Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: kunst

La douce France (2)

  

Voor mijn 63ste verjaardag kreeg ik kaartje met een reproductie van een schilderij van Van Gogh. Het is zeker niet zijn beste werk, maar daar gaat het niet om. In het Frans heet dit stilleven: Vase avec marguerites et coquelicots. In het Engels wordt dat Vase of daisies and poppies. And that says it all …

Advertenties

La douce France

  

Naast een niet onaardige collectie Maigretromans (een 50-tal vergeelde en gescheurde pocketjes die ik in de loop der jaren voor een appel en een ei heb gekocht) heb ik ook een kleine verzameling cd’s met Franse chansons, eveneens in de loop der jaren voor weinig geld op de kop getikt. Charles Trenet, Mistinguett, Tino Rossi, Maurice Chevalier, Edith Piaf, Line Renaud, Juliette Greco, Luis Mariano, Yves Montand, Lys Gauti, Rina Ketty, enzovoort. Het lijstje is lang. Ik zet die muziek vaak op – ze is niet kapot te krijgen – en toen ik er verleden week weer eens naar luisterde trof het me hoe vaak en hoe ongeremd deze zangers en zangeressen de lof zingen van Parijs. Het chauvinisme van de Fransen is natuurlijk welbekend, maar er spreekt zoveel liefde, poëzie en innigheid uit deze liedjes dat er meer aan de hand is. Ze gaan niet alleen over Parijs, ze gaan ook over een wereld die niet meer bestaat, en die misschien nooit bestaan heeft. Ze gaan over la douce France, het land waar God woonde. 

Dat is ook wat deze liedjes in de eerste plaats zijn: doux, zacht. De popmuziek uit de jaren ’60 (The Beatles, The Mama’s and the Papa’s, The Seekers) klinkt lyrisch en harmonisch vergeleken bij het frenetieke gedram en gedreun van de hedendaagse rock (what’s in a name?), maar toch valt ze al niet meer te vergelijken met la douceur van het Franse chanson uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het zijn twee totaal verschillende werelden: een Europese en een Angelsaksische. Engels is de taal die het best past bij de harde, ruige, barbaarse muziek van vandaag. Franse rock is een contradictio in terminis, het is zonder meer lachwekkend. De Franse taal hoort bij Europese muziek, en die bestaat niet meer. Jonge mensen zingen al een halve eeuw als vanzelfsprekend in het Engels. Wat voor de muziek geldt, geldt voor de hele kunstwereld: die is vandaag per definitie Amerikaans of Engels (of etnisch). Europese kunst bestaat niet meer. We vinden ze alleen nog in musea, vergeelde boeken en vooroorlogse liedjes. 

Het Franse chanson is de zwanenzang van de Europese muziek. Dergelijke muziek wordt vandaag niet meer gemaakt. Ze zou ook een leugen zijn, ons levensgevoel is totaal veranderd. De twee wereldoorlogen hebben de Europese zielestemming vernietigd, de stemming die ook heerste in het Franse impressionisme. In de schilderijen van Monet en co proef ik dezelfde zonnige zoetheid als in het Franse chanson. Het is de zoetheid van Maagd, de zoetheid van september. De uitbundigheid van de zomer wordt getemperd door de naderende herfst, wier nakende kilte op haar beurt verwarmd wordt door de zon. Twee tegengestelde werelden raken elkaar en gaan dromend in elkaar over. Dat dromen geldt in eerste instantie de zomer die voorbij is. Het zoet en zacht worden van de vruchten is als een naar binnen keren van de zomerse warmte, een aards worden van wat hemels was. In het Franse chanson proef je een innigheid die je vandaag nergens meer terugvindt. Alles is aards geworden, van het hemelse is geen spoor meer. 

Een stukje hemel komt op aarde: is dat ook niet de essentie van het kind dat zich in de Maagd aankondigt? Die kinderlijke eenvoud en zoetheid proef ik in dat laatste oplichten van de Europese kunst, in het Franse impressionisme, in het Franse chanson. Er ligt een diepe tragiek in verborgen, want dat kind is nooit geboren. Het droomde van het Europese verleden, maar ook van de Europese toekomst, zoals elk ongeboren kind droomt van wat voorbij is en van wat nog moet komen. Maar die toekomst kwam niet. Er is geen nieuwe Europese kunst geboren waarin de kinderlijke kwaliteiten van het Franse chanson zich verder konden ontwikkelen en langzaam naar volwassenheid groeien. Het Europese kind is gestorven in de wereldoorlogen en het is vervangen door een ander kind, een kind van de onderwereld. Want hoe moet je het anders noemen als je La Mer van Charles Trenet plaatst naast pakweg een set van Tomorrowland? Dat is als de tedere relatie van moeder en kind tegenover stomende, stuwende, bonkende sex. 

In dezelfde tijd dat het impressionisme populair wordt en het Franse chanson zijn opgang maakt, stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon: de hedendaagse kunst wordt geboren. Aanvankelijk denkt men dat het om een smakeloze grap gaat, maar honderd jaar later weten we beter: het is bittere ernst. Duchamps pispot is de eersteling van een geheel nieuwe kunst, een kunst die de wereld zal veroveren, zoals ook het impressionisme en het Franse chanson dat doen. Maar de ‘hedendaagse’ kunst, zoals ze genoemd zal worden, is het volstrekte tegendeel van de nieuwe ‘kinderlijke’ Europese kunst. Al moet natuurlijk wel gezegd worden dat haar pispotten en kakmachines niet helemáál vreemd zijn aan het kleine kind. Dat draagt als het ware de tegenstelling in zich: als het slaapt daalt de hemel op aarde neer, maar als zijn poortje – boven of onder – opengaat, breekt de hel los. Hoe tegengesteld beide kunsten ook zijn, op de een of andere manier horen ze ook samen.

Hun relatie komt onder meer tot uiting in het feit dat Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelt in New York. Waarom in Amerika, aan de overkant van de oceaan, en niet in Frankrijk, zijn thuisland? Daar is me niets over bekend, maar het is wel een veelzeggend beeld. Het gebeurt in 1917, hetzelfde jaar waarin Amerika zich mengt in de oorlog en in Rusland de revolutie uitbreekt. Voor Europa is 1917 een noodlotsjaar want de twee grote tegenpolen die haar in twee zullen scheuren betreden het wereldtoneel. En die scheuring lijkt van Europa uit te gaan, want in hetzelfde jaar dat Marcel Duchamp naar Amerika reist en als het ware de culturele macht van Europa overdraagt, reist Lenin (vanuit hetzelfde Europa) naar Rusland waar hij het communisme zal invoeren. Je zou ook kunnen zeggen dat in 1917 het – nog ongeboren – kind van Europa in twee wordt gescheurd en beide delen in respectievelijk het Westen en het Oosten opgroeien tot groteske karikaturen die vervolgens weer naar Europa terugkeren.

Vandaag wordt Europa artistiek overheerst door Amerika – zowel in de muziek als de beeldende kunsten is vooral de onderbuik actief – en intellectueel door Rusland – de communistische ideeën hebben de hele Europese intelligentsia in hun greep. Merkwaardig genoeg steken die ideeën na de oorlog de plas over en maken furore aan de Amerikaanse universiteiten waar met name Franse filosofen (Foucault, Derrida, Lyotard, Lacan) het goede weer uitmaken. Tegelijk dringt de hedendaagse kunst ook door in Rusland en verspreidt zich over de hele wereld. De beweging die zichtbaar wordt, is de volgende. Het Europese kind wordt in twee gedeeld, beide delen verhuizen naar Amerika en Rusland waar ze wanstaltig groot worden, om vervolgens weer in elkaar door te dringen en een wereldomvattend wezen te vormen dat bestaat uit louter onderbuik en hoofd, uit de lage, dierlijke driften die we vooral in de rockmuziek beluisteren, en de intellectualistische ideeën van de postmoderniteit die we vooral in de beeldende kunsten aantreffen. 

In de hedendaagse kunst komen die dierlijkheid en dat intellectualisme samen. Meer dan in welke kunst ook komt hier de tweevoudige demonische aard van het nieuwe ‘wereldwezen’ tot uitdrukking. Het verbluffende is dat niemand die dubbele kwaadaardigheid onderkent. Er zijn mensen die hun buik vol hebben van de keiharde rockmuziek, en er zijn mensen die de spot drijven met de postmoderne ideeën. Maar wanneer die twee samenkomen verstomt alle kritiek. Waarom? Omdat we ons hart niet meer durven laten spreken. Alleen dat hart kan de gemengde demonie herkennen. Maar het wordt de mond gesnoerd door deze schijneenheid van dierlijkheid en intellectualisme die meer dan wat ook het wezen van onze tijd uitdrukt. En dat is een wezen zonder hart. In de hedendaagse kunst schittert het menselijk hart door zijn afwezigheid. De kunst van onze tijd is een harteloze kunst die niet méér kan verschillen van de Europese kunst die haar zwanenzang zong in het Franse chanson. 

Wanneer ik met dit alles in gedachten opnieuw luister naar Charles Trenet of Edith Piaf dan komt het me voor dat het Franse chanson louter hart is. Het is een droomwereld waar alles mooi en goed en zacht is: een hemel op aarde. Hetzelfde kan ook gezegd worden van het impressionisme: het is een zonnige kunst die als het ware vraagt om haar duistere tegenhanger: het Duitse expressionisme. Maar geldt dat ook niet voor Europa zelf? Als ik ‘De Wereld van Gisteren’ lees, het boek dat Stefan Zweig schreef over het Europa van voor de wereldoorlog, dan zie ik een wereld die te mooi is om waar te zijn. De keerzijde van die droomwereld duikt onverwacht op en confronteert het slaapwandelende Europa met de harde werkelijkheid. Na de oorlogen volgt in Europa opnieuw een periode van vrede, maar ze is lang niet zo zonnig en onbekommerd meer als la douce France waar Charles Trenet over zong. De cultuur is niet langer Europees, ze is Amerikaans en Russisch, een mengeling van Oost en West. Het hart is verdwenen.

Vandaag herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw duikt de keerzijde van de naoorlogse vrede op. Vanuit het Westen dringt de politieke correctheid Europa binnen. Dit (door Rudolf Steiner voorspelde) denkverbod is de Amerikaanse versie van de communistische onderwerping van het individu aan de staat. Vanuit het Oosten dringt dan weer de islam Europa binnen, de communistische versie van de Amerikaanse drang om de wereld te overheersen. En die twee vermengen zich momenteel (vooral) in Europa. Zonder politieke correctheid zou de islamisering nooit zo’n proporties kunnen aannemen, zonder islam zou de politieke correctheid nooit zo’n vlucht kunnen nemen. Het is alsof er in Europa een nieuw wereldhart ontstaat waarin Oost en West, materialisme en spiritualisme elkaar kruisen en bevruchten, waarin ze zich met elkaar vermengen, uit elkaar gaan en weer samenkomen. Maar het is geen zacht kloppend Europees hart meer, het is een luid bonkend onmenselijk hart, een hart als een loeiende motor.

In het Franse chanson en het Franse impressionisme, die twee zo zonnige, hartelijke kunstvormen, kondigde zich als in een droom het Europese kind aan. Tezelfdertijd werkte Rudolf Steiner in Duitsland het nieuwe Europese denken uit. Het kunstzinnige kind was één en al hart, het (geestes)wetenschappelijke denken drong zowel in de geestelijke als de materiële werkelijkheid door. Die twee hadden elkaar nodig: het denken miste een hart, het hart miste het denken. Ze hadden samen moeten komen. Rudolf Steiner drukte daar aan het eind van zijn leven steeds weer op: er moest gedacht worden vanuit het hart. Dat was de grote Michaëlische opgave van de antroposofie: het samenbrengen van hoofd en hart. Het hoofd moest zich ten dienste stellen van het hart: daardoor zou er een levend denken ontstaan. Het hart moest het denken opnemen: daardoor zou het ontwaken uit zijn droom. Maar Engeland stak daar een stokje tussen, het pookte de tegenstellingen tussen Frankrijk en Duitsland op en liet ze in een oorlog uitmonden.

De Franse kunst verbond zich niet met de Duitse, het impressionisme verbond zich niet met het expressionisme. Eén uitzondering: van Gogh. De Nederlandse domineeszoon met zijn donkere en zeer aardse palet verhuisde naar Frankrijk en ontwikkelde daar een kunst die kleuriger én expressiever was dan het impressionisme. Is het toeval dat uitgerekend hij uitgroeide tot de beroemdste en populairste kunstenaar van onze tijd? Dat zou nooit mogelijk zijn geweest zonder de onvoorwaardelijke steun van zijn broer Theo. Hun samenwerking doet onwillekeurig denken aan de samenwerking tussen oude en jonge zielen waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk op legde toen hij sprak over de Michaëlische opgave van de antroposofie, over het denken-met-het-hart. Maar noch die samenwerking, noch de verbinding van Noord en Zuid die Van Gogh belichaamde kreeg navolging. In plaats dat de Franse kunst zich verbond met de Duitse, emigreerde ze naar Amerika en ontwikkelde zich daar tot de hedendaagse kunst. 

Die kunst is een schoolvoorbeeld van hoe een levenloos Frans intellectualisme en een wilde Amerikaanse heerszucht samengaan zonder enige bemiddeling van het hart. Nergens schittert dat hart zo door zijn afwezigheid als juist in deze ‘onmenselijke’ wereldkunst. En nergens komt de tragiek van deze harteloosheid zo pijnlijk tot uiting als in het feit dat progressieve antroposofische kringen deze hedendaagse kunst tot een lichtend voorbeeld nemen. Wat ze daardoor bereiken, is dat het individuele ‘etherische’ hart dat ze verondersteld worden te ontwikkelen, ongemerkt vervangen wordt door het collectieve ‘wereldhart’ dat zich los van het menselijk Ik vormt. Dit onmenselijke hart – een levende contradictie – herschept de wereld in een onderwereld. Nergens loeit deze wereldmotor luider dan op de steeds talrijker wordende muziekfestivals die onze zomers teisteren en die voor steeds meer jonge mensen de ultieme droom zijn, de wereld waar ze zich thuisvoelen, de wereld van de toekomst, Tomorrowland

In mijn schamele verzameling Franse chansons beluister ik Yesterdayland, de wereld van gisteren die zo zonnig was, zo speels, zo kinderlijk. Het is dezelfde wereld waarin ik me ook onderdompel wanneer ik lees in mijn beduimelde, gescheurde en vergeelde Maigrets. Tussen haakjes, die zo Franse boekjes zijn geschreven door een Belg en ze ontstonden in Nederland. Alweer dus een verbinding tussen het voelende Zuiden en het denkende Noorden. Het is een teken dat het dromende hart niet van zichzelf wakker wordt. Het moet van buitenaf wakker worden gemaakt, door een liefdevol denken dat het hart niet komt vertellen wat het moet voelen (zoals in de hedendaagse kunst) maar dat in die gevoelens onderduikt en probeert ze van binnenuit te verstaan. Dat is wat ik hier geprobeerd heb. Mijn zoekende en tastende beschouwingen over het Franse chanson waren een poging een (gammele) brug te slaan tussen mijn hart en mijn hoofd, niet om dat hoofd met (nog meer) gedachten te vullen, maar uit liefde voor het Europese kind dat vandaag geen huis meer heeft. 

Vakantielectuur (8)

  

De kunst van onze tijd is ziek. Daar kan geen enkel kunstminnend hart nog aan twijfelen. De zogenaamde hedendaagse kunst is het werk van mensen die bezeten zijn door een kwaadaardige geest die het publiek uitlacht, uitdaagt, choqueert en vernedert. Gewone mensen voelen een diepe afkeer voor deze kunst en negeren haar zoveel mogelijk. Ontwikkelde mensen daarentegen prijzen haar de hemel in. Geen enkele wanklank verstoort hun koor van loftuigingen. Op relatief korte tijd is deze elite-kunst uitgegroeid tot een world wide web van kunsttempels, musea, galerieën, tentoonstellingszalen, onderzoekscentra, academies en kunstscholen die gesteund worden door regeringen, machthebbers, rijkelui, financiële instellingen, bedrijven, universiteiten en plaatselijke overheden. Een leger van intellectuelen staat paraat om dit kunstweb te verdedigen en te versterken: schrijvers, academici, filosofen, kunstkenners, kunstcritici, onderwijsmensen en andere ‘soldaten van de kunst’. 

Wat we aldus de afgelopen 50 jaar onder onze ogen hebben zien oprijzen, is het onderaardse rijk van Ahriman, dat volgens Rudolf Steiner de tegenhanger is van de bovenaardse Michaëlschool. Veel leerlingen lijkt deze school echter niet te tellen, want nergens valt een teken van verzet te bespeuren tegen de kunst van Ahriman. Haar machtsontplooiing is verbijsterend, haar invloed op de intelligentsia verpletterend. Hoe het zover is kunnen komen, heb ik nooit echt kunnen begrijpen, tot ik onlangs ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans las. Toen is me een lichtje opgegaan. Ik begin nu in te zien dat kunstenaars geen keuze hebben. Ze kunnen zich niet verzetten tegen Ahriman want dat zou het einde betekenen van hun kunstenaarschap. Deze geest ontmaskeren betekent wakker worden en de waarheid onder ogen zien. Het betekent uit de droom ontwaken en wetenschapper worden. Hedendaagse kunstenaars verkopen hun ziel aan de duivel om kunstenaar te kunnen blijven.

Ik begin ook te begrijpen waarom de ‘neerdaling ter helle’ van de kunst zo unaniem wordt toegejuicht. Kunstenaars zijn de schatbewaarders van de geest. Zij hebben de rol van de religie overgenomen en verzekeren nu het contact met de geestelijke wereld. Zij zijn de enigen die de mensheid ervan weerhouden zichzelf te vernietigen. Dat is namelijk wat gebeurt als het contact met de geestelijke wereld helemaal verloren gaat: er ontstaat dan zo’n diepe zieleangst dat de mens zijn toevlucht zoekt in vernietigend geweld. Het was Rudolf Steiner die erop wees dat de oorzaak van de eerste wereldoorlog gezocht moet worden in de geestelijke uithongering van het proletariaat, dat afgesneden was van zijn oude, spiritueel gedragen, sociale verbanden. Vandaag zijn we allemaal geestelijk uitgehongerd en bezeten van de onbewuste angst om geestelijk te sterven. Daarom leggen we kunstenaars niets in de weg, wat ze ook doen. Ze zijn de enigen die ons kunnen redden van de geestelijke hongerdood.

Ik begin ten slotte ook het tegenstrijdige gedrag van iemand als Stefan Hertmans te begrijpen. In ‘De Bekeerlinge’ spant hij zijn verbeeldingskracht tot het uiterste in opdat de lezer zich zou kunnen inleven in zijn roman. Daar slaagt hij met glans in: het boek is een succes, van kritiek is geen sprake. Nochtans probeert Hertmans de lezer ook te bewegen tot kritische distantie. Hij onderbreekt het (poëtische) verhaal over Hamoutal voortdurend met het (prozaïsche) verhaal over zichzelf, alsof hij de lezer wil beletten om weg te dromen, alsof hij hem wakker wil maken. Maar de lezer merkt zijn schabouwelijke leugen over christendom en islam niet eens op. Hij blijft een (dromende) medeschepper van het boek, hij wordt geen (wakkere) wetenschapper. Het voortdurende heen en weer pendelen tussen beide verhalen in ‘De Bekeerlinge’ brengt hem in de war. Dezelfde verhaaltechniek waarmee Stefan Hertmans probeert de lezer wakker te maken, verdooft hem ook. 

Die techniek heeft Hertmans niet bewust gekozen. Zo gaat dat niet in de kunst. Het wakkere bewustzijn beoordeelt wel het resultaat, maar creëert het niet. De scheppende krachten komen van diep uit het onderbewuste en daar leeft duidelijk iets dat aanstuurt op de waarheid. Want Stefan Hertmans is lang niet de enige kunstenaar die door zijn aanwezigheid de toeschouwer wakker wil schudden. Die aanwezigheid is een van de meest typerende kenmerken van de kunst van onze tijd. Was de kunstenaar vroeger als God – onzichtbaar in zijn schepping – dan treedt hij nu steeds meer voor het voetlicht. En dat heeft een schok-effect. De toeschouwer kan niet langer onbekommerd wegdromen in de fictieve wereld van de kunst, hij wordt geconfronteerd met de reële wereld van het scheppen zelf. Hedendaagse kunst is per definitie een choquerende kunst, een kunst die wakker wil maken, die de lezer, de kijker of de luisteraar aan het denken wil zetten, die van hem een maatschappijcriticus wil maken. 

Dat heeft echter een averechts effect. De aanwezigheid van de kunstenaar in (of naast) zijn werk zet de kijker niet aan om kritisch te zijn en de waarheid te vertellen. Wel integendeel, het brengt hem in de war, het intimideert hem, het belet hem om een oordeel te vellen. ‘De Bekeerlinge’ is daar een voorbeeld van: niemand waagt het Stefan Hertmans op zijn leugens te wijzen. Niemand wijst hem ook op de gebreken van zijn roman, met name op de weinig geslaagde manier waarop hij de twee verhalen met elkaar verbindt. Want zijn aanwezigheid in de roman verlamt niet alleen de oordelende lezer, ze verlamt ook de scheppende schrijver. Ze haalt het niveau van zijn werk naar omlaag. Het ‘wetenschappelijke’, maatschappijkritische, activistische karakter van de kunst doet zwaar afbreuk aan haar kunstzinnigheid, het werkt er vernietigend op in. In zijn streven naar waarheid vernietigt de hedendaagse kunstenaar niet alleen het oordeelsvermogen van de kunstliefhebber, hij vernietigt ook zijn eigen kunst.

Maar ondanks dat zelfvernietigende gedrag blijft die kunst bestaan. Honderd jaar geleden reeds verklaarden kunstenaars de kunst dood – net zoals Nietzsche God dood had verklaard – maar ze bleven wel onverminderd kunst scheppen. En dat tegenstrijdige gedrag hebben ze volgehouden tot op de huidige dag. Nog altijd vernietigen ze wat ze scheppen en scheppen ze om het weer te kunnen vernietigen. Scheppen en vernietigen vallen samen in de moderne kunst. Ondanks haar frenetieke activiteit vertoont ze dan ook geen enkele ontwikkeling. Ze staat gewoon stil. Er verandert niks, behalve dan dat ze steeds zieker wordt en die ziekte steeds nadrukkelijker als kunst presenteert. Ze heeft zichzelf bevroren tot een beeld, tot een raadsel dat opgelost wil worden. Al honderd jaar wacht de kunst als een Prometheus op de held die haar uit haar lijden komt verlossen, op iemand die haar de waarheid vertelt zonder haar te vernietigen. En zolang ze die waarheid niet hoort, blijft ze leven zonder te kunnen sterven en sterven zonder te kunnen leven.

De situatie is inderdaad niet nieuw. Ze was al bekend in de Oudheid en we treffen haar ook in de Middeleeuwse graallegende, met name in de scène waar Parsifal de graalburcht betreedt. De jonge ridder wordt daar geconfronteerd met de zieke Visserkoning die hem hartelijk ontvangt en hem zelfs een kostbaar zwaard ten geschenke geeft. Maar wanneer Parsifal de volgende ochtend wakker wordt, treft hij het kasteel verlaten aan. Alle deuren zijn gesloten, behalve de buitendeur. Op het binnenplein staat zijn paard te wachten, helemaal opgetuigd. De boodschap is duidelijk: hij is niet langer welkom. Wanneer hij over de brug rijdt, wordt deze reeds opgehaald en moet hij zich reppen om heelhuids de overkant te bereiken. Kort daarop verneemt hij de reden voor dat tegenstrijdige onthaal. Parsifal was de langverwachte held die de zieke Visserkoning uit zijn lijden moest verlossen door de vraag te stellen naar zijn ziekte en tegelijk ook naar de graal die hem in leven houdt. Maar Parsifal heeft verzuimd die vraag te stellen …  

De legende vertelt dat de Visserkoning ziek is omdat hij door een speer getroffen werd ‘tussen de dijen’, dat wil zeggen in zijn edele delen, in zijn scheppingskracht. We kunnen in hem dus de moderne kunstenaar zien, die niet in staat is om te leven, maar ook niet om te sterven. Net als Prometheus is hij vastgeklonken aan de materie terwijl een arend zijn lever opeet, die ’s nachts weer aangroeit. In Parsifal kunnen we dan weer de moderne wetenschapper herkennen, die zijn moeder – de geestelijke wereld – heeft verlaten om de materiële wereld in te trekken. Daar begaat hij in zijn onwetendheid en naïviteit de ene stommiteit na de andere, maar hij is moedig en verslaat al zijn tegenstanders. Hij lost met andere woorden het ene probleem na het andere op met zijn scherpe geest en verwerft daardoor aanzien. Maar dan komt hij tegenover de zieke kunst te staan en dat probleem kan hij niet oplossen. Het is het begin van een leven vol beproevingen, het begin van de zoektocht naar de graal. 

Het is niet moeilijk om in Parsifal de moderne kunstliefhebber te herkennen die vandaag geconfronteerd wordt met een zwaar zieke kunst. Zijn verstand gebiedt hem zijn mond te houden en de kunst met de gepaste eerbied te benaderen. Zijn hart daarentegen noopt hem om te vragen wat de kunst zo ziek maakt (en tegelijk ook wat haar belet te sterven). Maar dan loopt hij het risico als een cultuurbarbaar beschouwd te worden en de ‘graalburcht’ van de kunst te moeten verlaten. Dus kiest hij voor de veilige, ‘correcte’ houding en legt zijn hart het zwijgen op. Net als Parsifal heeft de kunstliefhebber geleerd geen kritische of ongepaste vragen te stellen aan de ‘koninklijke’ kunst. Ook al wordt ze steeds zieker, hij blijft haar eerbiedigen en bewonderen. Daardoor verzuimt hij de vraag te stellen die haar zou kunnen genezen. Maar tegelijk wordt hij zelf ook ziek. Want door geen vragen te stellen, houdt hij op een kritische waarnemer te zijn, een wetenschapper. Hij legt zijn zwaard neer en buigt de knie als een gelovige.

De ontmoeting tussen kunst en wetenschap is van vrij recente datum. In feite was de kunst het laatste gebied van de materiële werkelijkheid waarop de wetenschap haar oog liet vallen. Dat scherpe, analyserende oog trof de kunst echter als een speer en kwetste haar diep. In de 20ste eeuw werd de wonde duidelijk zichtbaar: de kunst viel nauwelijks nog te herkennen. Maar de wetenschap was niet ontzet over wat ze zelf had aangericht, integendeel, ze juichte. Ze bewonderde zichzelf ongegeneerd in de spiegel van de kunst en was zich van geen kwaad bewust. Daardoor hield ze echter op een wetenschap te zijn. De nuchtere Ahriman vermengde zich met de narcistische Lucifer en samen verlamden ze zowel de scheppingskrachten van de mens als zijn oordeelskrachten. Als gevolg daarvan zit de mens vandaag in de greep van de materie en hij beseft het niet eens want daarvoor is hij te zeer ingenomen met zichzelf. Hij is zowel een dodelijk gewonde Visserkoning als een Parsifal die daar geen oog voor heeft. 

Uitgerekend in de ontmoeting tussen beide tegenpolen vieren de tegenmachten hun grootste triomf. Kunst en wetenschap zijn in hun greep geraakt doordat de grens tussen beide overschreden werd en ze zich met elkaar vermengden. Maar in de graallegende wordt van Parsifal juist verwacht dat hij de grens overschrijdt, dat hij de Visserkoning niet vanop eerbiedige afstand bewondert, maar hem als een gelijke beschouwt, als een mens die ziek is en hulp nodig heeft. Hoe moeten we dat begrijpen? Stelt de graallegende de zaken misschien verkeerd voor? Of is het onzin de hedendaagse problematiek te willen herkennen in een middeleeuws verhaal? Rudolf Steiner beweerde nochtans dat de graallegende voor onze tijd geschreven is en dat de Parsifalweg de weg van de moderne mens is. Het enorme succes van (moderne) kunstwerken die de zoektocht naar de graal tot onderwerp hebben, bevestigt dat. We herkennen onszelf onbewust in de graallegende, diep vanbinnen weten we dat we allemaal Parsifals zijn. 

Volgens de graallegende moet de speer die de wonde sloeg haar ook genezen. Het ‘grensoverschrijdende’ gedrag van de wetenschap is niet alleen de oorzaak van de ziekte van de moderne mens, het is er ook de remedie voor. De wetenschap mag zich dus niet terugtrekken, ze moet juist doordringen tot de kern van de kunst. Ze moet ‘door het dal’, Per-ce-val. De kunst is inderdaad het Waterloo van de wetenschap: hier lijdt ze haar grote nederlaag. Maar wat een geweldige nederlaag is het niet als de wetenschap zichzelf herkent in het wezen van de kunst, als ze zelf een kunst wordt! Dat is ook waar de kunst op wacht: dat ze gekend wordt in haar diepste wezen. Maar dat kennen kan nooit het scherpe, vernietigende kennen van de moderne wetenschap zijn. Het moet een wetenschap zijn die zich bevrijdt van Ahriman, die zich zuivert van zijn machtswellust. Op die meevoelende, mede-lijdende wetenschap wacht de zieke kunst, de zieke mens, de zieke wereld van onze tijd. 

Er is nog een ander beeld dat hier betrekking op heeft. In de Apocalyps – het bijbelboek dat betrekking heeft op onze tijd – lezen we dat er een teken in de hemel wordt gezien, dat er met andere woorden een oerbeeld zichtbaar wordt: een vrouw schreeuwt in barensnood en voor haar staat de draak die het kind wil verslinden zodra het geboren wordt. Dat kind is een zoon, ‘van het mannelijk geslacht’ wordt er ten overvloede aan toegevoegd. In moderne oren klinkt dat waarschijnlijk sexistisch, maar mythische, religieuze, kunstzinnige beelden als deze mogen nooit letterlijk worden genomen. Ze verwijzen naar geestelijke realiteiten. De mannelijkheid waar hier de nadruk wordt op gelegd, is mijns inziens die van de Logos, van het heldere, rationele kennen dat de ‘remedie’ is voor het lijden van de zwangere vrouw, een kosmisch wezen dat de hele schepping lijkt voor te stellen. De nieuwe wetenschap moet met andere woorden geboren worden uit de kunst. De oude wetenschap moet doordringen in de kunst, sterven in de kunst en er weer uit opstaan als een wetenschap die tegelijk een kunst is. 

Met dit apocalyptische oerbeeld kom ik aan een grens. Mijn rationele denken kan zich niet langer staande houden in deze ‘vrouwelijke’ sfeer van de oerbeelden. Er komt te veel samen, er duiken te veel verbanden op. Deze geestelijke sfeer opent tal van nieuwe mogelijkheden, maar vormt tegelijk ook een reële bedreiging voor het bewustzijn. Daarvan getuigt eigenlijk alles wat vandaag gebeurt. Er worden inderdaad ‘tekens in de hemel’ gezien, dat wil zeggen: de moderne mens neemt geestelijke beelden waar. Maar hij kan ze niet verbinden met zijn wakkere bewustzijn en daardoor hebben ze een onbewuste, instinctieve uitwerking. Ze vermengen zich met alles wat nog onzuiver is in de mens, met alle gevolgen van dien. Doordringen in deze geestelijke sfeer betek ent dan ook doordringen in de duistere gebieden van de eigen ziel. Het plaatst de mens voor de Parsifal-opgave om zijn ziel te zuiveren, om haar te slijpen tot een edelsteen, tot een graal die in staat is de geest op te nemen zonder eronder te bezwijken. En dat is niet het werk van één dag …

Skopiumschuivers

  

In de Zwarte Zaal van het Gentse KASK (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) loopt momenteel een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van Studio Skoop, de alternatieve filmzaal waar je de ‘betere’ film kan gaan zien, de zogenaamde arthouse-film. Studio Skoop vormt in Gent de tegenhanger van de Decascoop, het grote bioscoopcomplex waar bijna uitsluitend Hollywoodfilms gedraaid worden. Het verschil tussen die twee is enorm. De Decascoop telt 12 zalen waarvan de kleinste groter is dan de grootste van Studio Skoop. Het is een ultramodern complex waar je in het weekend over de koppen kunt lopen. Vanuit alle richtingen stromen de – meestal jonge – mensen dan toe en het is drummen geblazen om binnen te raken. Op hetzelfde moment staat voor de ouderwetse kassa van Studio Skoop een mager rijtje – vaak oudere – mensen aan te schuiven om even later in een groezelig zaaltje naar een Europese of Aziatische film te gaan kijken. 

Beide bioscopen belichamen de tegenstelling tussen Amerika en Europa, tussen jong en oud, tussen commercie en kunst, tussen mainstream en alternatief, tussen conservatief en progressief, tussen ontspanningszoeker en meerwaardezoeker, tussen rechts en links zeg maar. Mijn voorkeur is altijd ondubbelzinnig uitgegaan naar de Decascoop. Daar kreeg je namelijk meer waar voor je geld. Je kon er niet alleen parkeren, de zalen waren ook ruimer, de zetels comfortabeler, het scherm groter, de geluidsinstallatie beter, en last but not least: er waren volop ijspralines, cornetto’s en popcorn voorhanden. Kortom, de filmbeleving was er veel intenser. Daar stond dan weer tegenover dat je er alleen maar oppervlakkig maakwerk te zien kreeg en geen diepgravende kunst zoals in de Skoop. Hollywood, dat was louter entertainment, voer voor de massa! Wie meer wilde dan wat goedkoop amusement, die moest in Studio Skoop zijn. Tenminste, zo werd daar in beschaafde kringen over gedacht.

Aangezien ik mezelf tot die beschaafde kringen rekende, nam ik die overtuiging gewoon over. Ik ging zelfs nog een stap verder: ik ging helemaal niet meer naar de film. Als student had ik dat nochtans heel graag gedaan: eerst een goeie film zien en er daarna op café over napraten: wat kon een jongmens zich meer wensen (of permitteren)! Maar langzamerhand kreeg ik mijn buik vol van de moderne cinema. Die leek me steeds meer om sex en geweld te draaien. Dus bleef ik liever thuis met een boekje in een hoekje. Radio en televisie had ik al vroeger buitengezwierd. Die waren in hetzelfde bedje ziek als de film. En zo werd ik ouder en wijzer, bedaagder en beschaafder. Tenminste dat dacht ik. Want toen ik op een keer toevallig in de Decascoop terechtkwam, op zoek naar iets om mijn gedachten stop te zetten, gingen mijn ogen open. Ik had me vergist. Hollywood was niet (enkel) de geestdodende filmfabriek, het was heel wat meer dan dat, en dat ‘meer’ zag ik nu heel duidelijk.

Ik begon weer naar de cinema te gaan, en ik ging zowel naar de Decascoop als naar Studio Skoop. Want ik zag geen reden waarom het ‘meer’ dat ik in de Amerikaanse film had ontdekt, niet ook in de Europese film te vinden zou zijn. Maar ik vergiste me. De zogenaamde ‘betere’ film die ze in Studio Skoop draaiden, bleek in werkelijkheid de slechtere film te zijn. Aanvankelijk weigerde ik dat te geloven. Maar ik kwam steeds weer van een kale reis thuis. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken was de zogenaamde arthouse-film gewoon een minderwaardige film, vergeleken met de commerciële blockbusters van Hollywood. Ze waren niet alleen slechter gemaakt, ze gingen vaak ook helemaal nergens over. Het oude, verwaarloosde huis aan het Sint-Annaplein waarin Studio Skoop gevestigd was, weerspiegelde de films die er werden gedraaid: ze waren uitgeleefd, ze waren niet meer van deze tijd. Ze beschouwden zichzelf als progressief en vernieuwend, maar in werkelijkheid waren ze precies het omgekeerde: verleden tijd.

Maar wat is het dan dat Amerika wel heeft, en de Europese film niet (meer)? In één woord: geest. Uiteraard produceert Hollywood veel ongeïnspireerd maakwerk, dat hoeft geen betoog. Maar is het ooit anders geweest? Echte, geïnspireerde kunst is altijd zeldzaam geweest, en dat is ze ook in de Amerikaanse filmindustrie. Maar ze is er wel. Hollywood heeft verbluffende meesterwerken voortgebracht. Je moet al ver in het verleden teruggaan om dat soort inspiratie aan te treffen in de kunst. Hoe vreemd het ook moge klinken, in Hollywood is een kunstzinnige geest werkzaam die in Europa al lang niet meer te vinden is. En het is dezelfde geest die Europa groot heeft gemaakt, een door en door christelijke geest. In Europa is hij gestorven, maar in de Amerikaanse filmkunst, in het beste van Hollywood, is hij opnieuw verschenen, in een geheel nieuwe, eigentijdse gedaante. Dat was wat ik 25 jaar geleden, tot mijn eigen stomme verbazing ontdekte in de Gentse Decascoop. 

Het betekende voor mij een enorme bevrijding, want ik hield hartstochtelijk van de Europese kunst. In mijn ogen was ze met geen andere te vergelijken en dat kwam door haar christelijke karakter. Toen ik die zo kunstzinnige geest in de 20ste eeuw zag verdwijnen was ik daar het hart van in. Waar ik ook zocht, ik kon hem niet meer vinden. Ik zag de Europese kunst voor mijn ogen in elkaar storten, en alsof dat nog niet erg genoeg was, werd het ook nog eens op gejuich onthaald. De dood van de Europese kunst werd beschouwd als de geboorte van een nieuwe, universele kunst. Hoe meer de oude kunst verminkt, vernederd en vernietigd werd, des te luider klonk het applaus. Pas veel later zou ik begrijpen dat het een manier was om de dood van Europa niet onder ogen te hoeven zien. Het was een soort neo-Egyptisch ritueel: het lijk werd gemummificeerd, in een praalgraf gestoken en vereerd alsof er niks veranderd was. Maar er was wel degelijk iets veranderd, iets heel ingrijpends: in plaats van het leven vereerde men nu de dood.

Eén blik op de actualiteit volstaat om vast te stellen dat die verandering niet alleen in de kunst plaatsvond. De dood van Europa wordt vandaag toegejuicht als was het een nieuwe religie. Men kan zich niets spirituelers voorstellen dan het vernietigen van het oude Europa. Van overal stromen de doodskrachten toe om deel te nemen aan deze nieuwe wereldgodsdienst. Het is een demonisch spektakel dat een mens doet verstijven. De Europese cultuur, die in de loop der eeuwen richtinggevend is geworden voor de hele wereld, wordt momenteel afgebroken in de overtuiging dat dit afbreken het nieuwe opbouwen is. En in zekere zin is dat ook zo: er wordt met man en macht gebouwd aan een antichristelijk, anti-kunstzinnig wereldrijk. Simpel gezegd: Christus wordt vervangen door de Antichrist. En dat allemaal omdat men de dood van Christus, de dood van de geest die de Europese kunst en cultuur groot heeft gemaakt, niet onder ogen kan zien. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen dat hij kan sterven.

Toen ik de christelijke geest aantrof waar ik hem nooit had verwacht – in Hollywood – begreep ik ook dat men de dood van deze geest niet onder ogen kan zien omdat men niet gelooft in zijn wederopstanding, in zijn vermogen om de dood te overwinnen. Ik geloofde daar zelf ook niet in. Wat ik beleefde als de dood van de kunst was in mijn ogen zo verschrikkelijk dat de gedachte aan een wederopstanding niet in me opkwam. Bovendien werd ik omringd door mensen die geen verschil zagen tussen leven en dood, die toejuichten wat ik verafschuwde. Hoe kon er uit zoveel ellende ooit nog iets goeds voortkomen! Nee, ik geloofde er niet meer in. Ik leefde in een wereld die ten onder ging, terwijl iedereen ervan overtuigd was dat we fantastische tijden beleefden. Dat laatste is ook de teneur van de tentoonstelling annex boek over de geschiedenis van Studio Skoop: wat een geweldige tijd was dat toch! Hier ontstond iets nieuws, hier ‘werden de bakens verzet in het door conservatieve krachten gedomineerde Vlaanderen.’

Het conservatieve Vlaanderen? Toen ik de Skoop bezocht, bestond dat Vlaanderen al lang niet meer, toch zeker niet in de kunst. Het was dood en verslagen. Maar men bleef hetzelfde plaatje draaien: de progressieve krachten moeten zich bundelen tegen het verstikkende conservatisme. Diep van binnen beseften de ‘progressieven’ nochtans dat ze tegen een imaginaire vijand vochten. Dat blijkt onder meer uit de geuzennaam die de oprichter van Studio Skoop bedacht voor zijn publiek (en die vandaag de titel van de tentoonstelling is): Skopiumschuivers. Wat kwam men zoeken in deze alternatieve arthouse-cinema? Niet de kunst van onze tijd, want die werd in de Decascoop gedraaid. Nee, men zocht er vergetelheid, verdoving, bedwelming, men zocht er opium-van-de-elite, want men kon de pijn van de stervende Europese geest niet verdragen. Men gaf er zich over aan zoete dromen over de superioriteit van de Europese geest en de inferioriteit van alles wat uit Amerika kwam. 

En dat doet men vandaag nog altijd, meer dan ooit zelfs. Want de Skopiumschuivers van weleer hebben het nu voor het zeggen, in de filmwereld, in de kunstwereld, in de wereld tout court. We worden (om de tuin) geleid door verslaafden, door druggebruikers die steeds weer nieuwe bedwelmende middelen creëren om de pijn te verdoven die veroorzaakt wordt door het sterven van de Europese geest, de geest van onze beschaving. Dat is een diepe en blijvende pijn die alleen genezen kan worden door het geloof in de opstanding. Dat geloof heb ik gevonden waar ik het nooit verwacht had: in de Decascoop. Maar daar zul je zelden een Skopiumschuiver tegenkomen, en zelfs als dat gebeurt, blijft hij blind voor wat daar te zien is. Hij is immers beneveld, bedwelmd door zijn eigen superioriteitswaan die hem belet om de pijn, de angst en de vernedering te voelen die diep in zijn ziel leven, waar hij deel heeft aan dat verschrikkelijke sterven van de Europese geest

Daar moest ik dus aan denken toen ik las over de ‘Skopiumschuivers’. Het is al een eeuwigheid geleden dat ik nog in Studio Skoop ben geweest, maar er is sindsdien niks veranderd. De beschaafden, de intellectuelen, de kunstliefhebbers zijn nog altijd even zelfgenoegzaam, even bedwelmd, even verslaafd. Nee, Europa gaat niet ten onder aan het sterven van de Europese geest, maar aan het onvermogen om dat sterven onder ogen te zien. Uiteindelijk is dat onvermogen niets anders dan een gebrek aan liefde. Wie de Europese, christelijke geest werkelijk liefheeft, lijdt en sterft samen met hem. Wat we vandaag overal zien, is de Petrus-reactie: ik ken die man niet, ik ben nooit zijn leerling geweest! Het is de reactie van de gewone man, de angstige mens die zijn wereld uiteen ziet vallen en in paniek raakt. Daarom is het zo tragisch dat we deze reactie aantreffen bij de elite, bij de intelligentsia, bij degenen die de Europese geest zouden moeten verdedigen. Wat een droevig schouwspel, die Skopiumschuivers! 

Vakantielectuur (7)

  

Ieder kunstwerk is een zelfportret. Soms in letterlijke, maar altijd in figuurlijke zin. Soms weerspiegelt de inhoud van een kunstwerk het fysieke uiterlijk van de kunstenaar, maar altijd weerspiegelt de vorm ervan de ziel van de kunstenaar. De eerste – materiële – weerspiegeling is onbetrouwbaar want bewust. De tweede – geestelijke – weerspiegeling is waarheidsgetrouw want onbewust. De aandacht van de kunstenaar is tijdens het scheppen geheel en al op zijn onderwerp gericht, dat wil zeggen op de inhoud van zijn werk. De vorm ‘vergeet’ hij, zoals hij ook zichzelf vergeet wanneer hij bezig is. Dit ontbreken van zelfbewustzijn is voorwaarde voor het scheppen van kunst. Vandaar de uitdrukking bête comme un peintre. Kunstenaars zijn ‘dom’ omdat ze niet helemaal wakker zijn. Het zijn dromers en uit hun dromen ontstaat de kunst. Ontwaken zij uit de droom dan kunnen zij niet meer scheppen. Daarom mijdt de kunstenaar instinctief alle ideeën, alle begrippen, alle wetenschap.

Niet echter de moderne, hedendaagse kunstenaar. Die wil juist wakker worden, hij wil nadenken, hij wil wetenschapper worden. Het resultaat zien we in een boek als ‘De Bekeerlinge’. Het is een troebele mengvorm van kunst en wetenschap. Beide tegenpolen heffen elkaar op en er ontstaat een soort ‘niets’. Heel wat hedendaagse kunstwerken stellen letterlijk niets voor. Om er iets te kunnen van maken is de kunstliefhebber aangewezen op de uitleg van de kunstenaar of de kunstkenner. Maar die stelt evenmin iets voor. Over niets kan men nu eenmaal niets zeggen, en de uitleg is dan ook meestal onbegrijpelijke postmoderne onzin. Zowel kunst (het werk) als wetenschap (de uitleg) verliezen hun ziel wanneer ze vermengd worden. Wat overblijft is een lege vorm die ‘gekraakt’ wordt door demonen. Dat is ook het geval met ‘De Bekeerlinge’. Stefan Hertmans schrijft (als kunstenaar) een roman waarbij hij (als wetenschapper) voortdurend tekst en uitleg verschaft. Als gevolg daarvan sluipen allerlei onfrisse elementen het boek binnen.    

Hier is dus een kunstenaar aan het werk die zijn eigen kunst vernietigt. Voortdurend onderbreekt hij zijn roman met toelichtingen en reflecties die de lezer beletten in het verhaal op te gaan. Het is alsof de schrijver bang is dat de lezer helemaal in zijn boek zal verdwijnen, terwijl dat toch de bedoeling is van literatuur. Je schrijft romans opdat lezers die in hun verbeelding tot leven zouden wekken, niet opdat wetenschappers ze zouden kunnen analyseren. Maar dat lijkt juist wel de bedoeling te zijn van Stefan Hertmans. Door zelf als wetenschapper in zijn boek op te treden, nodigt hij de lezer uit om na te denken over ‘De Bekeerlinge’, om het boek te bestuderen en er de diepere betekenis van te achterhalen. Die diepere betekenis is natuurlijk de politiek-correcte inhoud, de boodschap die de schrijver wil verkondigen en die hij ook naast zijn romans verkondigt, zoals in de Brief aan Europa die hij onlangs schreef en waarin hij verklaart dat er in Europa twee soorten mensen leven: goede mensen en slechte mensen.

Wat bezielt een ogenschijnlijk beschaafd en ontwikkeld man als Stefan Hertmans om zo’n infantiele en kwaadaardige boodschap de wereld in te sturen? Door kunst en wetenschap met elkaar te vermengen en in zichzelf een leegte te creëren waar demonen hun intrek kunnen nemen, heeft hij zichzelf tot spreekbuis gemaakt van kwaadaardige geesten die mensen tegen elkaar opzetten in de hoop dat ze elkaar vernietigen. Waarom doet zo’n man dat? Als hij ook maar een beetje kritisch stond tegenover zichzelf en zijn werk zou hij zichzelf niet zo verlagen. Nu is het alsof iemand anders zijn pen vasthoudt. Waarom laat hij dat gebeuren? Waarom verzet hij zich daar niet tegen? De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat het hem roem en eer oplevert. Zo werd hij genomineerd voor de prestigieuze Bookerprijs, iets wat hem internationaal ‘in de markt zet’, zoals hij het zelf uitdrukt. En in een interview verklaarde hij dat jaar 40.000 kilometer gereden te hebben om lezingen te geven. 

Stefan Hertmans is een ambitieus en eerzuchtig man, iemand die carrière wil maken in de letteren. Dat is onmogelijk voor wie zich niet onderwerpt aan de politieke correctheid. De intellectuele wereld is uiterst streng voor ketters, terwijl ze de gehoorzamen rijkelijk beloont. In materialistische tijden als de onze weegt dat zwaar door. De literaire wereld staat dan ook als één man achter de politiek correcte geest en verkondigt zijn boodschap in alle talen. Rudolf Steiner voorspelde het al: Ahriman zal schrijven. Deze kwaadaardige geest is inderdaad de mede-auteur van ‘De Bekeerlinge’, hij inspireerde Stefan Hertmans toen hij dit boek schreef. Voelt zo’n man dat dan niet? Ondervindt hij niet dat iemand zijn pen in een bepaalde richting stuurt en hem dingen doet schrijven die hij niet wil schrijven? Het antwoord is: neen. De scheppende kunstenaar is niet echt wakker. Hij geeft zich over aan de droombeelden die in hem opwellen en probeert ze in een kunstzinnige vorm te gieten. Maar juist van die vorm is hij zich niet bewust.

Pas wanneer zijn werk klaar is, ontwaakt hij uit de droom en kan hij de vorm zien die hij gecreëerd heeft. De schrijver wordt dan lezer. Maar hij is absoluut geen kritische lezer, want als hij zijn eigen boek leest komen de herinneringen aan het schrijven weer boven, de dromen en verzuchtingen, de pijn en de moeite. Hij kan dat alles onmogelijk los zien van het boek en dus kan hij dat boek nooit lezen zoals een gewone lezer dat kan. Als kunstenaar staat hij tegenover zijn eigen werk als een moeder tegenover haar kind: hij kan er zich nooit helemaal van losmaken, hij kan er nooit objectief tegenover gaan staan. Anders gezegd: de kunstenaar kan ten opzichte van zijn eigen werk nooit wetenschapper worden. Als schepper blijft hij altijd verbonden met zijn schepping. Veel schrijvers lezen hun boeken niet meer wanneer ze verschenen zijn. Dat is veel te confronterend. Zoveel afstandelijkheid ten opzichte van zichzelf kunnen ze niet verdragen. De schok zou hen wakker maken en hun scheppingsdrang verlammen, misschien zelfs voorgoed. 

De afwezigheid van kritiek is voor de kunstenaar een absolute voorwaarde om te kunnen scheppen. Daarom weet hij ook niet wie hem inspireert. Hij wil het zelfs niet weten, want het zou het einde kunnen betekenen van zijn kunstenaarschap. Wat zou er gebeuren als Stefan Hertmans besefte wat hij geschreven heeft, en wie het geschreven heeft? Zou hij zich ooit nog durven overgeven aan de inspiratie, aan de droom? Zou hij ooit nog een boek durven schrijven? Zou hij nog onder de mensen durven komen die hij bedrogen heeft? Het enige wat hij nog zou kunnen doen, is een boek schrijven over zijn ontmoeting met Ahriman en de gevolgen daarvan. Maar dat zou van hem een paria maken. Hij zou zonder pardon uit de literaire en intellectuele wereld gegooid worden, want Ahriman wil onder geen beding ontmaskerd worden. Zijn rol in de schrijvende wereld mag niet aan het licht komen. Het enige boek dat Stefan Hertmans nog kon schrijven, zou een punt zetten achter zijn literaire carrière. 

Zeker in onze tijd is het voor een kunstenaar zelfmoord om de waarheid over zichzelf onder ogen te zien. Als Stefan Hertmans schrijver wil blijven, dan moet hij de ogen sluiten voor die waarheid. Hij zit met andere woorden in de val, hij kan niet meer terug. Hij heeft zijn ziel aan de duivel verkocht en is nu diens eigendom. Alleen door zijn kunstenaarschap op te offeren, kan Stefan Hertmans zich bevrijden van die ‘bezetenheid’ en opnieuw een vrij man worden. Maar dat is het grootste offer dat je van een kunstenaar kunt vragen. Het is een beetje als God die aan Abraham vraagt om zijn zoon op te offeren. Dat doe je vandaag niet meer. Je kunt van een kunstenaar niet vragen dat hij zijn kunst opgeeft. Dat zou zelfmoord zijn, niet alleen voor de kunstenaar maar ook voor de vraagsteller, want zonder kunstenaar geen kunstliefhebber, zonder schrijver geen lezer. Nee, men kan van de kunstenaar niet vragen dat hij wetenschapper wordt en zijn eigen waarheid onder ogen ziet. 

In de vorm van zijn werk is de kunstenaar drager van de waarheid omtrent de geestelijke dimensie van de werkelijkheid. In een andere vorm is die waarheid niet meer voorhanden, want in de religies is ze gestorven, ze bestaat daar alleen nog in de vorm van dode begrippen en beelden die de moderne mens niet meer aanspreken, laat staan tot een geloof inspireren dat bergen verzet. Dat levende geloof treffen we alleen nog aan in de kunst. Daar vinden we nog mensen die geloven in de kunst en bereid zijn er alles voor op te offeren, ook al kunnen ze niet één bewijs of reden voor hun geloof aanvoeren. Kunst is dan ook geestelijk van aard, het kan niet tot materie herleid en dan gemeten worden. Als we van kunstenaars vragen om het ultieme offer te brengen en hun kunst op te geven, dan verliezen we ons laatste contact met de levende waarheid, de waarheid omtrent de materiële én geestelijke dimensie van de werkelijkheid. Zonder kunst vallen we in het totale materialisme, en dat is collectieve zelfmoord.

‘De Bekeerlinge’ plaatst de wakkere lezer voor een dilemma. Als hij de schrijver confronteert met de waarheid omtrent zichzelf en zijn kunst, dan ‘doodt’ hij hem. De kunstenaar in Stefan Hertmans zou de confrontatie met de waarheid niet overleven. De vraag is zelfs of de mens Stefan Hertmans deze confrontatie zou overleven, want voor een kunstenaar is het leven zonder kunst ondraaglijk. De kunstenaar is een gewonde ziel, die de kunst nodig heeft om te genezen. Hij is een Prometheus wiens lever iedere dag opgevreten wordt en ’s nachts weer aangroeit. Zonder de ‘nachtelijke’ krachten van de kunst redt hij het niet. Maar zonder die krachten redt ook de dag-mens het niet, de waarheidszoeker, de vraagsteller, de wetenschapper. Als hij Stefan Hertmans voor het blok zet dan verliest hij iemand die de geestelijke dimensie van de hedendaagse werkelijkheid zichtbaar kan maken, iemand die hem een levendig en toegankelijk beeld kan tonen van de drempeloverschrijding. 

Stefan Hertmans heeft zijn ziel aan de duivel verkocht. Hij is een ‘bezetene’, iemand die eigendom is van een kwaadaardige geest. Dat klinkt dramatischer dan het is, want kunstenaars zijn altijd ‘bezetenen’ geweest, hun dienstbaarheid aan de inspirerende geest was altijd totaal en is dat nog altijd. Alleen zijn ze nu vrij om de geest te kiezen waardoor ze geïnspireerd willen worden, een vrijheid die ze vroeger niet hadden. Het was altijd dezelfde geest die de oude kunst inspireerde. Dat lees je af aan haar inhoud maar ook – en vooral – aan haar vorm. Vandaag zijn er echter twee totaal verschillende geesten die kunstenaars inspireren, zoals er ook twee totaal verschillende kunsten bestaan: de klassieke en de hedendaagse. Die twee inspirerende geesten sluiten elkaar uit en dwingen de kunstenaar om te kiezen. Dat doet hij dan ook: hij kiest massaal voor de nieuwe geest, de hedendaagse geest, de politiek correcte geest. Maar een bewuste keuze is dat niet en kan het ook niet zijn.

De kunstenaar kent de geest niet die hem inspireert en wil hem ook niet kennen, want dan kan hij er zich niet meer volledig aan overgeven. Kennis impliceert immers afstand. Als gevolg van die overgave raakt hij onvermijdelijk in de greep van Ahriman. Hij kan er zich niet tegen verzetten, want dan houdt hij op kunstenaar te zijn. Dat is de reden waarom de gehele kunstwereld vandaag in de greep van Ahriman zit. Uitzonderingen zijn er niet, ook al heeft het daar soms de schijn van. Om door die schijn heen te kijken volstaat het om te zoeken naar kunstenaars die zich in woord en beeld verzetten tegen de hedendaagse geest, tegen de politieke correctheid. Die zijn er eenvoudig niet meer. Door zich te verzetten hebben ze artistieke zelfmoord gepleegd en kwijnen nu weg buiten de kunstwereld, gebroodroofd en onteerd, in absolute anonimiteit. Dat is het drama dat zich nu al 100 jaar voor onze ogen afspeelt: de hellevaart van de kunst, haar steeds dieper wegzinken in de onderwereld. 

Flaubert

  

Die bekommernis om uiterlijke schoonheid die u mij verwijt, is voor mij een methode. Wanneer ik een lelijke assonantie of een herhaling in een van mijn zinnen ontdek, ben ik er zeker van dat ik fout zit. Door steeds maar te blijven zoeken vind ik de juiste uitdrukking, de enig juiste en tegelijk de welluidendste. Als de idee er is, ontbreekt het woord nooit. Er is geen schone gedachte zonder schone vorm, en omgekeerd.

Net zomin als je van een natuurkundig lichaam de hoedanigheden die het samenstellen, kleur, uitgebreidheid en vastheid, kunt isoleren zonder het tot een holle abstractie terug te brengen, zonder het in één woord te vernietigen, kun je de vorm van de idee scheiden, want de Idee bestaat alleen bij gratie van de vorm. Probeer je eens een idee voor te stellen die geen vorm heeft. Zoiets is onmogelijk. Net zomin als een vorm die geen idee uitdrukt.

Waar de vorm ontbreekt is de idee afwezig. De een zoeken betekent de ander zoeken. Ze zijn even onafscheidelijk als kleur en substantie, en daarom is kunst de waarheid zelf. 

Vakantielectuur (6)

  

Reeds in de inhoud van ‘De Bekeerlinge’ wordt de drempeloverschrijding zichtbaar. Het boek gaat over twee mensen die ieder op hun manier in een totaal andere wereld terechtkomen. De ene is Hamoutal, een middeleeuws meisje van christelijken huize dat zich bekeert tot de joodse godsdienst. Ze onderneemt een lange tocht van het Noorden naar het Zuiden, ze verlaat de stad om in een dorp te gaan wonen. De andere drempeloverschrijder is Stefan Hertmans zelf, een schrijver die in zekere zin ook een bekeerling is, want hij steekt zijn afschuw voor het christendom en zijn bewondering voor het jodendom niet onder stoelen of banken. Net als zijn hoofdpersonage verruilt hij het grijze, stedelijke Vlaanderen voor de kleurrijke, dorpse Provence, en al schrijvend komt hij eveneens in een andere wereld terecht. Beide verhalen spiegelen elkaar, beide verhalen brengen een drempeloverschrijding in beeld. Die van Hamoutal loopt slecht af, die van Hertmans wordt een doorslaand succes. 

Maar niet alleen in de inhoud wordt het drempelkarakter van ‘De Bekeerlinge’ zichtbaar, ook in de vorm manifesteert het zich. Het meest opvallende kenmerk van die vorm zijn de twee parallelle verhalen, het fictief-middeleeuwse en het reëel-hedendaagse. Ze lopen niet mooi naast elkaar zoals twee evenwijdigen, maar kruisen elkaar voortdurend en wel op zo’n manier dat de lezer heel alert moet zijn om niet op het verkeerde been te worden gezet. Een voorbeeld. David en Hamoutal bereiken op hun vlucht Clermont Ferrand. Eén zin later arriveert ook Stefan Hertmans in Clermont Ferrand, alsof hij de twee geliefden op de hielen zit. Hij bezoekt een middeleeuwse kerk en ziet daar Hamoutal zitten. Als hij weer buitenkomt, loopt ze vlak voor hem, in zwarte legging, witte sneakers en blauw shirt. Ze gaat een huis binnen waarvan de voordeur geopend wordt door David. Beiden hebben nog een lange weg voor de boeg, aldus de schrijver, en hij gaat de nacht doorbrengen in een nabijgelegen kasteel.

Hamoutal in legging, sneakers en shirt? Een middeleeuws koppel dat in het moderne Clermont Ferrand woont? Verleden en heden lopen in ‘De Bekeerlinge’ door elkaar alsof de schrijver geen onderscheid meer weet te maken tussen fictie en werkelijkheid. De lezer raakt in de war: in welk verhaal zit hij nu eigenlijk, het middeleeuwse of het hedendaagse? Zonder waarschuwing stapt Stefan Hertmans van het ene verhaal in het andere, en de lezer wordt verondersteld hem bij al die kleine grensoverschrijdingen gezwind te volgen. Ik kan me voorstellen dat heel wat lezers dat hinkelspel origineel vinden. Ik kan me ook voorstellen dat literaire critici er diepgravende beschouwingen aan wijden. En nog beter kan ik me voorstellen dat deze techniek in goede aarde valt omdat hij de politiek-correcte boodschap ondersteunt. Maar mij irriteerden die onaangekondigde ‘drempeloverschrijdingen’, ze brachten me telkens uit evenwicht en vergalden mijn leesplezier. 

Omdat ik een en ander wilde controleren begon ik het boek opnieuw te lezen, dit keer trager en aandachtiger. Het viel me nu nog meer op hoe vaak Stefan Hertmans van het ene verhaal in het andere stapt. Bij de eerste lectuur had ik blijkbaar heel wat van die overgangen gemist, maar nu was ik een stuk wakkerder. Ik struikelde niet langer over de talloze kleine ‘drempeltjes’ waarmee dit boek bezaaid is. Ik begreep wat de bedoeling van de schrijver was en ik volgde hem daarin. Maar ik betaalde er wel een prijs voor: ik zat niet meer in het verhaal, daarvoor was ik me te bewust geworden van de schrijver en zijn techniek (en van mezelf en mijn aandacht voor die techniek). Ik bleef als het ware buiten het boek staan. Maar ik bleef ook buiten de werkelijkheid staan, want ik was verdiept in het lezen van een boek. Ik bevond me ergens tussen fictie en werkelijkheid, in een ‘tussenwereld’ waarin ook de schrijver zich bevond toen hij het boek schreef, een wereld waarin de grenzen vervaagden en niets meer duidelijk onderscheiden werd.  

In die tussenwereld zou ik langzaam ingedommeld zijn als de eerste lezing mijn kritische zin niet had gewekt (zowel door de leugenachtige inhoud als de irritante vorm van het boek). Leugen en waarheid, fictie en werkelijkheid zouden in mijn bewustzijn één grote brij zijn geworden waarin mijn onderscheidingsvermogen was opgelost. Dat zou me vatbaar gemaakt hebben voor de bewondering die dit boek ten deel viel. Ik had moeilijk weerstand kunnen bieden aan het collectieve gejuich. Nu kon ik dat wel, want ik had mijn gevoel van onbehagen niet genegeerd, ik had de leugen over de kruistochten niet geslikt. En juist doordat ik niet toestond dat mijn kritische zin zich oploste in de algemene euforie, verdiepte hij zich tot een groeiend inzicht. Het begon mij te dagen dat Stefan Hertmans in ‘De Bekeerlinge’ een getrouw beeld ophangt van onze tijd, een tijd waarin groteske leugens ongemerkt ons indommelende bewustzijn binnendringen, een tijd waarin de mensheid over de drempel gaat.

Die drempeloverschrijding is in de eerste plaats een onbewuste drempeloverschrijding. De moderne mens weet niet dat hij over de drempel gaat en dat zijn gedrag dat weerspiegelt. Ook Stefan Hertmans weet niet dat de moderne drempeloverschrijding zichtbaar wordt in zijn schrijfgedrag, dat wil zeggen in de vorm van zijn boek. Kunstenaars spiegelen de geestelijke dimensie van de werkelijkheid in de kunstzinnige vorm van hun werk – de ‘vorm van de idee’ – omdat ze er zich niet bewust van zijn, omdat hun (onbetrouwbare) zelfbewustzijn er zich niet mee moeit. In die onbewuste vorm spreken ze de waarheid, want die vorm is eigenlijk lichaamstaal en lichaamstaal liegt niet. Net als ieder mens weet Stefan Hertmans niet wat zijn lichaam vertelt over hemzelf. Net als iedere kunstenaar is hij zich niet bewust van de geestelijke waarheid die in de vorm van zijn werk opgesloten ligt. Die waarheid kent alleen de lezer, als hij ze tenminste wil kennen en zijn aandacht richt op de vorm van het boek.

Wat hij dan in ‘De Bekeerlinge’ ziet, is een schrijver die zich met veel verbeeldingskracht verdiept in het leven van een middeleeuws meisje. Hij doet dat met zoveel overgave en inlevingsvermogen dat hij dat meisje bijna wordt, erin verdwijnt en zichzelf vergeet. Maar dan keert hij opeens weer terug naar de huidige tijd, alsof hij zichzelf te binnen schiet en weer Stefan Hertmans wordt, de schrijver die opzoekingswerk verricht voor zijn nieuwe boek. Maar als kunstenaar vindt hij het hedendaagse leven veel te saai en te bloedeloos, en dus duikt hij weer onder in de kleurrijke middeleeuwse wereld en kruipt in de huid van Hamoutal. Die wordt hem echter ook weer te eng en hij vlucht opnieuw de drempel over. Op die manier pendelt hij voortdurend tussen twee werelden, niet in staat in een van beide te blijven. Wat hier zichtbaar wordt is de moderne mens die, zonder het zelf te beseffen, wil ontsnappen aan de materiële wereld, over de drempel van de geestelijke wereld stapt, maar bevangen wordt door ‘drempelvrees’.   

De kleurrijke Middeleeuwen met hun intense geloof in het ‘hogere’, zijn een beeld van de geestelijke wereld waarin de mens terechtkomt wanneer hij over de drempel stapt. Stefan Hertmans wordt onweerstaanbaar aangetroken door die wereld, maar als hij hem leert kennen, deinst hij verschrikt terug. De dramatische intensiteit van de geest – gespiegeld door de kruistochten – brengt hem van slag. Als het in de geestelijke wereld al even erg is als in de materiële wereld, waar moet hij dan nog heen? En dus vlucht hij in een ‘tussenwereld’, in een rusteloos heen en weer pendelen tussen geest en materie, tussen middeleeuwen en heden, tussen fictie en werkelijkheid, tussen waarheid en leugen. En hoe sneller hij pendelt, des te moeilijker wordt het om beide werelden uit elkaar te houden: ze vloeien in elkaar tot een troebel en verwarrend geheel dat hem gevangen houdt. Dat is wat we in (de vorm van) ‘De Bekeerlinge’ zien gebeuren, dat is ook wat in de ziel van de moderne mens gebeurt. 

In die verwarrende tussenwereld kom je ook als lezer terecht. Reeds op de eerste bladzijden raak je gedesoriënteerd en vraag je je af: waar ben ik eigenlijk, wat gebeurt hier, wat is er aan de hand? Die verwarring leidt uiteindelijk tot de vraag: ligt het aan mij of ligt het aan de schrijver? Ben ik nu zo’n slechte lezer dat ik dit boek niet snap, of is Hertmans zo’n slechte schrijver dat hij het niet duidelijk kan maken? Aan het succes van het boek valt af te lezen welke keuze de meeste lezers gemaakt hebben. Maar door de schuld bij zichzelf te leggen en de ogen te sluiten voor de – vormelijke én inhoudelijke – tekortkomingen van de schrijver, blijven ze ook blind voor de diepere waarheid van ‘De Bekeerlinge’. Want Stefan Hertmans schetst niet alleen een beeld van de mens met drempelvrees, de mens die als het ware op de drempel blijft staan, hij toont ook de gevolgen van die stilstand: de drempeloverschrijdende mens raakt in verwarring, begint aan zichzelf te twijfelen en verliest langzaam maar zeker zijn verstand. 

Aan het eind van het boek wordt Hamoutal krankzinnig en sterft in ellendige omstandigheden terwijl de wereld rondom haar in grote beroering is. Maar opnieuw is het niet alleen de inhoud maar ook de vorm van ‘De Bekeerlinge’ waarin deze krankzinnigheid zichtbaar wordt. Wat Hamoutal overkomt is een metafoor van wat ook de schrijver overkomt (en de lezer, en de moderne mens in het algemeen). Wie het boek begint te lezen, raakt algauw het noorden kwijt. Legt hij daarvoor de schuld bij zichzelf, dan leest hij dapper voort en laat zich betoveren door de verbeeldingskracht van de schrijver. Doet hij dat niet en blijft hij wakker, dan stelt hij vast hoe Stefan Hertmans gaandeweg de trappers verliest. Er sluipen leugens in het boek, de geweldscènes zijn al te bloederig, het tragische einde van Hamoutal is als een opera: alle registers worden opengetrokken. En dan, na al dat drama, schakelt de schrijver doodleuk over naar een nauwgezet verslag van zijn bronnenonderzoek.

De poëtische schrijver verandert opeens in een nuchtere wetenschapper. En het gaat niet om een nabeschouwing, de transformatie maakt deel uit van de roman. Zo eindigt het voortdurende pendelen tussen twee werelden: terwijl Hamoutals lijk op een eenzame plek ligt te vergaan, vertelt de schrijver over document T-S 12.532 en document T-S 16.100. Alsof er niets gebeurd is, alsof het hele drama niet heeft plaatsgevonden, alsof de schrijver zich totaal niet bewust is van zijn metamorfose. Stefan Hertmans lijkt uiteen te vallen in twee personen die van elkaar niet afweten: de gevoelige kunstenaar en de kille wetenschapper. Nochtans lijkt het hem juist voor de wind te gaan: hij heeft net een wetenschappelijke ontdekking gedaan en ook in de literaire wereld staat hij op het punt roem te verwerven. Maar is dat niet het beeld van de moderne mens? Uiterlijk lijkt hij alles onder controle te hebben, maar innerlijk valt hij uit elkaar. Er heerst chaos in zijn ziel en hij is zich niet bewust van de diepe kloof die haar in twee splijt. 

Stefan Hertmans is het prototype van de geslaagde kunstenaar. Hij heeft alles wat hij zich maar kan dromen: een mooi huis in de Vlaamse Ardennen, een buitenverblijf in het Franse Zuiden, succes als schrijver, aanzien als intellectueel. En hij ziet er nog goed uit ook. Maar dit godenkind schrijft wel een boek dat het verhaal vertelt van iemand die over de drempel gaat en kranzinnig wordt. Op het eerste gezicht gaat het over een middeleeuws meisje, maar omdat de vorm van het boek precies hetzelfde verhaal vertelt, gaat het ook over Stefan Hertmans zelf. Hij beschrijft in zijn boek dus haarfijn hoe het er in zijn eigen gespleten ziel aan toe gaat, hoe ze wanhopig probeert zichzelf te helen door voortdurend heen en weer te pendelen over de kloof die haar in twee deelt. Maar het leidt er alleen maar toe dat die ziel helemaal uit elkaar valt en hij dus in zekere zin krankzinnig wordt. Het is de Strange case of dr. Jekyll and mr. Hyde, met dat verschil dat Stefan Hertmans er zich totaal niet bewust van is.  

Vakantielectuur (5)

  

Kunst weerspiegelt de wereld waarin we leven, letterlijk maar vooral figuurlijk. Vandaag staat die wereld in het teken van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt opnieuw contact met de geestelijke wereld waarvan ze zich eerst met veel moeite heeft losgemaakt om haar vrijheid te veroveren. Die vrijheid staat nu op het spel. Gaat de moderne mens over de drempel mét of zonder behoud van zijn vrijheid? Dat is de vraag. Hij moet kiezen tussen twee manieren om over de drempel te gaan, en juist die twee manieren worden zichtbaar in de kunst. Het duidelijkst gebeurt dat in de beeldende kunst. Daar wordt de moderne mens geconfronteerd met twee totaal verschillende kunsten – een oude en een nieuwe – die staan voor de twee manieren waarop hij vandaag over de drempel kan gaan. Hij ondervindt er ook hoe moeilijk de keuze is: er wordt ontzettend grote druk op hem uitgeoefend opdat hij niet zou kiezen, opdat hij geen onderscheid zou maken tussen beide mogelijkheden.

Niet kiezen betekent onbewust kiezen voor de nieuwe kunst, die zich nadrukkelijk als ‘drempeloverschrijdend’ presenteert en iedere kritiek afdoet als conservatief, dom en bekrompen. Deze kunst trekt een scherpe grens door de kunstwereld en verdeelt hem in (vooruitstrevende) kunstliefhebbers en (achterlijke) cultuurbarbaren. Ze scheidt de geesten en laat er geen twijfel over bestaan welke de goede en welke de slechte zijn. Wie voor de nieuwe kunst kiest, maakt de goede keuze, wie dat niet doet, valt uit de boot en maakt niet langer deel uit van het beschaafde deel van de mensheid. Zo expliciet wordt het natuurlijk niet gezegd, want dat zou de kritische kunstliefhebber wantrouwig maken. Nee, de scheiding wordt ontkend, het onderscheid tussen oud en nieuw uitgewist, de keuze weggemoffeld. De kunstliefhebber wordt in de waan gebracht dat hij juist niet moet kiezen, dat hij oud én nieuw moet omarmen, dat hij inclusief, verbindend, verdraagzaam, niet-polariserend, ruimdenkend, enzovoort moet zijn. 

Je moet het de tegenmachten nageven: ze gaan uiterst geraffineerd te werk, ze weten wat ze doen. Ze moeten over een diep inzicht in de drempeloverschrijding beschikken, anders zouden ze de moderne mens niet zo verregaand kunnen manipuleren. Want hun misleidingspogingen zijn een doorslaand succes. Niemand maakt nog onderscheid tussen de oude en de nieuwe kunst, niemand spreekt nog over de diepe kloof die de kunstwereld in twee splijt. Niemand maakt een keuze, niemand oordeelt. Men gaat blindelings over de drempel zonder te beseffen dat men daardoor (onbewust) de scheiding der geesten doorvoert waar men zich (bewust) tegen verzet. Men doet met andere woorden precies het tegenovergestelde van wat men denkt en beweert te doen. In de stellige overtuiging aan de goede kant te staan, laten kunstliefhebbers zich leiden als makke schapen en maken geen enkel onderscheid meer, zelfs niet het meest voor de hand liggende. Ze verkwanselen vrolijk hun vrijheid. 

Het is pijnlijk en beschamend om het meest ontwikkelde deel van de mensheid – de intellectuelen, de kunstliefhebbers – zo massaal in de val te zien lopen. Bovendien lopen steeds meer mensen deze keurtroepen blindelings achterna en willen niets liever dan ook tot de ‘hogere’ wereld van deze ingewijden te behoren. Iedereen lijkt in de ban te zijn van de drempeloverschrijding en de scheiding der geesten. Iedereen is als bezeten door de drang om aan ‘de goede kant’ te staan en beseft niet dat hij juist daardoor aan de ‘verkeerde kant’ terechtkomt. Bij alle bewondering die men kan hebben voor het raffinement en het inzicht van de tegenmachten, is het toch vreselijk om te zien hoe ze de ontwikkeling van de mens stopzetten en hem dwingen rechtsomkeer te maken. Daarom is het zaak het hoofd koel te houden en van de gelegenheid gebruik te maken om hun manier van werken te doorgronden en hen aldus het ‘goud’ van hun inzicht in de drempeloverschrijding te ontfutselen. 

Dat wil ik eens proberen aan de hand van ‘De Bekeerlinge’, het jongste boek van Stefan Hertmans, een alom gerespecteerd schrijver en intellectueel die niemand ervan zou durven verdenken gemene zaak te maken met de tegenmachten. Zijn boek ziet er op het eerste gezicht bewonderenswaardig uit, zowel in artistiek opzicht (een meesterwerk, een cruciaal boek, de bevestiging van een gigatalent) als in moreel opzicht (maatschappij-kritisch, sociaal bewogen, solidair met vluchtelingen en vervolgden). Het wordt dan ook de hemel in geprezen. Het heeft zijn eerste literaire prijs al binnen en er zullen ongetwijfeld nog volgen. Het internet staat vol met lofzangen. Ze zijn niet alleen lyrisch, maar ook unaniem. Een kritisch woord is vrijwel niet te vinden. Zoveel enthousiaste bewondering maakt ‘De Bekeerlinge’ los dat de kritische lezer wel twee keer zal nadenken voor hij het waagt dit feestje te verstoren. En toch. Zo fraai is het allemaal niet wat Stefan Hertmans in dit boek doet. 

Laat ik beginnen met de inhoud. Die bestaat uit twee verhalen. Het ene speelt zich af in de middeleeuwen, en is gebaseerd op ware feiten. Als een archeoloog heeft Stefan Hertmans het verleden gereconstrueerd aan de hand van schaarse overblijfselen. Dat heeft hij met veel verbeeldingskracht en in levingsvermogen gedaan, maar in het andere verhaal, waarin hij het relaas doet van zijn ‘wetenschappelijk onderzoek’, wijst hij nadrukkelijk op het objectieve karakter van zijn boek. Ik keek er dan ook van op toen ik merkte dat hij de middeleeuwse wereld verdeelt in beschaafde moslims en joden enerzijds en barbaarse christenen anderzijds. Alsof deze laatsten geen kathedralen bouwden, alsof hun kloosters niets voorstelden vergeleken bij de synagogen en de moskeeën. Natuurlijk maakten joden en moslims deel uit van oude, eerbiedwaardige beschavingen en was het christelijke Europa nog jong en wild, maar Stefan Hertmans maakt er een bij momenten groteske karikatuur van. 

Helemaal uit de bocht gaat hij wanneer hij de kruisvaarders voorstelt als een opportunistische troep plunderaars die een spoor van dood en vernieling trekken door de moslimwereld en er zo de oorzaak van zijn dat het islamitische begrip jihad (dat oorspronkelijk ‘innerlijke strijd’ betekende) nu ook de betekenis krijgt van ‘heilige oorlog’. Alsof het Spaanse Al Andalus niet bestond, alsof moslims niet al zowat driekwart van de christelijke wereld – met het zwaard – veroverd hadden en nog eeuwen zouden proberen ook het resterende deel in hun macht te krijgen. Hun heilige oorlog bestond al veel langer en was helemaal niet het gevolg van de kruistochten. Het was net andersom: de kruistochten waren een reactie op de moslimagressie waaronder de christenen al zolang te lijden hadden en die nog zou duren tot in de 18de eeuw. Als christelijk Europa zich niet met hand en tand verzet had tegen deze agressie, dan zou het onder de voet zijn gelopen en zouden we vandaag allemaal moslims zijn. 

Stefan Hertmans keert de waarheid dus zonder meer om, en de nadruk die hij legt op zijn ‘wetenschappelijke’ werkwijze maakt van deze omkering een regelrechte leugen. Het is bovendien een kwaadaardige leugen, want de oude moslimagressie laait vandaag weer op: over de hele wereld worden aanslagen gepleegd, christenen vervolgd en kerken vernield. Overal waar ze komen dringen moslims hun levenswijze en wetten op, om nog maar te zwijgen over het antisemitisme dat ze verspreiden. Stefan Hertmans draagt ertoe bij dit moslimgeweld te verontschuldigen door het in zijn boek voor te stellen als het wanhopige verzet van mensen die al sinds het ontstaan van de islam het slachtoffer zijn van barbaarse christenen. Met dat soort leugens werden in het verleden genocides ontketend en een mens vraagt zich af waarom een beschaafd, onderlegd en kunstzinnig man als Stefan Hertmans zich leent tot dergelijke oorlogspropaganda, want daar komt het uiteindelijk op neer.

Waarom stelt Stefan Hertmans zijn kunst ten dienste van haat, geweld en fanatisme? Waarom gebruikt deze vreedzame man zijn literaire talent om – geraffineerde – oorlogstaal te spreken? Die vragen zijn des te belangrijker omdat Stefan Hertmans geen uitzondering is, wel integendeel. Zowat de gehele artistieke wereld – zeker hier in Vlaanderen – is politiek-correct. Schrijvers, kunstenaars, critici, kunstliefhebbers: allemaal bewijzen ze lippendienst aan de leugenmachine die dag en nacht draait, allemaal steunen ze ‘de enige, echte waarheid’ die geen tegenspraak duldt en de leugen neerslaat. Waarom doen ze dat? Waarom verlagen kunstenaars zich tot zo’n slaafs, onderdanig gedrag? De reden valt niet ver te zoeken: omdat ze er anders niet meer bijhoren, omdat de toegang tot de kunstwereld hen dan wordt ontzegd. En dat is een vreselijke straf, want zonder kunstwereld kunnen kunstenaars niet overleven. Ze zijn dus politiek-correct omdat hun bestaan als kunstenaar ervan afhangt, ze onderwerpen zich om te overleven.

Dat laatste hebben kunstenaars altijd moeten doen, maar ze slaagden er steeds weer in om hun kunst te vrijwaren: ze onderwierpen zich wel uiterlijk, maar niet innerlijk. Vandaag lukt hen dat niet meer. Ze zien zich verplicht hun laatste troef uit te spelen: de kunst zelf. Terwijl ze hun onafhankelijkheid, tegendraadsheid en authenticiteit van de daken schreeuwen, onderwerpen ze zich innerlijk. Ze verkopen hun ziel aan de duivel. Dat leidt tot de paradox dat ze, om kunstenaar te kunnen blijven, hun kunst … vernietigen. Want een onderworpen kunst is geen kunst. Een kunst die dienstbaar gemaakt wordt aan het verkondigen van ideeën, houdt op een kunst te zijn. Als die ideeën ook nog eens grove leugens blijken te zijn, verandert de kunst in haar tegendeel: ze wordt een anti-kunst. Dat doet de vraag rijzen: weten kunstenaars dat? Offeren ze hun kunst bewust en vrijwillig op? Het antwoord ligt voor de hand: geen enkele kunstenaar keert zich willens en wetens tegen zijn kunst. Integendeel, hij heeft er juist alles voor over, tot zelfs zijn leven.

In de kunstwereld heerst vandaag een tragische onbewustheid, het soort onbewustheid waarvan je zegt: vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen! Hedendaagse kunstenaars weten inderdaad niet meer wat ze doen. Ze zouden ontzet zijn als ze het wisten, want de blinde vlek in hun bewustzijn is er de oorzaak van dat ze de kunstwereld in een slagveld hebben herschapen. Honderd jaar reeds voeren ze oorlog tegen de kunst, in naam van de kunst. Zolang ze zich niet bewust worden van die zelfvernietigende oorlog, zal hij blijven voortduren. Uiteindelijk zal hij de menselijke beschaving aan de rand van het graf brengen. De grote vraag luidt dan ook: wat heeft deze ‘blinde vlek’ veroorzaakt? Wat heeft kunstenaars zover gebracht dat ze zich zonder het te beseffen tegen hun kunst keerden? Wat heeft hen het bewustzijn doen verliezen? Het antwoord luidt: de drempeloverschrijding. Daar moet de oorzaak van hun zelfvernietigende onderdanigheid worden gezocht.

Wie over de drempel gaat, laat zijn zelfbewustzijn achter, hij geeft zich over aan de geest en keert ‘verfrist’ of ‘geheeld’ weer terug. Tenminste als alles goed gaat. En dat is in onze tijd zeker niet het geval, want de moderne kunstenaar gaat (net als iedereen) onbewust over de drempel. ‘Onbewust’ betekent hier: zonder het bewust en vrijwillig achterlaten van het zelfbewustzijn, zoals we dat doen bij het inslapen. Iedere avond geven we ons over aan de onbewustheid van de nacht, bij vol bewustzijn, zonder de minste angst of terughouding. Wanneer we echter onbewust over de drempel gaan, laten we ons zelfbewustzijn niet los, we nemen we het mee de geestelijke wereld in. En daar gaat het fout: ons zelfbewustzijn kan (de rijkdom van) die wereld niet verteren, het wordt erdoor verdoofd, zoals wanneer we teveel gegeten hebben en slaperig worden. Met dat verdoofde bewustzijn keren we dan terug in de materiële wereld, zonder te beseffen dat we half slapen. Integendeel, we voelen ons wakkerder dan ooit. 

Op die manier ontstaat het – verbijsterende – verschijnsel van de politiek-correcte mens die meent eindelijk het licht gezien te hebben, die vol enthousiasme en zelfvertrouwen is, maar die niet wakker meer is. Hij maakt geen onderscheid meer tussen geest en materie, beide werelden vermengen zich in zijn slaperige bewustzijn en veroorzaken de chaos die we met de dag zien toenemen. De politiek-correcte mens heeft de zin voor aardse verhoudingen verloren, maar hij heeft evenmin een beeld van de geestelijke verhoudingen. Hij leeft in een ‘schimmenrijk’, een soort tussenwereld waar alles door elkaar loopt en iedereen in een roes verkeert. Het is deze schimmige tussenwereld die gestalte krijgt in de kunst. Want kunstenaars zijn zich weliswaar niet bewust van de drempeloverschrijding zoals ze vandaag plaatsvindt, maar ze brengen hem, ondanks zichzelf, toch in beeld. Ze hebben altijd de geestelijke dimensies van de werkelijkheid zichtbaar gemaakt in hun werk en dat doen ze nog. 

Vakantielectuur (4)

  

De mensheid gaat over de drempel, en diep van binnen weet ze dat. De hedendaagse angst voor racisme is daar een teken van. Die angst wordt gerechtvaardigd door te wijzen op racistisch gedrag en heroplevend nazisme. Maar beide zijn marginale verschijnselen die geen noemenswaardig gevaar opleveren. Toch wordt racisme beschouwd als de grootste bedreiging voor de wereldvrede en brengt het talloze mensen buiten zichzelf van verontwaardiging. De oorzaak van hun irrationele gedrag moet dan ook niet op materieel maar op geestelijk vlak worden gezocht. Wie over de drempel gaat, wordt een ander mens. Aangezien dat vandaag onbewust gebeurt, kan het ten goede of ten kwade uitdraaien. Het gevolg is een scheiding der geesten die zo ingrijpend is dat ze uiteindelijk zal leiden tot een scheiding van twee menselijke ‘rassen’: degenen die hun ontwikkeling voortzetten en degenen die afglijden naar een dierlijke staat. De kloof tussen beide zal steeds groter worden tot ze ten slotte niet langer overbrugbaar is. 

Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht, en de hysterische reacties op alles wat mensen van elkaar scheidt (ras, geslacht, grenzen, religie, enzovoort) wijzen erop dat dit ‘drempelweten’ in de mens leeft. Het dringt echter niet door tot zijn bewustzijn, want dat accepteert geen geestelijke oorzaken. Als gevolg daarvan wordt de toekomstige ‘rassenscheiding’ geprojecteerd op het huidige rassenonderscheid en worden de onschuldigste verschillen tussen mensen opgeblazen tot misdaden tegen de mensheid. Paradoxaal genoeg veroorzaakt dat nu reeds de gevreesde scheiding: de mensheid wordt verdeeld in inferieure racisten en superieure antiracisten. Maar zou het beter zijn als het ‘drempelweten’ werkelijk doordrong tot het moderne bewustzijn en de mensheid besefte wat haar te wachten staat? Zou iedereen dan niet alles in het werk stellen om ‘aan de goede kant’ te staan en zich te distantiëren van het verdierlijkende, inferieure deel van de mensheid? Zou met andere woorden niet precies hetzelfde gebeuren als nu?

Dit onbewuste ‘drempelweten’ omtrent de toekomstige scheiding der mensheid leeft ook bij schrijvers en kunstenaars. Ook zij doen er alles aan om ‘aan de goede kant’ te staan, en dit onbewuste streven heeft ook in de kunstwereld een diepe kloof geslagen. Het heeft niet alleen twee totaal verschillende kunsten in het leven geroepen – een ‘hogere’ en een ‘lagere’ – het heeft ook het publiek verdeeld in twee kampen. Naast kunstliefhebbers bestaan er nu ook kunsthaters: mensen die een diepe afkeer voelen voor de nieuwe, hogere kunst en aldus verraden dat ze tot het oude, achterop rakende deel van de mensheid behoren. Deze scheiding der geesten is een novum. Nooit voordien is er sprake geweest van mensen die kunst haatten. De man in de straat voelde altijd een vanzelfsprekende bewondering en zelfs eerbied voor de kunst. Die was dan ook nauw verbonden met de religie. Pas na het verbreken van deze verbinding is de gewone man zich tegen de kunst beginnen keren.

In de kunstwereld zien we dus precies hetzelfde gebeuren als daarbuiten: het ‘drempelweten’ roert zich in kunstenaars en kunstliefhebbers, ze worden gegrepen door het apocalyptische beeld van de scheiding van kaf en koren, maar dat dringt niet tot hun bewustzijn door. Uit angst om bij het kaf terecht te komen, stellen ze alles in het werk om zich te onderscheiden van het achterblijvende, tot barbaarsheid vervallende deel van de mensheid en veroorzaken op die manier precies datgene wat ze willen vermijden. Want een mens verhoogt zich niet door anderen te verlagen, door hen voor te stellen als racisten of cultuurbarbaren. Daardoor creëert hij juist de uitzichtloze strijd die de hele mensheid naar beneden haalt: de strijd tussen de superieure culturelen en de inferieure barbaren. Aangezien die strijd aangevuurd wordt door het schrikbeeld dat het drempelweten in het onderbewuste van de mens heeft geplant, ligt de enige remedie tegen deze zelfvernietigende strijd in de bewustwording van dit drempelweten. 

Maar juist die bewustwording plaatst de mens voor een schijnbaar onoplosbaar dilemma. Wie zich bewust wordt van de drempeloverschrijding realiseert zich namelijk hoe cruciaal ze is. De moderne mens bevindt zich in dezelfde situatie als een pasgeboren kind. Met ontzettend veel moeite en pijn heeft hij zich losgemaakt van de geestelijke wereld – zijn moederlichaam – en is ‘op aarde’ gekomen. Hij is een zelfstandig wezen geworden, een vrij mens. Maar daarvoor heeft hij een zware prijs betaald: hij is weerloos geworden als een pasgeboren kind. Zonder zijn ‘moeder’ is hij een vogel voor de kat. Als hij er niet in slaagt zich weer te verbinden met de geestelijke wereld, dan kan hij zijn vrijheid niet overleven. De moderne mens begint dat steeds sterker aan te voelen naarmate zijn stuurloosheid toeneemt. Langzaam maar zeker dringt het besef van de drempel in zijn bewustzijn door en realiseert hij zich in welk gevaar hij verkeert. Zijn drang om over de drempel te gaan wordt steeds groter en onbedwingbaarder.

Maar hetzelfde bewustzijn dat hem zo dringend aanmaant om over de drempel te gaan, weerhoudt hem ook van die drempeloverschrijding. Niemand raakt immers over de drempel als hij zijn zelfbewustzijn niet opgeeft. Dat is een absolute voorwaarde om in de geestelijke wereld te kunnen komen, of het nu bij het inslapen is, het sterven, of het overschrijden van de drempel – drie variaties op hetzelfde thema. Telkens moet er afscheid worden genomen van het gewone, dagelijkse zelfbewustzijn. En juist dat valt de moderne mens heel zwaar. Niet alleen lijdt hij in toenemende mate aan slapeloosheid, ook zijn sterven wordt eindeloos lang gerekt, en voor de drempeloverschrijding deinst hij verschrikt terug. Hij zit zo vast in zijn lichaam dat hij er niet meer uit raakt, zijn zelfbewustzijn is zo groot geworden dat hij het niet meer opzij kan zetten. Als een onverbiddelijke wachter aan de drempel staat dit lichaamsbewustzijn, dit bewustzijn van zijn aardse zelf, de zo noodzakelijke drempeloverschrijding in de weg.

Deze ‘wachter aan de drempel’ is echter niet zomaar een spelbreker. Hij is van levensbelang, want hij verhindert de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid kwijt te spelen door roekeloos over de drempel te gaan. Dat is namelijk het grote gevaar dat hem momenteel bedreigt. Zijn drang om te overleven dwingt hem over de drempel te gaan en zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven. In feite bevindt hij zich in een vergelijkbare situatie als de concentratiekampbewoner na de bevrijding. Uitgehongerd werpt hij zich op het voedsel dat hem van alle kanten aangeboden wordt. Maar hij is zo zwak geworden dat hij het niet kan verteren en hij bezwijkt onder datgene wat hem moest redden. Wat vele jaren van ontbering en ellende niet gekund hebben, wordt door enkele dagen van overvloed bereikt. Hetzelfde overkomt de moderne mens: na eeuwen van materialisme gaat hij over de drempel en komt weer in contact met de geest. Zijn geestelijke honger is echter zo groot dat hij ‘zwelgt’ in de geest en eronder bezwijkt. 

Dankzij de geestelijke ‘uithongering’ van het materialisme heeft de mens zijn vrijheid veroverd en is hij een zelfstandig Ik geworden. Hij is met andere woorden ‘geboren’ en net als een pasgeboren kind kan hij maar aan één ding denken: drinken. De natuur heeft het zo geregeld dat een kind weer in slaap valt wanneer het genoeg gedronken heeft: het keert weer terug naar de (geestelijke) wereld waar het vandaan kwam. Slechts heel geleidelijk wordt het wakker voor zijn nieuwe, aardse wereld. Op geestelijk vlak bezit de ‘pasgeboren’ mens dat instinct echter niet meer. Hij is immers vrij geworden. Hij moet nu zelf beslissen hoeveel hij ‘drinkt’ en wanneer hij ‘in slaap valt’. Aangezien hij zich echter niet bewust is van het geestelijk voedsel dat nu opnieuw voorhanden is, blijft hij drinken om die bodemloze put in zijn ziel te vullen. Zijn zelfbewustzijn kan al die ‘geestelijke drank’ niet verteren en bezwijkt: hij raakt zijn zwaar bevochten vrijheid kwijt. Dat is het gevaar waarvoor de wachter aan de drempel hem wil behoeden.

Het onvermogen van de moderne mens om zichzelf te vergeten, zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven en over de drempel te gaan, is een ‘reddend’ onvermogen. Het belet de mens zijn Ik in te ruilen voor geestelijk voedsel á volonté en aldus zijn ziel aan de duivel te verkopen. Want het zijn de tegenmachten die de moderne mens overladen met geestelijk voedsel (dat zij in een materialistische ‘verpakking’ steken zodat de moderne mens geen argwaan krijgt). Achter de grote idealen die hem momenteel in vuur en vlam zetten – vrijheid, gelijkheid, solidariteit, naastenliefde, verdraagzaamheid, progressiviteit, diversiteit, enzovoort – gaan geestelijke wezens schuil waardoor hij ‘geknecht’ wordt omdat hij er zo mateloos in zwelgt. Op zich zijn deze wezens goed, maar ze worden een kwaad als hij er geen afstand kan van houden en zich blindelings in hun armen werpt. En dat is waar de tegenmachten de moderne mens toe aanzetten: ze willen dat hij ongecontroleerd en onbeheerst over de drempel gaat. 

Het dilemma waarmee de moderne mens geconfronteerd wordt, ziet er dus als volgt uit. Als hij er niet in slaagt over de drempel te gaan en zich weer verbinden met de geestelijke wereld, dan gaat hij ten gronde. Hij valt dan ten prooi aan aardse krachten die een hapklare brok in hem zien en zonder scrupules gebruik maken van zijn kinderlijke weerloosheid. Gaat hij echter over de drempel zoals hij dat nu doet en zwelgt hij onbewust in de geest, dan betekent dat eveneens zijn ondergang. Hij wordt dan tot slaaf van de tegenmachten die hem africhten als een dier. De oplossing ligt voor de hand: de mens moet voorzichtig, stap voor stap over de drempel gaan. Hij moet met mondjesmaat geestelijke voedsel tot zich nemen zodat hij het kan leren verteren. Anders gezegd, hij moet de gulden middenweg vinden tussen de geest die hem over de drempel wil trekken en de materie die hem daarvan wil terughouden. Het probleem is echter dat deze krachten allebei zo sterk zijn geworden dat het niet meer mogelijk is ze in evenwicht te houden. 

De tijd van het gulden midden is voorbij. Wat sinds oeroude tijden als het grootste goed werd beschouwd, wordt vandaag als het grootste kwaad ervaren. De moderne mens heeft een onoverwinnelijke afkeer ontwikkeld voor het gulden midden, denken we maar aan de haatrelatie tussen links en rechts. Het is een (zoveelste) teken dat de mens diep van binnen weet heeft van de scheiding der geesten en beseft dat er moet gekozen worden. Dat doet hij dan ook met een ongelooflijke hartstocht: hij kiest partij op alle mogelijke gebieden. Maar hij kiest niet bewust, hij beseft niet waartussen hij kiest. Deed hij dat wel dan zou het grote dilemma hem voor ogen staan en zou hij beseffen hoe ontzettend moeilijk, ja zelfs onmogelijk, die keuze is. Want wat hij ook kiest, het loopt verkeerd af. De onmacht waarmee (de bewustwording van) dit dilemma hem vervult, zal hem echter vroeg of laat doen beseffen dat er nog een derde mogelijkheid is, dat hij niet moet kiezen tussen wel of niet over de drempel gaan, want dat is een valse keuze.

De moderne mens heeft helemaal niet de keuze om al dan niet over de drempel te gaan. De drempeloverschrijding is een feit: de mens gaat over de drempel, of hij dat nu wil of niet. Hij komt in contact met een overvloed aan geestelijk voedsel, of hij dat nu weet of niet. En eten doet hij, hoe dan ook. Maar hoeveel en hoe snel hij eet, dat kan hij zelf bepalen. Zijn vrijheid ligt in de manier waarop hij over de drempel gaat: beheerst of onbeheerst. Daaruit bestaat ook de keuze die hij moet maken en die zal bepalen of hij uiteindelijk bij het kaf of het koren terechtkomt: hij moet kiezen tussen de goede en de slechte manier om over de drempel te gaan. Maar om te kunnen kiezen moet hij beide manieren eerst kennen. Eigenlijk is er geen onderscheid tussen kiezen en kennen. Een mens kan niet kiezen als hij beide keuzemogelijkheden niet kent. Hij gokt dan alleen maar, zijn keuze is willekeurig. Een vrije keuze is het pas wanneer er ook bewustzijn is, wanneer er duidelijk onderscheid gemaakt wordt.

En dat onderscheid kunnen we leren in de kunst. Zij toont ons de juiste manier om over de drempel te gaan want zij komt voort uit de oude mysteriën, zij is de openbaarmaking van de drempeloverschrijding die daar plaatsvond. Maar sinds de Grote Drempeloverschrijding begon, toont zij ons ook de verkeerde manier en maakt zij ons duidelijk hoe moeilijk de keuze is. Zij confronteert ons op een relatief veilige manier met de tegenmachten die proberen het onderscheid tussen beide ‘manieren’ te verdoezelen en een vrije keuze onmogelijk te maken. In de beeldende kunsten is de confrontatie brutaal en choquerend, want het gaat hier om de meest materiële en dus ‘harde’ onder de kunsten. In de veel ‘geestelijker’ literatuur verloopt de confrontatie geraffineerder en onopgemerkter, maar ook hier kan men hetzelfde onderscheid maken. En dat wil ik eens proberen aan de hand van twee boeken: ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans en een Maigretroman van Georges Simenon. 

Vakantielectuur (3)

  

Een tijdje geleden trof ik op de keukentafel ‘De Bekeerlinge’ aan, het jongste boek van Stefan Hertmans. An had het cadeau gekregen bij een of andere gelegenheid en aangezien ze geen aanstalten maakte om het te lezen, besloot ik het eens in te kijken. Op de achterflap las ik dat het om ‘een meesterwerk’ ging, een ‘cruciaal boek’, ‘de bevestiging van een gigatalent’. Kijk eens aan, dacht ik, nog maar eens een meesterwerk! Als je achterflappen mag geloven, verschijnt er iedere week wel ergens een meesterwerk. Niet te geloven hoeveel genieën er tegenwoordig rondlopen! Jammer genoeg blijken ze meestal saaie en vervelende boeken te schrijven waar ik niet doorheen raak en die me de zin ontnemen ooit nog een moderne roman te lezen. Dat was deze keer gelukkig niet het geval. Tot mijn verbazing las ik ‘De Bekeerlinge’ helemaal uit. Stefan Hertmans kan dus schrijven, daar valt niet op af te dingen. Maar een meesterwerk? Een cruciaal boek? De bevestiging van een gigatalent? Kom, kom, kom. 

Waarover gaat het? Een christenmeisje uit de 11de eeuw wordt verliefd op een joodse jongen, loopt weg van huis, bekeert zich, moet vluchten voor de christenen en eindigt ten slotte half krankzinnig in een afgelegen dorp in de Provence. In dat dorp heeft de schrijver toevallig een buitenverblijf en hij komt zijn onderwerp op het spoor, niet door een oud manuscript dat hij op zolder ontdekt, maar door een buurman die hem een tijdschriftartikel over de streek bezorgt. Het recept dat hij vervolgens gebruikt, is bekend: twee verhalen worden door elkaar gevlochten. Het ene speelt zich af in de Middeleeuwen, het andere in onze tijd. De lezer volgt het meisje Hamoutal op haar tocht dwars door Europa, en tegelijk volgt hij ook Stefan Hertmans die research doet voor zijn boek en zijn hoofdpersonage achterna reist, zij het dan met de auto. Het duurt niet lang voor de lezer de boodschap van het boek doorheeft: de geschiedenis herhaalt zich – zoals Hamoutal destijds werd opgejaagd, zo worden ook vandaag weer vluchtelingen opgejaagd. 

Stefan Hertmans brengt deze boodschap niet alleen over door het twee-verhalenprocédé maar ook door de manier waarop hij de wereld van joden en moslims tegenover die van de christenen plaatst. Door de eersten wordt Hamoutal met liefde opgevangen en verzorgd, door de laatsten wordt ze ongenadig achtervolgd. De joodse en islamitische wereld wordt in poëtische en positieve termen beschreven, de christelijke wereld in ruwe en negatieve bewoordingen. De tegenstelling is zo groot dat het bij momenten karikaturaal wordt. Moslims en joden zijn zowat synoniem met beschaving, menselijkheid en verfijning, christenen met barbaarsheid en primitiviteit. Als deze laatsten in ‘De Bekeerlinge’ op het toneel verschijnen, spat het bloed in het rond. Met name die bloederige passages doen de lezer het voorhoofd fronsen. Ze contrasteren zo fel met de dichterlijke, peinzende atmosfeer die Stefan Hertmans weet op te roepen dat duidelijk is dat de schrijver zich eens goed heeft laten gaan. Zijn afkeer voor het christendom is blijkbaar sterker dan hemzelf.

Het doet me denken aan wat mijn leraar ooit zei over een collega: ‘hij heeft onmiskenbaar talent, maar de vraag is wat hij ermee doet!’ Stefan Hertmans kan schrijven, dat staat buiten kijf, maar hij stelt zijn talent ten dienste van een boodschap. Daarom is ‘De Bekeerlinge’ geen goed boek. Het is, om de terminologie van Rudolf Steiner te gebruiken, geen poging om de zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee te gieten, het is een poging om een idee in een zintuiglijk kleedje te steken. Dat is op zich al onkunstzinnig, maar de idee (of de boodschap) die Stefan Hertmans aanschouwelijk wil maken, is ook nog eens zo onpersoonlijk, zo dubieus en zo politiek-correct dat zijn dienstbaarheid een vorm van slaafsheid wordt. Hij laat zich ‘knechten’ door de boodschap die hij wil brengen. En die onderdanigheid wordt goed beloond: ‘De Bekeerlinge’ wordt een meesterwerk genoemd, het boek is al in de prijzen gevallen, en de auteur wordt door sommigen zelfs al voorgedragen voor de Nobelprijs.

Je zou voor minder door de knieën gaan. Moderne schrijvers en kunstenaars doen dat dan ook in groten getale. Allemaal verkondigen ze dezelfde politiek-correcte boodschap, allemaal zijn ze zo slaafs en onderdanig dat je je schaamt in hun plaats, en allemaal zijn ze zich van geen kwaad bewust. Maar dat laatste klopt toch niet helemaal. In de kunst kun je niet liegen, je kunt je niet verbergen, de waarheid komt hoe dan ook aan het licht. Kunstenaars weten dat. Wie hun kunst als kunst benadert en dus niet alleen oog heeft voor de inhoud maar ook – en vooral – voor de vorm, kan niet om de tuin geleid worden. In dat opzicht is ‘De Bekeerlinge’ een voorbeeld van wat er gebeurt als een schrijver dat toch probeert, als hij zijn talent gebruikt om de lezer een boodschap in de maag te splitsen. Aan dat (zelf)bedrog wijdt Stefan Hertmans zijn beste krachten, maar de vorm van zijn boek verraadt hem. En aangezien hij die vorm zelf geschapen heeft, is het alsof hij stiekem hoopt dat de lezer hem zal ontmaskeren.

Het meest opvallende vormkenmerk van ‘De Bekeerlinge’ is het twee-in-één verhaal. We zijn getuige van het dramatische leven van Hamoutal, maar tegelijk zien we Stefan Hertmans koffie drinken voor het venster van zijn buitenverblijf, en mijmeren over wat zich daar duizend jaar geleden (misschien) heeft afgespeeld. Hij presenteert zichzelf dus als een welgestelde burgerman die, als het hem thuis even teveel wordt, kan wegvluchten naar het Zuiden van Frankrijk. Dit keer doet hij dat omdat hij een boek wil schrijven en daartoe volgt hij per auto de weg die Hamoutal te voet aflegde. Het naast elkaar plaatsen van deze twee vluchtroutes heeft iets potsierlijks: de harde overlevingstocht van het middeleeuwse meisje en de comfortabele autorit van de moderne schrijver. We volgen de auteur op zijn tocht langs de autostrades van Frankrijk, terwijl hij af en toe stopt op een plek waar vroeger een joodse synagoge stond en nu een Aldi. Een enkele keer bezoekt hij ook een archeologische site of een bibliotheek, maar spannender dan dat wordt het niet.

Het raamverhaal is zo banaal en vervelend dat je je gaat afvragen waarom Stefan Hertmans het überhaupt in zijn boek heeft opgenomen. Niet alleen draagt het niets bij tot het andere verhaal, maar het doet er zelfs afbreuk aan. Toen ik het boek voor het eerst las, duurde het zowat 20 bladzijden voor ik begreep waarover het ging. De manier waarop de schrijver beide verhalen met elkaar vermengt, is niet alleen verwarrend maar ook ergerlijk. Hij vertelt het verhaal van Hamoutal op boeiende wijze, maar telkens weer opnieuw verbreekt hij de betovering om de lezer lastig te vallen met zijn eigen besognes. Het is als een film die zoveel gebruik maakt van flash-backs dat de kijker algauw niet meer weet waar hij het heeft. ‘De Bekeerlinge’ zou een beter boek zijn geweest als dat tweede verhaal, het verhaal van de schrijver, gewoon was weggelaten. Maar dan zou het natuurlijk wel een stuk dunner zijn geworden en de link tussen heden en verleden zou minder dik in de verf staan. 

Heeft Stefan Hertmans werkelijk (de kwaliteit van) zijn boek opgeofferd om zijn politiek-correcte boodschap beter te doen overkomen en daar dan de beloning voor op te strijken? Het is in ieder geval een feit dat hij als schrijver pas echt bij het grote publiek is doorgebroken toen hij de Zeitgeist nadrukkelijk eer begon te bewijzen, eerst met ‘Oorlog en Terpentijn’ dat – toevallig – samenviel met de herdenkingen van de eerste wereldoorlog, en nu met ‘De Bekeerlinge’ dat – al even toevallig – samenvalt met de migrantenproblematiek. Hij is trouwens niet de enige die dat doet. Moderne schrijvers en kunstenaars zijn opvallend gevoelig geworden voor wat er van hen verwacht wordt en voor wat hen roem en eer (en een buitenverblijf in Frankrijk) oplevert. Daar zijn ze natuurlijk altijd gevoelig voor geweest – de ‘gewetenloosheid’ van de kunstenaar is bekend – maar dat ze zich zo onderdanig gedragen, uitgerekend op het moment dat ze onafhankelijker zijn dan ooit, geeft toch te denken. 

Nee, ik kan niet geloven dat Stefan Hertmans een platte opportunist is die zijn kunst opoffert voor roem, eer en geldgewin. Hoe krachtig deze motieven ook zijn, ze verklaren toch niet de vernedering die hij en tal van andere kunstenaars vandaag zo bereidwillig ondergaan. Met name de – alle verbeelding tartende – taferelen die zich in de wereld van de beeldende kunst afspelen, vertellen mij dat het iets heel anders is dat er hen toe brengt zichzelf en hun kunst zo naar beneden te halen. En dat ‘iets’ is volgens mij de drempeloverschrijding. In onze tijd gaat de mensheid over de drempel en kunstenaars vormen daar geen uitzondering op. Ze zijn echter wel een speciaal geval, want de drempeloverschrijding is hen vertrouwd. Kunst is altijd een ‘drempeloverschrijdend’ middel geweest. Dat besef is in de loop der eeuwen verdwenen, maar vandaag keert het terug. Het dringt echter niet door tot het bewustzijn van de kunstenaar, het wordt alleen zichtbaar in zijn werk, met name dan in de vorm ervan.