Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: april, 2015

Niet mijn wil, maar uw wil

Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs beslist dat de lidstaten het recht hebben om homosexuelen uit te sluiten als bloeddonor (als tenminste aan bepaalde voorwaarden is voldaan). Deze beslissing kwam er nadat een homosexuele man klacht had ingediend omdat hij zich gediscrimineerd voelde door die uitsluiting. In Nederland werd alvast beslist homosexuelen NIET langer uit te sluiten van bloeddonatie, ongetwijfeld ook onder druk van de homo-gemeenschap. Deze rechtspraak is een fraai voorbeeld van de ontsporing van het hele antidiscriminatiestreven. Zoals antiracisme een vorm van racisme is geworden, zo is antidiscriminatie een vorm van discriminatie geworden. Door de bloedgevende homo’s niet te willen discrimineren, worden de bloedontvangende hetero’s gediscrimineerd, want zij lopen het risico geïnfecteerd te worden met besmet bloed. 

Men kan nu wel zeggen dat het risico op infectie heel klein is geworden als gevolg van geavanceerde detectietechnieken, maar weegt de emotionele gekwetstheid van homo’s (omdat ze geen bloed mogen geven) dan op tegen de fysieke gekwetstheid van zelfs maar één iemand die per ongeluk geïnfecteerd raakt door donorbloed? Wat moet ik mij trouwens voorstellen bij dat ‘recht om bloed te geven’? Als ik mensen wil helpen en ze zeggen ‘nee, dank je’, ga ik dan klacht indienen omdat ik gediscrimineerd word? Ga ik die mensen dan verplichten om door mij geholpen te worden – lees mijn bloed te aanvaarden – omdat ik het recht heb hen te helpen? 

Er wordt vandaag luid geprotesteerd tegen sexueel geweld, maar ik zie eerlijk gezegd niet veel verschil tussen een verkrachting en ‘het recht om bloed te geven’. Tenslotte wil een verkrachter ook niets anders dan zijn zaad ‘doneren’. Uiteraard doet hij dat niet uit menslievendheid maar omwille van het genot dat hij daaraan beleeft. Er lopen op deze wereld heel wat mensen rond – mannen én vrouwen – die per se anderen willen helpen en die zich beledigd voelen als die anderen niet (door hen) geholpen willen worden. Hun gekwetstheid wijst er juist op dat hun motieven egoïstisch waren, dat ze andere mensen alleen maar wilden helpen om er genot aan te beleven. 

Ik zie ‘het recht om bloed te geven’ dat homo’s nu voor zich opeisen, dan ook als een vorm van verkrachting. Ik kan me levendig voorstellen dat mensen geen bloed van homo’s in hun lichaam willen, maar daar willen homo’s (althans sommige, ik wil ze niet allemaal over één kam scheren) geen rekening mee houden. Ze willen die mensen dwingen om hun bloed te accepteren. Je zou zelfs zover kunnen gaan te zeggen dat ze per se hun bloed willen verspreiden. Daarachter zit natuurlijk het streven om de mensheid duidelijk te maken dat homosexualiteit geen ziekte of afwijking is, maar iets volkomen natuurlijks en normaals. Als men die overtuiging echter aan anderen op wil dringen, dan rijst het vermoeden dat achter die overtuiging grote onzekerheid schuilt. Wie een ander kost wat kost wil overtuigen, is niet zeker van zijn zaak. Hij heeft de bevestiging van anderen nodig om zich zeker te voelen. 

Je zou ook nog kunnen zeggen dat deze bekeringsijver een uitdrukking is van het recht op leven. Want er zijn nog altijd mensen die vinden dat holebi’s geen recht van bestaan hebben en dat ze van de daken van de huizen moeten gegooid worden. De vraag is echter of men dat recht van bestaan kan afdwingen door mensen ervan te overtuigen dat er geen verschil is tussen homosexualiteit en heterosexualiteit. Veronderstelt verdraagzaamheid en naastenliefde niet juist het aanvaarden van het anders-zijn? En veronderstelt die aanvaarding op zijn beurt niet de overtuiging dat mensen in wezen gelijk zijn? 

Daarmee bereiken we, denk ik, de grond van de zaak: mensen zijn in wezen gelijk, en dat ‘wezen’ is geestelijk van aard: het staat boven alle lichamelijke of psychische verschillen. Het is voor een hetero dus perfect mogelijk om een homo als zijn gelijke te zien zonder daarom heterosexualiteit en homosexualiteit als gelijken te zien. Daarvoor moet hij natuurlijk wel onderscheid kunnen maken tussen lichaam en geest. Hij moet met andere woorden de geest of het Ik van de mens kunnen onderscheiden. 

Maar de moderne mens wordt vandaag voortdurend voorgehouden dat de geest niet bestaat, dat de mens geen Ik heeft. Enerzijds heeft dat tot gevolg dat de mens geen moeite meer doet om dat Ik te onderscheiden en dat onderscheidingsvermogen dan ook verliest. Anderzijds heeft het tot gevolg dat hij de gelijkheid tussen mensen steeds meer gaat zoeken op het fysieke vlak, en ervan overtuigd raakt dat homo’s en hetero’s alleen maar als gelijken kunnen beschouwd worden als homosexualiteit en heterosexualiteit als gelijkwaardig beschouwd worden. 

De zaken worden dus omgekeerd: wat op geestelijk vlak moet gezocht worden, wordt op lichamelijk vlak gezocht. En dat resulteert onvermijdelijk in geweld. 

Het opeisen van ‘het recht om bloed te geven’ is in wezen uitdrukking van een geestelijk streven: het Ik van de moderne mens streeft naar de (h)erkenning van andere Ikken. Het streeft naar dat grote geestelijke geheel waarvan alle afzonderlijke Ikken deel uitmaken: het ‘lichaam van Christus’. Maar doordat dit geestelijke streven botst op de materialistische overtuiging dat zo’n geestelijk lichaam helemaal niet bestaat, wordt het afgebogen naar het fysieke lichaam. Dat wordt in zekere zin ‘heilig’ verklaard. En samen met dat lichaam wordt ook het bloed heilig verklaard: het wordt beschouwd als de drager van het Ik, en het afwijzen van dat bloed wordt aangevoeld als een afwijzen van het eigen diepste wezen. 

Een en ander illustreert hoe diep het geestelijk streven van de mens tegenwoordig vervlochten is met het materialisme en hoe moeilijk het is die twee uit elkaar te houden. Want we weten uit de antroposofie dat het bloed inderdaad de (fysieke) drager is van het Ik. Blut ist ein ganz besondrer Saft, zoals Goethe het uitdrukt. Men kan zich dus voorstellen dat er in de homo-gemeenschap een soort aanvoelen bestaat van deze bijzondere aard van het bloed, een aanvoelen dat voortkomt uit een reëel contact met de geest. Dat contact geeft een mens altijd een enorme drive, een soort ‘geloof dat bergen kan verzetten’ en juist die geestelijke gedrevenheid leidt tot kwalijke gevolgen wanneer ze vermengd wordt met materialisme. 

Men hoeft daarbij maar te denken aan het sexuele geweld, niet alleen tegen vrouwen maar ook tegen kinderen. Het is bekend dat pedofielen, of beter gezegd pedosexuelen, onverbeterlijk zijn. Ze voelen zich vervuld van een ‘hogere’ liefde die gewone stervelingen niet kunnen begrijpen. De afkeer die ze oproepen en de straffen die ze ondergaan, ervaren als een soort kruisweg, een plaatsvervangend lijden dat onvermijdelijk is voor mensen die hun tijd vooruit zijn en uitstijgen boven de kleinzieligheid van hun tijdgenoten. 

Datzelfde fenomeen nemen we ook waar bij de politieke correctheid, bij hedendaagse kunstenaars, bij de jihadi’s van IS. Al die mensen zijn gegrepen door de geest en worden bezield door de grootste idealen, maar hun ‘helderziendheid’ wordt onbewust vermengd met materialisme en resulteert in alle mogelijke vormen van fysiek en mentaal geweld. De afkeer die dit geweld oproept, ervaren ze als een bevestiging van hun uitverkoren-zijn en het versterkt alleen maar hun geloof-dat-bergen-kan-verzetten. Het brengt hen tot steeds ergere vormen van geweld, die hen stap voor stap inwijden in het kwaad. 

Zo doemt de grote tragedie van onze tijd op: de wederkomst van Christus wekt in talloze mensen een vurig idealisme, een intens verlangen van en naar de geest dat echter niet onderkend wordt en daardoor vermengd raakt met de meest egoïstische materiële verlangens. In plaats dat menselijke Ikken elkaar vinden en (h)erkennen in het lichaam van Christus, sluiten de ego’s zich aaneen tot het lichaam van de Antichrist. 

Die zaken vinden vandaag onder onze ogen plaats, maar we zien ze niet omdat we in de greep zitten van Ahriman die ons bewustzijn vastklinkt aan de materiële, zintuiglijke wereld en ons blind maakt voor de geest. Maar in al die materialistische duisternis schijnt één helder lichtpuntje: ons gezond verstand, de poolster van ons bewustzijn. We hoeven niet helderziend te zijn of antroposofie gestudeerd te hebben om bijvoorbeeld te begrijpen dat het ‘recht op bloedgeven’ dat de homo-gemeenschap vandaag opeist klinkklare onzin is. Het volstaat om daar even nuchter over na te denken om in te zien dat het vermomd egoïsme is. Hetzelfde geldt trouwens voor het ‘recht op kinderen’ dat diezelfde homo’s opeisen. Denken zij ook aan de rechten VAN die kinderen – bijvoorbeeld het recht op een vader en een moeder – of denken ze alleen aan hun eigen behoefte aan kinderen? Doen zij onderzoek naar de mening en de ervaringen van kinderen die door homo-koppels zijn opgevoed? Of zijn die ondergeschikt aan HUN rechten?

Dat zijn allemaal eenvoudige, voor de hand liggende vragen die iedereen met wat gezond verstand kan beantwoorden. Maar dat gebeurt dus niet. Ons gezonde verstand wordt op grote schaal overspoeld door ‘de geest’ in de vorm van de schitterendste christelijke idealen: naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid, broederlijkheid, enzovoort. Het is dus onmiskenbaar de wedergekomen Christus die in ons leeft en werkt. Maar hoe consequent hij ons de vrijheid gunt, blijkt uit het feit dat hij ons zijn krachten laat gebruiken om geweld uit te oefenen. In feite zegt Christus tegen ons: niet mijn wil maar uw wil geschiede. Zoals de zon schijnt over alle mensen, zo schenkt Christus ons zijn krachten: zonder er enige voorwaarde aan te verbinden. We doen ermee wat we willen. Gebruiken we ze om moord en brand te stichten en anderen te bestrijden als waren ze het vleesgeworden kwaad: het zij zo. Christus legt ons geen strobreed in de weg, hij vertrouwt erop dat we vroeg of laat tot rede zullen komen en zijn ware aard erkennen. 

We kunnen dat nu reeds doen, door ons gezonde verstand te gebruiken, want dat is van dezelfde aard als hij. Het is een piepklein zonnetje dat in ons leeft en dat dankzij de onophoudelijke toevoer van Christuskrachten, kan uitgroeien tot een grote stralende zon. Als wij dat tenminste willen. Maar voordat die Christus-zon in ons kan gaan schijnen, moet er natuurlijk heel veel duisternis overwonnen worden. Het helpt echter wel als we inzien dat veel van die duisternis eigenlijk ‘omgekeerd licht’ is: Christuslicht dat omgebogen werd in de materie. Het geweld dat homo’s bijvoorbeeld plegen – en dat in wezen van dezelfde aard is als heel veel ander geweld dat vandaag gepleegd wordt – is in wezen een onbegrepen streven naar de geest, een streven naar Christus. Dat kunnen we zonder al te veel moeite begrijpen. De liefde voor Christus – die de liefde is voor de mens – begint met de liefde voor ons gezond verstand. Als ze elders begint, is het eigenliefde. 
  

Advertenties

Baltimore

In de Amerikaanse havenstad Baltimore zijn hevige rellen uitgebroken nadat een zwarte jongeman stierf na zijn arrestatie door de politie. Het is reeds het zoveelste incident op rij, en telkens gaat het om een zwarte die de dood vindt door blanke handen. We denken daarbij natuurlijk automatisch aan racisme en discriminatie, en we zijn verontwaardigd over het feit dat de blanken de zwarten nog altijd als tweederangsburgers of erger beschouwen. Zoals gewoonlijk geldt die verontwaardiging nooit onszelf, hoewel we toch ook tot dat blijkbaar onverbeterlijk racistische blanke ras behoren. Nee, die afschuwelijke racisten zijn altijd ‘de anderen’: een soort mensen waar wij niks mee te maken hebben, waar we een diepe afkeer voor voelen en waar we ons mijlenver boven verheven voelen. Geen moment komt het in ons op dat we die ‘racisten’ in feite precies zo behandelen als zij kleurlingen behandelen. 

Het kost nochtans niet veel denkwerk om in te zien dat het racisme van die ‘anderen’ en ons eigen antiracisme van hetzelfde allooi zijn: het zijn allebei instinctieve reacties die getuigen van een volgens moderne normen beschamend gebrek aan bewustzijn. Wat onze verontwaardiging wekt is het primitieve, animale karakter van racisme, maar die verontwaardiging is zelf een onbewuste reflex waar we niet bij nadenken. We vragen ons bijvoorbeeld niet af waarom de politie in Amerika zo hardhandig optreedt tegen zwarten. Is dat werkelijk omdat ze blank zijn en omdat blanken nu eenmaal racistisch zijn? Of zijn ze gewelddadig omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met zwart geweld? Ook bij ons klagen kleurlingen erover dat ze voortdurend lastig gevallen worden door de politie. Maar wat was er het eerst: de agressie van de politie of de agressie van de kleurlingen? Dat is lang niet duidelijk.

Dat soort vragen stellen we ons veel te weinig, en met name degenen die ze zouden moeten stellen en die ze ook kunnen stellen – de intellectuelen – doen dat niet. Ze geven zich liever over aan hun verontwaardiging en schrijven stukken in de krant die tendentieus zijn, opruiend en onruststokend. Ze gedragen zich met andere woorden precies als de relschoppers in Baltimore. En ze doen dat omdat ze zich gerechtvaardigd voelen door de grote idealen waardoor ze bezield worden: gelijkheid, broederlijkheid, solidariteit, naastenliefde. Is dat trouwens ook niet het morele schild waarachter het zwarte geweld in Baltimore zich verbergt? Steken zij de stad niet in brand omdat ze naar gelijkheid en rechtvaardigheid streven? En realiseren ze zich niet evenmin hoe diep de kloof is tussen hun idealisme en hun animale reflexen? Ze zwelgen in hun idealen en ze zwelgen in hun primitieve driften, maar daartussenin willen ze niet gaan staan. 

Is dat niet het werkelijke probleem van zowel blank als zwart? Zien we vandaag niet overal geweld uitbreken dat gecamoufleerd wordt door grote idealen, humanistische of religieuze? En ligt de oorzaak niet vooral in dat idealisme? Want racisme is van alle tijden, het is eigen aan de lichamelijke, dierlijke aard van de mens. Het vurige idealisme dat de hedendaagse mens bezielt en dat hem overgevoelig maakt voor het minste kwaad is echter niet van alle tijden. Het is beslist geen toeval dat er in het beschaafde Europa, dat zijn dierlijke aard min of meer onder controle heeft gekregen, een explosie van beestachtig geweld plaatsvindt op het moment dat het Kali Yuga afloopt en het nieuwe Michaëltijdperk aanbreekt, en de mens dus weer in contact komt met de geestelijke wereld en de grote mensheidsidealen die daar leven. 

Aan het eind van de 19de eeuw is de Europese mens als het ware geestelijk uitgehongerd, en als de sluizen van de geest weer opengezet worden, zwelgt hij (zonder het te beseffen) in die ‘geestelijkheid’. Hij raakt in een idealistische roes die zijn bewustzijn verdooft en de tegenmachten (die eveneens geestelijk van aard zijn) de kans geven om zijn lagere, dierlijke driften te ontketenen. Sindsdien is er eigenlijk niks veranderd. De mensheid gaat in toenemende mate ‘over de drempel’, ze komt steeds meer in contact met de geestelijke wereld – dat valt eenvoudig niet tegen te houden – en die wereld blijft hem het hoofd op hol jagen. Na een uitbarsting van geweld is hij even uitgeput, maar daarna begint alles weer opnieuw: het idealisme laait weer hoog op, het bewustzijn raakt verdoofd en … de hel viert kermis.

Het grote probleem zit dus niet in onze dierlijke aard met zijn instinctieve reflexen, het zit in ons bewustzijn dat overspoeld wordt door geest en daar dronken van wordt. We zijn allemaal in meer of mindere mate ‘stoned’ en we beseffen het niet. Integendeel, we voelen ons zeer bij de pinken. Onze voorouders, ja DIE lieten zich het hoofd op hol jagen door religieuze denkbeelden! Maar WIJ, wij zijn zo nuchter als maar kan, wij zien de werkelijkheid zoals ze is. Je hoeft echter maar eens in discussie te gaan met zo’n nuchtere materialist om te weten dat je een fanatieke gelovige voor je hebt die voor geen rede vatbaar is. Hij is volkomen ‘high’ van Ahriman, zoals anderen – vooral moslims tegenwoordig – een luciferische ‘trip’ maken. En allebei zijn ze hevig verontwaardigd over het ‘racisme’ van de ander. Dat is het spelletje dat Lucifer en Ahriman met de moderne mens spelen: ze zuigen hem in hun actie-reactiepatroon en ze zuigen hem steeds dieper naar beneden. 

De enige manier om aan die vicieuze cirkel te ontsnappen, is door er ons bewust van te worden. We moeten ons bewust worden van ons idealisme, want zoals het vandaag is – instinctief, reflexmatig – IS het ons idealisme (nog) niet. Het is het idealisme van de tegenmachten: het spirituele idealisme van Lucifer, het aardse idealisme van Ahriman. Tot pakweg 1900 bleven die twee vormen van idealisme tamelijk gescheiden, maar sinds de eeuwwisseling bundelen ze in toenemende mate hun krachten en proberen ze het bewustzijn van de mens eronder te krijgen. Ons oude bewustzijn is niet opgewassen tegen deze geallieerde tegenkrachten, en dus moeten we het versterken. Dat doen we door tegenover ons idealisme te gaan staan, want zoals Rudolf Steiner zegt: wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht. En dat is precies wat vandaag gebeurt: we worden tot slaven van onze idealen, van onze geestelijke ideeën. Zonder dat we het beseffen, gooien ze ons heen en weer, tot we helemaal verdoofd zijn, tot we niet meer weten wat we doen.

Tegen die verdoving moeten we ons verzetten als we niet gereduceerd willen worden tot intelligente roofdieren, tot wolven in een schaapsvel die elkaar opvreten in de overtuiging dat ze door de hoogste idealen bezield worden. En tegen die verdierlijking verzetten we ons door er ons bewust van te worden, door te zien hoe instinctief en reflexmatig ons gedrag is geworden, ook – en vooral – wanneer we door de schitterendste idealen bezield worden. We moeten ons dus niet verzetten tegen het racisme en evenmin tegen het antiracisme, we moeten ons alleen bewust worden van de kettingreactie die ze veroorzaken, van de vicieuze cirkel waarin ze ons opsluiten. We moeten dus kijken naar het geweld van de politie in Baltimore én naar het geweld van de zwarten. We moeten kijken naar het racisme én we moeten kijken naar het antiracisme. We moeten tegenover die dualiteit gaan staan in plaats van erin gezogen te worden. Maar we mogen er ons ook niet van losmaken, want dan komen we in een andere dualiteit terecht. 

We moeten met andere woorden een driehoeksverhouding creëren, en dat doen we door bewust en vrijwillig heen en weer te bewegen tussen de tegenpolen, dat wil zeggen tussen Lucifer en Ahriman, tussen ons aardse (materialistische) idealisme en ons hemelse (spirituele of religieuze) idealisme. We zijn immers nog niet in staat om tegenover beide te gaan staan, tenzij misschien in gedachten. Maar dat louter intellectuele bewustzijn heeft geen kracht, het is niet bestand tegen de zuigkracht van Lucifer en Ahriman. Het moet die kracht ontwikkelen door zich bloot te stellen aan die zuigkracht, zonder er evenwel door verdoofd te worden. En dat is alleen mogelijk door beide krachten voortdurend af te wisselen zoals een … kunstenaar dat doet. Want een kunstenaar pendelt voortdurend tussen het ideaal dat hem voor ogen staat en de realiteit van de materie waarmee hij werkt. Als hij bijvoorbeeld een portret tekent, slaat hij honderden malen de ogen op en neer. Ontelbare keren verplaatst hij de aandacht van zijn model naar zijn blad papier, in één ononderbroken ritmische beweging. 

Het nieuwe – of beter gezegd versterkte – bewustzijn dat we moeten ontwikkelen om bestand te zijn tegen het idealisme dat de opdringende geestelijke wereld in ons veroorzaakt, is een kunstzinnig bewustzijn. Het is een bewustzijn zoals de kunstenaar dat tot uitdrukking brengt in zijn artistieke handelen, in de manier waarop hij ‘instinctief’ te werk gaat. Het is tegelijk ook een bewustwording van de (eveneens instinctieve) manier waarop we naar kunst kijken, want die is een spiegelbeeld van de manier waarop de kunstenaar tewerk gaat. Het bewustzijn dat we nodig hebben om opgewassen te zijn tegen de (nieuwe) werkelijkheid waarin we leven, is in de kunst reeds aanwezig als een Schone Slaapster. Het moet alleen nog wakker worden gemaakt, en dat is geen sinecure. Het vereist liefde en moed. Het vergt een totale ‘michaëlische’ inzet. 

Dat zijn natuurlijk allemaal abstracte woorden die wel heel bleek afsteken bij het brandende geweld in Baltimore. Maar tussen alle artikels verscheen in de krant ook een reactie van David Simon. Volgens hem kan er iets goeds komen uit de spanningen die momenteel heersen, maar dan moet het geweld eerst ophouden: If you can’t seek redress and demand reform without a brick in your hand, you risk losing this moment for all of us in Baltimore. Turn around. Go home. Please. David Simon is de geestelijke vader van ‘The Wire’, de beroemde televisiereeks die zich in Baltimore afspeelt. Deze onvolprezen tv-serie is een schitterend voorbeeld van het soort bewustzijn dat we in onze tijd nodig hebben. 

In de media is deze serie vaak beschreven als keihard, ruig en ongenadig realistisch, en dat is ze ook. Ze toont op nietsontziende wijze hoe het er in Baltimore aan toegaat, op alle niveaus, van de simpelste drugsdealer tot de burgemeester van de stad. Dit is nu eens werkelijk ‘maatschappijkritische’ kunst, veel meer dan alle ‘hedendaagse’ kunst samen. Ze hangt een ontluisterend beeld op van de samenleving in Baltimore. Maar ondanks dat harde realisme is The Wire in de eerste plaats een weergaloos kunstwerk, van een in onze tijd zelden geziene schoonheid en menselijkheid. Het is gemaakt door iemand die houdt van Baltimore en zijn inwoners, en juist het feit dat hij zijn ogen niet sluit voor het kwaad dat er in overvloedige mate aanwezig is, maakt zijn liefde zo sterk en intens. David Simon blijft niet aan de buitenkant staan maar kijkt achter de schermen en ziet daar egoïsme, corruptie en misdadigheid in alle geledingen van de maatschappij. Maar hoe dieper hij doordringt in al die duisternis, des te helderder gaat zijn innerlijke licht schijnen. Zijn liefde voor de mens lijkt alleen maar groter te worden naarmate hij diens duistere kanten leert zien. En dat is precies het soort bewustzijn dat we nodig hebben. 

Ik twijfel er niet aan dat de werkelijkheid in Baltimore nog veel rauwer is dan David Simon ze voorstelt. Maar hij is zo diep in die werkelijkheid doorgedrongen als zijn kunstzinnige vermogens dat toelieten. Toen hij The Wire schiep, wilde hij in de eerste plaats een kunstwerk afleveren. Al de rest was daaraan ondergeschikt en zo hoort het ook. Kunst mag op geen enkele manier ondergeschikt worden aan welk ideaal dan ook. In de kunst is er slechts één ideaal: de kunst zelf. Het is een driegeleed ideaal dat voortdurend de gulden middenweg zoekt tussen de tegenpolen, dat er afwisselend afstand van neemt en er zich mee verbindt, en daarom altijd in wording, in verwezenlijking is. Het feit dat een kunstwerk als The Wire – het grootste dat de 21ste eeuw tot dusver opgeleverd heeft – überhaupt ontstaan is, moet ons hoop geven en de weg wijzen. Het is een lichtend voorbeeld van hoe we het bewustzijn kunnen ontwikkelen dat we zo nodig hebben, een kunstzinnig bewustzijn, een bewustzijn dat alles wat het doet tot kunst probeert te verheffen en alles daaraan ondergeschikt maakt, zowel zijn laagste driften als zijn hoogste idealen. 

  

Als ik dit eens vanuit m’n venster kon zien …

  

Artistic research

‘Ga voor de spiegel staan. Adem rustig in. Kijk jezelf diep in de ogen. Adem rustig uit. Stel jezelf de vraag: ‘Waar ben ik in godsnaam mee bezig?’ Noem het gerust artistiek onderzoek …‘ Zo begint het jongste nummer van RECTO:VERSO, een online tijdschrift voor cultuur en kritiek dat me iedere maand (ongevraagd) per e-mail wordt opgestuurd.

Daaronder lees ik:

‘De twee belangrijkste internationale kunstmanifestaties – de Documenta in Kassel en de Biënnale in Venetië – stonden de jongste jaren in het teken van artistic research. De snelheid waarmee ‘artistiek onderzoek’ zich vooral eind jaren 2000 heeft verspreid in de kunstwereld en in academia zou een indicatie moeten zijn van een artistieke of wetenschappelijke doorbraak. Maar een Demoiselles d’Avignon, Zwart Vierkant of Brillo Box van het artistiek onderzoek bleef uit, laat staan een e=mc2. Wel waren er eindeloze discussies over wat artistic research zou moeten zijn. Zelfmystificatie ligt op de loer: er wordt een soort status aparte bedongen die alleen maar grotere onduidelijkheid schept over wat het ‘onderzoek’ inhoudt, wat ‘goed’ artistiek onderzoek is, laat staan of de uitkomsten ook waar of onwaar kunnen zijn. Die vaagheid maakt het des te moeilijker om vast te stellen in hoeverre de opkomst van artistiek onderzoek de kunstwereld, de kunstpraktijk en het denken over kunst nu veranderd heeft.

En ten slotte wordt er geconcludeerd:

‘Het debat over onderzoek in de kunsten is ondertussen geluwd. De onderzoeksinfrastructuur staat er en de literatuur is te omvangrijk geworden om in zijn geheel te lezen; nieuwe inzichten zijn niet meer te verwachten. De paradoxale uitkomst is dan ook dat artistiek onderzoek – misschien wel de grootste omwenteling in de kunstwereld van de afgelopen decennia – in essentie niet bestaat.’ 

Als ik het hele artikel terugbreng tot zijn kern – en daarvoor is drastisch snoeiwerk nodig – dan houd ik over: ‘Waarmee ben ik in godsnaam bezig? Met niets eigenlijk.’ Het is echter niet duidelijk door wie deze woorden worden gesproken. Wie is het die voor de spiegel moet gaan staan? Eerst lijkt dat de kunsttheoreticus zelf te zijn, de schrijver van het artikel in RECTO:VERSO, want hij is tenslotte degene die kunst onderzoekt, die erover nadenkt, die erover schrijft. Maar algauw blijkt artistic research iets te zijn wat door kunstenaars wordt uitgevoerd en waarmee ze een omwenteling in de kunstwereld van de 21ste eeuw hebben teweeggebracht. Deze omwenteling wordt door de kunsttheoreticus echter als een non-event beschouwd, want artistiek onderzoek … bestaat eigenlijk niet. 

Dat is een hard oordeel, maar het is wel waar. Ik kreeg onlangs een luxueus boek cadeau over een jong hedendaags kunstenaar, een aanstormend Vlaams talent. (De gulle schenker vond wellicht dat ik dat ik een update nodig had) Maar toen ik dat boek gelezen had (en vooral gekeken naar de bijgevoegde dvd) kon ik niet anders dan tot de conclusie komen: dit gaat nergens over. Deze jonge kunstenaar houdt zich vol overgave bezig met … niets. Op de dvd kon je zijn jarenlange queeste volgen die ten slotte uitmondde in een filmpje over een nonsensicale installatie die buitengewoon veel tijd, inspanning en geld gekost had. Zijn ‘onderzoek’ leverde hem weliswaar naam en faam, ruime subsidies en een luxueus ‘onderzoeksrapport’ op, maar dat nam allemaal niet weg dat het in de grond nergens over ging. En deze jonge kunstenaar is geen uitzondering, integendeel. De hele ‘hedendaagse kunst’ gaat over niets, Niets met een grote N. 

De kunsttheoreticus van RECTO:VERSO sloeg dus de nagel op de kop. En dat is vreemd, want deze kunst-die-nergens-over-gaat, is zijn reden van bestaan. Hij denkt erover na, hij schrijft er ellenlange artikels over, hij geeft er les over, verdient er zijn brood mee. Hij is met andere woorden een wetenschapper die onderzoek doet naar onderzoek dat eigenlijk niet bestaat. Wat hij over de kunstenaar schrijft (die aan artistic research doet) slaat dus net zo goed op hemzelf. De grens tussen kunstenaar en wetenschapper is trouwens zeer vaag geworden. Sinds de Bologna-onderwijshervorming kunnen kunstenaars ook doctoreren. Dat gebeurt uiteraard onder supervisie van iemand die reeds doctor is. Die zijn er in de kunstwereld (nog) niet, en dus moeten kunstenaars hun promotor zoeken onder de universiteitsprofessoren, in de wetenschappelijke wereld dus. Maar die professoren weten natuurlijk niets af van de kunstpraktijk. Dus hoe moet dat? Een onoverkomelijk probleem is dat evenwel niet want je kunt geen master in de kunst halen zonder behoorlijk wat intellectuele capaciteiten. Geen enkele kunstenaar haalt vandaag nog een diploma als hij ‘het niet goed kan uitleggen’. Het is voor de doctorerende kunstenaar dus maar een kleine stap om zich helemaal te voegen naar de eisen van de wetenschap, om met andere woorden zelf wetenschapper te worden. 

De zogenaamde ‘omwenteling’ in de kunst door de opkomst van de artistic research, en de onderwijshervorming van Bologna waardoor nu ook kunstenaars kunnen doctoreren, zijn helemaal geen vernieuwingen. Het zijn gewoon verderzettingen van een evolutie die nu al 100 jaar aan de gang is: de vermenging van kunst en wetenschap. Kunst wordt tot wetenschap en wetenschap wordt tot kunst. Maar dat gebeurt niet bewust en gewild, het gebeurt als het ware stiekem zonder dat iemand dat echt wil, want het resultaat is noch kunstzinnig noch wetenschappelijk. Het is … niets. Wetenschap en kunst heffen elkaar op, vernietigen elkaar wanneer ze rechtstreeks vermengd worden, dat wil zeggen wanneer er geen menselijk bewustzijn als verbindende factor fungeert. Dat bewustzijn wordt juist uitgedreven of verdoofd wanneer kunst en wetenschap zich vermengen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt wanneer een kunstenaar onder leiding van een universiteitsprofessoren gaat ‘doctoreren’ en ‘onderzoek doen’. 

Ik vraag me al m’n hele leven af hoe een fenomeen als ‘de hedendaagse kunst’ in godsnaam mogelijk is. Ik hou zielsveel van de Europese beschaving en van de schitterende kunst die ze heeft voortgebracht. Te zien hoe ze in de 20ste eeuw plotseling krankzinnig wordt en (figuurlijk én letterlijk) met haar eigen uitwerpselen begint te spelen, heeft voor mij iets van een nachtmerrie. Maar het ergst van al vind ik het applaus dat de zogenaamde ‘nieuwe kunst’ ten deel valt en dat vanuit de hoek van de wetenschap komt, van de intellectuelen, de theoretici, de onderzoekers. Als de kunst opeens ziek wordt, dan is ze aangewezen op de wetenschap om haar te genezen. Maar deze laatste ontkent de ziekte. Er is helemaal niets aan de hand met de kunst, zegt ze, integendeel, ze is gezonder dan ooit want ze is opnieuw geboren. De wetenschap ziet niet dat de kunst ziek is omdat ze zelf ziek is: ze ziet niet meer wat er is, ze ziet alleen nog wat ze denkt of wenst dat er is. 

Als ik me afvraag hoe het mogelijk is dat het (door de wetenschap gevormde) moderne bewustzijn blind blijft voor de overduidelijk zieke kunst, dan kom ik uit bij het gevoel. Als iemand ziek wordt dan gaat hij zich anders gedragen. Het verstand stelt die verandering vast, maar het gevoel beoordeelt ze. Ze vergelijkt de verandering met een (innerlijke) norm en concludeert: deze persoon is ziek. Dit laatste is in onze tijd duidelijk taboe geworden: we mogen alleen nog een eindeloze diversiteit vaststellen, we mogen ze niet meer beoordelen. We hebben het (oordelende) gevoel aan de kant geschoven ten voordele van het (louter vaststellende) verstand. Als gevolg daarvan nemen we geen ziekte meer waar. De kunst mag zich te buiten gaan aan het meest beschamende gedrag, we vellen er geen oordeel over. Tenminste zo lijkt het. Want onder dit niet-oordelen gaat een zeer scherp oordeel schuil: alleen de zieke kunst wordt nog als kunst beschouwd. Wat eeuwenlang als (gezonde) kunst werd beschouwd, komt er niet meer in, het wordt gewoon genegeerd. Het rationele diversiteitsdenken is slechts één kant van de medaille, de andere kant is een barbaars racisme dat de (kunst)wereld in twee deelt. 

We leven in een tijd waarin het intellect allesoverheersend is. Zelfs de kunst is een aangelegenheid van intellectuelen en professoren geworden. Het oordelende gevoel (dat de grondslag is van de kunst) doet niet meer mee, het is uitgebannen. Maar het is langs de achterdeur weer naar binnengekomen en het zint op wraak. Hell has no fury than a woman scorned. De (vrouwelijke) gevoelswereld is kwaadaardig geworden. Door haar verbanning uit het menselijke bewustzijn is ze weggezonken in de wereld van de lagere driften waar egoïsme, uitsluiting en afkeer heersen. En van daaruit keert ze weer terug als een wraakgodin. De klassieke kunst, waarin het rationele verstand een steeds grotere rol speelde, ondergaat nu hetzelfde lot dat de gevoelswereld onderging: ze wordt verbannen, genegeerd, geëxcommuniceerd. De exclusieve aandacht van intellectuele wereld voor de ‘hedendaagse’ kunst is in werkelijkheid een middel om de aandacht af te leiden van de ‘klassieke’ kunst. Al die ontelbare kunsttheoretici (die onder meer RECTO:VERSO volschrijven) dansen naar het pijpen van hun eigen uitgebannen gevoel dat maar één doel heeft: wraak nemen op de ‘klassieke’ kunst.

Ik herinner me nog dat ik ooit de (gelauwerde) licentiaatsthesis las van een bevriende kunsthistorica. Het werd me kil om het hart want achter al die abstracte en intellectualistische woorden voelde ik een intense haat tegen de kunst. Ik heb dat nooit durven zeggen want ze zou waarschijnlijk geschokt zijn geweest (en me gek verklaard hebben). Het was trouwens niet de eerste keer dat ik dat paradoxale fenomeen tegenkwam: mensen die denken dat ze de kunst liefhebben, maar die haar in werkelijkheid haten. Onder hun liefde, hun aandacht en hun inspanningen voor de kunst gaat een diepe instinctieve haat schuil. Veel intellectuelen gebruiken de kunst alleen maar als een spiegel waarin ze zichzelf bewonderen: ze hebben geen oog voor de kunst, ze onderwerpen haar, dwingen haar om naar hun pijpen te dansen. En ze beseffen niet dat de kunst hetzelfde met hen doet. 
Of toch? Als ik RECTO:VERSO lees, lijkt het alsof die kunsttheoretici iets begint te dagen. Ze hebben de kunst helemaal onderworpen, ze hebben haar zelfs herleid tot een doctoraatsthesis. ‘And maybe one day we will be quite accustomed to the fact that a solo exhibition in a museum of contemporary arts can’t be anything but the presentation of a … doctorate in the arts.’ Aldus kunsttheoreticus Dieter Lesage. Maar juist op het moment dat de overwinning van het intellect op het gevoel nagenoeg totaal is, rijst het (vooralsnog vage) vermoeden dat die overwinning wel eens een nederlaag kon zijn en dat de zogenaamde kunstwetenschap zich in wezen met … niets bezighoudt. Dat is natuurlijk een ontstellende gedachte, zeker als je aan dat ‘niets’ je halve leven opgeofferd hebt, als je er je sociale status en je inkomen aan te danken hebt. Dan wordt je pas echt geconfronteerd met het Niets, met het Zwarte Gat.

Ik vind het merkwaardig om zien hoe de theoreticus in RECTO:VERSO daarmee omgaat. Ga voor de spiegel staan, schrijft hij. Adem rustig in. Kijk jezelf diep in de ogen. Adem rustig uit. Stel jezelf de vraag: ‘Waar ben ik in godsnaam mee bezig?’ Hij richt zich (waarschijnlijk) tot de kunstenaar, maar het klinkt alsof hij het zelf gedaan heeft en tot de conclusie gekomen is: ik ben met NIETS bezig. Heb jij dat ook? lijkt hij de kunstenaar te vragen, en vooral: hoe ga jij daarmee om? Hij verwacht als het ware van de kunstenaar een oplossing voor het probleem waarmee hij zelf worstelt en dat hij eigenlijk niet onder ogen durft zien. Maar de kunstenaar waartoe hij zich richt, dat is hij eigenlijk zelf, want kunstenaars zijn vandaag wetenschappers geworden, intellectuelen zoals hijzelf. Hij ontdubbelt dus zichzelf, hij scheidt de kunstenaar en de wetenschapper in zichzelf en laat ze een gesprek voeren. Maar dat doet hij niet bewust, want hij verbergt dit gesprek onder een enorme hoop abstracte woorden en intellectualistische redeneringen. 

Dat is het beeld dat ik overhoud aan het lezen van dit nummer van RECTO:VERSO: een zorgvuldig gecamoufleerd verlangen naar een gesprek tussen kunst en wetenschap, een echt gesprek, gebaseerd op wederzijdse herkenning en niet op wederzijdse strijd. Misschien is dat wel het diepste verlangen van de moderne mens: een gesprek tussen de tegenpolen, tussen intellect en gevoel, tussen man en vrouw, tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen Plato en Aristoteles. Dat gesprek is heerlijker dan goud en verkwikkender dan licht, maar dat weten de tegenmachten ook, en daarom proberen ze dat gesprek met alle mogelijke middelen te verhinderen. En het beste middel lijkt wel te zijn: er een schijngesprek van maken, een gesprek dat met heel veel woorden … niets zegt. Daar zijn ze in RECTO:VERSO heel goed in, al schemert er tussen al dat niets toch af en toe een vermoeden van iets door …
  

Michaël en de vluchtelingen

‘Burgers van Europa, houdt ramen en deuren gesloten! Vloedgolven wanhopigen breken op uw stranden. Hongerige zombies staan jammerend te krabben aan uw poorten. Klaar om uw brein en uw sociale zekerheid leeg te zuigen zodra het fort het begeeft. Het is een sterk beeld. Alleen is het niet eerlijk. Tegenover de zombies. Vluchtelingen zijn ook maar mensen. En Europa is geen fort. Europa is een halflege reddingsboot van de zinkende Titanic, met een handvol passagiers uit eerste klas aan boord. Ze kan niet iedereen redden zonder zelf te zinken. (Of toch tenminste zonder wat aan comfort in te boeten.) Dus laat Europa het maar zo.’

Aldus begint een column van Michaël Van Peel in De Morgen. Het is één van de vele emotionele reacties op de verdrinkingsdood van bootvluchtelingen in de Middellandse zee. De teneur van (bijna) al die reacties is verontwaardiging over de houding van Europa, alsof het de schuld van Europa is dat al die vluchtelingen hun land ontvluchten. Alsof Europa de morele plicht heeft om die massale vlucht te organiseren en overal ter wereld reisbureaus te openen waar mensen een veilige vlucht kunnen boeken naar Europa.  De achterliggende idee is dat de hele wereld het recht heeft om te genieten van de zegeningen van de Europese beschaving. Het is voorwaar een Michaëlische idee: de Europese beschaving moet de beschaving van de hele wereld worden. Dat was ook wat Alexander de Grote tijdens het vorige Michaëltijdperk dreef bij zijn veroveringstochten: de Griekse cultuur over de hele (toen bekende) wereld verspreiden, iets wat hij deed in samenspraak met zijn leermeester, de filosoof Aristoteles.

Die Griekse cultuur is de grondslag geworden van de huidige Europese en Westerse beschaving, net zoals Aristoteles de grondslag legde voor het moderne, rationele denken. Wat we vandaag zien is dus een herhaling – maar tegelijk een omkering – van wat er in het vorige Michaëltijdperk, meer dan 2000 jaar geleden, gebeurde. Want Europa verspreidt zijn beschaving niet over de hele wereld zoals Alexander dat destijds deed, de hele wereld komt die beschaving bij wijze van spreken halen.

Alles wijst erop dat die omkering geen goed idee is. Niet alleen is Europa al behoorlijk overbevolkt en zal het die enorme vluchtelingenstroom op den duur niet kunnen verteren, maar samen met die vluchtelingen komen ook culturen naar hier die vloeken met de Europese cultuur en er een reële bedreiging voor vormen. Met name de moslims lijken alleen geïnteresseerd in de materiële rijkdom van Europa. Ze komen duidelijk niet naar hier om de Europese cultuur te leren kennen, ze komen naar Europa om er de moslimcultuur te verspreiden, zo lijkt het wel. Hun massale immigratie (en vooral hun zelfbewuste en agressieve houding) heeft inderdaad veel weg van een herhaling van de middeleeuwse veroveringstochten die Europa slechts met de grootste moeite kon afslaan. De michaëlische veroveringstocht van Alexander de Grote lijkt een ahrimanische veroveringstocht van de islam te zijn geworden. 
Michaël is de aartsengel van de zon. Onder zijn leiding wordt het werk van de andere aartsengelen (van de verschillende planeten) samengevat, een beetje zoals een plant in zaad schiet dat vervolgens naar alle windstreken wordt verspreid. De kracht van Michaël ligt dus in het samenvatten, in het grote overzicht, de grote samenhang. Hij is degene die ziet wat een kunstwerk tot kunstwerk maakt, die oog heeft voor de quintessens van het geheel en niet alleen voor de verschillende onderdelen die men kan onderscheiden.
De verontwaardiging die spreekt uit een column als die van Michaël Van Peel (en uit tal van andere reacties op de dood van de bootvluchtelingen) is volkomen terecht. Ze maakt zeker deel uit van het ‘schilderij’. Maar wat die verontwaardiging tot een leugen maakt, is het feit dat ze niet in het geheel wordt gepast. Want tot dat geheel zou bijvoorbeeld ook de verontwaardiging horen voor het islamitische geweld waarvoor al die asielzoekers op de vlucht zijn. Een ware Michaëlshouding zou beide verontwaardigingen naast elkaar plaatsen en vervolgens verder denken in een poging om het grote geheel te vatten. Maar dat gebeurt dus niet. Telkens weer wordt een deel als geheel beschouwd, telkens weer worden de (terechte) gevoelens en wilsimpulsen die met het geheel verbonden zijn, gericht op een onderdeel en daardoor misbruikt. 

Michaëlisch denken is rationeel denken, maar het is meer dan dat. Want het moderne intellect is wel in staat onderdelen scherp waar te nemen, maar het is niet in staat het levende geheel in één oogopslag te zien. Dat kan alleen een kunstzinnig waarnemen en oordelen. Michaëlisch denken omvat dus zowel de mannelijke ratio als de vrouwelijke kunstzinnigheid, ze verbindt het aristotelische denken met het platonische ‘schouwen’. 

De column van Michaël (!) Van Peel heeft een sterk platonische inslag. Alleen al de aanhef ‘burgers van Europa’ lijkt recht uit de Apologie van Socrates te komen, alsof Plato himself een aanklacht formuleert tegen de rechters van het hedendaagse Europa. Hij gebruikt daarvoor geen heldere redenering maar – op typisch platonische wijze – een beeld: hij vergelijkt Europa met een halflege reddingsboot van de Titanic. Voorwaar een sprekend beeld, want iedereen kent het verhaal: de reddingsboten waren halfleeg terwijl overal mensen in het water lagen te verdrinken. De boodschap is duidelijk: de rijkelui van Europa laten de sukkelaars uit Afrika gewoon verzuipen. Maar … als de reddingsboot Europa is, dan is de Titanic de hele wereld. Als de hele wereld ten onder gaat, waar moet die Europese reddingsboot dan heen? Is hij dan niet gedoemd op de wereldzee te blijven ronddobberen tot één of andere storm hem met man en muis doet vergaan, of tot de overlevenden van honger omkomen nadat de moslims eerst de christenen overboord hebben gegooid? 

 Het beeld dat Michaël Van Peel gebruikt, klopt dus wel: de Titanic van onze beschaving is inderdaad aan het zinken. En het beeld van de Europese reddingsboot klopt ook. Maar beide beelden spreken elkaar tegen, het geheel klopt niet. Europa blijft vooralsnog boven water (sic) maar haar reddingsboot is tot zinken gedoemd want er is geen ‘vasteland’ meer. Zoveel mogelijk drenkelingen uit het water vissen, is dus gewoon uitstel van executie. Het zal alleen tot gevolg hebben dat de Europese reddingsboot des te sneller in de golven verdwijnt. De helpende hand die Europa de vluchtelingen wil reiken, is een bedrieglijke hand: ze belooft iets dat de redders niet kunnen waarmaken. En als de geredden dat eenmaal doorkrijgen, zullen ze zich tegen hun redders keren. Dat doen ze trouwens nu reeds: de moslims keren zich in steeds grotere getale tegen het Europa dat hen ‘gered’ heeft. 

Michaël Van Peel gebruikt in zijn column de uitdrukking ‘de god van de hypocrisie’ tot wie de Europeanen bidden om de hulpkreten van de drenkelingen niet te moeten horen. Het is opnieuw een waar beeld. Maar het wordt tot een leugen omdat hij er zichzelf niet in herkent. Want Van Peel is zelf iemand die tot de god van de hypocrisie bidt. Zoals de meesten van zijn collega’s intellectuelen en kunstenaars gedraagt hij zich als een ‘fort Europa’ (een ander geliefd beeld) dat zich niks aantrekt van het gewone plebs en het met ongekende hardvochtigheid en minachting bejegent. Hij maakt zich met andere woorden zelf schuldig aan datgene waar hij de ‘burgers van Europa’ van beschuldigt. Hij is net als zij en spreekt dus eigenlijk tegen een spiegel. Dat is de ultieme samenhang waarvan de ware Michaëlische geest zich bewust moet worden: de samenhang tussen de spiegel en hemzelf, tussen datgene wat hij buiten zichzelf ziet en datgene wat in hemzelf leeft. Dat is het geheel waarvoor hij een zintuig moet ontwikkelen: de eenheid van de buitenwereld (die hij met scherpe aristotelische blik ziet) en de binnenwereld (die in platonische beelden in hem oprijst). 

Michaël is de aartsengel die de draak bevecht en die draak drijft zijn wig tussen mens en wereld. Hij belet de mens de wereld als een spiegel te zien. Of beter: hij belet de mens zich bewust te worden van het feit dat hij de wereld inderdaad als een spiegel ziet. Want waarom zijn met name kunstenaars en intellectuelen (het verschil is relatief) zo verontwaardigd over die drenkelingen in de Middellandse zee? Omdat ze er zich onbewust in herkennen. Want ook zijzelf zijn vluchtelingen die diep in hun ziel de oversteek wagen van het dorre intellectualisme van de moderne wereld naar een nieuwe spiritualiteit. Maar onderweg verdrinken ze. Ze kunnen geen brug slaan tussen hun scherpe intellect en de platonische beelden die in hun innerlijk opkomen. In plaats dat die twee elkaar doordringen en bevruchten, brengen ze elkaar in verwarring en scheppen chaos. En van die chaos maakt Ahriman gebruik om hun ziel binnen te dringen, zoals IS-strijders zich mengen onder de bootvluchtelingen om Europa binnen te komen. 

De strijd van Michaël met de draak is een strijd om bewustwording. Ahriman plaatst zich tussen de mens en de werkelijkheid. Door zijn intellectualisme maakt hij de mens los van de werkelijkheid. Maar tegelijk maakt hij de mens vrij. Het gaat er dus niet om dat we hem uit de weg ruimen (alsof we dat zouden kunnen). Het gaat erom dat we hem doorzien, letterlijk en figuurlijk. We moeten Ahriman transparant maken, we moeten door de zintuiglijke schijn waarop hij onze blik gericht houdt heen leren kijken. We moeten met andere woorden de zintuiglijke wereld als een kunstwerk leren zien, een kunstwerk dat we zelf geschapen hebben en waarin we dus onszelf kunnen herkennen. De bootvluchtelingen maken deel uit van dat kunstwerk, en we weten dat, anders zouden we er niet zo emotioneel op reageren. Maar dat – in wezen kunstzinnige, intuïtieve – weten dringt niet tot ons heldere, intellectuele bewustzijn door. We zijn namelijk bang om in de wereld onszelf tegen te komen. Daarvoor houden we ramen en deuren gesloten terwijl de vloedgolven op onze stranden beuken…

  

De Vette Vispoort

 Dit is de Vette Vispoort in Brugge, het steegje uit 1434 waar Pieter Aspe als kind opgroeide en waar ook commissaris Van In, het hoofdpersonage van zijn politieromans, woont. Het is Brugge op z’n Brugst. Aspe zegt erover: ‘Wij speelden in dat steegje, gingen vier straten verder op het plein aan de kerk op ontdekkingstocht, en hadden eindeloos veel tijd. Er was ook niks anders te doen, op tv was er voor kinderen enkel Nonkel Bob. Het was de tijd toen alles nog eenvoudig was, de bakker en de melkman aan huis kwamen, de postbode een borreltje mocht drinken als hij goed nieuws bracht, de kinderen op straat speelden, mensen geen stress hadden, geld en status niet belangrijk waren, het brood nog lekker was en kip naar kip smaakte.’

De Belgische ziekte

Wat is dat dan, de ‘Belgische ziekte’? Ik bedoel hiermee de collectieve psychotische weigering om processen, structuren, toestanden, samenhangen en problemen transparant te laten worden. Oppervlakkig lijkt dat fenomeen veroorzaakt door eigenbelang van individuen en groepen. Jammer genoeg gaat het blijkbaar veel dieper. Er is in onze cultuur vandaag een echte collectieve wil tot ontkenning van het onaangename. Als de realiteit ons niet bevalt, scheppen we een andere, mooiere realiteit, die we zodanig voor bare munt nemen dat we er niet enkel rotsvast in geloven, maar er zelfs in gaan leven. En wee diegene die het waagt te zeggen dat de keizer naakt is. Een ‘shitstorm’ – zo heet dat in modern Nederlands – is nog het minste wat de sukkelaar moet verwachten. Daarom is iedereen (behalve enkele gemarginaliseerde zonderlingen) heel voorzichtig om – zelfs niet eens per ongeluk – toch maar geen tipje van de sluier van welgevallen op te lichten. Dit leidt tot een verbluffend en vrij uniek effect: de zelfcensuur die we in dictaturen aantreffen zonder het fysiek geweld dat daar normaal bij hoort. Misschien is dat onze grote bijdrage tot de wereldgeschiedenis waar we al zo lang op wachten: wij hebben de dictatuur een humaan gezicht gegeven.

Het verbazende is dat wij dat zelf niet zien. Ik denk ook dat je het niet kunt zien als je hier opgegroeid bent en altijd hier geleefd heb. Maar toen ik, na vijfentwintig jaar buitenland, hier terugkwam trof het me als een voorhamer. Natuurlijk is onze Westerse cultuur in haar geheel door dit verschijnsel (afbrokkelend respect voor de realiteit) aangetast. Maar hier bij ons is het zo veel erger dan elders dat het verschil een kwalitatief karakter krijgt. Daarom is het zonder meer gerechtvaardigd over ‘Belgische’ ziekte te spreken. De ironie is dat wij Belgen/Vlamingen toch altijd zo graag speciaal en anders willen zijn. Welnu, in dit opzicht zijn we het, en we merken het niet eens.

Gerard De Beuckelaer  (bron: de-bron.org)


  

Bart De Wever, racisme en Plato

Onderstaand artikel is van de hand van Nikolaas De Jong  (bron: The Brussels Journal)

Het hoeft niet te verbazen dat Bart De Wever zich met zijn recente uitspraken over de relativiteit van racisme alweer de woede van de linkse intellectuelen en de meest prominente vertegenwoordigers van de allochtone gemeenschap op de hals gehaald heeft. Op die episode en de politieke gevolgen ervan zullen we hier niet verder ingaan, maar wel op de inhoud van De Wevers uitspraken en het debat over racisme dat ze beginnen los te maken. Met andere woorden: heeft de burgemeester van Antwerpen gelijk wanneer hij zegt dat racisme relatief is, en dat de weigering van bepaalde bevolkingsgroepen om zich te integreren misschien een groter maatschappelijk probleem is? Of heeft de antiracistische beweging daarentegen gelijk wanneer ze zegt dat racisme in de Vlaamse (en Europese) mentaliteit ingebakken zit en nu zelfs in hoogste regionen van de politiek gebanaliseerd wordt? Hoe meer de tweede groep immers zijn aantijgingen herhaalt, hoe meer de Vlaming begint de denken dat er toch iets van aan moet zijn. Indien er geen groot racismeprobleem is, waarom dan al het geklaag erover?

Laten we eerst eens de feiten opsommen, en vooral zien hoe we die feiten moeten interpreteren. Bart De Wever heeft volledig gelijk als hij zegt dat racisme een relatief begrip is; alleen is het zeer jammer dat hij, zoals altijd, niet de meest effectieve argumenten gaf om die uitspraak te staven. Want de feiten spreken voor zich. Als we kort naar de situatie in de rest van de wereld kijken, zien we al snel dat het Westen in feite de minst racistische cultuur van allemaal is – met de mogelijke uitzondering van Latijns-Amerika. Daarnaast is racisme doorheen de geschiedenis, en in de meeste delen van de wereld, veeleer de norm dan de uitzondering geweest. Wat dus opmerkelijk is aan de huidige toestand van de Westerse cultuur is niet zozeer dat er racisme is, wel dat racisme in zulke mate afgezwakt is geweest. 

Waarom dan de voortdurende bekommernis om het racistische Westen? We hebben hier met een opmerkelijke paradox te maken: omdat het Westen de enige cultuur is waar racisme überhaupt als problematisch wordt ervaren en er dus voortdurend over gediscussieerd wordt, lijkt het alsof alleen in het Westen racisme een probleem is. Het Westen is ook de enige cultuur die zich iets aantrekt van klachten over racisme en andere wandaden die mensen uit andere culturen tot ons richten. Dat is ook de reden waarom de slachtoffers van racisme, kolonialisme, en slavenhandel hun beklag gaan doen in het Westen, en niet in pakweg de Arabische wereld, waar ze meteen weggelachen zouden worden.

Er is ook nog het bijkomende probleem – dat al helemaal niet ter sprake komt in het huidige debat – dat het onderzoek naar racisme in onze samenleving altijd vertrekt van de verkeerde veronderstelling dat alleen minderheden gediscrimineerd kunnen worden, en alleen meerderheden kunnen discrimineren. Wanneer stellen we ons eens vragen bij de houding van de allochtone bevolking – om te beginnen de moslims – tegenover Europeanen? Wie in een islamitische wijk woont weet zeer goed dat het racisme van moslims tegenover niet-moslims van een heel ander kaliber is dan het “racisme” van de Vlaming tegenover vreemdelingen. Bovendien kunnen we ons de vraag stellen in welke zin een samenleving waarin meer dan 30% van de allochtone bevolking werkloos is en dus met de belastingen van autochtonen wordt onderhouden, en waar jaarlijks miljarden worden uitgegeven aan opvang van immigranten (legaal en illegaal), echt racistisch genoemd kan worden. Om maar te zwijgen van de voorkeursbehandeling die zowel moslims als linkse aanhangers van het multiculturalisme bij het gerecht genieten. 

Nu rest ons de grote vraag: indien racisme inderdaad relatief is, wat drijft dan de linkse intelligentsia en de vertegenwoordigers van de allochtone gemeenschap in hun kruistocht tegen een imaginair kwaad? 

Om te begrijpen waarom linkse intellectuelen zich gedragen zoals ze zich gedragen, moeten we eerst en vooral begrijpen dat de intelligentsia in feite een klasse op zich is, naast de gekende sociale klassen zoals de arbeidersklasse, de middenklasse, en de (economische) elite. Wat intellectuelen evenwel onderscheidt van de andere sociale klassen, is dat die andere klassen zich allemaal bezighouden met een concrete activiteit, waarmee ze in hun levensonderhoud voorzien, terwijl intellectuelen zich bezighouden met iets abstracts, namelijk de vraag hoe de samenleving er zou moeten uitzien of op welke morele principes ze gestoeld zou moeten zijn. Het leidt geen enkele twijfel dat een gezonde samenleving een morele basis nodig heeft, en dat die alleen door intellectuelen (die we doorheen de geschiedenis in een veelheid aan functies terugvinden) kan worden verschaft. Maar zoals Ayn Rand voortdurend benadrukte, kunnen intellectuelen door hun morele impact op de samenleving ook enorm veel schade berokkenen als ze de verkeerde ideeën propageren – met andere woorden, wanneer hun ideeën slechts bestaan in functie van hun zoektocht naar status en macht. 

Men zou kunnen stellen dat er in essentie twee soorten intellectuelen bestaan, en hun onderscheid gaat terug tot het conflict tussen Plato en Aristoteles, de eersten die zich afvroegen hoe de samenleving van een morele basis voorzien moest worden. De aanpak van Plato was de utopische: de huidige samenleving en het menselijke leven zelf is volledig verrot, en moet zo snel mogelijk vervangen worden door een radicaal nieuwe orde, met een kleine groep verlichte intellectuelen als alleenheersers. Aristoteles zette zich snel af tegen deze onrealistische en onmenselijke visie van zijn leermeester, en was daarentegen de mening toegedaan dat het individu de belangrijkste eenheid van de samenleving was, en dat politiek in de laatste instantie de belangen van het individu moest dienen. De samenleving was volgens Aristoteles oneindig veel complexer dan Plato dacht, en om het morele gehalte van die samenleving te verhogen zou het dus altijd verstandiger zijn om binnen bestaande omstandigheden naar haalbare oplossingen te streven, in plaats van de realiteit voortdurend te toetsen aan een utopie, en alles wat niet in de utopie paste onvoorwaardelijk te veroordelen. 

(Het is niet verbazend dat de Westerse volkswijsheid ons vertelt dat we een ideale balans moeten zoeken tussen Plato en Aristoteles, of tussen vernieuwing en behoudgezindheid.  Soms is vernieuwing nodig om misstanden in de samenleving weg te werken, en soms is behoudgezindheid nuttig om onrealistische en roekeloze plannen tegen te houden. Zoals ik al eerder vertelde, gaat deze volkswijsheid uit van een valse tegenstelling, namelijk dat het goede ofwel het bestaande ofwel het nieuwe is – oftewel het intrinsieke of het subjectieve. Ayn Rand zou de volgende belangrijke stap zetten in de ontwikkeling van de Westerse filosofie: het goede is objectief te bepalen, en wordt bepaald door de aard van de mens zelf.)

De lezer heeft natuurlijk reeds opgemerkt dat de meeste intellectuelen vandaag de dag erfgenamen van Plato zijn. En dat ligt voor de hand, omdat de intellectuelen in de visie van Plato toevallig ook degenen zijn die de leiding zullen nemen in de zuivering van de samenleving. De huidige aanvallen van de linkse intelligentsia op de status quo moeten we dan ook in dit licht zien: wanneer de toestand van de samenleving totaal verdorven is, impliceert dit uiteraard dat alleen zij, de verlichte intellectuelen, het juiste medicijn kunnen aanreiken om die samenleving weer gezond te maken. 

De grote episodes uit de triomftocht van links zijn allemaal mooie voorbeelden van deze dynamiek: tijdens de Franse revolutie wierp links de duistere krachten van het feodalisme en het absolutisme omver, in de negentiende eeuw kwam links op voor de zwaar onderdrukte arbeiders, en toen was er natuurlijk de Russische revolutie tegen de barbaarse autocratie van de tsaren. De excessen van links, de vele genocides dus, worden dan afgedaan als een spijtige maar begrijpelijke reactie op de conservatieve onderdrukking. We krijgen natuurlijk nergens de lastige details te horen, bijvoorbeeld dat Frankrijk ten tijde van de revolutie een van de meer liberale landen in Europa was, en niet eens de macht had haar burgers zomaar belastingen op te leggen. Of dat het gemiddelde inkomen van de “onderdrukte” arbeiders gedurende de negentiende eeuw minstens verdrievoudigde. Of dat het brutale regime van de tsaren blijkbaar een parlement en recht op vrije meningsuiting kende, waar communisten naar hartenlust hun mening konden ventileren, en dat de linkse ideologie verspreid werd via universiteit die door de staat werden gefinancierd. Keer op keer spiegelde de linkse intelligentsia de status quo aan een utopische toestand, en verklaarde ze dat de bestaande samenleving met geweld vernietigd mocht worden omdat ze niet aan die standaard voldeed. Het ligt voor de hand dat de heisa van vandaag over de het veronderstelde racismeprobleem in dit rijtje thuishoort: het nieuwe proletariaat van de derde wereld wordt genadeloos onderdrukt, en de linkse intellectuelen zullen hun aanvoerders zijn wanneer ze de ketenen van die onderdrukkende, racistische bestaande orde afwerpen.

Dat is althans het plan. De moeilijkheid is echter dat de immigranten uit de derde wereld niet alleen een proletariaat vormen zoals het vroegere proletariaat van de arbeiders, maar ook vertegenwoordigers zijn van een zelfstandige cultuur. Zeker in het geval de islam hebben we niet te maken met een manipuleerbare groep  van verstotenen, maar met een onafhankelijk machtscentrum dat zijn eigen doel nastreeft: heerschappij over Europa. Wat linkse intellectuelen in al hun verfijning en sluwheid niet begrijpen, is dat moslims in laatste instantie precies hetzelfde doel nastreven als zijzelf: macht. En als de islam erin slaagt zijn plannen voor Europa uit te voeren, zal dat ook meteen het einde betekenen van de linkse bewegingen, en van de frustraties van linkse intellectuelen. De laatste grote stunt van links, het multiculturalisme, zal tevens de ondergang van de linkse beweging betekenen. 

Het moge duidelijk zijn dat het discours over discriminatie en rechten van minderheden slechts een dekmantel is voor het afdwingen van hegemonie in de samenleving. De meeste Westerlingen zien nog altijd niet in dat het woord “discriminatie” iets helemaal anders betekent wanneer het door moslims in de mond genomen wordt, dan wanneer Westerlingen het gebruiken. De islam deelt de wereld in in het Huis van de Islam en het Huis van de Oorlog, dat deel van de wereld dat nog veroverd moeten worden door de Islam. Met andere woorden: de rest van de planeet is slechts bezit van de moslims die er nog moeten aankomen, en de andere volkeren van de wereld zijn er alleen om te bekeren, om te onderwerpen (indien het Joden of Christenen zijn), of om uit te moorden (indien het heidenen zijn, of  joden en christenen die zich weigeren te onderwerpen.) Wanneer moslims dus zeggen dat ze in Europa last hebben van discriminatie, bedoelen ze daarmee gewoon dat ze niet snel genoeg alles krijgen waar ze recht op denken te hebben. De materiële bezittingen van de kuffir zijn door Allah slechts gecreëerd om moslims welvaart te garanderen, dus hoe durven ze ons te ontzeggen wat ons rechtmatig toekomt? De gewone moslim, die nooit grondig nagedacht heeft over de religie waarin hij geboren is, zal er zich trouwens niet van bewust zijn dat zijn houding hypocriet is; binnen zijn ideologisch kader zal hij er oprecht van overtuigd zijn dat hem onrecht wordt aangedaan in de kille Europese samenleving, waarin de arrogante kuffir niet voortdurend klaarstaat om hem op zijn wenken te bedienen. 

Het probleem is evenwel niet beperkt tot de islam, maar strekt zich in mindere of meerdere mate uit tot alle immigranten uit het arme Zuiden– uit de landen die volgens de linkse orthodoxie arm zijn gebleven door de nasleep van het Westerse imperialisme. Zij hebben, net zoals het canaille in Ferguson in de Verenigde Staten, of het ANC in Zuid-Afrika, vaak helemaal geen probleem met racisme; ze hebben alleen een probleem met racisme als het tegen henzelf gericht is, en eisen uiteindelijk gewoon het recht op om hun dominantie te vestigen over blanke Westerlingen. Of om het met het citaat te zeggen dat aan Louis Veuillot wordt toegeschreven: “Quand je suis le plus faible, je vous demande la liberté parce que tel est votre principe ; mais quand je suis le plus fort, je vous l’ôte, parce que tel est le mien.” 

Heel veel geel

  

De Europese zonnegeest

Toen ik enkele dagen geleden iets schreef over VRT-journaliste Danira Boukhriss (die zogezegd niet wist dat er nog racisme bestond in Vlaanderen) en over Antwerpen (dat langzaam maar zeker verandert in een moslimstad) luisterde ik toevallig naar Domino, het bekende Franse chanson van André Claveau (‘le printemps chante en moi Dominique, j’ai le coeur comme une boite á musique’). Ik werd overvallen door een golf van weemoed. Hoe mooi, hoe lieflijk en hoe zonnig is de geest niet die spreekt uit het Franse chanson (Yves Montand, Edith Piaf, Charles Trenet, Juliette Greco et les autres)! En hoe lelijk, hoe grimmig en hoe duister is de geest niet die sindsdien zijn plaats heeft ingenomen!

Frankrijk heeft een centrale rol gespeeld in de ontwikkeling van de Europese beschaving, denken we maar aan de kathedraalbouwers, de Tempeliers, Jeanne d’Arc, de Franse revolutie. Maar die beschavingsrol is vandaag uitgespeeld. Frankrijk is nog slechts een schim van zichzelf. Het Franse chanson was de zwanenzang van deze ooit zo grote cultuur. Hetzelfde geldt voor het impressionisme, dat dezelfde zonnige geest uitademde: het was een nabloei, een laatste oplichten, een gouden herfst, niet alleen van de Franse cultuur, maar van de hele Europese cultuur. Die heeft zijn leven gerekt tot pakweg 1950, maar toen was het afgelopen. Toen nam Amerika het stuur definitief over. 

Ik voel me heel, heel diep verbonden met die zonnige geest van de Europese beschaving en ik verafschuw uit de grond van mijn hart de geest die hem vervangen heeft. Als ik zie hoe mensen deze akelige ahrimanische geest als vanzelfsprekend accepteren of hem zelfs enthousiast toejuichen (zoals in de Hedendaagse Kunst), dan kan ik alleen maar denken: zij kennen de Europese zonnegeest niet, anders zouden ze geschokt zijn door de tegenstelling. Mijn generatie is geboren na WO2 toen de Europese geest al vervangen was. Ze heeft die geest enkel nog leren kennen door zijn ‘overblijfselen’. Ik vorm een uitzondering op die regel want ik heb de levende zonnegeest nog op de valreep leren kennen.

  

Dat gebeurde in Mechelen, aan de voet van de St.Romboutstoren, in de academie waar de ooit zo glorieuze Vlaamse kunsttraditie haar laatste adem uitblies. Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was dat nog te mogen meemaken, antwoordde hij meewarig: ach jongen, jij weet helemaal niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt! Hij was er zich zeer van bewust in een stervende traditie te staan en misschien verleende dat bewustzijn wel die heel bijzondere glans aan de geest die hij – als een der allerlaatsten – vertegenwoordigde. In ieder geval, ik heb die stralende, zonnige geest heel diep in mijn hart opgenomen. Tot op de huidige dag blijft hij het mooiste wat ik ooit gekend heb.

Het lot heeft me evenwel belet die geest te volgen (en met hem ten onder te gaan). Ik werd naar de tegenovergestelde geest geleid, de grauwe geest van het intellectualisme. Zo zonnig als mijn dagen aan de academie waren, zo koud en duister waren ze aan de universiteit. Ik kwam er terecht in een wereld van schijn, dikdoenerij, leugen en bedrog, een wereld bevolkt met mensen die ik onmogelijk au sérieux kon nemen. De tegenstelling kon niet groter zijn. Ik leerde er voor het eerst de ahrimanische geest in al zijn onbarmhartige kilheid kennen. Ik had het gevoel dat ik als mens niet meer meetelde, dat ik iemand anders moest worden dan wie ik was. En dus trok ik mij terug, diep in mezelf, onbereikbaar voor iedereen.

In dat diepste isolement, in dat bijna volstrekte duister ging er een lichtje branden: ik ontmoette de antroposofie. Niet in de vorm van een leer of (godbewareme) een wetenschap, maar in de vorm van een mens. Ik vond er mijn vrouw, en via haar vond ik een toegang tot het werk van Rudolf Steiner. Op een andere manier was dat laatste niet mogelijk geweest. Hoe had ik ooit de levende zonnegeest kunnen herkennen in de dorre geesteswetenschap van de steevast in het zwart geklede Herr Doctor! Ik verafschuwde doctors en professors, ik had alleen respect voor mensen die iets met hun handen konden. Als mijn tekenleraar iets zei, spitste ik mijn oren, want ik had gezien wat hij met zijn handen kon. 

  

De antroposofie is christelijk, maar ze is dat op een michaëlische manier. Dat wil zeggen: zij is gepantserd, zij is strijdbaar, zij is bewust. Zij is eigenlijk het tegenovergestelde van de zonnegeest die ik aan de Mechelse academie leerde kennen en die dromerig was, ontwapenend en kinderlijk onschuldig. En toch, als ik nuchter terugdenk aan die tijd dan moet ik erkennen dat er in die zo stille, zonnige academie, onder de beiaardklanken van St.Rombouts, hevige innerlijke gevechten werden gevoerd, want te midden van de (naar mijn gevoel) absolute vrijheid die er heerste, gold één ijzeren stelregel: wat je deed, moest juist zijn. Je mocht geen loopje nemen met de werkelijkheid, daar werd streng op toegekeken. 

Anders gezegd: de onzichtbare binnenkant van die hartverwarmende zonnigheid, was michaëlische strijdlust. Mijn leraar was allesbehalve begripsvol en toegeeflijk. Hij was in feite ongenadig: klopte er iets niet, dan moest je herbeginnen. Niets liet hij passeren. Maar dat werd niet als dwang of plicht ervaren. Je wist: dit is de weg naar het doel dat ik wil bereiken. Deze ononderbroken morele strijd tegen schijn, leugen en (zelf)bedrog is de weg naar de vreugde van het scheppen. Jaren later heb ik zelf nog een tijdje les gegeven, op dezelfde ‘michaëlische’ manier, en ik ondervond toen hoe ongelooflijk zwaar deze weg is. Als kind had ik hem spelenderwijs bewandeld, als volwassene waren mijn benen als van lood. 

Het heeft lang geduurd voor ik door het michaëlische pantser van de antroposofie heen raakte en doordrong tot de zonnige ‘binnenkant’ ervan. Slechts heel langzaam begon ik in te zien dat de antroposofie de zonnegeest van de (Europese) kunst weerspiegelde. Aanvankelijk zag ik alleen maar de immense tegenstelling tussen de levende geest en zijn dode spiegelbeeld. Hoe ongelooflijk dor, saai en hard is de antroposofie niet vergeleken bij de betoverende kinderlijkheid van de zonnegeest die ik in mijn jeugd had leren kennen! En toch, als ik zag hoe kinderen in de steinerschool naar hartelust konden tekenen, herkende ik iets van die zonnige geest. Ik begreep later ook dat het de bedoeling was dat hij zich in een steinerschool op alle gebieden manifesteerde, en niet alleen in de kunstvakken. 

   

Vandaag begrijp ik dat de zonnegeest moet sterven om zich te kunnen vermenigvuldigen. Hij moet als het ware gereduceerd worden tot zijn spiegelbeeld om daarna weer op grotere schaal te kunnen verrijzen. Dat is ook de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat het de enige manier was om haar te redden. Ik zag hoe de kunst tenonder ging en ik wist dat ik daar niks kon aan veranderen, de tegenkrachten waren veel te groot. Het enige wat ik kon doen, was proberen de zaak te begrijpen. Daartoe moest ik doen wat ik nooit had gekund zolang de kunst nog leefde: afstand nemen, ertegenover gaan staan. Die scheiding was zo pijnlijk dat ik ze niet had overleefd zonder de hulp van de antroposofie. 

Mijn hele leven is getekend door die scheiding. Gisteren ben ik voor het eerst dit jaar weer naar Brugge geweest. Uiterlijk gezien, was het een heerlijk weerzien, een weerzien met de zon. Reeds tijdens de ochtendlijke rit op de autostrade keek ik mijn ogen uit op de zonovergoten velden en bomen. Hoe ongelooflijk zuiver zag de wereld eruit in het licht van de lentezon! Ook op de Dijver was het zalig. Ik trof er een beetje dezelfde atmosfeer aan als toen ik vroeger op zondag door het slapende Mechelen naar de academie fietste (of hoe ook de eigen levensgeschiedenis zich herhaalt). Ik heb zowat de hele dag in de zon gezeten, luisterend naar het geroezemoes van de toeristen, kijkend naar de lichtgevende groene blaadjes aan de lindebomen.  

Maar zo zonnig als deze heerlijke lentedag was, zo donker en somber was het in mijn hart. Want ik voelde heel goed dat ik met mijn schilderijen de harten van de toeristen niet bereikte. De dingen die ik maak behoren dan ook tot het verleden. Het zijn overblijfselen, ‘stoffelijke resten’ van de zonnegeest. Ze zijn een soort eerbetoon aan een gestorven geliefde. Ik voel me niet in staat om uitdrukking te geven aan de levende zonnegeest en dat is een blijvende kwelling. Het feit dat ook anderen daar niet in slagen, biedt geen troost, integendeel. Hun onmacht reflecteert mijn eigen onmacht. Het enige verschil is dat ik mij bewust ben van die onmacht, terwijl de meesten doen alsof er niks aan de hand is.

   

 

  

De Europese zonnegeest is gestorven. We leven vandaag in een dode wereld. Het enige wat nog ‘leeft’ zijn de ontbindingskrachten die het dode lichaam langzaam maar zeker doen uiteenvallen. Het is vreselijk om dat onder ogen te moeten zien, maar het is het enige wat we nog kunnen doen. Wie zijn ogen sluit voor dit ontbindingsproces werkt eraan mee. De islamisering van Europa – om maar één voorbeeld te noemen – kan niet meer tot staan worden gebracht. Het is slechts een kwestie van tijd voor in alle grote Europese steden overwegend moslims leven. En zij zullen de macht grijpen, daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. Maar zij veroorzaken de ondergang van de Europese beschaving niet, ze maken die alleen zichtbaar. 

Rudolf Steiner verklaarde 100 jaar geleden al dat de Europese beschaving in een deplorabele toestand verkeerde. Wie vandaag nog denkt dat ze te redden is, gedraagt zich als iemand die zich vastklampt aan het lichaam van een gestorven geliefde. De politiek correcten geven door hun idealen blijk van een vurig christendom. Maar doordat ze hun intense liefde voor de Europese zonnegeest richten op zijn stoffelijk overschot – en weigeren zijn dood onder ogen te zien – worden ze tot handlangers van de ahrimanische ontbindingskrachten die alles tot stof willen herleiden. Nooit was het mysterie van Golgotha – het sterven van de zonnegeest – zo actueel als vandaag, nooit was het onder ogen zien van die vreselijke dood zo belangrijk.

Christus sterft in onze tijd niet op een heuvel in Palestina, hij sterft overal, en hij sterft vooral in Europa, waar zijn zonnegeest tot nog toe het duidelijkst tot uitdrukking is gekomen. De michaëlische opgave van de antroposofie en van eenieder die deze ‘Europese’ geest liefheeft, bestaat erin om zich los te maken van zijn gestorven lichaam, om er tegenover te gaan staan en de harde waarheid van zijn dood onder ogen te zien. Alleen op die manier kunnen we weer voeling krijgen met de sfeer waar zijn geest nog leeft en zich voorbereidt op zijn wederopstanding. Maar dan moeten we wel een harde leerschool doorlopen en een hevige strijd voeren tegen schijn, leugen en zelfbedrog.