Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2013

Van twee naar drie (2)

In deel (1) van ‘Van twee naar drie’ heb ik proberen uit te leggen dat driegeleding niet compleet is – lees: niet leeft – als ze niet verbonden is met tweegeleding.

Dat komt mijns inziens tot uiting in de Grondsteenspreuk, die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven formuleerde en die de hele antroposofie in een notedop bevat.
Deze spreuk-der-spreuken bestaat uit een drieledig gedeelte (drie keer ‘O mensenziel’) en een tweeledig gedeelte (over de koningen en de herders).
Zowel het onderscheiden als het verbinden van deze twee werelden – de drieledige en de tweeledige – blijkt nog altijd een struikelblok.
Ook Henk Verhoog belicht in zijn boek ‘Al het goede komt in drieën’ uitvoerig het drieledige luik van de Grondsteenspreuk, maar wijdt aan het tweeledige luik slechts een paar terloopse regels.
En hij is geen uitzondering.
De stiefmoederlijke behandeling van het ‘tweeledige luik’ is in de antroposofische wereld de regel.

De tweeledige, dualistische wereld is de aardse, materialistische wereld van vandaag.
De drieledige wereld is de spirituele antroposofische wereld.
En het water tussen beide is te diep.
Er gaapt een diepe kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld.
Maar die kloof loopt ook dwars door de antroposofie heen.
Het is de kloof tussen driegeleding en tweegeleding.
Het is ‘de wonde van de visserkoning’.
Het is de onmacht die men wel beleeft, maar niet onder ogen ziet.
De moderne antroposoof komt er niet toe de verlossende Parsifalvraag te stellen.
En dus dwaalt hij eenzaam rond in de moderne wereld, terwijl de antroposofie een kwijnend bestaan leidt, niet in staat om overeind komen, laat staan om de wereld redden.

20131031-160459.jpg

De Parsifalvraag is eigenlijk een vraag van een ‘herder’ aan een ‘koning’.
Zij luidt: Sire, wat scheelt er met u?
Men begrijpt meteen het probleem: zoiets vraag je niet aan een koning.
En zeker niet als ‘dwaze’ herder.

De driegeleding is het kroonjuweel van de antroposofie, en dat wil men niet in tweegelede handen laten vallen.
De tragiek is echter dat Parsifal, de ‘reine dwaas’, geroepen is om die kroon op zijn hoofd te zetten.
En dat kan hij niet, zolang hij de verlossende vraag niet heeft gesteld.

Ik wil hier eens proberen om die Parsifalvraag te stellen, en dus een brug te slaan tussen de aardse, herderlijke tweegeleding en de hemelse, koninklijke driegeleding. Het zal ‘koninklijke’ antroposofen misschien in het verkeerde keelgat schieten, maar de kans dat deze ‘dwaze’ blog lezen is niet bijster groot.

In deel (1) heb ik een en ander in abstracto gedaan, in deel (2) wil ik een stapje verder gaan.

Ik begin met een korte schets van de Weihnachtstagung, de fameuze kerstbijeenkomst van 1923 in Dornach, waarop Rudolf Steiner de Grondsteenspreuk formuleerde en beide werelden – de wereld van de exoterische tweegeleding en de wereld van de esoterische driegeleding – met elkaar verbond.

Rudolf Steiner nam daarmee het grootste risico van zijn leven.
Hij deed iets wat nog nooit gedaan was.
Hij doorbrak de eeuwenoude esoterische wet die zei dat spirituele en wereldse zaken gescheiden moesten blijven.
Daarom was Steiner zelf geen lid van de Antroposofische Vereniging.
Hij liet zich niet in met het bestuur en de werking ervan.
Hij was de geestelijke leraar, hij nam alleen de spirituele kant voor zijn rekening.
De materiële kant moest door anderen worden opgenomen.

Maar die anderen maakten er een potje van, zelfs in die mate dat Steiner het niet meer zag zitten en wilde kappen met de hele vereniging.
Hij overwoog ernstig om zich samen met een paar leerlingen terug te trekken en alleen nog met hen verder te werken.
De malaise bereikte een hoogtepunt toen het Goetheanum op nieuwjaarsavond 1923 in brand werd gestoken.
De brandstichter kwam van buitenaf (een katholieke priester), maar de brandstof, aldus Steiner, kwam van binnenuit.
Ze bestond uit een mengsel van hoogmoed, sektarisme en bureaucratische verstarring.
Dat kwam pijnlijk tot uitdrukking in de manier waarop de oude garde de jongere generatie behandelde.
Die oudere generatie bestond niet zelden uit ontwikkelde, aristocratische figuren, mensen die iets betekenden in de wereld en dat ook wisten.
Zij hadden de Antroposofische Vereniging opgebouwd en daarbij heel wat weerstanden moeten overwinnen.
Ze waren trots op hun werk en wilden het niet zomaar in handen geven van een paar jonge blagen die van toeten of blazen wisten.
Veel van die jonge blagen kwamen recht van de slagvelden van de eerste wereldoorlog.
Ze hadden het inferno fysiek overleefd, maar hun ziel was diep geschokt.
Ze hadden het vertrouwen in de oude wereld verloren en zochten iets nieuws.
Dat vonden ze in de antroposofie.
Maar ze botsten op een Vereniging die nog helemaal volgens de oude hiërarchische structuren was opgebouwd.
Rudolf Steiner ervoer dat als een tragedie, want hij herkende in de jonge generatie degenen die de antroposofie in de wereld moesten plaatsen.
Hij koos dan ook hun zijde, maar kon en mocht niet ingrijpen in de Vereniging.

20131031-160603.jpg

De situatie toen is vergelijkbaar met de situatie vandaag.
De Antroposofische Vereniging is weliswaar veel groter geworden en heeft nu vertakkingen over de hele wereld, maar ook de geestelijke nood van de wereld is gegroeid en met name de jongere generaties snakken naar iets nieuws.
Ze zouden dat in de antroposofie kunnen vinden, maar ze botsen op een Antroposofische Vereniging die, net als 100 jaar geleden, vastgeroest is in oude vormen en haar sektarisme niet kan overwinnen.
Ik kan ervan meespreken, want ofschoon ik al 30 jaar een overtuigd en enthousiast antroposoof ben, heb nooit toegang gevonden tot de Antroposofische Vereniging.
Ik heb ooit op het punt gestaan om lid te worden, maar toen gebeurde er weer iets waarvan ik dacht: met dat soort mentaliteit wil ik niks te maken hebben.
Als ik soms naar een bijeenkomst of een voordracht ga (en dat doe ik hoogst zelden), dan lijkt het wel of ik in een ouderlingentehuis terechtkom.
Jonge mensen vormen de uitzondering op de regel.

De antroposofie spreekt nog altijd niet de taal van de wereld waarin ze leeft, zoals Steiner dat van haar verwachtte.
En dat is doodjammer, zowel voor die wereld als voor haarzelf.
Want die twee hebben elkaar nodig, meer dan ze beseffen.

Rudolf Steiner zag in het afbranden van het (eerste) Goetheanum een beeld van de toestand waarin de Antroposofische Vereniging verkeerde.
Het laaiende vuur was de luciferische hoogmoed en sektarische sfeer.
De zwarte assen waren de dode, bureaucratische structuren en de harteloosheid waarmee men de jongeren behandeld had.
Steiner kwam in een diepe crisis terecht, hoewel daar, zoals steeds, uiterlijk niet veel van te merken was.
Hij zag niet alleen het Goetheanum, maar zijn hele levenswerk ten gronde gaan.
De brand was slechts de buitenkant van een veel grotere innerlijke ramp.

Zoals gezegd worstelde Steiner met de vraag of het nog zin had om verder te doen.
Maar toen nam hij een onverwacht besluit.
Een jaar na de brand stak hij … zichzelf in brand.
In plaats van zijn handen af te trekken van de Vereniging, ging hij er middenin staan, midden in dat luciferische vuur van hoogmoed en sectarisme.
En door dat vuur werd hij verteerd.
Vijftien maanden later was zijn lichaam opgebrand en verast.
Maar dit keer was het geen vreemde (lucifer) die het vuur had aangestoken.
Steiner koos er zelf voor om in dat luciferische vuur te gaan staan.
Bovendien nam hij ook het kruis van het voorzitterschap op zich, met alle bestuurlijke beslommeringen en verantwoordelijkheden van dien.
En hij deed dat uit vrije wil, volkomen bewust van de gevolgen die het kon hebben.
Achteraf heeft hij meer dan eens gezegd dat hij wist niet of de goden zijn beslissing – die een overtreding van hun wetten inhield – zouden accepteren.
Als ze dat niet deden, zou hij niet alleen zijn leven verliezen, maar ook de zin ervan.
Al zijn werk zou dan vergeefs zijn geweest.

Tot zijn grote vreugde stemden de goden in met zijn besluit.
Het feit dat de draak onmiddellijk wraak nam, kon die vreugde niet doven.
Meteen na de Weihnachtstagung, nog tijdens het gezellig samenzijn na afloop, werd hij dodelijk ziek, vergiftigd volgens sommigen.
‘Als door een zwaardhouw getroffen’, zei zijn vrouw.
Steiner overleefde die slag slechts met de grootste wilsinspanning.
Het was het begin van zijn kruisweg.
De tijd die hem nog restte, werd één lange worsteling met de dood, een doodsstrijd die op een uiterst pijnlijke en vernederende manier eindigde.
Hij werd letterlijk gesloopt, en dat was hem ook aan te zien.
Maar terwijl zijn lichaam ‘opbrandde’, steeg zijn geest als een feniks tot steeds grotere hoogten.
In dat laatste jaar leverde hij zijn grootste geestelijke prestaties.
Hij onthulde toen ook het geheim van de oude en de jonge zielen, het geheim dat tot op de dag van vandaag onverteerbaar blijft voor de meeste antroposofen.
Het is hét tweeledige geheim bij uitstek.
De antroposofische beweging bestaat namelijk uit twee ‘soorten’ antroposofen: oude, koninklijke zielen en jonge, herderlijke zielen.
Andere zielen zijn er niet.

20131031-160811.jpg

Op dit geheim – het ontbreken van een antroposofisch midden – rust nog altijd een loodzwaar taboe.
Op alle mogelijke manieren wordt dit dualisme ontweken, genegeerd of gerelativeerd.
Ook Henk Verhoog doet dat.
Aan het eind van zijn boek schrijft hij:

‘Bij het maken van de opzet van dit boekje was ik niet van plan ook iets over stromingen binnen de antroposofische beweging te zeggen. De aanleiding om dit toch te doen, vormde de hernieuwde lezing van het boek ‘Over de redding van de ziel’ van Lievegoed.’

En in navolging van Bernard Lievegoed onderscheidt hij drie stromingen: de antroposofische stroming, de manicheïsche stroming en de rozenkruisersstroming.

Over oude en jonge zielen: geen woord.

Nochtans is deze tweedeling (en niet de driedeling) voorwaarde voor de antroposofische vrijheid. Want ze laat – in het midden – ruimte voor de vrije mens.
Tijdens zijn leven stond Rudolf Steiner in dit midden, tussen beide zielengroepen in, bemiddelend, verzoenend, verbindend.
Tijdens de Weihnachtstagung wérd hij zelfs dit midden: de levende trait d’ union tussen de oude en de jonge zielen.
Toen hij een half jaar later het geheim van de twee zielentypes onthulde, was dat in feite zijn ‘nieuwe testament’.
Want hij wist dat er na zijn dood een gat zou vallen in het midden van de vereniging, en hij wilde zijn leerlingen het werktuig geven waarmee ze dat gat konden dichten.
Zijn ‘oude testament’ – de driegeleding – zou daarvoor niet volstaan, want het veronderstelde een (bestaand) middengebied, en dat zou er dan juist niet meer zijn.
Hij wilde zijn leerlingen tonen hoe ze, vanuit het dualisme dat na zijn dood zou ontstaan, weer tot een driegelede Antroposofische Vereniging zouden kunnen komen.
Dat dualisme was er vóór de Weihnachtstagung trouwens ook al.
Het was de oorzaak van de grote crisis in de vereniging: er was geen midden.
Oude en jonge zielen slaagden er niet in overeen te komen en samen te werken.
En dus werd Rudolf Steiner zelf dat midden.

Het was zijn navolging van Christus.
Zoals Christus de Vader verliet om een mens van vlees en bloed te worden, zo verliet Steiner de driegelede wereld van de geest om voorzitter te worden van een (in twee) verdeelde aardse vereniging.
Toen hij na zijn dood weer terugkeerde naar de geestelijke Vaderwereld, was het aan zijn volgelingen om zijn – christelijke – voorbeeld te volgen en zelf ‘midden’ te worden.

Zoals Steiner Christus navolgde, zo worden antroposofen verondersteld Steiner na te volgen, en eveneens de stap van de (geestelijke) driegeleding naar de (aardse) tweegeleding te zetten.
Het is de stap naar de ‘menswording’ van de antroposofie.
Naast een aangelegenheid van het hoofd en de wil, wordt ze nu ook – en vooral – een aangelegenheid van het hart.
De paradox is dus dat door de stap naar de tweegeleding te zetten, de antroposofie opnieuw drieledig wordt.
Haar midden dat door de dood van Steiner leeg achterbleef, wordt dan weer ‘bemand’ en veroverd op de draak.
De stap van driegeleding naar tweegeleding is dus tegelijk een stap van tweegeleding naar driegeleding.
Het is een stap van het (antroposofische en dus drieledig denkende) hoofd naar het (tweeledige) hart, een stap die de mens weer heel zal maken en hem doen stralen als een vijfvoudige ster.
Het is ook een stap over de kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld, want het licht van die ster zal schijnen in de moderne duisternis en waargenomen worden door al wie zoekende is.
Het is, kortom, een stap over de drempel, en dat is een stap die alleen in vrijheid kan worden gezet.

20131031-161806.jpg

Het is in dat verband bijna ontroerend om zien hoe omzichtig Rudolf Steiner omgaat met de vrije wil van zijn leerlingen.
Enerzijds legt hij de grootst mogelijke nadruk op het oude- en jonge-zielenthema.
Hij brengt het zelfs in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving.
Anderzijds noemt hij de onthulling van dit geheim een ‘intermezzo’, alsof het een soort entr’acte is, een pauze, een moment van ontspanning en gezellig samenzijn.
Hij laat het als het ware aan zijn toehoorders over om dit begrip in de letterlijke of figuurlijke zin te begrijpen.
In de figuurlijke zin is een intermezzo iets waar je geen aandacht moet aan besteden.
In de letterlijke betekenis is het de vrije ruimte tussen twee bedrijven in, en als zodanig het sluitstuk, het hart van de hele antroposofie.

Over dat hart spreekt Steiner op waarlijk Michaëlische toon.
Enerzijds slaat hij spijkers met koppen en brengt hij de oorzaak van de voorbije (en toekomstige) malaise in de vereniging aan het licht.
Hij strijdt met de draak en ontmaskert hem, tot ontzetting van zijn publiek.
Anderzijds spreekt hij bijna badinerend over een intermezzo, alsof het niet om een hevige strijd maar om een spel gaat, dat opgewekt en vrolijk moet gespeeld worden.

We mogen niet vergeten dat de draak uitgerekend tijdens zo’n ‘intermezzo’ Rudolf Steiner een dodelijke slag toebracht, namelijk tijdens het gezellig samenzijn na afloop van de Weihnachtstagung, tussen de thee en de koekjes zeg maar.
Het was een voorafspiegeling van wat er na zijn dood zou gebeuren.
Want ook toen sloeg de draak verwoestend toe op een moment waarop niemand het verwachtte, namelijk onmiddellijk na afloop van de ‘begrafenisplechtigheid’, het moment waarop het gezelschap zich naar de koffietafel begeeft.

De draak sloeg toe als een Schorpioen en raakte heel precies de achillespees van de antroposofische beweging: het lege midden tussen beide zielengroepen.
In die vrije ruimte raasde hij als een herfststorm door Dornach en rukte er alle bladeren af.
De meest vooraanstaande leerlingen van Steiner stonden er opeens in al hun kleinmenselijke naaktheid.
De Antroposofische Vereniging ontmoette haar dubbelganger en raakte in zijn greep.
Ze kon hem niet onder ogen zien.
En dat kan ze nog altijd niet.
Het vernederende fiasco roept onbewust nog altijd diepe schaamte op.
Instinctief wordt de hele kwestie uit de weg gegaan.
En dat heeft niet alleen tot gevolg dat de antroposofische beweging voor de drempel blijft staan, maar ook dat de wereld aan de overkant – de moderne, in duisternis dwalende wereld – het zonder licht moet doen.

Noblesse oblige.

De antroposofische beweging heeft een roeping.
Ze is niet verplicht die te volgen, want ze is vrij.
Maar de gevolgen moet de hele wereld dragen.
Want die wereld heeft de antroposofie nodig.
Ze wacht tot de antroposofie de stap over de drempel zet en haar de helpende hand reikt.
Ze wacht tot de antroposofie een hart krijgt en begint te stralen in de duisternis.

20131031-162023.jpg

Op het keerpunt der tijden
Betrad het wereldgeesteslicht
De aardse wezensstroom.
Nachtduister
Heerste niet langer,
Daghelder licht
Straalde in mensenzielen.
Licht,
Dat verwarmt
De arme herdersharten.
Licht,
Dat verlicht
De wijze koningshoofden.

Goddelijk licht,
Christuszon,
Verwarm
Onze harten.
Verlicht
Onze hoofden.
Dat goed worde
Wat wij
Vanuit ons hart oprichten,
Wat wij
Vanuit ons hoofd leiden
Willen.

(Grondsteenspreuk, tweede luik)

Advertenties

Bart De Wever en het dualistische denken

Tweegeleed denken is niet hetzelfde als dualistisch denken.
Denken doe je sowieso in tegenstellingen: ieder begrip dat je gebruikt heeft zijn tegengestelde.
Wit bestaat niet zonder zwart, licht niet zonder duisternis, positief niet zonder negatief.
Zonder de wereld in twee te delen, kun je eenvoudig niet denken.
Daarom wordt er in de geestelijke wereld ook niet gedacht (althans niet zoals wij dat doen).
Denken is alleen mogelijk in een materiële wereld, waar je alles in twee kunt delen.
Deelbaarheid is de meest fundamentele eigenschap van de materie.
De geest daarentegen is één en ondeelbaar.

Het resultaat van ‘materieel’ denken is: bewustzijn.
We worden wakker door te denken in tegenstellingen.
Dat denken verloopt steeds op dezelfde manier: pendelend tussen twee tegengestelde polen.
Maar het resultaat van dat denken verandert wel: we worden steeds wakkerder, ons bewustzijn blijft groeien.
In dat bewustwordingsproces bereiken we echter een kritiek punt wanneer we ons bewust worden van het denken zelf.
Dan kan het twee kanten uit:
ofwel bereiken we een hoger denken en gaat de bewustwording gewoon verder,
ofwel begint het denken zichzelf te vernietigen en verliezen we langzaam het bewustzijn.
Dat kritieke punt hebben we vandaag bereikt.
Ofwel worden we ons bewust van ons (tweegelede) denken.
Ofwel blijven we onbewust (dualistisch) denken.
In het eerste geval worden we ons bewust van de geestelijke werkelijkheid (die werkzaam is in ons denken).
In het tweede geval blijven we de wereld in twee delen en vergeten dat.
We zien dan slechts één van beide delen en roepen het tot de enige echte werkelijkheid uit.

Dat zien we momenteel op éclatante wijze in het materialisme.
De moderne mens verdeelt de wereld in materie (de zintuiglijke buitenwereld) en geest (de innerlijke wereld van zijn eigen denken) en ‘vergeet’ dat hij dat doet.
Hij komt niet tot bewustzijn van zijn eigen denken (en de ‘verdelende’ of onderscheidende geest die daarin werkzaam is) en beschouwt de materiële wereld als de enige werkelijkheid.
Het resultaat van deze ‘vergetelheid’ is dat de moderne mens langzaam het bewustzijn verliest zonder zich daar bewust van te zijn.
Hij valt bij wijze van spreken in slaap en denkt dat hij wakker is.
Ja, hij denkt nu pas echt wakker te worden en de wereld eindelijk te zien zoals hij werkelijk is: een verzameling atomen, een hoop dood stof.
Het resultaat van dit slapend wakker-zijn is dat de mens zichzelf – en de hele beschaving die hij opgebouwd heeft – aan het vernietigen is.

20131031-151425.jpg

Ik heb in deze Scorpio-tijd de neiging om een adelaarsperspectief in te nemen en de wereld van op grote hoogte te bekijken.
Je ziet dan wel de grote lijnen, maar tegelijk wordt alles heel abstract.
Dus wil ik de zaken ook eens wat concreter bekijken, vanuit het schorpioenperspectief zeg maar.
U zult het verschil meteen merken, maar hopelijk ook de gelijkenis.

De moderne werkelijkheid dringt vandaag hoofdzakelijk tot ons door via de media.
Zij zijn het die ons vertellen wat zich in de wereld afspeelt.
Althans, dat is de bedoeling: kranten worden verondersteld een objectief en onpartijdig beeld te geven van de werkelijkheid waarin we leven.
Maar de mensen die deze kranten maken, denken dualistisch.
Ze delen de werkelijkheid in twee, kiezen één van beide delen, en schotelen ons dat voor als een objectief beeld van de hele werkelijkheid.

De berichtgeving in de Vlaamse kranten is op het eerste gezicht zeer verscheiden en evenwichtig. Alles en iedereen komt er aan bod.
Wie echter wat afstand neemt, ziet dat er een rode draad door die berichtgeving loopt.
Letterlijk en figuurlijk.
De Vlaamse kranten zijn rood, dat wil zeggen links.
Alles wat rechts is, steken ze in de verdomhoek.
Ze hebben dit jaar slechts één doel: Bart De Wever zwart maken.
Er gaat vrijwel geen dag voorbij of er staat een artikel in de krant dat BDW en zijn N-VA in een kwaad daglicht plaatst.
Soms zijn het twee artikels, of drie, of meer.
In het begin van het jaar heb ik eens vijf artikels in één krant gelezen, allemaal over Bart De Wever en allemaal negatief.
Had de man iemand vermoord?
Had hij zijn tegenstanders opgeloten achter een ‘cordon sanitaire’ of hen op een andere onoirbare manier het zwijgen opgelegd?
Niets van dat alles.
Hij had, als burgemeester van Antwerpen, geweigerd om – op voorstel van een literair genootschap – het Pieter De Conickplein om te dopen tot Herman De Coninckplein. En hij had de euvele moed gehad het een onnozel voorstel te noemen.
Dat was het natuurlijk ook. Het was gewoon een valstrik, een zoveelste poging om hem in diskrediet te brengen, een voorwendsel om hem aan te vallen.
De kranten lieten die kans niet liggen en het regende ‘kritische’ artikels en negatieve commentaren die BDW afschilderden als een cultuurbarbaar. Een of andere linkse hoogleraar begon zelfs te schelden en riep in een open brief FUCK YOU naar de Antwerpse burgemeester, die op zijn beurt een mailtje stuurde naar de rector van de universiteit met de vraag of professoren niet een minimum aan beschaving dienden hoog te houden.

20131031-151528.jpg

Het was een beschamend spektakel.

En natuurlijk werkte het contraproductief.
Je kunt niet anders dan sympathie voelen met iemand die voortdurend in de hoek staat waar de klappen vallen.
En dus temperden de kranten hun offensief.
Maar het werd wel voortgezet.
En zo blijven de kranten vrijwel dagelijks artikels produceren waaruit moet blijken dat BDW op zijn retour is, dat hij ‘het’ niet meer heeft, dat de mensen zijn truukjes moe zijn, dat er onenigheid is in zijn partij, dat het onmogelijk is met deze man samen te werken, enzovoort, enzovoort.
Men heeft het geweer dus van schouder gewisseld en een meer luciferische toon aangeslagen, maar het beeld blijft hetzelfde: Bart De Wever is het vleesgeworden kwaad is, een sluw monster dat ligt te wachten tot het kan toeslaan en België verscheuren.

Dit is al lang geen journalistiek meer, dit is een poging tot karaktermoord, een moderne lynchpartij: Bartje moet hangen!
Ik heb al meermalen het plan opgevat om dagelijks een inventaris te maken van alle artikels die in de kranten over BDW verschijnen, kwestie van harde bewijzen te hebben.
Want de anti-BDW-ers (en daartoe behoren zowat alle Vlaamse intellectuelen) zijn zich totaal niet bewust van wat ze doen.
Ze zijn ervan overtuigd een objectief en onpartijdig beeld te geven van de politieke werkelijkheid in dit land.
Als je hen erop wijst dat ze uiterst subjectief en partijdig zijn, reageren ze verontwaardigd en beschuldigen je ervan de zaken om te keren.
Ze beweren zelfs dat Bart De Wever de held is van de media, dat niemand hem een strobreed in de weg durft te leggen en dat het dus absoluut noodzakelijk is dat er tegenwind wordt gegeven.

Kijk, dit is dualistisch denken in de praktijk.
De politieke wereld wordt opgedeeld in links en rechts.
Vervolgens wordt links voorgesteld als goed en rechts als kwaad.
Ieder mens van goede wil heeft derhalve de morele plicht links te zijn en rechts te bevechten.
En dat vechten wordt niet gezien als een worsteling om tot een evenwicht te komen.
Nee, het is de bedoeling dat het (rechtse) kwaad wordt uitgeroeid.
Want men wil een nieuwe, betere wereld, een wereld waarin het kwaad niet meer bestaat.
Dat is het visioen van deze dualisten, het doel dat ze nastreven: een wereld die één is, een wereld van vrede, waar geen tegenstellingen en spanningen meer bestaan.
Een ‘geestelijke’ wereld, zeg maar.
En om die wereld tot stand te brengen zijn Nobelprijswinnaars voor de vrede bereid om mensen, volkeren en landen die ze als ‘kwaad’ bestempelen plat te bombarderen.

Het dualistische denken is dus een materialistisch denken dat aangevuurd wordt door een spiritueel streven: het creëren van een hemel op aarde.

20131031-151657.jpg

Die heerlijke nieuwe wereld zien we momenteel in de Vlaamse kranten opdoemen.
Het kwaad – in de persoon van de duivelse Bart De Wever (onze Vlaamse Saddam Hoessein of president Assad) – wordt dag in dag uit gebombardeerd met vernietigende woorden.
Het is een gewoonte geworden, niemand kijkt er nog van op.
Bombarderen is vanzelfsprekend geworden.
Ontmenselijken is het nieuwe geestesleven.
Wie niet meedoet, is geen weldenkend mens.

Dit is het ware gelaat van het moderne dualistische denken.
Maar daarachter doemt een ander gelaat op: dat van Ahriman.
De verborgen boodschap achter dat dagelijkse bomnarderen van Bart De Wever, is de idee dat één man in staat is een heel land in de afgrond te sleuren.
Dat is het spookbeeld dat op BDW wordt geprojecteerd: hij wil België vernietigen.
Maar als één enkele man daartoe in staat is, moet er dan ook geen man zijn die in staat is tot het tegenovergestelde?
Moet er niet ook een man zijn die in zijn eentje het kwaad kan vernietigen?
Ons dualistische denken doet dat tegenbeeld automatisch opkomen.
Door het beeld van de baarlijke duivel buiten ons te projecteren, komt in onszelf het beeld op van Michaël, de engel die in zijn eentje de draak verslaat.
En met dat beeld identifceren we ons dan.

De anti-BDW-ers beschouwen zichzelf onbewust als Michaëlstrijders die het kwaad bevechten.
Hoe meer ze BDW beschuldigen van alles wat slecht is, des te stralender wordt hun eigen morele superioriteit.
En wee degene die aan die superioriteit twijfelt!
Hij wordt vol verontwaardiging afgeschilderd als een medestander van de draak, een slecht en zelfs pervers mens die alles in zijn tegendeel keert.
Op die manier prent Ahriman zijn eigen beeld in onze ziel, een beeld waarmee we ons onbewust identificeren.
En het is een beeld van … Michaël die voortdurend in strijd is met de draak.
Ahriman vermomt zich als Michaël, en boort daardoor onze diepste krachten aan, onze Ik-krachten.
Hij brengt er ons toe hem (onbewust) lief te hebben met hart en ziel.

Dat is het geniale kunststuk dat Ahriman vandaag dagelijks verricht in ontelbare mensen – schrijvers en denkers vooral – en waarmee hij zijn komst voorbereidt.
We kunnen eraan aflezen hoe zijn wereld er zal uitzien: het zal een wereld zijn waarin onze moraliteit zal afgelezen worden aan de mate waarin we onze medemensen ontmenselijken.
We zullen aan karaktermoord slechts kunnen ontsnappen door zelf karaktermoorden te plegen.
Dat ontmenselijkingsproces is in de Vlaamse kranten reeds volop aan de gang.
Door Bart De Wever dag in dag uit te demoniseren, bezweren de journalisten hun eigen demon: de ahrimanische geest waardoor ze bezield worden.
Het is in feite één grote duiveluitdrijving.
Het kwaad in de eigen ziel wordt op de schouders van een zondebok geladen.

En hier duikt nog een derde gelaat op: dat van Christus.
De Vlaamse kranten zijn in feite een hedendaags Golgotha: Christus wordt er dagelijks aan het kruis gespijkerd door mensen die (onbewust) denken dat ze in naam van Christus handelen.
En dit onzichtbare Golgotha verbindt de mensen niet in liefde, maar verdeelt hen door haat.
Degenen die Bart De Wever aan het kruis slaan, zien in hem de draak en voelen zichzelf Michaël.
Degenen die partij kiezen voor de zondebok zien in Bart De Wever een Christusfiguur en in zijn belagers drakenfiguren.
En zo komen de ‘Christuszoekers’ en de ‘Michaëldienaars’ met getrokken messen tegenover elkaar te staan, in plaats van broederlijk samen te werken zoals Rudolf Steiner het verwachtte.

20131031-151824.jpg

Ahriman kan het mysterie van Golgotha dus in zijn tegendeel omkeren omdat het dualistische denken ons in slaap wiegt en blind maakt voor de ware toedracht van de zaak.
En daar is maar één kruid tegen gewassen: we moeten ons bewust worden van het dualistische denken, we moeten met andere woorden ‘tweegeleed’ leren denken.
Tweegeleed denken is bewúst dualistisch denken.
Het is in de huid van de draak kruipen en IN dat dualistische denken wakker worden.
Het is de Michaël-weg en een andere is er niet.
We kunnen immers niet tégen het dualistische denken ingaan, want dan creëren we gewoon een nieuw dualisme.
We brengen onszelf dan in slaap.
En dat is precies wat Ahriman wil: hij wil ons denkend doen inslapen.
Daarom daagt hij iedereen uit om tegen hem te vechten, om het kwaad uit te roeien, om een nobele Michaëlstrijder te worden, blinkend van morele superioriteit.
Maar de echte Michaël wil de draak niet vernietigen.
Hij wil ook niet schitteren als een moreel superieure figuur.
Hij wil IN de huid van de draak kruipen en hem van binnenuit bevechten door (ondanks alles) wakker te blijven.
Het is deze wakkerheid die de draak overwint en die hem van binnenuit transformeert tot een ‘hogere’ wakkerheid: de wakkerheid voor de geest.

Wakker worden voor de geest doen we dus door wakker te worden IN de draak, door bewust dualistisch te leren denken.

En dat doen we bijvoorbeeld door in de politiek links en rechts tegenover elkaar te plaatsen en geen partij te kiezen.
Bart De Wever is helemaal niet het vleesgeworden kwaad.
Maar hij is evenmin de lijdende Christus.
Zijn belagers zijn helemaal geen moreel superieure Michaëlstrijders.
Maar het zijn evenmin incarnaties van Ahriman.
De waarheid ligt in het midden’: het zijn allebei mensen die – ieder op hun manier – worstelen met het kwaad.

Dát is de drieledigheid waartoe het tweegelede denken voert, het bewuste dualistische denken dat het dualisme niet bestrijdt, maar erin kruipt en het doet ontwaken.

Want daar gaat het om: wakker worden.
Al de rest is lood om oud ijzer.

Schorpioen

20131029-134008.jpg

Het is alweer een hele tijd geleden dat ging luisteren naar een Nederlandse astroloog die in Gent kwam spreken. Ik herinner me niks meer van zijn voordracht, behalve dat hij op een bepaald moment zei: ‘ik zou over elk teken van de dierenriem een boek kunnen schrijven, behalve over de Schorpioen, daar heb ik twee boeken voor nodig.’

De Schorpioen is niet zomaar een teken.
Om daaraan te beginnen, heb ik een aanloop nodig.

Ik begin in juli, wanneer de zon nog hoog aan de hemel staat.
De aarde wordt dan als het ware platgedrukt onder het zonnegeweld.
Niets beweegt nog, ook de tijd niet.
Alles smelt samen tot één geheel dat zelfs de wolken niet kunnen verbreken.
In augustus komt de zon een beetje tot bedaren.
De aarde kan weer ademhalen.
Ze ligt er nog altijd onbeweeglijk bij, als een leeuw.
Maar ze ontspant zich, het ergste is voorbij.
De zon straalt nu een rustig gezag uit.
De wereld heeft een middelpunt gekregen.
Alle dingen krijgen hun plaats in het geheel.
Het is geen samengesmolten massa meer zoals in juli.

In september wordt dat geheel kleiner.
Het krijgt menselijke afmetingen.
De zon is nu niet meer de vurige minnaar die zich ‘on the top of the world’ voelt.
Hij is een rustige huisvader geworden die klusjes opknapt, terwijl zijn vrouw het huishouden bereddert, opgelucht dat ze ook weer aan het werk kan.
Het grote liefdeswerk is gedaan en nu begint het kleine.
De uiterlijke rust van de Leeuw wordt tot de innerlijke rust van de Maagd.
Terwijl binnenshuis rustige bedrijvigheid heerst, daalt buiten een betoverende stilte over de natuur.
Nog altijd is er eenheid tussen hemel en aarde, tussen binnen en buiten, tussen man en vrouw, maar de taken zijn nu keurig verdeeld.

In oktober beginnen zich duidelijk twee polen af te tekenen: de schalen van de Weegschaal.
Maar het is nog geen scheiding, want de schalen blijven met elkaar verbonden.
De zakelijke, huishoudelijke activiteit van Maagd wordt nu een kunstzinnige activiteit.
De polen wisselen elkaar ritmisch af, zoals een schilder ook telkens achteruit stapt om te kijken of het goed is.
De verinnerlijkte, vermenselijkte zon is nu tot een beeld geworden.
Zijn liefdeswerk is een kunstwerk geworden.
Een kunstwerk dat het scharnierende middelpunt vormt tussen de scheppende mens en de oordelende mens.
Oktober is de maand der beelden: het scheppen van beelden, maar ook het zien van beelden.

De louter zintuiglijke natuur van juli krijgt stap voor stap een innerlijke betekenis.
Haar geestelijke dimensie wordt langzaam zichtbaar.
Naast de ‘horizontale’ (natuurlijke) polariteit ontstaat nu ook een ‘verticale’ (geestelijke) polariteit: tegenover het scheppende middelpunt van de zon wordt nu ook een vernietigende pool zichtbaar: die van de draak.
Oktober is de Michaëlmaand: de strijd met de draak begint.
Maar die strijd speelt zich nog altijd af binnen een harmonisch, kunstzinnig geheel.
Michaël is de schitterend uitgeruste ridder die de draak volgens de regels van de kunst bevecht.

20131029-134035.jpg

Op het moment dat ik dit schrijf, woedt er buiten een herfststorm.
Donkere wolken jagen laag en dreigend door de lucht.
De roerloze donsdekenhemel van oktober is in beweging gekomen, een machtige, indrukwekkende beweging.
De wind giert door de bomen en rukt aan de daken.
Alles wat niet goed vast zit, wordt meegesleurd.
Scorpio zal blijven rukken tot alle bladeren op de grond liggen en de bomen er naakt bij staan.
De scheiding zal dan compleet zijn.
Alle leven zal naar binnen verdwijnen, onder de grond of in de huizen, en buiten zal de dood regeren.

De zonovergoten wereld van juli, toen mens en natuur nog een eenheid vormden, is nu uiteengevallen in twee werelden: de menselijke en de natuurlijke, de innerlijke en de uiterlijke, de levende en de dode.
En daarover kun je inderdaad twee boeken schrijven: het boek van de natuur en het boek van de mens.
Of het boek van de materie en het boek van de geest.
Juist door hun scheiding, wordt de mens zich van beide bewust.
Schorpioen is enerzijds het teken van de zelfbewustwording van de mens.
Maar anderzijds is ook het teken waarin de mens zich bewust wordt van de lagere, duistere natuur, de natuur waar de draak heerst.
Er is niks lieflijks aan de storm die nu raast.
Hij is als een hongerig monster op zoek naar een prooi, naar een zwak element dat hij los kan rukken uit de mensenwereld en mee kan sleuren in zijn kolkende natuurwereld.

November is de maand waarin het middelpunt dat zich in augustus vormde en in september in beweging kwam, de omtrek van de cirkel bereikt heeft.
De Schorpioen is het teken van het keerpunt.
Nu moet de mens kleur bekennen, nu moet hij kiezen.
Zet hij zich schrap of laat hij zich meesleuren?
Kiest hij voor de mensen of kiest hij voor de draak?
Het is angstaanjagend om de wind te horen gieren door alle gaten en kieren van het huis, als een roofdier dat rond het huis sluipt op zoekt naar een opening, een spleet of een loszittend raam om naar binnen te komen.
Stadsmensen die in hun comfortabele, hermetisch afgesloten huizen wonen, kennen dat gevoel waarschijnlijk niet meer.
Maar als je huis nog ‘openingen’ heeft naar de natuur, zit je constant onder spanning, want ieder moment kan er een deur openvliegen, een raam openslaan, een dakpan naar beneden vallen, of erger.
Ik heb ooit nog een atelier gehad in een huis waarvan op een dag het hele dak is weggewaaid en twee straten verder neergekomen.
Ja, wanneer de Schorpioen een opening ontdekt en binnen raakt dan richt hij een ravage aan, dan vallen er brokken.

Mensen die onder dit teken geboren zijn, vinden feilloos iemands zwakke plek, en als ze daar dan hun gif in spuiten, vergeet je het niet gauw.
Ze kunnen mensen diep kwetsen, niet alleen uiterlijk maar ook, en vooral, innerlijk.
Want de draak valt nu van twee kanten aan: van buiten én van binnen.
Maar zelf staan deze mensen ook voortdurend onder spanning, want ze leven op de grens tussen de twee polen, op de plaats waar les extrêmes se touchent.
Als ze zich in één van beide richtingen laten meesleuren, dan zijn de gevolgen soms niet te overzien.
Daarom beschikt een Schorpioen ook over een stalen zelfbeheersing, hij heeft zichzelf volkomen onder controle. Denk maar aan de Japanners, een uitgesproken Schorpioenenvolk. Hun zelfbeheersing is legendarisch. Het verlies ervan ook.
Een verhaal als ‘Doctor Jekyll and mister Hyde’ kon alleen door een Schorpioen geschreven worden.

20131029-134231.jpg

Alle dierenriemtekens dragen een dubbelheid in zich, maar nergens is die zo extreem als in Schorpioen.
In dit teken staan goed en kwaad lijnrecht tegenover elkaar, en derhalve moet er gekozen worden.
De Schorpioen is tot het allerhoogste in staat: hij wordt dan een adelaar.
Hij verenigt beide polen dan in zijn Ik en stijgt boven iedereen uit.
Johannes, de leerling die Jezus liefhad, was een Schorpioen.
Maar hij is ook tot het allerlaagste in staat: hij wordt dan een draak die de sluwe verleidingskracht van Lucifer paart aan de kille beredenering van Ahriman.
Judas, de leerling die Jezus met een kus verraadde, was eveneens een Schorpioen.
De Schorpioen staat het dichtst bij Christus, maar hij staat ook het dichtst bij de draak.
Hij is degene die Christus trouw blijft tot in de dood, maar hij is ook degene die Christus aan het kruis slaat.

Dezelfde extremen treffen we ook aan in dat andere Schorpioenland, Duitsland.
Het heeft figuren voortgebracht als Bach, Goethe en Schiller.
Maar het heeft ook Hitler, Himmler en Goebbels voortgebracht.
Hitler was weliswaar geen echte Duitser, hij kwam uit Oostenrijk.
Maar dat gold ook voor Rudolf Steiner.
Beiden hebben echter carrière gemaakt in Duitsland.
Het is pas toen daar de ster van Hitler begon te rijzen dat Steiner uitgeweken is naar Zwitserland.

Hitler en Steiner vormen een archetypisch Scorpio-koppel: ze belichamen als geen ander de extremen waartoe dit teken in staat is.
In hun persoon betraden goed en kwaad het toneel van Duitsland.
En de Duitsers moesten kiezen.
De tragische geschiedenis van dit hoogontwikkelde Schorpioenland toont niet alleen aan hoe moeilijk de keuze is tussen mens en draak, maar ook hoe groot de gevolgen van die keuze zijn.
Want veel van wat er vandaag in de wereld gebeurt, vloeit nog altijd voort uit de verkeerde keuze die de Duitsers gemaakt hebben.
Natuurlijk waren zij niet de enige schuldigen.
Zij vertegenwoordigden het Ik van de mens, het Ik dat op het keerpunt der tijden moet kiezen tussen goed en kwaad.
Als zodanig vertegenwoordigden de Duitsers iedere mens.
Ze waren Jedermann en Jedermann heeft schuld aan hun keuze.

We kunnen uit het lot van Duitsland veel leren over de beslissende keuze waarvoor de mensheid vandaag staat.
Onder meer dat er geen derde mogelijkheid is.
Het is onzin om te zeggen dat de juiste keuze de gulden middenweg tussen Hitler en Steiner is: een paar vernietigingskampen en een paar steinerscholen.
Dat slaat nergens op.
Nee, in de Schorpioen moet de mens zelf het gulden midden zijn.
En dat midden houdt een duidelijke standpuntbepaling in.
Je kunt niet voor Hitler en Steiner tegelijk zijn.
Sommige antroposofen hebben gemeend dat ze zowel lid van de Antroposofische Vereniging als van de nazipartij konden zijn.
Het was een tragische vergissing.
Ook vele anderen hebben die vergissing gemaakt: ze dachten dat ze de vrede konden bewaren door de kerk in het midden te houden.

20131029-134415.jpg

Maar in de Schorpioen IS er geen midden.
Er is alleen de intense spanning tussen de tegenpolen, een soort leegte, het oog van de storm.
En die leegte wordt ofwel door de mens ofwel door de draak ingenomen.
Dit is het vrijheidsmoment van het jaar: in november moet er gekozen worden, willen of niet.
Nu zaait de mens wat hij in december, op het dieptepunt van het jaar zal oogsten.
En ofwel zal dat het kerstkind zijn (het nieuwe menselijke midden) ofwel een wisselkind (het nieuwe draken-Ik).

In de Schorpioen wordt de Maagd bevrucht.
November is niet alleen de maand van de grootste tegenstelling, maar ook van de diepste vereniging: les extrêmes se touchent, beide polen bevruchten elkaar.
Scorpio is dan ook het teken van de sexualiteit.
De sexuele vereniging verandert alles.
Zij is het fysieke beeld van het keerpunt.
Zolang er tussen man en vrouw geen sexuele vereniging heeft plaatsgevonden, kan het nog alle kanten op.
Daarna niet meer.
Dan treedt de relatie in een ander stadium.
De zwangerschap begint en valt niet meer te stuiten.
Tenzij met moordend Scorpio-geweld.

De relatie tussen man en vrouw begint in de Weegschaal.
Beide partners wikken en wegen: hebben ze de juiste gevonden?
Om daarachter te komen gebruiken ze zowel hun gevoel als hun verstand, en proberen die twee in evenwicht te houden om zo tot een ja of neen te komen.
In de Schorpioen wordt die keuze in de daad omgezet: de vereniging vindt plaats en het keuzemoment is voorbij.
In de Boogschutter kan er niet meer gekozen worden.
Het gaat nu in rechte lijn naar kerstmis, naar de geboorte van het kind.
De mens kan nu – zoals iedere zwangere vrouw – niets anders meer doen dan in verwachting zijn.
Met de geboorte wordt de beslissing die in Weegschaal werd genomen en in Schorpioen werd uitgevoerd, omgezet in werkelijkheid, een werkelijkheid die in het diepste van de tijd zichtbaar wordt.
Het morele oordelen van de Weegschaal en het scherpe onderscheiden van de Schorpioen spelen nu geen rol meer.
Het kind zal geboren worden en omringd met de beste zorgen.
Of het nu een kerstkind of een drakenkind is.
Zoals een vogelmoeder geen onderscheid maakt tussen haar eigen jongen en een koekoeksjong, zo zal de mens nu geen onderscheid meer maken tussen Christus en de draak.
Hij zal ze beide liefhebben met de zelfopofferende liefde van de moeder.

20131029-134558.jpg

In Leni Riefenstahls film ‘Triumph des Willen’ over de grote nazi-bijeenkomst in Neurenberg kan men zien met hoeveel enthousiasme de vrouwen Hitler begroetten.
Je kunt nochtans niet zeggen dat Hitler een sexy man was.
Hij had heel wat Scorpio-eigenschappen, maar sex-appeal was er niet bij.
Hij zag eruit als een onbeduidende proleet.
En toch spreekt er uit de ogen van die enthousiaste vrouwen onvervalste liefde.
Duitsland was verliefd op Hitler, niet met de wikkende en wegende verliefdheid van de Weegschaal, en evenmin met de erotische daadkracht van de Schorpioen, maar met blinde moederliefde.
Duitsland zag – met de helderziendheid van de liefde – in Hitler ‘het kind’ van Duitsland, het langverwachte kind dat alles anders zou maken.
Het kon niet anders dan Hitler liefhebben, zoals ook een moeder niet anders kan dan haar kind liefhebben, zelfs al twijfelt ze eraan of het wel haar kind is.
Ze heeft eenvoudig geen keuze.
Alleen in Weegschaal en Schorpioen – in de Michaëlstijd – heeft de mens een keuze. Daarna niet meer.
Als het kind in december geboren wordt, kan hij niet anders dan het liefhebben, ook al vernietigt het zoals een koekoeksjong al zijn eigen kinderen.
Dat Duitsland niet helemaal vernietigd werd, dankt het aan enkele individuen, die in het heetst van de strijd (toen de geallieerden en de Russen Berlijn in de tang hadden) het hoofd koel hielden en weigerden de laatste bevelen van Hitler uit te voeren.

Wat in Duitsland gebeurde, is niet zomaar een eenmalige en onbegrijpelijke catastrofe.
Het is een soort oerbeeld van de verkeerde keuze.
Het toont ons wat er gebeurt als we de Michaëlische onderscheidingskrachten van Weegschaal niet ontwikkelen en ons in Schorpioen door de draak laten bevruchten.
Verleden en toekomst ontmoetten elkaar in dat Scorpio-beeld, en zolang we het niet doorgronden, zal het zich blijven herhalen.
Het zal van de tegenwoordigheid van geest van individuen afhangen of het einde de totale vernietiging zal zijn, het Armageddon.
Van deze Michaëlieten zal het afhangen of er een mondiaal Wirtschaftswunder zal plaatsvinden en of de wereld (die in één groot nazi-Duitsland zal zijn herschapen) op wonderbaarlijke wijze aan de totale vernietiging zal ontsnappen en weer uit zijn assen verrijzen.

Het Duitse oerbeeld is een typisch Schorpioenbeeld: het bevat beide mogelijkheden, de totale vernietiging en de wonderbaarlijke verrijzenis.
Hoe apocalyptisch dit beeld ook is, het bevat ook de hoop op een nieuwe en betere wereld, want het toont ons hoe de feniks uit zijn assen verrijst.
Maar dat moeten we wel willen zien.
We moeten de Michaëlische moed opbrengen om dit oerbeeld in zijn geheel te zien, want het zal van ons onderscheidingsvermogen afhangen of op het ‘Stirb’ ook een ‘Werde’ zal volgen.
En in dezen dragen de antroposofen een zware verantwoordelijkheid.
Zij maken namelijk deel uit van het oerbeeld.
Zij moeten de moderne mens tonen dat hij een vrije keuze heeft.
Ze moeten de twee keuzemogelijkheden duidelijk zichtbaar maken.
En één van die opties zijn zijzelf.
De keuze waarvoor de mensheid staat, is de keuze tussen Christus en de draak.
Maar dat is de geestelijke grond van de zaak, en die kan de moderne mens niet waarnemen.
Hij is aangewezen op beelden van die geestelijke werkelijkheid, sprekende beelden.
En de meest sprekende beelden zijn Rudolf Steiner en Adolf Hitler.
Deze twee mensen hebben zichzelf tot een levend beeld van respectievelijk Christus en de draak gemaakt.
Zij zijn de aardse oerbeelden waartussen de moderne mens moet kiezen.
Het beeld van Hitler wekt vandaag algemene afschuw op.
Maar de beslissende keuze kan nooit uit afschuw gemaakt worden, want dan wordt het een drakenkeuze.
Dat kunnen we vandaag duidelijk zien: de afschuw voor Hitler leidt niet naar Rudolf Steiner en de antroposofie. Hij leidt naar een metamorfose van Hitler, en die wordt opnieuw niet herkend, wel integendeel.

20131029-135005.jpg

Deze metamorfose van de draak, die zich vandaag in een geheel andere vorm manifesteert, wijst erop dat ook de antroposofie een metamorfose moet ondergaan, wil zij tenminste de draak nog kunnen bevechten en de moderne mens op die manier een alternatief bieden.
Het kan in onze tijd niet meer gaan om de navolging van de persoon Rudolf Steiner of om het in stand houden van de antroposofische vormen.
Het gaat om de geest van Rudolf Steiner en om de inhouden van de antroposofie.
Beide moeten een vorm aannemen die aangepast is aan onze tijd, met name aan de vorm die draak vandaag heeft aangenomen.
En dat betekent dat we de draak moeten ontmaskeren.
We moeten hem leren herkennen in de moderne, hedendaagse wereld.
De geest van de antroposofie wordt maar zichtbaar tegen de donkere achtergrond van de draak.
Als we die duisternis niet zien, zien we ook het licht niet dat in die duisternis schijnt.
We kiezen dan voor een schijnlicht.

Dit soort beschouwingen hebben een apocalyptisch karakter.
Het is niet het soort beschouwingen dat een mens voor zijn plezier leest.
Schorpioen is het teken van de omkering: hij brengt zaken aan het licht die in duistere diepten leven, zaken die we niet kennen en ook niet willen kennen.
Maar toch kennen we ze.
We kennen ze in hun kunstzinnige oervorm.
En die oervorm is het ‘Offenbare Geheimnis’ van de natuur.
Al die duistere, dreigende gedachten over de draak en het kwaad zien we ieder jaar in beeldvorm verschijnen in de herfst.
Het is een onaangenaam seizoen, met wind en regen, met kille kou en ziekte.
En ieder jaar weer is het een beproeving en voelen we de draak onder onze leden kruipen, niet bij machte om ons te verzetten tegen zijn sluipende werking, die ons doet hoesten en snotteren en ellendig voelen.
Maar wie zou de herfst willen missen?
Voor veel mensen is de herfst het mooiste seizoen, het seizoen ook dat het best past bij de moderne tijdsgeest.
Als de zon het op een mooie dag wint van de draak, dan wordt de natuur een explosie van adembenemende schoonheid, een schoonheid zoals we die alleen in dit seizoen kennen.
Wat is er mooier dan op een donkere herfstdag de zon te zien doorbreken en de natuur te zien opvlammen als een vuur tegen de donkergrijze achtergrond van een dreigende hemel?
Voor mij is dat hét beeld van de strijd met de draak, van het licht dat – even – opvlamt in de duisternis.

20131029-135812.jpg

Het wonderlijke is dat alles wat we in onze tijd beleven, al van oudsher als beeld in de natuur opgeslagen ligt.
Tijd en ruimte vallen samen in de beelden van de natuur.
Verleden, heden én toekomst zijn reeds aanwezig.
We beleven als het ware ieder jaar de hele wereldgeschiedenis, de voorbije én de toekomstige.
Het is er allemaal, alleen zien we het niet.
Want we kunnen de beelden van de natuur niet lezen.
En dat is niet omdat ze zo’n duister, apocalyptisch karakter hebben.
Nee, het is juist omdat ze zo adembenemend mooi zijn.
We kunnen die schoonheid niet verdragen en werpen ons dus in haar armen.
We beleven het jaar onbewust, we bewegen mee met de gang der seizoenen.
En vaak is het enige wat daarvan tot bewustzijn komt, onze dagelijkse commentaar op het weer: goed weer vandaag! Of: slecht weer vandaag!
Als we dit gevoelsmatige morele oordeel uitbreiden, en bewuster gaan oordelen over het weer, dan maken we ons langzaam los uit de kringloop van het jaar.
We beginnen die kringloop dan bewust waar te nemen.
En naarmate we afstand nemen en naar het middelpunt van de cirkel opschuiven, wordt die kringloop alsmaar mooier, alsmaar adembenemender.
We staan dan in het midden van wat Rudolf Steiner ‘de dans der cherubijnen’ noemde.
Maar tegelijk worden we ons ook bewust van de draak, want het is dankzij zijn krachten dat we ons kunnen losmaken uit die kringloop.
De draak wil ons naar dat middelpunt – de aarde – voeren, maar hij wil niet dat we dat met open ogen doen.
Hij wil dat we ons losmaken van de beelden van de natuur en blindelings naar het middelpunt lopen waar we alleen nog atomen zien ronddansen.
Hij wil niet dat we op weg naar dat midden steeds bewuster worden en steeds duidelijker de schoonheid van de natuur zien. Hij wil juist dat we ons bewustzijn verliezen en ons overgeven aan de duisternis, want in dat middelpunt kan hij dan de plaats van ons Ik innemen. We hebben dan niet meer het bewustzijn om dat op te merken, laat staan om er ons tegen te verzetten.

Het waarnemen van de natuur, het steeds bewuster waarnemen van de natuur in ruimte en tijd, is het grote anti-gif tegen de bewustzijnsverdovende werking van de draak.
Want in de natuur zien we een beeld van de Drieëenheid, een zelfportret van God.
De manier waarop de tijd zich uitdrukt in de ruimte, zodat we onze moderne tijd kunnen herkennen in de herfst, geeft ons een idee van hoe we de relatie tussen de Vader en de Zoon moeten zien.
Ze zijn beiden één, maar de Vader drukt uit in de ruimte wat de Zoon uitdrukt in de tijd. En beiden drukken de Drieënheid uit, want de relatie tussen Vader en Zoon is de derde persoon, de Heilige Geest.
Door het dubbele karakter van de natuur te onderscheiden, door te zien hoe tijd en ruimte zich verenigen, worden we ons bewust van de relatie tussen Vader en Zoon, en wekken we de Heilige Geest in onszelf.
Door ons los te maken uit de natuur, door tegenover haar schoonheid te gaan staan en die bewust waar te nemen, verenigen we ons stap voor stap met de geest van die natuur, dat wil zeggen met de Drieëenheid.

20131029-140325.jpg

In de kringloop van het jaar beleven we de relatie tussen Vader en Zoon, want ruimte en tijd verenigen zich hier.
De tijd – dat ongrijpbare fluïdum – wordt zichtbaar in de ruimte van de natuur.
Tijd wordt tot beeld, en daardoor begint dat beeld te spreken.
De Logos, het Woord, wordt hoorbaar doorheen de beelden van de natuur.
Als we tenminste luisteren naar hun taal.

Maar vóór we kunnen luisteren, moeten we eerst zien.

We moeten de natuur als een beeld leren zien, en dat kunnen we alleen als we ook met ons hart kijken en niet alleen met ons hoofd.
In geen enkel seizoen spreekt de natuur zo sterk hoofd én hart aan als in de herfst.
Het welsprekendst is de herfst in de maand van de Weegschaal, maar het luidst spreekt ze in de Schorpioen.
In de Weegschaal spreekt zij vooral als beeld en ligt de klemtoon op het zien.
Oktober is kunstzinnigste maand, maar dan in de zin van de beeldende kunst.
In de Schorpioen verschuift de klemtoon naar het horen. De beelden beginnen hier te spreken.
Schorpioen is de kunstzinnigste maand in de zin van de muziek, met name de ‘beeldende’ muziek, de klassieke muziek.
Niet voor niets is de grootste klassieke componist een Duitser: Bach.
Hij verbindt als geen ander de beide polen van de Schorpioen: een uiterst abstract denken en een grote kinderlijke innigheid.
Groter contrast is niet denkbaar, maar Bach verzoent de tegenstelling spelenderwijs. En juist dat geeft zijn muziek dat unieke eeuwigheidskarakter.

20131029-140502.jpg

Het verschil tussen oktober en november is het verschil tussen de beeldende kunst en de muziek.
De eerste speelt zich af in de ruimte, de tweede in de tijd.
De eerste zwijgt in stilstaande beelden die ons uitnodigen om te kijken en ons daarbij alle ruimte en vrijheid geven.
De tweede spreekt in bewegende beelden waar we ons moeten aan overgeven en die ons veel minder vrijheid laten.
Onze ogen kunnen we sluiten, maar onze oren niet.
Beelden kunnen we afwijzen, geluiden niet, die dringen hoe dan ook binnen, zoals de Schorpioen dat doet.

Het verschil tussen Weegschaal en Schorpioen beleefde ik heel duidelijk toen ik verleden week ging wandelen in Bottelare, een uitloper van de Vlaamse Ardennen.
Het weer was prachtig en de natuur was hartverscheurend mooi, veel mooier nog dan in Weegschaal.
Het deed werkelijk pijn.
Het was de pijn die je voelt als je heel mooie muziek hoort, de air van Bach bijvoorbeeld.
Het genot dat je beleeft aan zo’n muziek is altijd gemengd met pijn.
De hemel, ons ‘verloren vaderland’ klinkt er veel directer in door dan in de beeldende kunst, waar juist de aardse wereld op het voorplan staat.
Bij de grote schilders voel je die pijn ook wel, maar hij is niet zo schrijnend als in de muziek, die een ondraaglijk verlangen in ons wakker kan maken.
Dat verlangen voelde ik ook toen ik rondliep in het schilderachtige Bottelare op de laatste dag van de Weegschaal, op de grens met de Schorpioen.
De herfst was zo welsprekend geworden, haar geest kwam zo schitterend tot uiting in die tegelijk vurige en tedere schoonheid, dat ik het nauwelijks kon verdragen.
Ik voelde een intens verlangen naar die schoonheid, want ik zag ze wel, maar ik kon er mij niet mee verenigen.
Zien schept namelijk afstand.
Het was hartverscheurend om die schoonheid te zien en tegelijk haar onbereikbaarheid te beleven.
Het was een ontmoeting met de Schorpioen: genot en pijn in één.
Ik was (bijna) opgelucht dat ik weer naar Destelbergen kon terugkeren, waar het allesbehalve schilderachtig is en waar de draak onafgebroken brult en gromt en gilt (op steenweg en autostrade).

20131029-140812.jpg

Human kind cannot bear much reality, schrijft de dichter, en dat geldt zowel voor de schoonheid van de werkelijkheid als voor haar lelijkheid.
Maar het geldt méér voor de schoonheid.
Goethe zei het al: het ondraaglijkste is een reeks van mooie dagen.
Waarschijnlijk had hij het over herfstdagen.
We hebben de lelijkheid nodig om de schoonheid te kunnen verdragen, om haar te kunnen zien, om niet verteerd te worden door haar vuur.
In geen enkel seizoen is de schoonheid van de natuur zo vurig als eind oktober, op de grens van Weegschaal en Schorpioen, waar Michaël de draak ontmoet.
In geen enkel seizoen is de draak ook zo nadrukkelijk aanwezig.
In de natuur buiten ons ontketent hij zijn doodskrachten op stormachtige wijze, in onze eigen natuur sluipt hij ongemerkt binnen en maakt ons ziek.
En juist omdat beide – schoonheid en lelijkheid – hier naast elkaar staan, kunnen we beide waarnemen.
Ze maken elkaar zichtbaar.
En die kans moeten we grijpen.
Want als de Schorpioen gepasseerd is en de draak onzichtbaar wordt door al de kerstlichtjes die we aansteken, verdwijnt ook de schoonheid in de natuur.
Verdwenen zijn dan de zo sprekende herfstbeelden aan de hand waarvan we onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad.
Als we die beelden niet gezien én gehoord hebben, als we ze niet tot innerlijke, bewuste beelden hebben gemaakt, dan zullen we het volgende jaar, wanneer de natuur opnieuw in al haar schoonheid verschijnt, de draak niet opmerken.
We zullen geen oog hebben voor het kruis, dat uitgerekend te midden van al die lente-pracht wordt opgericht.
Ja, in ons enthousiasme voor de nieuwe lente, in onze grenzeloze opluchting dat de lange winter eindelijk voorbij is, zullen we geen flauw benul hebben dat we diep in onszelf veranderd zijn in drakenmensen die Christus juichend aan het kruis nagelen in de overtuiging dat het goede eindelijk zegeviert.

Want dát is wat ons te wachten staat: de komst van Ahriman.
En hij zal niet komen als de draak in november, overal dood en ziekte verspreidend.
Nee, hij zal komen als de lente zelf.
Hij zal in ons nieuw leven wekken, nieuwe hoop.
Hij zal ons verlossen uit de duisternis en ons binnenleiden in een heerlijke nieuwe wereld.
Hij zal verschijnen als de wedergekomen Christus zelf en wij zullen met onze vreugde geen blijf weten.
Tenzij we in ons hart het onderscheid dragen dat we in de herfst gezien en gehoord hebben.
Want alleen met ons hart zullen we de luciferische schoonheid waarin Ahriman zich zal hullen, kunnen ontmaskeren, en onszelf beletten ons in zijn armen te gooien.
Dat laatste is waar Ahriman op wacht om zijn luciferische masker af te gooien en zijn ware aard te tonen.
Geen antroposofische wijsheid zal ons dan kunnen helpen als ze niet tot een onwrikbare ‘grondsteen’ in ons hart is geworden, een helder oog dat zich niet laat misleiden door de geniale kunsten van Ahriman.

20131029-140941.jpg

Dit zal veel mensen wellicht als een duister toekomstvisioen in de oren klinken.
Maar ik kan iedereen verzekeren dat ik niet in de toekomst kan kijken.
Ik bezit geen greintje helderziendheid.
Ik kijk echter wel naar de natuur, naar het eeuwige heden dat zich daar in een continue metamorfose van beelden manifesteert.
En in dat heden is de toekomst reeds aanwezig.

Wie niet graag leest in het boek van de natuur, kan ook lezen in het boek van de geschiedenis, en meer bepaald het hoofdstuk Schorpioen, dat zich afspeelt in Duitsland, in het midden van Europa.
Ook in dit beeld ligt de toekomst reeds besloten.
De opkomst van het Derde Rijk is tevens een beeld van de toekomstige opkomst van Ahriman.
En de verliefde vrouwen in ‘Triumph des Willen’, dat zijn wij.
Het verlangen naar ‘het kind’ leeft nu reeds in ons.
En niets zal ons kunnen weerhouden om dat kind lief te hebben zoals de Duitsers hun ‘kind’ hebben liefgehad.
Daarom is het zaak dat we goed uitkijken door welke geest we ons laten bevruchten.
Want als we eenmaal zwanger zijn, is het te laat.
En de tijd dringt.
Winter is coming…

20131029-141854.jpg

20131027-232332.jpg

Van twee naar drie (1)

‘Al het goede komt in drieën’, zo heet een boek van Henk Verhoog waarin hij het principe van drieledigheid in het werk van Rudolf Steiner belicht.

Ik citeer:

‘…dat het bij het idee van de drieledigheid om de kern van de antroposofie gaat, om het meest eigene en oorspronkelijke idee dat Steiner heeft ontwikkeld. Met het principe van drieledigheid wilde Steiner een tegenwicht geven tegen het (dualistische) denken in elkaar uitsluitende tegenstellingen. Dat dualistische denken was niet alleen in de tijd van Steiner belangrijk. Ook nu nog speelt het een belangrijke rol, in de vorm van de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, tussen cultuur en natuur, tussen geest en lichaam (hersenen), enzovoort.’

‘Drieledigheid is als kerngedachte in het leven van Steiner steeds aanwezig. Het is een kerngedachte die zich in de loop van de tijd ontwikkelt en steeds meer aan inhoud wint. Bij verschillende gelegenheden geeft Steiner aan dat het ongeveer 30 jaar geduurd heeft voordat hij alle facetten van dit principe had doorgrond.’

Henk Verhoog geeft dan een hele reeks voorbeelden van die drieledigheid:

Geest, ziel en lichaam.
Denken, voelen, willen.
Hoofd, hart en ledematen.
Zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem, stofwisselingssysteem.
Geestesleven, rechtsleven, economisch leven.
Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid.
Religie, kunst en wetenschap.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Lucifer, Christus, Ahriman.
Licht, kleur, duisternis.
Bloem, blad, wortel.
Zwavel, kwik, zout.
Ruimte, tijd, eeuwigheid.
Denken, spreken, schrijven.
Eerste, tweede en derde engelenhiërarchie.
Antroposofie, manicheïsme, rozenkruisers.
Michaëlieten, graalridders, rozenkruisers.
Enzovoort.

Hij vervolgt:

‘Prokofieff noemt Michaël de behoeder van het principe van drieledigheid. Inspiraties die van Michaël uitgaan zijn altijd drieledig.’

‘Ahrimanische en luciferische wezens hebben er baat bij als mensen in dualistische termen denken, door bijvoorbeeld geloof en wetenschap, of goed en kwaad, als elkaar uitsluitende activiteiten tegenover elkaar te stellen. Zij stellen alles in het werk om het principe van drieledigheid te verhullen.
In ‘Die Sendung Michaels’ zegt Steiner dat de strijd tussen luciferische en ahrimanische krachten in de kosmos alles doordringt en dat we de wereld waarin de mens in werkelijkheid staat alleen kunnen begrijpen als we hem drieledig opvatten.’

Zo, tot zover Henk Verhoog.
Dat moet voorlopig volstaan.

20131027-141251.jpg

De aandachtige lezer zal zich nu vragen beginnen stellen.
Zoals: hoe valt deze drieledigheid te rijmen met het feit dat ik niks liever doe dan … in tegenstellingen denken?
Ik kom met dat tweeledige denken zelfs tot de conclusie dat we in onze tijd voor een keuze staan, een keuze tussen goed en kwaad, zonder derde optie.
Als ik daarover in antroposofische kringen spreek (iets wat ik intussen wel afgeleerd heb) zie ik altijd weer monden openvallen.
Ze hebben geen idee waarover ik het heb.
Ze kunnen mijn dualisme niet rijmen met de antroposofische drieledigheid.
Het doet hen dan ook steigeren.
Al van zolang ik me kan herinneren, krijg ik er opmerkingen over.
Je veralgemeent!
Je moet nuanceren!
Je bent veel te absoluut!
Er gaapt met andere woorden een kloof tussen mij en mijn mede-antroposofen.
Zij begrijpen mij niet, en ik begrijp hen niet.

Ik ben nochtans een grote fan van het drieledigheidsprincipe.
Als er iemand is die steeds weer hamert op de afwezigheid van de kunst in de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, dan ben ik het wel.
Maar ik ben een even grote fan van het tweeledigheidsprincipe.
Ik snap niet hoe je anders kunt denken dan juist in tegenstellingen.
Henk Verhoog schrijft trouwens zelf: ‘Rudolf Steiner verklaarde dat we de wereld alleen maar kunnen begrijpen vanuit de werking van tegenstellingen, dualistisch dus.’
Welaan dan.
Ik peins er dus niet over om de tweeledigheid op te geven in ruil voor de drieledigheid.
Ik wil ze allebei.
Voor minder doe ik het niet.
Ik zal me dan ook altijd blijven verzetten tegen de exclusiviteit van de drieledigheid.
Die drieledigheid is de sterkte van de antroposofie, maar ze is ook haar zwakte.

In het toch al vrij exclusieve antroposofische wereldje bestaat er een nog exclusiever clubje: dat van de ‘driegeleders’.
Iedere antroposoof weet: dat is een soort apart.
Ik ken er zo eentje.
Schat van een man.
Ik geniet er vooral van wanneer hij (in het Gents) begint te foeteren op de ‘sofen’ met al hun boeken en principes. Want hij is iemand die in de praktijk van het moderne leven staat, en daar heb je niet veel aan mooie theorieën.
Als hij dan uitgefoeterd is, zeg ik: maar ik ben zelf zo’n soof met een hoofd vol theorieën, ik sta geheel en al buiten de praktijk, en toch foeter je niet op mij!
Ik zou niet durven, antwoordt hij dan.
Waarop we alle twee in lachen uitbarsten en een slok van onze Westmalle tripel nemen.
Maar ondanks alle kameraadschap en goede verstandhouding blijft er tussen ons een kloof die onbespreekbaar is en die langzaam maar zeker verwijdering veroorzaakt.
Het is inmiddels alweer jaren geleden dat ik hem nog gezien heb, en ik heb de indruk dat hij mij vermijdt, vanuit een wantrouwen dat dieper ligt dan het gewoon menselijke.

Het is het wantrouwen tussen de twee- en de driegeleders.
En dat zit heel, heel diep.
Ik kan het weten, want ik ben al bijna 30 jaar getrouwd met een driegeleedster.
Zij foetert weliswaar nooit op antroposofen.
En het foeteren op mij heeft ze afgeleerd, want het helpt toch niks.
Maar als we discussiëren over twee- en driegeleding dan gaat het hard tegen hard.
Want het gaat niet zomaar om principes of ideeën.
Het gaat om veel meer.
Het gaat om wie wij in het diepst van onze ziel zijn.
Het gaat om roots die heel ver in het verleden reiken en waarvoor we door het vuur gaan.
Ja beslist, de gensters vliegen eraf als we dit gebied betreden.
Maar het is ook door dit gebied te betreden dat we een hechte eenheid zijn gaan vormen, een eenheid waar we veel plezier aan beleven.

20131027-141426.jpg

Die eenheid is uit strijd geboren.
De aardse strijd tussen man en vrouw enerzijds.
De geestelijke strijd tussen oude en jonge zielen anderzijds.
En de etherische strijd met de draak samen.

Ik had eerst geschreven: de strijd tégen de draak.
Maar dat is het nu juist niet.
La guerre des sexes is geen strijd van mannen tégen vrouwen of omgekeerd.
Het is evenmin een strijd tégen de scheiding der geslachten.
Want wie zou deze scheiding ongedaan willen maken?
Wie zou de ‘wrijvingen’ tussen man en vrouw willen missen?
Wie zou de … liefde willen missen?
Want daar gaat het uiteindelijk om.
Dat is de reden van die ‘oorlog’.
En de voorwaarde voor die liefdesoorlog is de scheiding,
de scheiding die er niet zou zijn zonder de draak.
We vechten dus niet tégen de draak.
We vechten mét de draak.
We vechten om de liefde Gods.

Misschien begrijpt u al een beetje waarom ik zo hardnekkig vasthoud aan mijn ‘tweeledig’ denken, tegen alle antroposofische protesten en bezwaren in.
Ik vecht helemaal niet tégen het drieledig denken, ik vecht mét het drieledig denken.
Ik vecht ermee zoals ik met mijn vrouw vecht: om er mij des te beter mee te kunnen verenigen.
Er staat veel op het spel als man en vrouw met elkaar vechten.
Want zij vechten uit liefde, om de liefde en voor de liefde.
De liefde is het begin en het einde van de strijd.
En daartussen groeit zij.
De liefde groeit door te leven, te sterven en te verrijzen.

Ziedaar de drieledigheid zoals ík ze zie:
een zich voortdurend transformerende tweeledigheid,
een onafgebroken metamorfose van het gevecht tussen de tegenpolen.
En dat gevecht zelf is de derde pool, een pool die steeds in ontwikkeling is.
Ze begint fysiek, bijvoorbeeld als la guerre des sexes.
En geleidelijk, heel geleidelijk wordt ze geestelijker.
Stap voor stap wordt ze een kunst.
En ten slotte eindigt het gevecht als een spel, in de hoge betekenis die Schiller eraan geeft.

Als we de dualiteit in de tijd plaatsen, als een steeds evoluerende relatie tussen twee polen, dan vormt ze geen tegenstelling met de driegeleding, dan IS ze reeds een driegeleding.
Dualisme en driegeleding als een tegenstelling zien, en de een verwerpen ten voordele van de andere, is geen driegeleed maar dualistisch denken.

20131027-141519.jpg

Maar ook de tijd heeft een structuur.
Ze verloopt in zeven fasen, waarvan de middelste een keerpunt is.
En op dat keerpunt moet de mens kiezen.
Daar moet hij kiezen tussen de fysieke liefde (de liefde voor de materie), en de geestelijke liefde (de liefde voor de geest).
In het ‘midden’ van de tijd wordt de liefde vrij of raakt ze definitief in de greep van de draak.
Want in dat midden ontmoeten de tegenpolen elkaar op volle kracht.
Les extrêmes se touchent.
Ofwel vindt dan de ‘Steigerung’ plaats, zoals Goethe het noemt,
ofwel gaat de ‘verlaging’ van de liefde onverminderd door.
Want anders dan in de plantenwereld vindt de ‘verhoging’ in de mensenwereld alleen plaats als de mens het wil, als hij ervoor kiest.
En dat is een buitengewoon moeilijke keuze.
Want in de uitersten die elkaar raken, leven Lucifer en Ahriman.
Zij reiken elkaar in het midden de hand en proberen de mens naar beneden te sleuren.

Over deze keuze lees ik niets in het boek van Henk Verhoog.
Het is alsof hij van het dualisme meteen overstapt naar de driegeleding zonder zich af te vragen hoé dat moet gebeuren.
Daardoor komt hij in een nieuw dualisme terecht: dat tussen dualisme en driegeleding.
Zou dat niet de reden zijn waarom de antroposofische driegeleding niet van de grond komt?
Het hart van de driegeleding ontbreekt, het levende midden, waar een vrije keuze wordt gemaakt.
En als er niet bewust gekozen wordt, krijgen (luciferisch) sektarisme en (ahrimanische) verstarring de antroposofie in hun greep.

Het grote probleem is dus de overgang van ruimte naar tijd.
Wanneer we de drempel overschrijden – en dat doen we allemaal in deze tijd – dan betreden we de etherische wereld, de wereld van de tijd.
Hier zijn geen vaste structuren zoals in de ruimte, alles is er in beweging, alles evolueert, alles metamorfoseert.
Hier vind je de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling van de seizoenen, het eeuwig bewegende leven.
Als we hier het bewustzijn niet willen verliezen, dan moeten we ons ‘ruimtelijke’ dualistische denken verlossen uit zijn verstarring.
We moeten het als het ware bevochtigen en kneden zoals een beeldhouwer dat met zijn klei doet.
We moeten het ‘spiritualiseren’.

Dat betekent dat we in processen moeten leren denken.
En dat is heel, heel moeilijk.
Maar juist in de natuur hebben we een prachtig voorbeeld.
Want alles in de natuur speelt zich af tussen licht en donker, tussen hemel en aarde, tussen water en land.
De natuur is door en door dualistisch.
Maar wat een onvoorstelbaar kunstwerk is de kringloop van het jaar, dat dualisme-in-beweging!
En welke schitterende geest drukt zich daarin uit!
Die geest is Christus, de God die zich in de tijd manifesteert.
En hij doet dat vooral in het midden, op het keerpunt van de tijd.

20131027-141701.jpg

In de natuur is dat keerpunt de herfst.
In het denken is dat het tweegelede denken.

In dit tweegelede of polaire denken keert het dualisme om tot driegeleed denken.
Het is een overgangsdenken dat de brug slaat tussen het dualistische ruimtelijke denken en het driegelede geestelijke denken.
Het is het Michaëlische denken-in-actie.

In het dualistische denken komen we tot bewustzijn (ex Deo nascimur).
In het tweegelede denken sterft dit bewustzijn (in Christo morimur).
In het driegelede denken wordt het opnieuw geboren (per Spiritus Sanctus reviviscimur).

Het Michaëlische denken is een stervend dualistisch denken, een herfstdenken.
Maar het is een bewust stervend denken, een denken dat de herfst – en we leven in de herfst der tijden – bewust doormaakt.
En juist omdat het bewust sterft, verrijst het denken ook opnieuw, en wel in een driegelede vorm.
Het driegelede denken is het gestorven en verrezen dualistische denken.
Het is er de metamorfose van, niet het tegenovergestelde.
Een levend driegeleed denken wijst het dualistische denken derhalve niet af.
Het reikt het de hand en vormt er een eenheid mee, een driegelede eenheid:
dualisme – polariteit – driegeleding.
Wie het tweegelede polariteitsdenken niet onderscheidt van het dualistische denken en tegenover beide gaat staan, denkt niet driegeleed.
Hij denkt dualistisch.
En juist omdat hij zich tegen het dualisme keert, is zijn denken zelfvernietigend.

Dat is dan ook de keuze waarvoor de moderne mens vandaag staat:
ofwel leert hij tweegeleed denken ofwel vernietigt hij zijn denken.
En dat geldt ook voor de antroposoof.
Hij mag dan wel veel over de driegeleding denken, maar zolang hij het hart van de driegeleding – het tweegelede denken – vermijdt, zal hij de antroposofie niet kunnen beletten zichzelf te vernietigen.

Ik heb het boek van Henk Verhoog over de driegeleding met grote belangstelling gelezen.
Het is heel interessant en ik kan het iedereen aanbevelen.
Maar er ontbreekt iets in, en wel het belangrijkste: het hart.
Dat wil niet zeggen dat dit boek niet vanuit het hart geschreven is.
Henk Verhoog is duidelijke een enthousiaste, bezielde antroposoof.
Maar het ontbreekt hem aan bewustzijn van dat hart.
Hij betreedt het middengebied niet bewust (genoeg).
En daardoor blijft zijn betoog schematisch en abstract.

Lees bijvoorbeeld wat hij schrijft over de Weihnachtstagung, het Grote Keerpunt van de antroposofie.

‘De Grondsteenspreuk is uitgesproken tijdens de grondsteenlegging, een toespraak van Steiner op 25 december 1923, waarbij hij niet een fysieke grondsteen legde, zoals men pleegt te doen bij een nieuw gebouw, maar een geestelijke grondsteen. Deze grondsteen werd door Steiner ‘in de harten van de mensen gelegd’. Daarmee wordt bedoeld dat het niet alleen gaat om iets dat je met je verstand kunt begrijpen. Het gaat om iets dat in je ziel, in het middengebied van de mens, moet worden opgenomen als een ijkpunt voor al je denken, voelen en willen. Vandaar de grote nadruk in deze toespraak, en ook al tijdens de openingstoespraak op 24 december, op het hart.
In deze openingstoespraak zei Steiner dat de antroposofische vereniging (beweging) alleen recht van voortbestaan heeft als de leden er een aangelegenheid van het hart van maken. Hij gaf verder aan dat hij alle gedelegeerden bijeengeroepen had om ‘een harmonie van harten’ tot stand te brengen.
(…)
De Grondsteen werd door Steiner ter plekke in de etherwereld gevormd uit de krachten van de Triniteit: de geest der hoogten, de Christuskracht in de omtrek en de scheppende Vaderkracht die uit de diepten stroomt.
(…)
Steiner beschreef de Grondsteen als iets dat door de leden in hun hart kan worden opgenomen, iets waarop ze kunnen bouwen bij hun toekomstige werk binnen en buiten de vereniging.
(…)
Daarom sprak Steiner ook over een ‘liefdessteen’. Werkelijk iets nieuws scheppen dat in overeenstemming is met de goddelijke scheppingskrachten, is een daad van liefde. Antroposofie moet na de Weihnachtstagung niet meer alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan worden vanuit het hart als centrum.’

20131027-142015.jpg
(bron: http://www.stella-anthroposophica.de)

Dat is veel ‘hart’ en ‘liefde’.
Volkomen terecht overigens.
Maar wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij die ‘liefdessteen’?
Wat is ‘een grondsteen die in de etherwereld gevormd wordt uit de krachten van de Triniteit en in de harten van de mensen wordt gelegd’?
Het is dit soort formuleringen waar niet-antroposofen finaal op afknappen.
En er zullen ook wel niet veel antroposofen zijn die begrijpen waarover het hier gaat.
Dit is geen antroposofie die ‘niet alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan wordt vanuit het hart als centrum.’
Dit is pre-Weihnachtstagung-antroposofie.
Dit is dualistische antroposofie in een driegeleed kleedje.
Dit is antroposofie die netjes om de hete brij heen loopt.
Dit is het soort antroposofie dat nooit iets kan betekenen voor de wereld.
Goed bedoeld, dat wel, maar krachteloos.

Dat is een hard oordeel, en altijd wanneer ik zo’n oordeel vel, gaat er een alarmbelletje rinkelen.
Ik heb namelijk (met scha en schande) geleerd dat dergelijke oordelen ook altijd op jezelf slaan.
Hoe waar ze ook mogen zijn, als je ze niet op jezelf betrekt, maak je dezelfde fout als degene waarover je oordeelt.
Ik vermoed dus dat mijn eigen uiteenzetting over twee- en driegeleding mank gaat aan hetzelfde euvel: te abstract, te schematisch, te levenloos.
Het probleem is dat je dat zelf niet ziet, want je zit IN het denkproces en dat voelt heel levendig en spannend aan.
Je weet echter niet hoe het er van buitenaf uitziet, voor degene die leest wat je schrijft.

Dus wil ik een volgende keer proberen om een en ander wat concreter, wat levendiger te maken, met het risico dat ik in het andere uiterste val.
Maar dat kun je nu eenmaal niet vermijden.
Het middengebied is het gebied waar risico’s worden genomen.
Het is het gebied van de vrije keuze.
Het gebied ook waar de draak wordt bevochten.
En daar kom je nooit zonder kleerscheuren van af.

20131027-142840.jpg

Is kunst wetenschap?

Ik lees en hoor steeds vaker de vraag: is kunst wetenschap?
Waar komt zo’n vraag in ’s hemelsnaam vandaan?
Niemand vraagt toch ook: is religie wetenschap?
Religie en wetenschap zijn immers gezworen vijanden.
Maar kunst en wetenschap zijn dat ook.
Wetenschap streeft naar objectiviteit.
Kunst naar subjectiviteit.
Ze staan dus lijnrecht tegenover elkaar.
En toch vraagt men of ze hetzelfde zijn.
Alsof hun tegenstelling niet bestaat.
Alsof men geen verschil ziet tussen beide.

Wat zit daarachter?

20131023-120947.jpg

Ooit vormden kunst, wetenschap en religie een eenheid.
Die eenheid raakte in de loop der tijden opgesplitst in drie delen, die ieder hun eigen weg gingen.
Omstreeks 1900 hadden ze niets meer met elkaar gemeen, behalve hun onderlinge vijandigheid.
Die vijandigheid was het gevolg van hun aards-worden.
Naarmate de mens het contact met de geestelijke wereld verloor, verloren ook kunst, wetenschap en religie het contact met elkaar.

Hun zelfstandig worden betekende ook het zelfstandig worden van de mens.
De vrije ruimte die tussen hen in ontstond, was de ‘baarmoeder’ waarin het Ik zich kon ontwikkelen.
Ze was de ‘huid van de draak’, want het was immers de draak die de mens losscheurde van de geestelijke wereld, en kunst, wetenschap en religie uit elkaar dreef.

Vandaag zijn we echter op een keerpunt gekomen.
Het Kali Yuga is afgelopen, het ‘duistere’ tijdperk waarin de mens het contact met de geest verloor en het materialisme gestaag toenam.
Omstreeks 1900, bereikte dat materialisme zijn hoogtepunt en sloeg om in zijn tegendeel: het nieuwe ‘lichte’ tijdperk begon, waarin de mens het contact met de geest herstelt en de spiritualiteit gestaag toeneemt.
Dit keerpunt heeft tot gevolg dat kunst, wetenschap en religie weer naar elkaar toe groeien.
Stap voor stap wordt hun onderlinge afstand kleiner en vandaag zien we zelfs hoe ze in elkaar beginnen over te vloeien.

Een paar voorbeelden.

In haar ijver om de evolutietheorie te verkondigen, heeft de wetenschap iets van een religie gekregen, en door in te grijpen in genetische structuren gedraagt zij zich als een kunst die nieuwe vormen wil scheppen.
De religie van haar kant is, net als de wetenschap, verstard tot een geheel van dogma’s en voorschriften, en door deel te nemen aan de politiek wil zij, net als de kunst, de wereld veranderen.
De kunst ten slotte is niet langer denkbaar zonder wetenschappelijke verklaringen, en tegelijk is ze georganiseerd als een kerk, met een paus aan het hoofd.

20131023-121149.jpg

De grenzen tussen kunst, wetenschap en religie vervagen en we stevenen af op een hereniging.

Maar de oude, oorspronkelijke eenheid kan niet meer hersteld worden.

Twee zaken verhinderen dat.
Enerzijds de ‘drakenkrachten’ die kunst, wetenschap en religie uit elkaar hebben gedreven.
En anderzijds de vrijheid die de mens in hun tussenruimte ontwikkeld heeft.
De draak denkt er niet over om zijn macht op te geven, en de mens wil zijn vrijheid evenmin afstaan.
Geen van beiden, drakenmacht of menselijke vrijheid, kan nog ongedaan worden gemaakt.
De eenheid waar we sinds 1900 op afstevenen, kan dus nooit de oude, door de geestelijke wereld geïnspireerde en door de religie geleide eenheid zijn.
Het zal noodzakelijkerwijs een nieuwe eenheid zijn, die zowel de draak als de vrije mens zal insluiten.
En die twee zullen met elkaar uitvechten wie de leiding krijgt over de nieuwe eenheid die tot stand komt.

We leven in een Michaëlstijd, een tijd van grote beslissingen.
De scheiding der geesten begint.
De mensheid raakt verdeeld.
Een deel plaatst zich onder leiding van de draak.
Een ander deel plaatst zich onder leiding van Michaël.

Die scheiding is het gevolg van een keuze,
een keuze tussen goed en kwaad.
Maar het gaat niet om goede of slechte daden, goede of slechte gedachten, goede of slechte gevoelens.
Het gaat om het wezen van goed en kwaad.
Het gaat om twee (geestelijke) wezens waartussen we moeten kiezen.
En een derde is er niet.

Het probleem is natuurlijk dat we geen geestelijke wezens (meer) kunnen waarnemen.
We kunnen het wezenlijk goede en het wezenlijk kwade niet onderscheiden.
Nochtans is dat juist wat we zozeer nodig hebben, want in hun uitingen – in gedachten, gevoelens en daden – zijn goed en kwaad zodanig met elkaar verstrengeld dat ze niet meer uit elkaar te houden zijn.
Met ons moderne, heldere onderscheidingsvermogen zien we geen verschil meer tussen beide.
Goed en kwaad zien er net hetzelfde uit.

20131023-122210.jpg

Tot nog toe maakten we onderscheid tussen beide met ons geweten.
Dat geweten is een soort herinnering aan wat we vroeger ge-weten hebben.
En we wisten het omdat we het zagen.
We konden de geestelijke wereld nog waarnemen en onderscheid maken tussen de verschillende wezens die hem bevolkten.
Van dat oude (helder ziende) weten is vandaag nog slechts een (slecht ziend, tastend) geweten overgebleven.
Dat moderne geweten is een gevoelszintuig: we maken onderscheid tussen goed en kwaad met ons ‘hart’.

Maar dat hart is nagenoeg blind geworden.
Het heeft ook bijna geen stem meer.
Het wordt het zwijgen opgelegd door het hoofd, dat Oost-Indisch doof blijft voor alles wat wezenlijk of geestelijk is.
En dus zijn onze morele keuzes in toenemende mate blinde en willekeurige keuzes.
We tasten letterlijk en figuurlijk in het duister.

Maar een willekeurige keuze is geen vrije keuze.
Het is geen keuze van de vrije mens, maar van … de draak.
Zonder het te beseffen, laten we de draak in onze plaats kiezen.
Door niet (goed) te weten waarvoor we kiezen, geven we ons leven steeds meer in handen van de draak.
En de enige manier om het zelf weer in handen te nemen, is door vrije keuzes te maken, dat wil zeggen, keuzes waarbij we weten waartussen we kiezen.
En daarvoor is het noodzakelijk dat we goed en kwaad leren onderscheiden, dat we hun geestelijke wezen leren waarnemen.

Niemand die bij goed bij zijn hoofd is, zal namelijk voor het kwaad kiezen.
Het volstaat het wezen van het kwaad te zien, om het af te wijzen.
Maar daar ligt juist het probleem: we zien het niet.
We zijn (met ons hart dat moet kiezen) niet goed bij ons hoofd (dat onderscheidt).
Ons bewustzijn is verdeeld.
Er gaapt een kloof tussen hoofd en hart.
Ons denken bestaat uit abstracte, dode gedachten.
Onze gevoelens worden vertroebeld door brandende begeerten.
En onze wil is verlamd omdat hij de kloof tussen beide niet kan overbruggen.

Van het oude eenheidsbewustzijn rest ons niets meer dan kille gedachten, verhitte emoties, een verlamde wil, en daartussen … niets.
Althans, dat denken we.
Want het is de draak die zich genesteld heeft in die lege ruimte tussen denken, voelen en willen.
De draak met de twee koppen: een luciferische kop die ons hart in brand steekt, en een ahrimanische kop die ons hoofd bevriest.
Zolang we die twee koppen niet onderscheiden, kunnen we ook de draak zelf niet onderscheiden.
En zolang we de draak (het wezen van het kwade) niet onderscheiden, kunnen we ook Christus (het wezen van het goede) niet onderscheiden.

20131023-122719.jpg

Op dit keerpunt der tijden moeten we een nieuw moreel zintuig ontwikkelen.
Het oude werkt niet meer.
Zonder dat nieuwe zintuig zullen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
We zullen geen vrije keuzes meer kunnen maken.
We zullen onze vrijheid verliezen.
Alle keuzes zullen in onze plaats gemaakt worden, door de draak.
We zullen stap voor stap zelf draken worden.
En we zullen het niet weten.
Want we zullen geen verschil meer zien tussen goed en kwaad.
We zullen de vreselijkste dingen doen in de overtuiging dat we het goede doen.
Ja, hoe beestachtiger we ons zullen gedragen, des te betere mensen zullen we ons voelen, des te groter zal ons morele superioriteitsgevoel worden.
En dat is al lang geen apocalyptische toekomstvoorspelling meer.
Het is gewoon een waarneming van wat reeds aan de gang is.
Dat we de Nobelprijs voor de Vrede geven aan de grootste terroristenleider ter wereld is geen krankzinnige fictie maar harde werkelijkheid, een werkelijkheid die zich onder onze bijna blinde ogen afspeelt.

Het openen van onze nieuwe ‘morele ogen’ is dan ook geen spirituele prietpraat maar dringende noodzaak.
Tenminste als we niet werkloos willen toekijken hoe de menselijke beschaving systematisch vernietigd wordt en het leven van miljoenen mensen tot een hel maakt.
Als we nog een hart in ons lijf hebben en niet helemaal afgestompt zijn door de luxe en de leugens die dagelijks over ons uitgestort worden, dan moet het ontwikkelen van dit innerlijke zintuig een absolute prioriteit zijn.
Onze ene mensenplicht tegenover alle mensenrechten.

Als we beweren dat niets belangrijker is dan vrede, dan vergissen we ons.
Als we denken dat we het hier zo goed hebben in ‘ons landje’, dan zijn we al flink verdwaasd.
We worden bedreigd door het allergrootste gevaar: het gevaar op te houden mens te zijn, het gevaar ongemerkt te veranderen in een beest dat zich moreel superieur waant en daaraan het recht ontleent ‘de inferieuren’ uit te roeien.
Wie denkt dat hij dat gevaar niet loopt, droomt.
Denken we maar aan wat er nog niet zolang geleden gebeurd is in Duitsland, het meest ontwikkelde, meest progressieve en cultureel meest hoogstaande land ter wereld, het land waar wetenschap en kunst de hoogste toppen scheerden.
Uitgerekend daar sloeg de draak ongenadig toe, en hij kreeg nagenoeg iedereen in zijn macht, de intelligentsia op kop.
We denken dat zoiets niet nog eens kan gebeuren, maar het is al volop bezig en we zien het niet.
Tientallen jaren reeds voert de overheid een door de media en de hele intellectuele wereld gesteunde propagandacampagne waarin mensen dag in dag uit aan de schandpaal worden genageld en afgeschilderd als het grootste gevaar voor de samenleving: de zogenaamde racisten, de onverdraagzamen, de haatzaaiers, de islamofoben, de fascisten, de verzuurden, de extreem-rechtsen, de ‘onmensen’ kortom.
En we trappen er met beide voeten in.
Want de draak is buitengewoon sluw en intelligent.
Hij weet precies waar onze achillespees ligt.

En wij weten dat niet.

20131023-123204.jpg

Ons fel verzwakte morele zintuig, dát is onze achillespees.
Daar richt de draak zijn pijlen op.
En we hoeven ons geen illusies te maken: hij zal ons geweten vernietigen.
Hij zal de herinnering aan ons oude menszijn helemaal uitwissen.
Hij zal ons tot gewetenloze mensen maken, mensen die niet meer weten wat menszijn is.
En in ruil zal hij ons een nieuw geweten geven.
Hij zal van ons mensen maken die bij het minste kwaad vol verontwaardiging opspringen en roepen: we moéten iets doen, we moeten dat kwaad uitroeien!
Alleen zal dat kwaad geen kwaad zijn, maar goed.
Het nieuwe ‘geweten’ zal immers alles omdraaien: het zal goed en kwaad verwisselen.
De draak zal van ons mensen maken die het goede in naam van het goede willen uitroeien.

Het grote gevaar is dus niet dat onze morele ogen helemaal gesloten worden.
Het grote gevaar is dat ze opnieuw opengaan en alles omgekeerd zien.
Het grote gevaar is dat het nieuwe morele zintuig niet óns zintuig wordt maar dat van de draak.

De enige manier om dat te voorkomen, is door wakker te blijven.

Waar we vandaag getuige van zijn, is het verdwijnen van de oude moraliteit, het volledig dichtgaan van ons innerlijke oog, het uitsterven van de oude gewetensvolle mens.
Maar tegelijk zijn we getuige van het ontstaan van een nieuwe moraliteit, van het opengaan een nieuw moreel zintuig.
We zijn wereldwijd getuige van de geboorte van de nieuwe mens, de nieuwe mens die zich een nieuwe wereld schept.
Maar zijn we wakkere getuigen?
Zien we dat de nieuwe moraliteit een omgekeerde moraliteit is, die goed en kwaad gewoon verwisselt?
Zien we dat de moreel o zo gevoelige nieuwe mens in feite een drakenmens is, die in naam van het goede de vreselijkste dingen doet?
Zien we dat de nieuwe wereld niets anders is dan de vernietiging van de oude?

De vraag stellen, is ze beantwoorden.
We zien het niet.
Het zou overdreven zijn te zeggen dat we er compleet blind voor zijn, want ons oude morele zintuig werkt nog genoeg om ons te doen lijden onder de situatie waarin mens en wereld zich vandaag bevinden.
Maar we zien niet helder meer.
We begrijpen niet meer wat er gebeurt.
In feite raken we steeds meer in de war.
We kunnen goed en kwaad niet langer van elkaar onderscheiden.
Ons bewustzijn dooft langzaam maar zeker uit.

En daar ligt het werkelijke gevaar.

20131023-124001.jpg

We kunnen het sterven van de oude wereld niet tegenhouden, het maakt dat sterven alleen maar pijnlijker.
We kunnen ook niet beletten dat er een nieuw moreel zintuig – en daarmee ook een nieuw soort mens – ontstaat.
Dit wereldwijde Stirb und Werde, dit sterven en weer geboren worden, zal hoe dan ook plaatsvinden.
Het is een kosmische wetmatigheid waaraan de hele wereld en de hele mensheid op dit moment onderworpen is.
Maar wat we wél in de hand hebben, is of we dit sterven-en-geboren-worden bewust meemaken of niet.
Knijpen we onze ogen dicht of houden we ze open?
That is the question.

In feite is dát onze Michaëlische opgave: wakker blijven, kijken, zien wat er gebeurt.
En daar is moed voor nodig, want zowel sterven als geboren worden zijn ingrijpende, schokkende en zelfs gewelddadige processen.
Maar het zijn juist deze processen die we moeten leren zien en doorzien.
We moeten leren zien dat ze samen een ingewikkelde omkering vormen.
En om getuige te kunnen zijn van deze omkering moet ons bewustzijn die omkering zelf meemaken.
Alleen een ‘omgekeerd’ bewustzijn is in staat om in de nieuwe wereld onderscheid te maken tussen goed en kwaad.

Dat het nieuwe Lichte Tijdperk nog niets anders opgeleverd heeft dan oorlog en geweld is niet te wijten aan het feit dat het wezen van de mens door een diepgaande transformatie gaat, het is te wijten aan het feit dat zijn bewustzijn die transformatie niet meemaakt.
Het keert er zich van af, het sluit de ogen, het valt in slaap.

Het oerbeeld van dit omkeringsproces is natuurlijk het sterven en verrijzen van Christus.
Wanneer dat sterven inzet, in de tuin van Gethsemane, vraagt Christus maar één ding van zijn leerlingen: waakt met mij!
Hij wil niet dat ze zijn gevangenneming verhinderen of zich verzetten tegen zijn kruisdood, want die dingen moeten juist gebeuren, daarvoor is hij op aarde gekomen.
Hij wil alleen dat zijn leerlingen wakker blijven, dat ze getuige zijn.
Maar het lukt hen niet, ze ‘vallen in slaap’.
Hun bewustzijn wordt overweldigd, het is niet sterk genoeg..
Alleen het vrouwelijke bewustzijn kan het zien van dit lijden verdragen.
Het zijn ‘de vrouwen’ die getuige zijn van de kruisdood van Christus.
Volgens Mattheus, Marcus en Lucas kijken ze ‘uit de verte’ toe.
Alleen volgens Johannes staan ze onder het kruis.
Ze zijn nu echter ook vergezeld van ‘de leerling die Jezus liefhad’.
Tegen hem zegt de stervende Christus: zie, uw moeder.
En tegen zijn moeder zegt hij: vrouw, zie, uw zoon.

20131023-124436.jpg

Met deze woorden verenigt Christus het mannelijke en het vrouwelijke bewustzijn en vormt daarmee het oerbeeld van het nieuwe Michaëlische bewustzijn dat in staat is wakker te blijven en zijn sterven van dichtbij waar te nemen.
Michaël is namelijk de engel die voor het aangezicht van Christus staat.
Hij is degene die de blik niet neerslaat bij het zien van het lijden en sterven van degene die hij boven alles liefheeft en die hij bij zijn neerdaling ‘uit de hemel’ gevolgd is.
Hij is Christus evenwel niet tot in de materie gevolgd.
Hij is blijven staan in de geestelijke wereld.
En van daaruit kijkt hij toe.
Hij maakt het lijden en sterven van Christus in zijn bewustzijn mee.
Hij is de mede-lijdende getuige.
Hij is degene die zowel Maria als Johannes de kracht geeft om ‘wakker’ onder het kruis te staan en toe te kijken.

De oude, gewetensvolle mens herkennen we in Petrus.
Hij is degene die de gevangenneming van Christus wil verhinderen en naar het zwaard grijpt.
Hij is ook degene die Christus, uit angst voor zijn eigen leven, verloochent.
En wanneer zijn geliefde meester sterft, dwaalt hij ergens rond in de nacht, verteerd door schaamte en schuldgevoel.
Het oude bewustzijn van Petrus is niet sterk genoeg om het sterven van Christus onder ogen te zien.
Daarvoor is een nieuw bewustzijn nodig, een ‘geheeld’ bewustzijn, dat het meevoelende moederhart van Maria verbindt met de scherpe blik van Johannes, de ‘adelaar’ onder de evangelisten.
Het is dít bewustzijn dat ook in staat is de verrezen Christus te herkennen.
Maria Magdalena, de ‘adelaar’ onder de vrouwen, is de eerste die de ‘nieuwe’ Christus ontmoet en herkent.
Zij staat aan het lege graf, samen met Johannes en Petrus.
In dit beeld heeft het nieuwe Michaëlische bewustzijn van Maria en Johannes zich verbonden met het oude bewustzijn van Petrus.
Zoals Christus zich verbonden heeft met de aarde, zo heeft Michaël zich verbonden met de aardse Petrus.

20131023-124820.jpg

Dit is het oerbeeld:
van het oude, gespleten bewustzijn,
over het nieuwe geheelde bewustzijn,
naar het drieledige aardse bewustzijn.

Dit bijbelse oerbeeld is op zijn beurt drieledig.
Het transformatieproces dat ons bewustzijn moet doormaken als we (een vrij) mens willen blijven, begint bij het oude dualistische bewustzijn en eindigt met een nieuw, drieledig bewustzijn.
Over dit deel van het proces hebben we geen zeggenschap.
Ons oude gespleten bewustzijn zal onherroepelijk sterven en het zal even onherroepelijk verrijzen als een nieuw eenheidsbewustzijn.
Vrij zijn we alleen in de tweede en middelste fase van het transformatieproces: de verbinding van hoofd en hart.
Daar valt de beslissing.
Daar wordt uitgemaakt of het nieuwe bewustzijn een menselijke bewustzijn zal zijn dan wel een drakenbewustzijn.
Het is déze fase die we niet mogen verslapen.

En daarmee komen we weer terug bij de oorspronkelijke vraag: is kunst wetenschap?

Kunst en wetenschap zijn namelijk uitdrukking van hart en hoofd.
Ze zijn de spiegel van wat zich in ons bewustzijn afspeelt.
Zij geven ons een objectief beeld van de tweede, centrale fase in de bewustzijnstransformatie die we vandaag doormaken.
En aan dat beeld kunnen we aflezen dat hoofd en hart inderdaad verbonden worden.
Kunst en wetenschap groeien naar elkaar toe en gaan in elkaar over.
Maar we kunnen er ook aan aflezen dat dit volgens de regels van het hart gaat, dat wil zeggen: blind, gevoelsmatig, meedrijvend op de grote kosmische verbindingskrachten die sinds het einde van het Kali Yuga de plaats hebben ingenomen van de oude scheidende krachten.
Het gaat met andere woorden om een vrouwelijke verbinding, een samensmelten met de kosmisch-vrouwelijke krachten die op alle gebieden streven naar een hereniging van wat gescheiden is.
Aan deze verbinding heeft het wakkere hoofd part noch deel.
Het is er veeleer het slachtoffer van.
De ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen van het hoofd lost langzaam maar zeker op in die zee van ‘vrouwelijke’ krachten.
In de beslissende fase van het aan de gang zijnde bewustwordingsproces vallen we met andere woorden in slaap.
We slagen er niet in om wakker te blijven.

De gevolgen daarvan zijn duidelijk.
De wetenschap houdt op wetenschap te zijn,
en de kunst houdt op kunst te zijn.
Ze vermengen zich tot een heksenbrouwsel vol leugens en lelijkheid, waarin alle menselijkheid en moraliteit oplost en verdwijnt.
De wetenschap stelt de mens voor als minder dan een aap, als een kruipende worm.
En de kunst doet eigenlijk net hetzelfde, zij het iets ‘plastischer’: zij stelt de mens voor als een stuk stront, een uitwerpsel.

20131023-125337.jpg

De vraag ‘is kunst wetenschap?’ is – op cultureel gebied – de meest prangende vraag die men kan stellen.
Enerzijds is zij uitdrukking van ons falende ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen, dat beide niet meer uit elkaar kan houden.
Anderzijds is zij een appèl aan ons Ik om wakker te worden, om vragen te stellen over de relatie tussen kunst en wetenschap, om te zien wat er met beide aan de hand.
En die vragen komen uiteindelijk neer op die ene Michaëlische vraag: wie is als God?
Het antwoord op die vraag is: de mens.
Maar in zijn abstractie is dat antwoord natuurlijk een leugen.
Verre van ‘als God’ te zijn, is de moderne mens veel meer ‘als een worm’ of nog minder.
De Michaëlische vraag moet dus heel concreet gesteld worden.
Het is de vraag naar de mens en het menselijke op ieder gebied.
Het is het afwegen tussen wat ‘als God’ is en wat ‘als de draak’ is.
Het is, kortom, het maken van onderscheid tussen goed en kwaad.

Om een Michaëlvraag te zijn moet de vraag ‘is kunst wetenschap?’ heel concreet gesteld worden.
Van ieder afzonderlijk kunstwerk moeten we ons afvragen wat er subjectief aan is en wat objectief.
En ten aanzien van de wetenschap moeten we eigenlijk precies hetzelfde doen.
Iedere wetenschappelijke bewering moet onderzocht worden op haar wetenschappelijkheid. De objectieve elementen moeten gescheiden worden van de subjectieve.

In beide gevallen betekent dat een strijd met de draak.
Want de draak spant zich tot het uiterste in om zowel het objectieve in de kunst als het subjectieve in de wetenschap te verbergen.
Hij stelt de kunst voor als een zuiver subjectieve aangelegenheid waarover niets objectiefs te vertellen valt (met als gevolg dat anything goes).
En hij stelt de wetenschap voor als een volkomen objectieve aangelegenheid waar geen subjectiviteit aan te pas komt (met als gevolg dat er niet meer kan getwijfeld worden aan de wetenschap).

Dit is de achillespees van de draak.
Als men heel bewust en heel concreet de vinger legt op het samengaan van objectief en subjectief in zowel kunst als wetenschap, dan wordt de draak woest, dan laat hij zich kennen.
En dan is het zaak om goed te kijken.
Want zonder kennis van de draak kunnen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
De draak zal zich dan diep in ons verborgen hebben en vanuit zijn schuilplaats heel ons denken en doen bepalen, zonder dat we het beseffen.
Daarom moeten we de draak zichtbaar maken, want alleen een onzichtbare draak kan ons in zijn greep krijgen.

20131023-125656.jpg

De Nobelprijs voor Terrorisme

Op de website van Luc Verbeke (lucenmaria) waar ik gisteren al iets ging plukken, vond ik een open brief aan Herman Van Rompuy, van de hand van pater Daniël Maes, die al jaren in Syrië leeft en werkt.
Dit keer heb ik er geen moeite mee om de inhoud te geloven.
De brief bevestigt waar ik al langer van overtuigd was: als je vandaag de waarheid wilt kennen, moet je nagaan wat algemeen als waarheid erkend wordt en het dan omdraaien.
Bijvoorbeeld: de Nobelprijs voor de Vrede wordt tegenwoordig uitgereikt aan terroristenleiders.
Vergelijkt u het onderstaande eens met de stroom van leugens die in de kranten is verschenen.
En nog altijd verschijnt.

Excellentie,

Uw inzet voor Europa in de huidige moeilijke tijd krijgt de steun van de Europese staatshoofden en regeringsleiders. Zij hebben u in uw functie bevestigd, waarvoor ook ik u wil gelukwensen.

U zit als het ware op de stoel van Robert Schumann, de vader van Europa. (…)
Hij bracht verzoening tussen de toen gezworen vijanden, Frankrijk en Duitsland.
Zijn voornaamste bekommernis ging naar de fundamenten van verzoening, dialoog, samenwerking, solidariteit en vrede met een groot respect voor de eigenheid van ieder volk. Bovendien wilde hij op deze grondslagen een Europa als een dienst aan en solidariteit met alle landen en volkeren.

U weet dit alles beter dan wie ook. Wat u wellicht minder goed weet, is wat er werkelijk in Syrië gebeurt. Sta me toe hierover enige eigen ervaring mee te delen als een Europese burger, sinds enkele jaren levend en werkend in Syrië.
Ik heb voor de huidige oorlog met volle teugen genoten van de gastvrijheid van dit volk, van zijn behoorlijke welvaart, vrijheid, vrede en vooral de diep ingewortelde wil om met alle verschillende etnische groepen en geloofsgroepen in vrede samen te leven.
In Damascus, Qâra en elders was ik te gast in menig gezin, zowel moslim als christen.
Nooit heb ik enig verschil in gastvrijheid ondervonden, en nog veel minder enige vijandigheid. Inmiddels is Qâra een verzamelplaats geworden van terroristen en een van de gevaarlijkste plaatsen in Syrië.

Ik heb de door het Westen en zijn Arabische bondgenoten genoemde volksopstand zien geboren worden.
Zoals naar gewoonte wandelden we door Qâra, bezochten hier en daar een zieke in een familie, deden enkele inkopen, om dan samen met enkele jongens van de parochie bij de byzantijnse priesters gezellig te eten.
Ditmaal was het na het vrijdagavondgebed ongemeen druk aan de centrale moskee.
Een vijftiental vreemde mannen en jongeren schreeuwden wild leuzen tegen president Assad en tegen Syrië om er filmpjes van te maken.
De pastoor vertelde dat er sinds kort enkelen extra geld verdienden door deze foto’s en filmpjes aan Al Jazeera te bezorgen.
En u weet hoezeer Al Jazeera het westers nieuws manipuleert.

De werkelijkheid is dat er in Syrië nooit een volksopstand is geweest en nooit een burgeroorlog vanuit de bevolking. Regering, volk en land bleken vanaf het begin slachtoffer van een al lang voorbereide, goed geplande samenzwering van buitenaf.

Hoe talrijk, groot of verborgen de belangen en motieven ook mogen zijn voor Amerika, Israël, Europa, Turkije, Saoedie-Arabië en Qâtar, de wijze waarop zij tot heden dit soeverein volk en land mee hebben uitgemoord en ontwricht , is een misdaad tegen de menselijkheid.

Het aandeel daarin van Europa is de meest radicale verloochening van zijn principes.
Wellicht is Syrië strategisch een van de meest belangrijke plaatsen voor wereldheersers.
Syrië is evenwel een van de weinige bolwerken die stand hebben gehouden tegen het alles vernietigend westers imperialisme.
De Syrische president heeft ooit de grenzen met zijn buur willen openenen en Turkije als vriend ontvangen.
Inmiddels heeft Europa een militair hoofdkwartier aan de noordgrens met Syrië om de uitgebreide terroristenkampen aldaar tegen Syrië te steunen.
Uiteindelijk heeft Turkije alle fabrieken in Aleppo – het economisch hart van Syrië – ontmanteld, geplunderd en verwoest.

Het is de Europese vriend met de dolk achter de rug, die graag zijn droom van het Ottomaanse Rijk wil herstellen. Syrië is tenslotte het laatste bolwerk tegen de radicale fundamentalistische islam en daarom een doorn in het oog van Saoedi-Arabië en Qâtar, ook goede vrienden van het Westen, die zeer rijk en machtig zijn en de gtootste financiers van het terrorisme, heel de wereldbol rond.

Terwijl hun eigen samenleving een schandvlek vormt op de mensenfamilie, willen zij kost wat kost de lekenstaat Syrië, die zoveel vrijheid geeft aan iedereen – ook aan de in hun ogen verachtelijke ‘ongelovigen’ – omvormen tot een radicale islamdictatuur.
Zij zijn graag bereid voor het Westen het vuile werk te doen.
Het Westen kan dan beslag leggen op de energierijkdommen van het land.
Het volk zal uitgemoord zijn, het land vernietigd en alle ‘zelfverklaarde ‘ vrienden van Syrië zullen hun macht kunnen uitbouwen tegen de andere regionale grootmachten.
Weet evenwel dat eens de maskers zullen vallen.
Ook deze oorlog zal zijn ‘Neurenberg’ kennen.
Dan zal blijken dat de ‘As van het Kwaad’ niet door Damascus liep maar wel door Washington, New York, Brussel en Londen.

Als christen behoor ik tot de meest onpartijdige groep in Syrië.
Als autochtone bevolkingsgroep hebben christenen een groot aandeel gehad in de Arabische Renaissance en zij leveren ook nu hun bijdrage aan de Arabische cultuur.

De christenen steunen alle hervormingen samen met andere kleinere groepen en de moslims.
Ze zijn vertegenwoordigd in alle geledingen van de samenleving en bouwen mee aan deze lekensstaat en aan de afwijzing van iedere tegenstelling op grond van etnische afkomst of geloofsgroep.
Bovendien hebben de christenen geen enkele ambitie om een machtsgroep te vormen of als zodanig een deelname in de macht na te streven.
Ze zijn als kleine en eerder arme groep, het desem in het dagelijks brood van de Syrische samenleving (…).

Excellentie, het is niet de taak van Europa om mee te helpen aan het omverwerpen van de Syrische regering en zijn president Assad.
Europa moet ophouden de leugens over de werkelijkheid in Syrië te verspreiden en ook ophouden met het geven van steun aan wie regering en staatshoofd willen omverwerpen en moordaanslagen en verwoestingen plegen.
De Amerikaanse drones die men nu wil inzetten en die in andere landen duizenden mensen hebben vermoord, mogen in Syrië niet worden ingezet.

Geloof niet dat chemische wapens door de Syrische regering werden gebruikt.

Weet dat de slachtoffers jonge soldaten zijn, die hun leven gaven om hun volk te beschermen. Vergeet ook niet dat de oudste beschaving en een tweeduizend jaar oud christendom in Irak vernietigd werd, toen nog door een Amerikaans-Engelse coalitie onder het motto ‘Vrijheid voor Irak’ ook met de leugen van de niet bestaande vernietigingswapens.
En de onmenselijke vernietiging van Libië door het westerse imperialisme – met de actieve steun van Europa – hebben we allen recent uitgebreid kunnen volgen.

Wat kan Europa doen?

De soevereiniteit van het Syrische volk en land erkennen, van de Turken eisen dat het al wat het gestolen heeft in Aleppo teruggeeft, alle fabrieken herstelt en Syrië mee helpt opbouwen.
Wie een land mee vernietigt moet het ook mee opbouwen, niet als verwoester en rover, maar met respect voor de bevolking.

Wees een staatsman en geen terroristenleider.

Treed in dialoog met de regering en de president van Syrië, van aanschijn tot aanschijn.
Door nu Syrië te steunen en te helpen zult u pas een Europeëer worden.
Bovendien zal Europa door dialoog en samenwerking veel beter in staat zijn de eigen crisis te bestrijden dan door hier de grondstoffen te komen stelen, een volk uit te moorden en er zijn macht te vestigen.

Excellentie, de huidige aanval van Europa op Syrië is mensonwaardig.

Het lijden van het Syrische volk is een steeds luidere schreeuw om hulp.
Stop de waanzin!
Het is genoeg geweest.
Europa moet opnieuw gegrondvest worden op de authentieke fundamenten van de universele menselijke waarden. Zonder deze waarden heeft Europa geen zin en geen toekomst. Dan is het alleen maar in staat om Syrië nog meer mee te verwoesten. (…)
Wanneer u wilt meehelpen om hierin een positieve ommekeer te bewerken en zo meehelpt de lijdensweg van het Syrische volk te beëindigen, verdient u de naam van tweede vader of ‘de herstichter’ van Europa, wat ik u van harte toewens.
Zoniet kunt u helaas geen menswaardig politicus genoemd worden, laat staan een christen.

Pater Daniël Maes

20131022-084355.jpg

Miraculeus mirakel

Op de blog van Luc Verbeke, die ik vandaag toevallig voor het eerst bezocht, vond ik onderstaand verhaal.
Ik heb geen idee of het waar is, maar si non e vero dan is het toch wel spannend geschreven.
Oordeelt u zelf.

Op 18 augustus 1996 om 19 uur droeg Pater Alejando Pezet de Mis op in een kerk in het centrum van Buenos Aires. Na afloop kwam een vrouw hem zeggen dat er aan de uitgang van de kerk een weggeworpen hostie lag. Toen pater Alejando ging kijken, vond hij een bevuilde hostie. Voorzichtig legde hij ze in een kommetje water en zette dat in het tabernakel van de Sacramentskapel.

Een week later, op maandag 26 augustus deed hij het tabernakel open en zag tot zijn verbijstering dat de hostie veranderd was in een bloederige massa.
Hij verwittigde Mgr. Bergoglio (de huidige paus, toen net gepromoveerd tot kardinaal ) en die gaf instructies om de hostie op een professionele manier te laten fotograferen. De foto’s werden genomen op 6 september en tonen duidelijk dat de hostie een stuk vlees was geworden, aanzienlijk groter dan het oorspronkelijke stukje brood.

De ‘hostie’ bleef jaren in het tabernakel liggen en men hield de geschiedenis geheim.

Omdat het stuk vlees geen enkel teken van ontbinding vertoonde, besliste Mgr. Bergoglio om het wetenschappelijk te laten onderzoeken.Op 5 oktober 1999, in aanwezigheid van Mgr. Bergoglio, die intussen aartsbisschop geworden was, nam Dr.Castanon een staal van het bloedende vlees en zond het naar New York voor onderzoek. Omdat hij de resultaten van het onderzoek niet wilde beïnvloeden, maakte hij de herkomst van het vlees niet bekend.
Eén van de onderzoekers was de bekende cardioloog en medico-legale anatoom patholoog Dr. Frederic Ziguba. Hij bevestigde dat het onderzochte weefsel inderdaad vlees was en dat bloed menselijk DNA bezat. Hij verklaarde verder dat het onderzochte weefsel een stuk was van de wand van de linkerkamer van de hartspier. Het stuk hartspier vertoonde tekenen van ontsteking en bevatte een groot aantal witte bloedcellen. Dat wees erop dat het weefsel leefde op het moment dat het staal genomen werd. Bovendien waren deze witte bloedcellen doorgedrongen in het weefsel wat erop wijst dat het hart, voor het staal genomen werd, blootgesteld was geweest aan intense stress, alsof de eigenaar zwaar op de borstkas was geslagen.

Twee Australiërs, de journalist Mike Willesee en de jurist Ron Tesoriero, waren getuigen van deze thesis. Ze kenden de herkomst van het staal en waren verbijsterd door de woorden van Dr.Zugiba. Mike Willesee vroeg de dokter hoelang de witte bloedcellen zouden kunnen overleven als het weefsel in het water bewaard werd. Dr. Zugiba antwoordde dat ze in enkele minuten afgestorven zouden zijn. Daarop onthulde de journalist dat het weefsel, waaruit het staal genomen werd, eerst een maand bewaard was in gewoon water en daarna drie jaar in gedemineraliseerd water. Pas daarna werd het onderzochte staal genomen.

Dr. Zugiba kon dit moeilijk geloven en zei dat het op geen enkele manier wetenschappelijk te verklaren was. Ook vroeg hij: U moet me eens iets uitleggen. Als dit staal van een overledene afkomstig is, hoe valt het dan te verklaren dat de cellen die ik onderzocht nog bewogen en pulseerden? Pas dan vertelde Mike Willesee dat het staal afkomstig was van een geconsacreerde hostie (wit, ongedesemd brood ) die op mysterieuze manier veranderd was in bloedend menselijk weefsel. Verbluft antwoordde dr. Ziguba: Hoe kan een geconsacreerde hostie veranderen en levend menselijk vlees en bloed? Dat zal voor de wetenschap altijd een onverklaarbaar mysterie blijven, een mysterie dat buiten haar bevoegdheid valt.

Daarna zorgde Dr. Ricardo Castanon Gomez ervoor dat de laboratoriumgegevens van het mirakel in Buenos Aires vergeleken konden worden met die van het mirakel van Laciano, steeds zonder de herkomst te vermelden van het onderzoeksstaal. De deskundigen die deze onderzoeken vergeleken, kwamen tot het besluit dat de rapporten van de twee laboratoria betrekking hadden op stalen van dezelfde persoon. Beide stalen toonden dezelfde bloedgroep AB positief. Het bloed vertoont de kenmerken van een man die geleefd heeft in het Midden-Oosten.

Tot hier het relaas.

Geef toe: niet normaal!
Als het waar is natuurlijk.
Het zwakste punt in het verhaal vind ik de aanwezigheid van Bergoglio, nu Franciscus I.
Ik vertrouw die vent niet.
Maar wie ben ik?

20131021-233459.jpg

Generation Kill

20131021-160421.jpg

Ten huize Debrouwere wordt momenteel (opnieuw) gekeken naar Generation Kill, een miniserie van de gereputeerde Amerikaanse betaalzender HBO, gebaseerd op de ervaringen van oorlogscorrespondent Evan Wright tijdens de oorlog in Irak.

Het is met gemengd plezier dat ik naar deze reeks kijk.
Enerzijds is het een uitstekende reeks, die de oorlog zeer realistisch in beeld brengt.
Althans naar mijn gevoel, want ik was er natuurlijk niet bij.
Anderzijds is die in beeld gebrachte realiteit zo rauw dat het zwaar om verteren is.
Gelukkig is er nog de Amerikaanse humor, anders weet ik niet of ik er zou blijven naar kijken
Er is al genoeg kommer en kwel in de wereld, ik hoef er niet ook nog eens voor mijn plezier naar te kijken.

Toen ik ‘Generation Kill’ voor de eerste keer bekeek, was er de spanning van het nieuwe.
Wat zou er gebeuren? Hoe zou het verhaal aflopen?
Niet weten wat de toekomst zal brengen, maakt de beleving veel intenser.
Ze kan zelfs zo intens worden dat de tijd blijft stilstaan.
Een seconde kan opgerekt worden tot een eeuwigheid.
Als je echter weet hoe alles zal aflopen, als de toekomst al bekend is, gebeurt het omgekeerde: de tijd krimpt in elkaar.
Een dag wordt een seconde, een week wordt een minuut, een maand wordt een dag.
Alles gaat in een oogwenk voorbij.
Dat is ook het probleem met ouder worden.
Je leven loopt op wieltjes, alles is prima georganiseerd en geregeld, maar … de tijd lijkt steeds sneller te gaan.
Het leven glijdt als zand tussen je vingers.
Er is geen stoppen aan.

Waarom vertel ik dit?
Omdat het deel uitmaakt van de zwaar verteerbare inhoud van ‘Generation Kill’.
En die inhoud is niets minder dan een portret van Ahriman.

20131021-160826.jpg

Ahriman is de geest die alles doet verstarren tot er geen beweging en geen leven meer in zit.
Hij is ook de geest die de ouderdom beheerst, de geest die de tijd doet inkrimpen, die het leven herleidt tot een herhaling van steeds weer dezelfde patronen.
Ahriman is de geest die alle spanning uit het leven haalt,
die het volkomen voorspelbaar maakt,
die alle vrijheid verstikt.

En dat doet hij ook met ‘Generation Kill’.
Ik herinner me niet meer wat er in deze serie gebeurt.
Of beter, ik herinner het me wel: niks namelijk.
Wat je in het begin ziet, is hetzelfde wat je ook aan het eind ziet.
Er is geen stijgende dramatische lijn die naar een hoogtepunt voert.
Het klassieke stramien van films, thrillers, romans en drama’s ontbreekt hier.
In plaats daarvan is er de herhaling van alsmaar hetzelfde.
Beetje rijden met de Humvee’s, beetje schieten, beetje slapen, beetje de tijd doden.
Van heroïsme, moed, dapperheid, zelfopoffering, broederschap, enzovoort, is geen sprake.
De moderne oorlog naar Amerikaans model is één grote machine die aan een gelijkmatig machinaal tempo alles en iedereen vermorzelt.
Als een langzaam kauwend monster.

Je kunt die Amerikaanse soldaat nauwelijks nog een soldaat noemen.
Hij is een technicus die gesofisticeerde machines bedient.
Oorlog voeren doet hij als volgt.
In een gepantserde jeep, type Humvee – een kruising tussen een auto en een tank – rijdt hij tot op veilige afstand van het doelwit, lokaliseert de vijand met een verrekijker die op zijn helm is geïnstalleerd zodat hij de handen vrij heeft om op zijn computer de coordinaten in te tikken en de luchtmacht de situatie door te geven, waarna, enkele seconden later, een raket door de lucht komt suizen die het doelwit met dodelijke precisie treft en doet exploderen.
Dan knikt de soldaat voldaan: mission accomplished.

20131021-160931.jpg

Deze moderne soldaat – van de ‘generatie Dood’ – komt nog alleen in contact met de vijand als hij dood is of zich overgeeft.
En dan kijkt hij zeer verbaasd: het zijn verdorie mensen zoals hijzelf!
Dát had hij nooit verwacht.

Je merkt goed hoe deze jonge Amerikanen de oorlog zien als een video-spelletje.
Ze zitten te popelen om iemand dood te kunnen schieten.
Ze jengelen als een kind bij hun sergeant:
Wanneer mag ik iemand doodschieten?
Duurt het nog lang?
Straks moet ik naar huis en heb ik nog niemand doodgeschoten!
Als de sergeant dan toestemming geeft om te schieten, zijn ze als een kind zo blij dat ze eindelijk hun speelgoed mogen gebruiken.

Gevaar lopen ze nauwelijks.
Als de vijand een watertank lek schiet in hun Humvee is dat al een groot drama.
Wat een smeerlappen, die Iraki’s!
Wat een rotzooi, die oorlog!
Als er dan toch eens een Amerikaan gedood wordt, staan ze stomverbaasd en ontdaan te kijken, alsof het niet volgens de regels is.
De regels zijn namelijk: de ‘good guys’ zitten met hun joy-stick te spelen, schieten de ene na de andere ‘bad guy’ aan flarden, en juichen uiteindelijk dat ze gewonnen hebben.
Dat de ‘bad guys’ terug kunnen schieten, daarover hebben ze niets gelezen in de gebruiksaanwijzing van hun play-station.

Ahriman doet dus niet alleen de tijd, het leven, de spanning en het drama verdwijnen, hij doet ook de realiteit verdwijnen.
Hij herleidt het leven tot een video-game.
Hij maakt van de ‘generatie Dood’ een generatie die met knopjes zit te spelen en naar een computerscherm zit te staren, en zich intussen inbeeldt dat ze een leven vol drama en spanning en heroïek leidt.

20131021-161351.jpg

Het is een generatie die tegelijk dood én dodelijk is.

Want ze staan natuurlijk niet helemáál los van de werkelijkheid.
Hun video-game heeft een ‘andere kant’, een kant die ze niet zien en waar ze geen flauw benul van hebben.
Dat is de wereld van ‘de vijand’, de wereld die door hun computerspel met vernietigend geweld tot stof wordt herleid.
Zonder noemenswaardige verliezen aan hun kant hebben de Amerikanen destijds Irak – het land tussen Tigris en Eufraat, de wieg van de menselijke beschaving – terug naar de Middeleeuwen gebombardeerd. Ze hebben er één grote puinhoop van gemaakt.
Allemaal van achter hun computers.
Allemaal van op veilige afstand.
Diep verborgen in die gigantische oorlogsmachine die Ahriman is.

Wat ‘Generation Kill’ zo akelig maakt, is tegelijk wat deze serie zo goed maakt:
ze hangt een zeer gelijkend portret op van Ahriman.
En het akelige van dat portret is dat het … zo op onszelf lijkt.
De oorlog die deze serie in beeld brengt, speelt zich niet alleen in Irak af, dat wil zeggen aan de andere kant van de wereld.
Hij speelt zich ook bij ons af, in het ‘gezegende’ Europa.
Hij speelt zich zelfs in onze eigen huiskamer af, waar onze kinderen gewelddadige video-games zitten te spelen, waar we zelf gezellig naar … ‘Generation Kill’ zitten te kijken.

Het heeft iets pervers om ’s avonds gezellig op de bank, met een glaasje wijn en wat chips, te zitten kijken naar hoe een onmenselijke oorlogsmachine de wieg van onze beschaving vernietigt, alsof ze een vlieg achteloos platdrukt.
En dat doen we bijna iedere avond.
Hoeveel uren zitten onze kinderen niet Grand Theft Auto V te spelen, een game waarin mensen moeten gemarteld en gedood worden om een ‘higher level’ te bereiken?
Hoeveel uren zitten we zelf niet te kijken naar films waarin mensen elkaar op alle mogelijke manieren doden?
Ja beslist, wij behoren allemaal tot de ‘Generation Kill’.

Als we naar deze serie kijken, dan kijken we naar onszelf.

Dat is wat deze serie zo zwaar verteerbaar maakt.
Zeker wanneer je ze voor de 2de keer bekijkt.
Want de eerste keer was er nog hoop.
De hoop dat er iets zou veranderen.
De hoop dat er ondanks alles nog een happy end zou volgen.
De hoop dat al dit vernietigende geweld een zin zou hebben, een betekenis.
Maar dat heeft het niet.
Het is zinloos geweld.
Het wordt niet beter.
Het houdt alleen op als iedereen doodmoe is van al dat doden, als ‘de vijand’ gebroken is, als hij geen verzet meer biedt.
Want dan is er geen plezier meer te beleven aan het doden en vernietigen.

Ahriman doodt omdat hij ervan geniet.

Hij geniet ervan omdat zijn slachtoffers zich verzetten, omdat ze tegenspartelen.
Doen ze dat niet meer, omdat ze allemaal dood zijn, dan is voor hem de lol eraf.
Dan moet hij wachten tot er een nieuwe generatie slachtoffers geboren is.
En dan barst zijn geweld weer los, met verdubbelde kracht, want hij heeft dan honger, honger naar macht, geweld, dood, vernietiging.

Dat hebben we onlangs nog kunnen zien toen Obama bloeddorstig tekeer ging en Syrië wilde gaan bombarderen.
Irak en Afghanistan lagen nog vers in het geheugen, maar het monster had alweer honger.
En dat zal niet veranderen.
Hoe meer voedsel Ahriman krijgt, des te groter wordt zijn honger.
Hij is verslaafd aan geweld.
Het Amerika van de Obama’s zal niet stoppen met oorlog voeren, het zal altijd weer nieuwe redenen vinden om ergens dood en vernieling te zaaien.

Er wordt in dat verband een veelzeggend grapje gemaakt in de serie.
Terwijl ze de tijd liggen te doden tot ze weer mensen kunnen gaan doden, zegt de ene soldaat tegen de andere:

It’s weird dude, all them fat Americans.
You see no fat people here.
Only in America you see so many fat people.
How that come?
They’re sitting the whole day on the bench, watching tv or playing video-games, eating cornflakes and drinking beer.
And you know why they do that?
Cause they’re poor!
That’s all they can do: sit and watch tv.
It’s the reverse world, dude!
Today, the poor people are fat!

20131021-162118.jpg

Dat zo machtige en rijke Amerika is innerlijk zeer arm, armer dan welk land ook ter wereld.
Maar geklemd tussen deze beide uitersten – extreme uiterlijke rijkdom en extreme innerlijke armoede – leeft nog een ander Amerika, een Amerika dat écht great and awesome is.

En dat is het kunstzinnige Amerika.

Het is het Amerika dat diep in de huid van de draak kruipt en … daar beelden van maakt.
Geen enkel land ter wereld bezit het vermogen van Amerika om beelden van zichzelf te maken, ongenadig eerlijke beelden.
Vanuit dat Amerika worden we overspoeld met filmbeelden die maar één onderwerp lijken te hebben: Ahriman, de grote geweldenaar, de moordmachine, de serial killer.
En omdat Ahriman steeds gewelddadiger wordt, worden ook die beelden steeds gewelddadiger.
Het mag wonder heten dat daar – nog altijd – zeer kunstzinnige beelden bij zitten.
Het is al niet gemakkelijk om kunstzinnige beelden te maken van de prachtige, stralende en verleidelijke Lucifer (want daarvoor moet je hem eerst overwinnen), maar om de lelijke, grauwe en gewelddadige Ahriman te overwinnen en daar kunstzinnige beelden van te maken, dat is pas écht hedendaagse kunst.

Ieder kunstwerk is een overwinning op de draak.
Vroeger was het voornamelijk de luciferische versie die moest overwonnen worden, vandaag gaat het in de eerste plaats om de ahrimanische kop van de draak.
Hij is degene die moet afgebeeld worden.
Hij is het echte onderwerp van de hedendaagse kunst.
Die evolutie van Lucifer naar Ahriman wordt trouwens in de hedendaagse kunst zelf in beeld gebracht.
Aan het begin ervan stond de pispot van Marcel Duchamp.
Aan het eind ervan staat de kakmachine van Wim Delvoye.
Van pis naar kak, ziedaar de ‘evolutie’ die de hedendaagse kunst heeft doorgemaakt.
Van het kleine kwaad naar het grote.

20131021-162239.jpg

In de 21ste eeuw begint er een nieuw tijdperk: Lucifer en Ahriman slaan de handen in elkaar, ze vermengen zich, het kleine en grote kwaad worden langzaam één.
Het is nu de draak zelf die uit zijn hol kruipt.
En dat is een beslissend moment.
Want ofwel verslaan we die draak, ofwel verslaat hij ons.
En dat zal een nederlaag zijn waarvan we ons in zeer lange tijd niet meer zullen kunnen herstellen.

De grote vraag is natuurlijk: hoé verslaan we dat Beest uit de afgrond?
Eén ding duidelijk: niet door er ons tegen te verzetten.
Dat hebben we van Ahriman kunnen leren: ieder verzet is nutteloos.
Verzet is juist waar Ahriman op kickt, het verschaft hem (zijn waarschijnlijk enige) plezier.
Het zorgt er alleen maar voor dat hij nog meer honger krijgt.
Want alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit.
Verzet maakt de draak alleen maar sterker.

Tenzij je hem natuurlijk niet bevecht met wapens, schiettuig, computers en ander ahrimanisch materiaal, maar … met bewustzijn.
Dat is de enige manier waarop we Ahriman kunnen overwinnen.
Dat is ook de enige manier waarop we het verschijnen van het Beest zelf kunnen overleven: door het te zien, door het te leren kennen, door het te ontmaskeren.
Het staat al in de bijbel (Apocalyps 13:11): het Beest ziet eruit als een lam.
Je kunt het nauwelijks onderscheiden van dat ander lam, Christus.
Het komt er dus op aan dat we die twee absolute tegenpolen leren onderscheiden.
We moeten doorheen het bedrieglijk onschuldige uiterlijk van het Beest leren kijken.
Want als we dat niet doen, als we er blind voor blijven, zullen we onszelf in liefdesvervoering in zijn armen werpen.
Er zal geen verschil zijn tussen het zien van het Beest en onze onvoorwaardelijke overgave of onvoorwaardelijke afwijzing.

De keuze tussen deze twee zal bepaald worden door ons vermogen om de draak of het Beest te herkennen

En daarin ligt de grote betekenis van de hedendaagse kunst: zij produceert het ene na het andere beeld van Ahriman.
Omdat er geen kunst bestaat zonder Lucifer, zijn die beelden tegelijk ook beelden van de (tweekoppige) draak zelf.
De kunst – en de kunst alleen – bereidt ons voor op de komst van het Beest, en wel door ons dag in dag uit zijn beelden voor te houden.
Alleen kunst kan de wereld redden, maar dan moeten wij eerst wel leren om die kunst te herkennen, om haar beelden als beelden te zien, en niet als realiteit.
Dat is vandaag niet eenvoudig want fictie en werkelijkheid liggen zeer dicht bij elkaar.
De kunst gaat steeds meer over in de werkelijkheid.
En dat betekent dat haar beeldkarakter langzaam verdwijnt.
Ze wordt zo realistisch dat ze niet langer als kunst, als beeld herkenbaar is.
De hele officiële hedendaagse kunst is daar een voorbeeld van.
Ze is één groot portret van de draak.
Maar het is vrijwel onmogelijk om dat portret te herkennen, om die beelden te lezen en te begrijpen.
Want enerzijds zijn die beelden zo onmenselijk dat we er geen aanknopingspunt in vinden voor ons bewustzijn en anderzijds heerst er een wereldwijd verbod om dat bewustzijn ook te gebruiken.
De hedendaagse kijker kan en mag niet meer oordelen en nadenken over de kunst van zijn tijd.
Hij wordt gedwongen om haar ahrimanische beelden te bewonderen en te bewieroken.
En wee degene die dat niet doet!
Hij wordt afgeschilderd als een cultuurbarbaar, een achterlijke provinciaal.
Voor hem is geen plaats meer in de kunstwereld, hij wordt als een melaatse de tempel van de kunst uitgejaagd, wat er meestal ook nog eens op neer komt dat hij gebroodroofd wordt.
Anders gezegd, wie niet eerbiedig neerknielt voor deze drakenportretten, op hem wordt karaktermoord gepleegd, met alle gevolgen van dien.

20131021-162632.jpg

Het is interessant om deze situatie te vergelijken met wat de bijbel zegt (Apocalyps 13:14-15):

‘En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest (…). En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden.’

En dat wordt gezegd één bladzijde na de passage over Michaël die de draak in de hemel overwint en op de aarde werpt.
Het gaat met andere woorden over onze tijd, een tijd die overspoeld wordt met ‘beelden van het beest’ die aanbeden dienen te worden op straffe van de ‘dood’.

‘Generation Kill’ is één van die beelden, daar kan volgens mij geen twijfel over bestaan.
Het is een beeld van ‘de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid’ (Apoc. 12:12)
Maar anders dan de beelden van de (officiële) hedendaagse kunst, is dit een zeer herkenbaar en begrijpelijk portret van Ahriman.
Als we er ons tenminste niet vol afschuw van afkeren.
Maar we worden hier in ieder geval niet gedwongen om deze beelden kritiekloos te bewonderen, wel integendeel.
We horen in de officiële kunstkritiek geen woord over ‘Generation Kill’ of andere Amerikaanse drakenbeelden.
Er wordt dus geen ahrimanische, intellectuele druk op ons uitgeoefend, alleen emotioneel-luciferische.
En dié kunnen we overwinnen.
Met behulp van onze ahrimanische afstandelijkheid kunnen we onze emotionele afschuw overwinnen en precies tussen Lucifer en Ahriman in gaan staan.
Maar het hangt wél van onze vrije wil af of we dit inderdaad doen, en op die manier het Ahriman-portret herkennen.

Door onze luciferische afschuw voor Ahriman te overwinnen (en dat is vaak een zeer terechte en zeer spirituele afschuw) kunnen we van zijn beeld een wapen maken om de draak te ontmaskeren: een herkenningswapen, een bewustzijnswapen.

‘Generation Kill’ is zo’n wapen.
Als we dat willen natuurlijk.
Als we onze – begrijpelijke en terechte – afschuw voor deze tv-serie overwinnen, dan kan ze uigroeien tot een ‘michaëlisch zwaard’ waarmee we de draak te lijf kunnen gaan.
En zo’n zwaard hebben we echt wel nodig, want we laten ons massaal misleiden door het onschuldige, meevoelende, humanitaire, spirituele, Nobelprijzen-voor-de-vrede-in-de-wacht-slepende luciferische gezicht van de draak.
Nochtans is dit ‘lammerengezicht’ niets anders dan de vrouwelijke keerzijde van het mannelijke gezicht van het kwaad: het keiharde, gewelddadige Ahrimangezicht dat we in ‘Generation Kill’ te zien krijgen.

Deze serie bewijst zijn kunstzinnigheid door het feit dat we de Lucifer in dit Ahrimangezicht kunnen zien.

De leider van het verkennersbataljon dat in ‘Generation Kill’ de hoofdrol speelt, is de met een hees, en allesbehalve mannelijk stemmetje sprekende kolonel die nooit het woordje ‘ik’ gebruikt, maar voortdurend over zichzelf in de 3de persoon spreekt als ‘the Godfather’.
Deze kolonel heeft maar één grote angst, en dat is dat hij geen goede punten zal krijgen van zijn baas, generaal Mattis.
Daar gaat het voor hem in deze oorlog over: roem vergaren, goede punten krijgen, carrière maken.
Daarvoor is hij bereid zijn mannen op te offeren.
De hele oorlog is voor hem een spel dat gespeeld wordt tot meerdere eer en glorie van hemzelf.
Hij wil de andere compagnieën de loef afsteken.
Hij wil de grootste, de beste en de snelste zijn.
De vijand kan hem geen mallemoer schelen, die is slechts een middel om zichzelf te verheffen.

Het grootste gevaar voor de soldaten komt dan ook niet van de Iraki’s maar van hun eigen officieren.

20131021-165943.jpg

Maar deze serie zou niet kunstzinnig zijn als tussen deze bijna samenvallende Lucifer en Ahriman niet ook nog iemand anders zichtbaar maakten.
Dat gebeurt in een zeer merkwaardig voorval.
Eén van de soldaten, die al de hele tijd zit te mekkeren omdat hij nog altijd niemand heeft kunnen doodschieten, opent in zijn frustratie het vuur op een paar kamelendrijvers.
Yeehaa! De jongen voelt zich weer man.
Wat later komen twee vrouwen naar het kamp die een lichaam voortslepen en het voor de soldaten neerleggen.
Een bloedmooie vrouw buigt zich jammerend over het lichaam van haar zwaar gewonde zoontje.
De soldaten zijn uit het lood geslagen.
Het is de eerste keer dat ze zo duidelijk geconfronteerd worden met de gevolgen van hun ‘schietspelletje’.
Uit medelijden en schuldbewustzijn willen ze het kind helpen, maar de reglementen verbieden dat.
Daarop dragen ze het zwaar gewonde kind naar de tent van Godfather, wat op zich al een overtreding is van de regels.
Eerst worden ze weggejaagd door een schreeuwende sergeant.
Maar dat maakt op hen geen indruk.
Ze zijn gewend aan zijn hysterische geschreeuw over onbenulligheden.
Dan komt de kolonel zelf naar buiten.
Hij reageert heel anders, heel begrijpend, heel rationeel.
Omstandig legt hij uit waarom hij niks kan doen voor het kind.
Hij toont op de kaart in welke penibele positie ze zich bevinden.
Er is geen speld tussen zijn betoog te krijgen.
Maar de soldaten kennen niet alleen het (luciferische) geschreeuw van de sergeant, ze kennen ook de (ahrimanische) pseudo-rationaliteit van de kolonel.
Ze blijven zwijgend staan en kijken hun overste alleen maar aan.
Beleefd en ongehoorzaam.
Ze leggen in feite hun leven in de waagschaal om dat van de Iraki-jongen, de onschuldige kamelendrijver, te redden.

En dan gebeurt het onverwachte.
De kolonel barst niet uit in woede en sleept de soldaten niet voor de krijgsraad.
Hij grijpt de telefoon en maakt een volledig peloton vrij om de jongen 30 km verder naar een militair veldhospitaal te brengen.

Wanneer je deze scène het eerst (of zelfs de tweede keer) ziet, word je getroffen door de zinloosheid van die hele oorlog, door de rauwheid van de beelden.
En dat moet ook, anders voel je niks.
Maar wanneer je deze instinctieve, natuurlijke en volkomen terechte reactie overwint, dan worden langzaam de grootse, eeuwige beelden zichtbaar die zich in die grauwe beelden verbergen.
Want de moeder die haar kind beweent, is niets anders dan een moderne pièta.
En de harde (en tegelijk kinderachtige) soldaten zijn mensen die door dat beeld zo diep getroffen worden dat ze in verzet gaan tegen hun eigen officieren.
En dat verzet is volkomen geweldloos.
Ze vallen hun meerderen niet aan.
Ze vormen gewoon een beschermende kring rond het gewonde kind.
Ze worden Michaëlstrijders.

En dát doet ‘the Godfather’ overstag gaan.

20131021-164638.jpg

Het is een aangrijpend beeld dat ons toont hoe we zelf als kijker naar deze serie kunnen kijken, zodat de bloederige beelden ‘geheeld’ worden en de verborgen geestelijke dimensie ervan zichtbaar wordt.
Als we onze luciferische afschuw voor deze uitgesproken ahrimanische beelden overwinnen, als we ons niet verliezen in verontwaardiging over de gewelddadigheid ervan, maar zwijgend blijven staan uit medelijden voor de lijdende mens – en dat is uiteindelijk zowel de Irakees als de Amerikaan – dan verandert ‘Generation Kill’ in een spiegel, in een beeld waarin we onszelf herkennen als mens, een mens die diep in de huid van de draak zit, geklemd tussen Lucifer en Ahriman.

En in die spiegel zien we dan wat ons te doen staat:
We moeten de Lucifer in onszelf overwinnen, de Lucifer die Ahriman schreeuwend te lijf wil gaan en ons daardoor blind maakt voor de draak. Want als we dat niet doen, als we niet de tegenwoordigheid van geest kunnen opbrengen om zwijgend en beheerst naar Ahriman te kijken, dan zal dezelfde Lucifer die ons nu zo vol verontwaardiging en afschuw doet schreeuwen, ons juichend van vreugde in de armen van het Beest drijven.

We zullen dan niet meer naar Generation Kill kijken, we zullen dan een Generation Kill wórden.
We zullen veranderen in kille killers, voor wie het leven één groot videospel is.
Gekluisterd aan onze computers zullen we het grootste onheil over de wereld brengen.
En we zullen het niet beseffen.
Want innerlijk zullen we dood zijn.
We zullen de even dode als dodelijke New Generation zijn.

20131021-164821.jpg

Tempelreiniging

20131020-132058.jpg

‘De Antroposofische Vereniging en haar huidige spirituele beproeving’.
Zo heet het boek dat ik gisteren meenam uit de Gentse antroposofische bibliotheek.
Vooral dat woordje ‘huidige’ deed het ‘em.
Je vindt in de antroposofische wereld namelijk niet veel boeken die een ‘huidig’ karakter hebben, die met andere woorden gaan over onze huidige tijd.

Ooit deed iemand onderzoek naar het tijdschrift ‘Das Goetheanum’ en stelde onthutst vast dat er in de afleveringen die verschenen van 1940 tot 1945 met geen woord gerept werd over de wereldoorlog die aan de gang was.

Ik zal wel overdrijven, maar soms heb ik toch de indruk dat er sindsdien niet veel veranderd is.
Antroposofen weten vandaag weliswaar veel beter wat er in de wereld gebeurt, en ze weten ook veel meer over antroposofie, maar ze slagen er nog altijd niet in die twee met elkaar te verzoenen.
Er gaapt nog steeds een diepe kloof tussen de materiële wereld daarbuiten en de spirituele wereld binnen de antroposofische muren.

Dat mag geen verwijt zijn, want ik draag die kloof ook in mezelf.
En waarschijnlijk is dat de reden waarom ik niks heb met de Antroposofische Vereniging.
Onbewust herken ik in haar de kloof die door mijn eigen ziel loopt.
En dat stoot af.
De draak die ik waarneem in haar kloof, maakt de draak in mijn eigen ziel wakker, en dan zit het spel natuurlijk op de wagen.
De Vereniging stoot mij af en ik stoot de Vereniging af.

Ik ben nog nooit in Dornach geweest en ik voel me daar ook niet toe aangetrokken.
Wat heb ik daar te zoeken?
Jaren geleden zag ik eens foto’s van de gerestaureerde grote zaal van het Goetheanum en ik dacht: Aaaargh!
Het leek me pure kitsch.
Nog niet zo lang geleden zag ik foto’s van een kunsttentoonstelling in datzelfde Goetheanum en opnieuw dacht ik: Aaaargh!
Men had de vloer gewoon vol verdroogde bananenschillen gestrooid.

Hedendaagse Kunst in het Goetheanum.
Dat vond ik erover.
En dus schreef ik een vlammend artikel met als titel: ‘En is dat hier een apenkot?’
Doordat er net een bestuurswissel in de Belgische Antroposofische Vereniging aan de gang was, glipte mijn artikel door de mazen van het net en verscheen in het ledenblad.
Ik betoogde dat men Ahriman in het Goetheanum had binnengelaten, meer zelfs: dat men de rode loper voor hem had uitgerold.
Er werd nauwelijks op gereageerd.
Men haalde de schouders op.

Het verwonderde me niet.
Jaren tevoren had ik de draak (artistiek) al eens zien binnensluipen in de Gentse steinerschool, en daar had ik toen eveneens op gereageerd.
‘Ik bespeur veel angst in uw woorden’, antwoordde de verantwoordelijke leerkracht.
Ze verklaarde zelf geen angst te hebben en de toekomst vol moed en vertrouwen tegemoet te zien.
En dat was het dan.
Ik was een bange ziel en zij was onvervaard.

Maar wat lees ik daar nu van de hand van Sergej Prokofieff, toch niet meteen een bangschijter?

Ik citeer:

‘Maar het doel van mijn voordracht was, en blijft ook verder, om ons ervan bewust te maken dat de ontwikkeling van het Goetheanum in de laatste jaren niet meer in de juiste richting is gegaan, een richting die noch in de zin van Rudolf Steiner noch voor de antroposofie als gunstig kan worden aangemerkt. En deze richting moet – voor het te laat is – met volle kracht en zeer beslist worden veranderd. Anders loopt het Goetheanum het gevaar tot een geestelijk ‘betekenisloos iets’ te worden gedegradeerd en alleen een mengelmoes van museum en congrescentrum te zijn.
(…)
Maar opdat dit niet gebeurt en de noodzakelijke veranderingen toch plaats kunnen vinden, moet er een grondige ‘tempelreiniging’ aan voorafgaan …’

Een tempelreiniging, jawel.
Zo zag ik het een paar jaar terug ook: die bananenschillen moeten eruit, letterlijk maar vooral figuurlijk.
In Dornach maken ze van het Goetheanum een apenkot.
Prokofieff drukt het een beetje diplomatischer uit, want hij werkt daar.
Hij spreekt van ‘een mengelmoes van museum en congrescentrum’.
Maar dat komt op hetzelfde neer.
Het Goetheanum is een ‘hedendaags’ museum geworden, en een hedendaags museum is altijd ook een soort congrescentrum, een verzamelplaats voor intellectuelen.

Uiteraard bevindt het Goetheanum zich niet alleen in Dornach.
Het bevindt zich overal.
Het bevindt zich in iedere antroposoof.
Want het Goetheanum – die versterkte vesting met zijn dikke, betonnen muren – is niets anders dan een beeld van het antroposofische hoofd.
En in dat hoofd regeert de draak.

Daar moet dus de ‘tempelreiniging’ plaatsvinden: in ons hoofd.
Daar moet de draak worden uitgedreven.

Maar hoé?

In de voordracht van Prokofieff komt een heel merkwaardig en onverwacht beeld voor.
Hij vertelt namelijk dat in de loop der jaren alle afbeeldingen van Steiner uit het Goetheanum verdwenen zijn, zodat men ter gelegenheid van de viering van 100 jaar Antroposofische Vereniging een foto moest opduikelen die ergens in een rommelig hoekje hing.
Hij zag dat als een metafoor van de plaats die Rudolf Steiner nog bekleedt in zijn eigen vereniging: men heeft hem aan de kant geschoven, opgesloten in het rommelhok.
Wat hij vermoedelijk niet besefte, was dat hij onwillekeurig de vorm aangaf die de tempelreiniging moest aannemen: die van een in ere herstellen van het beeld.
Het Huis van het Woord moet ook weer het Huis van het Beeld worden.
De antroposofische woorden zijn abstract geworden, ze zijn niet langer verbonden met de levende werkelijkheid.
En wat die twee met elkaar verbindt is juist het beeld, in al zijn betekenissen.

Daar ligt de ‘huidige spirituele beproeving’:
De antroposofie moet over de drempel gaan.
Zij moet de etherische wereld van de beelden betreden.
En daarbij mag ze het hoofd niet verliezen.
Maar het moet wél gereinigd worden.

20131020-132155.jpg