Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: december, 2014

Over de drempel (3)

De afgelopen 2000 jaar heeft zich in de etherische sfeer van de aarde een kind ontwikkeld dat vandaag in ieder mens geboren wil worden.
Deze ‘zwangerschap’ is een kosmisch proces waar we geen enkele greep op hebben.
Het enige wat we kunnen doen, is proberen ons bewust te worden van het feit dat we deel hebben aan die zwangerschap en dat er een kind zit aan te komen. Want dat maakt een wereld van verschil wanneer de bevalling inzet.
De mensheid wordt sinds het begin van de 20ste eeuw geteisterd door weeën die pijnlijker zijn dan alles wat we ooit hebben meegemaakt.
Uiterlijk gezien herstellen we ons na iedere wee, maar innerlijk worden we steeds radelozer, want we hebben geen idee wat er met de wereld aan de hand is.
Dat die weeën het gevolg zijn van iets dat zich diep in onszelf afspeelt, van een ‘etherisch kind’ dat geboren wil worden, is het verst van onze gedachten.
Het is dan ook ontzettend moeilijk om toegang te krijgen tot het baarmoederlijke gebied waar dit kind zich bevindt.
En toch is dat precies waar alles om draait op dit Keerpunt der Tijden: we moeten de drempel van de etherische wereld met ons (astrale) bewustzijn overschrijden.

De etherische wereld – de wereld van de levens- en vormkrachten – is een alomvattende wereld die zowel ons fysieke lichaam als ons astrale bewustzijn draagt.
We zwemmen erin rond als vissen in het water, maar dat maakt het juist zo moeilijk om er ons bewust van te worden: vissen weten niet wat water is.
Als we ons bewustzijn naar buiten richten, dan nemen we de fysieke wereld waar.
Richten we het naar binnen, dan nemen we de astrale wereld waar, de wereld van de gedachten en de gevoelens.
Maar de etherische wereld zien we niet, die onttrekt zich aan ons bewustzijn.
We kunnen hem enkel leren kennen, wanneer we erin slagen ons bewustzijn zowel naar buiten als naar binnen te richten.
En dat laatste is maar mogelijk wanneer we de fysieke wereld zien als een spiegelbeeld van ons (astrale) bewustzijn.

Als we willen begrijpen wat er vandaag met de wereld aan de hand is, dan moeten we die wereld als een kunstwerk leren zien.
Een kunstwerk is immers zowel een afbeelding van de uiterlijke werkelijkheid als een uitbeelding van de innerlijke werkelijkheid van de kunstenaar.
Uiterlijk en innerlijk worden in de kunst tot één beeld, een ‘etherisch’ beeld waar we kunnen naar kijken.
We zien een innerlijke werkelijkheid ALSOF het een uiterlijke werkelijkheid was.
Maar daar staan we (met ons verstand) niet bij stil. We beleven het etherische mysterie van de eenwording van materie en geest in ons gevoel.
En daar krijgen we nooit genoeg van: a thing of beauty is a joy forever.

Wanneer we nu de werkelijkheid zelf als een kunstwerk willen zien, volstaat het niet langer om ons gevoelsmatig over te geven aan haar schoonheid.
De wereld ligt immers halfnaakt te kreunen op de bevallingstafel en daar is niks moois aan, integendeel.
Als we ons daar gevoelsmatig aan overgeven zoals we dat doen met een kunstwerk, dan wordt ons (astrale) bewustzijn als het ware verscheurd: het is niet bestand tegen het gewelddadige geboortetafereel.
Wat daar de gevolgen van zijn, zien we in de Hedendaagse kunst.
Zij is het werk van kunstenaars die de werkelijkheid op de oude, gevoelsmatige manier benaderen, een benadering die een verwoestend effect heeft op hun innerlijk.
Willen we vandaag nog schoonheid zien in de wereld, dan moeten we haar op een nieuwe manier benaderen. We moeten door haar ‘moederlijke’ uiterlijk heen leren kijken en doordringen tot het kind dat geboren wil worden. Want dat kind is de verborgen schoonheid van de moderne werkelijkheid.
Om dat kind te vinden, moeten we echter ons verstand gebruiken en afstand nemen van die gekwelde, geteisterde en vernederde wereld.

We mogen dat echter niet op de oude ‘wetenschappelijke’ manier doen, want dan keren we ons af van ons gevoel, en met ons verstand alléén vinden we het kind nooit.
We moeten beiden samen leren zien: de lijdende moeder en haar kind.
Dat kunnen we alleen als we op een ‘kunstzinnige’ manier afstand nemen, als we de werkelijkheid benaderen zoals we ook een kunstwerk benaderen.
Wanneer we bijvoorbeeld een schilderij bekijken, doen we dat afwisselend van op een afstand en van dichtbij.
Die ritmische beweging is een instinctieve reactie op het etherische karakter van het kunstwerk: we pendelen heen en weer tussen twee standpunten die heel verschillend zijn, maar toch onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Bekijken we het schilderij van (heel) dichtbij, dan verdwijnen alle herkenbare vormen en zien we alleen nog betekenisloze kleurvlekken. De grenzen vervagen, ook die tussen ons en het schilderij: we gaan er als het ware in op, we versmelten ermee.
Stappen we vervolgens weer achteruit en scheppen we afstand tussen onszelf en het schilderij, dan verschijnen de grenzen weer: uit de (schijnbare) chaos duikt weer een herkenbare wereld op.
In geen van beide uitersten beleven we het schilderij echter als een kunstwerk.
Dat doen we alleen in de pendelbeweging tussen de twee polen.
Telkens we afstand nemen van het schilderij, zien we hoe er orde ontstaat in de chaos, en hoe een wereld als het ware uit het niets opduikt.
Het is op deze kunstzinnige manier dat we orde kunnen scheppen in de toenemende chaos waarin onze hedendaagse wereld herschapen wordt.

We maken inderdaad deel uit van een wereldwijd scheppingsproces dat zich aan ons voordoet als een groeiende chaos, als een ontsporing van de oude wereld.
Maar IN die chaos verbergt zich een kind dat oorzaak en reden van die (schijnbare) chaos is, en dat kind kunnen we alleen vinden als we onze ontsporende wereld – het barende moederlichaam – op een ‘etherische’ manier benaderen, dat wil zeggen ritmisch pendelend tussen verstand en gevoel.
Het grootste probleem daarbij is het afstand nemen.
We staan bij wijze van spreken met onze neus op de wereld geplakt en zien niets anders dan chaos.
Dat komt tot uitdrukking in de moderne wetenschap, die de wereld herleidt tot elementaire deeltjes. Het komt ook tot uidrukking in de moderne kunst, die uit louter brokstukken bestaat. En het komt tot uitdrukking in de tegenstelling tussen het (westerse) christendom en de (oosterse) islam, een tegenstelling die brokken máákt.
Die chaotisering van ons denken, voelen en willen is een gevolg van het materialisme dat ons bewustzijn als het ware vastplakt tegen de fysieke werkelijkheid en ons belet er afstand van te nemen.

Ons astrale bewustzijn, dat – zoals zijn naam het zegt – van de sterren afkomstig is, wordt zo sterk door de materie aangetrokken dat het er de vorm van aanneemt en een chaos wordt van botsende deeltjes. Er heerst in ons materialistisch geworden bewustzijn dan ook een ontzettende drukte, maar het is de drukte van de dood: in feite gebeurt er niks meer in ons bewustzijn, het is helemaal verstard.
Dat zien we in de moderne kunst, waar de afgelopen honderd jaar niks meer veranderd is. We zien het ook in de wetenschap, die na de quantummechanica geen stap verder meer is gekomen. En we zien het ten slotte in de religieuze wereld die helemaal vastgeklonken zit aan het verleden.
Ons bewustzijn zit opgesloten in ons hoofd, in de dode wereld van onze hersenen.
Maar het is niet ons verstand dat ons bindt aan de materie, het is ons gevoel.
We beschikken over de verstandelijke vermogens om het materialisme te overwinnen, maar onze materiële ‘moeder’ is ons zo dierbaar geworden dat we haar niet meer kunnen loslaten.
Zeker nu het kind-in-ons geboren wil worden – het kind dat wij in wezen zelf zijn – klampen we ons in paniek vast aan het fysieke moederlichaam dat ons zolang tot woning is geweest.
Hoe beklemmend die behuizing ook is geworden en hoezeer we ook verlangen naar verlossing, het is een enorme stap om die zo vertrouwde wereld te verlaten voor een wereld die we niet kennen en waarvan we niet eens geloven dat hij bestaat.

Geboren worden in de geestelijke wereld – over de drempel gaan – is tegelijk een sterven in de materiële wereld, een gevoelsmatig zich losmaken van het moederlichaam.
En daarvoor hebben we de dodelijke, splijtende krachten van onze ratio nodig.
De rede moet ons als het ware geboren doen worden uit het materialisme, hij moet ons losrukken uit de greep van Ahriman.
Met ons gevoel lukt dat niet, want dan gooien we ons blindelings in de armen van Lucifer, onze surrogaatmoeder die ons opsluit in haar ‘spirituele baarmoeder’.
Nee, het is niet de bedoeling dat we de verbinding met de materiële wereld verbreken, wel integendeel.
Een kind maakt zich ook niet los uit de moederschoot omdat het niks meer met zijn moeder te maken wil hebben.
Het doet dat juist om zich des te inniger – want bewuster en vrijer – met zijn moeder te kunnen verbinden.
Het wil niet enkel haar ‘binnenkant’ maar ook haar ‘buitenkant’ leren kennen.
De binnenkant van de materiële wereld, de chaos van de elementaire deeltjes, is wat we nu kennen.
Wat we moeten leren kennen, is de buitenkant van die materiële wereld, want in haar uiterlijke vormen drukt de etherische wereld zichzelf af.
Als we deze vormenwereld alleen met ons gevoel benaderen, dan zien we een afdruk van de etherische wereld, maar niet de etherische wereld zelf.
Die krijgen we pas te zien als we de buitenkant van de materiële wereld ook met ons verstand benaderen en weer beweging krijgen in ons verstarde, krampachtige gevoel.

Maar dat doet pijn, ontzettend veel pijn.
Het is de pijn die we ook voelen wanneer het bloed weer begint te stromen in bevroren ledematen.
Het is de pijn die een moeder voelt, wanneer haar ongeboren kind in beweging komt en ‘de drempel’ wil overschrijden.
Maar het is niet de pijn die we ondergaan door de chaotisering van de wereld waarin we leven. Dat is een geboortepijn die we alleen maar kunnen ondergaan.
De pijn die we voelen wanneer we zoeken naar de oorzaak van de weeën die de wereld teisteren, is een pijn die we zelf, in alle vrijheid, veroorzaken.
Het is een astrale, geestelijke pijn die ontstaat doordat ons Ik in beweging komt en over de drempel wil gaan.
Het is een pijn die grotendeels angst is, de angst die we voelen wanneer we leren zwemmen en de vaste grond van de materie inruilen voor de houvastloosheid van het water.
De etherische wereld is immers een ‘waterige’ wereld, een wereld waarin ons verstarde, onbeweeglijke bewustzijn zinkt als een steen.
Alleen wanneer het leert ‘zwemmen’ en dus zelf in beweging komt, kan het hier het hoofd boven water houden.
Want er anders gebeurt, is dat we het bewustzijn verliezen wanneer we over de drempel van de etherische wereld gaan. We betreden die wereld dan blind en onbewust.
En we beseffen het niet.
We zijn als een moderne vader die de verloskamer binnenstapt en meent dat hij de bevalling van zijn kind bijwoont.
Maar in werkelijkheid doet hij net hetzelfde wat mannen in dat geval altijd gedaan hebben: hij valt in zwijm.
Hij doet het alleen niet uiterlijk, hij doet het innerlijk, zodat niemand het ziet, ook – en vooral – hijzelf niet.

(wordt vervolgd)

Advertenties

Niet kunnen kiezen

Onlangs heeft een Marokkaan – ene Adil El Arbi – ‘De Slimste Mens Ter Wereld’ gewonnen.
Dat was groot nieuws in ons superdiverse wereldje en het werd dan ook breed uitgemeten in de kranten.
Hele pagina’s werden er aan besteed.
Adil was op slag een Bekende Vlaming.
Onnozel natuurlijk, want sinds wanneer is het winnen van een tv-quiz ‘groot nieuws’?
Maar ja, het was een Marokkaan die won en dat moest gevierd worden.
Het gebeurt niet elke dag dat een allochtoon de ijle hoogten van het BV-schap bereikt.

Nu zou een mens denken dat de Marokkanen in ons land blij waren.
Want geïntegreerder dan een BV kun je het niet maken in dit land.
Maar dat was zonder de Marokkaanse waard gerekend.
In De Standaard verscheen een artikel van ene Yousra Benfquih, een Marokkaanse ‘onderzoekster’ verbonden aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Antwerpen.
Ze struikelde over wat zij het ‘uitzonderingsdiscours’noemt.
Wat bedoelt ze daarmee?
Tja, helemaal duidelijk is dat niet, want ze is goed geïntegreerd en gebruikt dus veel moeilijke woorden.
Maar ik denk dat het hierop neerkomt: ze ergert zich aan het feit dat goed geïntegreerde Marokkanen als een uitzondering worden beschouwd.
Adil El Arbi wordt niet zozeer bewonderd omdat hij ‘de slimste mens ter wereld’ is, maar omdat hij dat als Marokkaan is geworden.
Yousra Benfquih wordt niet geprezen om haar voortreffelijke taalgebruik, maar omdat ze zo goed Nederlands spreekt voor een Marokkaanse.
Alsof het een uitzondering is dat Marokkanen slim zijn of voortreffelijk Nederlands spreken.
Alsof het iets buitengewoons is dat een Marokkaan(se) zo goed geïntegreerd is.

Ik kan me voorstellen dat dergelijke reacties na een tijdje denigrerend beginnen te klinken.
Het is alsof je tegen een vrouwelijke hoogleraar zou zeggen: knap dat je als vrouw prof bent geworden! Of tegen een man: knap dat je als man zo goed kunt koken!
Moderne mensen willen als individu aangesproken worden, niet als lid van een ras, een sexe, een volk of welke groepering dan ook.
Ik heb dus alle begrip voor Yousra Benfquih wanneer ze klaagt over het ‘uitzonderingsdiscours’ waar ze telkens weer mee geconfronteerd wordt.
Het getuigt inderdaad van weinig respect voor haar persoon wanneer haar verdiensten afgemeten worden aan haar Marrokaanse roots: niet slecht voor een Marokkaanse, knap gedaan voor een moslima!
Ik zou het ook op mijn heupen krijgen van dat paternalisme en die neerbuigendheid.

Minder begrip heb ik echter voor haar bewondering voor de manier waarmee Adil El Arbi zijn quiz-overwinning afsloot. Hij deed dat namelijk in het Nederlands én in het Arabisch.
In Yousa’s ogen was dat ‘exemplarisch voor hoe het ook anders kan’.
En met ‘anders’ bedoelt ze natuurlijk: beter.
Om niet te zeggen: ideaal.

Ja, kijk eens Yousra, je kunt niet ALLES hebben!
Je kunt niet én als individu én als Marokkaanse behandeld willen worden.
Het is het één of het ander.
Als je respect wil voor je Marokkaanse afkomst, dan moet je kunnen verdragen dat mensen zeggen: knap dat je als Marokkaanse aan de universiteit werkt, want geef toe, Marokkanen staan niet bekend voor hun intelligentie!
Of: als moslima verder studeren, dat is echt niet vanzelfsprekend, dus: chapeau!
Als je wil Yousra, dat men rekening houdt met je Marokkaanse roots, dan moet je ook kunnen verdragen dat mensen denken: hoe is dié in godsnaam aan de universiteit geraakt, dat zal wel weer een geval van positieve discriminatie zijn! Veel kans dat ze de plaats heeft afgepakt van iemand die beter gekwalificeerd was!
Als je werkelijk als Marokkaanse gezien wil worden, dan moet je kunnen verdragen dat mensen je wantrouwig bekijken, want laten we wel wezen: Marokkanen hebben niet bepaald een goede reputatie, en dat is dan nog zacht uitgedrukt.

Je vindt dat grof?
Een beetje ernstig wezen, hé Yousra!
Heb je wel eens in de spiegel gekeken?
Marokkanen die tegen Vlamingen zeggen dat ze grof zijn, dat is als Farid le Fou die de Belgische Staat aanklaagt omdat ze hem in de gevangenis hebben gestoken.
Als je echt als Marokkaanse door het leven wil gaan, dan moet je de kwalijke reputatie van Marokkanen en moslims er maar bij nemen.
Wij blanken moeten ook iedere dag horen hoe racistisch, onverdraagzaam, bang, verzuurd, islamofoob en wat weet ik al niet meer zijn.
Hoor je óns daarover klagen?
Je kunt niet de voordelen van een groep opeisen en de nadelen afwijzen.
Het is het hele pakket of het is niks.

Dat geldt ook voor de andere optie.
Als je werkelijk als individu wilt behandeld worden, dan moet je je ook gedragen als individu en je niet laten voorstaan op je afkomst of religie, laat staan daar speciale privileges voor eisen, zoals het dragen van een hoofddoek of het eten van halal vlees, of het gescheiden zwemmen en meer van die islamitische gewoonten.
Wil je thuis Marokkaanse en moslima zijn, prima.
Maar niet in het openbaar.
Dat is een kwestie van elementair respect.
Je komt een land niet als vreemde binnen en zegt meteen: het moet hier anders!
Dat is van een ongekende grofheid die niet past bij iemand die als individu wil beschouwd worden.
Want een vrij individu zijn, betekent: andere vrije individuen respecteren.

Je moet dus kiezen, hoe pijnlijk dat ook is.
Kiezen is altijd verliezen.
Nu is er één punt van kritiek waarin ik je gelijk moet geven.
En dat is als je zou zeggen: ik kiezen, jullie ook kiezen!
Daar geef ik je honderd procent gelijk in.
Maar dat is nu precies de kern van het probleem: we KUNNEN niet kiezen.
We hebben als individu nauwelijks nog iets te zeggen in dit land.
Dat is de merde, als ik me zo multicultureel mag uitdrukken.

De zaken zouden er heel anders uitzien als we in een echte democratie zouden leven.
Om te beginnen zouden jullie Marokkanen er waarschijnlijk niet in gekomen zijn, of toch zeker niet in zulke grote getale.
We kennen immers jullie reputatie.
Geen enkele vrije samenleving haalt zich vrijwillig problemen op de hals.
We zouden van jullie ook niet geëist hebben om te ‘integreren’, wat dat ook moge betekenen.
We zouden maar één ding gevraagd hebben: de wetten te respecteren.
Verder zouden jullie zo vrij als een vogel zijn geweest.
Jullie willen geen varkensvlees eten? Prima, niemand dwingt jullie daartoe.
Jullie willen een hoofddoek dragen? Uitstekend, niemand zal jullie dat beletten.
Natuurlijk zul je dan geen werk kunnen krijgen in een openbare dienst.
En misschien zul je ook elders geweigerd worden, maar dat is dan weer ónze vrijheid.
Jullie hoeven ook geen inburgeringscursus te volgen of lessen Nederlands.
Als jullie Arabisch of Marokkaans of Swahili willen blijven spreken, geen probleem.
Niemand zal jullie begrijpen, maar dat is jullie vrije keuze.
In een democratie kun je natuurlijk ook Yousra Benfquih blijven heten of Abdelmassarhe El Idialmissah Ben Yuus’a.
Dat zal uiteraard voor problemen en vergissingen zorgen, maar hé, dat is jullie vrije keuze.
Het zal ook onze vrije keuze zijn om jullie niet als taxichauffeur te willen, of jullie geen huis te willen verhuren of jullie op andere manieren te discrimineren.
Zolang we ons aan de wet houden, is er in een vrije samenleving geen probleem.
Natuurlijk zouden racismewetten en andere soortgelijke maatregelen meteen worden afgeschaft.
Geen uitzonderingsdiscours weet je wel!
Iedereen gelijk voor de wet, en verder doen we wat we willen.

Ja, ’t zou mooi zijn als we daarvoor konden kiezen.
’t Zou mooi zijn als ook jullie daarvoor konden kiezen.
’t Zou mooi zijn als iederéén daarvoor kon kiezen.
Maar helaas is het niet zo.
We kunnen niet kiezen voor een vrije samenleving.
We zijn gedwongen te leven in een ‘superdiverse’ samenleving van mensen die niet echt willen kiezen, die niet echt vrij willen zijn, maar die wél van twee walletjes willen eten.
Niemand is gelukkig met zo’n samenleving.
Maar ja, zo gaat dat als mensen niet kunnen kiezen.

Gratis!

Attentie! Attentie!
Volgend weekend! Volgend weekend!
GRATIS! GRATIS!
Bij De Tijd, de rose gazet.
Het Jaar van de Kaaiman.
Een bundeling van de (hopelijk) beste columns die Koen Meulenaere het afgelopen jaar schreef.

Als naar jaarlijkse gewoonte: een voorproefje.

DE KIP EN HET EI

Kaaiman had een kip.
Kaaiman heeft die kip niet meer.
Kaaiman zal vertellen hoe dat komt.
En wat het verband is met Genesis.

Een tijdje geleden kochten wij bij een boer een hen, omdat we proefondervindelijk wensten uit te vissen of eigen eieren beter smaken dan die van een ander.
Je hoort dat wel eens beweren: eigen ei eerst.
Of eigen kip eerst, dat is voer voor metafysici.
‘Moet u er een haan bij hebben?’ vroeg de boer, niet van mercantilisme gespeend.
‘Zeker niet,’ antwoordde Kaaiman, ‘veel te grof in de hof. Hun vunzigheden mogen ze bij u op het erf doen.’
‘Wist u dat een kip een transgender is?’ gaf de boer er nog een gratis les dierkunde bij.
‘Wat zegt u me daar?’ riep Kaaiman verbaasd.
‘Een transgender? Zoals Dana International? En Andréke Vermeulen?’
‘Neenee,’ haastte de boer zich, ‘zo erg niet. Die u noemt, zijn mannen of vrouwen die zich hebben laten ombouwen, of daar toch alleszins de drang toe voelen. Maar er zijn kippen die na een paar jaar automatisch transformeren in een haan, vraag me niet hoe dat komt. Enfin, veel geluk ermee, ze heet Maggie.’

En zo kwam uw Kaaiman met Maggie thuis en bouwde haar een mooie kippenren.
Rond een hondenhok dat vroeger een tijdje bewoond was geweest door een afghaan van Rik Van Cauwelaert, die bij een race in het Verenigd Koninkrijk op clenbuterol was betrapt en moest onderduiken.
Om dat hok heiden wij enkele houten palen in de grond en overspanden die met kippengaas van baron Bekaert en graaf Buysse.
De afrastering stak twee meter diep in de grond om het verblijf te beveiligen tegen vos en marter, die des nachts graag uit het nabijgelegen bos op culinaire excursie door onze tuinen trekken.

Maggie leefde comfortabel en schijnbaar tevreden in haar fraaie resort, maar legde niet één ei.
Een vriend bioloog, een darwinist, kwam op bezoek en raadde ons aan tijdens de dag het hek open te zetten en de kip vrij te laten rondscharrelen.
‘Als ze dan toch een ei zou leggen, is het meteen een scharrelei en dat smaakt beter dan een gewoon’, argumenteerde hij met een onwrikbare logica die biologen vaker hanteren.
Dat experiment wilden wij graag wagen en de volgende middag sleurden wij één hoekpaal weer uit de grond, waardoor Maggie plots veel meer ruimte kreeg en naar hartenlust ging scharrelen, zoals Annick De Ridder.
At hier pier en mier,
daar worm en keverpaar,
pikte her een zaadje en der een blaadje,
en aan haar melodieuze gekakel te horen had ze het best naar haar zin.

Toen ging Kaaiman binnen een neut jenever halen, voor zichzelf, en hij was nog niet over de drempel van de keukendeur of een door merg en been snijdend gekrijs klonk uit de tuin.
Toen hij zich verschrikt omdraaide, zag hij nog net hoe Maggie de lucht werd in gesleurd door een of andere roofvogel, vermoedelijk een buizerd, die zijn klauwen in haar nek had geslagen.
Ongelooflijk hoe die hoog daarboven moet hebben gewacht tot driehonderd meter onder hem eerst de kip uit haar ren was, dan de mens uit zijn tuin, en hoe hij toen in een fractie van een seconde toesloeg.
Voor wij twee stappen hadden gezet, was Maggie een klein stipje in het zwerk.
Hoe is zoiets mogelijk, niet?
Hoe ziet zo’n roofvogel dat?
Hoe weet hij wat hij moet doen?
Wel, betoogde dezelfde bioloog, dat komt omdat er 6 miljard jaar geleden een enorme ontploffing heeft plaatsgevonden waarna het heelal plots sterk is uitge…
Ach, schei toch uit.
Wie het hoe en waarom van al wat bestaat wil weten, één adres: het Oude Testament, het boek Genesis.

Zwarte Kerst

Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil.
Als deze kerstboodschap enige waarheid inhoudt dan zijn er dezer dagen nog maar weinig mensen van goede wil te vinden.
Sla de kranten open: onvrede alom.
Met name het zwarte gedeelte van de bevolking is zéér ontevreden, van Amerika tot België.
Het begon al met Sinterklaas en het lijkt het steeds erger te worden.
Hoe zei een zwart meisje het onlangs?
‘Het deksel is van de beerput en de shit vliegt in het rond.’
Nee, het wordt geen witte kerst dit jaar.

Vanwaar al die onvrede?
Het antwoord ligt voor de hand: racisme.
De schuldige is bekend: de blanke.
Het probleem: hij blijft volharden in het kwaad.
Conclusie: de blanke is een mens van slechte wil.
Dus: geen vrede voor hem.
Hij maakt zich op om kerstmis te vieren?
Wel, daar heeft hij geen recht op, en dus gaan we dat feest verpesten.
Daar komt het zo’n beetje op neer.

Als de ontevreden zwarte mens gelijk heeft, dan zitten we met een serieus probleem.
Kijk naar Amerika, waar de gevangenissen vol zitten met overwegend zwarte mensen, waar ook tien keer meer zwarten dan blanken doodgeschoten worden door de politie.
Kijk naar Afrika, waar ontelbare zwarten omkomen door bruut geweld.
Kijk naar het Midden-Oosten, waar de grootste terreur heerst.
Er wonen ginder wel geen zwarten, maar de mensen zijn er toch niet blank.
En al dat ten hemelschreiende geweld is de schuld van de blanken.
Daar is iedereen het over eens.
Ook de blanken zelf: ze protesteren niet eens als ze beschuldigd worden.
Ze knikken alleen en geven toe: ja, wij zijn racistisch!
Maar … ze doen er niks aan.
Integendeel, ze worden alsmaar racistischer.
Als we tenminste onze ontevreden zwarte en bruine medemens mogen geloven.

Eigenlijk wordt in deze kersttijd de wereld in twee gespleten.
Aan de ene kant zijn er de blanken, de mensen van slechte wil.
Ze weten dat ze racistisch zijn maar toch doen ze er niks aan, wel integendeel.
Aan de andere kant zijn er de niet-blanken, de mensen van goede wil.
Ze weten dat de blanken racistisch zijn, maar ze doen er niks aan, wel integendeel.
Ze verdragen al die discriminatie, al die vernederingen, al dat geweld.
Alleen in de kersttijd, als de blanken vrede wensen aan alle mensen van goede wil, krijgen ze het moeilijk: zoveel schijnheiligheid wordt zelfs voor hun verdraagzame hart te veel.
Ze protesteren dan luidkeels en zeggen dat ze het moe zijn en dat het niet kan blijven duren want dan gaan er erge dingen gebeuren.
Maar na nieuwjaar zijn ze het alweer vergeten en laten zich opnieuw zwijgend vernederen door de blanken.
It’s the same old song: goede mensen lijden door slechte mensen.

Dit is in een paar woorden het verhaal dat ons vrijwel dagelijks wordt opgedist.
Een verhaal dat is uitgegroeid tot een moderne mythe.
Net als in lang vervlogen tijden wordt deze mythe onvoorwaardelijk geloofd.
Een mythe is immers een ‘hogere’ waarheid: ze is heilig.
We kennen tegenwoordig een hele reeks van deze nieuwe mythen.
Zo is er de mythe van de Opwarming van de Aarde.
De mythe van de Holocaust.
De mythe van de Hedendaagse Kunst.
De mythe van de Naakte Aap.
De mythe van de Big Bang.
De mythe van de Religie als wortel van alle Kwaad.
De mythe van de Vrouw als slachtoffer van de Man.
Enzovoort.
Al deze mythen hebben één ding gemeen: ze zijn boven alle twijfel verheven.
Wie het waagt ze in twijfel te trekken, is een mens van slechte wil.
Hij verdient het om in de gevangenis te vliegen.
Alleen wie in deze mythen gelooft, is een mens van goede wil.

En dat is vreemd.

Is een modern mens niet juist iemand die NIET meer gelooft in mythen?
Is het wezen van de moderniteit niet juist dat men het geloof in mythen en andere ‘hogere’ waarheden afgezworen heeft en vervangen door het geloof in de zintuigelijke werkelijkheid, een werkelijkheid die we kunnen zien, horen, voelen, smaken?
Uiteraard staan we op een keerpunt in de mensheidsgeschiedenis.
We hebben de grenzen van ons ‘aardse’ kunnen bereikt en moeten nu weer contact maken met het ‘hemelse’ kunnen, anders raken we niet meer uit de problemen.
Het ligt dus helemaal in de lijn van de evolutie dat de moderne mens weer gaat geloven in mythen en andere ‘hogere’ waarheden.
Maar.
Dit nieuwe geloof kan alleen een vooruitgang – en dus ook een uitweg uit de problemen – betekenen als het NIET ten koste gaat van ons oude geloof in de concrete werkelijkheid.
En dat laatste is nu precies wat WEL gebeurt: we geloven weer in mythische verhalen zonder ons af te vragen of ze wel stroken met de werkelijkheid.
Ja, die vraag mag zelfs niet meer gesteld worden: we moeten blindelings geloven in de nieuwe mythen.
Wie dat niet doet is een slecht mens.

Voor niet-blanken is het moeilijk om zich het blanke ongeloof eigen te maken en zich los te maken van het mythische geloof van de voorvaderen.
Slechts enkelingen slagen daarin.
Voor de meesten is die stap veel te groot.
Ze deinzen ervoor terug en klampen zich vast aan hun oude geloof.
Heel wat kleiner is de stap naar het blanke geloof in de nieuwe mythen, en dan vooral het geloof in die ene grote mythe: dat de blanke schuld heeft aan alles wat verkeerd gaat in de wereld.
Met dat nieuwe geloof slaan ze namelijk drie vliegen in één slag.
Ten eerste hoeven ze zich niet dat moeizame zoeken naar de waarheid eigen te maken dat zo typisch is voor de blanke wereld.
Ze kunnen veilig in de mythische sfeer van gezag en geloof blijven.
Dat is veel aangenamer dan die eenzame zoektocht, waarbij tal van persoonlijke gehechtheden sneuvelen.
Ten tweede is het voor hen een vorm van integratie: ze voelen zich verbonden met de blanken die eveneens in die mythe geloven. Ze kunnen met andere woorden zichzelf modern wanen zonder hun oude geloof op te geven.
En ten derde komt het hun ego natuurlijk goed uit.
Tal van niet-blanken kunnen in het Westen carrière maken door zich op te werpen als fervente verdedigers van het nieuwe mythische geloof.

Wat hen drijft, is in feite precies hetzelfde wat ook de blanke gelovigen drijft: het verlangen om niet langer eenzaam naar de waarheid te moeten zoeken, maar zich in plaats daarvan verbonden te weten in een nieuwe geloofsgemeenschap, een mythische broederschap die strijdt tegen het kwaad in de wereld.
Wat ze echter niet beseffen, is hoe hoog de prijs ligt die ze betalen voor het lidmaatschap van deze nieuwe broederschap.
Die prijs is een verscheurde ziel en een verscheurde wereld.
Een wereld die uiteenvalt in goede en slechte mensen.
Een ziel die uiteenvalt in een dr. Jekyll en een mr. Hyde.
Wat ze niet beseffen is dat ze met hun protesten oproepen tot een wereldwijde rassenoorlog.
Want lang niet iedere blanke gelooft in de mythe dat hij de incarnatie van het kwaad in de wereld is. In feite gelooft geen enkele blanke daarin.
Hij doet maar alsof.
Hij gelooft enkel in de nieuwe mythen omdat hij er voordeel bij heeft: materieel voordeel, psychisch voordeel, geestelijk voordeel.
Zijn nieuwe geloof is niets anders dan het tot religie verheven egoïsme.
En daarin sleurt hij ook de niet-blanken mee.
Al die verontwaardigd protesterende mensen – blank of zwart – zijn in feite handlangers van Herodes, de kindermoordenaar.
Ze hebben het gemunt op het kind dat in deze kersttijd geboren wordt.
En dat is helaas een echte mythe, die wél strookt met de moderne werkelijkheid.

Vuile provocateur!

Gisteravond is Vlaams parlementslid Jan Van Esbroeck in elkaar geslagen toen hij na een late zitting van het parlement naar zijn hotel terugkeerde.
Daarna plaatste hij een foto van zijn beurs geslagen kop op Facebook met als commentaar: Wat is het toch leuk om N-VA-er te zijn!
Een paar dagen geleden moesten in Gent enkele N-VA-leden het op een lopen zetten omdat ze het gewaagd hadden werkwilligen vervoer aan te bieden.
De stakende vakbondsleden waren woedend: hoe durfden die N-VA-ers hen zo te provoceren!
Schandalig vonden ze dat.
Het is vooralsnog niet geweten of ook Jan Van Esbroeck het slachtoffer werd van geprovoceerde vakbondsleden. Misschien waren het gewoon een paar allochtonen die zich geprovoceerd voelden door Jan Van Esbroecks aanwezigheid in hun buurt.
In ieder geval, de stemming wordt grimmig.
Ik kan me niet herinneren dat linkse politici ooit in elkaar werden geklopt of dat hun loutere aanwezigheid als provocerend werd ervaren.
Elio di Rupo kon zijn minachting voor Vlaanderen nauwelijks verbergen, maar toch kon hij ongestoord in Vlaanderen rondlopen. Hij werd er zelfs hartelijk ontvangen.
Ik denk niet dat Bart De Wever het vandaag zou moeten wagen om in Luik over straat te lopen …
Wie zijn geschiedenis een beetje kent, kan al die agressie niet verbazen.
Links is nu eenmaal gewelddadig, en nog geen klein beetje.
Zelf vindt links dat natuurlijk niet.
Links is immers synoniem met vrede, zoals de islam.
Als links geweld gebruikt dan is dat altijd omdat het door rechts geprovoceerd werd.
Hitler bijvoorbeeld was een socialist die door de joden werd geprovoceerd.
Door wie Stalin en Mao werden geprovoceerd weet ik niet precies, maar het moeten nog veel grotere provocateurs zijn geweest dan de joden.
Maar ondanks die bijna 100 miljoen doden heeft rechts heeft zijn les nog altijd niet geleerd.
Het blijft links maar provoceren.
Waar haalt De Wever het gore lef vandaan om burgemeester van Antwerpen te worden!
En de N-VA in de regering!
Hoe kan links die kaakslag negeren!
Alsof het nog niet genoeg is, staat de meerderheid van de bevolking achter de rechtse regering: is er nog een grotere provocatie denkbaar?
De vakbonden kunnen het dan ook niet helpen: hun mensen zijn boos! Men blijft ze maar provoceren!
Zoals Abou Jahjah zegt: als dat blijft duren, sta ik niet meer voor hen in!

Nu, Jan Van Esbroeck heeft dat goed begrepen.
Hij heeft er spijt van dat hij die foto van zijn beurse kop op Facebook heeft gezet: zo provoceer je natuurlijk mensen.
Hij heeft er ook spijt van gezegd te hebben dat hij overvallen is en in elkaar geslagen.
Ach, zei hij tegen de krant, het heeft niks te betekenen, ik was gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.
Zo is dat inderdaad.
Wie anno 2014 aan de rechterkant staat, moet niet komen klagen.
Iedereen weet dat het de verkeerde plaats is.
De plaats waar de klappen vallen.
En de juiste plaats is links.
Waar de klappen gegeven worden.
Waarom dat zo is?
Eenvoudig: omdat je anders een klap voor je bek kan krijgen, provocateur die je bent!

Over de drempel (2)

In onze tijd gaat de mensheid over de drempel.
Vorige keer heb ik die drempeloverschrijding vergeleken met een geboorte: de mens komt terecht in een wereld die helemaal anders is maar toch ook weer vertrouwd.
Totaliter aliter, zei men vroeger, helemaal anders, maar de uitdrukking is wel samengesteld uit aliter (anders) en taliter (hetzelfde).
De wereld waarin we vandaag leven is inderdaad helemaal anders dan de wereld vóór 1900, maar tegelijk is het nog altijd dezelfde wereld.
Alles wat nu zichtbaar wordt, was toen reeds aanwezig.
Het ‘kind’ dat nu geboren wordt en de wereld op zijn grondvesten doet daveren, was toen reeds volgroeid en klaar om over de drempel te gaan.

Dat doet natuurlijk de vraag rijzen: waar komt dit kind vandaan, hoe is het in de baarmoeder van ons bewustzijn terechtgekomen?
Anders gezegd: wanneer vond de bevruchting plaats?
Volgens Rudolf Steiner leven we momenteel op het Keerpunt der Tijden, en dat kan wel kloppen met het beeld van zowel de drempeloverschrijding als de geboorte: het zijn allebei momenten die een keerpunt vormen, een punt waarop alles anders wordt.
Maar Steiner gebruikt die uitdrukking ook voor de komst van Christus, en die vond 2000 jaar geleden plaats.
Hoe valt dat samen te rijmen?
Hoe kunnen twee tijdstippen die zover uit elkaar liggen allebei aangeduid worden als het ‘keerpunt der tijden’?

Dat raadsel wordt opgelost als we het Keerpunt der Tijden zien als een zwangerschap die zich uitstrekt tussen bevruchting en geboorte, dat wil zeggen tussen de fysieke komst van Christus en zijn etherische wederkomst.
Wat betekent immers 2000 jaar in het geheel van de mensheidsgeschiedenis? Het is niet meer dan een ‘punt’, zij het dan wel een heel complex en dramatisch punt.
Een en ander maakt ook begrijpelijk waarom Rudolf Steiner de Weihnachtstagung een Welten-Zeitenwende-Anfang noemde.
De mensheidsontwikkeling keert zich om en begint in zekere zin opnieuw.
Op fysiek vlak gaat de ontwikkeling natuurlijk gewoon verder.
Het Keerpunt der Tijden kan niet betekenen dat we nu weer alles beginnen af te breken wat we in het verleden hebben opgebouwd en terugkeren naar een leven als holbewoner.
De ontwikkeling van ons (aardse) bewustzijn gaat in één richting, ze is onomkeerbaar.
Nee, het is op geestelijk vlak dat we rechtsomkeer maken, zoals we dat ook na de dood doen, wanneer we ons (voorbije) leven opnieuw beleven, maar dan in omgekeerde richting.
In onze tijd begint de terugkeer naar het verleden, naar onze geestelijke bron: we worden weer ‘als de kinderkens’. Maar dat doen we alleen op geestelijk gebied, want op materieel gebied doen we net het omgekeerde: we worden steeds ouder en volwassener.

Om dezelfde reden kan Rudolf Steiner ook zeggen dat we pas aan het begin – en dus niet aan het eind – van het christendom staan.
Tweeduizend jaar geleden werd de wereld bevrucht met het christendom en na een lange zwangerschap wordt dat christendom vandaag geboren.
Maar dat gebeurt deze keer niet in uiterlijke zin, in de vorm van een nieuwe godsdienst.
Nee, het is in het innerlijk van ieder mens (ongeacht zijn godsdienst) dat het christendom vandaag geboren wordt.
Die geboorte is uiterst moeilijk en pijnlijk – dat kunnen we aflezen aan alles wat sinds 1900 in de wereld gebeurt – maar de bevruchting was dat niet minder.
Die vond namelijk plaats toen Christus aan het kruis stierf en zijn Ik – gedragen door zijn bloed – doordrong in de aarde.
Op dat moment werd niet alleen de nieuwe aarde maar ook de nieuwe mens verwekt, de nieuwe mens die vandaag geboren wordt.

Deze ‘nieuwe mens’ is geen fysiek wezen, maar het is evenmin een louter geestelijk wezen.
Het is een etherisch wezen dat gedurende 2000 jaar in de sfeer tussen lichaam en geest is gegroeid, ver buiten het bereik van ons bewustzijn.
Vandaag is dat (etherische) kind volgroeid en staat het voor de drempel van de bewuste (astrale) wereld.
Zoals ieder ongeboren kind kan het zelf niks doen en is het helemaal afhankelijk van zijn moeder, dat wil zeggen van de moderne mens zoals we hem vandaag kennen.
Maar anders dan bij een fysieke geboorte, leeft die mens in totale ontkenning van het kind dat in hem geboren wil worden.
Hij voelt wel dat er van alles te gebeuren staat en dat hij de speelbal is van krachten die hem ver te boven gaan, maar materialistisch als hij is, zoekt hij de oorzaak van de ‘weeën’ overal behalve in het bovenzinnelijk kind dat hij in zich draagt.

Maar of hij nu gelooft in dat kind of niet, de geboorte valt niet tegen te houden.
Toen Christus de mensheid bevruchtte, begon in haar een kind te groeien en evenmin als een moeder had ze daar enige controle over.
Ze besefte niet eens dat ze zwanger was.
Ze onderging het christendom als een uiterlijke noodwendigheid.
En vandaag, nu de bevalling is aangebroken, bereikt dat ‘ondergaan’ een hoogtepunt dat tegelijk een keerpunt is.
De mensheid wordt overweldigd door geboorteweeën.
Het (onzichtbare) kind reduceert zijn moeder tot een lijdend voorwerp.
Maar tegelijk wordt ze nu ook een handelend voorwerp.
Als het water van een zwangere vrouw breekt, gaat ze niet gewoon liggen wachten tot het allemaal voorbij is.
Nee, ze schiet nu juist in actie.
En precies aan die actie kunnen we aflezen wat we kunnen doen in het geval van een ‘etherische’ geboorte.

De fysieke wereld is immers niets anders dan een gecomprimeerde geestelijke wereld.
Als we bijvoorbeeld onze aarde zouden kunnen samenballen tot één punt, dan zou dat punt zich tot de aarde verhouden zoals de materie tot de geest.
Alles wat we kennen, zou erin zitten, maar we zouden het niet herkennen.
We zouden een microscoop nodig hebben om in dat ene punt heel onze uitgebreide en complexe aarde terug te vinden.
Op dezelfde manier zijn onze zintuigen er niet op berekend om in de materiële wereld de (oneindig samengedrukte) geestelijke wereld te herkennen.
Maar we bezitten wel het vermogen om onze zintuiglijke wereld in gedachten weer uit te laten groeien tot de geestelijke wereld die eraan te grondslag ligt. We kunnen hem bij wijze van spreken in het water leggen en kijken hoe hij zich langzaam weer ontplooit tot datgene wat hij was vóór hij uitdroogde, verschrompelde en verhardde tot een ‘punt’.
Dat ‘gedachtenwater’ is onze verbeelding, die een soort baarmoeder is waarin we een (materieel) zaadje kunnen planten en kijken hoe het zich ontwikkelt tot datgene wat het in (geestelijke) oorsprong was.
We kunnen dat ook doen met het fysieke geboorteproces en er op die manier achterkomen hoe een etherisch geboorteproces eruitziet en wat onze rol daarin is.

Wat gebeurt er dus wanneer het water van een zwangere vrouw breekt?
Het machteloze afwachten is voorbij en er breekt een periode van hectische activiteit aan: kleren worden verzameld, de echtgenoot wordt gebeld, de vrouw wordt naar het ziekenhuis gevoerd, de gynaecoloog wordt verwittigd, alles wordt in gereedheid gebracht.
Zo gaat dat tegenwoordig.
Vroeger ging het enigszins anders.
Vrouwen werkten op het veld. Als hun water brak, gingen ze even naar huis, bevielen van hun kind, wikkelden het in doeken en namen het weer mee naar het veld, want het werk moest doorgaan.
Een geboorte was niks bijzonders, het was een natuurlijk gebeuren.
Vrouwen waren bijna voortdurend zwanger. De meeste kinderen overleefden immers hun eerste levensjaar niet. Alleen de sterksten bleven in leven.
Het is misschien een karikaturale voorstelling van het verleden, maar ze maakt wel duidelijk dat een geboorte vandaag totaliter aliter is.
Het is precies hetzelfde natuurlijke proces, maar het is ingebed in een geheel andere cultuur.

De kern van die ‘cultivering’ is de veranderde relatie tussen man en vrouw.
Vroeger was een geboorte en alles wat ermee te maken had een exclusief vrouwelijke aangelegenheid.
Men wist niet eens dat de man er iets mee te maken had, het hele bevruchtingsproces was nog niet bekend.
Ook toen dat wel bekend raakte, bleef men de man zorgvuldig buiten de hele zaak houden.
Vaders waren niet welkom bij de bevalling van hun kinderen, de deur van de verloskamer bleef gesloten.
Maar via de wetenschap drong de man langzaam maar zeker die exclusief vrouwelijke wereld binnen.
De vroedvrouw moest plaats ruimen voor de dokter.
De slaapkamer werd vervangen door de ziekenhuiskamer.
En ten slotte stapte ook de vader over de drempel.
Voor het eerst in de geschiedenis waren man en vrouw niet alleen verenigd bij de bevruchting maar ook bij de bevalling.
De cirkel was rond, het hele scheppingsproces – van conceptie tot geboorte – was doordrongen van helder, rationeel bewustzijn.
Vrouwelijk scheppen en mannelijk oordelen verenigden zich.

De mensheid gaat vandaag over de drempel.
Die grootse geestelijke gebeurtenis wordt in onze materiële wereld weerspiegeld in tal van ogenschijnlijk kleine dingen, zoals bijvoorbeeld de vader die ‘over de drempel’ van de verloskamer gaat.
Voor die vader is het een kleine stap, maar voor de mensheid is het een heel grote stap.
Want de mens betreedt voor het eerst volkomen bewust de wereld van de scheppende krachten, die in wezen geestelijke krachten zijn.
Anders gezegd: hij betreedt de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten.
Hij overschrijdt dus de grens tussen de (bewuste) astrale wereld en de (onbewuste) etherische wereld.
Maar dat doet hij alleen als ‘man’, dat wil zeggen met zijn wakkere, rationele bewustzijn.
Als ‘vrouw’, dat wil zeggen met zijn slapende, scheppende onderbewustzijn, overschrijdt hij die grens in omgekeerde richting: het etherische kind betreedt de astrale wereld.

Het etherische geboorteproces is dus aanzienlijk complexer dan het fysieke geboorteproces: het omvat een mannelijke én een vrouwelijke grensoverschrijding.
Wat op fysiek gebied een exclusief vrouwelijke aangelegenheid is – de moeder heeft strikt genomen de vader niet nodig om haar kind op de wereld te zetten – is op geestelijk-etherisch gebied een aangelegenheid van man én vrouw.
Enerzijds is er een ‘etherisch kind’ dat geboren wil worden en dus de baarmoederlijke wereld van het onderbewustzijn wil verlaten om gekend te worden door het heldere rationele bewustzijn.
Anderzijds is er dat rationele bewustzijn dat deze donkere, onderbewuste wereld wil binnendringen.
Beide werelden – de mannelijk-rationele en de vrouwelijk-scheppende – bewegen zich onweerstaanbaar naar elkaar toe, beide hebben elkaar nodig: het kind wil gezien worden en het rationele denken wil het kind zien.

Aan alles valt af te lezen dat het geboorteproces sinds 1900 is ingezet.
Enorme weeën hebben de wereld overvallen.
Maar toch heeft die wereld nog altijd geen idee van wat er nu werkelijk aan de hand is.
Hij blijft blind voor ‘het kind’.
Ook dat zien we weerspiegeld in het fysieke geboorteproces.
Het rationele bewustzijn is de vrouwelijke wereld van de scheppingskrachten binnengedrongen, wat uiteindelijk culmineerde in de aanwezigheid van de vader bij de bevalling.
Maar kunnen we werkelijk zeggen dat het mannelijke denken deze scheppende wereld begrijpt?
Brengen man en vrouw werkelijk samen hun kind op de wereld?
Of is die samenwerking en dat begrijpen slechts schijn?
Heeft een barende vrouw vandaag werkelijk het gevoel dat ze haar kind niet langer alleen op de wereld moet zetten? Voelt ze zich werkelijk begrepen door haar man en kan ze haar ervaringen echt met hem delen?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De aanwezigheid van de man in de verloskamer is in hoge mate symbolisch.
Het is een uiterlijk gebaar, wat ook tot uiting komt in het feit dat de vader eigenlijk geen keuze heeft.
Hij moet erbij zijn. Wat vroeger verboden was, is vandaag een plicht geworden.

We zien dat ook buiten de verloskamer.
We leven in een tijd dat man en vrouw – voor het eerst in de geschiedenis – als gelijken tegenover elkaar staan. Op alle gebieden werken ze samen: vrouwen verrichten ‘mannelijk’ werk en mannen zorgen voor de kinderen en het huishouden. Vrouwen hebben rationeel leren denken, mannen hebben hun empathische vermogens ontwikkeld. Vrouwen zijn harder geworden, mannen zachter. Enzovoort.
Maar als we de zaken wat nauwkeuriger bekijken, zien we dat die gelijkheid in hoge mate schijn is. Vrouwen zijn inderdaad doorgedrongen in de mannelijke beroepswereld, maar is die wereld daardoor vrouwelijker geworden?
Mannen verrichten nu huishoudelijke en opvoedkundige taken, maar doen ze dat uit vrije wil en uit liefde voor het werk, of doen ze dat omdat het nu eenmaal zo hoort?
De waarheid is dat beiden zich aanpassen, maar er niet met hun hele wezen bij zijn.
Uiterlijk gedragen vrouwen zich als mannen en mannen zich als vrouwen, maar innerlijk zijn ze allebei hetzelfde gebleven, wat ondermeer tot uiting komt in het feit dat het nog altijd de vrouwen zijn die kinderen moeten baren en mannen die vrouwen moeten bevruchten.
We zien ook dat de vrouw een veel groter vermogen heeft om zich aan te passen dan de man.
Bijna iedere vrouw gaat vandaag werken, maar de ‘huismannen’ blijven vooralsnog een kleine minderheid. Meisjes gaan naar school, net als jongens, en krijgen dus dezelfde rationeel-wetenschappelijke opvoeding. Maar hoeveel jongens krijgen een emotionele, kunstzinnige opvoeding?

Een en ander is begrijpelijk als we bedenken dat ieder mens uit een vrouw wordt geboren.
Het ‘vrouwelijke’ ligt aan de oorsprong van het mannelijke.
Het heeft het mannelijke in zich gedragen zoals een moeder haar kind en heeft er dan ook een veel nauwere relatie mee dan omgekeerd.
Vrouwen kunnen zich het mannelijke veel gemakkelijker eigen maken dan mannen zich het vrouwelijke kunnen eigen maken.
Meer zelfs, mannen zullen nooit kinderen kunnen baren zoals vrouwen.
Uit het mannelijke zal nooit iets vrouwelijks kunnen ontstaan.
Tenzij op geestelijk vlak.

(wordt vervolgd)

Klimaatwijziging

Elf Bekende Vlamingen – zo worden ze tenminste voorgesteld, want van de meesten heb ik nog nooit gehoord – dagen de overheid voor de rechter omdat er niet voldoende maatregelen worden genomen tegen de ‘klimaatwijziging’.
Vroeger, toen het nog veel frisser was op aarde, spraken we van Global Warming, maar ons taalgebruik verandert nog sneller dan het klimaat en intussen zijn we al aan klimaatwijziging toe.
We dachten eerst dat het warmer werd op aarde, maar dat bleek niet zo te zijn: er is de laatste vijftien jaar geen opwarming meer gemeten.
Toen zijn we overgestapt op klimaatverandering, want iedereen vond dat het geen zomers (of winters) meer waren als vroeger.
Die verandering werd toegeschreven aan de toename van CO2 in de lucht, waarbij in het midden werd gelaten of die CO2 nu afkomstig was van fabrieken, koeien of kolenkachels.
Maar het werd al vlug duidelijk welke richting het uitging: die van de mens.
Hij was de grote CO2-producent en dus de grote schuldige.

Maar nu zijn we dus toe aan klimaatwijziging, een taalwijziging die wijst op een klimaatwijziger.
Toeval of niet, de laatste tijd wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen veranderen en wijzigen.
Je leest steeds vaker zinnen als: het weer wijzigde, of het uur wijzigde, of de uitslag wijzigde.
Het zijn evenzovele taalfouten.
Wijzigen is namelijk een transitief of overgankelijk werkwoord.
Het heeft een lijdend voorwerp nodig: je wijzigt IETS.
Wijzigen zonder meer – zoals in: het weer wijzigt – kan niet.
Daarvoor gebruik je het werkwoord ‘veranderen’: het weer verandert.
Wie klimaatverandering dus vervangt door klimaatwijziging impliceert dat IEMAND het weer veranderd heeft.
Maar dat is niet alles.
Wijzigen veronderstelt niet alleen een lijdend voorwerp, het veronderstelt ook een intentie of een bedoeling: wijzigen doe je bewust en opzettelijk.
Je wijzigt niet per ongeluk iets.
In dat geval gebruik je weer ‘veranderen’: ik heb per ongeluk het uur veranderd.

Nu gaat het al behoorlijk ver om te beweren dat de mens het klimaat veranderd heeft.
Het klimaat is zo ongelooflijk complex dat wetenschappelijk niet bewezen kan worden dat de mens verantwoordelijk is voor de veranderingen die vastgesteld worden.
Het wordt vermoed en het wordt algemeen aangenomen, maar absoluut zeker is men er helemaal niet van.
Dat is één.
Twee gaat nog veel verder.
Beweren dat de mens het klimaat opzettelijk gewijzigd heeft, impliceert kwaad opzet.
Alsof de mens geen fabrieken bouwt, om dingen te produceren.
Alsof hij niet met de auto rijdt om zich te verplaatsen.
Alsof hij geen kolen stookt om zich te verwarmen.
Alsof hij dat allemaal alleen maar doet om het klimaat te wijzigen.
Ja maar, zal men zeggen, dat is helemaal niet wat men bedoelt!
Men wil alleen maar zeggen dat het klimaat veranderd is.
Je moet geen bedoelingen gaan zoeken waar er geen zijn!
Dat is stemmingmakerij!

Maar wacht eens even!
Wie bezondigt zich hier aan stemmingmakerij?
Ik of degenen die de klimaatwijziging aanklagen?

Beweren dat de mens verantwoordelijk is voor de veranderingen in het klimaat is in mijn ogen al een vorm van stemmingmakerij.
En de manier waarop dat gebeurt is dat zeker.
Er gaat bijna geen dag voorbij of er verschijnt wel een onheilspellend bericht of een angstaanjagende voorspelling in de media.
Een wetenschappelijk debat is er al lang niet meer, critici worden agressief aangepakt en monddood gemaakt.
Opvallend is ook dat er – alweer – met een beschuldigende vinger wordt gewezen naar het blanke Westen.
Alsof de blanken niet alleen verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering maar die ook opzettelijk hebben veroorzaakt om niet-blanken in de ellende te dompelen.
Er worden met andere woorden precies dezelfde technieken gebruikt als in de War on Racism.
Racisme wordt immers al lang niet meer gezien als een betreurenswaardige eigenschap van het menselijk ras, maar als een bewust opzet van het blanke ras.
En dit opzettelijke racisme wordt voorgesteld als een feit dat al lang bewezen is.
Iedere poging om het te ontkennen wordt gezien als een vorm van negationisme.
Beweren dat blanken NIET racistisch zijn, is nog net niet strafbaar.

Hetzelfde zien we ook opduiken in de klimaathysterie: mensen die zich vragen stellen over de hele zaak worden voorgesteld als negationisten die eigenlijk achter de tralies horen.
En dat zou geen stemmingmakerij zijn?
Ik heb dan nog niets gezegd over het gebruik van het woordje ‘klimaatwijziging’.
Dat wijst in precies dezelfde richting: misdaad, maar dan op zo’n grote schaal – het opzettelijk veranderen van het klimaat – dat je verstand erbij stilstaat.
En dat zou nog altijd geen stemmingmakerij zijn?
De stemmingmakerij zou in het omgekeerde liggen?
In het bekritiseren van dit soort praktijken?
De dames en heren van de Klimaat-Elf mogen het me niet kwalijk nemen, maar dat is zodanig van de pot gerukt dat ik ga twijfelen aan hun verstandelijke vermogens.

Ik ga zelfs aan méér twijfelen.

Is het geen merkwaardig toeval dat deze jongens en meisjes – want oud zijn ze allemaal niet – de overheid in dit land aanklagen uitgerekend op het moment dat die overheid door zowat iedereen aangeklaagd wordt?
Alhoewel, iedereen?
Als we de kranten lezen, lijkt het inderdaad alsof heel het land in het verzet komt tegen de nieuwe overheid.
Maar als we kijken naar de peilingen dan blijkt dat het grootste deel van de bevolking achter de regering blijft staan.
Het is dus maar een klein deel dat zoveel heisa maakt.
Kijken we naar de rol van de vakbonden, dan wordt dat deel nog kleiner.
Kijken we vervolgens naar de grootste vakbond – het ACV – dan rijst het sterke vermoeden dat dat deze organisatie er alleen op uit is om haar eigen macht en rijkdom veilig te stellen.
Als zelfs de grenzeloze ambitie van Kris Peeters daarvoor moet wijken, wordt duidelijk dat er zeer grote belangen op het spel staan.
En dat zijn NIET de belangen van de vakbondsleden, dat heeft het Arco-schandaal wel uitgewezen.

Ik durf er dus aan twijfelen dat de twaalf (grotendeels) Onbekende Bekende Vlamingen op eigen spontaan initiatief de regering voor de rechter hebben gedaagd.
Ik denk dat ze zich voor de kar hebben laten spannen van enkele zeer rijke en machtige figuren.
Wie die figuren-achter-de-schermen zijn, weet ik niet.
Maar ik weet één ding: ik zou er – als bekende of onbekende Vlaming – niks mee te maken willen hebben.

Want er rijst een akelig vermoeden in mijn brein.

Ik kan me steeds minder van de indruk ontdoen dat de Grote Beschuldigers – al die mensen die de kranten en de media vullen met hun aanklachten en beschuldigingen – het in werkelijkheid over … zichzelf hebben.
Ik lees de kranten steeds meer met de instelling: laten we eens kijken wat al deze ‘verontwaardigden’ over zichzelf te zeggen hebben!
Als ik bijvoorbeeld in een interview de vraag lees ‘waaraan erger je je het meest?’ dan weet ik dat de geïnterviewde het over zichzelf zal hebben, uiteraard zonder dat hij dat beseft.
Aangezien het meestal om Bekende Vlamingen gaat, geldt hun ergernis vaak mensen die arrogant en hoogmoedig zijn.
Wat nogal voor de hand ligt, want nederigheid brengt mensen niet voor de schijnwerpers.

Maar dit zijn nog relatief onschuldige ‘bekentenissen’.
Veel erger wordt het als Bekende Vlamingen klacht indienen tegen de regering wegens ‘immorele nalatigheid’.
Want dat is inderdaad iets wat je de intellectuele en culturele wereld kunt aanwrijven.
Ze laat namelijk na de bevolking waartoe ze behoort een stem te geven.
Ze spreekt niet in naam van mensen die zelf geen stem hebben, ze spreekt alleen ‘in eigen naam’.
En dat is een trahison des clercs.
Neem nu de nieuwe regering waartegen ‘onze’ intelligentsia zo eendrachtig tekeer gaat.
Dat is een regering die even democratisch gekozen is als de vorige.
Ja, in zekere zin is ze een stuk democratischer gekozen omdat ze aan de macht is gekomen dankzij een bevolking die het beu was dat er zo weinig rekening met haar werd gehouden.
Welnu, deze bevolking die gehoord wil worden, wordt – via de regering die ze gekozen heeft – door de intellectuele en culturele wereld van dit land verketterd en als onmenselijk afgeschilderd.
Dat is zelfs nog erger dan ‘immorele nalatigheid’.

Maar helemaal erg wordt het wanneer deze Bekende Vlamingen gaan spreken over ‘klimaatwijziging’.
Want dan spreken ze over een misdaad tegen de mensheid, over het bewust wijzigen van het klimaat om meer macht en geld te verwerven ten koste van onafzienbare menselijke ellende.
Van zo’n perfide kwaadaardigheid beschuldigen ze dus (onbewust) zichzelf.
Nu geloof ik nooit dat deze elf BV’s zo duivels van inborst zijn.
Ik zie ze als idealistische jonge mensen die zich laten misleiden.
Ik zie ze als de (naïeve) spreekbuis van de intellectuele wereld die, zoals we weten, in hoge mate ahrimanisch geïnspireerd is.
Maar zelfs die wereld acht ik niet in staat tot het soort kwaadaardigheid waarvan ze anderen beschuldigt door middel van het woordje ‘klimaatwijziging’.
Nee, ook die wereld wordt gemanipuleerd, en hoogstwaarschijnlijk door kleine maar machtige kringen waarvan ze het bestaan niet eens vermoedt.

Wie in staat is een wereldwijde hysterie te ontketenen die regeringen dwingt om enorme sommen geld uit te geven aan ‘klimaatbescherming’ – jaarlijks 340 á 650 miljard dollar – heeft veel macht, angstwekkend veel macht.
En weinig scrupules, angstwekkend weinig scrupules.
Het gelijk van de elf klimaat-BV’s is groot, angstwekkend groot.
Tenminste wanneer men hun woorden interpreteert als een (onbewuste) zelfbeschuldiging.
Maar dat is natuurlijk immorele stemmingmakerij …

Over de drempel

Het zijn grijze, grauwe dagen.
Kerstmis nadert, maar de verwachting is verder weg dan ooit.
Mijn advent begon eigenlijk half september, toen ik in Brugge weer mensen begon te tekenen en vervuld raakte van nieuwe hoop en leven.
Maar toen kwam de draak en aborteerde het hele zaakje.
Ik begreep er niks van.
Ik had hier jaren naartoe geleefd, alles leek naar dit punt toe te werken.
Maar wat een geboorte leek te zullen worden, veranderde opeens in een miskraam.

Ik probeerde de zaak te begrijpen.
Wat kon ik anders doen?
Ik had geen flauw idee hoe het nu verder moest.
Er opende zich een groot zwart gat waarin ik probeerde licht te ontsteken.
Maar mijn lucifers zijn opgebrand en er is nog altijd geen vuur ontstaan.
Straks breekt het nieuwe jaar aan en moet begonnen worden met de voorbereiding van het komende marktseizoen.
Maar ik weet niet eens of er nog een tweede marktseizoen komt.
Het eerste eindigde in een totale mislukking.
Ik heb nochtans alles geprobeerd om het te doen slagen.
Ik heb het hele jaar geschilderd in functie van de markt.
En ik heb sinds Michaël niets anders meer gedaan dan nadenken over mijn mislukking.
Allemaal vergeefs.
Er is mij nog altijd geen licht opgegaan.
Het zwarte gat blijft zwart.

Ik heb nog wel het ‘droompje’ dat ik kreeg in antwoord op mijn vraag: wat nu?
Het eerste deel ervan begreep ik, maar het tweede blijft een raadsel.
Slaat het wellicht op de situatie waarin ik nu zit?
Ik bevind mij in die droom in een soort Escher-achtige constructie waarin ik mij vastklamp aan een soort kanteel. Maar ik voel mij naar beneden glijden en roep om hulp.
Beneden kijkt een keurig geklede man omhoog, glimlacht even en vervolgt zijn weg.
Op dat moment val ik naar beneden en kom op mijn twee voeten terecht alsof ik me maar een halve meter boven de grond bevond.
Tot zover mijn droom.

Nu de werkelijkheid.
Door onafgebroken na te denken over de ‘abortering’ van mijn verwachtingen ben ik gevangen geraakt in het labyrint van mijn eigen gedachten.
Hoe meer ik nadenk, hoe vaster ik kom te zitten.
Ik had gehoopt mij al denkend een beeld te kunnen vormen van mijn situatie dat duidelijk genoeg was om het in een praktische maatregel te vertalen.
Maar dat is tot nog toe niet gelukt en ik sta dicht bij het punt om het allemaal op te geven en … los te laten.
Is dat werkelijk wat ik moet doen?
Is dat wat mijn droom me wil vertellen?

Nog meer werkelijkheid: verleden week werd ik omvergereden door een auto, gelukkig zonder al te veel erg.
Alweer een beeld dus van bruusk afgestopt worden.
Maar hoeveel belang ik ook hecht aan beelden, ik vind het nog altijd een brug te ver om ze mijn leven te laten bepalen.
We kunnen toch niet terug naar de tijd van de Romeinen toen het leven geregeld werd door auguren die de wil van de goden aflazen aan de vlucht van de vogels?
Dat strookt niet met de vrijheid die wij mensen sindsdien ontwikkeld hebben.
Daar staat dan weer tegenover dat die vrijheid ons stuurloos heeft gemaakt.
We weten niet meer waar het heen moet met de wereld.
We hebben grote behoefte aan leiding, want zelf komen we er niet meer uit.
Dat ondervind ik nu zelf maar al te goed.
Ik heb mezelf helemaal vrijwillig in deze situatie gebracht.
Het is MIJN situatie, een situatie die ik GEWILD heb.
Maar nu zit ik vast.
Met alles wat ik ontwikkeld heb op het vlak van denken, voelen en willen – met de vermogens dus die ik de MIJNE mag noemen – kom ik er niet uit.
Ik weet zelfs niet of ik nog langer moet proberen.
Ik weet eigenlijk helemaal niks meer.

Als ik de zaak louter rationeel benader, dan kan ik maar beter stoppen met mijn marktkramerij.
Alles wijst erop dat het niks voor mij is, en ik ben de eerste om dat te beamen.
Zelfs de RVA vindt dat ik beter thuis kan blijven.
Het heeft geen zin om hard te werken en er nog geld aan toe te steken.
Tenslotte gaat een mens op de markt staan om geld te verdienen en niet om het kwijt te raken.
Zo’n louter rationele benadering draait echter uit op wanhoop over de zinloosheid van het leven en de onmacht van de mens.
Dat geldt trouwens niet alleen voor mijn geval.
Wie een optelsom maakt van alle problemen die de mens in zijn streven naar vrijheid gecreëerd heeft en daartegenover de vermogens plaatst die hij daarbij ontwikkeld heeft, kan niet anders dan tot de slotsom komen: dit loopt verkeerd af.
Hoe meer de mens zijn problemen probeert oplossen, des te groter maakt hij ze.
Zijn vermogens schieten gewoon tekort.

We hebben dus leiding nodig, want op eigen kracht redden we het niet meer.
Onze vrijheid heeft ons te diep in de problemen gebracht.
Maar diezelfde vrijheid belet ons ook om leiding te accepteren.
We willen ons leven niet laten bepalen door anderen, door dromen of door tekens allerhande.
We willen het zelf bepalen.
Maar dat lukt ons dus niet.
Ons ‘zelf’ is niet in staat om leiding te geven.
En toch is het IN dat ‘zelf’ dat we leiding moeten zoeken, want een leiding die niet uit onszelf komt, daar kunnen of willen we ons niet aan overgeven.

De vraag is natuurlijk of zo’n ‘innerlijke leiding’ wel bestaat.

Onze ziel is vandaag vervuld van liefde én haat, van hoop én angst, van rede én emotie, van goede wil én kwaadheid.
Ze is één en al tegenstrijdigheid.
Hoe kunnen we daar ooit leiding in vinden?
Dat is alleen mogelijk als we in onszelf iets vinden dat al deze tegenstellingen overstijgt.
Als die ‘innerlijke leider’ inderdaad bestaat, dan moet hij gezocht worden in het midden tussen de tegenpolen.
Maar dat midden is een groot, zwart gat.
Ons bewustzijn is volkomen gepolariseerd: het beweegt zich heen en weer tussen twee polen en kan zich in het midden niet handhaven.
Het dooft dan uit en we verliezen het bewustzijn.
De opgave is dus om bewustzijn te ontwikkelen IN dat midden, want het is de enige plaats waar we innerlijke leiding kunnen vinden, als die tenminste bestaat.

Volgens Rudolf Steiner gaat de mensheid vandaag over de drempel van de geestelijke wereld.
Er gebeurt met andere woorden in het groot wat we iedere avond in het klein meemaken wanneer we in slaap vallen: we betreden de geestelijke wereld maar we weten dat niet, omdat we bij het overschrijden van ‘de drempel’ ons bewustzijn verliezen.
Precies op het moment dat we als mensheid de grenzen van onze zelfstandigheid bereiken en overvallen worden door onmacht en vermoeidheid – we beleven een soort ‘wereldavond’ – gaan we over de drempel en betreden de geestelijke wereld.
Het is in deze wereld dat we leiding moeten zoeken want in de materiële wereld vinden we die niet meer.
Er is echter één groot probleem: we kunnen die wereld niet waarnemen.
Ons huidige bewustzijn, dat helemaal geworteld is in de materiële wereld, kan zich niet handhaven bij het overschrijden van de drempel.
De moderne mens weet dan ook, op enkele uitzonderingen na, helemaal niets af van een drempel of een geestelijke wereld.
Ten aanzien van die geestelijke wereld – die overal om ons heen is – slapen we dus.
We merken er niets van.
We zien wel dat er overal enorme veranderingen plaatsvinden, maar die schrijven we toe aan materiële factoren.
En juist dát brengt ons in de grootste problemen.

Om dat te illustreren, heb ik al vaker het beeld van de geboorte gebruikt, want een drempeloverschrijding is in feite een geestelijke geboorte, net zoals een geboorte een fysieke drempeloverschrijding is.
Wanneer een zwangere vrouw weeën krijgt, dan weet iedereen wat er moet gebeuren en wordt alles gedaan om de geboorte zo goed mogelijk te laten plaatsvinden.
Maar stel nu eens dat men geen flauw idee heeft wat er met die vrouw aan de hand is.
Men zal dan denken dat ze ernstig ziek is, dat ze in haar buik een gezwel heeft dat op alle mogelijke manieren moet bestreden worden.
Onwetendheid zorgt er dus voor dat de oprechte wil om de vrouw te helpen, uitgroeit tot de grootste bedreiging voor vrouw en kind.
Het probleem ligt met andere woorden niet bij de vrouw (als draagster van nieuw leven) maar bij de man (als drager van oud bewustzijn).
Het zijn niet de ingrijpende veranderingen die onze wereld ondergaat die het probleem vormen, het is de manier waarop ons materialistische bewustzijn erop reageert.
Onze – blinde – pogingen om de wereld te verbeteren, brengen die wereld juist in gevaar.
De enige echte verbetering kan alleen komen van het ‘kind’ dat geboren wil worden.

Dat kind gaat bij de geboorte ‘over de drempel’ en komt terecht in een geheel andere wereld waar het volkomen weerloos en hulpeloos is.
Het wordt er echter opgevangen door een moeder en een vader.
Voor die moeder is de geboorte eveneens een ‘drempeloverschrijding’: haar leven verandert voorgoed, van nu af aan is ze onlosmakelijk verbonden met en verantwoordelijk voor haar kind.
Dat geldt in mindere mate ook voor de vader: hij moet voortaan zijn vrouw delen met het kind.
Toch is zijn rol veel vrijer dan die van moeder en kind.
Hij kan zelf bepalen in welke mate hij verbonden blijft en verantwoordelijkheid opneemt.
Wat voor de moeder een natuurlijke kwestie is, is voor hem een morele kwestie.

Dat zien we ook bij de grote drempeloverschrijding van de mensheid.
De moderne mens is ‘zwanger’: in zijn ziel heeft zich een ‘kind’ ontwikkeld, een zelfstandig ‘ik’.
Hij kan dat ‘ik’ niet zien, evenmin als een moeder haar ongeboren kind kan zien.
Maar zoals een moeder de aanwezigheid van haar kind kan afleiden uit haar gezwollen lichaam, kan de moderne mens de aanwezigheid van zijn ‘ik’ afleiden uit zijn gezwollen zelfbewustzijn, .
Dat wil zeggen: hij ZOU dat kunnen, als hij tegenover dat zelfbewustzijn ging staan.
Maar hier ligt het grote verschil tussen een fysieke en een geestelijke zwangerschap.
Een zwangere vrouw kan haar dikke buik niet ontkennen, en ze kan dat des te minder naarmate het tijdstip van de geboorte nadert.
De moderne mens daarentegen kan zijn gezwollen zelfbewustzijn wél ontkennen, en hij doet dat zelfs des te meer naarmate het wanstaltiger proporties aanneemt.
We hoeven maar te kijken naar de onwaarschijnlijke arrogantie waarmee de hedendaagse materialist reageert op iedereen die gelooft in een geestelijke of goddelijke wereld.
Hij voelt zich verregaand superieur en het is onmogelijk om hem met die grootheidswaan te confronteren want dan barst hij uit in hevige verontwaardiging.
Hij reageert met andere woorden als een hoogzwangere vrouw die niets vermoedend in een spiegel kijkt en daar een dikke waggelende eend ziet.
Een echte vrouw weet natuurlijk dat die gedaanteverandering slechts van voorbijgaande aard is, anders zou het een vernietigende klap voor haar ego zijn.
Dat is ook de reden waarom het de moderne mens nagenoeg onmogelijk is om tegenover zijn gezwollen materialistische bewustzijn te gaan staan: zijn zelfbewustzijn zou het niet overleven.
En dus vermijdt zijn ego angstvallig alle ‘spiegels’ en wordt het zelfs gewelddadig als het zich dreigt bewust te worden van zichzelf.
Toch is het juist in die ‘zelfvernietigende’ confrontatie van het ego met zichzelf dat het ‘ik’ geboren wordt.

Een zwangere vrouw gaat al met een ‘aangeslagen’ ego door het leven, maar wanneer de bevalling inzet, blijft er van dat ego geen spaan meer over.
Ze wordt dan gereduceerd tot een naakt en machteloos lichaam dat geteisterd wordt door de hevigste pijnen.
Een diepere vernedering is nauwelijks denkbaar, en er is waarschijnlijk geen vrouw ter wereld die ze uit vrije wil zou ondergaan, dat wil zeggen zonder te weten dat ze beloond zal worden met een kind dat haar diepste verlangens vervult.
Dat weten is trouwens reeds aanwezig bij de bevruchting (en waarschijnlijk zelfs vroeger) en het begeleidt haar tijdens de hele zwangerschap.
Van Rudolf Steiner weten we dat een kind zijn ouders kiest.
Het is dus reeds werkzaam in de ontmoeting tussen man en vrouw.
Maar het werkt vooral door de vrouw, want zij is het die uiteindelijk de man kiest.
Zij is het ook die de bevruchting toelaat.
Deze overgave aan de man als bevruchter leidt negen maanden later tot de overgave aan de man als verloskundige.
De zwangerschap strekt zich dus uit tussen twee ‘overgaven’ van de vrouw aan de man: de genotvolle overgave van de bevruchting en de pijnlijke overgave van de bevalling.
Het zijn allebei drempeloverschrijdingen, points of no return.

Heel dit ingewikkelde proces dat begint met de ontmoeting tussen man en vrouw en eindigt met de geboorte van het kind, speelt zich ook af bij een (geestelijke) drempeloverschrijding.
Het voltrekt zich nu echter IN de mens.
Iedereen is hier dus man én vrouw.
Hij is tegelijk degene die het kind baart en degene die het kind verlost, degene die bevrucht en degene die bevrucht wordt.
Als vrouw en baarmoeder is de moderne mens in hoge mate passief.
Iedereen gaat vandaag over de drempel, of hij dat nu wil of niet.
We worden als het ware overrompeld door de geest: hij brengt ons allemaal in barensnood.
Als vrouw – dat wil zeggen in ons wils- en gevoelsleven – zijn we dus niet langer vrij: de bevalling neemt het nu van ons over.
Hoe hard we ook roepen en klagen: rien ne va plus.

Als man – dat wil zeggen in ons denken, in ons wakkere bewustzijn – liggen de zaken heel anders.
Hier kunnen we zonder de minste moeite het bestaan van ‘het kind’ ontkennen.
Dat hebben we te danken aan het materialisme, dat ons ervan overtuigd heeft dat er geen geestelijke wereld bestaat.
We voelen we ons dus volkomen vrij om te doen we wat we willen.
In ons denkende bewustzijn gedragen we ons (allemaal) als een man die alleen voor zijn plezier met een vrouw naar bed gaat.
Die man weet niet eens dat een menselijke ziel zwanger kan worden en een kind baren, laat staan dat hij daar rekening mee houdt of er zich verantwoordelijk voor voelt.
Hij gelooft zelfs niet dat er zoiets als een ziel bestaat.
Volgens hem bestaat alleen … hijzelf.
De materialistische denker gelooft inderdaad dat alleen het materialistische denken bestaat.
En hij handelt daar ook naar, hij reduceert de mens tot zijn hersenen.
Dat die reductie gevolgen zou kunnen hebben voor zijn ziel, daar staat hij geen moment bij stil.

(wordt vervolgd)

De drempel in de kunst

De mensheid gaat in onze tijd over de drempel, maar ze weet het niet.
De kunst brengt die drempeloverschrijding in beeld, maar niemand kijkt.
De kunst valt uiteen in twee stukken, maar niemand ziet het.
Het ‘klassieke’ stuk leeft voort, maar niemand spreekt erover.
Het ‘hedendaagse’ stuk spreekt zichzelf tegen, maar niemand merkt het.
In feite is de kunst van onze tijd onzichtbaar.
Nochtans, art is everywhere.
Je kunt er eenvoudig niet naast kijken.
En toch is dat precies wat we doen: we kijken naast de kunst.
Of we nu luid applaudisseren of luid boe roepen, het maakt niet uit.
Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we kijken niet.
We kijken alleen met ons hoofd, niet met ons hart.
En daarom zien we de kunst van onze tijd niet.
On ne voit l’art qu’avec le coeur.

Waarom hebben we opeens opgehouden met ons hart te kijken?
Waarom kijken we alleen nog met ons hoofd?
Omdat we niet willen zien wat de kunst ons toont.
Omdat we de drempeloverschrijding niet willen zien.
Wat is daar dan zo afschrikwekkend aan?
Wat IS die drempel eigenlijk?

De theorie kennen we: het is de drempel van de geestelijke wereld.
Het overschrijden van die drempel is iets wat zich diep in ons bewustzijn afspeelt, een ingrijpende bewustzijnsverandering die zichtbaar wordt in de enorme veranderingen die de wereld sinds het aanbreken van de 20ste eeuw heeft ondergaan.
Die veranderingen zijn echter zo dramatisch, overweldigend en verwarrend dat het onbegonnen werk is om er helder in te zien.
Hoe zouden we dat ook kunnen?
We ontkennen het bestaan van een geestelijke wereld, en dus ook van de drempel van die wereld.
En hoe kun je iets onderzoeken waarvan je het bestaan ontkent!
Gelukkig hebben we de kunst.
Zij maakt zichtbaar wat onzichtbaar is.
Zij is de spiegel die ons bewustzijn zichzelf voorhoudt.
Maar we moeten natuurlijk wel willen kijken.
We moeten met ons hart willen kijken.
Want alleen met ons hart kunnen we kunst zien.
Alleen met ons hart kunnen we de drempel zien.

Het eerste wat we zien als we met ons hart kijken, is dat de kunst van onze tijd zwaargewond is.
Een diepe wonde splijt haar in twee.
Aan de ene kant zien we de ‘klassieke’ kunst.
Aan de andere kant de ‘hedendaagse kunst’.
En allebei ontkennen ze het bestaan van de ander.
Allebei ontkennen ze het bestaan van de wonde.
Ze doen alsof er niks aan de hand is, alsof de kunst gezond en wel is.
En wij, de kunstliefhebbers die tegenover die gespleten wereld staan, wij doen hetzelfde.
Wij zien de kloof niet die dwars door de kunstwereld loopt.
Want ze weerspiegelt de kloof die ons eigen bewustzijn in twee deelt.
De gespleten kunst weerspiegelt ons gespleten bewustzijn.
Ze weerspiegelt de wonde die er het hart van is.

Voor een gespleten bewustzijn is het buitengewoon moeilijk om zich bewust te worden van zijn eigen gespletenheid.
Daarvoor moeten we een standpunt buiten ons bewustzijn innemen, en dat heeft tot gevolg dat we het bewustzijn verliezen.
Dat is inderdaad wat er gebeurt als we de drempel van de geestelijke wereld bereiken: ons bewustzijn wordt uitgeschakeld en we gaan over de drempel zonder het te weten.
We vallen bij wijze van spreken in slaap.
Eigenlijk maken we dat iedere avond mee: als we in slaap vallen, gaan we zonder het te weten over de drempel van de geestelijke wereld.
Als we ’s morgens ontwaken, gaan we opnieuw over die drempel maar dan in omgekeerde richting.
En in geen van beide gevallen hebben we daar enige herinnering aan.
Met ons huidige gespleten, dualistische bewustzijn kunnen we niet over de drempel gaan en de wereld van de geest leren kennen.
We moeten het achterlaten, we kunnen alleen onbewust over de drempel gaan.

Wat ons overkomt wanneer we in slaap vallen, overkomt ons ook wanneer we naar de kunst van onze tijd kijken: we gaan over de drempel en we weten het niet.
Deze kunst verandert ons bewustzijn, maar we beseffen het niet.
We kijken bijvoorbeeld naar een pispot en we reageren op dezelfde manier als wanneer we naar een klassiek kunstwerk zouden kijken: we worden beschouwelijk, nadenkend, meditatief.
Maar tezelfdertijd vergeten we dat we naar een pispot staan te kijken en dat een pispot iets totaal anders is dan bijvoorbeeld een impressionistisch schilderij.
Ons gewone dualistische bewustzijn, dat scherp onderscheid maakt tussen de dingen, is dus uitgeschakeld.
Wanneer we naar kunst kijken, nemen we een standpunt in buiten ons ‘gespleten’ bewustzijn en toch vallen we niet in slaap.
We gaan over de drempel zonder het bewustzijn te verliezen.

Wat we in gewone omstandigheden NIET kunnen, kunnen we in de wereld van de kunst WEL: over de drempel gaan zonder in slaap te vallen.
Maar het is geen echte drempeloverschrijding, het is een gespiegelde drempeloverschrijding: we zien buiten ons wat zich eigenlijk in onszelf afspeelt.
We zien bijvoorbeeld een schilderij, dat in feite uit niets anders bestaat dan een stuk doek dat bedekt is met een laagje verf, en toch worden we vervuld van vreugde en bewondering om zoveel schoonheid.
Wat we niet beseffen is dat we in onszelf de drempel van de geestelijke wereld overschrijden en de schoonheid van die wereld op het schilderij projecteren.
Kunstwerken zijn in feite magische voorwerpen die een geestelijke beleving in ons opwekken, die we vervolgens weer op die kunstwerken projecteren.
Kunstwerken zijn spiegels waarin we iets herkennen dat diep in onszelf leeft, namelijk het vermogen om ‘over de drempel’ te gaan.
De herkenning activeert dat vermogen en we betreden daadwerkelijk de geestelijke wereld.
Maar daar zijn we ons niet van bewust.
We vergeten dat we in een spiegel kijken.
We maken geen onderscheid tussen de spiegel en het spiegelbeeld.

Wanneer we naar kunst kijken, gaan we over de drempel zonder in slaap te vallen.
Maar we blijven ook niet echt wakker.
We beginnen te dromen.
We komen in een toestand tussen slapen en waken.
En in die toestand denken we dat wat we in onszelf beleven ook buiten ons gebeurt en dus werkelijkheid is.
Maar dat is niet zo.
Er gaapt een diepe kloof tussen onze innerlijke ervaring en de uiterlijke werkelijkheid van het kunstwerk.

In de klassieke kunst werden we daaraan herinnerd door de ruimte waarin het kunstwerk werd tentoongesteld.
Dat was een ‘gewijde’ ruimte: een tempel, een kerk, een museum of zelfs een gewone tentoonstellingszaal.
De sfeer die daar heerste was heel anders dan de sfeer daarbuiten.
Als je zo’n ruimte betrad, moest je de werkelijkheid achter je laten.
Je kon ze niet betreden met je gewone dagelijkse bewustzijn dat gericht was op the struggle for life, op nut en voordeel, op egoïsme, op wedijver enzovoort.
Het was heel duidelijk: je overschreed een grens.
Dat kon je onmogelijk vergeten.

In onze tijd wordt die grens echter zoveel mogelijk uitgewist.
Zoals kerken geen heilige plaatsen meer zijn, maar nuttige ruimten waar goederen worden verkocht, concerten georganiseerd en vluchtelingen opgevangen, zo zijn ook musea drukke oorden geworden waar de tentoongestelde ‘waren’ luid worden aangeprezen door gidsen, kunsthistorici en andere kunstuitleggers.
De werkelijkheid is er met andere woorden binnengedrongen en deze ruimten fungeren niet langer als grens tussen droom en werkelijkheid. Andersom is ook de kunst diep doorgedrongen in de werkelijkheid – art is everywhere – waardoor het ‘grensbesef’ in onze tijd nagenoeg verdwenen is.
De moderne mens leeft eigenlijk in een droomwereld, in een mengeling van fictie en werkelijkheid, en hij weet het niet.
In feite is de moderne wereld één groot museum geworden waarin de mens dromend rondloopt.
Maar hij denkt wel dat hij klaarwakker is.
Meer zelfs, hij denkt dat hij wakkerder is dan ooit.

Zoals de kunstliefhebber zijn innerlijke (drempel)beleving projecteert op de kunstwerken, zo projecteert de moderne mens zijn half-wakkere bewustzijnstoestand op de wereld en noemt dat de echte werkelijkheid.
In dit onbewuste projecteren triomfeert het materialisme, want het zorgt ervoor dat onze innerlijke beleving van de geestelijke wereld (bij het overschrijden van de drempel) gezien wordt als iets wat zich enkel in de materiële wereld afspeelt.
Op die manier worden beschaafde mensen ertoe gebracht om in eerbiedige bewondering te staan voor een pispot of een blikje stront.
Hun half-slapende bewustzijn ziet geen verschil meer tussen die rommel en een schilderij de Vlaamse Primitieven.
Het is allemaal kunst voor hen.

Hoe bedenkelijk dit gebrek aan onderscheidingsvermogen is, wordt pas duidelijk wanneer we beseffen dat de kunst een spiegel is die de werkelijkheid steeds dichter nadert.
De grens tussen kunst en werkelijkheid wordt in toenemende mate overschreden.
De kunstenaars die de kunstwereld vullen met pispotten, blikjes stront en ander afval, in de overtuiging dat hun kunst geestelijk hoogstaander is dan die van hun voorgangers, zien we aan de andere kant van de grens optreden als wereldverbeteraars die de werkelijkheid vullen met weerzinwekkendheden in de overtuiging dat ze wereld op een hoger, geestelijk plan tillen.
Zo kijken we bijvoorbeeld geschokt naar de gruwelvideo’s van de onthoofdingen door de IS én naar het gejuich waarop die gruweldaden worden onthaald in (een deel van) de islamitische wereld.
Maar in al onze geschoktheid beseffen we niet dat we in een spiegel kijken.
We kijken naar gruweldaden die ook bij ons plaatsvinden en op gejuich worden onthaald.
Alleen vinden ze in de kunstwereld plaats en worden ze performances genoemd.
We zullen wellicht zeggen dat WIJ die performances niet toejuichen.
Maar we protesteren er ook niet tegen, evenmin als de moslimwereld protesteert tegen de misdaden die in haar naam worden gepleegd.

De moslimextremisten die in toenemende mate de wereld teisteren, zijn niets anders dan onze ‘hedendaagse’ kunstenaars die de grens tussen de kunstwereld en de werkelijkheid overschreden hebben.
De spiegel die de kunstwereld ons nu al 100 jaar voorhoudt en waarin we nog altijd niet willen of kunnen kijken, wordt ons nu voorgehouden door de werkelijkheid zelf.
De kunst is bij wijze van spreken geboren: ze heeft de baarmoeder van de kunstwereld verlaten en leeft nu verder in de werkelijkheid.
Ze is daar nog veel moeilijker te herkennen dan in haar eigen wereld.
Maar wie met zijn hart kijkt die herkent haar ook in de harde, hedendaagse werkelijkheid.
Hij herkent haar in de slacht-offers van IS die eveneens in twee stukken worden gesneden.
Hij herkent de klassieke kunst in het lichaam zonder hoofd.
En hij herkent de ‘hedendaagse’ kunst in het hoofd zonder lichaam.
Maar vooral herkent hij de bloedende wonde die de kunst onthoofd heeft.
En door de blik niet af te wenden en te proberen het afschuwelijke schouwspel te begrijpen, heelt hij langzaam de wonde in zijn eigen gespleten bewustzijn.

Luc De Vos (2)

Morgen wordt Luc De Vos begraven – dat wil zeggen uitgewuifd – op het Gentse Sint-Pietersplein.
Dat is niet het plein voor Gent St-Pieters (dat is het Maria-Hendrikaplein) maar een stenen vlakte in de studentenbuurt van Gent.
Men verwacht dus veel volk en het zou best wel eens kunnen zijn dat heel dat uitgestrekte plein gevuld raakt, want als ik mag voortgaan op de krantencommentaren – en dat is natuurlijk altijd de vraag – was Luc De Vos bijzonder populair.
Op Anderlecht heeft het hele stadion afgelopen weekend zijn lijflied Mia gezongen.
En op AA.Gent zijn ze van plan dit weekend hetzelfde te doen.
Zelfs op de Nederlandse televisie werd Mia gezongen (door Bent Van Looy).

Ik moet eerlijk zeggen dat ik die populariteit niet goed begrijp.
Ik snap bijvoorbeeld niet wat er zo bijzonder is aan Mia.
Het is verkozen tot het mooiste Vlaamse liedje ooit, en dat vind ik lichtjes verbijsterend.
Ik kan dan ook moeilijk geloven dat de populariteit van Luc De Vos te danken is aan zijn muziek.
Misschien ligt het aan de combinatie van muziek en tekst.
Dat klinkt al wat aannemelijker.
Maar het verklaart naar mijn gevoel nog altijd niet waarom deze zanger zo’n volksheld was.

Een mogelijke oplossing van dit raadsel vond ik in een anekdote die Pascale Platel vertelde.
Ze was naar het voetbal gaan kijken en voor haar zat Luc De Vos met zijn zoontje Bruno.
Het kind trok zijn vader de muts van het hoofd.
Luc nam ze hem weer af en zette ze opnieuw op zijn hoofd.
Waarna het kind ze weer aftrok en Luc ze weer op zijn hoofd zette.
En dat ging zo maar door, tot Pascale Platel dacht: nu moet hij toch stilaan wel kwaad beginnen worden!
Maar Luc De Vos werd niet kwaad.
Hij bleef het spelletje meespelen.

Het is aan de kleine dingen dat men een mens herkent.
En de mens die hier zichtbaar werd, was een mens waar geen kwaad in zat.
Kinderen brengen het beste en het slechtste in een mens naar boven.
Ze kunnen je helemaal ontwapenen, zodat je niet anders kunt dan ze liefhebben.
Maar ze kunnen je ook het bloed van onder de nagels halen, zodat je ze wel de nek zou willen omwringen.
Kinderen kunnen je in beide richtingen tot het uiterste drijven.
En dat doen ze door je te spiegelen.
Ze houden volwassenen een spiegel voor, en juist omdat ze dat volkomen onbewust en onopzettelijk doen, is die spiegel zo helder en blijft niemand onberoerd door wat hij erin ziet.
Het kind maakt zichtbaar, wat de volwassene verbergt.

Wat het zoontje van Luc De Vos zichtbaar maakte tijdens die voetbalmatch, was de onbedaarlijke speeldrang van zijn vader.
Je zou in het telkens weer afrukken van die muts een beeld kunnen zien van het verlangen om het kind-in-de-mens te ‘ontbloten’, om de mens te zien zien zonder masker, zonder hoofdbedekking.
Het is niet moeilijk om dat te herkennen bij Luc De Vos.
De weinige keren dat ik hem op tv zag, speelde hij de rol van nar, degene dus die dingen zegt die anderen niet mogen zeggen.
Hij probeerde mensen hun ‘muts’ of hun masker af te trekken, maar hij deed dat zoals een kind dat zou doen: zonder enige kwaadaardigheid, zonder opzet, alleen maar om te spelen.

Dat was ook wat de kleine Bruno deed tijdens die voetbalwedstrijd: hij wilde het kind in zijn vader tevoorschijn roepen om ermee te kunnen spelen.
En onder die muts zat inderdaad een kind dat met het andere kind het spelletje van mutsje-trek speelde.
Maar het was geen gewoon kind.
Zoals Pascale Platel dat kleine tafereel beschreef, wendde Luc De Vos zich niet af van de wedstrijd om in plaats daarvan wat te stoeien met zijn zoontje.
Nee, hij deed het allebei.
Hij bleef enerzijds de volwassene die aandachtig een voetbalwedstrijd volgt, en anderzijds werd hij een kind dat met een ander kind een spelletje speelde.
Luc De Vos was volwassene en kind tegelijk.
Dat is wat deze kleine anekdote zichtbaar maakte.
Dat is volgens mij ook wat hem zo populair maakte.

Het is namelijk zeer uitzonderlijk dat iemand volwassene en kind tegelijk is.
De meeste volwassenen zijn helemaal geen kind meer.
Ze hebben, onder druk van het leven, hun (innerlijk) kind zo diep weggeborgen dat ze het niet meer terugvinden.
Er zijn ook mensen die de relatie met dat kind levendig weten te houden.
Die mensen noemen we kunstenaars.
Ze slagen erin de dromerige – en in wezen nog geestelijke – wereld van het kind te verzoenen met de harde materiële werkelijkheid.
Dat resulteert dan in kunstwerken die tegelijk materieel én geestelijk zijn, volwassen én kinderlijk.
Maar het resulteert zelden in kunstenaars die dezelfde harmonie vertonen, wel integendeel.
Kunstenaars zijn in de regel géén harmonische mensen.
Het zijn mensen in wie de volwassene en het kind zich gedragen zoals in het uiterlijke leven: soms spelen ze, soms maken ze ruzie, maar ze vallen zeker niet samen.
Dat doen ze alleen in de kunst, niet in de kunstenaar.
Tussen die twee gaapt een diepe kloof.

Bij Luc De Vos was dat niet het geval.
Kunst en kunstenaar vielen bij hem wél samen.
Ik vond die kunst niet zo geweldig, maar Luc De Vos zat er helemaal in en de kunst zat helemaal in Luc De Vos.
Hij was dus in zekere zin een levend kunstwerk.
En inderdaad, het was een plezier om hem bezig te zien, altijd weer.
Kunst en werkelijkheid waren één bij hem.
Dat zag je ook aan zijn leven: dat was eveneens een kunstwerk.
Hij werkte drie uur per dag, en dat vond hij genoeg.
De rest van de dag speelde hij.
Hij zag de wereld als één grote speeltuin.
Luc De Vos wandelde bijna iedere dag door Gent en sloeg dan een praatje met de bekenden die hij tegenkwam, en dat waren er nogal wat.
Hij ging graag naar feestjes, hij was graag onder de mensen.
Hij amuseerde zich in het leven.

Is dat niet de droom van ieder mens?
Vooral voor jonge mensen is het leven hard: ze krijgen de kans niet meer om te spelen.
Ze mogen geen kind meer zijn, ze moeten zo vlug mogelijk volwassen worden.
En als ze dan volwassen zijn, blijft het kind in hen zeuren om te spelen en belet hen om echt volwassen te worden.
Daarom zijn de moderne volwassenen zo kinderachtig.
Daarom omringen ze zich van ’s morgens tot ’s avonds met kunst, en leven daarin uit wat ze als kind niet hebben kunnen doen.
Alleen in de fictieve wereld van de kunst kan de moderne mens zijn zeurende kind geven wat het wil, alleen daar kan hij vrede stichten tussen de volwassene-die-moet en het kind-dat-wil.
Jonge mensen leven vandaag in een wereld van muziek, van beelden, van woorden.
Ze zijn constant verbonden met iPods, iPads en iPhones.
Als de electriciteit uitvalt, zijn ze helemaal verloren.
De kloof tussen de fictieve wereld waaraan ze verslaafd zijn en de harde werkelijkheid waarin ze als slaven leven, is bijzonder groot.

Als ze dan iemand als Luc De Vos zien, die erin slaagt die kloof te overbruggen, dan wordt hij hun idool.
Maar hij is meer dan een idool, want een idool leeft alleen in de wereld van de fictie.
Hij is onbereikbaar in de werkelijke wereld.
Luc De Vos was dat niet.
Je kon hem in Gent voortdurend over straat zien lopen.
Je kon hem aanspreken, en dan was hij precies dezelfde als op televisie of op een podium.
Hij was ‘heel’ en in een gespleten wereld als de onze is dat een grote zeldzaamheid.
Luc De Vos was zo populair en geliefd omdat hij het ideaal belichaamde dat in ieder modern mens leeft: dat van een volwassen kind.
Wat de meeste mensen alleen maar in de fictieve wereld van de kunst kunnen beleven, beleefde hij in werkelijkheid.

En toch was Luc De Vos niet gelukkig.
Tim Van der Mensbrugghe vertelt dat hij Luc tegenkwam op een zondag.
Alles goed, Luc?
Ja. Neen. Pfft.
Maar allez, ge hebt een vrouw en een kind, ge zingt uw liedjes en ge verdient daar geld mee. Gij hebt toch alles wat ge wilt?
Weet ge, ’t is misschien juist daarmee!
En Luc verdween weer in de stad.

Luc De Vos had alles bereikt waarvan hij gedroomd had en dat was: ontsnappen uit Wippelgem.
Het dorp van zijn jeugd was een gevangenis van geestloosheid geweest: een ‘volwassen’ wereld waar geen ruimte was voor het ‘kind’ en zijn dromen.
In interviews vertelde hij hoe blij hij was om in Gent te wonen en omringd te zijn door kunst en cultuur. Hij vergeleek de stad zelfs met New York: het bruiste er van leven.
Toch kon hij niet zwijgen over Wippelgem.
Je kunt een jongen wel uit zijn dorp halen, maar het dorp niet uit de jongen.
Was dat dorp niet een beeld van de wereld waarin we vandaag leven?
Is de moderne wereld niet één groot Wippelgem, een zee van grauwe geestloosheid?
Zeker, art is everywhere tegenwoordig.
Maar kunst blijft hoe dan ook een aparte wereld.
Hoe diep die wereld ook is doorgedrongen in de werkelijkheid, de kloof blijft onverminderd bestaan.
Ja, ze wordt zelfs alsmaar groter.
Want er is wel steeds meer kunst en cultuur, maar de werkelijkheid wordt ook steeds harder en ondraaglijker.
Hoe meer Gent, hoe meer Wippelgem.

Luc De Vos leefde in een wereld die niet méér kon verschillen van het dorp waar hij was opgegroeid.
Hij zong liedjes, hij deed wat hij het liefst deed, hij verdiende er goed zijn brood mee, hij was bekend, hij kwam op televisie, hij schreef boeken, hij amuseerde zich.
Maar hoe verder hij Wippelgem achter zich liet, des te meer kwam het als een zeurend kind aan zijn mouw trekken.
Hoe meer hij zich in zijn sas voelde in zijn culturele Gentse biotoop, des te meer kwam Paddenkoppenland zich aan hem opdringen.

Luc De Vos stierf precies op de dag dat zijn zoon 14 jaar werd.
Veertien jaar, dat is de leeftijd waarop volwassene en kind uit elkaar gaan.
Het is de leeftijd waarop het kind niet langer de muts van zijn vader aftrekt, maar zelf een muts op zijn hoofd zet, de muts van de volwassenheid.
Het is het moment waarop het kind ‘het dorp’ verlaat om naar ‘de stad’ te trekken.
Luc De Vos moet dat moment hebben voelen naderen.
In de anekdote van Pascal Platel vormden vader en zoon een ontroerende twee-eenheid.
Die twee-eenheid was tegelijk een beeld van de twee-eenheid van kunst en werkelijkheid.
Het betekende voor Luc De Vos ontzettend veel dat hij die eenheid tot stand had weten te brengen, het was a dream come true.
Maar nu dreigde die droom verbroken te worden.
Er zou niet alleen een kloof geslagen worden tussen vader en kind, maar ook de kloof tussen het spelende kind dat Luc De Vos was en Paddenkoppenland daarbuiten werd steeds tastbaarder.
Alles wat hij in zijn jeugd in Wippelgem had beleefd, kwam terug, maar nu in omgekeerde zin.
Ik denk dat hij het niet nog eens wilde doormaken.
Kort tevoren had hij ook zijn moeder verloren.
Ik denk dat het hem allemaal te veel werd.
Ik denk dat het zijn hart heeft gebroken.
Dat grote en tegelijk kleine hart van hem.