de tweegeleding. We leven in een wereld die steeds dualistischer wordt omdat we het dualisme niet onder ogen zien. We beschouwen het dualisme als de bron van alle kwaad en willen het radicaal uitroeien. Maar juist daardoor blijven we blind voor de geest die er zich in verbergt en die eruit tevoorschijn wil komen. Deze ‘derde’ geest is de geest van ons ware Ik, dat geboren wil worden uit de spanning tussen ons hogere en ons lagere Ik. Het is de geest die Rudolf Steiner gestalte heeft gegeven in de Mensheidsrepresentant, het grote houten beeld dat Christus voorstelt tussen Lucifer en Ahriman. Het is beslist geen toeval dat de Christusfiguur onafgewerkt is gebleven, terwijl de tegenmachten tot in de details zijn afgewerkt.

Zoals ieder beeldend kunstwerk moet de Mensheidsrepresentant in beweging worden gedacht. De kijker moet het (ruimtelijke) beeld in de tijd plaatsen, hij moet het als het ware vertalen in muziek. Want als materieel ding belichaamt het slechts een fase in de voortdurende metamorfose die de kunst is. Maar het is wel een cruciale fase, overeenkomend met de materialistische tijd waarin we momenteel, op het keerpunt der tijden, leven. Dat keerpunt is de Ik-fase, het middelpunt van de hele mensheidsontwikkeling. Het is tevens het vrijheidsmoment. De mens staat nu voor de keuze: blijft hij louter materie zien, dan verliest de wereld zijn betekenis en wordt een nietszeggend hedendaags kunstwerk dat van de kijker een gedresseerde aap maakt. Slaagt hij er evenwel in deze verstarde, materialistische wereld als een kunstwerk te zien, meer bepaald als een karikatuur, dan wordt de (Christus)geest zichtbaar, die hem bevrijdt en weer doet lachen. 

Het klinkt waarschijnlijk oneerbiedig om de Mensheidsrepresentant te vergelijken met een karikatuur, maar die vergelijking komt niet (enkel) van mezelf. De idee om de karikatuur tot het uitgangspunt van mijn beschouwingen te maken, werd me niet alleen ‘van buitenaf’ aangereikt, ze werd ook nog eens bevestigd door de Lichtbaken-conferentie zelf, die begon en eindigde met … een karikatuur. In de eerste voordracht (die ik bijwoonde) stelde Matthijs van Alstein de drie tegenmachten voor als karikaturen van de drieëenheid. Tegenover de Vader, de Zoon en de Heilige Geest plaatste hij Ahriman, de Antichrist en Lucifer. Ook die tegenstelling op zich had iets karikaturaals, en het verbaasde me dan ook niet in een verslag te lezen dat ‘Matthijs van Alstein gelukkig gecorrigeerd werd door het publiek’. Het was de klassieke reactie van de slapende mens. Op mij had de karikatuur echter juist een bevrijdend effect.

Dat effect had ook de slotvoordracht van de conferentie. Zo ernstig als Matthijs van Alstein (een priester) was, zo humoristisch was Roland Halfen (een kunstwetenschapper). Hij overdreef zelfs een beetje : er werd het eerste halfuur meer gelachen dan tijdens de hele conferentie samen – ongetwijfeld een reactie op alle denkinspanningen die geleverd waren. De bevrijdende humor was echter niet alleen de vorm maar ook de inhoud van de voordracht, en dat mag wel merkwaardig heten, want het ging over de … Mensheidsrepresentant, toch niet meteen een beeld dat de lachlust opwekt. Niettemin bracht uitgerekend dit ernstige en dramatische beeldhouwwerk de spreker tot de conclusie – die meteen ook het slotakkoord van de conferentie was – dat humor de ‘antroposofische stijl’ dient te zijn, de manier waarop antroposofie bedreven moet worden en in praktijk gebracht. 

De – schijnbare – tegenstelling tussen ernst en humor kwam ook tot uiting in de twee anekdoten waarrond Roland Halfen zijn voordracht had opgebouwd. De eerste betrof een klein voorval met grote consequenties. Tijdens het werk aan de Mensheidsrepresentant, een beeld van bijna 10 meter hoog, verloor Rudolf Steiner op een gegeven moment het evenwicht. Hij stond op een hoge stelling en een puntige staak die zich meters lager bevond, zou hem gespietst hebben als zijn medewerkster Edith Maryon hem niet op het laatste nippertje had vastgegrepen. Om de tegenmachten te kunnen uitbeelden, had Rudolf Steiner ze gedwongen voor hem te poseren en dat wilden ze hem betaald zetten. Het zegt iets over de nauwe relatie die de kunstenaar met de tegenmachten aangaat en de risico’s die daaraan verbonden zijn. Het was de kunst die Rudolf Steiner in levensgevaar bracht, maar het was ook de kunst (in de persoon van Edith Maryon) die hem redde.

De tweede anekdote ging in wezen over hetzelfde – het verliezen van het evenwicht en de gevolgen daarvan – maar had een heel ander karakter. Toen de Mensheidsrepresentant zijn voltooiing naderde, nodigde Rudolf Steiner enkele getrouwen uit voor een eerste bezichtiging. Eén daarvan was Mieta Waller, een rijke vrouw zonder wier financiële steun het Goetheanum waarschijnlijk niet gebouwd had kunnen worden (en de Mensheidsrepresentant niet gebeeldhouwd). Om die reden, aldus Roland Halfen, mocht (of durfde) ze al iets meer zeggen dan een ander. En dat deed ze ook toen ze het beeld zag. Ze flapte eruit: maar Herr Doctor, het staat scheef! Herr Doctor fronste de wenkbrauwen, ging naast haar staan en bekeek het beeld nog eens goed. Verdorie, zei hij, je hebt gelijk! Het torenhoge beeld leek inderdaad naar rechts te hellen, het was uit balans. 

Ieder ander zou de wanhoop nabij zijn geweest, maar niet zo Rudolf Steiner. Hij loste het probleem op door als tegenwicht linksboven een figuur toe te voegen die de ‘wereldhumor’ voorstelde en die hij das Felsenwesen, het rotswezen, noemde. Nu was het beeld wél in evenwicht. Op het eerste gezicht heeft het voorval iets opportunistisch, iets van daar-passen-we-wel-een-mouw-aan. Rudolf Steiner was dan ook geen kunstenaar in de klassieke zin. Hij had geen artistieke opleiding genoten, zijn leerschool was zuiver wetenschappelijk geweest. Geen wonder dus dat hij fouten maakte, ook al liet hij zich bijstaan door Edith Maryon, een ervaren beeldhouwster. Hun samenwerking was in feite een beeld van de antroposofie zelf: een wetenschap die kunst wil worden en daarvoor de hulp van de kunst nodig heeft. Die samenwerking tussen kunst en wetenschap is een ‘hogere’ kunst (of wetenschap) waarvoor nog geen opleiding bestaat. 

Ze moet dus met vallen en opstaan ontwikkeld worden, en dat impliceert humor. Niet voor niets gebruikt Rudolf Steiner het woord ‘humor’ om de (her)verbindende kracht van de kunst aan te duiden, de kracht waarmee ze heelt wat ze zelf in twee heeft gedeeld. De humor is met andere woorden een opstandingskracht, een kracht waarmee de mens zich opricht als hij een fout heeft gemaakt, als hij uit balans is geraakt. Het is, zou je kunnen zeggen, de manier waarop de mens Christus volgt, terwijl Lucifer en Ahriman proberen hem uit evenwicht te brengen. Zonder humor, zei Rudolf Steiner dan ook, kom je de geestelijke wereld niet binnen. Hoe dichter je die wereld nadert, hoe groter het gevaar van luciferische sentimentaliteit, en om dat te bezweren heb je humor nodig. Nee, het is beslist geen toeval dat de humor, samen met Christus, Lucifer en Ahriman deel uitmaakt van de Mensheidsrepresentant.  

Net als das Felsenwesen in de Mensheidsrepresentant is de karikatuur een randverschijnsel in de wereld van de kunst. Ze is er maar op het laatst bijgekomen en vervult de rol van hofnar: ze grijpt de kunst vast op het moment dat deze het evenwicht verliest en in de diepte dreigt te storten. Ze is een kunstvorm die geen opleiding behoeft en die de mens aangeboren is. Maar ze moet wel beoefend worden, ze mag niet vergeten worden. Het trof me toen ik las dat Mieta Waller tot de nauwste intimi van Rudolf Steiner behoorde, want ik had nog nooit van haar gehoord. Sinds het congres van Munchen in 1907, waarop de antroposofie verbonden werd met de kunst, woonde ze samen met hem en Marie von Sivers in een soort ménage á trois. Ze was een van de belangrijkste antroposofen en toch kent vrijwel niemand haar. Daarin deelt ze het lot van de kunst, en vooral dan van de humor: men neemt ze niet ernstig. 

Na de slotvoordracht van Roland Halfen en de dankwoorden van initiatiefnemer Wilbert Lambrechts, nam een jongeman aan de piano plaats om bij wijze van afsluiting de Sonate Pathétique van Beethoven te spelen. Er viel een diepe stilte in de zaal, een stilte vervuld van de rust na volbrachte (geestelijke) arbeid. Geduldig wachtte men op het eerste akkoord. Toen dat eindelijk weerklonk, begon men op exact hetzelfde moment ergens in het gebouw te rammelen met potten en pannen, alsof men gewacht had met afwassen tot de muziek begon (of was het omgekeerd?). Het was zo’n potsierlijke coïncidentie dat ik bijna in de lach schoot: aan de ene kant die ernstige, pathetische muziek van Beethoven (ook al geen lachebek), en aan de andere kant dat gerommel uit de ingewanden van de school waar de leerlingen (opgeruimd en vrolijk) aan de schoonmaak begonnen. 

Niemand leek daar echter aandacht aan te besteden, evenmin als aan het feit dat de pianist er een paar keer flink naast sloeg. Het gerammel had hem blijkbaar toch uit zijn evenwicht gebracht. Maar juist doordat ik mijn oren niet sloot voor deze wanklanken, en er de humor van inzag, trof mij de ‘hogere’ kunstzinnigheid van het geval. De muzikale afsluiting van de conferentie was alweer een karikatuur – de ernstige muziek tegenover het vrolijke gerammel – en sloot daardoor naadloos aan bij het hele gebeuren, ook bij mijn eigen optreden als hofnar. Door gehoor te geven aan de impuls – of de wenk – om over de karikatuur te spreken, had ik uitdrukking gegeven aan de geest die – vanuit onzichtbare hoogten – de hele Lichtbaken-conferentie vorm had gegeven, de vorm van de idee, de vorm van de karikatuur. Het was mij een eer en een genoegen om deze geest op te merken en door hem opgemerkt te worden. 
 

Anna leest Steiner

  

… en denkt er het hare van. 

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld.