Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: september, 2013

Zien en gezien worden

20130930-112803.jpg

Anna (net drie geworden) is een zeer ‘musisch’ kind.
Van zodra ze muziek hoort, begint ze te dansen, en als ze geen muziek hoort, maakt ze er zelf wel, door zeer luid en met grote overgave te zingen in een onbegrijpelijke maar wel zeer multicultureel klinkende taal.
Dansen doet ze het liefst samen en dus moeten wij regelmatig onze stijve knoken geweld aandoen.
Tegen haar gebiedende wijs is namelijk geen grootouderkruid gewassen.
Zo gebeurde het dat ik verleden week met Anna aan het ‘dansen’ was.
Het viel me op dat ze voortdurend naar de kachel keek.
Wat is er nu zo interessant aan die kachel, dacht ik, dat ze er zelfs tijdens het dansen naar kijkt?
Maar toen begreep ik dat ze … naar zichzelf keek.
Ze zag haar dansende zelf weerspiegeld in het glas van de kachel,
en dat boeide haar bovenmate.

Anna is dus niet alleen zeer musisch, ze is ook zeer geïnteresseerd in zichzelf, dat wil zeggen in haar uiterlijk, want van enig innerlijk heeft ze natuurlijk nog geen weet.
Dat komt wel, over een jaar of tien.
Nu is ze vooral geboeid door haar spiegelbeeld, en dan vooral haar bewegende spiegelbeeld.
Als ik haar film met mijn zaktelefoon wil ze de beelden keer op keer bekijken.
Ze krijgt er nooit genoeg van zichzelf bezig te zien.
Ik ben zelfs opgehouden met filmen, want zoveel zelf-interesse lijkt me niet iets dat je moet stimuleren.
Een ander aspect van die eigenliefde is het grote belang dat Anna hecht aan haar kleren.
Zo heeft ze onlangs nieuwe schoentjes gekregen, zeer bevallige, zeer rode, en zeer blinkende schoentjes, made in China.
Met een strikje erop.
Als we gaan wandelen, blijft ze om de tien meter staan om haar nieuwe schoentjes te bewonderen.
En iedereen die ze ontmoet, moet mee bewonderen.

Anna is, om het met de woorden van onze koning te zeggen, een vrouwtje.

20130930-115704.jpg

Het is mijn generatie die het begrip ‘rollenpatroon’ uitgevonden heeft.
Ik hoor het een vrouwelijke prof aan de universiteit nog zeggen: het enige verschil tussen man en vrouw is dat de vrouw hier en daar een beetje ronder is.
Ik dacht toen al: schoenmaakster, blijf bij uw leest!
Maar er was geen stoppen aan.
De idee dat de verschillen tussen man en vrouw aangeleerd waren, veroverde de wereld.
Mannelijk en vrouwelijk gedrag waren ‘rollen’ die een kind opgedrongen werden.
Dat was tot op zekere hoogte natuurlijk waar.
Kinderen werden opgevoed naargelang van hun geslacht.
Maar toen de opvoeding ‘vrij’ werd, bleken jongens nog altijd mannelijk gedrag en meisjes nog altijd vrouwelijk gedrag te vertonen.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat vrouwen vandaag mannelijk gedrag opgedrongen krijgen en mannen vrouwelijk gedrag.
Maar ondanks dit nieuwe rollenpatroon blijven de verschillen tussen de geslachten bestaan.
Ze lijken er zelfs door geaccentueerd te worden.

Dat zie ik iedere week in Brugge.
Wat ik uit meer dan tien jaar ‘tourist-watching’ als oerbeeld heb gedistilleerd, is de mannelijke toerist die de vrouwelijke toerist fotografeert.
Toerisme is in wezen niets anders dan mannen die hun vrouw (vriendin, partner, lief) fotograferen op telkens een andere plek in de wereld.
De achtergrond verschilt, maar het beeld is altijd hetzelfde: man maakt beeld van vrouw.

Dat die mannen vrouwen fotograferen, daar kan ik inkomen.
Vrouwen zien er ‘beeldig’ uit.
En beelden maken, is een typisch mannelijke activiteit.
Je kunt echt niet naast het fallische karakter van die camera’s kijken.

20130930-121448.jpg

Maar wat ik als man niet begrijp, is de overgave, ja de hartstocht waarmee al die vrouwen staan te poseren voor de camera van hun man (vriend, partner, lief).
Brugge lijkt soms wel één grote fotoshoot, met overal fotomodellen die in allerlei houdingen staan te poseren voor mannen die uitgerust zijn met een vaak indrukwekkend apparaat.
Minutenlang staan ze daar dan te glimlachen, geduldig wachtend tot manlief voor de duizendste keer klaarkomt, ik bedoel klaar is met het schieten van een plaatje.
Je ziet dat ze het lang niet alleen uit liefde voor hun man doen, omdat hij nu eenmaal zo graag speelt met zijn speelgoed.
Nee, ze genieten er duidelijk van, ze zijn in hun element.
Ze zijn naar Brugge gekomen om in Brugge gefotografeerd te worden, om in Brugge gezien te worden, om in Brugge bewonderd te worden.
Want dat is natuurlijk iets anders dan in Parijs gefotografeerd te worden, of in Praag, of in New York.
Het zijn variaties op hetzelfde thema.
En ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen.
Het is een begeerte, een typisch vrouwelijke begeerte.
Een oer-begeerte.

Door naar de toeristen in Brugge te kijken, ben ik gaan begrijpen waarom Eva in de bijbel verantwoordelijk wordt gesteld voor de zondeval.
We zien in het onderwijs heel duidelijk dat meisjes vroeger rijp zijn dan jongens.
Ze worden vroeger wakker.
En wat het eerst wakker wordt bij meisjes, zelfs bij kleine meisjes die Anna heten, is de belangstelling voor zichzelf.
Zelfbewustzijn is vrouwelijk.
En de zondeval heeft alles te maken met zelfbewustzijn.
Het mannelijke bewustzijn voor ‘het andere’, voor de buitenwereld, wordt pas later wakker.
Het wordt wakker gemaakt door het vrouwelijke zelfbewustzijn.
Toen Eva de appel aan Adam gaf, gaf ze hem een beeld van zichzelf en zei: kijk eens naar mij!
En Adam beet.
Hij keek naar Eva, van het een kwam het ander, en de rest is geschiedenis.

Wat ik in Brugge ieder weekend met lichte verbijstering gadesla, is een massale heropvoering van de zondeval.
Overdag is er het onophoudelijke geklik van het schieten van foto’s met soms reusachtige lenzen (want size does matter), en ’s nachts moeten die foto’s natuurlijk (verder) ontwikkeld worden.
Ja, ik denk dat er heel wat kinderen rondlopen die ‘made in Bruges’ zijn.

20130930-124336.jpg

Ik dacht dat ik al alles had gezien qua fotoschooting in Brugge,
maar gisteren ontdekte ik een nieuwe variatie op het oude thema,
een variatie die mijns inziens revolutionair mag genoemd worden.
Ik zag op de Dijver een vrouw die een camera-op-statief meezeulde.
Die wil echt scherpe beelden schieten, dacht ik bij mezelf.
Zoveel (zinloos) professionalisme verwacht je vooral van een man.
Dus die vrouw viel op.
Maar dat was nog niks.
Om de vijftig meter stelde ze die camera op, prutste er uitgebreid aan,
en ging er dan zelf voor staan.
Die vrouw liep dus in haar eentje door Brugge en … fotografeerde zichzelf.
Dat wilde niet zo best lukken want telkens liep er op het beslissende moment iemand door het beeld.
Je kunt in Brugge namelijk geen stap verzetten als je telkens blijft wachten tot iemand een foto genomen heeft.
Na een tijdje loop je gewoon door, fotoshoot of geen fotoshoot.
En dus moest die vrouw telkens haar camera opnieuw instellen, ervoor gaan staan, een brede glimlach annex schilderachtige pose tevoorschijn toveren, en wachten tot het ding ‘klik’ zei.
Het had iets zieligs en heroïsch tegelijk.
Deze vrouw probeerde vrouw én man te zijn, model én fotograaf, kijker én onderwerp.
En dat streven werd telkens weer doorkruist.

Ik ben er nog niet achter of dit een michaëlisch beeld was,
en of er ook zoiets als een michaëlische begeerte bestaat.
Maar ik werk eraan.
Hopelijk worden mijn (denk)plannen niet doorkruist …

Advertenties

Michaël en het denken

Wie Michaël zegt, zegt ook de draak.
Beide zijn onafscheidelijk.
Michaël wordt dan ook vaak voorgesteld als een ridder die de draak bevecht.
Maar het andere klassieke beeld van Michaël is een engel die mensenzielen op een weegschaal plaatst en ze al dan niet te licht bevindt.
Twee zeer verschillende beelden.
Enerzijds de vechter, de militair, de houwdegen.
En anderzijds de apotheker met zijn precisie-instrument, de criticus met zijn oordeel, beiden wikkend en wegend.

Als we ervan uitgaan dat de makers van deze beelden geïnspireerd waren en dus wisten over wie ze het hadden, dan moet Michaël een zeer tegenstrijdige figuur zijn: een denker en een doener tegelijk.
Waarschijnlijk is dat de reden waarom hij bekend staat als een man van weinig woorden, een enigmatische figuur van wie je moeilijk hoogte krijgt.
Ik noem hem een man (hoewel engelen natuurlijk geen geslacht hebben) omdat hij een zeer mannelijke, daadkrachtige indruk maakt, maar één keer heeft hij heel direct ingegrepen in de aardse gang van zaken en dat deed hij als Jeanne d’ Arc, een jong meisje.
Michaël is duidelijk niet te vangen voor één gat.
Een zeer complexe figuur dus, een stil water met diepe gronden.
We moeten hem dus van verschillende kanten benaderen.

20130930-110407.jpg

Laten we beginnen met de ridder.
Michaël wordt in zijn strijd met de draak meestal voorgesteld als volledig geharnast.
Dat klinkt logisch, maar kunstenaars werken niet volgens de logica.
Als ze Michaël voorstellen in een harnas dan is dat geen epitheton ornans.
Het is geen extra illustratie van de idee ‘ridder’, maar de uitdrukking van iets veel wezenlijkers.
Dat ‘iets’ zou het respect kunnen zijn dat Michaël heeft voor de draak.
Hij onderschat hem niet, hij neemt zijn voorzorgen en trekt een harnas aan.
Michaël is dus niet iemand die zich blindelings in de strijd werpt.
Maar het harnas vertelt nog meer.
Wat me altijd opvalt als ik de volledig geharnaste Michaël zie, is dat hij minder op een engel lijkt dan op … de draak zelf.
De draak is immers ook ‘geharnast’: hij is bekleed met schubben als pantserplaten, en zijn staart loopt uit in een soort pijlpunt, net als de speer die Michaël hanteert.
Beide spiegelen elkaar dus.

De uiterlijke gelijkenis tussen Michaël en de draak doet me denken aan de uitdrukking: in de huid van de draak kruipen.
Michaël bevecht de draak niet zoals het Amerikaanse leger dat zou doen: door vanuit de lucht, van op een veilige afstand, bommen te gooien zonder te weten wat zich beneden afspeelt.
Nee, Michaël verlaat zijn hemelse troon om af te dalen tot het niveau van de draak en hem met zijn eigen wapens te bestrijden.
Hij bestrijdt hem ook niet van buitenaf, met bruut geweld,
Hij bestrijdt hem van binnenuit, met inzicht.

20130930-111001.jpg

Dat is volgens mij wat de kunstenaars met hun beelden hebben willen uitdrukken:
Michaël bestrijdt de draak niet op fysiek vlak, met materiële wapens.
Hij bestrijdt hem op geestelijk vlak, met ken-kracht.
Hij overwint de draak door hem te leren kennen en begrijpen.
De strijd van Michaël is een geestelijke strijd, een bewustzijnsstrijd.
Maar als kunstenaar moet je dat natuurlijk vertalen naar de zintuiglijke wereld.
Je moet aardse beelden gebruiken, zoals een ridder, een draak, een harnas, een speer, enzovoort.
Tegelijk moet je er echter voor zorgen dat die beelden niet letterlijk worden gelezen, maar figuurlijk, als metaforen.
Dat doe je (onder meer) door tegenstrijdige beelden te gebruiken:
Michaël als de stoere, geharnaste ridder.
Michaël als de zachte, jongensachtige engel.
Michaël die vecht met mannelijke moed en kracht.
Michaël die vecht met vrouwelijk inlevingsvermogen.
Michaël als een engel in een wit gewaad die de zwarte draak eronder houdt.
Michaël als een geharnaste die nauwelijks te onderscheiden is van de gepantserde draak.

Door deze tegenstrijdigheden word je als kijker ‘gedwongen’ om na te denken over het ongrijpbare wezen dat Michaël is.
Daarbij kun je natuurlijk niet bij het logische, rationele denken blijven staan, want daar zijn tegenstrijdigheden uit de boze.
Je moet in een diepere, vrouwelijker laag van het denken doordringen: het gevoelsmatige denken, het empathische denken, het denken in beelden.
We kunnen een geestelijk wezen als Michaël niet begrijpen met ons aardse denken.
We moeten dat denken ‘vergeestelijken’ als we hem willen benaderen.
En dan komt hij ons tegemoet, want hij is een engel die zich als geharnaste ridder kan uitdossen, die zich met andere woorden van ons ‘bulldozerdenken’ kan bedienen.
Met zijn hulp kunnen we dat ‘geharnaste denken’ (van binnenuit) soepeler maken, beweeglijker, geestelijker.

Rudolf Steiner heeft vaak gesproken over Michaël.
De aartsengel is dan ook een zeer belangrijke figuur in de antroposofie.
Maar hoeveel ik ook gelezen heb over Michaël, het heeft me nauwelijks een stap dichter gebracht.
In feite herinner ik me vrijwel niks van alles wat ik gelezen heb.
Ik herinner me alleen de beelden en enkele begrippen.
Maar als ik over die beelden begin na te denken, als ik ze benader zoals beelden benaderd dienen te worden, dat wil zeggen kunstzinnig, dan begint Michaël te ‘spreken’.
Hij staat bekend als een zeer zwijgzaam iemand.
Een man van weinig woorden.
Maar hij spreekt in beelden.
Hij spreekt met een blik, met een gebaar.
En hij wacht tot we die lichaamstaal, die beeldtaal begrijpen.
Eerder komt hij niet in actie.

20130930-111352.jpg

Michaël geldt in de antroposofie als de beheerder van de ‘kosmische intelligentie’.
Hij staat voor alles wat met het denken te maken heeft.
Maar het kosmische, michaëlische denken is veel groter dan wat wij vandaag onder denken verstaan.
Ons moderne, intellectuele denken is ‘gevallen’ denken, een volkomen aards geworden ‘bulldozerdenken’.
We denken als het ware in een harnas, en ons denken is dan ook in hoge mate een kwaadaardig ‘drakendenken’ geworden.
Maar juist aan dat volkomen verstarde, mechanische denken hebben we onze vrijheid te danken, ons volkomen los staan van de geestelijke wereld.
En die vrijheid hebben we te danken aan Michaël, die zijn beheer van het denken aan de mens heeft overgedragen.
Dat deed hij in de middeleeuwen, met het ontstaan van de scholastiek als gevolg.
Nooit heeft het intellectuele denken hogere toppen gescheerd als ten tijde van Thomas van Aquino en de scholastische filosofen,
maar het was tevens het begin van de verstarring van het denken.
In onze tijd is het denken een karikatuur geworden: in het beste geval kun je er nog om lachen (zoals wanneer intellectuelen het over kunst hebben), maar in feite is het om te huilen.
Het moderne intellectuele denken wordt bijna uitsluitend gebruikt om macht uit te oefenen.
Het is een vorm van geweld geworden, een vernietigende kracht.
Maar juist deze deerniswekkende toestand van het denken verwijst naar wat voor ons misschien wel het belangrijkste wezenskenmerk van Michaël is:
zijn vertrouwen in de mens.
Michaël heeft ons het beheer van de kosmische intelligentie in handen gegeven en hij vertrouwt erop dat we het hem zullen teruggeven, dat wil zeggen dat we het denken uit de klauwen van de draak zullen halen en weer vergeestelijken.
Daarom zwijgt en wacht hij.
De strijd die hij zelf in de hemel gevoerd heeft, moeten wij nu op aarde voeren.
Wij moeten de draak overwinnen en ‘op aarde werpen’.
Wij moeten het dode, abstracte drakendenken onze wil opleggen en tot werktuig maken.
Want vandaag gebeurt het omgekeerde: de draak legt het menselijke denken zíjn wil op en maakt het (en daarmee ook onszelf) tot zijn werktuig.
In die strijd – de strijd om het denken – grijpt Michaël niet in.
Hij vertrouwt ons en respecteert onze vrijheid.
Hij komt pas in actie als wíj in actie komen.
Ieder stukje denken dat wij op de draak veroveren, is materiaal waarmee hij aan de slag kan.
Want hij kan alleen iets aanvangen met vrij denken, met denken dat uitgaat van het zelfstandige Ik van de mens.
Tegenover het onvrije denken, dat eigenlijk geen menselijk denken is maar drakendenken, blijft hij zwijgen en wachten.

20130930-111649.jpg

De moderne mens zal zich nooit kunnen bevrijden uit het dode – en dodelijke – intellectuele denken als hij niet opnieuw in beelden leert denken.
Dat is wat Michaël ons lijkt te willen zeggen door … te zwijgen, door geen woorden te gebruiken.
Michaël is voor ons in de eerste plaats een beeld, een roerloze mysterieuze figuur waar we met ons gewone, rationele denken geen greep op krijgen.
Pas wanneer we ons inleven in dat beeld, pas wanneer we de lichaamstaal van deze zwijgende engel leren begrijpen, komt hij in beweging.
Hij wordt dan als het ware verlost uit zijn harnas.
Of beter wellicht: zijn harnas wordt soepeler, het wordt weer een werktuig in plaats van een gevangenis.
Want het harnas dat Michaël draagt, is de vorm die de kosmische intelligentie vandaag heeft aangenomen.
Het denken is tot louter vorm geworden, een dode, abstracte, uiterst starre en onbeweeglijke vorm.
De levende, beweeglijke geest is er volkomen uit verdwenen.
Het is dit harnas-denken dat ons afsnijdt van de wereld van de geest en ons de gevangene van de materie maakt.
We kunnen dit rationele, intellectuele denken van ons afgooien en zo weer contact maken met de geestelijke wereld.
Dat doen we bijvoorbeeld door middel van drugs.
We worden dan op slag bevrijd uit ons harnas en voelen ons zo vrij als een vogel.
Maar de wereld van de geest werkt vernietigend op ons in, ze lost ons Ik op als in een bad met zuur, tot er van ons als menselijk individu niks meer overblijft.
We worden weer geest, maar we houden op mens te zijn.
Het kan dus nooit de bedoeling zijn dat we het heldere rationele denken van ons afgooien.

Dat is ook de betekenis van het (overgeleverde) feit dat Michaël de draak niet doodt.
Hij vernietigt dit duistere, aardse drakendenken niet.
Hij legt het zijn wil op, de wil van de geest.
Hij gebruikt het intellect als werktuig van de geest.
Maar daartoe moet hij het wel ‘van binnenuit’ tot leven brengen.
Hij moet dat denken langzaam, stap voor stap, vergeestelijken, er daarbij zorg voor dragend dat het Ik van de mens niet bloot komt te staan aan het ‘oplossende geweld’ van de geestelijke wereld.
En dat is een voortdurende evenwichtsoefening.
Michaël overwint de draak (Ahriman) maar dan wel op zo’n manier dat hij de mens niet in handen van Lucifer speelt.
Dat wil zeggen WIJ moeten dat doen, naar het voorbeeld van Michaël,
en we moeten het uit vrije wil doen,
want uiteindelijk gaat het allemaal om de ontwikkeling van het menselijke Ik,
van de vrije, zelfstandige mens.
Dat is de zin van het kruipen in de huid van de draak.
Telkens wanneer we geboren worden en de hemel verlaten, kruipen we in de huid van de draak.
De materiële wereld is niets anders dan een verstarring, een tot harnas geworden deel van de geestelijke wereld.
Het is een plek die in de greep is van de draak.
De materie is als het ware het lichaam van de draak.
En de paradox is dat we in dat lichaam kruipen – dat lichaam dat voor onze geest als een gevangenis is – om vrij te worden.

Voor alle duidelijkheid: het drakenlichaam is niet hetzelfde als het menselijk lichaam.
Het is er alleen het materiële aspect van.
Hier raken we aan een ander mysterie: het menselijk lichaam als een geestelijke, en niet als een materiële vorm.
Maar dat is een hoofdstuk apart.

Bedrog in de kunst

Onlangs had ik het over de ‘nieuwe Van Gogh’ en wees ik erop dat er geen kunst aan is om ‘experts’ te bedriegen.
Maar als die kenners al geen onderscheid kunnen maken tussen echt en vals, hoe machteloos moet een gewone kunstliefhebber dan wel niet zijn!
Is de modale kunstverzamelaar – en dat zijn we allemaal in zoverre we tekeningen en schilderijen aan de muur hebben hangen – dan niet weerloos overgeleverd aan vervalsers en bedriegers?
Neen, helemaal niet.
In de kunst kún je namelijk niet bedrogen worden.
Mensen die een valse Van Gogh kopen, bedriegen alleen zichzelf.
Ze betalen geen 20 of 30 miljoen euro omdat ze het schilderij zo graag zien, ze doen dat alleen omdat ze een Van Gogh willen hébben, als investering, of om mee te pronken of om welke reden dan ook.
Ze kopen niet uit liefde, maar uit begeerte.
En die begeerte maakt hen blind en kwetsbaar voor bedriegers.

Wie daarentegen uit liefde koopt, kan nooit bedrogen worden.
Stel dat iemand een Van Gogh koopt omdat hij het schilderij zo graag ziet en naderhand blijkt het een vervalsing te zijn.
Wat maakt dat uit?
Een echte kunstliefhebber kan het niks schelen door wie een schilderij geschilderd is.
Hij houdt van het schilderij, niet van de schilder.
Als zijn liefde voor het schilderij echt is, dan haalt hij de schouders op als hij verneemt dat het een vervalsing is.
Maar heeft hij er dan niet veel te veel voor betaald?
Wat is ‘te veel’?
Kun je een prijs plakken op liefde?
Kun je tegen je vrouw zeggen: ik hou voor wel een miljoen euro van je?
En kan die vrouw dan zeggen: bewijs dat eens?
Dat is onzin.
Wie echt van iets houdt en hij heeft er het geld voor, betaalt nooit te veel.
Wie echt van iets houdt, weet ook dat je niet altijd kunt krijgen waar je van houdt.
En hij zal bijgevolg geen buitensporige prijzen betalen.
Wie dat wél doet en zich achteraf bedrogen voelt, moet zich de vraag stellen of hij echt wel uit liefde handelde toen hij het schilderij kocht.

Mensen die bedrogen worden door vervalsers, kopen niet uit liefde, en dus zijn het zelf vervalsers.
Want er is maar één valabele reden om kunst te kopen, en dat is: liefde.
Je koopt kunst omdat je ervan houdt.
Iedere andere reden is vals.

Ik heb totaal geen medelijden met kunstliefhebbers die bedrogen worden door vervalsers.
Het zijn immers geen echte kunstliefhebbers, het zijn poseurs, ze doen maar alsof ze de kunst liefhebben.
Ik voel ook niet de minste afkeer voor vervalsers.
Wat zij doen is bedriegers bedriegen.
Zij spiegelen alleen maar die valse kunstliefhebbers.
Ze confronteren hen met hun gebrek aan liefde.
Ze helpen hen.
Als ze natuurlijk geholpen willen worden.

Iedereen voelt zich natuurlijk wel eens bedrogen als hij een schilderij koopt en hij is het na een paar maanden al beu.
Maar dan is hij bedrogen door zichzelf.
Dan dacht hij uit liefde te handelen en dat bleek achteraf niet zo te zijn.
Want liefde blijft.
Als ze verdwijnt, was het geen liefde

Nee, de vervalsers en bedriegers moeten er zijn, anders zouden we nooit bijleren in de liefde, anders zou onze liefde niet sterker worden.
Want liefde is uiteindelijk een zien.
Je voelt liefde omdat je iets liefdevols ziet.
Zie je het niet goed genoeg en laat je je misleiden door de pseudo-liefde van een misleider, dan is je eigen liefde nog niet sterk genoeg.

Daarom is kunst verzamelen een oefening in liefde.
Als je een schilderij koopt waar je na een jaar niet meer van houdt, dan weet je dat je het schilderij niet goed ‘gezien’ hebt, en je hebt het niet goed gezien omdat je liefde niet sterk genoeg was.
Dat is een belangrijke les.
En dat mag best wat kosten.

De echte kunstliefhebber kan dus nooit bedrogen worden,
en hij kan nooit geld verliezen.

20130928-164416.jpg

Michaël

Op 29 september vieren we Michaël.
Dat wil zeggen, antroposofen doen dat, en waarschijnlijk zijn zij de enigen.
De aartsengel Michaël is nagenoeg helemaal verdwenen uit onze cultuur.
We geloven namelijk niet meer in engelen.
We geloven ook niet meer in duivels.
Hemel en hel bestaan niet meer voor ons.
Alleen de aarde bestaat nog.
We zoeken de hemel niet langer in het hiernamaals, we zoeken hem in het hier & nu.
En ook de hel is niet iets wat ons na de dood te wachten zou kunnen staan.
Het is iets wat we nu reeds op aarde aantreffen.
Onze tijd is dus het toneel van wat men de ‘incarnatie van hemel en hel’ zou kunnen noemen.

Volgens de antroposofie beleven we vandaag ‘de wederkomst van Christus’ en Christus is in feite de hemel in hoogsteigen persoon.
Maar voorafgaand aan die wederkomst heeft Michaël de duivel overwonnen en hem … op aarde geworpen.
Dat zijn de twee grote gebeurtenissen van onze tijd: de komst van Christus en de komst van de duivel.

20130928-114746.jpg

Die gebeurtenissen zijn in eerste instantie natuurlijk niet meer dan beelden.
Toch is het niet zo moeilijk om ze te herkennen in wat er sinds 1900 gebeurd is en nog altijd gebeurt.

We hoeven daar niet ver voor te kijken.
In 1900 leefde Vlaanderen nog in de diepste armoede.
De toestanden die ons nu bekend zijn uit de Derde Wereld – armoede en hongersnood – heersten toen in ons land.
Er bestond zelfs een naam voor: ‘de Vlaamse ziekte’.
Het was een uitdrukking die in heel Europa bekend was en die betekende: kreperen van honger en ellende.
Vlaanderen leefde met andere woorden in de hel.

Vergelijken we het Vlaanderen van toen met het Vlaanderen van nu, dan kunnen we niet anders dan concluderen dat we vandaag in de hemel leven.
De straatarme boeren en arbeiders van weleer wonen nu in luxueuze huizen, eten tot ze niet meer kunnen, rijden rond in BMW’s en Mercedessen, en behoren tot de rijkste en welvarendste mensen op aarde.
Van de hel naar de hemel, daar komt het op neer.
En wat voor Vlaanderen geldt, geldt voor de hele moderne wereld, zij het misschien niet in zo extreme mate.

De hemel is vanaf 1900 inderdaad op aarde gekomen.
De mensonterende omstandigheden waarin het grootste gedeelte van de bevolking voordien leefde, zijn volkomen verdwenen en veranderd in ‘een hemel op aarde’.
Maar ook het tegenovergestelde is gebeurd: de hel is op aarde gekomen.
Vanaf 1900 is de wereld het toneel geworden van een nooit geziene uitbarsting van kwaadaardig geweld. Grootschalige vernietigende oorlogen volgden elkaar op en kostten het leven aan tientallen miljoenen mensen.
En het blijft maar duren. Na Europa, Rusland en China is het nu de beurt aan Afrika en het Midden-Oosten.

Voor ontelbare mensen is het leven op aarde vandaag een hel.
Maar voor meer mensen dan ooit is het ook een hemel.
De antroposofische beelden zijn dus zonder meer waar.
Misschien doen ze een beetje naïef en kinderlijk aan, maar de werkelijkheid die erachter schuilgaat is reëel en volwassen genoeg.
Toch staan er tussen beeld en realiteit nog vele vraagtekens.

Aan beide grote gebeurtenissen – de wederkomst van Christus en de komst van de duivel – kunnen we nog twee andere gebeurtenissen toevoegen: het einde van het Duistere Tijdperk, het zogenaamde Kali Yuga, en het begin van het Michaëltijdperk, dat de spits afbijt van het nieuwe Lichte Tijdperk.
Anders dan we – in abstracto – zouden verwachten, en wat in de New Age wereld inderdaad verwacht wordt, is het begin van het Lichte Tijdperk niet het einde van al onze zorgen.
Integendeel, het staat in het teken van een hevige strijd: de strijd tegen het kwaad.
De strijd die Michaël in de hemel heeft uitgevochten – de strijd met de draak – moet nu op aarde gestreden worden.
En dat gebeurt dan ook.

20130928-115031.jpg

Iedereen heeft de mond vol over de strijd tegen het kwaad.
En het zijn niet alleen de wereldleiders die tekeer gaan tegen het kwaad, ook onder de bevolking heerst groot verzet tegen ‘het kwaad’ in al zijn vormen: racisme, onverdraagzaamheid, haat, discriminatie, xenofobie, homofobie, pedofilie, Global Warming, fascisme, rechts, enzovoort.
Ja, ieder modern mens die de christelijke waarden van naastenliefde, verdraagzaamheid, broederlijkheid, gelijkheid en medelijden ter harte neemt, ontpopt zich als een vurig strijder tegen het kwaad, een soldaat in het leger van Michaël.

Anders gezegd, Michaël is ‘hot’.
Maar tegelijk is hij compleet ‘out’.
Als er iéts onze relatie tot Michaël kenmerkt, dan is het wel de enorme discrepantie tussen beeld en werkelijkheid.
Onder alle spirituele en/of religieuze beelden die we kennen, is er waarschijnlijk geen dat zo onpopulair is als de strijd van de aartsengel Michaël tegen de draak. Het is compleet verdwenen uit onze cultuur. Zelfs in de kerk wordt er niet meer over gesproken.
Toch ligt de werkelijkheid achter dit beeld ons zo nauw aan het hart dat er geen dag voorbij gaat of we ontsteken in verontwaardiging over het kwaad in de wereld en we willen het te vuur en te zwaard bevechten.
En ook hier toont Vlaanderen zich een voorbeeld van moderniteit, want nergens wordt het kwaad zo fel en verbeten bevochten als hier.
Het heeft zich dan ook belichaamd in de persoon van Bart De Wever, de vleesgeworden duivel tegen wie weldenkend Vlaanderen (in naam van België) een niet aflatende kruistocht voert.

20130928-115243.jpg

Ik maak er nu opzettelijk een karikatuur van om erop te wijzen hoe groot de kloof is tussen de geestelijke werkelijkheid van Michaël (die we eigenlijk alleen kennen door de beelden die we van hem bezitten) en de aardse realiteit van de strijd tegen het kwaad.
Het ligt namelijk voor de hand dat het demoniseren en bevechten van een mens als was hij de baarlijke duivel zelf, niet bepaald michaëlisch is.
Er bestaat trouwens een legende waarin Michaël de duivel overwint, maar weigert hem te veroordelen. Dat laat hij over aan God.
Van dié ingesteldheid is weinig te bespeuren bij de moderne bestrijders van het kwaad.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat zij bezield worden door de tegenovergestelde mentaliteit: niet alleen spreken ze vernietigende oordelen uit maar ze willen het kwaad ook zonder meer uitroeien.
Alsof ze zelf voor God willen spelen.

Ieder weldenkend mens wordt vandaag bezield door Michaël, maar hij is zich van die bezieling, en van de geest die hem inspireert, zo weinig bewust dat hij vaak het omgekeerde doet van wat hij denkt te doen:
In plaats dat hij vecht tégen het kwaad, vecht hij vóór het kwaad.
In naam van het goede doet hij het kwade.
Anders gezegd: zonder dat hij het gemerkt heeft, hebben Michaël en de draak in zijn ziel van plaats verwisseld.
In plaats van een bewuste Michaëldienaar is hij een onbewuste Michaëlbestrijder geworden.
Het resultaat van die ongemerkte verwisseling is wat Rudolf Steiner ‘de strijd van allen tegen allen’ noemde: een strijd van mensen die er allemaal heilig van overtuigd zijn het kwaad te bestrijden, en op die manier van de aarde een hel maken.

Volgens Rudolf Steiner is de strijd tegen het kwaad DE opgave van onze tijd.
Maar het moet wel een bewúste strijd zijn.
Want als we ons blindelings in de strijd werpen, ontketenen we ‘de strijd van allen tegen allen’.
Deze strijd is niets anders dan de zelfvernietiging van de mensheid.
En dat is natuurlijk het tegendeel van de michaëlische strijd.
De michaëlische strijd is dan ook in de eerste plaats een strijd om bewustzijn, een strijd die zich in ons bewustzijn afspeelt.
Als we die strijd daar niet uitvechten, zal hij op aarde, dat wil zeggen op fysiek vlak worden uitgevochten.
Dat is de betekenis – of althans één betekenis – van het beeld dat Michaël de draak in de hemel overwint en hem op aarde werpt.

20130928-115408.jpg

Als wij Michaël willen navolgen, dan moeten wij de draak niet ‘op aarde’ bevechten, dat wil zeggen in een fysieke gestalte, maar ‘in de hemel’, dat wil zeggen in de geest, in ons bewustzijn.
En die strijd zal er vooral in bestaan om in dat bewustzijn de kloof te overbruggen tussen de abstracte beelden die we van Michaël bezitten en de concrete werkelijkheid waarin we leven.
Want we hebben die beelden nodig, want zij vertellen ons HOE we de strijd tegen het kwaad moeten voeren.
Zij leiden ons.
Maar naarmate we de bewustzijnskloof overbruggen en de beelden tot leven wekken, wordt ook het kwaad zelf reëler.
Uiteindelijk is dát de reden waarom we het zo moeilijk hebben om in beelden te leren denken, om in ‘Alles Vergängliche nur ein Gleichnis’ te zien:
we worden dan geconfronteerd met een kwaad dat we liever niet onder ogen zien.
Maar noblesse oblige.
Wij hebben hier in Europa ons deel al gehad van de fysieke strijd met de draak (die meer een strijd ván dan tégen de draak was) en daardoor zijn we enigszins tot bezinning gekomen.
Maar de demonen die we (tegen een ontzettend hoge prijs) uitgedreven hebben, teisteren nu andere delen van de wereld.
Ze zijn niet verdwenen, ze zijn alleen verhuisd.
Maar juist die ‘verhuizing’ geeft ons de ruimte om na te denken over wat er (hier) gebeurd is en (elders) nog altijd gebeurt.
En dat nadenken zal alleen vrucht dragen als we de apocalyptische taferelen uit het verleden en heden als beelden leren lezen. Want de letterlijke lezing helpt ons geen stap verder, dat is wel duidelijk. We krijgen maar geen greep op het kwaad, integendeel, het kwaad krijgt opnieuw steeds meer greep op ons.

Het nadenken en ‘lezen’ van de beelden die we bezitten van Michaël en zijn strijd tegen de draak, is dus een cruciaal onderdeel van die strijd.
Als we er niet in slagen om die beelden te begrijpen en op die manier tot (bewust) leven te wekken, dan lopen we gevaar – zonder het te beseffen – Michaëlbestrijders te worden in plaats van Michaëldienaars.
En die blinde strijd kunnen we nooit winnen, want Michaël zal ons ‘op de aarde’ werpen.
We zullen gevangen raken in de materie en tot werktuig van de draak worden.
En aan die slavernij zullen we niet eens wíllen ontsnappen, omdat we er ons niet bewust van zijn.
Dat is misschien wel één van de meest schokkende aspecten van de huidige ‘strijd met de draak’: hij veroorzaakt een scheiding der geesten.
De mensheid raakt langzaam maar zeker verdeeld in volgelingen van Michaël en volgelingen van de draak.

We zien daarvan reeds een afspiegeling in de huidige actualiteit, want overal ter wereld worden landen, volkeren, groepen van mensen opgedeeld in twee kampen die elkaar op leven en dood bestrijden.
Deze fysieke en mentale scheiding is al erg genoeg.
Maar ze is niets vergeleken bij de eigenlijke ‘scheiding der geesten’ want die gaat veel verder, die reikt over de dood heen en creëert een situatie als vóór de komst van Christus, toen de mensheid zo diep vast raakte in de materie dat ze zich er niet langer op eigen kracht kon uit bevrijden.
Die situatie herhaalt zich vandaag.
De mensheid dreigt opnieuw gevangen te raken in de materie en opnieuw kan ze zich daar niet uit bevrijden zonder de hulp van Christus.
Maar dit keer moet ze niet passief en verlangend uitkijken naar de ‘de komst van de Messias’, want hij is er reeds, en hij is er zelfs meer dan ooit.
Dat is namelijk wat zijn ‘wederkomst’ betekent: een intensivering van zijn aanwezigheid.
Dit keer staat de mens voor de keuze: aanvaardt hij de hulp van Christus of wijst hij die af. Dat is de vrijheid die hij vandaag verworven heeft.
Maar het is een vrijheid waarvoor hij een zware prijs betaalt.
Die prijs bestaat in de mogelijkheid dat hij de hulp van Christus afwijst en onherroepelijk gevangen raakt in de materie.
En dat gevangen-zijn moeten we als een fysieke realiteit zien.
De mens zal de gevangene worden van zijn lichaam, en via zijn lichaam van zijn omgeving, zoals dieren dat zijn.
Hij zal verdierlijken, en op die manier een nieuw mensenras gaan vormen: de dier-mens of het mens-dier.

20130928-115823.jpg

Daar ligt de echte reden waarom het woordje ‘racisme’ zo’n verlammende werking uitoefent op de mens.
De moderne Westerse mens is wellicht de minst racistische mens ter wereld. En toch wordt hij geterroriseerd door de gedachte dat hij racistisch is.
Die ideële terreur wordt veroorzaakt door zijn onbewuste weten omtrent de scheiding der geesten die momenteel aan de gang is.
Er zijn twee nieuwe mensenrassen aan het ontstaan:
het michaëlische mensenras en het demonische mensenras.

Het verschil tussen deze twee nieuwe rassen zal even duidelijk zijn als het verschil tussen de oude rassen, maar het zal pas in volgende incarnaties zichtbaar worden.
Het ‘zaad’ van dit rassenverschil wordt echter nu gezaaid en wel door de keuze die we maken: voor of tegen Christus.
Een derde mogelijkheid is er niet: ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ (Mattheus 12:30).
Er moet gekozen worden, en de keuze die we nu, in deze Michaëlstijd maken, zal ons later, in onze volgende incarnatie(s), tot één van beide nieuwe rassen doen behoren, en tussen deze twee mensenrassen zal even weinig contact zijn als er vroeger was tussen de oude rassen. Ze zullen in hun eigen wereld leven, met hun eigen beschaving en cultuur.
Een hemelse cultuur en een helse cultuur.

Dat is waar het om gaat als we spreken over de strijd van Michaël met de draak:
het gaat om een keuze, een beslissende keuze met verregaande gevolgen voor de toekomst van de mensheid.
De michaëlische strijd is een strijd om de vrije keuze.
Daarom is het ook een bewustzijnsstrijd, want een keuze kan maar vrij zijn als het een bewuste keuze is.
En niemand die bewust kiest, zal ooit tegen Christus kiezen.
Tegen Christus kiest men alleen onbewust, als men zijn hoofd verliest, als men niet weet waarvoor men kiest.
Dat is dan ook de strijd die de draak voert: ze wil het bewustzijn van de mens verdoven, zodat hij onbewust kiest, want een onbewuste, instinctieve keuze is altijd een keuze voor de draak.

Bewust kiezen, kan men nooit op grond van abstracte ideeën en voorstellingen.
Wie bewust wil kiezen, heeft beelden nodig, beelden van goed en kwaad.
En naarmate die beelden duidelijker en levendiger zijn, zal onze keuze ook vrijer zijn.
We zullen het kwaad dan meteen herkennen, hoe goed het zich ook vermomd heeft.
Want een bewustzijn dat in abstracte begrippen denkt, kun je gemakkelijk bedriegen, zeker als je zo hyperintelligent en sluw bent als de draak.
Maar een bewustzijn dat in beelden denkt, leid je niet zomaar om de tuin.
Want een dergelijk beeldbewustzijn heeft al een stap gezet in de richting van het heldere ‘zien’ – en dus herkennen – van geesten.

En daar gaat het bij Michaël uiteindelijk om: het herkennen van Christus.
Daarom wordt van hem gezegd dat hij de engel is die voor het aangezicht van Christus staat.
Michaël is degene die ons helpt om Christus te herkennen.
En de draak is degene die er alles aan doet opdat we Christus niét zouden herkennen, want dan kan hij diens plaats innemen.
De draak imiteert Christus en hij doet dat op een geniale manier.
Met name intellectuelen laten zich massaal om de tuin leiden, juist omdat ze zo abstract denken.
Ze beseffen niet dat voor het aangezicht van Christus niet alleen Michaël staat, maar ook de draak.
Beiden kennen Christus beter dan wie ook.
Maar de draak kent alleen het uiterlijk van Christus.
Michaël kent Christus ook innerlijk.
Want Michaël kijkt met zijn hart.
Et on ne voit bien qu’avec le coeur.

20130928-120113.jpg

‘Het is nu werkelijk een tijd van grote beslissingen: ofwel spant men zich in opdat niet-antroposofen deel gaan uitmaken van de Michaël-gemeenschap, ofwel spant men zich in om diegenen die niet tot de Michaël-gemeenschap behoren er ver vandaan te houden. Dit is de tijd van de grote tweespalt, de grote crisis, waarover de heilige boeken van alle tijden spreken.

Het bijzondere van de Michaël-impulsen is nu eenmaal dat ze beslissend zijn en dat ze met name in onze tijd beslissend zijn. Wie in zijn huidige incarnatie door de antroposofie Michaël-impulsen opneemt, bereidt zijn ganse wezen erop voor om diep door te dringen in de krachten die anders alleen door ras- en volksverbanden bepaald worden.

(…)

Het geestelijke bereidt zich voor om voor de eerste maal rasvormend te worden. En de tijd zal komen dat men niet meer zal kunnen zeggen: die mens ziet eruit alsof hij daar of daar bijhoort, dat daar is een Turk, of een Arabier, of een Engelsman, of een Rus of een Duitser. Men zal moeten zeggen: die mens heeft in een vroeger leven de drang gevoeld om zich te richten naar het geestelijke in michaëlische zin, zodat nu rechtstreeks fysiek-scheppend, fysiek-vormend optreedt wat door Michaël beïnvloed is.

(…)

Want, ziet u, er bestaat een tegenpool voor wat ik beschreven heb: dat de Michaël-impulsen rasvormend zullen worden, er is daarvan een pendant.

Stel dat het karma beschikt dat iemand met hart en ziel gegrepen wordt door de antroposofische impulsen. In dat geval gebeurt er iets zonderlings, iets paradoxaals, dat echter wel noodzakelijk is: zijn engel moet iets leren. En dat is ontzaglijk veelbetekenend. Wat zich afspeelt tussen antroposofen en niet-antroposofen veroorzaakt een golfslag tot in de engelenwereld. Het leidt tot een scheiding der geesten in de wereld van de engelen. De engel die de antroposoof begeleidt naar zijn volgende incarnaties, leert om zich nog dieper dan voorheen in de geestelijke wereld te oriënteren. En de engel die bij de ander hoort, degene die niet tot de antroposofie kon komen, zinkt weg. Het wordt dus eerst aan het lot van de engelen duidelijk hoe de grote scheiding geschiedt. Uit een relatief eendrachtig rijk der engelen ontstaat een tweedelig rijk: éénvan engelen met een drang naar hogere werelden en één met een drang naar beneden naar lagere werelden. Terwijl zich hier op aarde de vorming van de Michaël-gemeenschap voltrekt, kunnen we waarnemen hoe boven deze gemeenschap bepaalde engelen opstijgen en andere naar beneden zakken. Als men de wereld dieper beschouwt, kan men vandaag voortdurend deze stromingen, die iets zo beklemmends hebben, gadeslaan.’

(Rudolf Steiner, 3 augustus 1924)

De risico’s van het bloggen

20130927-135453.jpg

Genoeg gelachen!
Tijd voor ernstige zaken.
Winter is coming …
Eergisteren nacht werd ik opeens wakker van de jeuk aan mijn benen.
Ze leken wel in brand te staan.
Eerst zocht ik soelaas in uitvoerig krabben, maar dat maakte de zaken alleen maar erger.
Na behandeling waren beide benen bedekt met tientallen dikke bulten die schreeuwden om nog meer verdovend geweld.
Dit gaat niet goed, dacht ik.
Antroposoof zijnde, ging ik naar beneden en zocht in onze huisapotheek naar een flesje Combudoron Spray van Weleda, goed voor verbrande huid, huiduitslag, insectenbeten en jeuk.
Dat had ik allemaal.
Het was duidelijk dat ik het slachtoffer was geworden van een bijzonder bloeddorstig insect.

Een mug?
Maar ik had al in weken geen mug meer gezien.
Muggen veroorzaken trouwens niet zo’n bulten.
Een reuzenmug misschien, a killer-mosquito?
Maar ik had m’n bed afgezocht en niets gevonden, behalve mijn vrouw.
En die bijt niet, dat ben ik wel zeker.
Maar ik had geen tijd om naar de schuldige(n) te zoeken, ik moest iets doen aan de gevolgen.
Crisismanagement.
En dan zit je goed met Combudoron, want dat bevat bevat twee antroposofische wondermiddelen: urtica en arnica, ofte brandnetel en valkruid.
Ik spoot het halve flesje leeg en inderdaad: het vuur doofde.
De jeuk kwam tot bedaren.
Tien minuten later kon ik weer in bed kruipen.

De volgende dag vroeg ik – als altijd – raad aan mijn vrouw.
Ze bekeek de bulten eens en zei: dat komt niet van een mug!
Waarschijnlijk een spin!
Een spin, zei ik verbaasd, sinds wanneer bijten spinnen?
Jaja, antwoordde ze, sommige spinnen kunnen bijten en goed ook!
En hoe zien die spinnen eruit, vroeg ik, belust op wraak.
Geen idee, zei ze.

Mijn wraaklust bekoelde snel.
Ik was niet van plan om jacht te maken op spinnen.
Trouwens, de jeuk was verdwenen.

Maar gisterennacht werd ik opnieuw wakker.
Op hetzelfde moment: even na enen.
Weer die ondraaglijke, brandende jeuk.
Weer krabben en wrijven.
Weer naar beneden.
De rest van het flesje Combudoron leeggespoten.
En weer hielp het meteen.

Ik wacht nu met een zekere ongerustheid de komende nacht af.
Want ik ben niet alleen vreselijk lui als het gaat om wraak nemen, maar ook als het gaat om een flesje Combudoron halen bij de (speciale) apotheker.
Als het vannacht weer van dat is, zal ik toch eens ernstig moeten gaan nadenken over spinnen, want ik geloof geen moment dat ze mij toevallig zo toegetakeld hebben.
Ik heb zelfs zo’n vaag vermoeden dat het een … wraakneming is.
Want enkele weken geleden was ik van plan iets te schrijven over spinnen, en ik heb het niet gedaan.
Ik had … euh, belangrijker dingen te doen.
En dat hebben die spinnen natuurlijk als een affront opgevat.
Gevoelige beestjes, die pootmansen.

Ik denk dat ik een deal ga sluiten.
Als ze mij met rust laten, zal ik iets over hen schrijven.
Doen ze dat niet, dan verklaar ik hen de oorlog.
The War on Spiders.
Eens kijken wie dié gaat winnen …

20130927-135525.jpg

Denken in beelden

Dat men de beelden van de bovenzinnelijke wereld op de juiste wijze beoordelen kan, dat men weet, hoe men deze beelden op de geestelijke realiteit moet betrekken, dat moet men bereiken doordat men het exacte denken, dat men zich heeft verworven als moderne mens, nu op de beeldenwereld toepast, dat men werkelijk in deze beeldenwereld denkt, zoals men denken geleerd heeft in de gewone fysiek-zintuiglijke wereld.

(Rudolf Steiner)

GA 210, 12 februari 1922

Een bange blanke man

20130925-164333.jpg

De man met het witte hemd die u hierboven aan het werk ziet in een ongetwijfeld hartverwarmend en geestverheffend toneelstuk, is Chiel van Berkel, een Hollander in Vlaanderen.
Niet dat dat laatste er iets toe doet.
In De Standaard van dinsdag 24 september lees ik zijn ‘Vijf Levenslessen’.
Die luiden als volgt:

1. Blijf rebels.
2. Laat niet op je kop zitten.
3. Mijd middelmaat.
4. Wees niet bang voor het vreemde.
5. Heb lief.

Tot dusver is alles OK.
Niemand kan iets tegen deze ‘levenslessen’ hebben.
Wijze man dus, die Chiel.
Althans, zo lijkt het.
Want onder Les 5 lees ik iets wat al die wijsheid als een kaartenhuisje in elkaar doet vallen:

‘Ik haat de bange blanke man.’

Kijk eens aan, denk ik, wat een rebelse, assertieve, originele, moedige en vooral liefdevolle uitspraak is dit!
Alleen al op grond van dit ene zinnetje verdient Chiel de Nobelprijs voor de Contradictie.
Het is dan ook niet het eerste het beste zinnetje.
Het is een uitspraak die tegenwoordig iédere rebelse, assertieve, originele, moedige en liefhebbende blanke man in de mond bestorven ligt.
Het is, zeg maar, het grootste intellectuele cliché van deze tijd.
En dat maakt deze uitspraak natuurlijk tot het tegendeel van rebels, assertief, origineel, moedig en liefdevol.

Of hoe je tegelijk rebels en volgzaam kunt zijn,
assertief en permissief,
origineel en afgezaagd,
moedig en laf,
Liefdevol en haatdragend.

Dames en heren, ik stel u voor: Chiel, de Nieuwe Blanke Man!

Houdt van zichzelf, haat zichzelf.
En is zich daar to-taal niet van bewust.
Als je hem vroeg: Chiel hou je veel van jezelf?
Of: Chiel, haat je jezelf?
Dan zou hij hoogstwaarschijnlijk (luid) ‘NEEN!’ zeggen.
Terwijl het juiste antwoord natuurlijk (benepen) ‘ja’ is.

Zwei Seelen leven in Chiels Brust.
Een liefdevolle en wijze ziel, en een haatdragende en domme ziel.
Maar er leeft ook nog iets anders in de Berkel-borst,
Of liever: er ontbreekt iets in die borst.
En dat is bewustzijn van die gespletenheid.
Wat Chiel in gênante mate NIET heeft, is een modern zelfbewustzijn.
En dat is juist een bewustzijn van dat gespleten, moderne zelf dat heen en weer geslingerd wordt tussen eigenliefde en zelfhaat.
Is er iets dat de moderne mens méér kenmerkt dan die tegenspraak?
Enerzijds is hij ongelooflijk vol van zichzelf,
en anderzijds zit hij vol zelfhaat en zelfminachting.

Ik maak daar zelf geen uitzondering op.
Ik schrik vaak van de Lucifer en Ahriman die ik in mezelf aantref.
Wat een duo!
Maar waarin ik wél verschil van Chiel & co is dat ik het wéét.
Ik ben me bewust van die Zwei Seelen in meiner Brust.
Het stelt nog niet veel voor, dat bewustzijn van mijn moderne zelf, en het laat me nog vaak in de steek, maar het begin is er.
En het laat zich niet meer uitwissen.
Als je die (eigen)liefde en (zelf)haat eenmaal in je eigen ziel broederlijk naast elkaar hebt zien staan, dan maak je jezelf niet meer wijs dat je alleen maar een moedige, blanke man bent of alleen maar een bange, blanke man.
Je bent het allebei.
Als je dan met je kop in de krant gaat staan om wijze levenslessen te geven,
en je zegt eerst:
Ik haat de bange blanke man,
om vlak daarop te zeggen:
Hebt elkander lief,
dan ben je een domme, blanke man.

En die domheid is allesbehalve lachwekkend, zeker als ze haar levenslessen besluit met de woorden: ‘Humor blijft een wapen tegen verzuring, tegen middelmaat en de krankzinnige tijd waarin we leven.’
Want wat is humor anders dan het bewustzijn van discrepanties, het bewustzijn van twee zaken die niet samengaan!

En ik maar denken dat Hollanders zo verstandig en zo geestig waren …

Tears in heaven

20130925-122806.jpg

De allereerste CD die ik kocht, was ‘Unplugged’ van Eric Clapton.
Ik kocht hem eigenlijk voor één enkel nummer: Tears in Heaven.
Clapton schreef dit liedje voor zijn zoontje van vier dat stierf na een val uit het venster van de 53ste verdieping.

De beginregels gaan als volgt:

‘Would you know my name
If I saw you in heaven?’

Vrij vertaald: Zou je weten wie ik ben als ik je zou tegenkomen in de hemel?

Ik denk dat iedereen die gelooft in een hiernamaals zich die vraag wel eens gesteld heeft.
Hoe herken je oude bekenden als je ze na de dood weer ontmoet?
En hoe herkennen ze jou?
Want als je sterft, verlaat je je lichaam en word je geest.
Waaraan herkennen geesten elkaar?
Eigenlijk is dát de vraag die Eric Clapton stelt.

Hier op aarde stelt het probleem zich natuurlijk niet.
De menselijke ‘geesten’ waar we mee omgaan hebben allemaal een lichaam, en aan dat lichaam herkennen we ze, met name aan één onderdeel ervan: het gezicht.
Het belangrijkste herkenningspunt in dat gezicht zijn niet de ogen, zoals men misschien zou denken.
Het is de neus.
Verander je neus, en niemand herkent je nog.

Toen ik nog in Brussel werkte, kwam er op een dag een vreemde man mijn bureau binnen.
Hij begon tegen mij te praten alsof hij me kende.
Ik was danig in de war, want ik had die mens nooit gezien.
Toen deed hij zijn (zeer gesofisticeerde) valse neus af, en ik zag dat het Jean was, een collega waar ik dagelijks mee sprak.
Hij vond het een geweldige grap, maar ik kon er niet om lachen.
Ik was van mijn melk.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ik hem niet herkend had!
Twee dagen later was ik er nog altijd niet goed van.
Op de een of andere manier is het herkennen van mensen iets heel fundamenteels.
De grond verdwijnt onder je voeten als het niet meer werkt.
En een valse neus volstaat ‘to do the trick’.
Daarom zetten clowns een rood bolletje op hun neus: méér is er niet nodig om iemand anders te worden.

20130925-124151.jpg

Maar als zo’n kleine verandering aan het gezicht je al belet om iemand te herkennen, hoe herken je dan iemand zónder gezicht?
Iemand vroeg dat eens aan Rudolf Steiner.
Hoe herken je geesten?

Hij antwoordde: aan hun bewegingen.

Ik ben niet helderziend, zelfs geen klein beetje.
Ik kan geen geesten waarnemen.
Ik heb dus geen flauw idee hoe bewegende geesten eruitzien.
Maar de mensen die we hier op aarde tegenkomen zijn natuurlijk ook geesten, geïncarneerde geesten, geesten-met-een-lichaam.
De mens is een geest die zich een lichaam schept als hij op aarde komt.
Hij begint zijn aardse bestaan dus met een ongelooflijke artistieke prestatie: hij bouwt een lichaam.
De bouwstoffen worden hem gegeven, evenals het atelier waar hij rustig kan werken: de baarmoeder.
Maar hij is wel zelf de kunstenaar, de scheppende geest.
En net als iedere kunstenaar drukt hij zichzelf uit in zijn materiaal.

Hoe doet hij dat?
Eén ding is zeker: hij doet het niet bewust.
De aandacht van een kunstenaar is geheel en al gericht op zijn model.
Tijdens het scheppen vergeet hij zichzelf, hij gaat helemaal op in zijn onderwerp.
Maar juist daardoor kan hij zichzelf zijn en zich uitdrukken zoals hij werkelijk is.
De mens die zich bewust is van zichzelf, is immers nooit helemaal zichzelf.
Hij is altijd ook iemand anders.
Hij is iemand die kijkt en hij is tegelijk iemand die bekeken wordt.
En die tweedeling verandert hem.
Want wie bekeken wordt, gedraagt zich anders.
En wie kijkt, wordt beïnvloed door wat hij ziet.
Zelfbewustzijn vervormt de mens.
De zelfbewuste mens is dus zichzelf niet.
Behalve wanneer wanneer hij kunstenaar wordt,
en tijdens het scheppen zichzelf vergeet.

In zijn kunst toont de mens zich zoals hij werkelijk is.
Willen we de echte mens leren kennen, dan moeten we naar zijn kunst kijken, niet naar zijn woorden of daden, want die worden vervormd door zelfbewustzijn.
Wanneer het scheppingsproces echter geïnfecteerd wordt met zelfbewustzijn, wanneer de kunstenaar er niet in slaagt helemaal op te gaan in zijn onderwerp en zichzelf te vergeten,
dan ontstaan de vreselijkste misvormingen.
Dat kunnen we vandaag waarnemen in de hedendaagse kunst.
Zij is het resultaat van zelfbewustzijn dat reeds tijdens het scheppingsproces ontstaat, en niet erna, wanneer het kunstwerk af is.
We kunnen deze ‘kunst’ vergelijken met de (lichamelijk) misvormde mens, bij wie er iets is misgegaan tijdens het scheppen van zijn lichaam.
Beide zijn vreselijk om te zien.
Beide vertellen over de ‘verkrachting’ van de scheppingskrachten door het zelfbewustzijn.
Beide zijn karikaturen van de menselijke geest.

20130925-125351.jpg

Hoe minder bewust de menselijke geest is, des te genialer is hij.
In de moederschoot schept hij het grootste kunstwerk dat bestaat: het menselijk lichaam.
En ook wanneer hij al geboren is, levert hij nog geniale prestaties.
Maar naarmate zijn zelfbewustzijn toeneemt, neemt zijn kunstzinnige vermogen af.
De zelfbewuste moderne mens is dan ook bijzonder onkunstzinnige mens.
Maar helemaal erg wordt het pas wanneer deze onkunstzinnige mens (deze intellectuele denker, deze wetenschapper, deze kritische kijker) begint te scheppen.
Dan ontstaan de vreselijkste gedrochten.
Dan worden er monsters geboren.

Maar laten we terugkeren naar het nog niet misvormde scheppingsproces,
naar de scheppende geest die zich nog niet bewust is geworden van zichzelf,
en die zichzelf een lichaam of een ander kunstwerk schept.
Hoe doet hij dat?
Hoe drukt een geest zich af (of uit) in de materie?

Het antwoord luidt: door te bewegen.

Ieder kunstwerk is het resultaat van de bewegingen van zijn maker.
Ieder schilderij is de som van ontelbare bewegingen van de schilderende hand.
Iedere noot muziek die weerklinkt, ontstaat door bewegende handen (en soms voeten).
Ieder woord dat geschreven of gesproken wordt: idem.
Alles ontstaat door middel van lichaamsbewegingen.

En al die bewegingen zijn onbewust, volslagen onbewust.
Niemand zou een schilderij kunnen maken, piano spelen of een tekst schrijven, als hij zich bewust was van zijn bewegingen.
Zelfs een zo simpele en onkunstzinnige handeling als autorijden, lukt ons niet als we ons bewust blijven van onze bewegingen.
Dat ondervinden we maar al te goed wanneer we leren autorijden.
We kunnen pas autorijden wanneer we ‘vergeten’ wat we geleerd hebben, wanneer we niet langer met ons bewustzijn bij onze schakelende handen en ontkoppelende voeten zijn.
Eigenlijk kan een mens nauwelijks bewegen zolang hij zich bewust blijft van zichzelf.
Zelfbewustzijn is verlammend.
We hoeven maar naar de snelle bewegingen van schilderende, muziekspelende of schrijvende mensen te kijken, om te beseffen dat ze niet bewust worden uitgevoerd.
Ze werden alleen bewust aangeleerd.
En dat gebeurde door de beweging te vertragen, door ze op te splitsen in enkelvoudige bewegingen die de mens kan nabootsen.
Want het menselijke zelfbewustzijn zoals we het vandaag kennen, is ongelooflijk log en zwaar.
Vergeleken bij het kunstzinnige bewustzijn is het als een … bulldozer.
Het kan alleen zeer elementaire, mechanische bewegingen maken,
bewegingen die geen enkele schoonheid in zich dragen.
Daartegenover staat echter dat deze bewuste bewegingen een enorme kracht in zich dragen, een kracht die, wanneer ze niet uiterst zorgvuldig beheerst wordt, dood en vernieling zaait.
Want dat is wat bulldozers gewoonlijk doen: ze breken dingen af.
Dat is ook wat het menselijke bewustzijn doet: het breekt alles af tot elementaire deeltjes.
Het analyseert, ontleedt en vertraagt.
Het vertraagt, verkilt en doodt het leven.
Het herleidt de kunstzinnige, scheppende bewegingen van de geest tot starre, mechanische bewegingen die zichzelf eeuwig herhalen.

20130925-125741.jpg

Maar nu hebben we het over de geboren mens, de bewuste mens, of hij nu wetenschapper is of kunstenaar, of hij nu bulldozers bestuurt of piano speelt.
We hebben het over een lichaam dat beweegt.
Niet over een (lichaamsloze) geest.
Hoe moeten we ons nu voorstellen dat een geest een lichaam schept?
Hoe kan die geest de materie aangrijpen als hij geen handen heeft?

Ik kan me daar maar één ding bij voorstellen,
en dat is dat de menselijke geest bij zijn incarnatie zo diep in de materie onderduikt dat hij het niveau bereikt dat wetenschappers momenteel onderzoeken: het niveau waar de materie eigenlijk ophoudt materie te zijn, het niveau waar ze ontstaat en waar bijvoorbeeld de quantumfysica in zulke mysterieuze bewoordingen over spreekt.
Daar waar de materie grenst aan de geest treedt de mens de aarde binnen en begint hij zijn scheppende werk: met materie die nog half en half geest is.
En dat scheppen is een bewegen, een bewegen IN de materie,
een materie die nog zo ongevormd is dat ze mee kan bewegen met de geest.
Zo stel ik mij ook voor dat God de wereld schept, iedere dag weer opnieuw: door op het allerdiepste niveau van de materie te ‘bewegen’.

Zo’n voorstelling is natuurlijk in hoge mate speculatief en abstract, zoals zowat alles wat we over de wereld van de geest (proberen te) zeggen.
De kunst bestaat erin om deze ‘bulldozervoorstellingen’ te verfijnen, om ze concreter te maken, om ze tot leven te wekken zodat ze enigszins beginnen te lijken op de levende vormen van de wereld waarin we leven.
Anders lopen we het gevaar dat we met deze dode, abstracte voorstellingen gaan ingrijpen in het (voortgaande) scheppingsproces van de aarde en dat we daar tekeer gaan als een bulldozer.
De heerlijke, nieuwe wereld die we dan scheppen ziet eruit als één groot Museum voor Hedendaagse Kunst.
Als we dat willen vermijden dan moeten we onze voorstellingen over de ‘baarmoederlijke’ wereld waar voortdurend geschapen wordt (of het nu de wereld is, ons lichaam of de kunst) tot leven wekken.
We moeten die voorstellingen een levend lichaam geven.

En daarbij is het van cruciaal belang dat we het niét bewust doen.
Rudolf Steiner hamert erop: kunst is NIET een idee in een zintuiglijke vorm.
Het is niet een voorstelling die we ons ergens van maken en die we vervolgens in beeld of klank gieten.
Dat is een bijzonder diep gewortelde misvatting.
Het is de misvatting die ons telkens weer doet vragen naar de bedoelingen van de kunstenaar.
Maar dat is nu juist wat de kunstenaar ons NIET kan vertellen.
Hij weet niet wat zijn bedoeling is en hij mág het ook niet weten.
Hij is kunstenaar omdát en in de máte waarin hij het niet weet.
Hedendaagse kunstenaars daarentegen weten heel goed wat ze bedoelen met hun werk, en ze vertellen dat ook, vaak in zeer bevlogen spirituele woorden.
Maar juist die bewuste bedoelingen, die vaak zeer geestrijke voorstellingen, leiden noodzakelijkerwijs tot de vreselijkste karikaturen van de menselijke geest.

Daarom ga ik zelf nooit uit van ideeën, ook niet van antroposofische, wanneer ik de wereld om me heen beschrijf (of het nu is met een potlood, een penseel of met woorden).
Ik ken nochtans heel wat ideeën, maar wanneer ik naar de werkelijkheid kijk, dan ‘vergeet’ ik ze, dan concentreer ik me helemaal op wat ik zie.
Ik probeer dan onder te duiken in de zintuiglijke wereld tot op het niveau waar ze ontstaat, het niveau waar ze grenst aan de geestelijke wereld.
En die geestelijke wereld is geen wereld van ideeën en voorstellingen.
Het is een wereld van geestelijke wezens.
En die levende geesten bewegen zo snel dat we ze niet kunnen zien.
Ze zijn als wielen die zo snel draaien dat ze lijken stil te staan.
En die schijnbare bewegingsloosheid is een gevolg van ons trage en logge bulldozerbewustzijn dat die bewegingen eenvoudig niet kan volgen.
Dat is ook de reden waarom we het zo ontzettend moeilijk hebben om in contact te komen met de wereld van de geest: het gaat daar allemaal zo vlug dat ons bewustzijn ofwel verlamd raakt ofwel dronken wordt als het mee wil bewegen.
Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we raken buiten westen.

Het probleem is dus niet dat we geen contact kunnen maken met de geestelijke wereld.
Dat contact IS er, en zelfs in toenemende mate.
Het probleem is dat we niet in contact kunnen komen met de geest zonder verlamd of dronken te raken.
Het probleem is niet dat we niet ‘over de drempel’ raken,
het probleem is dat we er niet over raken zonder ons hoofd te verliezen.

20130925-130507.jpg

Dat is ook het probleem waarmee ik zelf op deze blog voortdurend geconfronteerd word.
Als je de wereld als een kunstwerk probeert te zien, dring je onwillekeurig binnen in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
Dat is in eerste instantie de etherische dimensie, die nog ver verwijderd is van de zuivere geest.
Maar reeds op dit ‘laagste’ geestelijke niveau gaat alles zo snel en is alles zo complex dat je er algauw de trappers bij verliest en in de war raakt.
De kunst bestaat er dan in om de wijs-begeerte, het verlangen naar de geest, te bedwingen en je weer terug te trekken vóór je het bewustzijn verliest.
En met bewustzijn bedoel ik hier het bulldozerbewustzijn.
Want wie in de geestelijke wereld doordringt, verliest zomaar niet het bewustzijn.
Hij verwisselt van bewustzijn.
In plaats van het aardse, egoïstische, bulldozerbewustzijn krijgt hij een hoger, spiritueler en onzelfzuchtiger bewustzijn.
Dat klinkt misschien heel mooi en aantrekkelijk, maar juist dáárin schuilt het grote gevaar.
Want wie zijn hoofd verliest tijdens het overschrijden van de grens met de geestelijke wereld – en dat doet vandaag iederéén in meer of mindere mate – merkt die bewustzijnsverwisseling niet op.
Hij maakt geen onderscheid tussen beide bewustzijnsvormen, het lage ego-bewustzijn en het bewustzijn van het hogere zelf.
En in zijn ‘nieuwe’ bewustzijn vermengen die twee zich zonder dat hij het weet.
Het resultaat kunnen we vandaag overal waarnemen, en het meest krasse en actuele is wellicht een Nobelprijswinnaar voor de Vrede die de wereld oproept om oorlog te voeren.
Wat we hier zien is een nieuw mensentype: een mens die bezield wordt door de geestelijke wereld (in de vorm van de grootste mensheidsidealen) en die tekeer gaat als een op hol geslagen bulldozer.
De onbewuste vermenging van beide bewustzijnsvormen – de aardse en de hemels – leidt tot een wanstaltige karikatuur van de menselijke geest, een karikatuur die Ahriman en Lucifer in zich verenigt tot een ‘nieuw Ik’ dat tegelijk monsterlijk egoïstisch en totaal onzelfzuchtig is, vernietigend en scheppend, buitengewoon kwaadaardig en kinderlijk onschuldig.
En we herkennen dit onmenselijke Ik niet omdat we er niet in slagen om in deze etherische dimensie te kijken zonder ons hoofd te verliezen, het hoofd dat onderscheid maakt.
We kijken naar dit nieuwe ‘gemengde’ bewustzijn met een ‘gemengd’ bewustzijn en daardoor zien we het niet, integendeel we versmelten ermee.

Wie onbewust ‘over de grens’ gaat, ruilt zijn (logge en trage) zelfbewustzijn voor een ‘hoger’ bewustzijn en merkt het niet.
Hij weet niet beter of zijn oude, egoïstische, begerige zelf is getransformeerd tot een hoger, spiritueel zelf en hij waant zich een beter mens dan al die lamme materialisten.
Maar in werkelijkheid is hij minder mens geworden, want hij ligt – bij wijze van spreken – dronken in de goot.
En als het maar bij liggen blijft, is het allemaal nog zo erg niet.
Dan kun je je ‘spirituele’ dronkemansroes uitslapen en weer nuchter worden.
Veel erger is het als die dronkelappen niét in slaap vallen, maar hyperactief worden en hun door de geest in een roes gebrachte bulldozerbewustzijn een heerlijke, nieuwe wereld wil bouwen.
De gevolgen daarvan zien we nu al 100 jaar.

Nog eens, het probleem is niet dat we niet in contact kunnen komen met de geestelijke wereld.
De hele mensheid gaat vandaag ‘over de drempel’, aldus Rudolf Steiner.
Het probleem is dat we ons hoofd verliezen bij het overschrijden van die drempel.
We zijn onszelf niet meer.
We vallen innerlijk uit elkaar.
Ons hoofd weet niet meer wat ons lichaam doet,
en ons lichaam gaat als een ongeleid projectiel zijn gang.

Daarom trek ik me nu even terug uit deze beschouwing.
De vraag hoe je mensen herkent als ze geen lichaam meer hebben, heeft me dieper in de ‘geestelijke dimensie’ gebracht dan ik verwacht had, en ik voel dat ik de greep begin te verliezen.
Ik kan de zaken niet meer goed samen houden en ongemerkt word ik een beetje dronken.
Tijd dus om rechtsomkeer te maken, weer over de grens te stappen en wat frisse materialistische lucht te scheppen.
Want hoe dodelijk saai en nuchter dat materialisme ook is, het is nog altijd beter dan die vernietigende scheppingsroes van de zelfbewuste mens die onbewust over de drempel gaat.
Ik verafschuw het heksenbrouwsel dat de troebele vermenging van zelfbewustzijn en scheppingskracht is, maar ik moet ervoor opletten niet in dezelfde, o zo verraderlijke val te trappen.

Dus maak ik er bij deze wat abrupt een eind aan, en ga de volgende keer verder, als ik weer een (fris) hoofd heb.

20130925-130758.jpg

Would you know my name
If I saw you in heaven
Will it be the same
If I saw you in heaven
I must be strong, and carry on
Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Would you hold my hand
If I saw you in heaven
Would you help me stand
If I saw you in heaven
I’ll find my way, through night and day
Cause I know I just can’t stay
Here in heaven

Time can bring you down
Time can bend your knee
Time can break your heart
Have you begging please
Begging please

Beyond the door
There’s peace I’m sure.
And I know there’ll be no more…
Tears in heaven

Would you know my name
If I saw you in heaven
Will it be the same
If I saw you in heaven
I must be strong, and carry on
Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Kijken en luisteren

Ik wil nog wat doorbomen over de relatie tussen kijken en luisteren, tussen beeld en klank, tussen oog en oor.
Het zijn twee zeer verschillende werelden die zich tot elkaar verhouden als … man en vrouw.
Van ogen zegt men dat ze kunnen steken, priemen, doorboren, vuur schieten, enzovoort.
Het oor daarentegen is een soort trechter die via een smalle opening geluiden tot diep in ons laat doordringen.
We kunnen ons van die geluiden nooit helemaal afsluiten.
Zelfs wanneer we onze oren dichtstoppen, kunnen we harde geluiden nog altijd voelen.
We luisteren in feite met ons hele lichaam, waarvan het oor slechts een pars pro toto is.
In de acupunctuur geldt de oorschelp als een lichaam in het klein.

Kijken doen we daarentegen alleen met onze ogen, en die zijn heel erg ‘onlichamelijk’.
Terwijl alle andere zintuigen ‘vlezig’ zijn, bestaan ogen uit een heel andere substantie.
Ze hebben een ‘glasachtig’ karakter en zijn in die zin meer verwant met de tanden, die eenzelfde witte kleur hebben en daardoor contrasteren met de rest van het gezicht.
Ook die tanden hebben een ‘mannelijk’ karakter.
Ze zijn hard, ze bijten, ze breken, ze vermorzelen.
Bij de mens zijn ze weliswaar geen wapens meer zoals bij de wilde dieren, maar ze zijn wel instrumenten die de mens kan gebruiken.
Of niet.

20130923-134958.jpg

Ook ogen zijn instrumenten die we kunnen gebruiken of niet.
We kunnen ze openen en we kunnen ze sluiten, net zoals we ook onze tanden kunnen ontbloten of bedekken.
Onze oren zijn veel minder instrumenteel.
Sommigen kunnen hun oren bewegen, maar dat geldt niet als een grote prestatie.
Mensen onderscheiden zich juist van de dieren doordat hun oren zo onbeweeglijk zijn.
Het menselijke oor is als het ware nog een deel van het lichaam.
We kunnen het niet afzonderlijk gebruiken.
We kunnen niet zeggen: nu ga ik even niet horen.
Evenmin als we kunnen zeggen: nu ga ik even mijn lichaam verlaten.
Via het oor en het horen is de mens verbonden met de fysieke wereld.
Hij kan er zich niet van losmaken.

Met onze ogen kunnen we dat juist wel.
We kunnen ze sluiten en dan is de hele wereld als bij toverslag verdwenen.
We wéten dan wel dat hij nog bestaat, maar we nemen hem niet meer waar.
En hier zien we (sic) al dat er een nauw verband is tussen zien en denken.
Het is juist dat verschil tussen de verschijnende en verdwijnende wereld dat ons aan het denken zet.
En dat verschil beleven we onafgebroken, want we knipperen voortdurend met onze ogen.
Dat doen we natuurlijk om onze ogen te bevochtigen (wat ook weer wijst op het droge, mannelijke karakter van het oog), maar het is tevens een beeld van hoe ons denken ontstaat.
Het oog schept afstand.
Het toont ons een werkelijkheid die in hoge mate ontoegankelijk voor ons is: een wereld van objecten waarvan we alleen de buitenkant zien en die we niet kunnen betreden.
De binnenkant der dingen is voor het oog terra incognita.
Het raakt nooit doorheen de zintuiglijke verschijning der dingen.
Met het oor is dat heel anders.
Als we iemands stem horen, vernemen we iets van zijn innerlijk, niet alleen door wát hij zegt, maar ook door de klank van zijn stem.
Het geluid dat levende wezens maken, verschaft ons een zekere toegang tot hun innerlijk.
Hun fysieke verschijning sluit die toegang af.

Hieruit kunnen we al afleiden dat de materialistische cultuur waarin we momenteel leven een uitgesproken oog-cultuur is.
Alles wat immers niet-materieel is, is onzichtbaar. En wat we niet kunnen zien, bestaat voor ons niet.
Het materialisme heeft dan ook iets paradoxaals, want in het centrum van de moderne wereld staat de sprekende en denkende mens, en zowel spreken als denken zijn onzichtbaar.
Stemgeluiden kunnen we niet zien, en gedachten nog veel minder.
Die contradictie lossen we op door geluid te interpreteren als trillingen of golven, dat wil zeggen als vormen die de lucht aanneemt, en gedachten als bewegingen van atomen en elementaire deeltjes.
Dat die elementaire stofdeeltjes onzichtbaar zijn, is geen bezwaar.
We máken ze zichtbaar.
Want we willen de hele werkelijkheid zichtbaar maken voor ons oog, zodat we er met ons denken in kunnen doordringen.

Dat verschaft ons de illusie dat we op deze manier álles kunnen leren kennen, dat de werkelijkheid voor ons dan geen geheimen meer heeft.
Er zijn geen grenzen aan onze ken-drang, aan onze wijs-begeerte.
We willen doordringen tot in de diepste geheimen, we willen inzicht krijgen in het meest verborgene, we willen mysteries ontsluieren, we willen het duister verdrijven en alles in het heldere licht plaatsen zodat we het kunnen zien en begrijpen.
Maar uit dit alles spreekt het mannelijke oog met zijn priemende blik.
En wat we vergeten is het vrouwelijke oor.
We vergeten dat die hele immense wereld die de wetenschap zichtbaar heeft gemaakt, ook een onzichtbare binnenkant heeft.
We vergeten dat al die beelden ook een ‘stem’ hebben.
En dat we die niet kunnen horen met ons denken.

De ‘binnenkant’ van de wereld kan alleen beluisterd worden door het hart.
Zoals het oog verbonden is met het denken van het hoofd,
zo is het oor verbonden met het voelen van het hart.
Het hoofd kijkt, en het hart luistert.
Het hoofd is een vesting met dikke muren hoog op een berg.
Daar woonde Wagner, wiens muziek vertelt van bergen en wolken en hoge luchten.
Het hart daarentegen leeft in de dalen, samen met alle mogelijke wezens, zichtbare en onzichtbare.
Van die kleurrijke en levendige wereld vertelt Tchaikovsky.
Niet toevallig was Wagner een denker, die grootse theorieën had over kunst en samenleving.
Van Tchaikovsky is niets van dien aard bekend. De man had het waarschijnlijk te druk met zijn liefdesperikelen.
Zo is dat nu eenmaal:
Het koele hoofd leeft ‘far from the madding crowd’.
Het snel ontvlambare hart is voortdurend verwikkeld in liefdeshistories.

20130923-135134.jpg

Eén ding is duidelijk: hoofd en hart, oog en oor, man en vrouw hebben elkaar nodig.
Hoezeer het oog en het hoofd zich ook distantiëren van alles, ze maken deel uit van het lichaam.
En hoezeer oor en hart zich ook vereenzelvigen met dat lichaam, zonder hoofd kan geen lichaam bestaan.
Dat laatste wordt wel eens vergeten door de ‘groene jongens’.
Ze vinden dat de natuur beter af zou zijn zonder de mens.
Maar ze vergeten dat de mens het ‘hoofd’ is van de natuur, het wezen dat tegenover die natuur gaat staan en er zich bewust van wordt, net zoals het hoofd afstand neemt van het lichaam en het op die manier leert kennen.
En de natuur wíl gekend worden, zij wil door het menselijke bewustzijn bevrucht worden, want zij wil moeder worden, zij wil kinderen baren.
Zonder de ‘inspiratie’ van de mens is zij gedoemd onvruchtbaar te blijven.
Zonder de mens zal zij niet weer opbloeien als weleer, maar langzaam verdorren en sterven.

Daarom verdraagt de natuur zoveel van de mens, zoals ook de vrouw zoveel verdraagt van de man.
Maar alles wijst erop dat er een grens is bereikt.
Als er iéts is dat onze tijd kenmerkt, dan is het wel dat er een grens is bereikt, op ieder gebied.
Zelfs de politieke situatie in ons land is daar een uitdrukking van.
Vlaanderen is een vrouw die in haar huwelijk met Franstalig België heel veel heeft verdragen. Maar nu is de maat van de vernederingen vol en begint het volgzame, vrouwelijke Vlaanderen te protesteren, iets wat heel erg tegen haar natuur ingaat. Maar het water staat haar aan de lippen.
Hetzelfde geldt voor de natuur in het algemeen: ze begint te reageren tegen het schaamteloos mannelijke gedrag van de mens.
En zo zijn er nog ontelbare voorbeelden te noemen die allemaal hetzelfde beeld tonen: de mens is aan een grens gekomen.
En het is de mannelijke mens die in zijn relatie met het vrouwelijke aan een grens is gekomen.

Want wat die ‘mannelijke mens’ vandaag doet, heeft niets meer met het kennen of bevruchten van ‘het vrouwelijke’ te maken.
Het is een … verkrachting geworden.
En daar begint de vrouwelijke wereld zich nu tegen te verzetten, in naam van het kind dat ze draagt.
Het is alsof de ogen van de vrouwelijke wereld zijn opengegaan, alsof zij opeens ziet wat er aan het gebeuren is. En ze protesteert daar heftig tegen.

Het probleem is echter dat we ons daar niet bewust van zijn.
De man – of beter: ‘het mannelijke’ – is zich niet bewust van zijn gewelddadigheid. Hij denkt de liefde te bedrijven en beseft niet dat hij aan het verkrachten is.
De vrouw – of ‘het vrouwelijke’ – van zijn kant beseft niet dat ze in haar verzet al even mannelijk en gewelddadig wordt, en dat zulks de man alleen nog meer opwindt.
Hij interpreteert haar signalen immers als: ze vindt het leuk!
Hij is immers een oogmens, en het oog ziet geen verschil tussen (de uitdrukking van) genot en pijn.

20130923-135836.jpg

De zogenaamde opwarming van de aarde is daar een mooi voorbeeld van.
Het is een feit dat er iets aan de hand is met het klimaat.
Het is verstoord, ontstemd.
Maar hoe interpreteert de ‘mannelijke’ mens dat, de wetenschapper in de eerste plaats?
Hij zegt dat de aarde ‘opwarmt’, zoals hij dat ook zou zeggen van een vrouw die hij ‘een goede beurt’ geeft.
En dat gebruikt hij dan weer om nog meer macht uit te oefenen, om nog steviger ‘van bil te gaan’. Want het Global Warming concept geeft hem nog méér macht.

Maar luistert hij naar wat de protesterende natuur zegt?
Nee, luisteren is er niet bij. Immers: de natuur hééft geen stem, zij is niet bezield, zij is geen vrouw (laat staan een moeder) maar louter een lichaam.
Zo ziet het oog namelijk de natuur: als louter buitenkant zonder binnenkant.
En de tragiek is dat de natuur kan zeggen wat ze wil, niemand luistert, niemand verstaat haar taal.
Ook de vrouwen niet meer.
In hun protest tegen het mannelijke geweld zijn ze zelf mannelijk geworden.
Het is namelijk de enige taal die de mannelijke wereld verstaat.
En ze is er inderdaad door geïntimideerd.
Overal maken mannen plaats voor vrouwen, want ze hebben geen verhaal tegen de – mannelijke argumenten – van de vrouwen.
Ze voelen zich schuldig, ze voelen zich vies.
Maar tegelijkertijd voelen ze zich in het nauw gedreven, want achter of onder het vrouwelijke protest voelen ze wraakzucht.

Dat is trouwens, om nog eens over te stappen naar de politiek, het grote gevaar dat Vlaanderen momenteel bedreigt: dat het uit wraak gaat handelen.
Er is de afgelopen 200 jaar genoeg gebeurd om die wraak te rechtvaardigen.
Maar wraak is een uitzichtloze weg.
Ze zal Vlaanderen nog meer naar beneden halen dan het vernederende ‘mannelijke’ gedrag van Franstalig België.
Ze zal een eventueel onafhankelijk Vlaanderen niet bevrijden, integendeel.
De enige uitweg uit deze verkrachtingszaak, is inzicht.
De moderne mens – mannelijk of vrouwelijk – moet leren inzien wat er werkelijk aan het gebeuren is. En dat kan hij alleen als hij leert luisteren, luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid.

20130923-140121.jpg

Maar – en dat is cruciaal – het mag niet het oude, eenzijdig vrouwelijke luisteren zijn.
Want dat is wat we momenteel overal zien gebeuren.
Onze extreem-mannelijke oog-cultuur wordt overspoeld door … geluid.
Niemand lijkt vandaag nog één moment zonder muziek te kunnen.
Het is geen zeldzaamheid meer om twee mensen met elkaar te zien spreken terwijl ze beide oortjes dragen en naar muziek luisteren.
Er zijn zelfs baby’s die niet meer kunnen slapen zonder muziek.
Stilte is het grote taboe geworden.

Het is goed om in gedachten te houden dat deze tsunami van geluid en klank een vrouwelijke reactie is op een extreem-mannelijke oogcultuur.
En het resultaat van die reactie is geenszins dat mensen nu beter gaan luisteren naar elkaar of naar de natuur.
Wel integendeel, ze worden nu pas écht doof.

Wat we vandaag op ieder gebied zien gebeuren is hoe een instinctief-vrouwelijke reactie op een extreem-mannelijke situatie de zaken nog veel erger maakt.
Want wat daardoor ontstaat is geen nieuw evenwicht, maar het tegendeel daarvan: een verkrachten dat nu echt een vernietigen wordt.
Al die zelfmoordterroristen zijn mannen die er niet genoeg meer aan hebben om in een vrouw te ‘ontploffen’, ze willen in een veel groter lichaam exploderen.
En hun terrorisme is een reactie op wat zij ervaren als ‘vrouwelijk terrorisme’: de wraakzucht van de vrouwelijke wereld die zij onbewust waarnemen.
Deze zelfmoordterroristen zijn mannen die nog niet helemaal oog geworden zijn, zoals de moderne mens. Ze hebben vaak zelfs heel weinig oog voor de objectieve, zichtbare werkelijkheid.
Maar juist daardoor kunnen zij nog enigszins luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid, en daar nemen zij die vrouwelijke wraakzucht waar die hen de stuipen op het lijf jaagt.

20130923-140724.jpg

Maar ook hier in het moderne Westen beginnen mannen die wraakzucht te ‘horen’.
Want hun innerlijke ‘oor’ begint weer open te gaan, en zij vernemen opnieuw ‘de stem der dingen’.
En de ‘dingen’, dat wil zeggen de wereld die wij als een verzameling onbezielde dingen zien, zijn vertoornd. Ze zijn het moe om misbruikt en verkracht te worden door de mens.
En als die mens gewoon verder doet, zullen ze reageren en hun ‘wraak’ zal verschrikkelijk zijn.
De ruiters van de Apocalyps zullen dan door de wereld draven.
Er is maar één ding dat deze wezens-der-elementen kan stoppen, en dat is: erkenning.
Zij willen gezien worden, zij willen waargenomen worden, zij willen dat er naar hen geluisterd wordt.
En dat kan niet met uiterlijke ogen en oren.
En dat kan nog veel minder met de combinatie van beide, want als ze onbewust vermengd worden, maken ze elkaar blind en doof.
Het kan alleen met een bewuste vereniging van beide, met ogen die leren luisteren en oren die leren zien.
En de paradox is dat deze vereniging alleen mogelijk is door beide zorgvuldig van elkaar te scheiden.
We moeten leren luisteren zonder onze ogen te gebruiken,
en we moeten leren zien zonder onze oren te gebruiken.

Dat is wat ik in mijn twee ‘verslagen’ van het concert verleden week heb proberen duidelijk te maken.
Aan het begin van die zo belangrijke vereniging van oog en oor, van beeld en klank, van mannelijke en vrouwelijk, staat een scheiding, een drastisch onderscheid.
Beide werelden moeten eerst uit hun verstrengeling worden gehaald.
Met alle ‘mannelijke’ kracht die we in ons hebben, moeten we de levensbedreigende eenheid die ze vandaag vormen – een volkomen instinctieve, troebele en onzichtbare eenheid – verbreken.

En het beeld waarin dit alles samenkomt, is het beeld van de geboorte van een kind.
Want dat – vooralsnog onzichtbare – kind is waar alles om draait.
Dat innerlijke kind was het doel van de mannelijke ‘onderdrukking’ van het vrouwelijke gedurende de afgelopen 5000 jaar.
Daarom heeft de natuur – en hebben de vrouwen – de heerschappij van de steeds mannelijker wordende mens zolang verdragen: omwille van het kind.
Vandaag zijn ze dat echter vergeten, omdat ze overweldigd worden door de weeën van de geboorte.
Want in onze tijd wordt ‘het kind’ – de kunstenaar-in-de-mens – geboren.
Dat is de echte, fundamentele werkelijkheid van onze tijd.
Daarom slaat het zorgende, het omhullende en beschermende van de vrouw en het vrouwelijke vandaag om in extreme mannelijkheid: in de wil om het kind uit te drijven, om een scheiding te veroorzaken tussen zichzelf en het kind.
Maar achter al dat ‘mannelijke’ geweld (elke man die ooit de hand van zijn vrouw tijdens een bevalling heeft vastgehouden weet wat een ‘mannelijke’ handdruk is) schuilt de intense, allesoverheersende wil om het kind te … zien.

Ja, het onzichtbare kind waarvan de moderne mens zwanger is, is als een enorm oog dat in hem groeit en dat hij uit wil drijven, niet alleen om het te zien maar ook om erdoor gezien te wórden.
En dat ‘zien’ zal tegelijk een ‘horen’ zijn, een innerlijk gesprek, zoals dat plaatsvindt tussen moeder en kind.
Pas later zal het ook een bewust gesprek worden, een gesprek met woorden.
Maar eerst moet de geboorte plaatsvinden,
eerst moet dat drastische onderscheid worden gemaakt.
Want als dat niét gebeurt, als het kind niet geboren wordt, dan komen moeder én kind in levensgevaar, dan ontstaat er een heel ander ‘innerlijk gesprek’, een gesprek dat vervuld is van haat omdat beide elkaar als doodsvijanden beschouwen.
Het kind ervaart de moeder onbewust als een gevangenis waarin het langzaam stikt,
en de moeder ervaart het kind al even onbewust als een kwaadaardig gezwel.

Zo ziet het moderne, onbewuste gesprek tussen oog en oor (of tussen man en vrouw) er min of meer uit.
Want geen van beide is zich bewust van het ‘kind’ dat wil geboren worden, dat wil gezien worden, dat wil spreken.
Maar omdat de zwangerschap – het groeien van dat innerlijke oog – de moeder tot een ‘oor’ maakt, is de moderne mens zich vaagweg bewust van de aanwezigheid van dat kind.
Hij voelt het naderen van een wezen dat de wereld nieuw zal maken, en hij is (zonder het klaar te beseffen) vol blijde verwachting.
Maar juist omdat hij geen klare kijk heeft op wat er gaande is, juist omdat hij weigert te luisteren naar de binnenkant der dingen, maakt hij geen onderscheid tussen de kunstenaar-in-de-mens, het kind dat in liefde ontvangen wordt, en de vernietiger-in-de-mens, het kind dat gevangen zit in de baarmoeder en een intense haat ontwikkelt tegen de mens.
Het is juist dit – bijzonder tragische – gebrek aan onderscheid dat mensen ertoe brengt de verschrikkelijkste dingen te doen in naam van de kinderlijke onzelfzuchtige liefde.

En op die manier wordt de liefde in haar tegendeel gekeerd.
De liefdesdaad verandert geleidelijk in een verkrachting van het vrouwelijke, en die verandert op zijn beurt in de gezamenlijke verkrachting van het kind.

20130923-141025.jpg

Dat is het vreselijke gevolg van ons gebrek aan onderscheid op het beslissende moment van de geboorte.

Zo. Ik wil het hier voorlopig bij laten.
Ik presenteer u deze gedachten in de vorm waarin ik ze geschreven heb.
Als ik begin ze te fatsoeneren – lees: er een heldere, mannelijke vorm probeer aan te geven – loop ik het gevaar dat ze nooit ‘geboren’ worden.
U moet ze dus maar beschouwen als een pasgeboren kind:
het lijkt misschien nog nergens op en het ziet er vies uit,
maar het leeft en het zal groeien.

Enfin, dat hoop ik toch.

20130923-142247.jpg

Beeld en klank

Toen Henk me begin deze week vroeg of ik zin had om naar een concert te gaan, informeerde ik natuurlijk naar het programma.
Tchaikovsky en Wagner, zo bleek.
Tchaikovsky vond ik OK.
Wagner, da’s andere koek.
Nog niet zolang geleden had ik uit de bib een uitvoering van ‘Parsifal’ meegenomen.
Volgens Rudolf Steiner benadert deze muziek wat er in de geestelijke wereld te horen is, en dat had me nieuwsgierig gemaakt.
Na het beluisteren van de opera was mijn enthousiasme voor de geestelijke wereld danig bekoeld, moet ik zeggen.
De (instrumentale) muziek vond ik wel mooi, maar het grootste deel van de opera bestond uit gezongen monologen. Het leek wel of Wagner een mysteriedrama van Steiner op muziek had gezet!
Ik hoop in ieder geval dat het er in de geestelijke wereld meer aan toegaat als bij Bizet, Mozart, Verdi of Puccini, anders heb ik weinig om naar uit te kijken.

Maar kom, de Wesendonck Lieder van Wagner zaten tussen twee kleurrijke en spetterende stukken Tchaikovsky geklemd: de ouverture van Romeo & Julia, en de 6de Symfonie, de ‘pathetische’. Vooraf een aperitif en erna een digestif: dat zou Wagner wel verteerbaar maken!

Nadat ik wat had zitten lezen in het programmaboekje – wie bedenkt dit soort onzin? – keek ik om me heen.
Ik zat ingeklemd tussen de zij-ingang en de zijkant van het podium.
Geen beste plaats dus.
Maar een gegeven kaart kijk je niet in de bek.

Rechts van me hing een gigantisch schilderij van Rubens.
Ik zag moeders die hun tegenspartelende kinderen tot bij een bisschop sleurden.
Roger Vangheluwe zou dit een mooi schilderij hebben gevonden.
Het was overigens geen echte Rubens, dat zag je zo.
Niet dat het daarom een vervalsing was.
Rubens liet veel van zijn schilderijen door anderen schilderen.
Hij had zelfs iemand om zijn handtekening na te maken.
Commercant eerste klas, die Sinjoor!
Maar wel een geniale schilder.
Het schilderij naast mij hij echter met geen vinger aangeraakt.

20130922-142651.jpg

Links voor me, achter het podium, zag ik een of andere stenen heilige de Hitlergroet brengen.
De führer was nog niet geboren toen dit beeld gekapt werd, dus de beeldhouwer kan niets verweten worden.
Maar het blijft merkwaardig om in deze politiek correcte tijden tussen twee dergelijke ‘foute’ beelden te zitten.

Vlak voor me zag ik een veel moderner beeld: een videoscherm waarop allerlei reclame werd vertoond, cultuurgebonden reclame weliswaar, maar reclame niettemin.
Zouden ze die dingen afzetten tijdens het concert?
Stel je voor: naar Wagner luisteren en intussen naar reclame kijken!
Richard zou zich omdraaien in zijn graf.
Maar ja, de man wist nog niet dat kunst wetenschap is, zoals ik in het programmaboekje las, en dat de sponsors het bijgevolg voor het zeggen hebben in de concertzaal, net als in het labo.

De muzikanten begonnen één voor één hun plaats in te nemen.
Leden van het Rotterdams Filharmonisch Orkest.
Het klonk me in de oren als een contradictio in terminis.
Zou er in Nederland een lelijker stad bestaan dan Rotterdam?
En kon er in zoveel lelijkheid schoonheid huizen?
De orkestleden zagen er in ieder geval keurig uit in hun zwarte jacquet.
En hun instrumenten blonken feestelijk.
Maar ze moesten eerst nog gestemd worden.

Wat een kakafonie!
Het klonk als … hedendaagse muziek.
Heer, bad ik, laat deze kelk vlug aan mij voorbij gaan!
Maar de Heer reageerde niet, zoals gewoonlijk.
De klankchaos bleef aanzwellen.
En toen werd het stil.
Applaus weerklonk.
Dat zou de dirigent zijn!

Ik had hem al zien staan: een geheel in het zwart gekleed artistiek type, met lang krullend haar.
Hij hield toezicht op zijn troepen, sprong af en toe bij, gaf een korte aanwijzing.
I liked that.
Een leider die zich onder het volk begeeft, die één van hen is: zo hoort dat.
Maar ik bleek me vergist te hebben.
De echte dirigent, die zich een weg baande door het orkest, zag eruit als een … voetballer.
Hij had geen jacquet aan zoals de orkestleden, maar een gewoon jasje.
Daaronder droeg hij een gewoon hemd, waarvan de kraag gewoon openstond.
Nog gewoner was zijn haar.
Dat was aan de zijkanten helemaal weggeschoren.
Alleen een strook bovenop zijn hoofd was achtergebleven.
Meneer de dirigent droeg waarachtig een … punkkapsel!

20130922-143813.jpg

Het was de omgekeerde wereld.
De gewone werklieden droegen een keurige klassieke outfit.
De baas evenwel zag eruit als een gewone Rotterdamse jongen.
En de man die ik verkeerdelijk voor de orkestleider had aangezien, bleek na het concert de … materiaaljongen te zijn.
Het leek me een beeld van wat tegenwoordig voor democratie doorgaat.
Het volk lijkt aan de macht te zijn en de bazen lijken dienaars geworden,
maar in feite hebben ze alleen maar van kledij gewisseld.
Onder die uiterlijke gedaanteverwisseling is alles bij het oude gebleven.
Het plebs heeft nog altijd niks te zeggen,
en de Vips doen nog altijd hun zin.
Het verschil tussen vroeger en nu is louter uitwendig.
De monarchie heet nu democratie.
De koning ziet eruit als iemand van het volk.
En het volk denkt dat het koning is.
Oude wijn in nieuwe zakken.
Ziedaar de moderne democratie.
En o ja: de wijn is helemaal verzuurd.

Het concert was – zoals kunst dat altijd is – een spiegel van onze tijd.
De muziek die gespeeld werd, was nog altijd dezelfde als honderdvijftig jaar geleden.
De mensen werden nog altijd verdeeld in hogere en lagere rangen.
De elite organiseerde nog altijd spel en plezier voor het volk.
Maar al die oude prak werd wél gepresenteerd in een zeer moderne verpakking:
Coole affiche, blitse videoschermen, hip programmaboekje, punk dirigent.
En dan viel het nog mee.
Als je tegenwoordig naar de opera gaat – zowat de oubolligste muziekvorm – mag je je aan alles verwachten: naakte zangeressen die met de benen open op bed liggen, pedofiliescènes, zangers met kalasjnikovs, een concentratiekamp als decor.
Je kunt het zo cool en eigentijds niet bedenken of Gerard Mortier voert het ten tonele.
Hoe ouder de inhoud, des te moderner de verpakking.
En omgekeerd.

Maar goed. De dirigent had het toneel betreden.
Yannick Nézet-Séguin heette hij volgens het programmaboekje, en hij was ‘surely the most exciting talent of his generation’.
Ik had nog nooit van de man gehoord.

De lichten in de kathedraal werden gedoofd.
Op de videoschermen verscheen het orkest.
Er floepte een hele batterij schijnwerpers aan die … recht in mijn ogen schenen.
Ook dat nog!
Het zag ernaar uit dat ik me door een doornhaag van indrukken zou moeten wurmen om tot bij de muziek te raken.

20130922-144256.jpg

Tchaikovsky begon rustig.
Zoekend en tastend, zeg maar.
Het klonk allemaal nog wat verward.
Maar algauw zwollen de klanken aan, en het duurde niet lang of ze explodeerden in een orgie van geluid.
Jezusmariajozef!
Vreemd genoeg was het niet in de eerste plaats deze geluidsexplosie die me trof, maar de zachtheid van de orkestklank.
En met zacht bedoel ik dus niet stil, nee, ik bedoel: vederzacht, zonder een spoor van hardheid.
Dat verraste me.
Omdat ik zo weinig naar concerten ga, was ik vergeten hoe een klassiek orkest in het echt klonk. En dat was heel, heel anders dan wat uit de boxen van een geluidsinstallatie komt.
Hoe zinnelijk klonk dat Rotterdamse orkest!
De klanken voelden als strelingen.
Het was allemaal zo verfijnd, zo sensueel, zo … menselijk.
Ik realiseerde me opeens dat hier nog muziek werd gemaakt zoals honderd, tweehonderd, of meer jaar geleden: op instrumenten die nog met de hand werden gemaakt.
Handmade music!
Wat een verschil met moderne, electronische muziek!
Het treft me altijd weer onaangenaam dat moderne bands optreden in een oerwoud van electronisch materiaal: electrische gitaren, keyboards, synthesizers, versterkers, luidsprekers, mengpanelen, micro’s, electrische draden.
Het is allemaal zo lelijk, zo kil, zo kleurloos, zo … onmenselijk.
En dan spreek ik nog niet over het geluid dat door dit electronische arsenaal geproduceerd wordt: dat ervaar ik in veel gevallen als infernaal.
De harde electronische geluiden, die je in de maag stompen en pijn doen aan je oren, zijn in mijn beleving een vorm van bruut geweld, een aanranding van mijn ziel, een bijna fysieke verkrachting.

De klanken van het Rotterdamse orkest daarentegen waren als zalf op mijn ziel.
Hoe luid ze ook klonken, ze werden nooit gewelddadig, ze bleven … weldadig.
Ja, de woorden schelen slechts een paar letters, maar de werkelijkheid achter die woorden vormt een wereld van verschil.
En het gaat niet om de muziek.
Ik hou net zoveel van moderne muziek als van klassieke muziek.
Het gaat om de electronica.
Dié maakt het verschil.
Het verschil tussen liefde en … sex.

De heilige drieëenheid van de moderne muzikant is sex, drugs en rock ’n roll.
Eigenlijk is dat een tweemanschap, want rock ’n roll is gewoon een ander woord voor sex.
Sex en drugs: daar gaat het om in de coole, electronische muziek van onze tijd.
Die ‘coolheid’ is natuurlijk alleen maar de verpakking van een overhitte inhoud: de fysieke roes van de sex en de geestelijke roes van de drugs.
En die uitersten raken elkaar.
Mystici plegen hun ervaringen ook in sexuele termen te beschrijven.
Zowel druggebruikers als mystici willen de aarde ontvluchten.
En ‘sexgebruikers’ willen zo diep mogelijk in de aarde onderduiken.
Ze zoeken hun God ofwel in zevende hemel ofwel in de onderwereld.
Maar op één plaats zoeken ze hem niet: op aarde, in de menselijke wereld, op de grens van hemel en onderwereld.

Ik ervoer de klanken van het Rotterdams orkest als buitengewoon zinnelijk en sensueel, maar niet als sexueel.
Een klassieke muzikant die met zijn strijkstok over een viool strijkt, terwijl het publiek aandachtig luistert: het is onmiskenbaar erotisch, zowel in beeld als klank.
Maar een ruige rocker die zijn enorme electronische fallus bespeelt terwijl honderden meisjes hysterisch worden: dat is onmiskenbaar sexueel, zowel om naar te kijken als om naar te luisteren.
Volgens het (fameuze) programmaboekje was er evenwel geen verschil tussen beide: liefde en sex zijn hetzelfde, zoals ook kunst en wetenschap niet meer te onderscheiden zijn.
Maar het programmaboekje hoorde bij de verpakking van dit concert, niet bij de inhoud.

20130922-144513.jpg

Het herinnerde me eraan hoe verschrikkelijk ‘out’ sensualiteit en aardse zinnelijkheid vandaag zijn, en hoe verschrikkelijk ‘in’ sexualiteit en geweld zijn.
Liefde moet als sex voorgesteld worden, anders verkoopt het niet.

De vederzachte, sensuele klanken van een klassiek orkest moeten verpakt worden in termen van sex, passie, trance en vervoering, anders durft niemand er nog naar te luisteren uit schrik niet ‘cool’ te zijn.
En ‘cool’ betekent eigenlijk ‘hot’.

Dat moet zowat de essentie zijn van de moderniteit: de uitersten die elkaar raken.
En het midden dat taboe is.
Het zachte, sensuele midden tussen de koele abstracte hemel en brandend sexuele onderwereld.

Al die gedachten kwamen natuurlijk niet in me op tijdens het luisteren naar het Rotterdams Filharmonisch Orkest, maar het zaad werd wel gezaaid toen ik geraakt werd door die zo zachte, zinnelijke klanken.
Die bevruchting ontsnapte echter aan mijn aandacht, want die werd afgeleid door de dirigent, u weet wel, die gewone jongen met zijn open kraag en voetbalkapsel.
Het was alsof hij het passionele liefdesspel tussen Romeo en Julia in beeld wilde brengen.
Hij zwaaide breed met zijn armen,
Lonkte verleidelijk met zijn ogen,
Balde gekweld de vuisten,
Klemde de tanden op elkaar,
Glimlachte breed en verzaligd,
Kromp verschrikt in elkaar,
Maande tot kalmte,
Spoorde vurig aan.
En dat allemaal terwijl zijn gladde kop glom in de schijnwerpers.
Ja, deze jongen werkte zich in het zweet.

20130922-144632.jpg

Ik dacht aan Otto Klemperer die ik ooit op tv de Negende van Beethoven had zien dirigeren.
Een verschrompelde oude man die onderuit gezakt in een stoel zat en zijn dirigeerstokje moeizaam op en neer bewoog.
Het was géén zicht.
Maar het orkest speelde als een wervelwind, vol vuur en passie.
Ik begreep toen dat de dirigent er eigenlijk niet toe doet.
Althans niet tijdens de uitvoering.
Hij komt dan gewoon de vruchten van zijn werk plukken, meer niet.

Terwijl Yannick Nézet uitbundig plukte, dacht ik ook aan Svjatoslav Richter, de beroemde pianist.
Hij wilde alleen in volledig donkere zalen spelen.
Een klein lampje boven de partituur, meer licht wilde hij niet.
Waarom willen de mensen mij zien, schokschouderde hij, ik ben gewoon iemand die hard aan het werk is. Daarvoor kom je toch niet naar een concert, om iemand te zien werken!
Een man naar mijn hart.
Geweldige pianist ook.

Onlangs had ik in de krant gelezen over een onderzoek naar de relatie tussen beeld en klank bij het luisteren naar muziek.
Bleek dat mensen, zelfs onderlegde critici, hun oordeel meer baseerden op wat ze zagen dan op wat ze hoorden.
Zou meneer Nézet dat artikel ook gelezen hebben?
Zou dat de reden zijn waarom hij er zo’n show van maakte?
Zou dat ook de reden zijn waarom er steeds meer jonge en zeer aantrekkelijke vrouwen opduiken in de wereld van de klassieke muziek?
Omdat het oog ook wat wil?
Omdat het oog veel gretiger is dan het oor?
Omdat sex meer met zien te maken heeft dan met horen?

In ieder geval, het oog werd die avond in St.Baafs flink verwend.
Het oor ook, daar niet van.
Maar het viel me toch op dat ik, ondanks de sensuele klanken van het orkest en ondanks de voortreffelijke vertolking, toch niet geraakt werd door de meeslepende muziek van Tchaikovsky.
Ik vond het allemaal prachtig, maar ik voelde er niks bij.
Ik bleef erbuiten staan: een goedkeurende maar onbewogen toeschouwer.

Ik begreep het niet.
Was ik dan zo geblaseerd geworden?
Was mijn smaak verknoeid door het luisteren naar cd’s?
Of waren het die felle schijnwerpers die me parten speelden?

Ik besloot mijn ogen dicht te doen.
Tenslotte was ik gekomen om te luisteren, niet om te kijken.
En dus sloot ik me af voor al die beelden en visuele indrukken.
Als bij toverslag werd alles anders.
De muziek, die ik tot dusver als van op een afstand had gehoord, drong nu als een vloedgolf bij me naar binnen en overweldigde me.
Ik moest vlug mijn ogen weer opendoen om niet te verdrinken.
Wat-was-dat?
Ik probeerde het nog eens en deed mijn ogen weer dicht.
Opnieuw werd ik overspoeld door emoties die ik niet de baas kon.
Het was alsof Tchaikovsky niet daar op het podium tekeer ging, maar in mijn eigen ziel.
De afstand die me belet had iets te voelen, was opgeheven.
Ik herkende in de muziek wat zich in mijn eigen hart afspeelde, en omgekeerd.
Waarschijnlijk was Tchaikovsky ook iemand die verdronk in zijn eigen zieleroerselen, dat kon bijna niet anders.

Ik hoorde de muziek nu veel beter, niet fysiek maar innerlijk, met mijn hart.
Ik hoorde niet slechts de buitenkant, maar ook de binnenkant.
De muziek hield op enkel vorm te zijn, ze werd ook inhoud.
En paradoxaal genoeg riep ze beelden op.
Beter misschien: ze maakte mijn verbeelding wakker die beelden zocht bij de klanken, in een poging om ze te begrijpen.
Ik ‘zag’ hoe een onweer donderend losbarstte en hoe uit alle hoeken en spleten van de aarde natuurgeesten tevoorschijn kwamen om dat uitbundig te vieren. Uitgedost in alle mogelijke kleren en kleuren dansten en buitelden ze door elkaar, sprongen in de lucht, rolden door het gras, uitgelaten van vreugde.
Hoe heviger ze tekeer gingen, des te beter klonk de muziek, want als de drukte wat tot bedaren kwam, klonk er verwarring en onzekerheid door.
Waarschijnlijk waagden die aardegeesten zich alleen naar buiten als de elementen ontketend werden, als Jupiter zijn bliksems zwaaide.

Ik vond het best wel spannend om de muziek op deze manier te beluisteren: met de fysieke ogen dicht, maar de innerlijke ogen open.
Ook toen ik dat deed tijdens Wagners Wesendonck Lieder ontstonden er weer beelden.
Dit keer zag ik geen aardegeesten die door het gras buitelden, maar de elementen zelf die in de vorm van wolken rond bergtoppen zweefden, hoog boven de bewoonde wereld.
Hier geen kleurrijke dansen maar diepe ernst.
Hoeveel verhevener was deze muziek!
Terwijl Tchaikovsky op zijn best was in de luidruchtige passages, kwam Wagner het meest tot zijn recht in de stille passages.
Zo hoog als deze muziek zich boven alles verhief, zo diep daalde ze ook af.
Maar het waren niet de extatische hoogten die de moderne mens door middel van drugs zoekt, noch de vervoerende diepten van de sexualiteit.
Het waren de hoogten en de diepten van de in zichzelf gekeerde menselijke ziel.
Was Tchaikovsky’s extraverte ziel geheel naar de aarde gekeerd, dan was Wagners introverte ziel geheel naar de hemel gekeerd.
Zo tegengesteld als ze waren, zo complementair waren ze ook.
Wat Tchaikovsky teveel had aan kleurrijke levendigheid, kwam Wagner tekort.
En de Rus had wel wat kunnen gebruiken van de diepe Duitse ernst.

20130922-145159.jpg

Na Wagner brak de pauze aan en kwam iedereen weer met beide benen op de grond terecht.
Toen ik die benen even ging strekken, zag ik hoe de orkestleden zich in jacquet en lange jurk naar buiten spoedden op zoek naar … toiletten.
Want die waren er niet in de kathedraal, hoorde ik met Nederlandse verbazing zeggen.
Hadden ze in Nederland dan wél toiletten in hun kathedralen?
Hádden ze in Nederland eigenlijk wel kathedralen?
Het was vermakelijk om de orkestleden, die net op Wagneriaanse hoogten vertoefd hadden, als Walkuren de cafés op het St.Baafsplein te zien bestormen op zoek naar een veel aardser soort verlichting.

Het regende en ik stond wat te kijken naar het fraai verlichte belfort.
Opgegroeid zijnde met de Mechelse St.Romboutstoren, ben ik niet bepaald onder de indruk van St.Baafs. Een ‘veredelde parochiekerk’ noem ik de kathedraal wel eens als ik in gezelschap ben van Gentenaars. Ik hoor ze namelijk graag vloeken in hun moedertaal.
Maar hun belfort, daar mogen ze met recht trots op zijn.
Het is een genot om naar te kijken, zelfs in de regen.

Na dit natte intermezzo was het tijd voor de 6de symfonie van Tchaikofsky, de ‘Pathétique’.
Het Festival van Vlaanderen zou het Festival van Vlaanderen niet zijn als er niet een woordje Frans werd gesproken.
On est quand-même á Gand, n’est-ce pas?
Maar het moet gezegd: Yannick Nézet-Séguin maakte er een pathetische vertoning van.
Hij was helemaal op temperatuur gekomen en belichaamde in zijn eentje de hele symfonie.
Er was geen twijfel aan: als hij stil viel, zou er geen noot meer uit het orkest komen.
Hij wás het orkest, hij wás de muziek.
We are music: het waren geen dode woorden voor hem.
De pathetiek bereikte een hoogtepunt aan het eind van het concert.
Toen de laatste klanken van symfonie uitgestorven waren, bleef YNS met opgeheven armen wel 15 seconden onbeweeglijk staan.
En 15 seconden is lang.
Daarna liet hij ze heel, heel langzaam zakken.
Zijn lichaamstaal sprak boekdelen: hij was diep gegaan deze jongen, hij had het uiterste van zichzelf gegeven, Tchaikovsky’s hartstochten hadden zijn ziel doorwoeld, en daar moest hij nu van bekomen, hij moest weer zichzelf worden.
Dat duurde een hele tijd en de zaal keek ademloos toe.

Daarna brak een donderend applaus los.
Tenminste, dat zou je verwacht hebben, na zoveel passie en hartstocht.
Maar dat gebeurde dus niet.
Het publiek begon aarzelend in de handen te klappen.
Slechts langzaam groeide het applaus uit tot acceptabele dimensies.
Het klonk allemaal nogal plichtmatig.
Het contrast met de spetterende muziek annex uitvoering was opvallend en ik moest onwillekeurig denken aan het contrast tussen mijn beleving met open en gesloten ogen.
Tijdens het concert had ik een paar keer rondgekeken, maar nergens had ik gesloten ogen gezien.
Iedereen zat aandachtig te … kijken.
Ik moest ook denken aan wat Steiner ooit zei over kunstenaars en gevoelens.
Kunstenaars moeten geen gevoelens uitdrukken,
kunstenaars moeten gevoelens oproepen.
Het is bij het publiek dat de gevoelens moeten ontstaan,
niet bij de kunstenaar.
Zou dat wellicht de reden zijn voor dat ‘gevoelloze’ applaus?
De dirigent had een half uur lang op ostentatieve manier passie en hartstocht staan uitdrukken. Hij had bij wijze van spreken niks overgelaten voor het publiek.
In plaats van zichzelf weg te cijferen in dienst van de muziek, zoals het een leider of ‘minister’ past, had hij zichzelf in de schijnwerpers geplaatst en de luisteraars op die manier belet om te … luisteren.
Want je kon hem in veelvoud zien op de videoschermen die overal in de kathedraal opgesteld stonden.
Er waren beelden in overvloed en ze trokken de aandacht van het publiek naar buiten, zodat er nauwelijks nog ruimte overbleef voor de innerlijke beleving.

Er waren natuurlijk nog andere mogelijke verklaringen:
Misschien was de uitvoering mat en vervelend geweest. Ik vond ze weliswaar heel goed, maar wie was ik?
Misschien had het publiek gewoon geen verstand van muziek.
Misschien was ik halfdoof en had het applaus wél enthousiast geklonken.
Misschien lag het aan het miezerige weer: vochtige zielen ontvlammen slecht.
Misschien had iedereen had rugpijn na zolang op een stoel te hebben gezeten.
Misschien ook wilde men niet applaudisseren voor een halve punker.
Enzovoort.
Maar erg overtuigend klonken die verklaringen toch niet.
Nee, ik hield het erop dat de lauwe reactie van het publiek (die overigens ook de mijne was) het gevolg was van de tegenstelling tussen kijken en luisteren.
Het beeldspektakel had de aanwezigen belet om de muziek innerlijk te beluisteren.
Het had de aandacht naar buiten getrokken en de muziek belet door te dringen tot het hart van de luisteraar.
En dat, had ik zelf tot mijn niet geringe verbazing ondervonden, maakte een groot verschil.
Het maakte in feite álle verschil.

De aandacht van de moderne mens is sowieso al sterk naar buiten gericht.
Hij is zelfs zó extravert geworden dat hij niet meer gelooft dat er nog iets anders bestaat dan wat hij met zijn uitwendige, fysieke zintuigen (het oog in de eerste plaats) kan waarnemen.

20130922-145543.jpg

Alle geestelijke en religieuze ervaringen – en dat zijn innerlijke waarnemingen – worden afgedaan als een product van de (subjectieve) verbeelding.
Ze hebben geen enkele objectieve waarde, daar is de moderne materialistische mens heilig (sic) van overtuigd.
En dus besteedt hij nauwelijks nog aandacht aan wat hij in zijn ziel beleeft of voelt.
Tenzij als vrijetijdsbesteding, op een concert bijvoorbeeld.
En als hij daar dan ook nog eens geconfronteerd wordt met een visueel spektakel dat zijn aandacht ‘buiten’ gevangen houdt, kan het dan verbazing wekken dat hij ‘van binnen’ niks meer beleeft?

Dertig jaar geleden had iedereen de mond vol over de beeldcultuur die de woordcultuur dreigde te verdringen.
Vreemd genoeg sprak vrijwel niemand over de muziekcultuur, hoewel die vandaag minstens zo overweldigend is als de beeldcultuur.
Beide ‘culturen’ komen vandaag samen in de mens die met ‘oortjes’ voor zijn computerscherm zit, helemaal afgesloten van de wereld om hem heen.
Maar is dat ten koste van de woordcultuur gegaan?
De moderne mens kijkt op zijn electronische scherm net zo goed naar woorden als naar beelden.

Nee, we moeten de oorzaak van dit autisme elders zoeken.
Het ligt niet in het overwicht van het kijken op het luisteren of omgekeerd.
Het ligt in het overwicht van het uiterlijke kijken en luisteren op het innerlijke kijken en luisteren.
We nemen alleen nog waar met onze fysieke zintuigen, en niet meer ons innerlijke zintuig, met ons hart.
Daardoor sluiten we ons onbewust af voor de buitenwereld.
Daardoor raken we helemaal geïsoleerd.
Daardoor worden we autistisch.

De oplossing ligt evenwel niet in het verplaatsen van de aandacht van buiten naar binnen, ten einde het evenwicht te herstellen.
Want dan komen we in de leegte terecht, de leegte van een hart dat al zolang heeft moeten zwijgen dat het niet meer kan spreken.
En het gevaar is dat we die – ondraaglijke – leegte instinctief ontvluchten, naar boven in kille geestelijke hoogten of naar beneden in de hitte van de onderwereld.
Met andere woorden: we raken nog verder verwijderd van ons ‘midden’.
We dreigen dus onszelf te verliezen als we ons zonder meer naar binnen keren.
En dat resulteert dan onder meer in een vloed van steeds massaler wordende ‘muziekfestivals’, die niet zelden orgieën zijn van sex, drugs en keiharde rock’n roll.
En juist omdat we collectief onszelf verliezen op die festivals, merken we niet wat er gebeurt. We vinden dat infernale, oorverdovende en -verscheurende electronische lawaai heel normaal. We nemen gewoon even … vakantie van onszelf.

Nee, de oplossing voor het moderne autisme ligt niet in dit soort ‘vakanties’, want vroeg of laat breekt de draad en vinden we onszelf niet meer terug. En dan ontstaat de mens-die-zichzelf- niet-meer-vindt en die we autist noemen.
De oplossing ligt in een herverbinding van oog en oor, niet in fysieke zin (want klank en beeld zijn niet meer van elkaar te scheiden) maar in geestelijke, innerlijke zin.
We moeten weer innerlijk leren luisteren.
We moeten weer innerlijk leren kijken.
En dat innerlijke luisteren blijkt dan tegelijk een kijken te zijn: klanken die beelden oproepen, zoals de muziek van Tchaikovsky en Wagner.
En het innerlijke kijken blijkt een luisteren te zijn: een festival- affiche waarvan de beelden beginnen te spreken.

Met behulp van dit innerlijke kijken & luisteren kunnen we dan opnieuw oordelen over uiterlijke beelden en klanken. We kunnen opnieuw onszelf worden, want dat oordelen versterkt de band tussen ons hoofd en ons hart. Het versterkt ook ons ‘Ik’, want dat is het grote slachtoffer van de infernale beelden en klanken waarmee we bijna dagelijks geconfronteerd worden, beelden en klanken waar we nu vaak niet meer durven of kunnen over oordelen en die daarom het kind-in-ons ongestoord kunnen verkrachten.
Dit verbindende en Ik-versterkende oordelen begint paradoxaal genoeg met het onderscheiden en zelfs scheiden van kijken en luisteren.
We moeten onze ogen sluiten wanneer we naar muziek luisteren.
We mogen ons niet laten beïnvloeden door de beelden waarin die muziek verpakt wordt.
Pas dan kunnen we echt weer naar die muziek luisteren, dat wil zeggen met ons hart.
En omgekeerd moeten we onze oren dichtstoppen wanneer we naar beelden kijken.
We mogen ons niet laten beïnvloeden door de woorden waarin die beelden verpakt worden, de woorden van de kunstenaar of de uitleg van de kenner.
We moeten eerst weer contact maken met ons innerlijk oog, met ons hart.
Daarmee moeten we eerst weer leren kijken en luisteren.
Pas daarna, als we de leegte in onszelf weer hebben ingenomen, kunnen we weer naar de verpakking kijken. Ze zal ons dan niet meer (zo gemakkelijk) kunnen misleiden.

Maar deze herverbinding met ons hart, dit opnieuw innemen van onze rechtmatige plaats in het midden van ons wezen, moet bevochten worden.
Want er heerst een intense strijd om het wezen van de mens.
De afschuwelijke oorlogen die overal in de wereld woeden, het moorden en verkrachten, het bombarderen en vergiftigen, het martelen en executeren, de perfide oorlogstaal van Nobelprijswinnaars, de leugens van vrijheidsstrijders, die enorme fysieke en geestelijke chaos heerst ook in onszelf.
Wat we buiten ons zien, speelt zich ook in onze eigen ziel af.
Iedere dag, zelfs wanneer we wat beschaafde ontspanning zoeken op een concert.
En juist daar, in de wereld van kunst en cultuur, kunnen we een begin maken met onze eigen oorlog tegen het terrorisme.
Want alles wat we hoeven te doen, is onze ogen sluiten en luisteren naar het verschil.

20130922-150522.jpg