Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Antroposofie en karmabewustzijn (1)

  

Wie de geschiedenis van de antroposofische beweging een beetje kent, weet wat er gebeurde na de dood van Rudolf Steiner. Zijn twee belangrijkste leerlingen – Marie von Sivers en Ita Wegman kregen ruzie over de assen van hun leraar: de zogenaamde Urnenstreit. Het is niet meteen iets wat men verwacht van spirituele mensen: bekvechten over iemands stoffelijke resten. Of toch wel? Naar verluidt wilde Rudolf Steiner niet verast maar begraven worden. Voorzag hij dat de urne met zijn assen de inzet zouden worden van een ruzie die de hele beweging in twee kampen zou verdelen? Hoe dan ook, het vuur dat zijn lichaam verteerde leek over te slaan op de antroposofische beweging, ook zij werd in de as gelegd. Het doet onwillekeurig denken aan de brand die het Goetheanum verwoestte en waarvan Rudolf Steiner zei dat het vuur weliswaar van buitenaf werd aangestoken maar zijn werkelijke oorzaak vond in de ruzies en spanningen binnen de antroposofische wereld zelf. 

De Urnenstreit was de vonk die de uitslaande brand deed ontstaan waarvan Ita Wegman later zou zeggen dat, als hij niet geblust werd, Hitler aan de macht zou komen. Wat ook gebeurde. Maar Ita Wegman zei nog iets anders over die ruzie. De felle haat waar (vooral) zij het slachtoffer van werd, was volgens haar in de eerste plaats gericht tegen de ontwikkeling van het karmabewustzijn. Dat was wat de tegenmachten in de kiem wilden smoren, en zij slaagden daar voortreffelijk in. Vandaag, bijna 100 jaar later, is karmabewustzijn zo goed als onbestaande. Vrijwel geen enkele antroposoof weet tot welke karmische groep hij behoort: die van de oude of die van de jonge zielen. Nochtans is dat de basiskennis die Rudolf Steiner van iedere antroposoof verwachtte. En hij had daar een goede reden voor. De antroposofie was volgens hem niets anders dan een voorbereiding op wat aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden: de samenwerking van platonici en aristotelici, de leidende figuren van beide zielengroepen. 

Nooit heeft Rudolf Steiner met meer nadruk gesproken dan over deze samenwerking. Hij verbond er zelfs een deadline aan: ze moest plaatsvinden vóór het eind van de 20ste eeuw, anders zou de mensheid ‘aan het graf van alle beschaving staan’. Zo drukte hij het uit, en deze apocalyptische voorspelling herhaalde hij liefst vijf keer. Het was in zekere zin zijn testament, zijn laatste wilsbeschikking, want kort daarop moest hij het werk staken en een half jaar later was hij dood. Niets was voor hem belangrijker dan deze toekomstige samenwerking van platonici en aristotelici. Zij was het grote doel van de antroposofische arbeid, datgene waarop alle inspanningen gericht moesten zijn. Maar dat wisten de tegenmachten ook, en ze zetten alles op alles om de ontwikkeling te verhinderen van het karmabewustzijn dat deze samenwerking mogelijk moest maken. Onder geen beding mocht van de antroposofie de geestelijke impuls uitgaan die de beschaving uit het slop van het materialisme zou halen. 

De tegenwerking begon al nog voor er van antroposofie sprake was. Julius Schröer, de man die geroepen was om de antroposofie te ontwikkelen, bleek daar niet toe in staat. Rudolf Steiner had geen andere keuze dan zijn taak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij zijn eigen levensopdracht – de bewustwording van karma en reïncarnatie – niet vervullen. Hij heeft nog geprobeerd beide taken te combineren, maar zijn pogingen om over karma en reïncarnatie te spreken liepen op niets uit. De weerstanden waren te groot. Pas na het voltooien van de antroposofie, dat wil zeggen na de Weihnachtstagung, slaagde hij erin die weerstanden te overwinnen. Maar de prijs lag bijzonder hoog. De brand van het Goetheanum was reeds een zware klap voor hem geweest en een jaar later volgde nog een tweede: hij werd vergiftigd. Ook deze aanslag wist hij te overleven, maar hij was ten dode opgeschreven. Er restten hem nog slechts 9 maanden om te doen waarvoor hij op aarde was gekomen. 

Na de dood van Rudolf Steiner sloegen de tegenmachten een derde maal toe: de Urnenstreit scheurde de antroposofische beweging in twee en de breuklijn liep grotendeels tussen de oude en de jonge zielen waarover hij in het laatste jaar van zijn leven had gesproken. Dit elementaire karma-inzicht had echter niet de kans gekregen door te dringen tot het antroposofische bewustzijn en de beweging had dan ook geen verhaal tegen deze vernietigende aanval van de draak. Dertig jaar later werd de breuk geheeld, maar tegelijk werd ook het zielenthema begraven. Het grondleggende werk van Hans Peter van Manen, Christussucher und Michaeldiener, dat in 1980 verscheen, vond nauwelijks weerklank. Latere publicaties deden hun best om het onderwerp te relativeren en te minimaliseren. Sommigen vonden het zelfs ongepast om erover na te denken. En intussen naderde het einde van de eeuw zonder dat iemand zich afvroeg waar die platonici en aristotelici wel mochten zijn.

Vandaag ligt het eind van de 20ste eeuw al een hele tijd achter ons en meer dan ooit wordt er in alle talen gezwegen over wat toen had moeten gebeuren. Het is nochtans duidelijk dat Rudolf Steiners waarschuwing geen loos alarm was. Vrijwel onmiddellijk na het aflopen van zijn deadline brak de War on Terror uit. De twin towers werden in de as gelegd, het Midden-Oosten vloog in brand, grote migrantenstromen kwamen op gang en de ‘islamisering’ van Europa begon. Deze ‘derde wereldoorlog’ is – net als beide vorige – onmiskenbaar gericht tegen Europa, waarbij Europa niet alleen gezien moet worden als het geografische continent, maar ook – en vooral – als de beschaving van onze tijd. De islam, het meest in het oog springende wapen dat tegen deze beschaving wordt gericht, lijkt eindelijk te zullen slagen in wat hij reeds sinds zijn ontstaan nastreeft: de verovering van Europa. Die overwinning zal echter niet te danken hebben aan de sterkte van de islam, maar aan de zwakte van een hopeloos verdeeld Europa.

Die verdeling begon reeds met de wig die de tegenmachten tussen Julius Schröer en Rudolf Steiner dreven, want op die manier verhinderden ze de verbinding van antroposofie en karmabewustzijn die uiteindelijk had moeten leiden tot de beschavingsreddende samenwerking van platonici en aristotelici. De microcosmos van de antroposofische wereld werd weerspiegeld in de macrocosmos van het wereldgebeuren. Zonder de tegenwerking die het Goetheanum van meet af aan ondervond, had, aldus Rudolf Steiner, de eerste wereldoorlog kunnen voorkomen worden. Volgens Ita Wegman was er dan weer een verband tussen de Urnenstreit enerzijds en de machtsovername van Hitler en de tweede wereldoorlog anderzijds. Dat het aflopen van Rudolf Steiners deadline tenslotte het sein was tot het uitbreken van de War on Terror, daar heb je geen helderziende vermogens voor nodig. Ook al klinken deze parallellen voor een buitenstaander vergezocht of zelfs grotesk, als antroposoof kun je ze niet zomaar aan de kant schuiven. 

Zoals na de oorlog de breuk binnen de antroposofische beweging werd hersteld, zo werd even later ook Europa weer herenigd. Sindsdien heerst er vrede, maar die vrede werd zwaar betaald. Europa is een soort tweede Sovjet-Unie geworden waar een centralistisch bestuur de lidstaten de wet voorschrijft. Onder deze opgelegde (schijn)eenheid gaapt een diepe kloof tussen links en rechts, een kloof die de van haat vervulde ziel van de moderne mens weerspiegelt. Die kloof gaapt ook in de antroposofische wereld. Bij conflicten komen steeds weer dezelfde twee zielengroepen tegenover elkaar te staan, zonder dat daar enig (karma)bewustzijn uit ontstaat. Er wordt veel nagedacht en er wordt hard gewerkt, maar tussen beide is nauwelijks contact. Het hart ontbreekt, het levende midden, de bezieling. De antroposofie leidt een kwijnend bestaan, ze wordt van binnen uitgehold, slaagt er niet meer in de jongere generaties warm te maken. Winter is coming

Het hoofd doet alsof er niets aan de hand is, maar het hart laat zich niet bedriegen. Het weet dat we ‘aan het graf van alle beschaving’ staan. Dat is een huiveringwekkend besef en het valt te begrijpen dat de antroposofische wereld zich afsluit voor alles wat met deze voorspelling van Rudolf Steiner te maken heeft. Immers, hoe kunnen we nog verder werken als de zaak toch verloren is? Maar juist hier wordt zichtbaar hoe cruciaal karmabewustzijn is. Niet alleen mensen reïncarneren, ook beschavingen doen dat. Onze beschaving gaat ten onder, maar dat betekent niet dat het einde van de wereld aangebroken is. Rudolf Steiner heeft vaak genoeg gesproken over toekomstige tijdperken. En juist die toekomst moet nu voorbereid worden. Toen het Goetheanum afbrandde stierf de antroposofische vereniging. De vlammen laaiden hoog op, maar Rudolf Steiner drukte zijn leerlingen op het hart om goed te kijken en deze katastrofe diep in hun ziel te prenten. Want het beleven van dit sterven moest de kiem worden voor de wedergeboorte. 

Als het Goetheanum niet in de as was gelegd, zou de Weihnachtstagung niet hebben plaatsgevonden. Het jaar dat die twee grote gebeurtenissen van elkaar scheidde, vormde het dieptepunt van de antroposofische beweging en Rudolf Steiner speelde met de gedachte om het allemaal op te geven. Maar hij deed het niet. Hij ging dwars-door-het-dal en uit dat lijden ontstond de Grondsteen die hij tijdens de Weihnachtstagung ‘in de harten’ van de aanwezigen legde. Die ‘aanwezigheid’ moet hier niet alleen in de letterlijke betekenis van het woord worden begrepen. Alleen wie het sterven van de oude vereniging bewust had meegemaakt, was in staat het zaad van de nieuwe vereniging in zich op te nemen. Dat beeld is ook van toepassing op onze tijd, nu de hele beschaving ten onder gaat en in het bewuste en vrijwillige beleven van dat sterven het zaad van de toekomstige beschaving gevormd wordt. Dat is vandaag de opgave van de antroposofie, de opgave waar – nog altijd en zelfs meer dan ooit – de toekomst van afhangt. 

Maar dat betekent dat het karma van de antroposofische beweging onder ogen moet worden gezien, en dat is een zure appel om in te bijten. Het is geen pretje om geconfronteerd te worden met het falen van de antroposofie. De verleiding is groot om ‘positief te blijven’ en ‘de moed erin te houden’. Maar daarmee ontwijkt men de waarheid en zonder waarheid kan vandaag niets meer bereikt worden. Echte positiviteit bestaat erin dat men het negatieve onder ogen ziet en er, zoals Rudolf Steiner, dwars doorheen gaat. Men merkt dan pas goed hoeveel er de tegenmachten aan gelegen is om de antroposofie te scheiden van het karmabewustzijn. Deze scheiding weer ongedaan te maken, betekent een strijd met de draak in zijn meest afschuwelijke vorm. In die strijd kan Ita Wegman ons tot voorbeeld zijn. De golf van haat die haar overspoelde, heeft ze gelaten ondergaan. Aan het eind van haar leven schreef ze zelfs een verzoenende brief aan Marie von Sivers en maakte op die manier de weg vrij voor een samenwerking in een volgend leven.

Advertenties

Schaamlippen (4)

  

Wat bezielde Goedele Liekens om op hetzelfde moment dat in Amerika de zaak Weinstein losbarstte een voorstel te lanceren om de vrouwelijke schaamlippen een andere naam te geven? Waarom culmineerde de zaak Bart De Pauw uitgerekend op Wapenstilstanddag? Waarom hadden moslimjongeren diezelfde dag uitgekozen om oorlogje te spelen in de Brusselse Lemonnierlaan, genaamd naar de man die burgemeester was tijdens de eerste wereldoorlog? Waarom werd na die eerste wereldoorlog gewacht tot 11 uur op de 11de dag van de 11de maand om de wapenstilstand uit te roepen? Waarom gebeurde dat in Compiègne, de stad waar eeuwen geleden Jeanne d’Arc gevangen werd genomen en uitgeleverd aan de Engelsen? Waarom gebruikte een Belgische ngo de wapenstilstandcijfers 11.11.11 om mensen ertoe te bewegen geld te geven voor hongerend Afrika? En wat bezielde Belgische feministen om Vrouwendag op diezelfde 11 november te vieren? 

Wie zich vragen begint te stellen over wat er dit jaar voorviel op Wapenstilstanddag ziet allerlei onverwachte verbanden opduiken. Samen lijken ze een beeld of een teken te vormen dat ons iets wil zeggen. Gemakkelijk is het echter niet om dat beeld helder te krijgen en erachter te komen wat het precies betekent. Daarvoor moet men – onder meer – opboksen tegen een sfeer van wantrouwen en ongeloof, want dergelijke beeldvorming leidt tot samenzweringstheorieën of – erger nog – tot de suggestie dat er geestelijke factoren in het spel zijn. En dat wordt beschouwd als … grensoverschrijdend gedrag. Alles wat ons ertoe brengt om afstand te nemen van de werkelijkheid, grotere verbanden te zien en imaginatief te denken, wordt in een kwaad daglicht geplaatst. Het brengt ons dichter bij de grens tussen materie en geest, en daar verzet de geest van het materialisme zich uit alle macht tegen. Het wil ons met onze neus op de materiële werkelijkheid drukken, als was de wereld een smartfoon.

‘Grensoverschrijdend gedrag’ is goed op weg om dezelfde status te krijgen als ‘racisme’. De uitdrukking wordt gebruikt om ongeoorloofd sexueel contact aan te duiden. Maar ook geoorloofd sexueel contact is – in de letterlijke zin van het woord – grensoverschrijdend gedrag. En daar heeft men geen enkel bezwaar tegen, wel integendeel. Feministen als Goedele Liekens stimuleren sexueel gedrag op alle mogelijke manieren. Ja, er is geen beweging die meer de nadruk legt op sex dan juist de feministische. Was het vroeger vooral de man die uit was op sex, dan is nu ook de vrouw een grensoverschrijdend wezen geworden. We leven ook op andere gebieden in een grensoverschrijdende tijd. Denken we maar aan de manier waarop Amerika andere landen binnenvalt. Of aan de manier waarop de overheid binnendringt in de persoonlijke sfeer. Of aan de manier waarop moslimmigranten Europa binnenstromen. Niemand ziet graten in dergelijk ‘letterlijk’ grensoverschrijdend gedrag.

Een heel ander verhaal wordt het wanneer we grensoverschrijdend gedrag in de figuurlijke betekenis van het woord nemen. Denken we maar aan het geval Bart De Pauw. Vlaamse feministen klagen steen en been over het ongeoorloofde gedrag van mannen. Zo kan het niet verder, verklaren ze beslist. Vooral in de film- en theaterwereld loopt het volgens hen de spuigaten uit. Toch vinden ze niks ergers om hun woede op te koelen dan een komiek die pikante sms-jes verstuurt. Of wilden ze niks ergers vinden? Was het misschien juist hun bedoeling om verbaal grensoverschrijdend gedrag te viseren in plaats van fysiek grensoverschrijdend gedrag? Dat zou alvast verklaren waarom ze zo toegeeflijk zijn voor moslimgeweld maar een sms-ende clown aan de galg willen zien. Hetzelfde onderscheid vinden we bij de lgbt-beweging waarmee het feminisme zich geaffilieerd heeft: extreme toegeeflijkheid voor fysiek geweld gaat er hand in hand met extreme ontoegeeflijkheid voor geestelijk geweld.

De speerpunt van deze beweging zijn de transgenders: mensen die van geslacht (willen) veranderen. Om dat doel te bereiken schrikken ze niet terug voor fysiek geweld, zowel tegen hun eigen lichaam (chirurgische ingrepen en hormoonbehandelingen) als tegen dat van anderen. Uit deze kringen zijn nogal wat Social Justice Warriors afkomstig. Ze zijn (vooral) actief aan universiteiten, waar ze lessen verstoren, professoren het spreken beletten, en hen zelfs zodanig terroriseren dat ze ontslag moeten nemen. Dat fysieke geweld – ze lijken wel in de leer te zijn gegaan bij moslimjongeren – gebruiken ze om zich te verdedigen tegen het ‘geestelijke geweld’ van hun professoren. Ze voelen zich aangerand door ideeën die niet overeenkomen met de hunne, en daartegen willen ze beschermd worden. Onder het motto Dialogue is Violence eisen ze safe places waar ze niet blootstaan aan kwetsende woorden en ideeën. Nee, het is beslist geen fysiek grensoverschrijdend gedrag dat ze aanklagen. 

Het grensoverschrijdend gedrag waar ze hun pijlen op richten, is het vrije denken, het debat, le choc des idées. Daarom is het zo onbegrijpelijk dat universiteiten niets doen om hun professoren in bescherming te nemen tegen deze – voor het vrije onderzoek dodelijke – Social Justice Warriors. Maar ook de overheid haalt bakzeil. Zo keurde de Canadese senaat onlangs een wetsvoorstel goed dat mensen het recht geeft aangesproken te worden zoals zij dat willen. Een man kan bijvoorbeeld eisen als vrouw aangesproken te worden en omgekeerd. Wie dat weigert, zal strafrechterlijke vervolging riskeren. Het gaat zelfs verder dan dat. Er is een heel nieuw vocabularium bedacht waarmee de verschillende genders (en dat zijn er nogal wat) aangeduid willen worden. Het omvat (Engelse) woorden aan als zie, zim, zir, zis, tey, tem, ters, enzovoort. Professor Jordan Peterson, die verklaarde die woorden niet te zullen gebruiken, kwam in het oog van een storm te staan en dreigt nu zijn job te verliezen. 

Dit alles speelt zich niet af in de marge van de maatschappij maar aan de meest prestigieuze Amerikaanse en Canadese universiteiten: Harvard, Berkeley, Yale, Toronto. Er moet niet aan getwijfeld worden dat deze ‘sociale oorlog’ ook naar Europa zal overwaaien. Nu reeds heerst aan onze universiteiten een wildgroei van genderstudies die de hele wetenschap willen herschrijven. Dat levert vakken op als feministische geologie en genderneutrale wiskunde. Een Amerikaanse feministe betoogde onlangs dat de #metoo beweging een wereldrevolutie inluidt: er komt een eind aan het hele door mannen beheerste verleden. Er is een nieuwe wereld aan het ontstaan waarin geen plaats meer zal zijn voor grensoverschrijdend gedrag. Denken zal gebeuren door middel van artificiële intelligentie, dat wil zeggen door de nieuwe, superieure robotmens die als een God zal (moeten) aanbeden worden. In Silicon Valley heeft men de nieuwe godsdienst reeds laten registreren. No kidding.

Als antroposoof weet je wat dat betekent: Ahriman incarneert. Het is de vraag of we hem ooit te zien zullen krijgen, want deze geest opereert achter de schermen en wil liefst verborgen blijven. Maar we zien hem overal aan het werk in ontelbare ‘activisten’ die strijd voeren tegen racisme, tegen grensoverschrijdend gedrag, tegen male supremacy, tegen white privilege, enzovoort. Hun ‘sociale strijd’ is zo misleidend omdat hij volkomen gerechtvaardigd is wat het fysiek-materiële aspect betreft. Er kan geen twijfel over bestaan dat discriminatie op basis van ras of geslacht niet meer van deze tijd is. Maar het activisme gaat verder dan dat. Het overschrijdt ongemerkt de grens tussen materie en geest, waardoor de strijd slechts in schijn tegen fysieke grensoverschrijdingen gericht is. In werkelijkheid viseert hij geestelijke grensoverschrijdingen. Zo gaat Ahriman te werk: hij gaat ‘in het geheim’ over de drempel, zonder dat we het zien, en zet daardoor de zaken op hun kop. 

Als gevolg van deze ‘occulte’ grensoverschrijding verandert de strijd tegen racisme ongemerkt in een strijd tussen de rassen, de strijd tegen de ongelijkheid tussen man en vrouw verandert in een guerre des sexes, de strijd tegen grensoverschrijdend gedrag wordt een strijd tegen de geest. Alles wordt namelijk gespiegeld wanneer we over de drempel gaan, alles is omgekeerd aan gene zijde. Houden we daar geen rekening mee – omdat we niet weten of zien dat de drempel wordt overschreden – dan halen we geest en materie door elkaar. Wat op geestelijk vlak thuishoort, doen we dan op fysiek vlak of omgekeerd. Dat geldt heel speciaal voor de drempeloverschrijding zelf. Die moet op geestelijk vlak plaatsvinden, dat wil zeggen bewust en vrijwillig, niet instinctief en gedwongen zoals bij een ‘fysieke’ drempeloverschrijding. Het resultaat van die verwisseling is een enorme chaos waarin iedereen slaags raakt met iedereen. Op die manier bereidt Ahriman de oorlog van allen tegen allen voor.

Het enige wat we daar tegenover kunnen plaatsen is ‘drempelbewustzijn’, inzicht in wat er gebeurt wanneer we de grens tussen geest en materie overschrijden. Hoezeer Ahriman zich daardoor bedreigd voelt kunnen we aflezen aan de heftigheid waarmee hij grensoverschrijdend gedrag bestrijdt. Want die strijd is slechts in schijn gericht tegen ongeoorloofd fysiek-sexueel contact. In werkelijkheid is hij gericht tegen ‘geestelijke’ grensoverschrijdingen. Ahriman wil onder geen beding dat we de drempel bewust overschrijden en op die manier het grensgebied leren kennen. Dat blijkt nergens zo duidelijk als in de kunst, de grensoverschrijdende activiteit bij uitstek. Hier gaat de mens – de kunstenaar zowel als de kunstliefhebber – voortdurend over de drempel. Dat kunnen we aflezen aan de spontane, fysieke beweging die hij maakt wanneer hij kunst schept of bekijkt: door afwisselend naar het kunstwerk toe en van het kunstwerk weg te bewegen, overschrijdt hij telkens weer de grens tussen geest en de materie, tussen mens en kunstwerk. 

Deze ‘grensoverschrijdende’ beweging heeft Ahriman helemaal lamgelegd door een kunst in het leven te roepen waarbij het zinloos is het kunstwerk afwisselend van dichtbij en van op een afstand te kijken. In de hedendaagse kunst is er immers geen verband meer tussen het (materiële) kunstwerk en de (geestelijke) betekenis ervan, tenzij een ‘nominalistisch’ verband. De hedendaagse kunstenaar geeft zijn kunstwerk een bepaalde betekenis zoals ouders hun kind een bepaalde naam geven. Marcel Duchamp heeft dat bijvoorbeeld gedaan met een pispot. Aan die pispot kunnen we de betekenis niet aflezen, we kunnen ze alleen van de kunstenaar (of een van zijn ingewijden) vernemen. Het hele grensgebied tussen materie en geest, waar we niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk in beweging konden komen, is verdwenen. Ahriman heeft ons in de kunst onze bewegingsvrijheid ontnomen en ons veroordeeld tot geestelijke passiviteit en onderworpenheid.

Na 100 jaar hedendaagse kunst zijn we ervan overtuigd geraakt dat kunst een soort hostie is die je moet slikken en die je in de mond wordt gelegd door ‘ingewijden’ die pretenderen over de drempel te zijn gegaan. Dat we zelf over die drempel kunnen of moeten gaan, komt niet eens meer in ons op. Ons hele middengebied is uitgeschakeld, ons hart het zwijgen opgelegd. En daar ligt het verband met met Wapenstilstand, met de eerste wereldoorlog, met de #metoo beweging, met de Social Justice Warriors. Onder het mom van een gerechtvaardigde strijd wordt ‘het midden’ van de wereld – zowel uiterlijk als innerlijk – aangevallen, steeds weer opnieuw. De kunstzinnige, grensoverschrijdende activiteit die vanuit dit midden, dat wil zeggen vanuit het menselijke Ik, tot bewustzijn had moeten komen, wordt nu vanuit de tegenpolen – door de geallieerde krachten van Lucifer (het Oosten) en Ahriman (het Westen) – onder vuur genomen. Dat is het ‘occulte’ beeld dat dit jaar op Wapenstilstanddag zichtbaar werd. Wat het te maken heeft met de cijfercombinatie 11.11.11 blijft vooralsnog een raadsel. 

Schaamlippen (3)

  

November is de maand waarin we de doden herdenken: Allerheiligen, Allerzielen, en ook de slachtoffers van de eerste wereldoorlog. Dat laatste doen we op 11 november, Wapenstilstanddag. Dit jaar leken de oorlogsdoden echter een stuk minder aandacht te krijgen. Helemaal onbegrijpelijk was dat niet als je bedenkt dat de Grote Oorlog nu al drie jaar aan één stuk herdacht wordt. Afgelopen zomer werd er in Ieper nog een grootscheepse herdenking gehouden van de Slag bij Passendaele. Actrice Helen Mirren droeg bij die gelegenheid het beroemde gedicht In Flanders’ Fields voor, maar deed dat op zo’n triomfantelijke toon dat ik me opeens realiseerde naar een overwinningsfeest te kijken. De hele vertoning werd dan ook geregisseerd door de Engelsen, er viel geen Duitser te bekennen. De wapens zijn dus nog altijd niet neergelegd, ze zijn alleen van aard veranderd. Men vecht nu met andere, meer gesofisticeerde middelen, maar het is nog altijd oorlog. 

Hoe weinig 11 november nog met Wapenstilstand te maken heeft, werd dit jaar op een merkwaardige manier geïllustreerd. Om te beginnen viel het gerecht die dag de VRT binnen op zoek naar bezwarend materiaal in de zaak Bart De Pauw. Een week tevoren ging het nog om een privè-zaak tussen Bart De Pauw en enkele actrices, maar dat veranderde opeens toen de VRT besloot Bart De Pauw op staande voet te ontslaan en alle programma’s waaraan hij meewerkte van het scherm te halen. Tabula rasa dus, net als in het geval Kevin Spacey. Dat was reeds een draconische maatregel, maar de klap op de vuurpijl moest nog komen. Op 11 november greep het gerecht in, op eigen initiatief, zonder dat er een klacht was ingediend. De zaak kreeg daardoor een heel andere dimensie, want voortaan riskeert iedere man die verdacht wordt van grensoverschrijdend gedrag vervolging. Alsof het Belgische gerecht de oorlog verklaard heeft aan de man. 

Maar in ons land is 11 november niet alleen Wapenstilstanddag, het is ook Vrouwendag, en dat kan gelden als een tweede oorlogsverklaring aan de man. Want wie krijgt het in zijn hoofd om Vrouwendag te vieren op dezelfde dag dat de dood van miljoenen mannen herdacht wordt! Het is al even blasfemisch als halfnaakte leden van Fema die tijdens een (doden)mis schreeuwend op het altaar springen. Bovendien heeft het Vrouwen Overleg Komitee, dat deze uitdagende keuze maakte, onlangs zijn naam veranderd in Furia, wat ook niet meteen wijst op vredelievende bedoelingen. Maar de keuze voor 11 november is nog op een andere manier vreemd, want internationaal wordt Vrouwendag gevierd op 8 maart. Zo is dat door de Verenigde Naties bepaald, en dat gebeurde in navolging van niemand minder dan Lenin, want hij was die voorstelde om van 8 maart, de dag dat de Russische vrouwen in 1917 op straat kwamen, een vrouwendag te maken. Feminisme en communisme vormen blijkbaar één front (sic).

Maar de furieuze feministen waren niet de eersten om deze datum te kapen. De Vlaamse ngo 11.11.11 deed het hen voor. In de jaren 60 kozen ze deze datum om de Noord-Zuidproblematiek in de kijker te zetten. Met name hun deur-aan-deur campagne voor ‘de arme kindjes van Afrika’ kende een groot succes. Intussen hebben ook zij hun (kind)vriendelijke masker laten vallen en voeren ze een agressieve politiek die inspeelt op het schuldgevoel van het Westen. Ze doen dus eigenlijk net hetzelfde als de feministen van Furia: ze worden steeds agressiever, ze richten hun kogels steeds meer op de bange, blanke man en ze doen dat allebei op 11 november, de dag waarop de dood van miljoenen bange, blanke mannen wordt herdacht. Dat is allemaal toch wel héél toevallig. Niemand maakt mij wijs dat beide organisaties niet wisten wat ze deden toen ze 11 november uitkozen om hun ding te doen. Het was een verkapte oorlogsverklaring, en wel aan de mannen, de levende zowel als de dode.   

Maar op 11 november vond er nog een derde oorlogsverklaring plaats. Terwijl het gerecht huiszoeking deed bij de VRT, en 11.11.11 langs de deuren liep, sloegen in Brussel honderden Marokkanen aan het plunderen. Op de Lemonnierlaan sloegen ze ruiten in, vernielden inboedels, staken auto’s in brand en vielen de politie aan. Het leek wel oorlog, vertelden getuigen, de straat was in een slagveld herschapen. Pittig detail: Maurice Lemonnier was burgemeester van Brussel tijdens de eerste wereldoorlog. Volgens een krantenbericht was de plundertocht enkele dagen tevoren aangekondigd op een Facebookpagina. Ook hier had men dus Wapenstilstanddag uitgekozen om de wapens op te nemen. Sommigen gaven de schuld aan de politie, die een onschuldig voetbalfeest brutaal verstoord zou hebben. Maar enkele dagen later braken er opnieuw rellen uit, dit keer op het Muntplein, vlak voor de Muntschouwburg waar in 1830 De Stomme van Portici werd opgevoerd, de opera die naar verluidt België heeft doen ontstaan. 

Wapenstilstanddag was dit jaar Oorlogsverklaringsdag. De toon was al gezet door de Engelsen, die van de herdenking van de eerste wereldoorlog een overwinningsfeest maakten. Maar de zaak explodeerde pas echt op 11 november. Toen verklaarden de ‘geallieerden’ – de Belgische Staat, de feministen en de moslims – de oorlog aan de bange, blanke man. Alledrie werden ze gedreven door collectivistische, zeg maar communistische idealen. Die waren ook herkenbaar in wat er enkele dagen later gebeurde: een Brugse priester werd voor het gerecht gedaagd omdat hij de politie niet had verwittigd toen een van zijn parochianen zelfmoord wilde plegen. Niet alleen werd een eeuwenoud christelijk gebruik – de biecht en het daarbij horende biechtgeheim – aan de kant geschoven, maar ook de gewone vertrouwensrelatie tussen mensen werd gebrutaliseerd. De boodschap was immers dat iedereen rechtsvervolging riskeert die de politie niet verwittigt als iemand hem vertelt over zijn zelfmoordplannen. 

Op zich hadden al deze gebeurtenissen niet veel om het lijf. De zaak Bart De Pauw doet nu wel veel stof opwaaien, maar ze zal algauw weer vergeten zijn. De rellen in Brussel waren hevig maar niet uitzonderlijk. Moslims en politie leveren regelmatig slag in de straten van de hoofdstad. En een priester die wordt aangeklaagd, dat is ook geen nieuws meer in dit land. Afzonderlijk zou men deze feiten faits divers kunnen noemen, om een Brusselse burgemeester te citeren, maar samen vormen ze een krachtig beeld dat zich diep in de ziel van de moderne mens prent. Daar is die moderne mens zich echter niet van bewust. Niet alleen moet hij zo hard werken dat hij geen tijd heeft om stil te staan bij de gebeurtenissen, maar hij haalt ook zijn neus op voor dergelijke beelden. Hij beschouwt ze als ongeoorloofde veralgemeningen die suggereren dat de dingen een geestelijke dimensie zouden hebben, en dat kan hij natuurlijk niet ernstig nemen. Met als gevolg dat het beeld wegzinkt in zijn onderbewustzijn en daar zijn verlammende invloed uitoefent.

Want het is niet niks wat dit beeld ons vertelt, of we het nu horen of niet. Er spreken krachten uit die het absoluut niet goed met ons voorhebben en die stuk voor stuk grensoverschrijdend gedrag vertonen dat Bart De Pauw een onschuldige koorknaap doet lijken. Het gerecht dringt onbetamelijk diep door in het privé-leven van mensen. Als zelfs priesters zich niet meer kunnen beroepen op het biechtgeheim, hoe kan een gewoon gesprek dan ooit nog vertrouwelijk zijn? Wie met zelfmoordplannen rondloopt, kan dit tegen niemand meer vertellen, want hij riskeert de politie op zijn dak te krijgen. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen man en vrouw. Welke man zal een vrouw nog avances durven maken als hij daarvoor 20 jaar later in de cel kan belanden? En wat betekent het voor het samenleven van autochtonen en allochtonen dat moslims op agressieve wijze de publieke ruimte kunnen inpalmen zonder dat de politie daar iets kan of durft of wil aan doen? 

Wanneer men bedenkt dat dit beeld uitgerekend op 11 november verscheen, rijzen er nog meer vragen. Waarom kozen moslims deze dag uit om Brussel op stelten te zetten? En waarom deden ze dat op de Lemonnierlaan en het Muntplein? Waarom besloot het Belgisch gerecht om de zaak De Pauw in handen te nemen op Wapenstilstanddag, een zaterdag notabene? Waarom kon het niet wachten tot maandag? Waarom hebben de Belgische feministen 11 november uitgeroepen tot Vrouwendag terwijl de rest van de wereld Lenin volgt? En wat heeft de 11.11.11 campagne te maken met het moment waarop de Wapenstilstand in 1918 werd uitgeroepen? Ging het wellicht om die zes opeenvolgende enen? En hielden die verband met de 66 van het jaar waarin het initiatief van start ging? Want iedereen weet dat er een even krachtige als onbewuste invloed uitgaat van cijfers, denken we maar aan het obligate 99 dat op zoveel prijskaartjes staat. 

Het doet een mens verder denken. Wapenstilstand werd in 1918 uitgeroepen op de 11de dag van de 11de maand om 11 uur. De Duitsers hadden zich toen al een hele tijd overgeven. Toch werd er uren gewacht – uren waarin nog heel wat mensen sneuvelden – om de wapenstilstand af te kondigen. Waarom moest dat precies om 11 uur gebeuren? En waarom moest het in Compiègne gebeuren, de stad waar Jeanne d’ Arc gevangen werd genomen en verkocht aan de Engelsen die haar vervolgens als een heks verbrandden? Misschien bestaan er voor al die feiten aannemelijke verklaringen, maar allemaal samen doen ze toch onwillekeurig denken aan wat Rudolf Steiner schreef over de geheime ‘loges’ die de eerste wereldoorlog beraamd hebben en die gebruik maakten van occulte kennis om hun snode plannen te realiseren. Die hele concentratie van gebeurtenissen op 11.11.11 precies honderd jaar na het onheilsjaar 1917 doet in ieder geval een verborgen regisseur vermoeden.

Het begint er inderdaad op te lijken dat Brussel afgelopen Wapenstilstanddag het toneel werd van een of ander occult ritueel. Dat klinkt moderne mensen natuurlijk absurd in de oren. Maar is dat materialistische ongeloof niet precies de reden waarom het zo slecht gaat met Europa? In zijn Memoranda over de eerste wereldoorlog geeft Rudolf Steiner een verklaring voor de wereldmacht van de Angelsaksische landen: Engeland en Amerika baseren hun buitenlandse politiek op een diep inzicht in de Europese volkszielen. Dankzij die kennis slagen zij erin de Europese volkeren zodanig te manipuleren dat het hun machtspositie steeds weer ten goede komt. Die Europese volkeren hebben daar geen idee van want ze willen niks weten van volkszielen of volksaarden. Ze halen hooghartig hun neus op voor dergelijke ‘spirituele humbug’ en daar doen Amerika en Engeland hun voordeel mee want het zijn pragmatici bij uitstek. Het maakt hen niet uit of iets spirituele humbug is, als het maar werkt.

Deze hoogmoedige afkeer van spirituele inzichten komt Europa zwaar te staan, want het is een speelbal geworden in handen van Amerika. En dat is dan nog zwak uitgedrukt, want na de eerste wereldoorlog (die door Engeland werd uitgelokt) volgde de tweede wereldoorlog (die door Amerika werd gefinancierd) en vandaag lijkt Europa de genadeslag te zullen krijgen, want het wordt van twee kanten aangevallen: vanuit het Oosten door de islam en vanuit het Westen door de politieke correctheid en alles wat daarbij hoort, zoals de #metoo beweging. Het wordt opnieuw in de tang genomen, zoals tijdens de Koude Oorlog. En net zoals het communisme een Westers ‘sociaal experiment’ was (het woord is van Rudolf Steiner), zo is de islamisering van Europa een sociaal experiment van het Westen. Want het is ontegensprekelijk Amerika dat het slapende monster van de islam wakker heeft gemaakt. Aangezien de spirituele inzichten van de antroposofie het enige tegengif zijn voor deze dubbele drakenkrachten ziet het er niet goed uit voor Europa, want het haalt nog altijd (en misschien zelfs meer dan ooit) zijn neus op voor deze inzichten. 

Schaamlippen (2)

  

De Weinstein-wave heeft inmiddels ook ons land bereikt. Harvey van dienst is televisiemaker Bart De Pauw. Nadat enkele actrices hem beticht hadden van grensoverschrijdend gedrag werd hij door de VRT zonder pardon op straat gezet. Een draconische maatregel, want het gewraakte gedrag beperkte zich tot ongepaste sms-jes. Van fysieke aanranding, laat staan verkrachting, was geen sprake. Er werd dan ook algauw gesproken van een heksenjacht. Zoals een acteur verklaarde: als dat de nieuwe norm is, dan kan de VRT driekwart van haar medewerkers ontslaan. Dat schoot aan vrouwelijke kant dan weer in het verkeerde keelgat en er werd gereageerd met nieuwe beschuldigingen. Grensoverschrijdend gedrag, beweerden enkele actrices, is in de film- en theaterwereld schering en inslag. De VRT-directie vond dan weer dat het Bart De Pauw zou sieren, mocht hij schuld bekennen en zijn verontschuldigingen aanbieden. En dat alles werd natuurlijk breed uitgesmeerd in de media. 

Maar ook het gerecht ging er zich mee bemoeien. Er werd huiszoeking gedaan bij de VRT om na te gaan of Bart De Pauw kon vervolgd worden. Dat had niemand zien komen. De actrices die de bal aan het rollen hadden gebracht, sloeg de schrik om het hart. Ze vreesden hun anonimiteit kwijt te spelen en op hun beurt aan de schandpaal te worden genageld. Dus namen ze een advocaat onder de arm. Ook Bart De Pauw voelde nattigheid en bood – eveneens via een advocaat – zijn excuses aan. Het mocht niet baten, er volgden nieuwe beschuldigingen. Er is een revolutie aan de gang, schreven de kranten, dit kan niet meer worden tegengehouden! We zijn getuige van een kantelmoment in de geschiedenis, oreerden journalisten. Vrouwen doorbreken het zwijgen, mensen nemen het op tegen de machtigen der aarde. Het klonk alsof de langverwachte klassenstrijd dan toch was uitgebroken. Alleen waren het geen mannen die de wapens opnamen, maar vrouwen. 

Zou het werkelijk waar zijn? Komen de onderdrukten eindelijk in opstand tegen hun onderdrukkers? Wordt de Augiasstal echt gereinigd? Juist degenen die het vrouwelijke protest tegen grensoverschrijdende mannen toejuichen, zouden het – onverwachte en ongevraagde – optreden van het gerecht met het grootste wantrouwen moeten bekijken. Het Belgische gerecht staat er nu niet bepaald om bekend dat het de kleine man (of vrouw) in bescherming neemt. Keer op keer worden misdadigers en criminele bendes vrijgesproken terwijl niemand het moet wagen zijn parkeerboete niet te betalen. De Rechtvaardige Rechters zijn nog altijd spoorloos in ons land. Maar elders is het niet beter. Toen in Keulen meer dan 1000 vrouwen op één nacht werden aangerand, probeerde de politie eerst de zaak in de doofpot te steken. Toen dat niet lukte, werden de daders voor het gerecht gebracht. Uiteindelijk werd er één veroordeeld. Eén. De boodschap was duidelijk: op ons hoef je niet te rekenen, wel integendeel.

Ook in het geval De Pauw heeft het er alle schijn van dat het gerecht niet geïnteresseerd is in het aanklagen van male supremacy maar juist in het demonstreren ervan. Op dezelfde dag dat er gezocht werd naar bewijzen tegen een grensoverschrijdende komiek vond er in Brussel nog een andere demonstratie van male supremacy plaats. Honderden Marokkanen trokken een spoor van vernieling door de straten van de hoofdstad. Winkels werden geplunderd, auto’s in brand gestoken. Inwoners belden in paniek naar de politie, maar die maakte geen haast. Achteraf verklaarden enkele agenten (anoniem) dat ze niet mochten ingrijpen. De overheid en de politie-top leken het moslimgeweld te gedogen, een indruk die bevestigd wordt door tal van andere voorbeelden. En dezelfde vergoelijkende en zelfs beschermende houding tegenover agressieve moslims, treffen we ook bij moderne feministen aan. Ondanks het apert vrouwvijandige gedrag van deze bevolkingsgroep, willen ze er geen kwaad woord over horen. 

Feministen, gerecht, VRT-directie, media: allemaal hebben ze in deze zaak hun macht willen demonstreren. Ze trokken zich niets aan van de slachtoffers die ze daarbij maakten: niet van Bart De Pauw, niet van zijn gezin, niet van zijn medewerkers, en last but not least ook niet van zijn aanklaagsters, die nu in hetzelfde schuitje zitten. Er mag aangenomen worden dat ze intussen al lang spijt hebben van hun demarche en dat ze zich … misbruikt voelen. Ze wilden alleen een signaal geven dat het nu eens gedaan moest zijn met dat boertige gedrag van mannen, iets waartoe waren ze aangespoord door de VRT zelf, die in het kader van de Weinstein-affaire plechtig verklaard had dit soort zaken ernstig te zullen nemen. Maar in plaats van Bart De Pauw op het matje te roepen en hem duidelijk te maken dat het afgelopen moest zijn met zijn vetzakkerij, ontsloeg de VRT hem, even onverwacht en ongevraagd als het gerecht daarna zijn duit in het zakje deed en dreigde met nog draconischer maatregelen. 

Dat was ongetwijfeld niet wat de aanklaagsters wilden, maar de zaak werd hen zonder boe of ba uit handen genomen door instanties die juist belichaamden wat ze wilden bestrijden. Wat de VRT en het gerecht tentoonspreidden was niets anders dan … grensoverschrijdend gedrag. De actrices die zich gemaltraiteerd voelden door de sms-jes van Bart De Pauw werden nu pas echt aangerand, niet als vrouw maar als mens. Hen overkwam precies hetzelfde als hun belager. Allebei werden ze overweldigd door een ‘mannelijkheid’ van een heel ander kaliber. Het grensoverschrijdende gedrag van de VRT en het Belgische gerecht ging heel wat verder dan dat van Bart De Pauw. Diens flirterige sms-jes kregen zelfs iets onschuldigs vergeleken bij de machtsontplooiing van die twee onpersoonlijke ‘mannelijkheden’. Ja, het wordt nu ook duidelijk waarom de media zo enthousiast zijn over de hele zaak: ze zijn zelf zo’n grensoverschrijdend mannelijk instituut.  

Veel vrouwen zijn verontwaardigd over het gedrag van Bart De Pauw, en dat valt goed te begrijpen. Veel mannen zijn dan weer verontwaardigd over het gedrag van zijn aanklaagsters. Ze vinden het not done dat deze actrices anoniem blijven, dat ze tien of twintig jaar gewacht hebben met hun klachten, en dat ze ook nog eens in groep optreden. Ook dat valt te begrijpen. Maar hoe valt het te verklaren dat zo weinig mensen – mannen én vrouwen – verontwaardigd zijn over het nochtans veel ‘grensoverschrijdender’ gedrag van de VRT, het gerecht, en de media? Waarom maken ze zich druk over kleine garnalen als Bart De Pauw en zijn aanklaagsters, maar protesteren ze niet tegen deze ‘zeemonsters’? Het is alsof kleine grensoverschrijdingen veel erger zijn dan grote grensoverschrijdingen, alsof individueel mannelijk gedrag veel meer verontwaardiging oproept dan algemeen, onpersoonlijk mannelijk gedrag. En dat is een belangwekkende waarneming die ons op het spoor brengt van de oorzaak van de hele Weinstein-wave. 

De manier waarop de VRT en het gerecht zijn opgetreden in de zaak De Pauw kan model staan voor de manier waarop de overheid vandaag optreedt. Dat is een brutaal mannelijke manier: de overheid of de staat steekt zijn neus in zaken waar hij niet thuishoort. Dat gebeurt bovendien met veel machtsvertoon, als om duidelijk te maken wie de baas is. De staat is in de eerste plaats een machtsapparaat, en macht is ook wat de VRT, het gerecht en de media in deze zaak tentoon hebben gespreid. Uiteindelijk is dat ook waar Bart De Pauw zich aan bezondigd heeft. Hem wordt niet zozeer opdringerig, flirterig gedrag verweten, want dat vertonen vrouwen net zo goed. Wat hem wordt verweten is machtsmisbruik. Vrouwen zijn heus wel in staat om opdringerige, flirtende mannen van zich af te houden, maar niet als die mannen de macht hebben hun carrière te maken of te breken. Dan worden vrouwen zwak en kwetsbaar en staat de deur open voor grensoverschrijdend gedrag.

De macht ligt vandaag grotendeels bij mannen en de oorsprong daarvan ligt in hun grotere fysieke kracht. Daar kunnen vrouwen eenvoudig niet tegenop. Die fysieke kracht heeft zich in de loop der tijden vertaald in piramidale machtsstructuren waartegen nog maar weinig te beginnen is. De democratisering bijvoorbeeld – een ‘vrouwelijke’ tegenbeweging – lijdt momenteel schipbreuk op die versteende mannelijke structuren. En toch is die mannelijke ‘verstening’ slechts één deel van het verhaal. Er is ook nog een heel belangrijk vrouwelijk hoofdstuk. De overheid gedraagt zich niet alleen als een autoritaire haan, ze gedraagt zich ook – en zelfs zeer nadrukkelijk – als een moederkloek die het beste wil voor haar kuikens, die ze voedt en verzorgt, die ze beschermt en onderwijst, die hun vrede en welvaart waarborgt, die kortom alles vertegenwoordigt wat goed is. In ruil eist de overheid natuurlijk wel gehoorzaamheid, anders kan ze haar moederlijke taak niet vervullen. 

Onder bescherming van dit moederlijke imago dringt de overheid veel dieper in het leven van de moderne mens door dan op louter mannelijke manier mogelijk is. Ze dringt er zelfs zo diep in door dat de ‘aangerande’ mens zich zonder het te beseffen gaat identificeren met de overheid. Zo is hij wel verontwaardigd over het gedrag van Bart De Pauw of dat van zijn aanklaagsters, maar niet over het gedrag van de overheid die nochtans beide gedragingen – de mannelijke en de vrouwelijke – combineert. Om een beeld te gebruiken dat in deze context wel passend is: de gewone mannelijkheid penetreert de vrouw en gaat daarbij over een grens, maar de combinatie van mannelijkheid en vrouwelijkheid gaat nog over een andere, dieper gelegen grens en bevrucht de mens met zijn zaad. Het kind dat daaruit begint te groeien wordt door de mens als deel van hemzelf ervaren: hij onderscheidt de overheid-in-zichzelf niet meer. Mens en overheid worden als het ware één en deze nieuwe mens roept onmiddellijk om zijn ‘moeder’ als hij iets nodig heeft. Big Brother is tegelijk een Big Mother.

Deze kind-mens schreeuwt nu moord en brand over het grensoverschrijdende gedrag van Bart De Pauw in het bijzonder en de man in het algemeen, maar hij protesteert niet tegen het optreden van de VRT en het gerecht. Hij neemt deze diepere grensoverschrijding niet waar en vindt het volkomen vanzelfsprekend dat de overheid de zaak in eigen handen neemt, ook al krijgt ze daardoor dimensies die de individuele betrokkenen nooit gewild hebben. Maar ze verzetten zich niet omdat de overheid hen niet alleen op de huid zit maar ook onder hun huid zit. De moderne mens is als bezwangerd door de overheid en doet er alles aan om zijn ‘kind’ te beschermen. Het is dan ook de vraag wie de hele zaak aan het rollen heeft gebracht: moeder of kind? Waren het de aangerande vrouwen of was het de overheid? Tenslotte was het de ‘ferme’ verklaring van de VRT, aangespoord door de #metoo-beweging, die de betrokken vrouwen over de streep haalde en hen overtuigde om naar buiten te komen met zaken die ze vele jaren voor zichzelf hadden gehouden.

Zoeken we naar de oorsprong van de #metoo-beweging, dan komen we in Amerika terecht, bij een anoniem bericht op Facebook. Van wie was dat bericht afkomstig? Het was weliswaar een vrouw die de kat de bel had aangebonden door Harvey Weinstein te beschuldigen van grensoverschrijdend gedrag, maar waarom veroorzaakte zij nu opeens zo’n lawine die zich in korte tijd over heel Europa verspreidde? Het gedrag van Weinstein was wijd en zijd bekend en veel actrices hadden er zich al over beklaagd. Maar er werd nooit naar hen geluisterd. Nu echter wel. Er werd zelfs veel meer gedaan dan geluisterd: er kwam een enorme pletwals in beweging . Omdat de tijd rijp is, schreven de media, omdat de maat vol is. Er breekt een nieuw bewustzijn door, zo klonk het, men pikt het grensoverschrijdende, machtswellustige mannelijke gedrag niet meer. O neen? En waarom pikt men dan wel het grensoverschrijdende, machtswellustige gedrag van moslims? Waarom richt men alle pijlen op de bange, blanke man?

Deze boog van mondiale verontwaardiging wordt toevallig gespannen in het meest mannelijke, grensoverschrijdende, machtswellustige land ter wereld. Zou Amerika werkelijk tot inzicht zijn gekomen? Zou Sinterklaas werkelijk bestaan? Op een moment dat Amerika net het hele Midden-Oosten in brand heeft gestoken en miljoenen ‘vluchtelingen’ richting Europa trekken, klinkt dat toch wel ontzettend kinderlijk en naïef. Wie de visie van Rudolf Steiner kent, weet dat Amerika streeft naar wereldmacht en daarvoor eerst Europa uit de weg moet ruimen. Die veroveringsplannen circuleren al sinds de 19de eeuw en Amerika heeft ze stap voor stap tot uitvoer gebracht, enerzijds met ongezien fysiek geweld en anderzijds met ongekende sluwheid en berekening. Het is door deze combinatie van mannelijke en vrouwelijke middelen dat Amerika erin geslaagd is van Europa een Amerikaanse provincie te maken die zowel uiterlijk als innerlijk volkomen in zijn macht is. Want de moderne Europese mens wil niets liever dan Amerikaan zijn, dat zien we nergens beter dan in ‘zijn’ kunst.

En nu zouden we moeten geloven dat er aan dit nietsontziende Amerikaanse imperialisme dat al meer dan een eeuw consequent en vastberaden zijn plannen uitvoert, opeens een eind is gekomen, dat Amerika de steven heeft gewend en nu met evenveel vuur en overtuiging de tegenovergestelde richting uitgaat? Daar was zelfs de Titanic niet toe in staat, laat staan het schip dat Amerika heet. Nee, alles wijst erop dat Amerika full speed ahead gaat en dat de Weinstein-wave slechts een zoveelste fase is in de verovering van de wereld, een zoveelste combinatie van mannelijk geweld en vrouwelijke sluwheid. De snelheid en intensiteit van de Amerikaanse ‘penetratie’ doet zelfs vermoeden dat een orgasme nakend is, en dat met andere woorden de incarnatie van Ahriman voor de deur staat. Het gaat er nu om doorheen al die opwinding en al dat geweld heen te kijken en door te dringen tot wat er in de verborgen diepten gebeurt. Want grensoverschrijdend bewustzijn is het enige wat we tegenover de grensoverschrijdende Ahriman kunnen plaatsen.  

Schaamlippen (1)

  

Onlangs lanceerde Goedele Liekens een oproep om een nieuw woord te bedenken voor schaamlippen. Schaamlippen zijn immers niks om je voor te schamen, vindt ze. Het lijdt weinig twijfel dat het hier gaat om een mediastunt. Bekende Vlamingen hebben er, zoals bekend, een dagtaak aan om bekend te blijven. Met haar schaamlippen is Goedele Liekens daar weer eens goed in geslaagd. Dat neemt echter niet weg dat haar stunt kadert in een veel ruimere beweging, die niet alleen nieuwe woorden maar een geheel nieuwe wereld lijkt te willen bedenken. Het is niet gemakkelijk om voor die beweging een passende naam te bedenken (sic) want nu eens doet ze zich voor als feminisme en dan weer als regenboog-activisme. De ene keer strijdt ze voor sociale gelijkheid, de andere keer tegen racisme en discriminatie. Toch ben ik ervan overtuigd dat het om één en dezelfde beweging gaat, een bijzonder beweeglijke beweging, wat doet vermoeden dat er geestelijke invloeden in het spel zijn.

Welke invloeden zouden dat kunnen zijn? Welke geest is werkzaam in deze beweging? Laat ik eens proberen daarachter te komen aan de hand van Goedele Liekens’ schaamlippen. Om te beginnen geloof ik geen moment dat ze er wakker van ligt dat haar schaamlippen schaamlippen worden genoemd. Haar oproep heeft helemaal niet tot doel het lijden der vrouwen te verzachten, dat is nogal wiedes. Maar welk doel heeft hij dan wel, afgezien van het halen van het nieuws? Goedele Liekens wil een woord veranderd zien dat volgens haar dateert uit patriarchale tijden toen vrouwen nog als minderwaardig werden beschouwd. Vandaar dat er geen mannelijke tegenhanger bestaat voor ‘schaamlippen’. Mannelijke genitalia worden inderdaad nooit bedacht met het voorvoegsel ‘schaam’, alsof de man zich niet hoeft te schamen en de vrouw wel. Door deze taalongelijkheid ongedaan te maken, lijkt Goedele Liekens te verwachten dat ook de reële ongelijkheid tussen man en vrouw zal verdwijnen of althans verminderen. 

Of ze daarin gelijk heeft, weet ik niet, maar ik betwijfel wel dat het woord ‘schaamlippen’ een uitdrukking is van male supremacy. Die voorstelling van zaken steunt op een welbepaalde visie op taal, een nominalistische visie. Daarin worden woorden gezien als namen die men aan de dingen geeft. Die naamgeving berust op een afspraak, een consensus – een beetje zoals ouders overeenkomen hun kind een bepaalde naam te geven. In zo’n consensus spelen natuurlijk allerlei machtsverhoudingen een rol, zowel binnen het gezin als in de maatschappij, en aangezien de macht vroeger vooral (of zelfs uitsluitend) in handen van mannen was, ligt het voor de hand dat zij het woord ‘schaamlippen’ bedacht hebben en dat hun dominantie over de vrouw erin tot uitdrukking komt. In de nominalistische opvatting is er geen rechtstreeks verband tussen het woord en het ding. Dat schaamlippen schaamlippen heten heeft niets te maken met het lichaamsdeel, maar alles met de naamgevers, de mannen dus.

Er bestaat echter nog een andere visie op taal: de realistische. In de Middeleeuwen was ze nog sterk genoeg om te kunnen wedijveren met haar nominalistische tegenpool, maar vandaag is ze helemaal uitgeteld. Dat kan geen verbazing wekken, want ze gaat ervan uit dat een woord het wezen van een ding tot uitdrukking brengt (en daardoor deel heeft aan de realiteit van het ding). Dat wordt wel eens spottend essentialisme genoemd, alsof de dingen een ‘essentie’ zouden hebben op grond waarvan men de dingen dan een passende naam kan geven. Die ‘essentie’ kan alleen geestelijk worden gedacht en dat is uiteraard de reden voor de spot: onze materialistische tijd gelooft niet langer in de realiteit van de geest. Hij gelooft niet dat de dingen een geestelijke dimensie hebben die kan waargenomen worden, evenmin als hij gelooft dat moeders geestelijk contact kunnen hebben met hun ongeboren kind en het op die manier de juiste naam geven. Het realisme is een vrouwelijk-spirituele visie, het nominalisme een mannelijk-materialistische.  

Hier treedt al een tegenstrijdigheid aan het licht die typisch is voor de beweging waarvan Goedele Liekens deel uitmaakt. Haar voorstel om de schaamlippen te herdopen heeft een onmiskenbaar feministische motivering. Toch kiest ze voor een uiterst ‘mannelijke’ visie op taal. Ze gaat er vanuit dat het woord schaamlippen ontstaan is als gevolg van een consensus waarbij macht werd uitgeoefend. Door een nieuwe consensus te willen creëren, verandert ze niets wezenlijks, naamgeving of woordkeuze blijven gebaseerd op macht. Goedele Liekens wil de ongelijkheid tussen man en vrouw niet ongedaan maken, ze wil die ongelijkheid gewoon omkeren. In plaats van male supremacy wil ze nu female supremacy invoeren. De supremacy zelf – het machtsprincipe en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid – laat ze ongemoeid. Meer nog, ze breidt het uit, want na de mannen willen nu ook de vrouwen macht uitoefenen. Op die manier maakt ze van de man-vrouwrelatie één grote machtsstrijd, een guerre des sexes

Domineren, macht uitoefenen, onderdrukken en discrimineren worden door het feminisme als mannelijke eigenschappen beschouwd. Vrouwen daarentegen heten inclusief, verbindend, bemiddelend en gelijkmakend te zijn. Dat maakt van het feminisme waar Goedele Liekens deel van uitmaakt een anti-vrouwelijke beweging, want ze wil mannen en vrouwen niet verbinden, ze wil hun tegenstelling juist op de spits drijven. Dat blijkt ook uit haar schaamlippen-oproep: die komt vrouwen op geen enkele manier ten goede, maar hij sart wel mannen. Alsof die mannen nog niet genoeg beschuldigingen naar het hoofd geslingerd krijgen, wordt hen nu ook nog eens verweten het discriminerende woord ‘schaamlippen’ bedacht te hebben. Van een onschuldig woordje maakt Goedele Liekens een middel om macht uit te oefenen over mannen en daardoor ook hun machtsstreven weer aan te wakkeren. Verre van daarmee iets te verbeteren, maakt ze de zaken alleen maar erger. 

Maar stel nu eens dat ze zich vergist en dat het woord ‘schaamlippen’ helemaal niet het product is van een door machtsgeile mannen gedomineerde consensus. Stel nu eens dat haar nominalisme een misvatting is en dat taal toch op een ‘realistische’ manier ontstaan is, dat wil zeggen door waarneming van het wezen der dingen, van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid dus. Dan is haar schaamlippenvoorstel een aanslag op het vrouwelijk-verbindende aspect van de taal, een poging om deze cruciale brug tussen mens en geest op te blazen, een uiting van het agressieve materialisme dat probeert alle verbindingen met de geest door te snijden. Het maakt met andere woorden niks uit of we ‘schaamlippen’ op nominalistische dan wel realistische manier benaderen. Of het woord nu het resultaat is van male supremacy dan wel van vrouwelijke helderziendheid, in beide gevallen is de oproep van Goedele Liekens gericht tegen de vrouwen en de vrouwelijkheid. 

Achter haar voorstel om de vrouwelijke schaamlippen te herdopen, gaat een mannelijke geest schuil, een agressieve, machtswellustige, materialistische geest. En wat hem zo gevaarlijk maakt is dat hij zich voordoet als zijn tegendeel. Hij verbergt zich achter een onschuldig vrouwelijk masker dat streeft naar eenheid, gelijkheid en vrede. Wie zou de sympathieke Goedele Liekens met haar ludieke schaamlippenvoorstel van kwaad opzet durven verdenken! Is het niet juist hoog tijd dat er iets gedaan wordt aan de male supremacy die onze planeet nu al zolang teistert met zijn gewelddadige machtsstreven! De geest die Goedele Liekens inspireert heeft twee gezichten: een agressief mannelijk gezicht en een vredelievend vrouwelijk gezicht. Hij lijkt een eind te willen maken aan de machtsverhoudingen tussen man en vrouw, maar in werkelijkheid wil hij tussen beide een oorlog ontketenen. Hij is een wolf in een schaapsvacht, een warlord die de vrede in zijn wapen voert. 

We zien die geest momenteel aan het werk in de zaak Harvey Weinstein, de Hollywoodproducer die beschuldigd wordt van ‘grensoverschrijdend’ gedrag. De eerste aanklacht heeft een sneeuwbal aan het rollen gebracht die steeds groter wordt. Overal beginnen vrouwen mannen ervan te beschuldigen hen aangerand te hebben. Het Grote Zwijgen wordt doorbroken en daar kan men niet rouwig om zijn, want mannen als Harvey Weinstein misbruiken hun macht om vrouwen te vernederen. Maar die vernederde vrouwen beginnen nu de rollen om te draaien: ze maken misbruik van hun nieuw verworven macht om op hun beurt hun belagers te vernederen. En ze gaan daarin heel wat verder. De actrices die Weinstein aanrandde, liepen kwetsuren op, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar ze werden er ook beter van: ze kregen filmrollen aangeboden. Wat Harvey Weinstein momenteel meemaakt is veel meer dan een kwetsuur of een vernedering. Het is een regelrechte vernietiging. 

Als de hele zaak voorbij is, zal er van Harvey Weinstein niks meer overblijven. Hij zal er veel erger aan toe zijn dan zijn slachtoffers, die – laten we wel zijn – niet zo onschuldig en weerloos waren als ze nu laten uitschijnen. De reputatie van Weinstein was in Hollywood welbekend. Actrices die zich door hem lieten meetronen naar zijn hotelkamer wisten heel goed wat er kon gebeuren. Dat praat zijn gedrag natuurlijk niet goed, maar het relativeert wel de ‘vermoorde onschuld’ van de aanklaagsters. Achter dat masker verbergt zich een geest die veel erger is dan wat Harvey Weinstein bezielde toen hij zich vergreep aan al die vrouwen. Daarvan getuigt het lot van Kevin Spacey, de Hollywoodacteur die eveneens beschuldigd wordt van grensoverschrijdend gedrag. Dit keer zijn de slachtoffers jonge mannen. Van verkrachting is zo te zien geen sprake en van weerloze slachtoffers evenmin. Maar toch wordt Kevin Spacey nog een stuk zwaarder gestraft dan Harvey Weinstein.

Want niet alleen zijn leven wordt nu vernietigd, ook zijn werk wordt op de brandstapel gegooid. Meteen na de eerste beschuldigingen werden de opnames van House of Cards stopgezet, de bijzonder succesrijke tv-serie waarin Kevin Spacey de hoofdrol vertolkte. Uit een andere pas afgewerkte film werden alle scènes verwijderd waarin hij meespeelde. Sony verbrak alle banden met de acteur. In de krant verscheen een artikel met de vraag of we ooit nog films met Kevin Spacey zullen kunnen bekijken zonder te denken: kijk, dat is die pervert! De man wordt dus gebroodroofd (wat in zijn geval nog het minste is), hij is ook het slachtoffer van een karaktermoord (wat al een stuk erger is), maar daarbovenop – en dat is nog het ergst van al – is hij ook het slachtoffer van een geestelijke moord: zijn kunst wordt in diskrediet gebracht. Dat is het omgekeerde van wat de slachtoffers van Harvey Weinstein overkwam: hun vernedering kwam hun kunst ten goede, ze kregen filmrollen aangeboden.

De wolfsgeest die zich verbergt achter een onschuldig ‘vrouwelijk’ masker treft de mens veel dieper dan zijn mannelijke ‘collega’ die geen geheim maakt van zijn machtswellust. Kunstenaars zijn als moeders: ze zijn bereid alles op te offeren voor hun kinderen, dat wil zeggen voor hun kunst. Men kan ze niet dieper kwetsen dan door die kunst te vernietigen. De betekenis van kunst overstijgt dan ook het louter persoonlijke. We hoeven er maar aan te denken wat voor gevolgen het zou hebben als men ontdekte dat Van Gogh zich vergreep aan kinderen of dat Bach een vrouwenverkrachter was. Dat zou de vreugde van miljoenen mensen bederven en een enorme klap zijn voor de menselijke beschaving. Strikt genomen doen de duistere kanten van kunstenaars niets af aan de waarde van hun kunst, maar zo werkt het niet. Men kan de receptie van een oeuvre vernietigen door de reputatie van zijn schepper te vernietigen. En daar is vandaag niet veel voor nodig: een paar beschuldigingen volstaan, ze hoeven niet eens waar te zijn. 

De geest-met-de-twee-gezichten – de wolf vermomd als Roodkapje – heeft het niet alleen voorzien op mannen en vrouwen, hij heeft het voorzien op de hele mens: op lichaam, ziel en geest. Zijn beschuldigingen lijken aanvankelijk terecht te zijn en uit te gaan van het Ik, het morele wezen van de mens. Maar algauw beginnen ze zich te vermenigvuldigen en wordt achter het Ik een heel ander wezen zichtbaar dat zich niets aantrekt van moraal of menselijkheid. Al die actrices die momenteel Harvey Weinstein beschuldigen – de teller staat al op 100 – lijken gedreven te worden door heilige verontwaardiging. Dat was wellicht ook wat de bal aan het rollen bracht: het ging niet alleen om henzelf, het ging om alle vrouwen die het slachtoffer worden van male supremacy. De zaak heeft intussen enorme proporties aangenomen en het regent overal ter wereld beschuldigingen in wat we een opstoot van mondiale vrouwensolidariteit zouden kunnen noemen. Maar deze girlpower is slechts een masker, erachter verbergt zich iets heel anders. 

Dat kunnen we al opmaken uit het feit dat geen van die verontwaardigde actrices het waagt om één kwaad woord te zeggen over moslimmannen. Nochtans maken die het véél bonter dan Harvey Weinstein, die een koorknaap is vergeleken bij zijn islamitische soortgenoten. Als het werkelijk morele verontwaardiging en solidariteit was die al die vrouwelijke aanklagers dreef, dan zou er nu een oorverdovend protest weerklinken tegen de manier waarop moslima’s door moslims worden behandeld. Daar is echter niets van te merken, wel integendeel. Als de vrouwenbeweging protesteert dan is het tegen islamofobie en voor de hoofddoek. Al die heilige verontwaardiging en vrouwelijke solidariteit zijn dus schijn. Achter dat morele masker gaat een geest schuil die geweld tegen vrouwen toejuicht en zijn pijlen alleen richt tegen de bange, blanke man, de man die niet durft te reageren tegen de beschuldigingen die tegen hem worden geuit, die beschaamd het hoofd buigt en nederig mea culpa slaat. 

La douce France (2)

  

Voor mijn 63ste verjaardag kreeg ik kaartje met een reproductie van een schilderij van Van Gogh. Het is zeker niet zijn beste werk, maar daar gaat het niet om. In het Frans heet dit stilleven: Vase avec marguerites et coquelicots. In het Engels wordt dat Vase of daisies and poppies. And that says it all …

La nausée (de walging)

  

Toen ik een tijdje geleden (op mijn computerscherm) tienduizenden mensen door de straten van Boston zag marcheren om te protesteren tegen de gebeurtenissen in Charlottesville, waar een neo-nazi iemand had omver gereden, sloeg de schrik me om het hart. Niet dat ik er problemen zou mee hebben dat er geprotesteerd wordt tegen iemand die met zijn auto op mensen in rijdt, dat spreekt (hoop ik) vanzelf. Maar dat was niet de reden waarom die mensenmassa op straat was gekomen. Er zijn de afgelopen jaren al zoveel mensen met auto’s op andere mensen in gereden dat niemand daar nog voor op straat komt. Zeker, er worden nog altijd kaarsjes gebrand, bloemen gelegd en liedjes gezongen als terroristen weer eens een aanslag hebben gepleegd, maar dat zijn uitingen van liefde en sereniteit, geen uitbarstingen van woede en verontwaardiging zoals in Boston. Daar werd niet geprotesteerd omdat er een aanslag was gepleegd, er werd geprotesteerd omdat de dader rechts was. 

Mensen komen niet langer op straat om te protesteren tegen terreuraanslagen. De aandacht is verschoven van de misdaad naar het motief. Is dat links of islamitisch is, dan kraait geen haan ernaar. Moslims mogen zoveel aanslagen plegen als ze willen, hun ideologie blijft buiten schot. Ook als zwartgemaskerde antifa’s tekeer gaan, wordt links niet met de vinger gewezen. Maar doet één rechtse neo-nazi precies hetzelfde, dan kent de verontwaardiging geen grenzen. Waarom? Wat maakt een rechtse terrorist zoveel erger dan een linkse terrorist of een moslimterrorist? Alvast niet zijn fanatisme, want rechtse fanatici plegen veel minder aanslagen. Zijn rechtse aanslagen dan misschien zo gruwelijk dat ze de veel talrijker moslimaanslagen doen vergeten? Evenmin. De aanslag in Charlottesville verschilde in niets van soortgelijke moslimaanslagen. Waarschijnlijk was hij niet eens met voorbedachten rade gepleegd, zodat er niet echt van een aanslag kan gesproken worden. En toch brengt die ene rechtse moordenaar tienduizenden mensen op de been. 

Links heeft in het verleden – net als de islam – veel grotere bloedbaden aangericht dan rechts, maar toch blijft men links geweld en moslimgeweld vergoelijken en rechts geweld verketteren. Wee degene die het zou wagen de rollen om te keren! Die wordt beschouwd als de Satan in hoogsteigen persoon. Dat overkwam onder meer Donald Trump. De grote betogingen in Boston en andere Amerikaanse steden waren ook – en misschien zelfs vooral – tegen hem gericht. Hij had het namelijk bestaan om de schuld voor de gebeurtenissen in Charlottesville niet alleen bij rechts te leggen. Hij had de kerk in het midden willen houden en gewezen op het aandeel van de linkse tegenbetogers. Dat volstond om een explosie van verontwaardiging te veroorzaken die tienduizenden mensen op de been bracht. Het was trouwens niet de eerste keer. De betoging in Boston was de zoveelste massamanifestatie tegen Donald Trump in het bijzonder en rechts in het algemeen. 

Met stijgend ongeloof kijk ik naar de wereldwijde reactie die de nieuwe Amerikaanse president teweeg heeft gebracht. Er gaat geen dag voorbij of er verschijnen krantenartikels die Donald Trump door het slijk sleuren, die hem een barbaar noemen, een krankzinnige, een psychopaat, een Hitler. Dat duurt nu al meer dan een half jaar lang, zonder onderbreking. Iedere dag weer opnieuw breekt dat artillerievuur los. Onafgebroken wordt er munitie aangevoerd, het geeft niet wat, als het maar ontploft. Iedere krant, iedere televisiezender, iedere journalist, iedere intellectueel doet eraan mee. De zaak heeft bijna apocalyptische proporties aangenomen, alsof de Antichrist verschenen is en de grote eindstrijd begonnen. Wat Donald Trump overkomt is trouwens niet nieuw. Het overkwam in ons eigenste land ook Bart De Wever. Nog altijd, na al die jaren, kan de man zijn mond niet opendoen of de verontwaardiging barst los. En om precies dezelfde reden: omdat hij rechts is. 

Ondanks de onvoorstelbare gruwelen en onmenselijkheden die het op zijn geweten heeft, wordt links door de intellectuele wereld nog altijd beschouwd als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is. Ondanks het feit dat de misdadigheid van Donald Trump en Bart De Wever zich beperkt tot woorden en uitlatingen waarmee links het niet eens is, worden beiden nog altijd beschouwd als het vleesgeworden kwaad. Hoe is zoiets mogelijk? De vraag roept een herinnering op. Ik zit in de grote aula van de Leuvense universiteit en probeer niet in slaap te vallen tijdens de cursus fundamentele wijsbegeerte. Opeens vliegen de deuren open en stormen een aantal langharige figuren de zaal binnen. Ze duwen de docent ruw opzij, rukken de micro uit zijn handen, en beginnen er allerlei slogans in te roepen. Ofschoon ik blij ben dat er eens iets gebeurt tijdens die saaie les, ben ik toch geschokt door de brutaliteit van die linkse ‘revolutionairen’. Zoiets doet een beschaafd mens niet, vind ik.

Maar ik ben blijkbaar de enige, want de aula staat als één man op en applaudisseert luid voor de rustverstoorders. Ik peins er niet over om mee te doen en blijf zitten. Dat gaat niet onopgemerkt voorbij. Een van de langharigen schreeuwt ‘fascist!’ naar me. Ik heb geen idee wat dat woord betekent, maar ik begrijp wel dat het niet veel goeds is. Het raakt echter mijn koude kleren niet, want ik ken de schreeuwer. Iedere maandag wordt hij door de glimmende Mercedes van papa afgeleverd aan zijn kot, waar hij dan samen met een ander rijkeluiszoontje de revolutie van het proletariaat begint te prediken. Dat zijn ze in mijn ogen trouwens allemaal, al die Marxisten, Trotskisten, Leninisten en Maoïsten: rijkeluiszoontjes die op kosten van hun ouders in Leuven voor Che Guevara komen spelen. Acteurs die vergeten dat ze acteurs zijn. Want het is hen bloedige ernst, dat zie je zo. Een glimlach kan er niet af. Je kunt deze grimmige barbaren beter niet tegen de (lange) haren in strijken. 

Dat doe ik ook niet. Ik laat ze links liggen (sic). Alle macht aan de arbeiders? Wat is dat voor onzin! Studenten die staken? Are you kidding me! Met de beste wil van de wereld kan ik die would be revolutionairen niet au serieux nemen. Ik voel een diep wantrouwen voor deze wereldverbeteraars, voor hun bloedige ernst, hun gebrek aan humor, hun onderhuidse agressie. Maar ik ben blijkbaar de enige, want als die agressie aan de oppervlakte komt, zoals tijdens hun optreden in de grote aula, wordt ze op algemeen applaus onthaald. Het zal me later nog wel meer overkomen dat ik zit te kijken naar slechte acteurs, dat de zaal na afloop van hun vertoning opstaat en begint te applaudisseren, en dat ik de enige ben die blijft zitten. Een mens zou voor minder aan zichzelf beginnen twijfelen. Het is dan ook die twijfel die me aan het denken heeft gezet over een fenomeen dat ik meer dan 40 jaar geleden reeds leerde kennen, zowel in de wetenschappelijke wereld als in de kunstwereld.

In allebei zag ik hetzelfde gebeuren: een kleine groep ‘revolutionairen’ voert een barbaars spektakel op dat ieder beschaafd mens tegen de borst zou moeten stoten, maar dat vreemd genoeg op luid applaus onthaald wordt. Een grappenmaker stelt bij wijze van kunst een pispot tentoon en even later wordt het uitgeroepen tot het grootste kunstwerk van de eeuw. Enkele rijkeluiszoontjes brutaliseren het professorenkorps, en wat later worden ze zelf professor, alsof hun gedrag niet bestraft maar beloond wordt. Ze hebben hun haar geknipt en hun baard afgeschoren, maar hun streken hebben ze niet verleerd. Nog altijd zeggen ze dezelfde dingen en nog altijd worden ze daarvoor beloond en toegejuicht. Er is de afgelopen 100 jaar met andere woorden niks veranderd, behalve dan dat de revolutionaire studenten van toen de bourgeois van vandaag zijn geworden: ze zitten in regeringen, aan universiteiten, in de media, zelfs in het bedrijfsleven. Idem voor de revolutionaire kunstenaars en hun bewonderaars.

Wat is het toch dat die bewonderaars bewonderen? Waarom applaudisseren zoveel (vooral) jonge mensen voor het beschamende vertoon van linkse machthebbers, linkse intellectuelen, linkse kunstenaars? Waarom laten ze zich opruien door hun holle slogans? Waarom komen ze massaal op straat als één neonazi door het lint gaat en blijven ze thuis als honderd moslims hun duivels ontketenen? Waarom gedragen ze zich zo irrationeel? Waarom gebruiken ze hun verstand niet? Het antwoord op al die vragen is volgens mij hetzelfde als het antwoord op de vraag waarom de grote aula van de Leuvense universiteit destijds als één man opstond om te applaudisseren voor het brutale optreden van een paar linkse studenten. Dat antwoord vind ik door in mijn eigen ziel te kijken. Hoewel ik een diepe weerzin voelde voor het gedrag van die linkse barbaren, voelde ik ook nog iets anders: opwinding omdat er eindelijk eens iets gebeurde, vreugde omdat de verveling doorbroken werd. 

Mijn oude tekenleraar was 10 jaar toen de tweede wereldoorlog uitbrak en zijn eerste reactie was: joepie, geen school! Ik maak me sterk dat het applaus in de Leuvense aula, meer dan 40 jaar geleden, in wezen dezelfde kinderlijke reactie was. Men juichte de linkse revolutionairen niet toe omdat men het eens was met hun Marxistische idealen, maar omdat ze de les onderbraken, omdat ze opriepen niet meer naar school te gaan. Wat wisten al die piepjonge studenten van Marx en Lenin en het hele communisme? Ze kwamen recht uit de middelbare school en daar werd toen nog niet gesproken over die linkse helden. De gruwelen van het communisme waren nog niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn, laat staan tot het onderwijs. Al die juichende jongens en meisjes hadden geen flauw idee wat communisme was, net zomin als mijn tekenleraar als kind wist wat oorlog was. Maar ze wisten allebei heel goed wat onderwijs betekende. Het stond voor eindeloze verveling en saaiheid.

Toen ik naar de universiteit ging, haatte ik mijn oude school uit de grond van mijn hart. Ze had me vernederd, ze had me gedwongen dingen te doen die ik niet wilde doen, en daardoor had ik een afkeer van mezelf gekregen. In Leuven ging dat verhaal gewoon verder. Ik moest er voortdurend vechten tegen de weerzin die de dode leerstof, de saaie professoren, de vervelende lessen, de kwellende examens in me wekten. Tegelijk moest ik ook vechten tegen de weerzin die mijn eigen onderworpenheid wekte, want ik bezat niet de moed of de kracht om me aan die vernedering te onttrekken. Hoe groter mijn minachting werd voor de intellectuele fabriek die de universiteit was, des te groter werd ook mijn minachting voor mezelf. Maar de kelk was nog niet leeggedronken. Na het behalen van mijn diploma ging ik in Brussel op het ministerie werken. Daar steeg de ellende ten top. Zeven jaar hield ik het vol, tot de weerzin me aan de lippen kwam. Pas toen vond ik de moed – der wanhoop – om me te verzetten.

Het was natuurlijk niet allemaal kommer en kwel aan de universiteit. Ik hield er ook goede herinneringen aan over. Voor het eerst op eigen benen staan bijvoorbeeld, niet langer gecontroleerd worden, proeven van de vrijheid, doen wat ik wilde, ja daar lustte ik wel pap van. Ook het samenleven met andere studenten was een openbaring. Zo heb ik trouwens mijn vrouw leren kennen en via haar de antroposofie. Dat is niet niks. Maar toch werd ik telkens weer misselijk als ik later Leuven nog eens bezocht. Hoe mooi ik de stad ook vond en hoe groot de opluchting ook was dat ik er niet langer hoefde te studeren, Leuven wekte braakneigingen in me op. Al die jaren had ik mijn weerzin met zoveel kracht moeten onderdrukken dat ze als het ware samengeperst zat in mijn ziel (of was het mijn lichaam?) en het volstond de plaats delict weer te zien om de samengeperste weerzin los te maken in golven die me overspoelden zonder dat ik er iets kon aan doen. 

Ik was dan misschien niet de meest representatieve student, maar zou het verschil tussen mezelf en de anderen werkelijk zo groot zijn geweest dat alleen ik die onderdrukte weerzin ontwikkelde? Het applaus in de Leuvense aula (en elders) leek dat alleszins tegen te spreken. Ligt het niet voor de hand dat het moderne, intellectualistische onderwijs bij iedereen een stijgende weerzin opwekt die jarenlang moet onderdrukt worden? Is die weerzin niet des te groter naarmate men langer studeert en treft men hem bijgevolg niet vooral aan onder intellectuelen, die zowat een derde van hun leven op de schoolbanken doorbrengen? En bieden linkse ideeën geen gedroomd alibi om die weerzin te ventileren? Tenslotte is ieder mens een geestelijk wezen dat kreunt onder het gewicht van het ahrimaanse intellectualisme en verheugd opspringt wanneer het enige spiritualiteit bespeurt. De linkse ideeën mogen dan utopisch en luciferisch zijn, het blijven spirituele ideeën, grote mensheidsidealen. Alle Menschen werden Brüder: wie zou daartegen kunnen zijn! 

Het probleem met het linkse idealisme is niet alleen zijn luciferische wereldvreemdheid maar ook, en vooral, zijn verbinding met de onderdrukte ahrimaanse weerzin in de menselijke ziel. Dat idealisme werkt als een lucifer (sic) die aan een vat vol buskruit wordt gestoken. Het resultaat is een explosie van woede, verontwaardiging, beschuldigingen, haat en geweld. Opvallend is dat de ‘exploderenden’ zich totaal niet bewust zijn van dat linkse geweld. De idealistische roes maakt hen blind voor hun eigen woede en haat: ze wanen zich vervuld van louter liefde en verdraagzaamheid. De revolutionaire studenten die ik destijds in Leuven aan het werk zag, hadden de grootste moeite om hun weerzin te verbergen: ze stond als het ware op hun gezicht geschreven. Maar ze verklaarden wel voortdurend hun liefde aan de onderdrukte arbeidersklasse. Hoe luciferisch die schijnliefde was, blijkt vandaag: niemand is zo van weerzin voor die arbeidersklasse vervuld als juist de linkse intellectueel. 

Die linkse intellectueel (het is bijna een pleonasme want links is intellectueel en de intellectueel is links) heeft twee gezichten – een liefdevol en een haatdragend – die hij voortdurend verwisselt, al naargelang van de omstandigheden. Het kwaad schuilt in het feit dat hij zich van die innerlijke gespletenheid niet bewust is. De afwisseling van Lucifer en Ahriman is niet zijn werk, ze is het werk van een geest die in zijn ziel voortdurend het vuur aan de lont steekt en een kettingreactie van explosies veroorzaakt, explosies van weerzin en walging, van woede en haat. Toen Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden, had hij het over deze geest, een geest waar de moderne mens zich totaal niet van bewust is. Het was deze geest die mij de schrik rond het hart deed slaan toen ik die mensenmassa door de straten van Boston zag schuiven, overwegend jonge mensen die achter het linkse gepijp van de hedendaagse rattenvanger van Hamelen aanliepen, en zich niet bewust waren van de weerzin die hen dreef.  

La douce France

  

Naast een niet onaardige collectie Maigretromans (een 50-tal vergeelde en gescheurde pocketjes die ik in de loop der jaren voor een appel en een ei heb gekocht) heb ik ook een kleine verzameling cd’s met Franse chansons, eveneens in de loop der jaren voor weinig geld op de kop getikt. Charles Trenet, Mistinguett, Tino Rossi, Maurice Chevalier, Edith Piaf, Line Renaud, Juliette Greco, Luis Mariano, Yves Montand, Lys Gauti, Rina Ketty, enzovoort. Het lijstje is lang. Ik zet die muziek vaak op – ze is niet kapot te krijgen – en toen ik er verleden week weer eens naar luisterde trof het me hoe vaak en hoe ongeremd deze zangers en zangeressen de lof zingen van Parijs. Het chauvinisme van de Fransen is natuurlijk welbekend, maar er spreekt zoveel liefde, poëzie en innigheid uit deze liedjes dat er meer aan de hand is. Ze gaan niet alleen over Parijs, ze gaan ook over een wereld die niet meer bestaat, en die misschien nooit bestaan heeft. Ze gaan over la douce France, het land waar God woonde. 

Dat is ook wat deze liedjes in de eerste plaats zijn: doux, zacht. De popmuziek uit de jaren ’60 (The Beatles, The Mama’s and the Papa’s, The Seekers) klinkt lyrisch en harmonisch vergeleken bij het frenetieke gedram en gedreun van de hedendaagse rock (what’s in a name?), maar toch valt ze al niet meer te vergelijken met la douceur van het Franse chanson uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het zijn twee totaal verschillende werelden: een Europese en een Angelsaksische. Engels is de taal die het best past bij de harde, ruige, barbaarse muziek van vandaag. Franse rock is een contradictio in terminis, het is zonder meer lachwekkend. De Franse taal hoort bij Europese muziek, en die bestaat niet meer. Jonge mensen zingen al een halve eeuw als vanzelfsprekend in het Engels. Wat voor de muziek geldt, geldt voor de hele kunstwereld: die is vandaag per definitie Amerikaans of Engels (of etnisch). Europese kunst bestaat niet meer. We vinden ze alleen nog in musea, vergeelde boeken en vooroorlogse liedjes. 

Het Franse chanson is de zwanenzang van de Europese muziek. Dergelijke muziek wordt vandaag niet meer gemaakt. Ze zou ook een leugen zijn, ons levensgevoel is totaal veranderd. De twee wereldoorlogen hebben de Europese zielestemming vernietigd, de stemming die ook heerste in het Franse impressionisme. In de schilderijen van Monet en co proef ik dezelfde zonnige zoetheid als in het Franse chanson. Het is de zoetheid van Maagd, de zoetheid van september. De uitbundigheid van de zomer wordt getemperd door de naderende herfst, wier nakende kilte op haar beurt verwarmd wordt door de zon. Twee tegengestelde werelden raken elkaar en gaan dromend in elkaar over. Dat dromen geldt in eerste instantie de zomer die voorbij is. Het zoet en zacht worden van de vruchten is als een naar binnen keren van de zomerse warmte, een aards worden van wat hemels was. In het Franse chanson proef je een innigheid die je vandaag nergens meer terugvindt. Alles is aards geworden, van het hemelse is geen spoor meer. 

Een stukje hemel komt op aarde: is dat ook niet de essentie van het kind dat zich in de Maagd aankondigt? Die kinderlijke eenvoud en zoetheid proef ik in dat laatste oplichten van de Europese kunst, in het Franse impressionisme, in het Franse chanson. Er ligt een diepe tragiek in verborgen, want dat kind is nooit geboren. Het droomde van het Europese verleden, maar ook van de Europese toekomst, zoals elk ongeboren kind droomt van wat voorbij is en van wat nog moet komen. Maar die toekomst kwam niet. Er is geen nieuwe Europese kunst geboren waarin de kinderlijke kwaliteiten van het Franse chanson zich verder konden ontwikkelen en langzaam naar volwassenheid groeien. Het Europese kind is gestorven in de wereldoorlogen en het is vervangen door een ander kind, een kind van de onderwereld. Want hoe moet je het anders noemen als je La Mer van Charles Trenet plaatst naast pakweg een set van Tomorrowland? Dat is als de tedere relatie van moeder en kind tegenover stomende, stuwende, bonkende sex. 

In dezelfde tijd dat het impressionisme populair wordt en het Franse chanson zijn opgang maakt, stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon: de hedendaagse kunst wordt geboren. Aanvankelijk denkt men dat het om een smakeloze grap gaat, maar honderd jaar later weten we beter: het is bittere ernst. Duchamps pispot is de eersteling van een geheel nieuwe kunst, een kunst die de wereld zal veroveren, zoals ook het impressionisme en het Franse chanson dat doen. Maar de ‘hedendaagse’ kunst, zoals ze genoemd zal worden, is het volstrekte tegendeel van de nieuwe ‘kinderlijke’ Europese kunst. Al moet natuurlijk wel gezegd worden dat haar pispotten en kakmachines niet helemáál vreemd zijn aan het kleine kind. Dat draagt als het ware de tegenstelling in zich: als het slaapt daalt de hemel op aarde neer, maar als zijn poortje – boven of onder – opengaat, breekt de hel los. Hoe tegengesteld beide kunsten ook zijn, op de een of andere manier horen ze ook samen.

Hun relatie komt onder meer tot uiting in het feit dat Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelt in New York. Waarom in Amerika, aan de overkant van de oceaan, en niet in Frankrijk, zijn thuisland? Daar is me niets over bekend, maar het is wel een veelzeggend beeld. Het gebeurt in 1917, hetzelfde jaar waarin Amerika zich mengt in de oorlog en in Rusland de revolutie uitbreekt. Voor Europa is 1917 een noodlotsjaar want de twee grote tegenpolen die haar in twee zullen scheuren betreden het wereldtoneel. En die scheuring lijkt van Europa uit te gaan, want in hetzelfde jaar dat Marcel Duchamp naar Amerika reist en als het ware de culturele macht van Europa overdraagt, reist Lenin (vanuit hetzelfde Europa) naar Rusland waar hij het communisme zal invoeren. Je zou ook kunnen zeggen dat in 1917 het – nog ongeboren – kind van Europa in twee wordt gescheurd en beide delen in respectievelijk het Westen en het Oosten opgroeien tot groteske karikaturen die vervolgens weer naar Europa terugkeren.

Vandaag wordt Europa artistiek overheerst door Amerika – zowel in de muziek als de beeldende kunsten is vooral de onderbuik actief – en intellectueel door Rusland – de communistische ideeën hebben de hele Europese intelligentsia in hun greep. Merkwaardig genoeg steken die ideeën na de oorlog de plas over en maken furore aan de Amerikaanse universiteiten waar met name Franse filosofen (Foucault, Derrida, Lyotard, Lacan) het goede weer uitmaken. Tegelijk dringt de hedendaagse kunst ook door in Rusland en verspreidt zich over de hele wereld. De beweging die zichtbaar wordt, is de volgende. Het Europese kind wordt in twee gedeeld, beide delen verhuizen naar Amerika en Rusland waar ze wanstaltig groot worden, om vervolgens weer in elkaar door te dringen en een wereldomvattend wezen te vormen dat bestaat uit louter onderbuik en hoofd, uit de lage, dierlijke driften die we vooral in de rockmuziek beluisteren, en de intellectualistische ideeën van de postmoderniteit die we vooral in de beeldende kunsten aantreffen. 

In de hedendaagse kunst komen die dierlijkheid en dat intellectualisme samen. Meer dan in welke kunst ook komt hier de tweevoudige demonische aard van het nieuwe ‘wereldwezen’ tot uitdrukking. Het verbluffende is dat niemand die dubbele kwaadaardigheid onderkent. Er zijn mensen die hun buik vol hebben van de keiharde rockmuziek, en er zijn mensen die de spot drijven met de postmoderne ideeën. Maar wanneer die twee samenkomen verstomt alle kritiek. Waarom? Omdat we ons hart niet meer durven laten spreken. Alleen dat hart kan de gemengde demonie herkennen. Maar het wordt de mond gesnoerd door deze schijneenheid van dierlijkheid en intellectualisme die meer dan wat ook het wezen van onze tijd uitdrukt. En dat is een wezen zonder hart. In de hedendaagse kunst schittert het menselijk hart door zijn afwezigheid. De kunst van onze tijd is een harteloze kunst die niet méér kan verschillen van de Europese kunst die haar zwanenzang zong in het Franse chanson. 

Wanneer ik met dit alles in gedachten opnieuw luister naar Charles Trenet of Edith Piaf dan komt het me voor dat het Franse chanson louter hart is. Het is een droomwereld waar alles mooi en goed en zacht is: een hemel op aarde. Hetzelfde kan ook gezegd worden van het impressionisme: het is een zonnige kunst die als het ware vraagt om haar duistere tegenhanger: het Duitse expressionisme. Maar geldt dat ook niet voor Europa zelf? Als ik ‘De Wereld van Gisteren’ lees, het boek dat Stefan Zweig schreef over het Europa van voor de wereldoorlog, dan zie ik een wereld die te mooi is om waar te zijn. De keerzijde van die droomwereld duikt onverwacht op en confronteert het slaapwandelende Europa met de harde werkelijkheid. Na de oorlogen volgt in Europa opnieuw een periode van vrede, maar ze is lang niet zo zonnig en onbekommerd meer als la douce France waar Charles Trenet over zong. De cultuur is niet langer Europees, ze is Amerikaans en Russisch, een mengeling van Oost en West. Het hart is verdwenen.

Vandaag herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw duikt de keerzijde van de naoorlogse vrede op. Vanuit het Westen dringt de politieke correctheid Europa binnen. Dit (door Rudolf Steiner voorspelde) denkverbod is de Amerikaanse versie van de communistische onderwerping van het individu aan de staat. Vanuit het Oosten dringt dan weer de islam Europa binnen, de communistische versie van de Amerikaanse drang om de wereld te overheersen. En die twee vermengen zich momenteel (vooral) in Europa. Zonder politieke correctheid zou de islamisering nooit zo’n proporties kunnen aannemen, zonder islam zou de politieke correctheid nooit zo’n vlucht kunnen nemen. Het is alsof er in Europa een nieuw wereldhart ontstaat waarin Oost en West, materialisme en spiritualisme elkaar kruisen en bevruchten, waarin ze zich met elkaar vermengen, uit elkaar gaan en weer samenkomen. Maar het is geen zacht kloppend Europees hart meer, het is een luid bonkend onmenselijk hart, een hart als een loeiende motor.

In het Franse chanson en het Franse impressionisme, die twee zo zonnige, hartelijke kunstvormen, kondigde zich als in een droom het Europese kind aan. Tezelfdertijd werkte Rudolf Steiner in Duitsland het nieuwe Europese denken uit. Het kunstzinnige kind was één en al hart, het (geestes)wetenschappelijke denken drong zowel in de geestelijke als de materiële werkelijkheid door. Die twee hadden elkaar nodig: het denken miste een hart, het hart miste het denken. Ze hadden samen moeten komen. Rudolf Steiner drukte daar aan het eind van zijn leven steeds weer op: er moest gedacht worden vanuit het hart. Dat was de grote Michaëlische opgave van de antroposofie: het samenbrengen van hoofd en hart. Het hoofd moest zich ten dienste stellen van het hart: daardoor zou er een levend denken ontstaan. Het hart moest het denken opnemen: daardoor zou het ontwaken uit zijn droom. Maar Engeland stak daar een stokje tussen, het pookte de tegenstellingen tussen Frankrijk en Duitsland op en liet ze in een oorlog uitmonden.

De Franse kunst verbond zich niet met de Duitse, het impressionisme verbond zich niet met het expressionisme. Eén uitzondering: van Gogh. De Nederlandse domineeszoon met zijn donkere en zeer aardse palet verhuisde naar Frankrijk en ontwikkelde daar een kunst die kleuriger én expressiever was dan het impressionisme. Is het toeval dat uitgerekend hij uitgroeide tot de beroemdste en populairste kunstenaar van onze tijd? Dat zou nooit mogelijk zijn geweest zonder de onvoorwaardelijke steun van zijn broer Theo. Hun samenwerking doet onwillekeurig denken aan de samenwerking tussen oude en jonge zielen waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk op legde toen hij sprak over de Michaëlische opgave van de antroposofie, over het denken-met-het-hart. Maar noch die samenwerking, noch de verbinding van Noord en Zuid die Van Gogh belichaamde kreeg navolging. In plaats dat de Franse kunst zich verbond met de Duitse, emigreerde ze naar Amerika en ontwikkelde zich daar tot de hedendaagse kunst. 

Die kunst is een schoolvoorbeeld van hoe een levenloos Frans intellectualisme en een wilde Amerikaanse heerszucht samengaan zonder enige bemiddeling van het hart. Nergens schittert dat hart zo door zijn afwezigheid als juist in deze ‘onmenselijke’ wereldkunst. En nergens komt de tragiek van deze harteloosheid zo pijnlijk tot uiting als in het feit dat progressieve antroposofische kringen deze hedendaagse kunst tot een lichtend voorbeeld nemen. Wat ze daardoor bereiken, is dat het individuele ‘etherische’ hart dat ze verondersteld worden te ontwikkelen, ongemerkt vervangen wordt door het collectieve ‘wereldhart’ dat zich los van het menselijk Ik vormt. Dit onmenselijke hart – een levende contradictie – herschept de wereld in een onderwereld. Nergens loeit deze wereldmotor luider dan op de steeds talrijker wordende muziekfestivals die onze zomers teisteren en die voor steeds meer jonge mensen de ultieme droom zijn, de wereld waar ze zich thuisvoelen, de wereld van de toekomst, Tomorrowland

In mijn schamele verzameling Franse chansons beluister ik Yesterdayland, de wereld van gisteren die zo zonnig was, zo speels, zo kinderlijk. Het is dezelfde wereld waarin ik me ook onderdompel wanneer ik lees in mijn beduimelde, gescheurde en vergeelde Maigrets. Tussen haakjes, die zo Franse boekjes zijn geschreven door een Belg en ze ontstonden in Nederland. Alweer dus een verbinding tussen het voelende Zuiden en het denkende Noorden. Het is een teken dat het dromende hart niet van zichzelf wakker wordt. Het moet van buitenaf wakker worden gemaakt, door een liefdevol denken dat het hart niet komt vertellen wat het moet voelen (zoals in de hedendaagse kunst) maar dat in die gevoelens onderduikt en probeert ze van binnenuit te verstaan. Dat is wat ik hier geprobeerd heb. Mijn zoekende en tastende beschouwingen over het Franse chanson waren een poging een (gammele) brug te slaan tussen mijn hart en mijn hoofd, niet om dat hoofd met (nog meer) gedachten te vullen, maar uit liefde voor het Europese kind dat vandaag geen huis meer heeft. 

Vakantielectuur (8)

  

De kunst van onze tijd is ziek. Daar kan geen enkel kunstminnend hart nog aan twijfelen. De zogenaamde hedendaagse kunst is het werk van mensen die bezeten zijn door een kwaadaardige geest die het publiek uitlacht, uitdaagt, choqueert en vernedert. Gewone mensen voelen een diepe afkeer voor deze kunst en negeren haar zoveel mogelijk. Ontwikkelde mensen daarentegen prijzen haar de hemel in. Geen enkele wanklank verstoort hun koor van loftuigingen. Op relatief korte tijd is deze elite-kunst uitgegroeid tot een world wide web van kunsttempels, musea, galerieën, tentoonstellingszalen, onderzoekscentra, academies en kunstscholen die gesteund worden door regeringen, machthebbers, rijkelui, financiële instellingen, bedrijven, universiteiten en plaatselijke overheden. Een leger van intellectuelen staat paraat om dit kunstweb te verdedigen en te versterken: schrijvers, academici, filosofen, kunstkenners, kunstcritici, onderwijsmensen en andere ‘soldaten van de kunst’. 

Wat we aldus de afgelopen 50 jaar onder onze ogen hebben zien oprijzen, is het onderaardse rijk van Ahriman, dat volgens Rudolf Steiner de tegenhanger is van de bovenaardse Michaëlschool. Veel leerlingen lijkt deze school echter niet te tellen, want nergens valt een teken van verzet te bespeuren tegen de kunst van Ahriman. Haar machtsontplooiing is verbijsterend, haar invloed op de intelligentsia verpletterend. Hoe het zover is kunnen komen, heb ik nooit echt kunnen begrijpen, tot ik onlangs ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans las. Toen is me een lichtje opgegaan. Ik begin nu in te zien dat kunstenaars geen keuze hebben. Ze kunnen zich niet verzetten tegen Ahriman want dat zou het einde betekenen van hun kunstenaarschap. Deze geest ontmaskeren betekent wakker worden en de waarheid onder ogen zien. Het betekent uit de droom ontwaken en wetenschapper worden. Hedendaagse kunstenaars verkopen hun ziel aan de duivel om kunstenaar te kunnen blijven.

Ik begin ook te begrijpen waarom de ‘neerdaling ter helle’ van de kunst zo unaniem wordt toegejuicht. Kunstenaars zijn de schatbewaarders van de geest. Zij hebben de rol van de religie overgenomen en verzekeren nu het contact met de geestelijke wereld. Zij zijn de enigen die de mensheid ervan weerhouden zichzelf te vernietigen. Dat is namelijk wat gebeurt als het contact met de geestelijke wereld helemaal verloren gaat: er ontstaat dan zo’n diepe zieleangst dat de mens zijn toevlucht zoekt in vernietigend geweld. Het was Rudolf Steiner die erop wees dat de oorzaak van de eerste wereldoorlog gezocht moet worden in de geestelijke uithongering van het proletariaat, dat afgesneden was van zijn oude, spiritueel gedragen, sociale verbanden. Vandaag zijn we allemaal geestelijk uitgehongerd en bezeten van de onbewuste angst om geestelijk te sterven. Daarom leggen we kunstenaars niets in de weg, wat ze ook doen. Ze zijn de enigen die ons kunnen redden van de geestelijke hongerdood.

Ik begin ten slotte ook het tegenstrijdige gedrag van iemand als Stefan Hertmans te begrijpen. In ‘De Bekeerlinge’ spant hij zijn verbeeldingskracht tot het uiterste in opdat de lezer zich zou kunnen inleven in zijn roman. Daar slaagt hij met glans in: het boek is een succes, van kritiek is geen sprake. Nochtans probeert Hertmans de lezer ook te bewegen tot kritische distantie. Hij onderbreekt het (poëtische) verhaal over Hamoutal voortdurend met het (prozaïsche) verhaal over zichzelf, alsof hij de lezer wil beletten om weg te dromen, alsof hij hem wakker wil maken. Maar de lezer merkt zijn schabouwelijke leugen over christendom en islam niet eens op. Hij blijft een (dromende) medeschepper van het boek, hij wordt geen (wakkere) wetenschapper. Het voortdurende heen en weer pendelen tussen beide verhalen in ‘De Bekeerlinge’ brengt hem in de war. Dezelfde verhaaltechniek waarmee Stefan Hertmans probeert de lezer wakker te maken, verdooft hem ook. 

Die techniek heeft Hertmans niet bewust gekozen. Zo gaat dat niet in de kunst. Het wakkere bewustzijn beoordeelt wel het resultaat, maar creëert het niet. De scheppende krachten komen van diep uit het onderbewuste en daar leeft duidelijk iets dat aanstuurt op de waarheid. Want Stefan Hertmans is lang niet de enige kunstenaar die door zijn aanwezigheid de toeschouwer wakker wil schudden. Die aanwezigheid is een van de meest typerende kenmerken van de kunst van onze tijd. Was de kunstenaar vroeger als God – onzichtbaar in zijn schepping – dan treedt hij nu steeds meer voor het voetlicht. En dat heeft een schok-effect. De toeschouwer kan niet langer onbekommerd wegdromen in de fictieve wereld van de kunst, hij wordt geconfronteerd met de reële wereld van het scheppen zelf. Hedendaagse kunst is per definitie een choquerende kunst, een kunst die wakker wil maken, die de lezer, de kijker of de luisteraar aan het denken wil zetten, die van hem een maatschappijcriticus wil maken. 

Dat heeft echter een averechts effect. De aanwezigheid van de kunstenaar in (of naast) zijn werk zet de kijker niet aan om kritisch te zijn en de waarheid te vertellen. Wel integendeel, het brengt hem in de war, het intimideert hem, het belet hem om een oordeel te vellen. ‘De Bekeerlinge’ is daar een voorbeeld van: niemand waagt het Stefan Hertmans op zijn leugens te wijzen. Niemand wijst hem ook op de gebreken van zijn roman, met name op de weinig geslaagde manier waarop hij de twee verhalen met elkaar verbindt. Want zijn aanwezigheid in de roman verlamt niet alleen de oordelende lezer, ze verlamt ook de scheppende schrijver. Ze haalt het niveau van zijn werk naar omlaag. Het ‘wetenschappelijke’, maatschappijkritische, activistische karakter van de kunst doet zwaar afbreuk aan haar kunstzinnigheid, het werkt er vernietigend op in. In zijn streven naar waarheid vernietigt de hedendaagse kunstenaar niet alleen het oordeelsvermogen van de kunstliefhebber, hij vernietigt ook zijn eigen kunst.

Maar ondanks dat zelfvernietigende gedrag blijft die kunst bestaan. Honderd jaar geleden reeds verklaarden kunstenaars de kunst dood – net zoals Nietzsche God dood had verklaard – maar ze bleven wel onverminderd kunst scheppen. En dat tegenstrijdige gedrag hebben ze volgehouden tot op de huidige dag. Nog altijd vernietigen ze wat ze scheppen en scheppen ze om het weer te kunnen vernietigen. Scheppen en vernietigen vallen samen in de moderne kunst. Ondanks haar frenetieke activiteit vertoont ze dan ook geen enkele ontwikkeling. Ze staat gewoon stil. Er verandert niks, behalve dan dat ze steeds zieker wordt en die ziekte steeds nadrukkelijker als kunst presenteert. Ze heeft zichzelf bevroren tot een beeld, tot een raadsel dat opgelost wil worden. Al honderd jaar wacht de kunst als een Prometheus op de held die haar uit haar lijden komt verlossen, op iemand die haar de waarheid vertelt zonder haar te vernietigen. En zolang ze die waarheid niet hoort, blijft ze leven zonder te kunnen sterven en sterven zonder te kunnen leven.

De situatie is inderdaad niet nieuw. Ze was al bekend in de Oudheid en we treffen haar ook in de Middeleeuwse graallegende, met name in de scène waar Parsifal de graalburcht betreedt. De jonge ridder wordt daar geconfronteerd met de zieke Visserkoning die hem hartelijk ontvangt en hem zelfs een kostbaar zwaard ten geschenke geeft. Maar wanneer Parsifal de volgende ochtend wakker wordt, treft hij het kasteel verlaten aan. Alle deuren zijn gesloten, behalve de buitendeur. Op het binnenplein staat zijn paard te wachten, helemaal opgetuigd. De boodschap is duidelijk: hij is niet langer welkom. Wanneer hij over de brug rijdt, wordt deze reeds opgehaald en moet hij zich reppen om heelhuids de overkant te bereiken. Kort daarop verneemt hij de reden voor dat tegenstrijdige onthaal. Parsifal was de langverwachte held die de zieke Visserkoning uit zijn lijden moest verlossen door de vraag te stellen naar zijn ziekte en tegelijk ook naar de graal die hem in leven houdt. Maar Parsifal heeft verzuimd die vraag te stellen …  

De legende vertelt dat de Visserkoning ziek is omdat hij door een speer getroffen werd ‘tussen de dijen’, dat wil zeggen in zijn edele delen, in zijn scheppingskracht. We kunnen in hem dus de moderne kunstenaar zien, die niet in staat is om te leven, maar ook niet om te sterven. Net als Prometheus is hij vastgeklonken aan de materie terwijl een arend zijn lever opeet, die ’s nachts weer aangroeit. In Parsifal kunnen we dan weer de moderne wetenschapper herkennen, die zijn moeder – de geestelijke wereld – heeft verlaten om de materiële wereld in te trekken. Daar begaat hij in zijn onwetendheid en naïviteit de ene stommiteit na de andere, maar hij is moedig en verslaat al zijn tegenstanders. Hij lost met andere woorden het ene probleem na het andere op met zijn scherpe geest en verwerft daardoor aanzien. Maar dan komt hij tegenover de zieke kunst te staan en dat probleem kan hij niet oplossen. Het is het begin van een leven vol beproevingen, het begin van de zoektocht naar de graal. 

Het is niet moeilijk om in Parsifal de moderne kunstliefhebber te herkennen die vandaag geconfronteerd wordt met een zwaar zieke kunst. Zijn verstand gebiedt hem zijn mond te houden en de kunst met de gepaste eerbied te benaderen. Zijn hart daarentegen noopt hem om te vragen wat de kunst zo ziek maakt (en tegelijk ook wat haar belet te sterven). Maar dan loopt hij het risico als een cultuurbarbaar beschouwd te worden en de ‘graalburcht’ van de kunst te moeten verlaten. Dus kiest hij voor de veilige, ‘correcte’ houding en legt zijn hart het zwijgen op. Net als Parsifal heeft de kunstliefhebber geleerd geen kritische of ongepaste vragen te stellen aan de ‘koninklijke’ kunst. Ook al wordt ze steeds zieker, hij blijft haar eerbiedigen en bewonderen. Daardoor verzuimt hij de vraag te stellen die haar zou kunnen genezen. Maar tegelijk wordt hij zelf ook ziek. Want door geen vragen te stellen, houdt hij op een kritische waarnemer te zijn, een wetenschapper. Hij legt zijn zwaard neer en buigt de knie als een gelovige.

De ontmoeting tussen kunst en wetenschap is van vrij recente datum. In feite was de kunst het laatste gebied van de materiële werkelijkheid waarop de wetenschap haar oog liet vallen. Dat scherpe, analyserende oog trof de kunst echter als een speer en kwetste haar diep. In de 20ste eeuw werd de wonde duidelijk zichtbaar: de kunst viel nauwelijks nog te herkennen. Maar de wetenschap was niet ontzet over wat ze zelf had aangericht, integendeel, ze juichte. Ze bewonderde zichzelf ongegeneerd in de spiegel van de kunst en was zich van geen kwaad bewust. Daardoor hield ze echter op een wetenschap te zijn. De nuchtere Ahriman vermengde zich met de narcistische Lucifer en samen verlamden ze zowel de scheppingskrachten van de mens als zijn oordeelskrachten. Als gevolg daarvan zit de mens vandaag in de greep van de materie en hij beseft het niet eens want daarvoor is hij te zeer ingenomen met zichzelf. Hij is zowel een dodelijk gewonde Visserkoning als een Parsifal die daar geen oog voor heeft. 

Uitgerekend in de ontmoeting tussen beide tegenpolen vieren de tegenmachten hun grootste triomf. Kunst en wetenschap zijn in hun greep geraakt doordat de grens tussen beide overschreden werd en ze zich met elkaar vermengden. Maar in de graallegende wordt van Parsifal juist verwacht dat hij de grens overschrijdt, dat hij de Visserkoning niet vanop eerbiedige afstand bewondert, maar hem als een gelijke beschouwt, als een mens die ziek is en hulp nodig heeft. Hoe moeten we dat begrijpen? Stelt de graallegende de zaken misschien verkeerd voor? Of is het onzin de hedendaagse problematiek te willen herkennen in een middeleeuws verhaal? Rudolf Steiner beweerde nochtans dat de graallegende voor onze tijd geschreven is en dat de Parsifalweg de weg van de moderne mens is. Het enorme succes van (moderne) kunstwerken die de zoektocht naar de graal tot onderwerp hebben, bevestigt dat. We herkennen onszelf onbewust in de graallegende, diep vanbinnen weten we dat we allemaal Parsifals zijn. 

Volgens de graallegende moet de speer die de wonde sloeg haar ook genezen. Het ‘grensoverschrijdende’ gedrag van de wetenschap is niet alleen de oorzaak van de ziekte van de moderne mens, het is er ook de remedie voor. De wetenschap mag zich dus niet terugtrekken, ze moet juist doordringen tot de kern van de kunst. Ze moet ‘door het dal’, Per-ce-val. De kunst is inderdaad het Waterloo van de wetenschap: hier lijdt ze haar grote nederlaag. Maar wat een geweldige nederlaag is het niet als de wetenschap zichzelf herkent in het wezen van de kunst, als ze zelf een kunst wordt! Dat is ook waar de kunst op wacht: dat ze gekend wordt in haar diepste wezen. Maar dat kennen kan nooit het scherpe, vernietigende kennen van de moderne wetenschap zijn. Het moet een wetenschap zijn die zich bevrijdt van Ahriman, die zich zuivert van zijn machtswellust. Op die meevoelende, mede-lijdende wetenschap wacht de zieke kunst, de zieke mens, de zieke wereld van onze tijd. 

Er is nog een ander beeld dat hier betrekking op heeft. In de Apocalyps – het bijbelboek dat betrekking heeft op onze tijd – lezen we dat er een teken in de hemel wordt gezien, dat er met andere woorden een oerbeeld zichtbaar wordt: een vrouw schreeuwt in barensnood en voor haar staat de draak die het kind wil verslinden zodra het geboren wordt. Dat kind is een zoon, ‘van het mannelijk geslacht’ wordt er ten overvloede aan toegevoegd. In moderne oren klinkt dat waarschijnlijk sexistisch, maar mythische, religieuze, kunstzinnige beelden als deze mogen nooit letterlijk worden genomen. Ze verwijzen naar geestelijke realiteiten. De mannelijkheid waar hier de nadruk wordt op gelegd, is mijns inziens die van de Logos, van het heldere, rationele kennen dat de ‘remedie’ is voor het lijden van de zwangere vrouw, een kosmisch wezen dat de hele schepping lijkt voor te stellen. De nieuwe wetenschap moet met andere woorden geboren worden uit de kunst. De oude wetenschap moet doordringen in de kunst, sterven in de kunst en er weer uit opstaan als een wetenschap die tegelijk een kunst is. 

Met dit apocalyptische oerbeeld kom ik aan een grens. Mijn rationele denken kan zich niet langer staande houden in deze ‘vrouwelijke’ sfeer van de oerbeelden. Er komt te veel samen, er duiken te veel verbanden op. Deze geestelijke sfeer opent tal van nieuwe mogelijkheden, maar vormt tegelijk ook een reële bedreiging voor het bewustzijn. Daarvan getuigt eigenlijk alles wat vandaag gebeurt. Er worden inderdaad ‘tekens in de hemel’ gezien, dat wil zeggen: de moderne mens neemt geestelijke beelden waar. Maar hij kan ze niet verbinden met zijn wakkere bewustzijn en daardoor hebben ze een onbewuste, instinctieve uitwerking. Ze vermengen zich met alles wat nog onzuiver is in de mens, met alle gevolgen van dien. Doordringen in deze geestelijke sfeer betek ent dan ook doordringen in de duistere gebieden van de eigen ziel. Het plaatst de mens voor de Parsifal-opgave om zijn ziel te zuiveren, om haar te slijpen tot een edelsteen, tot een graal die in staat is de geest op te nemen zonder eronder te bezwijken. En dat is niet het werk van één dag …

Skopiumschuivers

  

In de Zwarte Zaal van het Gentse KASK (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) loopt momenteel een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van Studio Skoop, de alternatieve filmzaal waar je de ‘betere’ film kan gaan zien, de zogenaamde arthouse-film. Studio Skoop vormt in Gent de tegenhanger van de Decascoop, het grote bioscoopcomplex waar bijna uitsluitend Hollywoodfilms gedraaid worden. Het verschil tussen die twee is enorm. De Decascoop telt 12 zalen waarvan de kleinste groter is dan de grootste van Studio Skoop. Het is een ultramodern complex waar je in het weekend over de koppen kunt lopen. Vanuit alle richtingen stromen de – meestal jonge – mensen dan toe en het is drummen geblazen om binnen te raken. Op hetzelfde moment staat voor de ouderwetse kassa van Studio Skoop een mager rijtje – vaak oudere – mensen aan te schuiven om even later in een groezelig zaaltje naar een Europese of Aziatische film te gaan kijken. 

Beide bioscopen belichamen de tegenstelling tussen Amerika en Europa, tussen jong en oud, tussen commercie en kunst, tussen mainstream en alternatief, tussen conservatief en progressief, tussen ontspanningszoeker en meerwaardezoeker, tussen rechts en links zeg maar. Mijn voorkeur is altijd ondubbelzinnig uitgegaan naar de Decascoop. Daar kreeg je namelijk meer waar voor je geld. Je kon er niet alleen parkeren, de zalen waren ook ruimer, de zetels comfortabeler, het scherm groter, de geluidsinstallatie beter, en last but not least: er waren volop ijspralines, cornetto’s en popcorn voorhanden. Kortom, de filmbeleving was er veel intenser. Daar stond dan weer tegenover dat je er alleen maar oppervlakkig maakwerk te zien kreeg en geen diepgravende kunst zoals in de Skoop. Hollywood, dat was louter entertainment, voer voor de massa! Wie meer wilde dan wat goedkoop amusement, die moest in Studio Skoop zijn. Tenminste, zo werd daar in beschaafde kringen over gedacht.

Aangezien ik mezelf tot die beschaafde kringen rekende, nam ik die overtuiging gewoon over. Ik ging zelfs nog een stap verder: ik ging helemaal niet meer naar de film. Als student had ik dat nochtans heel graag gedaan: eerst een goeie film zien en er daarna op café over napraten: wat kon een jongmens zich meer wensen (of permitteren)! Maar langzamerhand kreeg ik mijn buik vol van de moderne cinema. Die leek me steeds meer om sex en geweld te draaien. Dus bleef ik liever thuis met een boekje in een hoekje. Radio en televisie had ik al vroeger buitengezwierd. Die waren in hetzelfde bedje ziek als de film. En zo werd ik ouder en wijzer, bedaagder en beschaafder. Tenminste dat dacht ik. Want toen ik op een keer toevallig in de Decascoop terechtkwam, op zoek naar iets om mijn gedachten stop te zetten, gingen mijn ogen open. Ik had me vergist. Hollywood was niet (enkel) de geestdodende filmfabriek, het was heel wat meer dan dat, en dat ‘meer’ zag ik nu heel duidelijk.

Ik begon weer naar de cinema te gaan, en ik ging zowel naar de Decascoop als naar Studio Skoop. Want ik zag geen reden waarom het ‘meer’ dat ik in de Amerikaanse film had ontdekt, niet ook in de Europese film te vinden zou zijn. Maar ik vergiste me. De zogenaamde ‘betere’ film die ze in Studio Skoop draaiden, bleek in werkelijkheid de slechtere film te zijn. Aanvankelijk weigerde ik dat te geloven. Maar ik kwam steeds weer van een kale reis thuis. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken was de zogenaamde arthouse-film gewoon een minderwaardige film, vergeleken met de commerciële blockbusters van Hollywood. Ze waren niet alleen slechter gemaakt, ze gingen vaak ook helemaal nergens over. Het oude, verwaarloosde huis aan het Sint-Annaplein waarin Studio Skoop gevestigd was, weerspiegelde de films die er werden gedraaid: ze waren uitgeleefd, ze waren niet meer van deze tijd. Ze beschouwden zichzelf als progressief en vernieuwend, maar in werkelijkheid waren ze precies het omgekeerde: verleden tijd.

Maar wat is het dan dat Amerika wel heeft, en de Europese film niet (meer)? In één woord: geest. Uiteraard produceert Hollywood veel ongeïnspireerd maakwerk, dat hoeft geen betoog. Maar is het ooit anders geweest? Echte, geïnspireerde kunst is altijd zeldzaam geweest, en dat is ze ook in de Amerikaanse filmindustrie. Maar ze is er wel. Hollywood heeft verbluffende meesterwerken voortgebracht. Je moet al ver in het verleden teruggaan om dat soort inspiratie aan te treffen in de kunst. Hoe vreemd het ook moge klinken, in Hollywood is een kunstzinnige geest werkzaam die in Europa al lang niet meer te vinden is. En het is dezelfde geest die Europa groot heeft gemaakt, een door en door christelijke geest. In Europa is hij gestorven, maar in de Amerikaanse filmkunst, in het beste van Hollywood, is hij opnieuw verschenen, in een geheel nieuwe, eigentijdse gedaante. Dat was wat ik 25 jaar geleden, tot mijn eigen stomme verbazing ontdekte in de Gentse Decascoop. 

Het betekende voor mij een enorme bevrijding, want ik hield hartstochtelijk van de Europese kunst. In mijn ogen was ze met geen andere te vergelijken en dat kwam door haar christelijke karakter. Toen ik die zo kunstzinnige geest in de 20ste eeuw zag verdwijnen was ik daar het hart van in. Waar ik ook zocht, ik kon hem niet meer vinden. Ik zag de Europese kunst voor mijn ogen in elkaar storten, en alsof dat nog niet erg genoeg was, werd het ook nog eens op gejuich onthaald. De dood van de Europese kunst werd beschouwd als de geboorte van een nieuwe, universele kunst. Hoe meer de oude kunst verminkt, vernederd en vernietigd werd, des te luider klonk het applaus. Pas veel later zou ik begrijpen dat het een manier was om de dood van Europa niet onder ogen te hoeven zien. Het was een soort neo-Egyptisch ritueel: het lijk werd gemummificeerd, in een praalgraf gestoken en vereerd alsof er niks veranderd was. Maar er was wel degelijk iets veranderd, iets heel ingrijpends: in plaats van het leven vereerde men nu de dood.

Eén blik op de actualiteit volstaat om vast te stellen dat die verandering niet alleen in de kunst plaatsvond. De dood van Europa wordt vandaag toegejuicht als was het een nieuwe religie. Men kan zich niets spirituelers voorstellen dan het vernietigen van het oude Europa. Van overal stromen de doodskrachten toe om deel te nemen aan deze nieuwe wereldgodsdienst. Het is een demonisch spektakel dat een mens doet verstijven. De Europese cultuur, die in de loop der eeuwen richtinggevend is geworden voor de hele wereld, wordt momenteel afgebroken in de overtuiging dat dit afbreken het nieuwe opbouwen is. En in zekere zin is dat ook zo: er wordt met man en macht gebouwd aan een antichristelijk, anti-kunstzinnig wereldrijk. Simpel gezegd: Christus wordt vervangen door de Antichrist. En dat allemaal omdat men de dood van Christus, de dood van de geest die de Europese kunst en cultuur groot heeft gemaakt, niet onder ogen kan zien. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen dat hij kan sterven.

Toen ik de christelijke geest aantrof waar ik hem nooit had verwacht – in Hollywood – begreep ik ook dat men de dood van deze geest niet onder ogen kan zien omdat men niet gelooft in zijn wederopstanding, in zijn vermogen om de dood te overwinnen. Ik geloofde daar zelf ook niet in. Wat ik beleefde als de dood van de kunst was in mijn ogen zo verschrikkelijk dat de gedachte aan een wederopstanding niet in me opkwam. Bovendien werd ik omringd door mensen die geen verschil zagen tussen leven en dood, die toejuichten wat ik verafschuwde. Hoe kon er uit zoveel ellende ooit nog iets goeds voortkomen! Nee, ik geloofde er niet meer in. Ik leefde in een wereld die ten onder ging, terwijl iedereen ervan overtuigd was dat we fantastische tijden beleefden. Dat laatste is ook de teneur van de tentoonstelling annex boek over de geschiedenis van Studio Skoop: wat een geweldige tijd was dat toch! Hier ontstond iets nieuws, hier ‘werden de bakens verzet in het door conservatieve krachten gedomineerde Vlaanderen.’

Het conservatieve Vlaanderen? Toen ik de Skoop bezocht, bestond dat Vlaanderen al lang niet meer, toch zeker niet in de kunst. Het was dood en verslagen. Maar men bleef hetzelfde plaatje draaien: de progressieve krachten moeten zich bundelen tegen het verstikkende conservatisme. Diep van binnen beseften de ‘progressieven’ nochtans dat ze tegen een imaginaire vijand vochten. Dat blijkt onder meer uit de geuzennaam die de oprichter van Studio Skoop bedacht voor zijn publiek (en die vandaag de titel van de tentoonstelling is): Skopiumschuivers. Wat kwam men zoeken in deze alternatieve arthouse-cinema? Niet de kunst van onze tijd, want die werd in de Decascoop gedraaid. Nee, men zocht er vergetelheid, verdoving, bedwelming, men zocht er opium-van-de-elite, want men kon de pijn van de stervende Europese geest niet verdragen. Men gaf er zich over aan zoete dromen over de superioriteit van de Europese geest en de inferioriteit van alles wat uit Amerika kwam. 

En dat doet men vandaag nog altijd, meer dan ooit zelfs. Want de Skopiumschuivers van weleer hebben het nu voor het zeggen, in de filmwereld, in de kunstwereld, in de wereld tout court. We worden (om de tuin) geleid door verslaafden, door druggebruikers die steeds weer nieuwe bedwelmende middelen creëren om de pijn te verdoven die veroorzaakt wordt door het sterven van de Europese geest, de geest van onze beschaving. Dat is een diepe en blijvende pijn die alleen genezen kan worden door het geloof in de opstanding. Dat geloof heb ik gevonden waar ik het nooit verwacht had: in de Decascoop. Maar daar zul je zelden een Skopiumschuiver tegenkomen, en zelfs als dat gebeurt, blijft hij blind voor wat daar te zien is. Hij is immers beneveld, bedwelmd door zijn eigen superioriteitswaan die hem belet om de pijn, de angst en de vernedering te voelen die diep in zijn ziel leven, waar hij deel heeft aan dat verschrikkelijke sterven van de Europese geest

Daar moest ik dus aan denken toen ik las over de ‘Skopiumschuivers’. Het is al een eeuwigheid geleden dat ik nog in Studio Skoop ben geweest, maar er is sindsdien niks veranderd. De beschaafden, de intellectuelen, de kunstliefhebbers zijn nog altijd even zelfgenoegzaam, even bedwelmd, even verslaafd. Nee, Europa gaat niet ten onder aan het sterven van de Europese geest, maar aan het onvermogen om dat sterven onder ogen te zien. Uiteindelijk is dat onvermogen niets anders dan een gebrek aan liefde. Wie de Europese, christelijke geest werkelijk liefheeft, lijdt en sterft samen met hem. Wat we vandaag overal zien, is de Petrus-reactie: ik ken die man niet, ik ben nooit zijn leerling geweest! Het is de reactie van de gewone man, de angstige mens die zijn wereld uiteen ziet vallen en in paniek raakt. Daarom is het zo tragisch dat we deze reactie aantreffen bij de elite, bij de intelligentsia, bij degenen die de Europese geest zouden moeten verdedigen. Wat een droevig schouwspel, die Skopiumschuivers!