Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: februari, 2014

In Memoriam Jan Hoet (1)

20140228-161817.jpg

Het moet zowat twintig jaar geleden zijn.
Ik had nel mezzo del camin di nostra vita besloten om het roer drastisch om te gooien en ‘mijn leven te wijden aan de kunst’.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan.
In de praktijk kwam het erop neer dat ik werkloos werd en niet wist van welk hout pijlen maken.
Het was in die dagen dat de RVA (de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) mij ‘uitnodigde voor een gesprek’.
Iedere werkloze weet wat dat betekent.
Het betekent net hetzelfde als wanneer een vrouw tegen haar man zegt: we moeten eens praten.
Stront aan de knikker dus.

Bleek dat ik moest bewijzen dat ik ‘werkwillig’ was.
Hoe moest ik dát aanpakken?
Solliciteren was uitgesloten.
Been there, done that.
Op m’n 33ste – ik herinner het me nog als de dag van gisteren – had ik in a split second besloten mijn oude leven vaarwel te zeggen en een nieuw leven te beginnen.
En ik was niet van plan dat besluit terug te draaien.
Nee, ik wilde tekenen en niets anders.
Dus besloot ik de RVA een plan voor te leggen om een bestaan op te bouwen als karikaturist, want daar was ik goed in, al zeg ik het zelf.

Het was best een gewaagd plan, maar de RVA was toen nog niet zo streng als nu.
Ik zag trouwens geen andere mogelijkheid.
Deel van mijn plan was om een reeks karikaturen te maken van bekende Gentenaars.
Ik heb er namelijk een ontzettende hekel aan om naar foto’s te tekenen, en dus moest ik op zoek naar Bekende Vlamingen die voor mij wilden poseren en die ik per fiets of bus kon bereiken.

20140228-162112.jpg

Zo kwam ik terecht bij Jan Hoet.

Ik had al Koen Crucke getekend, en Nolle Verseyp, en Jo Demeyere, en dat was best meegevallen. Dat gaf me de moed om een tandje bij te steken en mijn kans te wagen bij de grote Jan Hoet, kunstpaus en God in Gent.
Ik trok mijn stoutste schoenen aan en belde het Museum voor Hedendaagse Kunst.

‘Goeiemorgen, met het Museum voor Hedendaagse Kunst!’
Een vriendelijke meisjesstem.
‘Is het mogelijk om met meneer Hoet te spreken alstublieft?’
‘Een ogenblikje!’
Klik, een seconde stilte, en dan:
‘Met Jan Hoet!’

Ik was lichtjes verbouwereerd, want ik had er niet echt op gerekend hem te kunnen bereiken, laat staan zo gemakkelijk.
Hij luisterde aandachtig naar het ietwat meelijwekkende verhaal dat ik ophing en waarmee ik al verschillende keren succes had geboekt.
Hij zuchtte: ‘Geen tijd jong, geen tijd!’
Het leek uit de grond van zijn hart te komen.
Maar ik gaf niet af.
Ik had in Leuven geleerd hoe ik examinatoren – en Jan Hoet was toch een soort examinator? – om mijn vinger moest winden.
Ook dit keer lukte het.
Hoet gaf toe.
Allez vooruit, zei hij, kom donderdag om 10 uur naar ’t museum en dan zal ik zien of ik wat tijd voor je kan vrijmaken!
OK, antwoordde ik, ik zal er zijn!

Die donderdagochtend fietste ik van Destelbergen naar het Gentse Citadelpark met mijn tekenmap onder de snelbinder.
Het SMAK bestond nog niet en het Museum voor Hedendaagse Kunst was gewoon een afdeling van het Museum voor Schone Kunsten.
Terwijl ik de trappen opliep, hoorde vanuit het museum een ritmisch gedreun opklinken, alsof er ergens een paal in de grond werd geheid.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

‘Kunt u mij vertellen waar ik meneer Hoet kan vinden?’, vroeg ik aan de balie.
‘Heeft u een afspraak?’
‘Jawel.’
Ze wezen me de weg.
Binnen klonk het gedreun nog veel doordringender.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

20140228-162311.jpg

Ik wandelde door de zalen en begreep waarom dit museum onder (Antwerpse) kunstenaars smalend ‘het pissijn’ werd genoemd.
Gezellig was anders.
En dan dat gedreun!
Het werd steeds luider naarmate ik de Hedendaagse afdeling naderde.
Toen eindelijk voor de ingang stond, ontdekte ik de bron van al dat lawaai.
Een televisietoestel.
Op het scherm verscheen een stenen hoofd, in silhouet.
Na vijf tellen kwam er opeens een hamer op dat hoofd neer en vloog het in duizend stukken.

Boemmm!

Het dreunende geluid kwam uit twee grote boxen die verdekt opgesteld stonden.
Een installatie!
Kunst!
Ik had de drempel der Hedendaagsheid bereikt, dat leed geen twijfel.
Alvorens hem te overschrijden, bleef ik even naar dat filmpje kijken in de hoop dat er misschien iets zou veranderen.

Maar nee, het was alleen maar dat hoofd en dan … boemmm, aan gruizelementen.
Ik wilde al verder lopen toen ik plots zag dat het telkens een ander hoofd was.
Het was dus niet iedere keer dezelfde scène die herhaald werd, neenee, het was telkens een nieuw hoofd!
Hoeveel zouden ze er zo wel in stukken geslagen hebben?, vroeg ik me af.
Daar kon ik me helaas niet mee bezighouden, want ik had een afspraak.
En wát voor afspraak!

Ik verwachtte er mij eigenlijk aan dat Jan Hoet mij compleet vergeten zou zijn of dat hij mij door een secretaresse zou laten meedelen dat hij verhinderd was.
Maar niets was minder waar.
Toen ik de gang naar zijn kantoor insloeg, stond hij me voorwaar al op te wachten.
Meneer Debrouwere, riep hij, kom binnen, kom binnen!
Ik was lichtjes overrompeld.
Zo’n ontvangst had ik echt niet verwacht.

20140228-162411.jpg

Voor mij stond de aantrekkelijkste man die ik ooit had ontmoet.
Laag op de benen, soepel bewegend, donker van uiterlijk, open van karakter, joviaal, zonder enige pose.
En heel heel mannelijk.
Was ik een vrouw geweest (of een homo), ik had m’n knieën voelen knikken.
Er straalde iets onweerstaanbaars van hem uit, iets dat me helemaal deed ontdooien.
Wat een charisma had die man!
Niet te geloven.
Hoet bleek precies hetzelfde type te zijn als Raymond Goethals, de legendarische voetbaltrainer, en Julien Schoenaerts, de niet minder legendarische acteur (wiens zoon Matthias nu furore maakt in Hollywood).
Ja, Jan Hoet was een oertypische Vlaming, een volkse figuur, maar met stijl.
Je voelde in hem nog iets van de oerkracht van het volk.

Ik stapte zijn kantoor binnen, dat er al even onconventioneel uitzag als hijzelf.
‘Ga zitten, zei hij, ga zitten!’
Was dit de man die het zo druk had?
Ik kreeg het gevoel alsof hij alle tijd van de wereld had, en alsof die tijd helemaal voor mij was.
‘Zeg mij maar wat ik moet ik doen’, zei hij.
Dat was een makkelijke, die vraag had ik al honderden keren gehoord.
‘Zo weinig mogelijk’, antwoordde ik.
Daar moest hij om lachen, en hij nam plaats achter zijn bureau.

Ik had verwacht dat hij het moeilijk zou hebben met stilzitten, want Jan Hoet staat bekend als een hyperactief iemand, iemand die aan 100 per uur leeft.
Dat schrok me niet af.
De meeste mensen kalmeren als ze voor me poseren, zelfs kinderen.
Ze zijn gefascineerd en gevleid door de intense aandacht die ze krijgen.
Iemand vertelde me ooit dat het was alsof ik zijn gezicht met heel voorzichtige vingers aftastte.
Dat is inderdaad wat ik doe: ik kijk met mijn handen, ik tast mijn model met onzichtbare vingers af.
Waarschijnlijk ondervinden mensen dat als een soort geestelijke massage die hen doet ontspannen.
Natuurlijk zijn er ook mensen die niet op die manier willen aangeraakt worden.
Ze beseffen dat zelf niet, want het speelt zich op een diep innerlijk niveau af.
Maar ik ondervind het meteen als ik begin te tekenen.
Er ontstaat dan een intense geestelijke worsteling om die weerstand te overwinnen, iets waar uiterlijk niks van te zien is.
Zo’n worsteling treedt niet zelden op bij mensen van wie je ’t nooit zou verwachten, mensen die uiterlijk heel open en sociaal zijn, zoals Jan Hoet bijvoorbeeld.
Omgekeerd zijn er ook stugge en gereserveerde mensen die zich innerlijk volkomen overgeven en bij wie het portretteren als het ware vanzelf gaat.
Die tegenstelling tussen uiterlijk en innerlijk heb ik altijd als een mysterie ervaren, want zelfs met al mijn ervaring – ik heb al duizenden mensen geportretteerd – kan ik aan iemand niet zien of hij zich zal overgeven dan wel of er gevochten zal moeten worden.
Dat ondervind ik pas als ik hem of haar teken.

20140228-162531.jpg

Het ‘innerlijk’ waarover ik spreek, is natuurlijk niet het karakter.
Dat is iets uiterlijks, dat kun je aan een mens aflezen.
Nee, het gaat om een veel dieper innerlijk, een innerlijk dat zich aan de gewone zintuigen onttrekt en alleen kunstzinnig kan benaderd worden.
En dát innerlijk – een geestelijk, niet-lichamelijk innerlijk – is wat mij zo eindeloos fascineert bij mensen en dat vooral bij kinderen kan openbloeien tot iets onwaarschijnlijk moois.

Mijn excuses voor deze uitweiding, maar ik had ze nodig om enigszins duidelijk te maken wat er gebeurde toen ik Jan Hoet begon te tekenen.
Het werd namelijk een ontzettende worsteling.
Maar wonderlijk genoeg was dat niet omdat Jan Hoet zich innerlijk verzette.
Hij … verdween gewoon.
Hij gleed als het ware langzaam weg in een diepe put.
En ik moest me hevig verzetten om niet mee in die put te glijden.
Ik voelde hoe er in hem een zwart gat openging.
Gelukkig had ik mijn potlood en mijn geconcentreerde aandacht voor zijn uiterlijke, fysieke verschijning.
Daar klampte ik mij aan vast om niet mee in dat innerlijke zwarte gat gezogen te worden.

Als je een mens tekent, moet je voortdurend heen en weer bewegen tussen zijn fysieke uiterlijk en de geestelijke ‘binnenkant’ ervan.
Als ik met mijn ‘vingers’ een gezicht aftast, dan tast ik – uiteraard – niet het vlees af, ik tast de vormen af, en die vormen zijn in wezen geestelijk.
Ze drukken zich wel in de materie af, maar ze zijn geen materie.
In die geestelijke vormenwereld ben ik blind, want ieder helderziend vermogen ontbreekt mij.
Maar ik kan er wél tasten, en wat ik op die manier ‘voel’ kan ik in een beeld gieten, ik kan het (weer) in de materie afdrukken.

Wie zegt dat de klassieke, figuratieve kunst de zintuiglijke werkelijkheid nabootst, begrijpt er niks van.
Als je een mens portretteert, dan boots je hem niet na, je herschept hem.
Eerst herleid je hem tot geest, en vervolgens druk je die geest weer af in de materie, de materie van een tekening, een schilderij of een beeldhouwwerk.
Bij een karikatuur overdrijf je de tweede fase: je drukt de geest – het Ik van de geportretteerde – wat al te nadrukkelijk af in de uiterlijke vormen, die daardoor geweld worden aangedaan.

20140228-162640.jpg

Bij Jan Hoet bleek dat echter buitengewoon moeilijk omdat ik met mijn ‘innerlijke vingers’ helemaal niets voelde.
Ik tastte in het donker, ik voelde alleen maar leegte.
En nog eens, dat was niet omdat zijn Ik zich verborg of zich verzette – dat zou ik wel gevoeld hebben – het was omdat het er doodeenvoudigweg niet was.
Het was verdwenen, en het liet een duistere leegte achter die in toenemende mate ook op zijn gezicht te lezen stond.
Er zat een ‘lege’ mens voor mij, een mens die door zijn Ik verlaten was, en dat was een deerniswekkend, aangrijpend gezicht (sic).

Innerlijk voelde ik bij hem die grote leegte, dat peilloze zwarte gat.
Uiterlijk zag ik een man die ten prooi was aan een zo grote somberte en melancholie dat ik bijna niet kon geloven dat het dezelfde Jan Hoet was.
Het was alsof er iemand anders voor me zat.
Ik voelde me zelf verscheurd en moest al mijn wilskracht aanspreken om verder te kunnen tekenen.
Al een geluk dat de RVA met een stok achter de deur stond.

(Wordt vervolgd)

Advertenties

Coïncidentia oppositorum

Ons geheugen is soms een beetje beter, soms een beetje slechter, maar we hebben een geheugen. We kunnen ons onze belevenissen achteraf herinneren. Met wat we in de bovenzinnelijke wereld beleven, is dat niet zo. Wat we daar beleven aan grootheid, schoonheid en betekenis is voorbij van zodra we het beleefd hebben. Willen we het weer voor ons hebben, dan moeten het opnieuw beleven. Het prent zich niet op de gebruikelijke manier in het geheugen. Herinneren doen we het alleen wanneer we onze belevenissen in begrippen omzetten, wanneer we met andere woorden ons verstand meenemen in de bovenzinnelijke wereld. En dat is zeer moeilijk. We moeten daar namelijk denken zonder dat het lichaam bij dit denken helpt. Daarom moeten we vooraf onze begrippen bestendigd hebben, we moeten eerst een ordelijke logicus zijn geworden, zodat we de logica niet steeds vergeten als we in de spirituele wereld belevingen hebben.

(Rudolf Steiner – GA 305 – Oxford, 20 augustus 1922)

20140225-211058.jpg

Dit citaat bevestigt wat ik hieronder schreef over de kunst als voorbereiding op de drempeloverschrijding.
Op het eerste gezicht lijkt kunst niks te maken te hebben met het ‘bestendigen van begrippen’ en het worden van ‘een ordelijke logicus’.
Wel integendeel.
Geen groter chaoten dan kunstenaars.
En bij het waarnemen en beleven van kunst kan men niks aanvangen met logica.
Maar we spreken hier over wat zich in het heldere bewustzijn afspeelt.
Daar heerst inderdaad chaos, zowel bij de kunstenaar als bij de kijker.
Maar vlak onder dat bewustzijnsoppervlak speelt zich iets heel anders af.
Daar wordt namelijk heel logisch gedacht.
Maar daarvan zijn noch de kunstenaar noch de kijker zich bewust, want de logica verbindt zich daar met de inspiratie of de intuïtie, dat wil zeggen: met de beleving van het bovenzintuiglijke.
En precies daarin ligt de waarde van de kunst met betrekking tot de drempeloverschrijding (waar we tussen haakjes allemáál mee te maken hebben): we leren hier denken terwijl we ‘bovenzinnelijk’ waarnemen.

Een voorbeeld.

Wanneer we luisteren naar die onverwoestbare Air uit Bachs 3de suite, dan beleven we iets bovenzinnelijks. Anders zou deze muziek ons niet zo ontroeren. Maar tegelijk volgen we heel bewust die klanken die uiterst logisch, ja zelfs wiskundig zijn opgebouwd.
Bach is juist dáárom zo groot omdat hij de uitersten met elkaar verzoent: de grootst mogelijke logica en de grootst mogelijke geestelijke ontroering.

Deze coïncidentia oppositorum vormt het wezen van alle kunst.
We beleven ze gevoelsmatig als iets volkomen vanzelfsprekends, en toch is het iets buitengewoons, iets waar ons bewuste verstand niet bij kan.
Door veel naar kunst te kijken en te luisteren, ontwikkelen we in onszelf hetzelfde vermogen om logica te verbinden met bovenzinnelijke waarnemingen. Het is simpelweg de liefde voor de kunst die dat zintuig in ons (heel langzaam en ongemerkt) doet opengaan.
Liefde voor de kunst is altijd liefde voor de geest, maar dan wel liefde voor de geest die zich uitdrukt in de materie, en die volgens Rudolf Steiner de enige ware geest is.

De helderziendheid die Rudolf Steiner in zo hoge mate ontwikkeld had – en die niet mag verward worden met de ‘natuurlijke’ helderziendheid van mediums en dergelijke – is van precies dezelfde aard als het kunstzinnige vermogen: het is het vermogen om de geest waar te nemen en tegelijk logisch en helder te blijven denken.

Omdat we vandaag allemaal over de drempel gaan, ontwikkelen we allemaal een zekere mate van natuurlijke helderziendheid (die we misschien beter ‘troebelziendheid’ kunnen noemen).
En omdat we vandaag allemaal naar school gaan, ontwikkelen we allemaal een zekere mate van logisch en helder denken.
We worden dus van nature weer ‘religieus’, en we zijn door onze schoolse opvoeding ‘wetenschappelijk’.

Maar de brug tussen die twee tegengestelden, die moeten we zelf, uit vrije wil slaan.
Dat doen we onbewust in de kunst en bewust in de antroposofie.
De antroposofie is dus niets anders dan de bewustwording van de kunst.
Het is een intensivering van het logische denken,
een intensivering van het bovenzinnelijke beleven,
en een intensivering van het kunstzinnige vermogen om die twee met elkaar te verbinden.

Antroposofie is bewuste kunst.

Maar daarom veronderstelt antroposofie ook een drempeloverschrijding, want de stap van de onbewuste kunst zoals we die tot nog toe gekend hebben, naar een bewuste kunst is een enorm waagstuk.
Hoe groot dat waagstuk is, en hoe gigantisch fout het kan gaan bij die drempeloverschrijding toont ons de Hedendaagse Kunst én haar succes in antroposofische kringen.

20140225-210613.jpg

Een dubbeltje op zijn kant

Volgens Rudolf Steiner gaat de mensheid momenteel ‘over de drempel’, de drempel van de geestelijke wereld that is.
Die ‘drempel’ is natuurlijk geen fysieke drempel, een stuk steen bijvoorbeeld waar je overheen moet stappen.
Het is veeleer een gebied waar je doorheen moet.
Ja, de uitdrukking ‘over de drempel gaan’ is zélf afkomstig uit dit drempelgebied, en je moet er eveneens doorheen. Dat wil zeggen: je moet door het beeld heen kijken naar de (geestelijke) werkelijkheid die erachter zit.
En die werkelijkheid is volgens mij de etherische wereld, de wereld van de vorm- en levenskrachten.
Die mysterieuze, ongrijpbare wereld tussen materie en geest is ‘de drempel’.
Hij maakt reeds deel uit van de geestelijke wereld, maar tegelijk valt hij nagenoeg samen met de materiële, zintuiglijke wereld.
Hij moet dus van beide werelden – de geestelijke én de materiële – onderscheiden worden.

20140225-181231.jpg

Dat onderscheiden is uiterst belangrijk.
Want als we dit gebied betreden in de overtuiging dat hier dezelfde wetten heersen als in de materiële of in de geestelijke wereld, dan gaat het fout, dan vallen we ten prooi aan groteske illusies.
En dat is precies wat vandaag gebeurt.
De mensheid betreedt dit gebied zonder het te beseffen, zonder rekening te houden met hoe anders het er hier aan toe gaat.
Ze betreedt dit gebied met een ‘gewoon’ bewustzijn, een bewustzijn dat berust op de zintuiglijke waarneming van de materiële wereld enerzijds en het zuiver geestelijke denken zoals we dat in de logica en de wiskunde vinden anderzijds.
Maar dit bewustzijn is niet opgewassen tegen de krachten die heersen in de etherische wereld.
Dat zijn namelijk scheppende krachten, krachten die uit het ‘stof’ van de materie een hele wereld tevoorschijn roepen: de wereld waarin wij leven.
De etherische wereld is in wezen een kunstzinnige wereld.
En het bewustzijn waar deze wereld om vraagt, is een kunstzinnig bewustzijn.
Zonder dat bewustzijn worden we in deze wereld tot idiot savants waarmee gesold wordt dat het niet mooi meer is.

Wat we kennen onder het de (op zich al uiterst bedrieglijke) naam Hedendaagse Kunst is in feite een beeld van de-mens-op-de-drempel of de-mens-in-het-etherische-gebied, en dat is een mens waarmee een kwaadaardig spelletje wordt gespeeld, een mens die wordt wijsgemaakt dat het hier niet langer gaat om waarheid en schoonheid, maar dat de meest bewonderenswaardige zaken hier uitwerpselen zijn, obsceniteiten, afval, pispotten, enzovoort.
En de moderne mens gelooft dat, want hij is hier als een kind dat een wereld betreedt die voor hem volkomen nieuw is.

Nochtans is die moderne mens geen onzindelijk kind dat in zijn uitwerpselen boeiend speelgoed ziet, nee hij is een ontwikkelde en beschaafde volwassene.
En toch laat die volwassene zich wijsmaken dat stront kunst is en dat er geen wezenlijk verschil is tussen het Lam Gods en een drol van Wim Delvoye.
Dat verschijnsel verbijstert me al sinds ik kennismaakte met de Hedendaagse Kunst.
Zonder de antroposofie zou ik niet verder geraakt zijn dan die verbijstering.
Maar door te lezen wat Rudolf Steiner zegt over de drempeloverschrijding en door te proberen dat beeld te vertalen in concrete begrippen, worstel ik me langzaam doorheen het ‘doornwoud’ van deze verbijstering.

20140225-181515.jpg

Eén van de gevolgen van de drempeloverschrijding is volgens Steiner het uiteenvallen van denken, voelen en willen.

Zolang we met ons bewustzijn in de vertrouwde fysieke wereld blijven, worden denken, voelen en willen samengehouden door ons fysieke lichaam.
Verlaten we die fysieke wereld en betreden we de etherische wereld, dan moeten we zelf doen wat ons fysieke lichaam anders voor ons doet: onze wezensdelen samenhouden.
Doen we dat niet, dan beginnen ze te ‘vergeestelijken’, dat wil zeggen: ze keren terug tot hun oorspronkelijke staat.
En dat wil op zijn beurt zeggen: ze worden weer afzonderlijke wezens die een wereld op zichzelf vormen.
Het menselijk lichaam bestaat uit talloze wezens die geordend zijn in één groot kunstwerk.
Daarvoor hebben zij een offer moeten brengen: ze hebben zich moeten onderwerpen aan het gezag van de mens, dat wil zeggen aan diens hoger Ik.
Gaat de mens nu ‘over de drempel’ en betreedt hij weer de geestelijke wereld, dan wordt dat – zo stel ik het mij tenminste voor – door zijn denken, voelen en willen ervaren als een bevrijding: ze worden eindelijk verlost van hun onderwerping aan het lichaam en kunnen weer terugkeren naar hun oorspronkelijke (geestelijke) staat.
Ze zijn dan als paarden die de stal ruiken en niet meer in te tomen zijn.

Dit zijn natuurlijk allemaal beelden, die proberen een geestelijk proces te beschrijven.
Maar hoe kunnen we dat concreter maken?

Het internet.

Het internet is, net als de Hedendaagse Kunst, een beeld van de mens die de etherische drempelwereld betreedt.
Eén van de dingen die zo typisch zijn voor die wereld is de eindeloze beeldenrijkdom.
Ik wil bijvoorbeeld m’n teksten op deze blog opfleuren met beelden.
Vroeger, toen ik nog mijn papieren Vijgeblad uitgaf, moest ik zelf tekeningen maken.
Nu tik ik een paar woorden in en klik: er verschijnen honderden foto’s en afbeeldingen waaruit ik kan kiezen.
Nog een paar klikken en mensen van over de hele wereld kunnen mijn blog bekijken.
Vanmorgen had ik nog een bezoeker uit Botswana!
Fantastisch toch?
Als je er tenminste je tegenwoordigheid van geest bij bewaart.
Want voor je ’t weet haal je je in je hoofd dat men in Botswana geïnteresseerd is in je blog.
Of zit je uren naar prentjes te kijken en verpruts je je tijd.

20140225-181611.jpg

Als je niet goed oplet, gaat het internet met je aan de haal.

Dat merk je nog beter als je deelneemt aan forumdiscussies.
Dat is ongemeen interessant en leerrijk.
Je kunt je bewustzijn hier snel ontwikkelen, veel sneller dan anders, want in een mum van tijd kom je in contact met tientallen andere meningen. Zaken worden er heel snel van veel verschillende hoeken benaderd.
En last but not least: de politieke correctheid speelt hier nog niet zo’n verstikkende rol.

Maar.

Je moet je wel schrap zetten, want de discussies op internet zijn ‘lichaamsloos’.
Je discussieert niet met mensen, maar met geesten, met breinen.
Alles speelt zich af in een ‘geestelijke’ sfeer, ongeremd door de beperkingen van lichamelijke aanwezigheid.
Als je in een reëel gesprek tegenover iemand zit die een kop groter is en een borst heeft als een kleerkast, dan zul je wel twee keer denken voor je iets zegt dat hem kwaad maakt.
Op het internet hoef je daar geen rekening mee te houden.
En dus zeggen mensen op het internet dingen die ze in het reële, fysieke leven nooit zouden (durven) zeggen.
Dat heeft z’n goede maar ook z’n kwade kanten.
Eén van die kwade kanten is de enorme, stormachtige emotionaliteit die je op het internet tegenkomt.
En mensen zijn zich daar niet van bewust.
Ze hebben namelijk niet de spiegel van het lichaam dat hen voortdurend corrigeert.
In een reëel gesprek merk je meteen dat de ander gekwetst wordt door wat je zegt.
Er valt bijvoorbeeld een ongemakkelijke stilte, en dan weet je: er is wat loos.
Op het internet merk je daar niks van, tenzij de ander het verwoordt, en dan nog heeft het lang niet hezelfde effect.
Mensen zullen ook niet zo gauw zeggen dat ze gekwetst zijn.
En zo kan de gekwetstheid zich ongemerkt opstapelen tot ze explodeert.
Aangezien alles heel snel gaat op internet (alweer een ‘geestelijk’ kenmerk) volgt de ene emotionele explosie op de andere.

20140225-182103.jpg

Anders gezegd: niet alleen het denken blaast zich op als een ballon, ook de gevoelswereld doet dat. En hetzelfde geldt voor de wilswereld, want je raakt niet zo makkelijk los van een internetdiscussie. Het is alsof je door onzichtbare handen wordt vastgegrepen en gedwongen om te reageren, om te blijven discussiëren.
Je moet je daar dan bijna met geweld uit losrukken, en dat wordt in je (eveneens losgeslagen) gevoel ervaren als een smadelijke nederlaag waar je dagen moet van bekomen.

Ja, je kunt in zo’n discussie – waarbij denken, voelen en willen ieder hun eigen groteske weg gaan – werkelijk de indruk krijgen dat er kwade geesten je ziel binnensluipen en het heft overnemen.
Het vergt een enorme Ik-inspanning om deze demonen onder controle te krijgen en ze te beletten aan de haal te gaan met je gedachten, gevoelens en wil.
Als dat gebeurt, kun je zwaar ontredderd raken.
Ik mag er niet aan denken wat dat kan betekenen voor jonge mensen wier Ik nog niet ten volle ontwikkeld is.

Maar eigenlijk is ook het Ik van de meeste volwassen mensen onvoldoende ontwikkeld om dit etherische gebied te betreden.

Men zegt niet voor niets: surfen op de golven van het internet.
Je komt hier namelijk in een gebied dat ‘golft’, dat voortdurend in beweging is, waar eindeloze mogelijkheden bestaan en waar alles veel sneller gaat.
Om hier als mens overeind te blijven, moet je een ‘hoger’ zintuig ontwikkelen dat je toelaat heel snel en zonder aarzelen te reageren.

20140225-182927.jpg

Ik geef een eenvoudig voorbeeld.

Omdat ik ‘zelfstandige in bijberoep’ ben, sta ik op allerlei lijsten te boek als CEO van een bedrijf.
Dat heeft als gevolg dat ik bijna dagelijks opgebeld wordt door mensen die ‘goed nieuws’ voor me hebben en me willen uitleggen hoe ik veel geld kan besparen.
Ik erger mij daar dood aan.
Ten eerste word ik uit mijn bezigheden gerukt.
Ten tweede word ik verplicht om te luisteren naar een afgeratelde litanie waar geen speld tussen te krijgen is.
Ten derde voel ik mij altijd heel slecht als ik mij weer eens kwaad gemaakt heb op mensen die ook maar hun job doen.
Ik kan soms een hele dag van slag zijn door één zo’n telefoontje, dat wil zeggen: door mijn eigen buitensporige reactie daarop.

Maar ik leer bij.
Je bent CEO of je bent het niet.

Ik reageer nu bliksemsnel.
Ik onderbreek hen meteen en vraag: belt u namens een firma?
Dat kunnen ze niet ontkennen, waarop ik meteen zeg: het spijt me, ik ben niet geïnteresseerd.
En de hoorn gaat onverbiddellijk op de haak.

Waar het om gaat, is de snelheid van reactie.
Als ik zo’n telefoontje snel en clean afhandel, voel ik me niet verstoord.
Ik begin dan geen zinloos gesprek, ik geef geen ruimte aan mijn ergernis, ik laat de touwtjes niet uit handen nemen.
Ik houd mijn denken, voelen en willen met andere woorden kordaat in de hand.
En dat kan ik alleen als ik snel reageer.
Want als ik ofwel mijn gedachten, ofwel mijn gevoelens, ofwel mijn wil de minste ruimte laat, dan zwellen ze op als een ballon aan een gasfles.
Ze veranderen in paarden die de stal ruiken en er vandoor galopperen.
In drie verschillende richtingen.

20140225-182152.jpg

Zo is het – in meer of mindere mate – bij ieder modern mens, vermoed ik.
Want iedereen gaat vandaag over de drempel en komt terechtin de etherische wereld, waar zijn denken, voelen en willen als het ware zelfstandig worden en hem in stukken dreigen te scheuren, stukken die hij vervolgens met veel moeite weer bij elkaar moet rapen.
Als je echter goed voorbereid die etherische wereld betreedt en meteen kan reageren op alles wat zich daar voordoet, dan kun je die drie ‘wilde’ wezensdelen bij elkaar houden en heb je een veel ‘volbloediger’ span ter beschikking dan voordien.

Zo’n voorbereid mens is dan tot (veel) meer in staat dan voordien.
Denken we maar aan de prestaties van Rudolf Steiner.
Onwaarschijnlijk tot wat die man allemaal in staat was!
Maar hij had dan ook een bijna volkomen controle over zijn wezensdelen.
Het is bekend dat hij in een oogwenk kon overschakelen van toornige woede naar onbekommerd gegrap.

Hij mende zijn paarden, niet omgekeerd.

Natuurlijk komt een man van dat formaat goed voorbereid (door vorige levens) ter wereld.
Wij, gewone mensen, gaan vrijwel onvoorbereid over de drempel.
De resultaten zijn dan ook navenant.
Een pispot als kunst bewonderen …

Het tragische van deze bewondering is dat ze plaatsvindt op een gebied dat de moderne mens juist de kans biedt om zich voor te bereiden op de drempeloverschrijding.
Uitgerekend in de kunst kunnen we het zintuig ontwikkelen dat we nodig hebben om snel te kunnen reageren op etherisch gebied.
Want dit gebied is het kunstzinnige gebied bij uitstek.
Alleen de kunstzinnige benadering is hier de juiste.
Men moet een situatie bliksemsnel, met één oogopslag kunnen taxeren, zoals men dat ook met bijvoorbeeld een schilderij kan.
En ‘taxeren’ betekent hier: onderscheid maken tussen goed en slecht.

20140225-182455.jpg

In zowel de fysieke als de geestelijke wereld is het onderscheid tussen goed en kwaad duidelijk.
Dwars door een boom willen lopen, is niet goed en dat voél je ook.
Twee en twee vermenigvuldigen en 237 uitkomen, is eveneens fout en ook dat wordt meteen duidelijk.
Maar op etherisch gebied loopt alles door elkaar, in een voortdurend snel bewegen, ook goed en kwaad. Het is hier niet alleen veel moeilijker om die twee te onderscheiden, het duurt ook veel langer voor de gevolgen van een verkeerde keuze zichtbaar worden.

Het is bij de drempeloverschrijding dus van primordiaal belang dat je goed en kwaad kunt onderscheiden.
Rudolf Steiner legde daar vaak de nadruk op: iedere stap op geestelijk gebied, moet gepaard gaan met drie stappen op moreel gebied.

De kunst is een afdruk van de etherische wereld en biedt de mens de gelegenheid om op dit gebied goed van kwaad te leren onderscheiden.
Zonder enige notie van een geestelijke wereld kunnen we ons dankzij de kunst voorbereiden op de drempel, en wel door goede kunst van slechte kunst te onderscheiden.
Of beter: door kunst te leren onderscheiden.
Want er bestaat niet zoiets als ‘slechte kunst’.
Alle kunst is goed, voor zover het tenminste kunst is.

20140225-183225.jpg

Kunst is de verschijning van het goede.

De cruciale vraag is dus: wat is kunst?
Niet als theorie, maar in de praktijk.
Is iets kunst?
Daar gaat het om.
Is een tekening, een schilderij, een beeld of wat dan ook kunst, of is het dat niet?
Dat is het soort zintuig dat we moeten ontwikkelen om aan de andere kant van de drempel onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad.
Een ander houvast hebben we hier niet.
Of de drempeloverschrijding lukt of mislukt, hangt van dit morele (etherische) zintuig af.

Een drempeloverschrijding is een dubbeltje op zijn kant:
Ofwel slaagt het menselijk Ik erin denken, voelen en willen samen te houden, en dan ontpopt het zich van rups tot vlinder.
Ofwel slaagt het daar niet in, en dan wordt het steeds zwakker en verliest uiteindelijk tot het zich uiteindelijk niet meer kan handhaven en de plaats moet ruimen voor een kwade geest.
De mens die door zo’n kwade geest ‘bezeten’ wordt, beseft dat niet, want hij heeft het contact met zijn Ik, met zijn morele zintuig verloren.
Wat daar de gevolgen van zijn, kunnen we heel concreet waarnemen in de Hedendaagse Kunst.
Want de drempeloverschrijding is geen fabeltje.
Het is een heel concrete realiteit.
Een verbijsterende realiteit.

20140225-182709.jpg

Een samenzweringstheorie

Een goede vriendin van me verloor haar man.
Daarvan raakte ze danig in de put en ze zocht hulp.
Van diversiteit is er op dit vlak weinig te merken en dus kreeg ze anti-depressiva voorgeschreven.
Die leken aanvankelijk te helpen.
Ze kreeg echter wel steeds meer zin om … uit het venster te springen.
Aangezien ze op de vijfde verdieping woont, leek haar dat een toch wat al te drastische oplossing voor haar depressie.
Toen ze de bijsluiter van haar medicatie ging lezen, bleek één van de nevenverschijnselen van het ‘geneesmiddel’ inderdaad de neiging tot zelfmoord te zijn.
Ze kieperde het hele zootje meteen in de vuilnisbak.

Daar moest ik aan denken toen ik gisteren in de krant las dat in ons land 1,3 miljoen (zoals in duizend keer duizend) mensen in behandeling zijn voor depressie.
Die ‘behandeling’ bestaat waarschijnlijk in hoofdzaak uit het toedienen van anti-depressiva.
Het is bekend dat Belgen meer pillen slikken dan gelijk wie.
Het is ook bekend dat Belgen meer zelfmoord plegen dan gelijk wie.
En dan gaat een mens nadenken.
Plegen zoveel Belgen zelfmoord (zeven per dag) omdat ze depressief zijn?
Of plegen ze zelfmoord omdat ze zoveel anti-depressiva slikken?

20140225-120640.jpg

Een mens gaat zich ook andere vragen stellen.
Weten de artsen die deze middelen voorschrijven dan niet hoe gevaarlijk ze zijn?
En weten de farmaceutische bedrijven die deze middelen produceren dan niet wat ze op de markt brengen?
Apotheker Fernand Haesbrouck, die al jarenlang een eenmansgevecht voert tegen het onverantwoord produceren en voorschrijven van gevaarlijke medicatie, heeft daar een heel duidelijk antwoord op: ze weten het héél goed!
Maar waarom blijven ze het dan doen?
Daarop heeft Haesbrouck twee antwoorden.
Het eerste ligt voor de hand: geld.
Er wordt gigantisch veel geld verdiend met geneesmiddelen.
Als het inderdaad om geld gaat, dan heeft de farmaceutische industrie tegenstrijdige belangen. Want als ze de bevolking geneest, dan snijdt ze in haar eigen vel.
En als haar middelen niet werken, dan is het ook niet in haar voordeel.
Dus wat doet ze?

Dat lezen we in een bericht dat verelden week in de krant stond.
Uit een onderzoek van Test Aankoop (!) is gebleken dat veel geneesmiddelen (42%) niet beter werken dan placebo’s en dat een deel ervan zelfs ronduit schadelijk is.
Worden die geneesmiddelen dan niet uitgebreid getest door de farmaceutische firma’s die ze op de markt brengen?
Neen, zegt Pvda-arts Dirk Van der Duppen. Daar houden ze zich nauwelijks mee bezig. Hun grootste budget gaat naar reclame en marketing.
Bestaan er dan geen reglementen voor geneesmiddelen?
Stelt niks voor, zegt dezelfde arts. Als er twee onderzoeken kunnen worden voorgelegd waaruit blijkt dat het geneesmiddel beter werkt dan een placebo en veilig is, dan moet het erkend worden, ook al blijkt uit tien andere onderzoeken het tegendeel.

Als je zoiets leest, denk je verder.

Fernand Haesbrouck betoogt al járen dat heel wat geneesmiddelen die massaal worden voorgeschreven – zoals anti-depressiva en ritaline – uiterst schadelijk zijn en het zenuwstelsel aantasten.
Hij krijgt daarvoor wel doodsbedreigingen, maar een proces durft men hem niet aandoen omdat de farmaceutische firma’s weten dat hij gelijk heeft.
Maar als hij gelijk heeft, dan betekent dat dat de weinige tests die worden uitgevoerd helemaal niks voorstellen, want de markt wordt overspoeld met gevaarlijke anti-depressiva.
Hoe komt het dan dat Europa, dat er streng op toeziet dat de bananen niet te krom zijn of dat er genoeg cacao in de Belgische pralines zit, zo laks is als het gaat om de volksgezondheid?

Daarmee komen we bij het tweede antwoord van apotheker Haesbrouck.
En dat is a very inconvenient truth.
Volgens hem doen ze het namelijk … opzettelijk.
Hij gaat zelfs verder.
Volgens hem werd president Kennedy vermoord omdat hij een plan ontdekt had waarmee ‘men’ het Amerikaanse volk systematisch wilde drogeren.

20140225-120833.jpg
(Fernand Haesbrouck)

Aha, denkt een mens dan, een zoveelste samenzweringstheorie!
En hij gooit apotheker Fernand met al zijn kritiek in de vuilnisbak.
We moeten een beetje ernstig blijven, nietwaar?

Maar wacht eens even!
Wat betekent ‘ernstig’ in dit verband?
Dat er geen samenzweringen bestaan?
Dat de overheid niet stiekem tegen de bevolking ageert?
Dat die individuele critici allemaal wacko’s zijn?
Dat we op onze twee oren kunnen slapen, want dat er over ons gewaakt wordt?

Is dát wat we verstaan onder ‘ernstig’?
Is een mens vandaag ernstig als hij zegt: laat me verdomme verder slapen?

Want waar zit de kink in de kabel van onze redenering?
Waar hebben we waarneming en denken ingeruild voor fantasie?
Is dat op het moment dat we tot de conclusie kwamen dat onze ‘leiders’ het wellicht niet goed met ons voorhebben?
Is dat op het moment dat we tot de ontstellende conclusie kwamen dat we alleen nog op onszelf kunnen rekenen, en niet op de verantwoordelijken, de deskundige’, de politici, degenen-die-het-beter-weten, degenen-die-beter-zijn?

Is dát werkelijk het punt waarop we in de fout gaan?
Het punt waarop we ons leven in eigen handen nemen?
Het punt waarop we niet langer geloven in wat anderen ons voorhouden maar voortgaan op wat onze eigen ogen, ons eigen verstand en ons eigen hart ons ingeven?
Het punt waarop we God-in-den-hoge inruilen voor ons eigen menselijke Ik?

20140225-122123.jpg

Is dát de kapitale vergissing waarvoor we met alle mogelijke middelen moeten behoed worden?
Zelfs als dat betekent dat we van kindsbeen af gedrogeerd moeten worden met harddrugs?
Fernand Haesbrouck wordt sarkastisch als hij het heeft over de ‘bezorgdheid’ van de overheid over de nieuwe generatie XTC-pillen die circuleert onder jonge party-gangers.
De tienduizenden kinderen die iedere dag Ritaline slikken, krijgen volgens hem precies dezelfde chemische stoffen binnen, en zelfs in grotere dosissen dan in die XTC-pillen.
De overheid heeft er niks tegen dat mensen gedrogeerd worden, integendeel.
Maar ze heeft er wél iets tegen als mensen dat zelf doen.
Daarom weigert ze ook homeopathie en andere alternatieve geneesmiddelen te erkennen, en dreigt ze voortdurend met striktere reglementen en zelfs verboden.
Het bezwaar is namelijk niet dat homeopathische middelen placebo’s zijn, want bijna de helft van de gewone geneesmiddelen bestaat uit placebo’s.
Het bezwaar is dat alternatieve geneeskunde de deur openzet voor zelfmedicatie, zelfgenezing, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid.

Vergezocht?

Vandaag staat er in de krant een bericht over een Franse wijnboer die voor de rechter moet verschijnen omdat hij geweigerd heeft pesticiden te gebruiken.
Ik wil mijn wijngaard niet vergiftigen, zegt hij.
Sounds familiar, doesn’t it?
De Franse overheid dwingt de wijnboeren om hun grond, hun druiven en hun wijn te vergiftigen.
De reden?
Zonder pesticiden dreigt een ‘verschrikkelijke ziekte’ zich te verspreiden.
Waarschijnlijk zoiets verschrikkelijks als mazelen …

20140225-121145.jpg
(bio-wijnboer Emmanuel Giboulot)

Vandaag staat er nog een ander bericht in de krant.
Europa heeft België een slecht rapport gegeven inzake bestrijding van racisme en discriminatie.
Je zou kunnen zeggen: er worden niet genoeg pesticiden gebruikt om deze verschrikkelijke ziekte uit te roeien.
En op welke wijngaard woekert deze ziekte?
Het internet.
De discussiefora.
De sites waarop mensen ongezouten hun mening uitspreken, iets wat ze in het openbaar allang niet meer kunnen.
Sounds equally familiar, doesn’t it?

De ‘verschrikkelijke ziekte’ die de mensheid bedreigt en die met alle mogelijke ‘pesticiden’ moet worden uitgeroeid, is niets anders dan de menselijke vrijheid.
Daartegen voeren de overheden overal ter wereld een nietsontziende oorlog.
Daarvoor zetten ze alle mogelijke middelen in, ook chemische, zoals Rudolf Steiner (alweer) voorspeld had.
En dat allemaal in ons eigen belang.
Want de moderne mens is helemaal niet in staat om zijn eigen leven in handen te nemen.
Hij is helemaal niet in staat om zich een eigen mening te vormen.
Hij is niet in staat om zelf te denken.
Hij is helemaal nergens toe in staat.
Want hij is een kind.
En een kind heeft een vader nodig.

Ja toch?

20140225-121407.jpg

Deprimerende cijfers

20140224-235103.jpg

Tijdens de eerste acht maanden van 2013 waren in België 1.352.378 mensen in behandeling voor problemen van depressie.
Dat blijkt uit cijfers van het RIZIV, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
Het gaat om 12,1 procent van de bevolking.
Volgens Koen Lowet, sectorverantwoordelijke klinische psychologie, zijn de cijfers van het Riziv een onderschatting, omdat het alleen cijfers heeft via erkende zorgverstrekkers of voorzieningen.
Het aantal depressieve patiënten neemt sinds enkele jaren gestaag toe.
Op 10 jaar tijd is de consumptie van anti-depressiva met 50% gestegen.
Geen enkele leeftijdsgroep wordt gespaard van het fenomeen, zelfs kinderen niet.
Uit de cijfers blijkt dat 4.105 patiëntjes tussen 0 en 10 jaar oud al in behandeling zijn voor depressie.

Aldus een bericht(je) in de krant.

12% van de bevolking depressief, waaronder meer dan 4000 kinderen van nog geen 10 jaar oud?
En dat cijfer ligt waarschijnlijk nog hoger?
En dat cijfer blijft ieder jaar stijgen?

Hoe zou dát toch komen?
Het is toch zo goed leven in ons landje?
Wacht, ik weet het!
Het komt allemaal door Bart De Wever die het land wil splitsen.
Daar worden goede Belgen allemaal depressief van.

Of zou het toch iets anders zijn?
Uit cijfers van hetzelfde RIZIV bleek dat in 2005 meer dan 1,7 miljoen doses Ritaline werd toegediend.
In 2007 waren er dat al bijna 3,5 miljoen.
En toen zijn ze waarschijnlijk de tel kwijtgeraakt.

Het is bekend dat de Belgen het meest gedrogeerde volk ter wereld zijn.
Nergens worden zoveel pillen geslikt.
Wat ik me nu afvraag:
Zou dat nu het gevolg of de oorzaak van al die depressies zijn?

Of zou het nóg aan iets anders liggen?

Ik zou toch graag eens weten hoeveel depressieve Zwitsers er zijn.
En hoeveel pillen ze daar slikken.

20140225-002940.jpg

Driekoningen-essay (deel 7)

In deel 6 van dit essay had ik het over de Grote Breuk in de kunst. Ik kwam daarbij tot de conclusie dat niet zozeer de breuk zelf het probleem vormt, dan wel de ontkenning ervan.
Nochtans is het onmogelijk om naast die breuk te kijken.
Ze deelt de kunst, zowel in tijd als in ruimte, in twee stukken.

Laat ik beginnen met de tijd.

Wie een boek over kunstgeschiedenis doorbladert, wordt willens nillens getroffen door het enorme verschil tussen de kunst van de 20ste eeuw en de kunst van daarvoor.
Tot pakweg 1900 vormt de kunst van de mensheid, ondanks haar grote diversiteit, een organisch geheel. De grottekeningen van Altamira mogen dan 15.000 jaar oud zijn, ze zien eruit alsof ze in onze tijd gemaakt hadden kunnen zijn. Ondanks hun hoge ouderdom roepen ze een gevoel van herkenning en vertrouwdheid op.
Dat gevoel van herkenning verdwijnt wanneer de 20ste eeuw aanbreekt,
Het maakt plaats voor bevreemding.
De rode draad breekt.
Tussen de zonnebloemen van Vincent van Gogh en de pispot van Marcel Duchamp liggen amper 20 jaar en toch is er geen enkel raakpunt tussen beide.
Ze behoren tot twee totaal verschillende werelden.
En tussen die werelden gaapt een diepe kloof.

20140224-161726.jpg

Het is onmogelijk om die kloof niet te zien, en toch doet men alsof er helemaal geen kloof is.
Men doet alsof de pispot van Duchamp op volkomen natuurlijk wijze voortgekomen is uit de zonnebloemen van Van Gogh.
Die overgang is geen breuk maar een … metamorfose.
Zoals een rups zich ontpopt tot vlinder, zo heeft de oude kunst zich getransformeerd tot nieuwe kunst.
Hetzelfde wezen, maar in een totaal andere gedaante.
Niks aan de hand dus, in de natuur gebeurt het ook.

De Hedendaagse Kunst presenteert zich als de wettige erfgenaam van de oude kunst, haar eniggeboren zoon.
En die zoon overtreft de moeder, want de kunst heeft zich bevrijd uit haar cocon en ontplooit nu haar ware wezen.
Zo wordt het ook door diverse Hedendaagse Kunstenaars verkondigd: pas in de 20ste eeuw krijgen we de echte kunst te zien.
Wat daarvoor kwam, was slechts voorbereiding.
Verre van in twee stukken gebroken te zijn, is de kunst juist opengebloeid in een alles overtreffende synthese.

Wie dat niet begrijpt, verraadt zichzelf als iemand die niet in staat is verder te kijken dan het uiterlijk van de kunst.
Vroeger kon de kunstliefhebber zich nog vergapen aan de zintuiglijke verschijning van de kunst, aan haar esthetiek, aan haar vermogen tot nabootsing. Maar nu de kunst die uiterlijkheden heeft afgeworpen, blijft de oppervlakkige kijker met lege handen achter. Hij moet machteloos toezien hoe de kunst bij wijze van spreken ten hemel stijgt.
Alleen wie doorheen het uiterlijk van de kunst haar wezen kan waarnemen, is in staat om haar te volgen op haar hoge vlucht.

20140224-162019.jpg

En daardoor wordt de breuk-in-de-tijd ook een breuk-in-de-ruimte.
Want ook het kunstminnende publiek valt in twee stukken uiteen.

Aan de ene kant staan de kunstliefhebbers die er geen moeite mee hebben om in de pispot van Duchamp een metamorfose te zien van de zonnebloemen van Van Gogh. Ze houden evenveel (zo niet meer) van de nieuwe kunst als van de oude, en zien geen wezenlijk verschil tussen beide.
Aan de andere kant staan de kunstliefhebbers voor wie deze metamorfose een duister raadsel blijft. Zij zien geen enkel verband tussen de pispot en de zonnebloemen, en keren zich van de pispot af. Zij begrijpen niets van de nieuwe kunst en beperken zich dan maar tot de oude.

Tussen deze beide categorieën kunstliefhebbers gaapt een al even diepe kloof als tussen de oude en de nieuwe kunst.
Want hoezeer de avant-garde ook haar best doet om die kloof te overbruggen en de ‘achterblijvers’ voor te lichten, uit te leggen en op te voeden, het baat allemaal niets.
Ook na 100 jaar Hedendaagse Kunst is het nog altijd slechts een kleine minderheid die in staat is kunst te zien in pispotten, kakmachines, varkens en conservenblikken.
Terwijl het stormloopt voor tentoonstellingen met werk van ‘oude’ kunstenaars, blijven de zalen leeg wanneer het om ‘nieuwe’ kunstenaars gaat (behalve op de vernissage waar de avant-garde elkaar ontmoet en de pers aanwezig is).

20140224-162250.jpg

Deze breuk weerspiegelt ook de breuk tussen de kunstenaars zelf.
Want net zoals er kunstliefhebbers zijn die de stap van de oude naar de nieuwe kunst niet hebben kunnen zetten, zijn er ook kunstenaars die nog altijd zweren bij de oude, klassieke kunst.
Hoe talrijk ze zijn, valt moeilijk te boordelen, want ze worden doodgezwegen in de media, hebben geen toegang tot de kunsthandel, worden geweerd uit het onderwijs, en krijgen geen enkele overheidssteun. Ze zijn helemaal op zichzelf aangewezen, en was het internet er niet geweest, men zou denken dat ze uitgestorven zijn.
Dat is echter niet het geval.
Er zijn duizenden websites en weblogs van klassieke kunstenaars die niet zelden op hoog niveau werken, die (privé) lesgeven, boeken uitgeven, educatieve filmpjes maken en hun werk aan de man brengen. Voeg daarbij nog eens de ontelbare amateurs en zondagsschilders, en je hebt een hele alternatieve wereld waarover in de media met geen woord wordt gerept en die voor de officiële kunstwereld eenvoudig niet bestaat.

Het wonderlijke is dat in deze klassieke wereld met geen woord gerept wordt over de Hedendaagse Kunst. Men sluit er gewoon de ogen voor en doet alsof er niks aan de hand is.
Je zou het kunnen vergelijken met een land dat bezet is door een vijandige mogendheid. Het hele officiële leven is in handen van de bezetter, maar het dagelijkse leven gaat zijn gewone gang: de boeren ploegen, de onderwijzers onderwijzen, de huismoeders moederen, enzovoort. Ze proberen hun oude leven voort te zetten.
Zo gaat het ook in de kunst: de hele officiële kunstwereld is in handen van de Hedendaagse bezetter, maar de niet-collaborerende kunstenaars proberen hun oude ‘beroep’ uit te oefenen en de vijand zoveel mogelijk te negeren.

In deze multiculturele en globaliserende tijden, waarin alle grenzen wegvallen en de hele mensheid lijkt te versmelten, is het lichtjes verbijsterend om zien hoe twee werelden compleet naast elkaar leven en doen alsof de anderen niet bestaan.
Er is geen enkel contact tussen beide, ze leven in volstrekte apartheid.

20140224-162553.jpg

Slechts één ding hebben ze gemeen: hun ontkenning van de Grote Breuk.

We staan er zelden bij stil, maar we leven niet langer in een natuurlijke omgeving, we leven in een kunst-matige omgeving. We zijn van ’s morgens tot ’s avonds omringd met kunst en cultuur in al zijn aspecten: gebouwen, woorden, beelden, muziek. We kunnen er ons eenvoudig niet aan onttrekken.

Art is everywhere.

Maar juist die alomtegenwoordigheid – in combinatie met een eindeloze diversiteit – belet ons om afstand te nemen van die ‘kunstwereld’.
We worden erdoor meegesleurd, we verdrinken erin.
En daardoor ontgaat ons de diepe kloof die dwars door die wereld loopt.
Maar wanneer we erin slagen om de betovering van die alomtegenwoordige zintuiglijke schijn te doorbreken (sic) wordt de kloof zichtbaar en kunnen we er niet meer naast kijken.
Zij groeit dan uit tot hét centrale fenomeen in de wereld van de kunst.
Tegelijk zien we dan ook hoe smal de grens is geworden tussen de kunstwereld en de gewone wereld.
De Grote Breuk die door de wereld van de kunst loopt, loopt ook door de wereld daarbuiten. Ze loopt overal, zelfs door ons eigen wezen, want de kunst weerspiegelt niet alleen de zichtbare werkelijkheid, zij weerspiegelt ook de onzichtbare werkelijkheid, dat wil zeggen: onze eigen ziel, ons eigen bewustzijn.

We zien de Grote Breuk dan ook slechts in de mate dat we ook de breuk in ons eigen bewustzijn onder ogen zien.
Het is die innerlijke breuk die ons blind maakt voor de breuk in de (buiten)wereld.
Het is in feite één en dezelfde kloof.
De kloof die de kunst in twee deelt, is een kloof die wij zelf hebben geslagen.
Wij zijn de scheppers van die gebroken kunst.
Wij drukken er ons eigen gebroken wezen in uit.
Maar dat weten we niet.
We scheppen immers niet bewust.
Om ons bewust te worden van onze scheppende geest moeten we in de spiegel van de kunst kijken.
Maar dat durven we niet, want dan worden we geconfronteerd met dat grote gapende gat, met die diepe en duistere kloof.
En die jaagt ons de stuipen op het lijf.

20140224-163035.jpg
(performance door Chinese kunstenaar)

Die kloof, dat is de drempel waar we overheen moeten.
Dat is de grote uitdaging waarvoor we staan.
Als we die uitdaging uit de weg gaan, als we onze ogen sluiten voor dat ‘gat’ in onze ziel, dan zal het steeds groter worden en ten slotte veranderen in de muil van een monster dat ons met huid en haar verslindt.
Dat is misschien een ietwat melodramatische voorstelling, maar het gaat nu eenmaal om geestelijke realiteiten die alleen door middel van beelden zichtbaar kunnen worden gemaakt. Die realiteiten leunen echter zo dicht aan bij de materiële wereld dat beeldspraak minder beeldspraak is dan het lijkt.
Het ‘monster’ waarover ik spreek, bestaat wel degelijk.
Het is geestelijk – en dus onzichtbaar – van aard, maar het houdt zich op in de etherische wereld, het deel van de geestelijke wereld dat het dichtst aanleunt bij de zichtbare, materiële werkelijkheid.

En juist omdat we in deze tijd allemaal ‘over de drempel’ gaan, komen we in contact met dat monster. We voelen dat het er is en het jaagt ons diepe angst aan.
De moderne mens is een angstige mens, een mens die een reusachtig onheil voelt naderen en steeds moeilijker zijn tegenwoordigheid van geest kan bewaren.
En toch is dat laatste het enige wat helpt.
Tegenover dit apocalyptische monster kunnen we alleen onze tegenwoordigheid van geest plaatsen, de tegenwoordigheid van onze geest, de geest van de mens.
Want het ‘monster’ of de ‘draak’ is een onmenselijke geest.
Het is een geest die het op onze menselijkheid gemunt heeft en haar van binnenuit wil verzwelgen.

Het grootste gevaar schuilt dan ook niet in de wereld om ons heen, het schuilt in onszelf.
Daar leeft het monster: in onze ziel, in onze geestelijke wereld.
En daar moet het overwonnen worden.
Maar dat kunnen we niet als we het niet waarnemen: je kunt geen onzichtbare vijand overwinnen.
Daarom hebben we een spiegel nodig: de spiegel van de materiële wereld.
In die wereld is niets wat ook niet in de wereld van de geest is.
De materie is niet meer dan een spiegel van de geest.
Hijzelf is schijn, maar wat hij weerspiegelt is waar.
En de spiegel van die spiegel is de kunst.
In de kunst weerspiegelt de werkelijkheid zichzelf in tegelijk zeer geconcentreerde en zeer afgezwakte mate.
Kunst is, zoals Plato al zei, schijn-van-schijn.
Maar juist daardoor biedt de kunst ons de mogelijkheid om onder ogen te zien wat we in de werkelijkheid niet onder ogen durven of kunnen zien, en dat is het monster uit Yeats’ Second Coming, ‘the rough beast that slouches towards Bethlehem’.

20140224-163740.jpg

Welke verblindende, bewustzijnsverlammende kracht uitgaat van dit ‘beest’ kunnen we aflezen aan de algemene ontkenning van wat ik de Grote Breuk in de kunst noem.
Er wordt met geen woord over gesproken, aan geen van beide kanten.
Iedereen doet alsof er niets aan de hand is, ook al wordt er stront als kunst geserveerd, ook al wordt het Goetheanum vol bananenschillen gegooid.
Men houdt de lippen stijf op elkaar, meer zelfs: men applaudisseert.
Dit is geen taboe meer.
Dit is iets anders.
Het is een taboe dat niet meer als taboe wordt beschouwd, omdat het uit ons bewustzijn is verdwenen en tot een tweede natuur geworden.
Iedere bewustwording van de Grote Breuk wordt dan ook ervaren als een aanslag op het eigen wezen.
Er wordt instinctief op gereageerd met verontwaardiging, woede, agressie, hoon en spot.
En instinctief is werkelijk instinctief: men is zich niet bewust van die reactie.
Het is een verschijnsel dat je goed kunt waarnemen bij politiek correcte intellectuelen. Ze produceren een niet aflatende stroom van beschuldigingen tegen racisten, onverdraagzamen, haatdragenden, verzuurden, enzovoort, en ze beseffen totaal niet hoe racistisch, onverdraagzaam, haatdragend en verzuurd ze zelf wel zijn.
En het is echt geen truc, ze geloven werkelijk dat ze verdraagzaam, liefdevol en welwillend zijn.
De Grote Breuk is in hun ziel tot werkelijkheid geworden: het ene deel van hun bewustzijn heeft geen weet van het bestaan of het gedrag van het andere deel.
Dr. Jekyll heeft geen flauw idee wie mr. Hyde is, ook al wonen ze in dezelfde kamer.

Het beeld dat hier verschijnt, is dat van het ‘monster’ dat zich in onze ziel genesteld heeft zonder dat we er iets van weten. En hoe meer dat kwalijke wezen in ons te keer gaat, des te meer trekken we ons terug in het andere brokstuk van onze ziel, en des te betere mensen voelen we ons.
Een karikatuur van die gespleten mens zien we in de moslimterrorist die zich opmaakt om met een bomauto in te rijden op een menigte onschuldige mensen, en die zichzelf een halve heilige voelt, een martelaar, een zuivere van geest.

20140224-164126.jpg

Het geeft alleszins een idee van hoe gevaarlijk deze monsterlijke geest is, hoe hij ongezien in de ziel van de mens sluipt en hem de meest onmenselijke dingen laat doen zonder dat hij er zich van bewust is. Wel integendeel, wie door deze geest bezeten wordt, waant zich een verlichte geest, een moreel superieur mens, in wiens hart louter liefde en verdraagzaamheid wonen.
Het is nagenoeg onmogelijk om zo’n mens nog tot inzicht te brengen, want iedere poging om hem te wijzen op de breuk in zijn ziel, maakt die breuk alleen nog groter. Enerzijds trekt hij zich terug in de ‘goede’ kant van zijn ziel (en voelt zich een nóg beter mens) en anderzijds ontbindt het monster zijn duivels en verovert nog wat meer terrein in de ziel van zijn ‘gastheer’.

Dergelijke mensen moeten gezien worden als ‘offers’ die het ons mogelijk maken om in een spiegel te kijken en ons bewust te worden van het vreselijke wezen dat als een koekoeksjong onze ziel binnendringt en daar onze menselijkheid beetje bij beetje uit verwijdert.
Zo moet mijns inziens ook – en vooral – de Hedendaagse Kunstenaar worden gezien.
Zoals iedere kunstenaar duikt hij met zijn bewustzijn onder in de etherische wereld, want daar leven de scheppende krachten die hij nodig heeft.
Maar in onze tijd is de etherische wereld het toneel van de ontmoeting tussen Christus en de Antichrist, en omdat Christus zich op geen enkele manier opdringt en zijn grote tegenstander wél, is de kunstenaar een vogel voor de kat. In zijn eentje is hij niet opgewassen tegen deze zo ongelooflijk geraffineerde en kwaadaardige geest.
We herkennen in de Hedendaagse Kunstenaar eigenlijk de oude, individuele kunstenaar wiens tijd voorbij is, maar dat niet wil of kan toegeven en daardoor ten prooi valt aan een kwaadaardige geest, zoals alles en iedereen wiens tijd voorbij is.

20140224-164457.jpg

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, loopt in Brussel de overzichtstentoonstelling van Michaël Borremans, een kunstenaar die de oude, klassieke kunst lijkt te verzoenen met de nieuwe, Hedendaagse kunst.
Borremans is trouwens niet de enige in zijn soort.
Het klassieke, traditionele schilderen, dat nog niet zolang geleden officieel dood werd verklaard door kunstpaus Jan Hoet, is aan een even onverwachte als steile opmars bezig.
Steeds meer jonge mensen bekennen zich weer tot de traditie van het klassieke, figuratieve tekenen en schilderen.
Maar of dat een goede zaak is, durf ik sterk te betwijfelen.
Ik zie er veeleer een teken in dat de Grote Breuk nog ‘onzichtbaarder’ wordt dan ze al was.
Door die vermenging van oud en nieuw, van Klassiek en Hedendaags, wordt de spiegel helemaal wazig en verdwijnen de contouren van de breuk die dertig, veertig jaar geleden nog heel scherp waren.

Wat er ook van zij, het is hoog tijd dat we in de spiegel van de kunst durven kijken en daar de Grote Kloof ontwaren die ook door onze eigen ziel loopt. Want alleen het bewustzijn van die kloof kan er ons voor behoeden om erin te vallen en ‘opgeslokt’ te worden door een kwaadaardige geest die ons diep vernedert en ons in de waan laat dat we ons hoog verheffen.

Hiermee wil ik dit Driekoningen-essay afronden.

Het begon met Joseph Beuys die mijn kersttijd verstoorde en het eindigt er eigenlijk ook mee.
Want Beuys is zowat de belichaming van de Grote Breuk.
Zijn werk bestaat uit twee totaal verschillende werelden waartussen geen enkel contact is: een bevlogen antroposofische ideeënwereld en een grauwe, akelige wereld die uit louter materie bestaat.
Zolang we Beuys dualistisch benaderen, blijven we blind voor die breuk, maar wanneer we hem driegeleed benaderen – zoals we kunst altijd zouden moeten benaderen – dan groeit die breuk juist uit tot de kern van zijn werk.
Het wezenlijke van Joseph Beuys zijn niet zijn theorieën en ook niet zijn praktijk, maar het totale ontbreken van enig verband tussen die twee.
En dan rijst de vraag: wat zegt het over de hedendaagse antroposofie dat Joseph Beuys er zo’n hoge status bekleedt?
Wordt het niet stilaan tijd dat we Beuys als een spiegel gaan zien en niet als een na te volgen voorbeeld?
Moeten we niet eindelijk eens ons hart laten spreken en het offer aanvaarden dat deze man gebracht heeft?

20140224-164853.jpg

Fluiten in het donker

20140223-165642.jpg

In alle kranten en tijdschriften wordt dezer dagen gesproken over Michaël Borremans, van wie er momenteel een overzichtstentoonstelling loopt in het Brusselse BOZAR.
Borremans is een speciaal geval.
Hij is op en top een Hedendaags kunstenaar (anders zouden we nooit over hem gehoord hebben), maar hij schildert als … een oude, Vlaamse meester.
Hoe valt dat samen te rijmen?
Hedendaagse Kunst en klassieke kunst, zijn dat geen aartsvijanden?
Riep Jan Hoet dertig, veertig jaar geleden niet dat de schilderkunst dood was, dat geen enkele zichzelf respecterende kunstenaar nog schilderijen maakte?
En dan duikt daar opeens iemand op die schildert alsof hij rechtstreeks uit de 17de eeuw onze moderne tijd is binnengestapt en geen idee heeft dat men intussen heel anders schildert, ja dat men zelfs helemaal niet meer schildert, maar conserven op elkaar stapelt, varkens tatoeëert en drollen in plastic verpakt.

Het wordt nog vreemder als je leest dat de man niet eens schilder van opleiding is.
Hij is een graficus, een tekenaar dus.
Pas op z’n 35ste is hij beginnen schilderen en wel meteen op zo’n hoog niveau dat hij zijns gelijke niet kent.
Dat is niet vreemd meer, dat is verbijsterend.
Er bestaan in de beeldende kunst namelijk geen wonderkinderen zoals in de muziek.
Je hebt er te maken met heel concrete en weerbarstige materie en die krijg je zomaar niet in bedwang. Dat vergt een lange, moeizame scholingsweg. Afhankelijk van het talent gaat dat bij de één wat vlugger dan bij de ander, maar bij Borremans lijkt het meesterschap uit de hemel te zijn komen vallen.

Ik heb nu al een hele reeks interviews met de man gelezen, maar nergens wordt hem gevraagd naar deze twee toch wel zeer merkwaardige feiten.
Men doet alsof het allemaal vanzelf spreekt.
Maar het spreekt niet vanzelf.
Het is een mysterie.
Een driedubbel mysterie.

1. Hoe kan iemand zonder enige schilderopleiding zó meesterlijk schilderen?
2. Hoe kan een oude, Vlaamse meester een beroemd Hedendaags Kunstenaar worden?
3. Hoe is het mogelijk dat men zich die vragen niet eens stelt?

Goethe zei ooit dat we omringd zijn met mysteries, dat we temidden van mysteries leven.
Maar het grootste mysterie is misschien wel dat we vandaag geen enkel mysterie meer lijken te zien, ook het meest in het oog springende niet.
We stellen ons geen vragen bij een fenomeen als Michaël Borremans, of beter misschien: we stellen ons de verkeerde vragen.
We vragen bijvoorbeeld wel:
Waarom heeft die meneer zijn jas achterstevoren aan?
Waarom heeft die meneer een groene neus?
Waarom heeft die mevrouw haar hoofd in een pot chocola gestopt?
Waarom heeft dat meisje geen benen?
Waarom steekt die jongen twee stokken in zijn neus?
Enzovoort.
Dat zijn de vragen die Borremans wil dat we stellen.
En dan antwoordt hij: dat weet ik ook niet, dat is the black box, die beelden komen gewoon in me op.
Hij zegt ook dat zijn beelden geen eenduidige betekenis hebben, ja dat het eigenlijk geen zin heeft om naar zo’n betekenis te zoeken.
Dat is het typisch hedendaags-postmoderne adagium: het beeld heeft de betekenis die je eraan toekent. Anders gezegd: iedereen mag erin zien wat hij wil.
Nog anders gezegd: het doet er allemaal niet toe.
Borremans – en daarin is hij heel ‘hedendaags’ – roept dus vragen op waar geen antwoorden op zijn.

Maar dat is niet wat ik bedoel met een mysterie.
Een mysterie is geen vraag-zonder-antwoord.
Dat is een pseudo-mysterie.
Een echt mysterie heeft wel degelijk een antwoord, al kun je dat antwoord misschien niet verwoorden.
De twee vragen die ik hierboven opwierp zijn wél reëel, en er schuilt een hele wereld achter, maar blijkbaar verkiest de moderne mens nep-mysteries boven echte mysteries.
En dat geldt ook voor Borremans.
Hij beweert – zoals iedere Hedendaagse kunstenaar – dat hij alles in vraag wil stellen, dat hij mensen wil doen nadenken, dat hij een andere kijk op de dingen wil geven, maar dat is allemaal maar doen alsof.
Pseudo-mysteries creëren om de echte mysteries niet te hoeven zien.
Pseudo-vragen stellen om de echte vragen uit de weg te gaan.
Fluiten in het donker quoi.

20140223-181037.jpg

Diep

20140222-204631.jpg

Dit is een tekening van Michaël Borremans van wie momenteel een overzichtstentoonstelling loopt in BOZAR, het vroegere Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.
De kunstenaar zegt er het volgende over:

’t Is maatschappijkritiek. ‘The Swimming Pool’ gaat over de postliberale maatschappij, ons economisch gedrag en ons gebrek aan kritische zin. We zijn allemaal in slaap gewiegd, we komen alleen maar op straat als er honger, armoede of zeer zwaar onrecht mee gemoeid is. Intussen laten we veel van wat ethisch niet juist zit, over ons heen gaan. Daarom zijn de figuren rond het zwembad zo klein: ’t is de nietige massa. Het koopvee, het kiesvee. De tekening is intussen twaalf à dertien jaar oud, maar helemaal niet gedateerd. Wel integendeel: ’t is verergerd.

Ik streef altijd naar schoonheid, om de simpele reden dat mensen dan geprikkeld worden om naar een tekening of schilderij te kijken. Maar mensen die niet verder komen dan dat een tekening mooi is, hebben het niet gesnapt. Niet zelden vinden net die mensen het ook jammer dat ik af en toe een beetje luguber ben. Of dat ik hen in verwarring breng.

Tot zover Michaël Borremans.

Als ik dit lees, moet ik onwillekeurig denken aan de Franse uitdrukking: bête comme un peintre.
Borremans klinkt als de eerste de beste voetballer die geïnterviewd wordt en de meest tenenkrullende clichés ten beste geeft.
’t Is maatschappijkritiek.
Natúúrlijk is het maatschappijkritiek.
Alle hedendaagse kunst is maatschappijkritiek.
Iedere kunstenaar klaagt de postliberale maatschappij aan.
Of hij nu een tekening maakt van een zwembad, het plafond vol hesp plakt of een drol in plastic verpakt: ’t is allemaal maatschappijkritiek.
En schoonheid?
Da’s niets anders dan een glijmiddel om mensen die maatschappijkritiek te doen slikken.
Wie denkt dat kunst alleen maar mooi wil zijn, die snapt er niets van.
Nee, kunst dient in de eerste plaats om diepzinnige boodschappen zoals die van Michaël Borremans te verspreiden.
Zoals ook voetbal dient om de wijsheden van voetballers ingang te doen vinden bij het publiek.
Want dat publiek is toch zo verschrikkelijk dom.
Zonder kunstenaars of voetballers zou het nergens wat van begrijpen.

20140222-211001.jpg

Kunst neemt de achterdocht weg

20140222-102120.jpg

In De Morgen schreef Hugo Camps, de poëtische populist, het volgende:

Het Oekraïense inferno doet stilstaan, verbreekt de boeien van het dagelijkse gangetje. Mensen zoeken naar balsem voor de gruwelijke beelden.

Van priesters en politici hoef je het niet echt te verwachten. Zij hebben een andere agenda dan klein geluk. Zij denken in belangen en sancties, niet in heelkracht.

Alleen kunst verbrijzelt machteloosheid en pijn.

Ook daarom is de overzichtstentoonstelling van Michaël Borremans bij Bozar een historisch moment. Hij, maestro van het onzichtbare, maakt alles los, engelen en demonen. Alsof alleen onttakeling houvast biedt.
Je kunnen laten vollopen met de magie van Borremans is meer dan een esthetische ervaring, het is een metafysisch retrospectief.

Vooral de zachte pijn ervan.

Een detail, maar toch. Karel De Gucht schreef het voorwoord in de catalogus. Ik word altijd blij van politici die iets met kunst hebben. Het neemt achterdocht weg. Bij Guy Verhofstadt tref je geen gecrocheerde landschapjes aan de muur, zoals bij Yves Leterme.

Echte kunst in huis.

Zijn baldadige geschreeuw in Kiev was weer minder artistiek.
Met zijn schitterende oeuvre neemt Borremans schaamte over dit land weg. Op een ogenblik dat de Portugese staat een unieke collectie van de Spaanse surrealist Miró laat veilen om de begroting bij te spijkeren, krijgt Borremans in de Bozar een liturgische betekenis.

Kunst is geen overheidsvehikel.

Tot zover de gezwollen rethoriek van ’s lands grootste melodramaticus.
Zou het toeval zijn, vraag ik me af, dat deze man, die zichzelf meer als dichter dan als journalist beschouwt, zich zo graag aanschurkt bij politici?
En is het toeval dat die politici zich op hun beurt zo graag aanschurken bij kunstenaars?
Politici en kunstenaars: één front?
En ik die dacht dat Hedendaagse Kunst (want Hugo Camps heeft het over ‘echte kunst’) maatschappijkritisch was!
Of is ook dát woord in beslag genomen en hebben alleen politici en kunstenaars nog het recht om zich maatschappijkritisch te noemen?
Wie protesteert tegen hun macht is dus niet maatschappijkritisch maar conservatief, burgerlijk, bekrompen, achterlijk, enzovoort.
Politici vormen, net als Hedendaagse kunstenaars, een avant-garde.
En de bevolking, die de politici zat is en niks moet hebben van Hedendaagse Kunst, is de vijand waartegen ze hun gemeenschappelijke strijd voor vrijheid en verlichting vechten.

Het centrale zinnetje in Hugo Camps’ lofzang op de Borremansen, De Guchts en Verhofstadts dezer aarde is: het neemt de achterdocht weg.
Ziedaar de schone rol van de kunst in onze tijd: ze neemt de achterdocht weg.
De achterdocht tegenover politici en machthebbers.
Want mensen die zich inlaten met kunst, dat kunnen toch geen slechte mensen zijn!

Hoe konden we dat vergeten!
Hoe was de naam ook alweer van die grote politicus die als eerste de kunst gebruikte om de achterdocht weg te nemen?

20140222-105600.jpg

Dedju Dedjeen

20140219-202653.jpg

’t Is definitief: de wereld is om zeep.
Over een maand gaat er een nieuw restaurant open in Antwerpen, met in de keuken een … Hollander.
’t Is als zou een Vlaming in Groningen een schaatsschool openen.
De omgekeerde wereld dus.
Het nieuwe, trendy restaurant is gehuisvest in een oude kapel.
‘Neem en eet, dit is mijn lichaam’, wil de smakelijke mevrouw hierboven wellicht zeggen.
De eettent heet trouwens The Jane.
In het Antwerps: de Gène.
In het Nederlands: niet uit te spreken.

Naar ’t schijnt kun je er al eten voor 100 euro.
Geen wonder dat de zaak al volgeboekt is tot aan de volgende Olympische Spelen.

20140219-202941.jpg