Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

De Wachter en het beeld

  

Gisteren zaterdag begon de herfst, en het was one of those days. Ik besloot om eens naar Gent te fietsen, want de afgelopen weken was ik altijd de omgekeerde richting uit gefietst en na al die natuur was ik toe aan een beetje cultuur. Ik zag wel op tegen de drukte van de stad, maar de atmosfeer was zo ontspannen dat ik er zelf van ontspande. En dan zien de dingen er heel anders uit. Bovendien had ik een doel: ik zou een boek kopen en een porseleinen koffiefilter. Dat scheelt ook. Het was inderdaad heel druk in Gent: de terrassen zaten vol, de trottoirs liepen vol, en ik vond aan de ballustrade van de Ajuinlei met moeite nog een plaatsje voor mijn fiets. Met de zon op mijn huid bereikte ik de Fnac. Het contrast met al de electronica aan de ingang kon nauwelijks groter zijn. 

Ik keurde de computers en smartfoons echter geen blik waardig en stevende direct af op de dvd’s in de kelder. Geen goed idee, zo bleek. Ik botste er op een meisje met roze schoenen dat aan een keyboard zat te zingen voor een kleine kring van toehoorders. Het geluid stond – zoals altijd – veel te hard en hoe ik ook probeerde me af te sluiten voor de electronische klanken, het lukte niet. Ijlings vluchtte ik naar de bovenverdieping, naar de boeken. Daar botste ik warempel alweer op een vrouwspersoon die aan een keyboard zat te zingen. Bach als ik me niet vergis. Dat klonk al veel beter, maar het bleef vreemd. Want niet alleen stond er niemand te luisteren, maar de vrouw zat ook in een stand die behangen was met witte doorschijnende doeken waarop lijsten met grote vergeelde foto’s waren bevestigd.

Het had iets van een dodenwake en ik verwachtte ieder ogenblik een vleermuis te zien rondfladderen. In plaats daarvan ontwaarde ik, halfverborgen in een hoek, een man die een bord voor zich hield met daarop een foto, waarin ik Dirk De Wachter meende te herkennen, een psychiater die de laatste tijd nogal veel in de media verschijnt. Vanachter dat bord met die foto klonk een stem die iets voordroeg. En dan was er muziek van Roy Orbison. Wat een bizarre voorstelling! Temeer daar niemand er enige notitie van leek te nemen. De man en de vrouw gingen helemaal op in hun eigen wereldje, een wereldje dat als een tang op een varken paste bij de zaterdagdrukte in de Fnac. De gedachte dat het om de presentatie van een boek kon gaan, kwam niet eens bij me op, zo bevreemdend was het allemaal. 

Toen legde de man zijn bord weg en trok zijn schoenen uit, lange puntige schoenen van wit krokodilleleer. Ook de eigenaar bleek lang te zijn, evenals zijn haar dat tot op zijn schouders viel. Verrek, dacht ik, het is Dirk De Wachter zelf! Wat doet die vent in godsnaam in de Fnac op een zonnige zaterdagmiddag in september! En waarom ziet hij eruit als een doordruk van Nick Cave? De man is verdorie professor in de psychiatrie, diensthoofd van het Psychiatrisch Centrum van de Leuvense universiteit! Hoezo, mogen professoren dan geen witte schoenen van krokodilleleer dragen en eruitzien als een rock ’n rollzanger? Natuurlijk mogen ze dat, maar ze moeten dan niet verwonderd zijn als ik me vragen begin te stellen. Want ik vind het maar niks, die vermenging van kunst en wetenschap. 

Ik gluur vanachter de boeken naar het vreemde koppel. Blijkbaar ben ik niet de enige die zich onwennig voelt bij dit optreden, want niemand blijft staan om te luisteren. Het lijkt Dirk De Wachter niet te deren. Ik begrijp het niet goed. Waarom doet een wetenschapper van zijn niveau zoiets? Waarom gaat iemand met een druk beroepsleven op een zalige nazomerdag naar de Fnac in Gent om daar een vreemdsoortige voorstelling te geven voor een onbestaand publiek? Van een jong meisje met roze schoenen kan ik het nog begrijpen. Ze moet iedere kans te baat nemen om op te treden en bekendheid te verwerven. Bovendien had ze wel degelijk luisteraars. Maar een bijna 60-jarige professor, die het helemaal gemaakt heeft in het leven? Wat kan zo’n man bezielen om witte schoenen te dragen en zich zo te kijk te zetten? 

Ik kan er maar één bedenken: ijdelheid. Het doet me denken aan die andere professor: Etienne Vermeersch. Dat is ook zo’n ijdeltuit. Toen ik hem, lang geleden, ging portretteren op zijn (enorme) kantoor naast de Vooruit, bracht zijn secretaresse hem een map met persknipsels waarin hij vernoemd werd. Die zat hij glunderend te lezen terwijl hij poseerde. Zijn ijdelheid bleek ook uit het korte gesprek dat ik daarna met hem had. Hij liet duidelijk blijken dat hij goed bekend was met de artistieke scène in Gent. Ik vond het een merkwaardig contrast: die zeer ernstige, zeer deftige (en zeer lelijke) professor in de filosofie die zo ongeremd genoot van de aandacht die de media aan hem besteedden. Zoiets verwacht je van iemand die het nog moet maken – ik ben zelf jong geweest – maar toch niet van een vice-rector die aan zijn pensioen toe is?

Nu goed, wat me die zaterdagmiddag trof, was het algemene beeld. Op de bovenverdieping van de Fnac trof ik de ijdele Lucifer aan, op de onderverdieping de electronische Ahriman. Vreemd genoeg werd Lucifer vertegenwoordigd door een oudere professor en Ahriman door een jong meisje, terwijl je net het tegenovergestelde zou verwachten. Want Lucifer is uitgesproken vrouwelijk-kunstzinnig, terwijl Ahriman onmiskenbaar mannelijk-wetenschappelijk is. Het was dus alsof de tegenpolen van plaats hadden verwisseld, of zich met elkaar vermengd hadden. En dat kon alleen gebeuren omdat het middengebied – het gelijkvloers – bezet was door electronica (vooraan) en kassa’s (achteraan). 

De ‘tempel’ van de mens – zijn hart – is ontwijd door hebberige kooplieden (die met hun geldverrichtingen op de achtergrond blijven) en door kille electronica (die zich overal op de voorgrond dringt). Daardoor kan de mens geen onderscheid meer maken tussen Lucifer en Ahriman. Ze verwisselen van plaats zonder dat hij het merkt. Ik heb me de afgelopen jaren vaak afgevraagd waarom er voortdurend geschoven werd met de verschillende afdelingen van de Fnac, waarom de kassa’s bijvoorbeeld verhuisden van vooraan (waar je ze zou verwachten) naar helemaal achteraan. Maar zie: there is a system in that madness, en op een mooie dag als gisteren wordt het opeens zichtbaar. Toch blijft het een complex systeem. Ik ben er nog altijd niet uit wat die witte en roze schoenen betekenden. Something though

Het leven is hard

  

Plagiaat

  

Blow job

  

Lawaai

  

Ik zit op een bank bij het Damvalleimeer en kijk hoe de zon glinstert op het water. Wat een zaligheid, die sint-michielszomer! Iedereen is weer aan het werk, de jeugd zit weer op de schoolbanken, en ik, ik heb het rijk voor mij alleen. Natuurlijk zijn er de gepensioneerden die overal electrisch rondfietsen, maar op mijn wandelingen volg ik paden waar zij nooit komen. Wie een beetje zoekt, vindt hier in Destelbergen nog plekken waar je zelden een mens tegenkomt, waar je van de wereld weg bent en waar je alleen maar vijvers, velden, bomen en weiden ziet. Wat een weelde! Maar helaas. Al dat moois wordt grondig verpest door het alomtegenwoordige lawaai van de autostrades die er dwars doorheen lopen. Het is alsof ze op een natuurfilm een heavy metal soundtrack hebben geplakt.

Niemand die met gesloten ogen naar mijn bank bij het Damvalleimeer werd geleid, zou ooit kunnen vermoeden dat hij op een idyllische plek zit waar alleen water en bomen en vogels te zien zijn. Want van het ruisen van de bomen, het zingen van de vogels en het plonzen van de vissen is niks te horen. Het wordt allemaal overstemd door het geraas of gebulder (al naargelang de wind) van de autostrade. De geluiden die bij het natuurbeeld horen, zijn vervangen door een geluid dat er niks mee te maken heeft. Het is alsof ik op de brug over de E17 zou staan en alleen maar het geklater van water en het gefluit van vogels zou horen. Het zou die eindeloze stroom voorbijzoevende auto’s ontdoen van zijn betekenis en van het beeld een leugen maken. Beeld en geluid moeten samenhoren om waar te zijn. 

Soms probeer ik me Destelbergen voor te stellen zonder lawaai. Ik zit dan op mijn bank aan het water en span me in om het geraas en gebulder van de autostrade weg te denken, om alleen die weidse vijver te zien, die paradijselijke zonovergoten plek. Maar het lukt niet. Ik kan mijn ogen wel sluiten en alleen het lawaai horen, maar niet omgekeerd. Voor lawaai kan een mens zich nooit echt afsluiten. Zelfs als hij zijn oren dichtstopt, wordt het nog als trilling door zijn lichaam waargenomen. Ik heb dus geen idee hoe Destelbergen zou zijn zonder autostrades. Ik kan het me zelfs niet voorstellen. Want de eenheid van beeld en geluid is meer dan de som der delen. Als ze van elkaar gescheiden worden, verdwijnt er iets dat je met behulp van beeld en geluid afzonderlijk niet meer kunt oproepen.

Als ik even verlost wil zijn van al dat lawaai, fiets ik naar de Kalkense meersen, een natuurgebied vijftien kilometer verderop. Zodra ik de Dendermondesteenweg verlaat en het autogeraas wegvalt, is het alsof ik in een deken van rust en stilte word gewikkeld. Het is een bijna fysieke sensatie die ik niet kan oproepen met mijn voorstellingsvermogen, daarvoor is ze veel te indringend. Op zo’n moment realiseer ik me dat ik in Destelbergen constant moet vechten tegen dat lawaai en dat ik er nooit echt tot rust kom. Vroeger gingen we wel eens logeren bij mijn schoonouders, die ver weg van alle autolawaai woonden. Het viel me op dat ik daar altijd veel beter en veel dieper sliep dan thuis. Je zou denken dat het gevecht met het lawaai ophoudt als je slaapt en niks meer hoort, maar dat is dus niet zo. 

Slapen hoort bij de natuur zoals wakker-zijn bij de stad. Wie in en met de natuur leeft, slaapt niet alleen beter, hij staat ook dichter bij de geestelijke wereld. Wie daarentegen in de stad woont, slaapt minder diep en verliest gaandeweg het vanzelfsprekende contact met de geest. Hij moet het onderhouden door middel van kunst en cultuur. Maar zoals er in ons land geen echte natuur meer is, zo zijn er ook geen echte steden meer. Alles loopt door elkaar. Dat was vroeger niet zo. Er was toen nog een duidelijk onderscheid. En ik kan het weten, want ik heb mijn jeugd doorgebracht op de grens tussen stad en land. Tien minuten wandelen en ik stond aan de voet van de Sint-Romboutstoren, in het centrum van Mechelen. Honderd meter de andere richting uit begon er een heel andere wereld, een (in mijn kinderogen) grenzeloze wereld van rivieren, bossen en velden. 

Vandaag is die grens volkomen vervaagd. Waar de natuur begon ligt nu een autostrade, en daarachter beginnen de villawijken. Als een kankergezwel heeft de stad zich uitgezaaid. Maar ook het omgekeerde is gebeurd: de natuur is de stad binnengedrongen en heeft er een jungle van gemaakt, vol koortsachtig leven en duistere driften. De tegenpolen hebben zich met elkaar vermengd en het grensgebied uitgewist. Ik zou vandaag niet meer kunnen wat ik vroeger kon. Ik stond ’s zondags op en keek uit het slaapkamerraam. De zon blikkerde op de daken. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen. Aan de ene kant lag de stad te slapen, aan de andere kant maakte de natuur zich op voor weer een zomerse dag. Door die voorwereldlijke rust fietste ik eerst naar de stad om te gaan tekenen, en na de middag fietste ik de wijde natuur in. 

Zo pendelde ik tussen cultuur en natuur. Na een ochtend hard werken op de academie, zag de wereld er heel anders uit en genoot ik dubbel zoveel van de natuur. Maar na een middag fietsen langs de rivier, tussen bomen en velden en vogelgefluit, was ik blij weer een boek te kunnen lezen of naar kapitein Zeppos te kunnen kijken. Dat heb ik nog altijd: ik kan niet zonder natuur, maar ik kan ook niet zonder cultuur. Ik pendel nog altijd tussen beide. Maar dat grensgebied heeft lang niet meer dezelfde kwaliteit. Noch in de natuur noch in de cultuur kan ik nog zo diep onderduiken als vroeger. Het onderscheid tussen beide is verdwenen en daardoor ook hun complementariteit. Ze bevruchten elkaar niet meer, ze vermengen zich alleen nog tot een grijze, kleurloze werkelijkheid waarmee ik me niet meer kan verbinden. 

Het lawaaierige Damvalleimeer is daar een beeld van. Hoe natuurlijk en idyllisch het er ook uitziet, ik blijf erbuiten staan. Hoe graag ik ook zou opgaan in die natuur, inslapen in die natuur, contact maken met de geest die erin leeft, het wordt me belet door die andere geest die me teistert met zijn onophoudelijke gebrul en geraas. Als een onzichtbare muur staat hij tussen de wereld en mezelf. Hij verhindert het contact met zowel natuur als cultuur. Doordat hij me belet te pendelen tussen beide kan ik lang niet meer zo diep in hen doordringen en wordt mijn contact steeds oppervlakkiger. In plaats dat ik doordring in beide werelden en ze met elkaar verbind, dringen zij in elkaar door en persen mij als het ware naar buiten. Hun eenwording is als een dode muur die het levende grensgebied vervangt waar ik als kind woonde. 

Het is echter niet alleen een muur van lawaai die tussen mij en de wereld staat. Ook wanneer het stil is, zoals in de Kalkense meersen, en ik volop geniet van de rust en het landschap, kan ik me er nauwelijks nog mee verbinden. Ik blijf erbuiten staan, hoe mooi het allemaal ook is. De ‘muur’ bevindt zich met andere woorden ook in mezelf. In de wereld van de cultuur vergaat het me niet anders. Musea waren vroeger oorden van rust en stilte. Vandaag heerst er een drukte van jewelste die het contact met de kunstwerken nagenoeg onmogelijk maakt. Maar ook wanneer het er (even) rustig is, lukt het me niet meer – of toch zeker lang niet meer zo goed als vroeger – om door te dringen in de kunstwerken en me ermee te verbinden. De muur van lawaai, die zowel de natuur als de cultuur teistert, loopt dwars door me heen. 

Die gedachte was al in me opgekomen toen ik op mijn bank aan het Damvalleimeer zat. Dat eeuwige geraas en gebulder van de autostrade: is dat niet een beeld van het lawaai in mijn eigen ziel? Zijn het niet mijn eigen (abstracte) gedachten die ik daar onder de brug over de E17 zie voorbijzoeven? Vermengen ze zich niet met mijn (natuurlijke) driften, begeerten en verlangens, omdat er in mijn ziel geen grensgebied meer is dat ze op hun plaats houdt, omdat er geen levendig verkeer meer is tussen beide? Is het Damvalleimeer geen weerspiegeling van mijn ziel? Als ik op mijn bank aan de vijver zit, kijk ik in een spiegel, verlangend naar mezelf, maar niet bij machte om mezelf te zijn. Want dwars door mijn ziel loopt een muur van beelden en geluiden die niet bij elkaar horen en die daarom een leugen zijn. 

De uiterlijke wereld weerspiegelt mijn innerlijke wereld. In allebei heerst een waanzinnige activiteit, maar in feite gebeurt er niets. Alles blijft bij het oude, er is alleen maar stilstand en verstarring. Het is een wereld die ten prooi is aan materialisme, een mensheid die langzaam maar zeker versteent. Immers, ook in een steen heerst een intense activiteit – die van de elementaire deeltjes – maar ze is geen teken van leven, ze is een teken van de dood. Niet de dood als een natuurlijke overgang van de ene wereld naar de andere, maar de dood als een permanente toestand: een opgesloten zitten in een grensgebied waarvan de ritmische beweging verstard is tot een muur die de mens de toegang tot zowel de materiële als de geestelijke wereld ontzegt. De moderne mens wordt steeds meer tot een steen in die muur en hij beseft het niet. 

Je wordt dat wel gewoon, zei men toen we in Destelbergen kwamen wonen, na een tijdje hoor je dat lawaai niet meer! Wel, 21 jaar later hoor ik dat lawaai nog altijd, en zelfs beter dan ooit. Ik ben heus niet blind voor de schoonheid van het Damvalleimeer, maar ik kan en wil mijn oren niet sluiten voor het brullende ahrimanische monster dat zich achter die luciferische schoonheid verbergt. Wie hun eenheid gewoon wordt en hun discrepantie – zowel in de natuur als in de cultuur – niet langer opmerkt, bespaart zich ongetwijfeld veel ellende. Maar hij raakt wel ongemerkt in een materialistische coma: hij maakt geen onderscheid meer tussen de tegenpolen, hij probeert niet meer te pendelen tussen beide. Zijn ziel versteent. Hij herkent zichzelf niet meer in de spiegel van de wereld. Hij wordt een vreemde voor zichzelf.  

Vlamsch voe behunners

  

Tweëtaelige paneels – Signalétique bilingue: ’t Fransch-Vlamsch (deël van ’t West-Vlamsch) is d’historyke taele van nuuze streeke. ‘T en is de authentyke vorme van ’t neerlandsh nie maer van de echte taele van de Vlaemingen van de tweë kanten van de schreeve. ‘T is daervooren dat de tweë moeten eleërd zyn : ’t Vlamsch voor nuuze patrimoonje en nuuze histoorje en voor tegaere te kunnen klappen, en ’t neërlandsch deurdat ’t is nuu de officieëlle taele nae ’t julders. / Le flamand de France (aire du flamand occidental) est la langue historique de notre contrée. Ce n’est pas la forme authentique du néerlandais mais la véritable langue des Flamands des deux côtés de la frontière. C’est pour cela que les deux langues doivent être enseignées : le flamand pour des raisons patrimoniale et historique et pour nos échanges, et le néerlandais parce que c’est la langue officielle chez vous.

Hemel en hel

  

De laatste drie tot vier eeuwen kunnen als volgt gekarakteriseerd worden. Aan de ene kant is er het sterk gemechaniseerde praktische leven dat een rijk op zich vormt, aan de andere kant een veelheid aan levensvreemde geestelijke stromingen, levensbeschouwingen en filosofieën die gevoelens oproepen die ver boven de levenspraktijk zweven. De tegenstelling tussen beide is zo groot dat theorie en praktijk geen aanknopingspunten meer vinden om op elkaar in te werken. Er is geen brug meer tussen wat we prediken en wat we doen. Onze ideeën missen de kracht om in het leven in te grijpen. Welk verband is er nog tussen de mooie ideeën over hoe we ieder mens moeten liefhebben zonder onderscheid van ras, volk en zelfs huidskleur, en de principes van de banken die ons rente uitbetalen? Onze wereld valt uiteen in twee van elkaar gescheiden gebieden. 

Als mensen tegenwoordig over de geest spreken, dan hebben ze het meestal over iets abstracts, iets wereldvreemds dat geen greep heeft op het alledaagse leven. Dit dualisme moet bij de wortel worden aangepakt. Het is slechts een uiterlijk symptoom van iets dat in het moderne bewustzijn van de mens leeft: de tegenstelling tussen hemel en hel. Anderen zouden zeggen: geest en materie. Maar de eigenlijke tegenstelling is die tussen God en Duivel, tussen paradijs en hel. Het paradijs is iets dat verloren is gegaan en weer gezocht moet worden. De duivel is degene die dat verhindert. 

Deze tegenstelling dringt door tot in de uiterste vertakkingen van ons sociale leven. Wie dat niet begrijpt, kan zich geen voorstelling maken van de draagwijdte van dit dualisme. De mens moet leren inzien dat het beeld van zijn ware wezen alleen maar tot uitdrukking kan komen in een toestand van evenwicht. Aan de ene kant wil de mens boven zijn hoofd uitstijgen in een wereld van fantasie, dweepzucht en valse mystiek. Daartegenover staat een macht die de mens naar beneden wil trekken, in de materie, in het nuchtere, in het dorre. We kunnen de mens alleen maar begrijpen wanneer wij hem zien als een wezen dat streeft naar evenwicht tussen het luciferische en het ahrimanische. De moderne voorstelling heeft het luciferische echter verwisseld met het goddelijke.

We spreken alleen in waarheid over de geest wanneer we hem zien als schepper van de materie. Op de meest verwerpelijke manier spreken we over de geest wanneer we hem situeren in een droomwereld die niets te maken heeft met de materie. We moeten zo over de geest spreken dat hij de kracht heeft om onder te duiken in de materie. Geesteswetenschap moet dan ook gezien worden als een volwaardige natuurwetenschap. 

(Rudolf Steiner)

GA 194 – Dornach, 12 december 1919

In het stof zal hij kruipen

  

Het is een beeld dat we in de toekomst nog vaak zullen zien: blanke man gaat door het stof voor allochtone vrouw. De omkering is dubbel: een blanke gaat door het stof voor een allochtoon, een man gaat door het stof voor een vrouw. De betekenis is duidelijk: pay back time. Nadat de blanke man zowel allochtonen als vrouwen eeuwenlang onderdrukt heeft, is het nu zijn beurt om hoofd en knie te buigen. Wat is er gebeurd? Parlementslid Luk Van Biesen zou in het heetst van de (gedachten)strijd iets kwetsends gezegd hebben tegen Meryame Kitir. No big deal, dat gebeurt voortdurend. Je kunt geen debat op het scherp van de snee voeren zonder anderen te kwetsen. Maar dit keer was de ‘andere’ een Marokkaanse, wellicht een moslima, en dat maakt van Van Biesen een racist.  

Groter zonde kun je vandaag niet begaan, en de verontwaardiging had dan ook een kracht van 7 op de schaal van Richter. Als een aardbeving trof ze het parlement en de schokgolven waren voelbaar in heel medialand. Het was lang niet zeker wat Van Biesen precies gezegd had. De meesten hadden niks gehoord en Van Biesen zelf ontkende de aantijging. Maar dat speelde geen rol. De beschuldiging was gemaakt – notabene door Creepy Kristof Calvo – en kon niet meer teruggeschroefd worden. Ontkennen was bevestigen. Van Biesen stond voor de keuze: zijn verontschuldigingen aanbieden of ontslagen worden. Want met racisme is het als met pedofilie: het volstaat dat je ervan beschuldigd wordt om ontslagen te worden. En dus koos Van Biesen eieren voor zijn geld: liever door het stof kruipen dan zijn job kwijtspelen. 

Hij was niet de eerste en hij zal niet de laatste zijn. Hij maakt deel uit van een lange rij van stropdragers: notabelen die publiekelijk vernederd worden om duidelijk te maken wie de baas is. En de baas is niet klikspaan Calvo, of de beledigde Kitir, of de gedemoniseerde moslims, of de gediscrimineerde feministen. Hun onbewuste wraakzucht – zorgvuldig gecamoufleerd door rechtvaardigheidsgevoel en morele superioriteit – is alleen maar een middel om de vrije samenleving te vernietigen, om van vrije mensen makke onderdanen te maken die zonder vragen alles doen wat van hen verwacht wordt. Dat is de strijd die vandaag gestreden wordt: de strijd tussen de vrije mens – en dat is in de eerste plaats de blanke man – en een onzichtbare ‘baas’ die geen tegenspraak duldt. 

Van Biesen die in het stof buigt voor Kitir is slechts één klein wapenfeit in die strijd, maar het is wel een beeld dat de kern ervan zichtbaar maakt. Het parlement is namelijk de plaats waar de ideeën met elkaar botsen. Het verbale en emotionele geweld dat daar onvermijdelijk mee gepaard gaat, is de prijs die betaald wordt voor het vinden van de waarheid. De waarheid is op haar beurt de hoeksteen van de vrije samenleving. Door het verbaal kwetsen van bepaalde mensen strafbaar te stellen, wordt de vrije samenleving systematisch ondergraven. Iedere explosie van verontwaardiging over dergelijk ‘kwetsend gedrag’ doet haar op haar grondvesten daveren, en vroeg of laat zal ze helemaal instorten. We zullen dan moeten leven tussen het puin van de vrijheid en dat zal onnoemelijk veel kwetsender zijn dan welke racistische opmerking ook. 

We kennen intussen allemaal de beelden van totaal vernielde steden in het Midden-Oosten. We weten van de dagelijkse explosies en aanslagen die er plaatsvinden. Wat we echter niet weten, is dat al dat fysieke geweld niets anders is dan een weerspiegeling van het mentale geweld dat onze eigen vrije samenleving nu al tientallen jaren teistert. Al die beschuldigingen waartegen je je niet kunt verweren, al die explosies van verontwaardiging, al die vernederingen die de eertijds zo trotse vrije mens moet ondergaan: het is de innerlijke versie van wat in het Midden-Oosten uiterlijk gebeurt. We leven temidden van een zelfvernietigende geestelijke oorlog en we beseffen het niet. Een blanke man die op de knieën gaat voor een allochtone vrouw: we zien het als een beeld van onze humaniteit, terwijl het precies het omgekeerde is.           

Thank you upstraight!

  

Dear mr Verhofstadt,

I wanted urgently to write you after the plenary speech that you Wednesday gave in the European Parliament. Hello crockett! You said much things that blew the nation once again from her socks. 

It is quite clear that you are yourself a big fan of the boîte you are working for. To use your words: who will solve climat problem? Who will solve refugee problem? Who will solve tax problem? (there are actually much problems, I know now. But therefore smart people like you are elected, to solve them, not?)   

“Who will solve all this problem?”, you asked your colleagues in the plenary circle again, and they were looking like they heard it thundering in Keulen. Your eyeballs were nearly jumping out from angriness and you understriped that it is not the Farage who will be helping, ah no, because he has saddled us up with the Brexit, the dirty sloober. Also this Le Pen madam will not be the helpster, she is just a stinky winky extreme right pita*. 

Off course, after that you pulled all this wise conclusions, you gave the answer your self: it is Europa that is going to solve all the problems, ah yes, because the men and women working there have already stood for hotter fires. And you know how to blus them together. You are smart and get every month much money paid: that will do the trick. (I must say: I fell nearly of my stool after all your stories. But I think you have it by the right end. Keep up the good work, dude Guy!)

Also it was clear in your speech that you are still a real Belgian in love with his country and the local kitchen. Your speech was full of sauces. You talked about the sauce of nationalism, the sauce of terrorism, the sauce of the economic crisis and so further on. The more I was listening, the more my hunger grew. My stomach was rammeling and I have visited already much internetpages but the receipt of the sauces is never there. Please will you send them to my mailbox? I will bend me thereover and then soon make a delicious meal, with your salutations.

Before I lock off my letter, I still wanted to ask you this: have you went to the theatre school when you was a miniguy? I think yes. Because you do not only say impressionist things all the time, you also pull funny faces when you talk and the peoples you work with then start grinnicking. If they were not grinnicking during your speaking: don’t worry. They were looking at their smartphone because a Pokemon sits under your stool there in the Parlement, and they have to catch him in the heat of the action. In politician terms they call this a win-win-win-situation, but I don’t have to explain that to you hey! 

Guy, it must be once more said before I leave you here: your speech was from a shockingly level. Not only did you think out of the box, you also speaked out of the box. You accentuated that we not have to be scared, because together with the other Europaworkers you will fix all the misery that goes wrong. You will finish also the sauces and make the institute work again, and with that: the sock is off.   

I thank you upstraight for your enthusiasm and wait in tension for your next performance in the halfround. In the mean time: sorrow good for yourself!   

Benedikte Van Eeghem

 

(*pain in the ass)

De dode kunst (3)

  

Via Facebook maakte ik onlangs kennis met het werk van Emanuele Dascanio, waarvan u hierboven een voorbeeld ziet. Een grote ontdekking was het niet, want er lopen vandaag veel Dascanio’s rond. Op het eerste gezicht zijn het fotografen zoals er dertien in een dozijn gaan, maar bij nader toezien blijken het … tekenaars te zijn. Ze maken tekeningen die als twee druppels water op foto’s lijken. De gebruikelijke reacties op zo’n kunststukje zijn verbazing, ongeloof en bewondering. Niet te geloven! Net echt! Wat een kunstenaar! Achter die uitroepen gaat echter een diepe tragiek schuil, want in feite viert men hier de dood van de kunst. Die getekende foto’s van Emanuele Dascanio hebben evenveel met kunst te maken als een lijk met een levend mens. Ze lijken wel op kunst, maar ze zijn iets totaal anders.  

Als een mens sterft, verlaat zijn ziel het lichaam, dat vervolgens verandert in een lijk, een stoffelijk overschot. Dat lijk lijkt (sic) op de overledene, maar het heeft er verder niks meer mee te maken. Een mens is namelijk een levend wezen, dode mensen bestaan niet. Wat wij dode mensen noemen zijn lijken. Het zijn herinneringen-in-vlees, afbeeldingen van de overledene, die op dat moment elders is en springlevend. De tekeningen van Emanuele Dascanio zijn zo’n herinnering aan de levende kunst. Het zijn lijken, gemummificeerde lijken die als zodanig niets meer met kunst te maken hebben, want kunst leeft. Dat is haar meest fundamentele eigenschap. Daarom kan ze ook a joy forever zijn. In principe kan de kunst niet sterven, ze kan echter wel haar lichaam verlaten en een andere bestaansvorm aannemen. 

Volgens Willem Zeylmans van Emmichoven was een kunstwerk geen dode materie. Het was materie die op de een of andere manier tot leven is gekomen, materie waarin opstandingskrachten leven. Dat is natuurlijk een onbevattelijk mysterie. Het vormt de – voor velen onverteerbare – kern van het christelijke geloof: het lichaam kan uit de dood opstaan. Iets van dat mysterie kunnen we nochtans gewaarworden wanneer het geniale van een meesterwerk tot ons doordringt. We zeggen dan tegen onszelf: dit kan niet! Wat de kunstenaar hier gedaan heeft, is niet mogelijk! Geen mens is daartoe in staat! We kunnen letterlijk onze ogen niet geloven, en uit de botsing tussen ongeloof en waarneming ontstaat het aangrijpende en bijwijlen schokkende besef tegenover iets van een andere wereld te staan. 

De tragiek van onze tijd bestaat erin dat het niet langer de levende kunst is deze ontroering, deze eerbied en dit ontzag opwekt, maar de dode kunst, het lijk van de kunst. Emanuele Dascanio is namelijk lang geen uitzondering. Wel integendeel. Er zijn tegenwoordig tal van ‘kunstenaars’ die niets anders doen dan foto’s kopiëren. In feite doen ze het allemaal, tenminste degenen die figuratief werken. Luc Tuymans en Michaël Borremans: ze schilderen foto’s na. Ze doen het weliswaar niet zo pietepeuterig als Emanuele Dascanio maar in wezen is er geen verschil. Ze schilderen geen levende mensen of landschappen, ze schilderen dode foto’s, ze schilderen een stuk bedrukt papier. Het resultaat lijkt op een kunstwerk, maar dan op de manier waarop een lijk op een levend mens gelijkt. 

Deze kopiisten of hyperrealisten worden hogelijk bewonderd omdat mensen geen verschil meer zien tussen leven en dood. Alle bewondering en eerbied die ze vroeger voelden voor de levende kunst, richten ze nu – zonder het te beseffen – op een lijk. Helemaal misplaatst is die bewondering niet, want ook een dood lichaam blijft nog altijd een indrukwekkend bouwwerk. Daarom is het volkomen terecht als men het werk van Emanuele Dascanio bewondert, want het is een knap staaltje vakmanschap. Maar hoe bewonderenswaardig het ook is, het is geen kunst. Als het zo wordt voorgesteld of begrepen is het een misleiding. Kunst is van een heel andere orde dan vakmanschap. Het blaast leven in dat vakmanschap, en dat is iets wat alleen de geest kan. Een kunstwerk is geestelijk omdat het leeft. Daarom is het ook a joy forever.

De tekeningen van Emanuele Dascanio lijken veel dichter te staan bij de klassieke kunst dan bij de hedendaagse kunst, maar dat is niet zo. Wat ze gemeen hebben met de klassieke kunst is de vorm, een vorm die ontleend is aan de zintuiglijke werkelijkheid. Die vorm is gecreëerd door de geest, maar het is geen geest, het is er slechts een afdruk van. Emanuele Dascanio houdt alleen die afdruk over, zonder zich bezig te houden met de (scheppende) geest. En daarin verschilt hij niet van de hedendaagse kunstenaars die pispotten en bananenschillen tentoonstellen. Die trekken zich evenmin iets aan van de geest, ze werken alleen met dode vormen. Maar terwijl Dascanio deze ‘lijken’ zorgvuldig bewaart, gooien zijn hedendaagse collega’s ze – letterlijk en figuurlijk – bij het afval. 

Geen van beiden hebben enige belangstelling voor de levende geest, allebei werken ze slechts met dode vormen, maar is er bij hyperrealistische kopiisten á la Dascanio nog sprake van respectvolle herinnering, dan is er bij de hedendaagsen alleen maar spot en minachting voor de overleden geest. Door zijn lijk onherkenbaar te verminken, willen ze de herinnering aan de geest helemaal uitwissen. Beide zijn verstokte materialisten die de geest de rug toekeren, maar de hyperrealisten zijn dat op luciferisch-bedrieglijke wijze, de hedendaagsen op ahrimanisch-agressieve wijze. En hun materialisme stijgt ten top wanneer les extrêmes se touchent en de hyperrealisten quasi onopgemerkt aanvaard worden door de hedendaagse kunst en deze laatste zich lijkt te verzoenen met de klassieke kunst.

Op die manier wordt de herinnering aan de levende geest met wortel en tak uitgeroeid terwijl de schijn wordt gewekt dat men vol eerbied voor hem is. Lucifer en Ahriman slaan de handen in elkaar en verwisselen de levende geest en zijn dode lijk zonder dat iemand het merkt. Alle eerbied, alle verlangen en alle hoop die de moderne mens op de geest van de kunst richt (vanuit het onbewuste weten dat alleen hij de wereld kan redden) worden op de materie gericht. Het resultaat is een soort occulte gevangenschap: de mens richt zijn streven naar de geest op de materie en raakt daar steeds dieper aan vastgekluisterd terwijl hij in de overtuiging leeft dat hij steeds spiritueler wordt. Naarmate Ahriman hem naar beneden sleurt, sleurt Lucifer hem naarboven, en beide scheuren ze de mens langzaam maar zeker in twee. 

Deze gevangenschap in de materie en de schijn wordt in stand gehouden (en verdiept) door wat in feite een cultus van de dood is, een lijkenverering zoals bij de oude Egyptenaren. Ze maakt de mens tot wat hij nu reeds zienderogen wordt: een wezen met agressieve dierlijke impulsen en abstracte spirituele gedachten. De sleutel van deze occulte (want onbewuste) gevangenis is de bewustwording van de dood van de kunst. Zolang de moderne mens het sterven van de kunst niet onder ogen ziet en meebeleeft, zal hij zich niet realiseren een lijk te aanbidden. Hij zal gevangen zitten in een dodenwereld waaraan hij zijn beste krachten wijdt. Op die manier maakt hij de opstanding van de kunst onmogelijk en roept hij apocalyptisch geweld over zich af, want dat is het enige wat zijn kluisters nog kan verbreken.