Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: karmaonderzoek

Antroposofie en karmabewustzijn (1)

  

Wie de geschiedenis van de antroposofische beweging een beetje kent, weet wat er gebeurde na de dood van Rudolf Steiner. Zijn twee belangrijkste leerlingen – Marie von Sivers en Ita Wegman kregen ruzie over de assen van hun leraar: de zogenaamde Urnenstreit. Het is niet meteen iets wat men verwacht van spirituele mensen: bekvechten over iemands stoffelijke resten. Of toch wel? Naar verluidt wilde Rudolf Steiner niet verast maar begraven worden. Voorzag hij dat de urne met zijn assen de inzet zouden worden van een ruzie die de hele beweging in twee kampen zou verdelen? Hoe dan ook, het vuur dat zijn lichaam verteerde leek over te slaan op de antroposofische beweging, ook zij werd in de as gelegd. Het doet onwillekeurig denken aan de brand die het Goetheanum verwoestte en waarvan Rudolf Steiner zei dat het vuur weliswaar van buitenaf werd aangestoken maar zijn werkelijke oorzaak vond in de ruzies en spanningen binnen de antroposofische wereld zelf. 

De Urnenstreit was de vonk die de uitslaande brand deed ontstaan waarvan Ita Wegman later zou zeggen dat, als hij niet geblust werd, Hitler aan de macht zou komen. Wat ook gebeurde. Maar Ita Wegman zei nog iets anders over die ruzie. De felle haat waar (vooral) zij het slachtoffer van werd, was volgens haar in de eerste plaats gericht tegen de ontwikkeling van het karmabewustzijn. Dat was wat de tegenmachten in de kiem wilden smoren, en zij slaagden daar voortreffelijk in. Vandaag, bijna 100 jaar later, is karmabewustzijn zo goed als onbestaande. Vrijwel geen enkele antroposoof weet tot welke karmische groep hij behoort: die van de oude of die van de jonge zielen. Nochtans is dat de basiskennis die Rudolf Steiner van iedere antroposoof verwachtte. En hij had daar een goede reden voor. De antroposofie was volgens hem niets anders dan een voorbereiding op wat aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden: de samenwerking van platonici en aristotelici, de leidende figuren van beide zielengroepen. 

Nooit heeft Rudolf Steiner met meer nadruk gesproken dan over deze samenwerking. Hij verbond er zelfs een deadline aan: ze moest plaatsvinden vóór het eind van de 20ste eeuw, anders zou de mensheid ‘aan het graf van alle beschaving staan’. Zo drukte hij het uit, en deze apocalyptische voorspelling herhaalde hij liefst vijf keer. Het was in zekere zin zijn testament, zijn laatste wilsbeschikking, want kort daarop moest hij het werk staken en een half jaar later was hij dood. Niets was voor hem belangrijker dan deze toekomstige samenwerking van platonici en aristotelici. Zij was het grote doel van de antroposofische arbeid, datgene waarop alle inspanningen gericht moesten zijn. Maar dat wisten de tegenmachten ook, en ze zetten alles op alles om de ontwikkeling te verhinderen van het karmabewustzijn dat deze samenwerking mogelijk moest maken. Onder geen beding mocht van de antroposofie de geestelijke impuls uitgaan die de beschaving uit het slop van het materialisme zou halen. 

De tegenwerking begon al nog voor er van antroposofie sprake was. Julius Schröer, de man die geroepen was om de antroposofie te ontwikkelen, bleek daar niet toe in staat. Rudolf Steiner had geen andere keuze dan zijn taak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij zijn eigen levensopdracht – de bewustwording van karma en reïncarnatie – niet vervullen. Hij heeft nog geprobeerd beide taken te combineren, maar zijn pogingen om over karma en reïncarnatie te spreken liepen op niets uit. De weerstanden waren te groot. Pas na het voltooien van de antroposofie, dat wil zeggen na de Weihnachtstagung, slaagde hij erin die weerstanden te overwinnen. Maar de prijs lag bijzonder hoog. De brand van het Goetheanum was reeds een zware klap voor hem geweest en een jaar later volgde nog een tweede: hij werd vergiftigd. Ook deze aanslag wist hij te overleven, maar hij was ten dode opgeschreven. Er restten hem nog slechts 9 maanden om te doen waarvoor hij op aarde was gekomen. 

Na de dood van Rudolf Steiner sloegen de tegenmachten een derde maal toe: de Urnenstreit scheurde de antroposofische beweging in twee en de breuklijn liep grotendeels tussen de oude en de jonge zielen waarover hij in het laatste jaar van zijn leven had gesproken. Dit elementaire karma-inzicht had echter niet de kans gekregen door te dringen tot het antroposofische bewustzijn en de beweging had dan ook geen verhaal tegen deze vernietigende aanval van de draak. Dertig jaar later werd de breuk geheeld, maar tegelijk werd ook het zielenthema begraven. Het grondleggende werk van Hans Peter van Manen, Christussucher und Michaeldiener, dat in 1980 verscheen, vond nauwelijks weerklank. Latere publicaties deden hun best om het onderwerp te relativeren en te minimaliseren. Sommigen vonden het zelfs ongepast om erover na te denken. En intussen naderde het einde van de eeuw zonder dat iemand zich afvroeg waar die platonici en aristotelici wel mochten zijn.

Vandaag ligt het eind van de 20ste eeuw al een hele tijd achter ons en meer dan ooit wordt er in alle talen gezwegen over wat toen had moeten gebeuren. Het is nochtans duidelijk dat Rudolf Steiners waarschuwing geen loos alarm was. Vrijwel onmiddellijk na het aflopen van zijn deadline brak de War on Terror uit. De twin towers werden in de as gelegd, het Midden-Oosten vloog in brand, grote migrantenstromen kwamen op gang en de ‘islamisering’ van Europa begon. Deze ‘derde wereldoorlog’ is – net als beide vorige – onmiskenbaar gericht tegen Europa, waarbij Europa niet alleen gezien moet worden als het geografische continent, maar ook – en vooral – als de beschaving van onze tijd. De islam, het meest in het oog springende wapen dat tegen deze beschaving wordt gericht, lijkt eindelijk te zullen slagen in wat hij reeds sinds zijn ontstaan nastreeft: de verovering van Europa. Die overwinning zal echter niet te danken hebben aan de sterkte van de islam, maar aan de zwakte van een hopeloos verdeeld Europa.

Die verdeling begon reeds met de wig die de tegenmachten tussen Julius Schröer en Rudolf Steiner dreven, want op die manier verhinderden ze de verbinding van antroposofie en karmabewustzijn die uiteindelijk had moeten leiden tot de beschavingsreddende samenwerking van platonici en aristotelici. De microcosmos van de antroposofische wereld werd weerspiegeld in de macrocosmos van het wereldgebeuren. Zonder de tegenwerking die het Goetheanum van meet af aan ondervond, had, aldus Rudolf Steiner, de eerste wereldoorlog kunnen voorkomen worden. Volgens Ita Wegman was er dan weer een verband tussen de Urnenstreit enerzijds en de machtsovername van Hitler en de tweede wereldoorlog anderzijds. Dat het aflopen van Rudolf Steiners deadline tenslotte het sein was tot het uitbreken van de War on Terror, daar heb je geen helderziende vermogens voor nodig. Ook al klinken deze parallellen voor een buitenstaander vergezocht of zelfs grotesk, als antroposoof kun je ze niet zomaar aan de kant schuiven. 

Zoals na de oorlog de breuk binnen de antroposofische beweging werd hersteld, zo werd even later ook Europa weer herenigd. Sindsdien heerst er vrede, maar die vrede werd zwaar betaald. Europa is een soort tweede Sovjet-Unie geworden waar een centralistisch bestuur de lidstaten de wet voorschrijft. Onder deze opgelegde (schijn)eenheid gaapt een diepe kloof tussen links en rechts, een kloof die de van haat vervulde ziel van de moderne mens weerspiegelt. Die kloof gaapt ook in de antroposofische wereld. Bij conflicten komen steeds weer dezelfde twee zielengroepen tegenover elkaar te staan, zonder dat daar enig (karma)bewustzijn uit ontstaat. Er wordt veel nagedacht en er wordt hard gewerkt, maar tussen beide is nauwelijks contact. Het hart ontbreekt, het levende midden, de bezieling. De antroposofie leidt een kwijnend bestaan, ze wordt van binnen uitgehold, slaagt er niet meer in de jongere generaties warm te maken. Winter is coming

Het hoofd doet alsof er niets aan de hand is, maar het hart laat zich niet bedriegen. Het weet dat we ‘aan het graf van alle beschaving’ staan. Dat is een huiveringwekkend besef en het valt te begrijpen dat de antroposofische wereld zich afsluit voor alles wat met deze voorspelling van Rudolf Steiner te maken heeft. Immers, hoe kunnen we nog verder werken als de zaak toch verloren is? Maar juist hier wordt zichtbaar hoe cruciaal karmabewustzijn is. Niet alleen mensen reïncarneren, ook beschavingen doen dat. Onze beschaving gaat ten onder, maar dat betekent niet dat het einde van de wereld aangebroken is. Rudolf Steiner heeft vaak genoeg gesproken over toekomstige tijdperken. En juist die toekomst moet nu voorbereid worden. Toen het Goetheanum afbrandde stierf de antroposofische vereniging. De vlammen laaiden hoog op, maar Rudolf Steiner drukte zijn leerlingen op het hart om goed te kijken en deze katastrofe diep in hun ziel te prenten. Want het beleven van dit sterven moest de kiem worden voor de wedergeboorte. 

Als het Goetheanum niet in de as was gelegd, zou de Weihnachtstagung niet hebben plaatsgevonden. Het jaar dat die twee grote gebeurtenissen van elkaar scheidde, vormde het dieptepunt van de antroposofische beweging en Rudolf Steiner speelde met de gedachte om het allemaal op te geven. Maar hij deed het niet. Hij ging dwars-door-het-dal en uit dat lijden ontstond de Grondsteen die hij tijdens de Weihnachtstagung ‘in de harten’ van de aanwezigen legde. Die ‘aanwezigheid’ moet hier niet alleen in de letterlijke betekenis van het woord worden begrepen. Alleen wie het sterven van de oude vereniging bewust had meegemaakt, was in staat het zaad van de nieuwe vereniging in zich op te nemen. Dat beeld is ook van toepassing op onze tijd, nu de hele beschaving ten onder gaat en in het bewuste en vrijwillige beleven van dat sterven het zaad van de toekomstige beschaving gevormd wordt. Dat is vandaag de opgave van de antroposofie, de opgave waar – nog altijd en zelfs meer dan ooit – de toekomst van afhangt. 

Maar dat betekent dat het karma van de antroposofische beweging onder ogen moet worden gezien, en dat is een zure appel om in te bijten. Het is geen pretje om geconfronteerd te worden met het falen van de antroposofie. De verleiding is groot om ‘positief te blijven’ en ‘de moed erin te houden’. Maar daarmee ontwijkt men de waarheid en zonder waarheid kan vandaag niets meer bereikt worden. Echte positiviteit bestaat erin dat men het negatieve onder ogen ziet en er, zoals Rudolf Steiner, dwars doorheen gaat. Men merkt dan pas goed hoeveel er de tegenmachten aan gelegen is om de antroposofie te scheiden van het karmabewustzijn. Deze scheiding weer ongedaan te maken, betekent een strijd met de draak in zijn meest afschuwelijke vorm. In die strijd kan Ita Wegman ons tot voorbeeld zijn. De golf van haat die haar overspoelde, heeft ze gelaten ondergaan. Aan het eind van haar leven schreef ze zelfs een verzoenende brief aan Marie von Sivers en maakte op die manier de weg vrij voor een samenwerking in een volgend leven.

Advertenties

Schoenaerts (2)

Verleden donderdag is het proces begonnen dat Matthias Schoenaerts heeft aangespannen tegen Stan Lauryssens.
Die heeft namelijk een boek geschreven waarin hij de vuile was van vader Julien Schoenaerts buiten hangt.
Die was is zo vuil dat je je kunt afvragen: moét dat nu?
Moet je de doden niet in vrede laten rusten?
Dat is het standpunt dat Matthias inneemt: over de doden niets dan goeds.
Hij komt op voor de liefde.
Stan Lauryssens komt dan weer op voor de waarheid, tenminste dat beweert hij.
Als dat klopt – als Lauryssens de waarheid spreekt en Schoenaerts handelt uit liefde – dan hebben ze allebei gelijk.
Maar ze hebben ook allebei ongelijk.
Want over de doden kan men maar op de goede manier spreken – de mortuis nihil nisi bene – als waarheid en liefde samengaan, als het niet om blinde liefde of liefdeloze waarheid gaat.
Het leven van Julien Schoenaerts illustreert eigenlijk hoe moeilijk het is om die twee met elkaar te verzoenen.
Schoenaerts was een kunstenaar: wat hij deed, deed hij uit liefde.
Zo zag hij zijn eigen roeping ook: hij wilde liefde verspreiden via het toneel.
Maar wat hem kwelde was de kloof tussen toneel en werkelijkheid.
Wat hij in de schijnwereld van de kunst miste was de waarheid.

Het boek van Lauryssens begint met een memorabel moment.
Julien Schoenaerts onderbreekt een toneelopvoering en zegt tegen zijn publiek: wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Ginder in de echte wereld vechten de mijnwerkers voor een menswaardig bestaan! Dát is het echte treurspel!
En hij verlaat de schouwburg en springt in zijn auto om in Limburg mee te gaan betogen.
Hij vindt dat een kunstenaar het zich niet kan permitteren om aan de kant te blijven staan.
Maar zijn optreden tussen de mijnwerkers heeft verdacht veel weg van een toneelopvoering: Schoenaerts ‘acteert’ dat hij een betogende mijnwerker is.
Het is het begin van een lange reeks pijnlijke optredens (zowel in het theater als in de werkelijkheid) waarbij theater en werkelijkheid door elkaar lopen.
Julien Schoenaerts speelde eigenlijk altijd toneel, ook buiten de schouwburg.
En in de schouwburg speelde hij zijn rollen alsof ze werkelijkheid waren.
Hij speelde nooit zomaar King Lear, hij wás King Lear.
Hij wás ook nooit zomaar Julien Schoenaerts, hij spéélde Julien Schoenaerts.
Fictie en werkelijkheid liepen in zijn leven voortdurend door elkaar.

Toen zijn ziekte doorbrak, verdween het onderscheid zelfs helemaal.
Ja, zijn ziekte bestond juist in het doorbreken van de grens tussen kunst en werkelijkheid, tussen liefde en waarheid.
Julien Schoenaerts werd gedreven door het verlangen om die twee tegengestelde werelden met elkaar te verzoenen.
En dat verlangen dreef hem tot waanzin.

Het proces dat momenteel gevoerd wordt, is in feite een voortzetting van zijn leven, maar met andere middelen.
Het is een zoeken van de waarheid in de wereld van de kunst .
Een zoeken van de werkelijkheid in een wereld van schijn.
Stan Lauryssens beweert dat hij de waarheid heeft geschreven over een leven dat in feite één grote theatervoorstelling was.
Maar de vuile was die hij buiten hangt: is dát de waarheid over dit leven?
Lauryssens zoekt de waarheid niet IN de kunst, hij zoekt ze erbuiten, in de gewone werkelijkheid.
Matthias Schoenaerts gaat daar – terecht – tegen in.
Zonder het goed te beseffen, zegt hij eigenlijk: een waarheid zonder liefde IS de waarheid niet, een werkelijkheid zonder kunst IS de werkelijkheid niet!

Net als in het leven van Julien Schoenaerts zijn de hoofdrolspelers in dit proces: de liefde en de waarheid, de kunst en de werkelijkheid.
En is een proces niet óók een toneelstuk?
Men probeert in de rechtszaal de werkelijkheid zodanig na te spelen, dat duidelijk wordt wat nu precies de waarheid is in die werkelijkheid.
Een rechtszaak is een bewustere, reëlere vorm van theater.
Het is een kunstvorm die zich in de werkelijkheid afspeelt.
De ontknoping – de uitspraak – heeft zeer reële gevolgen, maar tegelijk is het de bedoeling dat er, net als in het theater, een katharsis ontstaat.
Anders dan in het theater speelt die katharsis zich niet (alleen) in de gevoelens af, ze speelt zich (ook en vooral) in het bewustzijn af.
De bevrijding ontstaat door het inzien van de waarheid.

Een toneelstuk is dus in zekere zin een metamorfose van het reële leven.
Een rechtszaak is een metamorfose van een toneelstuk, een bewustere, reëlere vorm van theater.
Maar ook die rechtszaak is geen eindpunt.
Het is namelijk weinig waarschijnlijk dat de verbanden die ik hier geschetst heb aan het licht zullen komen tijdens het proces ‘Schoenaerts’.
De echte waarheid – de liefdevolle waarheid die doordringt tot de kern van de zaak – zal waarschijnlijk niet boven water komen.
Daarom is er nog een andere ‘rechtszaak’ nodig, een volgende metamorfose van het schouwtoneel dat het leven is.
En dat is wat ik hier probeer: ik maak het ‘proces’ van een proces.
Ik probeer het voort te zetten op een bewuster niveau.

Daardoor wordt eigenlijk iets zichtbaar van wat zich in het leven na de dood afspeelt.
Wanneer een mens sterft ‘verschijnt hij voor zijn rechter’.
Er begint met andere woorden een proces, een rechtszaak.
Zoals dat tijdens een aardse rechtszaak ook het geval is, wordt tijdens die ‘hemelse’ rechtszaak het leven van de ‘beklaagde’ opnieuw opgevoerd.
De overledene moet zijn leven nog eens helemaal opnieuw beleven, maar nu als ‘gedaagde’, dat wil zeggen als een – veel bewustere – toeschouwer.
Die termen ‘gedaagde’ en ‘beklaagde’ gelden dan ook meer in letterlijke dan figuurlijke zin: de bedoeling van het hemelse proces is niet dat de overledene gestraft wordt voor zijn fouten, de bedoeling is dat er met liefde en mededogen – de overledene wordt ‘beklaagd’ – gekeken naar zijn leven opdat de echte waarheid ervan zichtbaar zou worden en het de overledene dus zou beginnen ‘dagen’.
Dat is eigenlijk ook een beetje wat ik hier probeer.

Ik acht het dan ook niet uitgesloten dat het proces ‘Schoenaerts’ dat zich in Antwerpen afspeelt een weerspiegeling is van een proces dat zich ook in de ‘hemel’ afspeelt.
Misschien hebben zowel Stan Lauryssens als Matthias Schoenaerts zich (onbewust uiteraard) laten inspireren door dit bovenzinnelijke gebeuren, de ene tot het schrijven van zijn boek, de ander tot het aanspannen van een proces.
Allebei hebben ze zich laten leiden door een diepe verbondenheid met Julien Schoenaerts.
Die ‘hogere’ verbondenheid heeft hier op aarde een positieve en een negatieve kant.
De positieve (luciferische) kant is de blinde vaderliefde van Matthias.
De negatieve (ahrimanische) kant is de niets ontziende waarheidsliefde van Lauryssens.
Maar hoe verschillend en tegengesteld deze beide liefdes ook zijn, ze maken allebei deel uit van een hogere, ‘hemelse’ liefde, de liefde voor het wezen van Julien Schoenaerts.

Het kan vreemd klinken om het boek van Stan Lauryssens – die er onmiskenbaar plezier in schept om Julien Schoenaerts door het slijk te sleuren – een uiting van liefde te noemen. Maar negatieve liefde is net zo goed liefde.
Vaak is het zelfs een intensere vorm van liefde.
We leren meer van onze vijanden dan van onze vrienden.
Het zijn de pijnlijke confrontaties waar we het meest aan hebben.
Zonder het te weten, willen Lauryssens en Matthias Schoenaerts hetzelfde: hun liefde voor Julien Schoenaerts tot uitdrukking brengen.
Maar ze doen het ieder op hun eigen, tegengestelde manier.
Wat hen tot vijanden maakt, is dus paradoxaal genoeg de liefde.
Het is echter een onbewuste liefde, een liefde die nog onvoldoende doordrongen is met waarheid, een liefde die nog niet tegenover zichzelf kan gaan staan.

Daarom splitst die liefde zich en ondergaat ze opeenvolgende metamorfosen.
Daarbij betreedt een derde hoofdrolspeler het toneel.
Tijdens het leven van Julien Schoenaerts was dat zijn publiek, het publiek dat hem in blinde liefde adoreerde, wat hij ook deed.
Tijdens het proces ‘Schoenaerts’ is dat de rechter die uitspraak moet doen.
En in de beschouwingen die ik aan dat proces wijd, ben ik dat zelf.
Op het toneel van mijn gedachten ben ik een kijker die voor rechter speelt en probeert zowel de liefde als de waarheid recht te doen en zo te komen tot een uitspraak – lees: tot een inzicht – in de deze zaak.

Het zijn onverwachte karmische verbanden die nu opduiken.

Wie het boek van Stan Lauryssens leest, krijgt al vlug de indruk: het is alsof hij er zelf overal bij was!
Het inlevingsvermogen van de auteur mag dan een bedenkelijk kantje hebben, het wijst wel op een intense betrokkenheid bij de persoon van Julien Schoenaerts.
Je schrijft niet zòmaar een boek over iemand.
Lauryssens heeft het boek bovendien zó geschreven dat er wel een proces moést van komen.
Alsof hij dat proces zelf gewild heeft.
Misschien zitten daar geslepen, egoïstische motieven achter, maar misschien zit er ook een offer achter.
Want als Lauryssens het proces verliest, zal dat een serieuze klap zijn voor zijn reputatie. Er is inmiddels trouwens een brief opgedoken waaruit zou blijken dat hij een aantal dingen compleet verzonnen heeft.
De vraag rijst dan ook: waarom doét zo’n man dat?
Waarom houdt hij vol dat hij de waarheid spreekt als dat niet zo is en hem dat duur te staan kan komen?
Zitten er misschien diepere motieven achter zijn gedrag, karmische motieven waarvan hij zich niet bewust is?

En schuilt datzelfde soort motieven misschien ook achter mijn eigen belangstelling voor deze zaak?
Eigenlijk ben ik erover gaan schrijven omdat ik nog een eitje te pellen had met Julien Schoenaerts. Dertig jaar geleden heeft hij mijn verjaardag eens verknald en dat soort dingen vergeet ik niet.
Maar ik ben er ook over gaan schrijven omdat ik, na mijn bezoek aan het ACV, het gevoel had dat ik nog iets te zoeken had in Gent. Op die manier heb ik namelijk het boek van Stan Lauryssens gevonden, een boek dat ik anders waarschijnlijk nooit gekocht zou hebben.
Maar het ‘toeval’ speelde het me dus in handen.
Tijdens het schrijven begon het me te dagen dat het proces ‘Schoenaerts’ ook een beetje mijn proces is: Julien Schoenaerts was namelijk iemand die probeerde de kloof tussen kunst en werkelijkheid te overbruggen.
En dat is in de grond ook wat ik probeer.
Bij die overbrugging dreigen er twee gevaren.
Enerzijds het luciferische gevaar dat de kunstenaar onbewust de grens met de werkelijkheid overschrijdt en in het gewone leven handelt zoals hij in de kunst handelt.
Anderzijds het ahrimanische gevaar dat de kunstenaar de grens in omgekeerde richting overschrijdt en in de kunst handelt zoals hij in de werkelijkheid handelt.
Is de zware boete die de RVA me opgelegd heeft een reactie op het feit dat ik in Brugge de stap van kunst naar werkelijkheid heb gezet, maar dat wellicht niet bewust genoeg heb gedaan?
En zet ik op deze blog niet ook de stap in omgekeerde richting door de concrete werkelijkheid mee te nemen in wat in feite een kunstzinnige onderneming is?

Door over het proces ‘Schoenaerts’ te schrijven, schrijf ik dus ook over mezelf.
Ik kijk als in een spiegel.
Stan Lauryssens, Julien en Matthias Schoenaerts zitten als het ware in mezelf.
Ik kan niet zeggen dat ik een goede relatie met hen heb.
Maar een relatie is het alleszins.

Stan Lauryssens vertrouw ik niet echt: ondanks de onmiskenbare kwaliteiten heeft zijn boek ook een dubieus karakter.
Matthias Schoenaerts heb ik nog maar alleen zien spelen in twee zwaar over het paard getilde films.
En zijn vader, ja zijn vader …

De eerste keer dat ik hem aan het werk zag, was op mijn verjaardag, ik weet niet meer de hoeveelste.
We gingen met een gezelschap kijken naar ‘De Wereldverbeteraar’, een toneelstuk van Thomas Bernhard, met in de hoofd- en enige rol Julien Schoenaerts.
Het moet toeval zijn geweest, want ik ga omzeggens nooit naar het theater.
Alleen al het idee op een toneel te staan terwijl een hele zaal naar je kijkt, doet me het angstzweet uitbarsten.
Ik kende dus alleen de reputatie van Julien Schoenaerts en die was waarschijnlijk de reden dat ik me liet overhalen om mee te gaan.
Ik wilde God wel eens aan het werk zien …

Na een half uur had ik daar al spijt van.
Nog een half uur later wilde ik naar buiten.
Maar dat ging niet want ik zat midden in de zaal.
De rest van de tijd – het stuk duurde twee uur, zonder pauze – zat ik te koken van woede en frustratie.
Twee uur lang moest ik luisteren naar Julien Schoenaerts die met zijn voeten in een kom water onzin zat uit te kramen.
Want het was ‘modern’ theater: onbegrijpelijk en oervervelend.
Vooral dat laatste.
Kunst hoeft voor mij heus niet begrijpelijk te zijn, maar onbegrijpelijk én oervervelend: dat is een combinatie die me kwaad maakt.
En Julien Schoenaerts wás vervelend, zenuwslopend vervelend.
Toen hij eindelijk zijn mond hield, was m’n lijden nog niet afgelopen.
Er volgde nog een apotheose: de zaal veerde als één man recht en gaf Schoenaerts een staande ovatie.

Ik was verbouwereerd.

Ik had nog kunnen denken: ze zijn zó blij dat het voorbij is dat ze met hun opluchting geen blijf weten. Maar er was geen twijfel mogelijk: het was pure geestdrift die ik om me heen zag.
Ik begreep er niks van.
Was ik dan zo’n cultuurbarbaar dat ik me mateloos zat te vervelen tijdens een geniale acteerprestatie?
Was ik dan zo’n heiden dat ik God niet herkende, ook al sprak hij twee uur aan een stuk?
Ik was er danig de kluts van kwijt.
Julien Schoenaerts had niet alleen m’n verjaardag verknald, hij had me ook nog eens doen twijfelen aan mezelf.

Ik ben geen ezel en dus stootte ik me jaren later nog eens aan dezelfde steen.
Dit keer speelde Schoenaerts ‘De apologie van Socrates’, een stuk waarmee hij in Vlaanderen triomfen had geoogst.
Misschien was dat wel de reden waarom ik ging kijken: omdat zoveel anderen het geweldig vonden.
Wat er ook van zij, hij stond opnieuw alleen op scène.
En opnieuw was ik na afloop de enige die niet opstond en niet applaudisseerde.
Dit keer was het echter een veel kleinere zaal en omdat ik (alweer) precies in het midden zat, zag Schoenaerts dat ik bleef zitten.
Ik had in ieder geval de indruk dat hij me strak aankeek.
Normaliter zou ik in de grond gekropen zijn.
Ik was echter zo kwaad dat ik strak terugkeek.

Wat was er dan gebeurd?

BUG-HES FAN AT-HEN!
Zo begon Schoenaerts de beroemde Apologie van Socrates: luidkeels en in dat bekakte Nederlands van hem dat na de oorlog voor beschaafd doorging in Vlaanderen.
BURGERS VAN ATHENE!
Er viel een stilte.
Schoenaerts was bekend om zijn stiltes.
Hij liet de stilte spreken, zo zei men.
Maar deze stilte bleef duren.
Schoenaerts stond roerloos voor zich uit te staren, duidelijk niet meer van deze wereld.
Opeens werd hij wakker en ging verder met de tekst, alsof er niks gebeurd was.
Even later viel er opnieuw een stilte.
Schoenaerts begon in het boekje te bladeren dat voor hem op de lessenaar lag.
En hij bleef bladeren.
Het leek wel of hij die verdedigingsrede van Socrates voor het eerst onder ogen kreeg en dacht: hé, dit ziet er interessant, dit zou ik misschien wel eens op scène kunnen brengen!
Dat hij al op scène stond en dat er een zaal ademloos zat te wachten, scheen hij niet te beseffen.
Opeens leek hij gevonden te hebben wat hij zocht en declameerde verder.

Zo ging dat de hele voorstelling door: met horten en stoten, met stiltes waar maar geen eind leek aan te komen.
En Schoenaerts trok er zich niks van aan.
Hij stond daar volkomen op z’n gemak, alsof hij helemaal alleen was, alsof er niemand zat te kijken.
Ik was gloeiend, net als de vorige keer.
Maar dit keer maakte ik me niet zozeer kwaad op Schoenaerts, dan wel op degenen die dit georganiseerd hadden.
Iedereen kon toch zien dat deze man niet meer op een toneel thuishoorde!
Achteraf hoorde ik zeggen dat hij dronken was.
Dronken?
Ik geloofde er niets van.
Hier was meer aan de hand.
Schoenaerts was een vijs kwijt.
Misschien zelfs meer dan één.
Maar dat maakte voor het publiek allemaal niks uit: het gaf Schoenaerts een staande ovatie.
Wat een misselijk makend spektakel, dacht ik, applaudisseren voor iemand die niet goed bij zijn hoofd is!
Wie was hier eigenlijk het ziekst: de acteur of zijn publiek?

Toen ik daar als enige tussen al die rechtstaande mensen bleef zitten, was het alsof heel dat euforische publiek verdween, en er maar twee mensen overbleven: Julien Schoenaerts en ikzelf.
Hij keek me recht aan alsof hij op zijn vonnis wachtte en ik aarzelde geen moment om het te vellen.
Als vanzelf kwam de gedachte in me op: als ik jouw rechter was geweest, zou ik je ook tot de gifbeker veroordeeld hebben!

Alleen al het feit dat ik me dat moment na 30 jaar nog altijd herinner, wijst op de karmische kwaliteit ervan. Er werd toen even iets zichtbaar van het karmische weefsel dat ten grondslag ligt aan het leven.
Ik voelde dat ik niet alleen getuige was van de teloorgang van een groot acteur, maar van een heel tijdperk.
Stond Socrates niet aan de wieg van het klassieke tijdperk?
Was zijn apologie niet de verdediging van de klassieke geest?
Zoals Schoenaerts ze bracht, was ze echter het tegenovergestelde: een aanklacht, een bezegeling van het lot van die geest.
Ik aarzelde dan ook niet: ik veroordeelde hem tot de gifbeker.

Het leven als een kunstwerk zien

Sinds Michaël ben ik bezig met karma-onderzoek, dat wil zeggen met het onderzoek van mijn eigen karma.
Ik doe dat niet voor mijn plezier, ik doe het omdat ik niet anders kan, omdat ik ertoe gedwongen word.
Of beter: omdat ik mezelf ertoe dwing.
Want dat is de grondgedachte achter karma: alles wat gebeurt in je leven heb je zelf gewild.
Het leven is een kunstwerk dat de mens zelf gemaakt heeft en ieder onderdeel ervan is gewild.
Dat scheppende ‘zelf’ is natuurlijk niet ons gewone dagelijkse zelf, want dat maakt deel uit van het kunstwerk en weet dus niks af van de kunstenaar.
Toch bezit dat ‘lagere’ zelf iets van het ‘hogere’ zelf, namelijk: het denken.
De mens kan denken en dat is een wonderbaarlijke eigenschap waardoor hij zich bewust kan worden van zichzelf, niet alleen van zijn lagere zelf maar ook van zijn hogere zelf.
Al denkend kan hij als het ware stap voor stap weer opklimmen tot de bron van zijn denken: zijn hogere zelf, zijn echte zelf.
Maar juist omdat het denken van dezelfde ‘substantie’ is als dit echte zelf, is dat hogere zelf reeds werkzaam in dat denken.
Ons lagere zelf is in feite ons hogere zelf dat gedeeltelijk afgedaald is in de materie en van daaruit zijn weg weer omhoog baant.
Als het dat tenminste wil, want door in de materie af te dalen verovert de mens zijn vrijheid.
Hij ontwikkelt het vermogen om tegenover zichzelf, dat wil zeggen tegenover zijn eigen hogere scheppende zelf, te gaan staan en er ja of neen tegen te zeggen.
Die keuze zou hij natuurlijk nooit kunnen hebben zonder de tegenmachten die uit alle macht aan de mens trekken en hem proberen los te maken van zichzelf.
Zij spannen zich tot het uiterste in om de mens ertoe te bewegen voor hén te kiezen.
Dat is dan ook het punt dat de mens vandaag in zijn ontwikkeling bereikt heeft: hij staat voor de keuze tussen de draak (de geallieerde tegenmachten) en zijn hogere zelf.
Dat is een uiterst moeilijke keuze want de mens is zo ver afgedwaald van zichzelf en is zo verstrikt geraakt in de duistere materie dat hij nauwelijks nog onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.
Maar juist de moeilijkheid van die keuze garandeert de vrijheid van de mens.
Met behulp van zijn denken moet hij nu beslissen wat hij gaat doen: volgt hij de weg naar beneden en geeft hij zich over aan de draak of bevecht hij die draak en kiest hij voor de weg omhoog, terug naar zichzelf?
In die keuze staat hij helemaal alleen, alleen met zijn denken.
Natuurlijk wordt hij ook geholpen, want in zijn eentje zou hij geen kans maken tegen de draak. Maar die hulp is van dien aard dat ze de vrijheid van de mens niet in het gedrang brengt. Ze is met andere woorden onzichtbaar. We worden geholpen zonder dat we het weten. Als we het wél wisten, zou onze vrijheid geen echte vrijheid zijn.

Dat ondervind ik nu ook.

Ik moet een beslissing nemen en niemand kan me daarbij helpen.
Ik moet het helemaal alleen doen, ik en mijn denken.
Ik word daarbij geholpen, bijvoorbeeld door de droom die ik verleden week gekregen heb.
Maar die droom is van dien aard dat hij me niet vertelt wat ik moet doen. Voor mijn gewone rationele denken is het zelfs nonsens om in een droom een richtlijn te zien. Nee, ik ben helemaal aangewezen op mijn denken om uit te maken wat die droom precies betekent en óf hij iets betekent.
Toevallig of niet wijst die droom ondubbelzinnig in de richting van karma-onderzoek en ‘dwingt’ hij me om na te denken over mijn leven. En is dat uiteindelijk niet het enige houvast dat de moderne mens nog heeft in zijn leven?

Er zijn duizenden zelfhulpboeken die de mens vertellen wat hij kan/moet doen in zijn leven. Maar ze zijn niet geschreven voor één concreet mens, ze zijn geschreven voor iedereen, en daarom blijven ze in hoge mate abstract. Ze staan zeer ver af van het concrete leven, want dat leven is altijd en voor iedereen een uiterst persoonlijk leven, een leven dat met geen ander leven kan vergeleken worden.
Zoals geen twee mensen hetzelfde gezicht hebben, zo hebben ook geen twee mensen hetzelfde leven.
Van abstracte theorie naar concrete praktijk gaan, betekent hier dus: de blik richten op het eigen leven.
Zolang de mens dat niet doet, leeft hij ofwel onbewust (en dus onvrij) ofwel leeft hij in abstracties (en is zijn vrijheid louter vorm).
Karma-onderzoek is wat de mens rest als het leven heel concreet wordt, als de draak hem bij de keel grijpt en zegt: kies!
Karma-onderzoek is hét instrument van de moderne mens, de mens op het Keerpunt der Tijden.
Stap voor stap verliest hij al zijn zekerheden tot hij alleen nog dit overhoudt: zijn eigen leven en zijn eigen denken.

Het is beslist geen toeval dat uitgerekend op dit (beslissende) moment in de geschiedenis een mens verschijnt als Rudolf Steiner, wiens levensopdracht erin bestaat de moderne mens bewust te maken van het karma.
Het is al evenmin toeval dat de tegenmachten groot alarm slaan en er bijna in slagen om de levensopdracht van deze mens te verijdelen.
Pas tegen het eind van zijn leven, wanneer alles hem uit handen is geslagen, komt hij ertoe zijn levensmissie alsnog waar te maken. Hij begint nu te spreken over het karma, en in het centrum van die karmavoordrachten staat het karma van de antroposofische vereniging, de kleine groep mensen die als taak hebben de wetenschap van de geest te introduceren in de menselijke cultuur.
Het is dus niet de geest zelf die ze moeten verspreiden, maar de wetenschap van die geest, het bewustzijn van die geest, het onderzoek naar die geest.
Antroposofen hebben als taak de moderne mens erop te wijzen hoe ze volkomen bewust, op rationeel-wetenschappelijke wijze, de wereld van de geest kunnen onderzoeken en leren kennen.
Want dat is de meest vrije manier om de geest te benaderen, de manier die past bij onze tijd.

Een groot succes is de antroposofie tot dusver niet geweest.
Weliswaar bestuderen mensen overal ter wereld de ideeën van Rudolf Steiner of brengen ze die ideeën in de praktijk, maar tussen theorie en praktijk gaapt nog altijd een diepe kloof. De theorie is nog veel te abstract dan dat ze grote groepen van mensen zou kunnen bereiken en de praktijk is nog veel te onbewust dan dat ze diep zou kunnen doordringen in de moderne realiteit.
Die kloof – die tegelijk de kloof is tussen de antroposofie en de moderne wereld – kan alleen gedicht worden door karma-onderzoek. Want in karma-onderzoek komen theorie en praktijk samen.

Dat ondervind ik nu zelf ook.

Ik doe mijn karma-onderzoek niet uit wetenschappelijk-academische overwegingen.
Ik doe het uit louter praktische overwegingen: ik wil weten wat ik moet doen, heel concreet.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen opdat ik in Brugge op de markt geld zou kunnen verdienen?
Veel concreter en praktischer kan het niet worden.
En juist dàt is de reden waarom ik nu mijn eigen karma aan het bestuderen ben.
Het leven zelf brengt me ertoe mij om te keren en naar dat leven te kijken.
Het is alsof het me onverwacht op de schouder tikt en zegt: kijk naar mij, en kijk daardoor ook naar jezelf!

Uiteindelijk gaat het in het karma-onderzoek allemaal dáár om: de mens die tegenover zichzelf gaat staan, het lagere zelf dat een blik werpt op het hogere zelf en omgekeerd.
Dat is een schokkende ontmoeting, een ontmoeting tussen vreemden die niettemin ‘broers’ zijn, want we zijn zelf die beide ‘zelven’.
In het licht van ons hoger zelf wordt ons lager zelf in al zijn laagheid zichtbaar: onze dubbelganger verschijnt.
En dat is het moment waarop we moeten kiezen: reiken we ons hoger zelf de hand of keren we ons van hem af?
Kijken we naar onze dubbelganger met de ogen van ons hoger zelf, of kijken we met de ogen van onze dubbelganger naar ons hoger zelf?
Kiezen we met andere woorden voor de liefde of kiezen we voor de haat?
Want ons hoger zelf kijkt met liefde naar onze dubbelganger, het wendt de blik niet af.
Ons lager zelf daarentegen kijkt met onverholen haat naar ons hoger zelf, en naar alles wat geestelijk is.
Het trekt een scherpe grens en denkt: wat heb ik met dat superieure wezen te maken?
Wat weet dat hemelwezen in godsnaam van het leven hier beneden op aarde?
Naar de hel met al die geestelijke wezens!

In die emotionele haatreactie toont de mens echter zijn vrijheid.

Hij valt niet op de knieën voor dat superieure wezen, nee hij maakt er zich kwaad op.
Hij zegt: waarom heb je mij al die tijd in de steek gelaten?
Waar was je toen ik je nodig had?
Waarom heb je me niet geholpen toen ik hier in m’n eentje aanmodderde?
Hoe durf je me de hand te reiken na al die tijd!
Het lagere zelf verdrinkt in emoties als het geconfronteerd wordt met zijn hemelse versie.
Maar juist in die kolkende zee van ziedende emoties komt het voor de – vrije – keuze te staan tussen liefde en haat.
Op zich is die keuze niet moeilijk: geen mens die bij zijn verstand is, zal voor de haat kiezen, want hij wéét dat hij dan de weg van de zelfvernietiging in slaat.
Nee, de moeilijkheid ligt in het bij-zijn-verstand-zijn.
En daar ligt ook de vrijheid van de mens.
Die ziedende zee van emoties kan de mens niet vermijden.
Ze is het gevolg van zijn ontmoeting met de dubbelganger, en aangezien de hele mensheid nu over de drempel gaat, komt iedereen vroeg of laat die dubbelganger tegen.
Het resultaat zien we vandaag overal: heftige emoties, verontwaardiging, haat, afschuw, angst, wanhoop, enzovoort.
Alles hangt nu af van het antwoord op de vraag: kan de (spartelende) mens het hoofd boven water houden in die kolkende emoties? Is hij wakker genoeg om de beslissende keuze op te merken of verslaapt hij ze en gaat hij ten onder?

Rari nantes in gurgito vasto.

Zwemmen, daar gaat het nu om, het hoofd boven water houden in al dat emotionele geweld.
Sommige mensen leren zwemmen doordat ze in het water gegooid worden.
Als dat lukt, is het mooi, maar het is natuurlijk wel een paardenmiddel.
Veel veiliger is het om in kalmer water te leren zwemmen.
En dat kalmere water is het karma-onderzoek.
Hier kan de mens op zijn eigen tempo en binnen zijn eigen mogelijkheden leren kijken naar zijn dubbelganger.
Want hij is het die verschijnt als we naar ons eigen leven kijken.
Er zijn natuurlijk mensen die best tevreden zijn met hun leven en helemaal geen dubbelganger gewaarworden als ze ernaar kijken, maar zij raken in de minderheid.
Het moderne leven wordt steeds meer een gevecht met de draak en dat is zelden een fraai schouwspel.
Mensen reageren dan ook niet zelden met afschuw op het ‘drakerige’ uitzicht van hun leven.
Ze verdrinken in de emoties die dat uitzicht oproept en wenden de blik af.

Dat is begrijpelijk maar jammer. Want als ze hun emoties de baas bleven, als ze bleven kijken en hun verstand erbij hielden, dan zouden ze doorheen dat drakenmasker een heel ander gezicht zien verschijnen: het gezicht van hun hoger zelf, hun ‘echte’ gezicht.
Want hoe bont de draak het ook maakt in iemands leven, zijn hogere zelf houdt altijd de touwtjes in handen.
Voor de moderne mens, die maar al te vaak overweldigd wordt door het kwaad in al zijn vormen, is dat een moeilijk te verteren gedachte.
Maar is hij het niet juist aan zijn status van rationeel en wetenschappelijk denkend mens verplicht om deze (karma)gedachte nuchter te onderzoeken?
Het gaat immers niet om de vraag: staat deze gedachte mij aan?
Het gaat om de vraag: is deze gedachte waar?
En het antwoord vinden we alleen door deze gedachte te onderzoeken aan de hand van het eigen leven, want dat is het enige leven dat we genoeg kennen om het te kúnnen onderzoeken.

Wat weerhoudt ons ervan dat onderzoek te voeren?

Enerzijds zijn dat de emoties, maar anderzijds is het ook de overtuiging dat ons hogere zelf niet bestaat en dat er achter dat drakenmasker helemaal … niets is.
Wat ons belet om aan karma-onderzoek te doen, is onze materialistische overtuiging dat er geen geestelijke wereld bestaat.
Waarop is die overtuiging gebaseerd?
Niet op de wetenschap, want die slaagt er weliswaar in om alles vanuit de materie te verklaren, maar dat wil niet zeggen dat het niet net zo goed mogelijk zou kunnen zijn om alles vanuit de geest te verklaren.
Zolang het niet geprobeerd wordt, kunnen we daar niets over zeggen.
Zolang het niet geprobeerd wordt, berust onze overtuiging dat alles uit materie bestaat, op luiheid en angst.
Ze is gewoon een geloof, een blind geloof.
Of een blind ongeloof, dat komt op hetzelfde neer.
Als we de proef op de som namen, als we ons eigen leven nauwgezet bestudeerden, dan zou die blinde, emotionele overtuiging gelogenstraft worden. Achter onze dubbelganger – die uit louter materiële chaos lijkt te bestaan – zouden we dan de orde van ons hoger zelf zien opdoemen.

Maar daarvoor moeten we eerst bereid zijn ons ongeloof op te schorten en het bestaan van een geestelijke wereld en een hoger zelf als werkhypothese te aanvaarden.
Suspension of disbelief: de term is van de 19de eeuwse dichter Coleridge en doelt op de bereidheid om tijdelijk te geloven dat een kunstwerk werkelijkheid is.
Zonder dat ‘poëtische geloof’ kunnen we nooit van kunst genieten en zijn kunstwerken alleen maar betekenisloze materiële vormen.
Om überhaupt kunst te kunnen zien, moeten we ons overgeven aan de illusie dat een geschilderde appel en echte appel is en niet zomaar wat verfvlekken op een linnen doek.
Op dezelfde manier moeten we bereid zijn ons leven te zien als een zinvol en herkenbaar geheel, in plaats van als een lukrake opeenvolging van gebeurtenissen zonder enige samenhang.
We moeten met andere woorden ons leven als een kunstwerk leren zien.

Zo kijk ik ook naar de droom die ik verleden week had: als naar een kunstwerk, een product van de verbeelding.
Is trouwens niet ieder kunstwerk afkomstig ‘uit de nacht’, dat wil zeggen uit de droomwereld van het onderbewuste?
En geldt dat ook niet voor het kunstwerk dat een mensenleven is?
Is het leven van de mens geen droom die opduikt uit de nacht en is het niet de bedoeling dat we ontwaken in die droom en licht ontsteken in de duisternis?
We leven in een Michaëlstijd: de zomer van de geschiedenis is voorbij en het duistere jaargetijde breekt aan.
Winter is coming.
Kon het leven honderd jaar geleden nog beleefd worden als een rustige droom, dan verandert het nu steeds meer in een nachtmerrie.
Karma-onderzoek is geen luxe meer.
We komen steeds meer voor de keuze te staan: ontwaken we UIT de droom of ontwaken we IN de droom?
Keren we ons leven de rug toe en lopen we blindelings in ons ongeluk, of brengen we de michaëlische moed op ons naar dat leven toe te keren en het onder ogen te zien?
De strijd met de draak zal zich in toenemende mate op dit zeer persoonlijke vlak afspelen, want als we één voor één al onze zekerheden verliezen, blijft er uiteindelijk nog maar één zekerheid over: ons eigen leven.
De kunstenaar staat dan voor zijn kunstwerk.
En de vraag is: herkent hij zichzelf?

Droompje (1)

Ik weet het niet meer.
Dat is de stemming die sinds eind september in mijn ziel heerst: ik weet niet meer wat ik moet doen.
Op 13 september wist ik het nog wel, heel duidelijk zelfs.
Maar toen kwam Michaël en sindsdien ben ik het noorden kwijt.
Dat laatste is niet nieuw voor me.
Het overkomt me met de regelmaat van een klok.
Gewoonlijk wacht ik dan tot het over is, en het licht opnieuw gaat branden.
Maar iets zegt me dat het dit keer anders is.
Dit keer moet ik zelf het licht weer aansteken.
Ik weet alleen niet hoe.

En dus vroeg ik het aan Michaël.

Zijn antwoord liet niet op zich wachten.
Het kwam in de vorm van een droom.
Een droompje eigenlijk, want langer dan een paar seconden kan het niet geduurd hebben.
Michaël houdt de dingen graag bondig.

Ik was in Mechelen, op weg naar de academie.
Het was donker en achter de ramen van het gebouw scheen een warm geelroodbruin licht.
Ik was te laat en wist dat ik niet meer naar binnen kon.
Dus keerde ik me naar rechts, waar de Sint Romboutskathedraal staat.
Die was echter veranderd in een soort stenen 3D labyrint.
Even later bevond ik me ergens in de hoogte en verloor de grond onder mijn voeten.
Ik klampte me vast, maar voelde m’n greep verslappen.
Dus riep ik om hulp.
Beneden zag ik een keurig geklede man omhoog kijken.
Er verscheen een vermakelijke blik in zijn ogen, en hij liep verder.
Wel verdorie, dacht ik, terwijl ik naar beneden viel.
Het volgende ogenblik stond ik met mijn twee voeten op de grond.
En voor ik van m’n verbazing bekomen was, werd ik wakker.

Wat een onnozele droom! dacht ik bij mezelf.
Ik kon er niks van maken en voelde me een beetje bekocht.
Was dát het antwoord van Michaël?
Het was geen antwoord maar een vraag, een onoplosbaar raadsel.
Hoe ik me ook inspande, ik kon er kop noch staart aan krijgen.
En ik viel weer in slaap, beschaamd en gefrustreerd.
Gekweld door een aards probleem had ik een vraag gesteld aan een hemels wezen, maar ik had een nonsensikaal antwoord gekregen.
Tja, zo gaat dat als een mens zich met zijn problemen richt tot wezens die niet bestaan.
Hij staat voor paal, hij maakt zichzelf belachelijk.

’s Morgens aan het ontbijt zei ik tegen An: moet je nu eens wat weten?
Ik heb gedroomd!
Dat was groot nieuws, want ik droom nooit.
Dat wil zeggen: soms herinner ik me wel eens dat ik gedroomd heb, maar van de dromen zelf blijft me nooit iets bij.
Dit keer was het anders.
Ik herinnerde mij de droom heel goed.
Juist daarom voelde ik me in het ootje genomen: héb ik nu eens een echte droom, blijkt hij nergens op te slaan!
An moest erom lachen.
Gewoonlijk is zij het die droomt en dan – tenminste als het in het weekend gebeurt – ’s morgens vertelt wat ze ’s nachts allemaal beleefd heeft.
Ze vond het vermakelijk dat het nu eens omgekeerd was.
Vertel! zei ze.

En ik vertelde dat ik naar de academie ging, dat ik te laat was en niet meer naar binnen durfde.
Maar was je niet altijd te laat? vroeg An.
Hé, daar had ik niet aan gedacht!
Ik was inderdaad altijd te laat.
De lessen begonnen om 9 uur en doorgaans arriveerde ik niet voor tienen.
In Leuven was het niet anders: alle vroege lessen sloeg ik over.
Zelfs toen ik in Brussel ging werken, arriveerde ik meestal niet vroeger dan 10 uur.

De academie in mijn droom was onmiskenbaar de Mechelse academie.
Het beeld was dus concreet, maar tegelijk was het ook een metafoor, want ik kwam niet alleen te laat op de academie, ik kwam overal te laat.
Nee, niet overal.
Op afspraken bijvoorbeeld kom ik nooit te laat, daar houd ik me stipt aan.
Maar afspraken worden me niet opgelegd, ik maak ze zelf, ik heb er deel aan.
Ik kom alleen te laat in de ‘wereldse’ tijd, de dwingende machinale tijd die nergens rekening mee houdt.
In mijn eigen tijd, de tijd waar ik zelf aan deelneem, ben ik nooit te laat, letterlijk én figuurlijk.
Het is vaak op het nippertje, zoals op 13 september, toen ik op de valreep weer mensen begon te tekenen. Had ik daarmee nog een of twee weken gewacht, dan zou het te laat zijn geweest. Maar ik haalde het. Ik was niet te laat.
In mijn eigen tijd ben ik nooit te laat.

Het bijzondere van mijn droom was dus niet dat ik te laat was.
Het bijzondere was dat ik me erdoor liet tegenhouden.
Ik vond het destijds normaal dat ik te laat was op de academie, of beter: ik vond het abnormaal dat ik op tijd moest komen. Ik volgde gewoon mijn eigen tijd, en die tijd werd gerespecteerd. Mijn leraar was een uiterst stipt en plichtbewust man, maar nooit heeft hij één opmerking gemaakt over het feit dat ik altijd te laat was. Hij zag dat ik innerlijk op tijd was en dat was voor hem het belangrijkste.
Beide tijden, de uiterlijke en de innerlijke, leefden in zijn klas vreedzaam naast elkaar.
In mijn droom was dat niet langer het geval.
Er stond een onzichtbare muur tussen mij en de academie.
De vrede was voorbij, het duister was ingetreden.
Het heldere ochtendlicht had plaats gemaakt voor het kunstlicht van de avond.
Hoe gezellig en huiselijk dat er aan de buitenkant ook uitzag, ik kon er niet meer naar binnen.
Het was mijn tijd niet meer, het was mijn wereld niet meer.

Ik stond ervan te kijken, toen ik dat allemaal vertelde.
Het beeld uit mijn droom klopte als een bus.
De academie van Mechelen is inderdaad al lang niet meer wat ze geweest is.
Er heerst nu een heel andere geest, een geest die ‘de tijd’ van de leerlingen niet meer respecteert.
Uiterlijk is ze natuurlijk wél mee met haar tijd: ze heeft zich aangepast aan de moderniteit, ze is niet langer een buitenbeentje meer.
Leerlingen die afstuderen krijgen nu een boek over Jan Hoet.
Het is donker geworden in Mechelen: het (scheppende) licht van de zon heeft plaats gemaakt voor het (nabootsende) licht van de maan: men doet er nu gewoon wat iedereen doet, en men is daar allemachtig trots op.
Het licht dat ik achter de vensters zag branden, was niet het warm-gele licht dat je ’s avonds in woonkamers ziet branden, het was een geelbruinrood licht dat je … en het beeld dat in me opkomt is: in de hel ziet branden.
Dat kan overdreven klinken, maar wat er vandaag aan academies en kunstscholen gebeurt, beschouw ik werkelijk als ‘des duivels’.
Het is precies het omgekeerde van wat er vroeger gebeurde.
Respect voor de ‘eigen tijd’ van de leerlingen heeft plaats gemaakt voor de niets ontziende dwang om zich aan te passen aan de ‘wereldse tijd’.
Het individuele Ik kan er niet meer aan zijn eigen tempo groeien, het wordt genadeloos opgejaagd en vermorzeld.
Er is geen verschil meer tussen de academie en de gewone school.
De academie is geen academie meer.

In Mechelen heb ik nog een laatste oplichten beleefd van de vrijheidsgeest die heerste aan de oude academies. Het waren vrijplaatsen waar jonge mensen konden ontsnappen aan de verstikkende dwang van de wereldse tijd, waar ze konden opgroeien in hun eigen tijd: oases van ‘willen’ in een woestijn van ‘moeten’.
En uitgerekend die ‘vrije plaatsen’ worden vandaag voorgesteld als duistere oorden waar het verstikkende ‘academisme’ heerst en alle oorspronkelijkheid de nek wordt omgedraaid.
Zo keert de duivel de zaken om en zet hij de wereld op zijn kop.
In de ‘eigentijdse’ academies die ik later bezocht, trof ik een bekrompen schoolmeestersmentaliteit aan waar ik meteen mee in aanvaring kwam.
Ik trof er ook een hatelijke geest aan die het niet moe werd de ‘oude’ en ‘achterhaalde’ academies te bespotten en te kleineren.
Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was nog een echte academie gekend te hebben, antwoordde hij: ach jongen, jij weet niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt!

Ik heb inderdaad de zomer niet meer meegemaakt, maar ik heb in Mechelen wel nog een zalige Sint Michielszomer beleefd, en die heb ik als een gouden schat meegenomen in de winter die volgde.
Ik was precies op tijd om die nabloei te beleven, zoals ik ook dit jaar in Brugge precies op tijd was om een nabloei te beleven van de jaren dat ik tijdens de Gentse Feesten, in het hartje van de zomer, honderden, ja duizenden mensen heb getekend.
De kans is trouwens reëel dat men de folkloremarkt in Brugge binnenkort zal afschaffen. Het stadsbestuur wil namelijk komaf maken met het ‘oubollige’ imago van Brugge en heeft een ambtenaar aangesteld die de stad moet ‘updaten’ en bij de tijd brengen.
Ook hier dus weer een Sint Michielszomer.

Hoe meer ik vertelde, des te verbaasder werd ik.
En ik verbaasde me over twee dingen.
Ik verbaasde me over de inhoud van mijn droom, en ik verbaasde me over de vorm.
Hij was aan me verschenen in de nacht, in de vorm van beelden die zo compact waren dat ze slechts één beeld leken, een bewegend beeld, een levend beeld.
Vervolgens was ik erover beginnen nadenken, zoals je dat doet met een beeld dat je niet begrijpt: je zoekt de overeenkomstige begrippen.
In de nacht had ik die echter niet gevonden.
Ik had ze pas gevonden toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.
Nochtans was ik toen niet anders gaan denken.
Ik gebruikte gewoon hetzelfde rationele denken dat ik ook ’s nachts had gebuikt.
En toch was het een verschil van … dag en nacht.
Daar stond ik heel erg van te kijken.
Wat een bewustzijnsverschil!

Ik had gedroomd en was vervolgens wakker geworden.
Althans dat dacht ik, want ik begon na te denken over mijn droom, ik probeerde erachter te komen wat hij te betekenen had. Maar ik kon er geen touw aan vastknopen, het verschil tussen droom en ratio was te groot.
En ik viel weer in slaap.
Pas toen ik opstond en mijn droom aan An begon te vertellen, kwam zijn ‘verborgen inhoud’ naar boven.
Ik deed nochtans niets anders dan wat ik ’s nachts in bed had gedaan: nadenken, proberen mijn droom te begrijpen.
Er bestonden dus blijkbaar twee soorten ratio’s: een ‘nachtelijke’ en een ‘dagelijkse’.
Het was alsof mijn verstand niet in staat was door te dringen in de kunstzinnige wereld van de beelden zolang het niet ondersteund werd door het licht van de zon.
’s Nachts werkte het bij wijze van spreken in het licht van de maan en kon het de droombeelden alleen maar nabootsen, navertellen, herkauwen. Het kon ze niet begrijpen.
Dat lukte pas toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.

Het deed me denken aan het onderscheid dat Rudolf Steiner maakt tussen passief denken en actief denken, een onderscheid dat hij ‘belangrijker dan al het andere’ noemt.
Het denken, zegt hij, heeft twee gezichten, het is een januskop.
Enerzijds is het afhankelijk van de hersenen en brengt het alleen tot bewustzijn wat zich in het zenuw-zintuigstelsel spiegelt.
Anderzijds kan het zich ook van zichzelf bewust worden en zich bevrijden van de gebondenheid aan de hersenen.
De eerste manier van denken noemt Steiner lui en gemakzuchtig. Ze leidt ertoe dat de mens in slaap valt, letterlijk en figuurlijk. Met dit passieve denken kan hij niet doordringen in de antroposofie, die dan ook wordt afgedaan als dromerij, gefantaseer of erger.
Alleen met een ‘vlijtig en actief’ denken dat zich inspant, kan de mens door de sluier van de zintuiglijke gebeurtenissen heen kijken en zich bewust worden van wat zich op bovenzintuiglijk gebied afspeelt.

In het passieve denken herken ik mijn ‘nachtelijke’ denken, dat niet in staat was mijn droombeelden te begrijpen. Het was een maan-denken zoals we dat ook in de moderne wetenschap aantreffen, die alles wat geestelijk en bovenzinnelijk is afdoet als nonsens en fantasie, precies zoals ik dat zelf ook deed met mijn ‘onnozel’ droompje.
Dit passieve maan-denken beschouwt zichzelf als heel wakker, maar eigenlijk ligt het nog in bed en is niet in staat om door de maja van de zintuiglijke werkelijkheid heen te kijken en licht te werpen op de wereld. Het produceert alleen schaduwen.

In het actieve denken herken ik dan weer mijn ‘ochtendlijke’ denken, dat zonder moeite de sluier van mijn droombeelden oplichtte en zag wat eronder zat. Dit zonne-denken richt zijn stralen op de duistere wereld van de nacht en is verrast door wat daaruit te voorschijn komt. Het is een denken zoals we dat aantreffen in de moderne kunst. Ook hier vinden we een denken dat in de meest onbenullige zaken de meest spirituele inhouden ontdekt.
Toch kan ik niet zeggen dat ik mijn eigen denken daarin herken, wel integendeel.
Ik ervaar het moderne denken over kunst als een pseudo-denken: het lijkt actief en ‘zonnig’, maar in wezen is het een passief maan-denken. Het bezit echter geenszins de helderheid van de maan en in feite is het dus noch een maan-denken noch een zonne-denken. Het is het denken van het niets, van de volslagen duisternis.

Rudolf Steiner verwacht van ons dat we actiever gaan denken.
Over het passieve denken laat hij zich nogal negatief uit, maar hij verwacht niet dat we het gewoon aan de kant schuiven.
Beide manieren van denken horen namelijk samen: ze vormen samen het gezonde denken en dat denken kan niet gezond blijven als een van beide delen ontbreekt.
Vandaag is ons denken uiterst passief geworden, het is helemaal aan de hersenen gebonden, en we zien dan ook dat het ziek wordt.
Maar het is niet de bedoeling dat we het ene ‘gezicht’ van het denken inruilen voor het andere. Dan komen we van de regen in de drop terecht.
Het is de bedoeling dat de kwaliteiten van het maan-denken meegenomen worden in het zonne-denken.
De genezing van ons denken moet komen van het samengaan van actief én passief denken.
En dat kan kan op twee manieren gebeuren.
De twee gezichten van het denken kunnen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten en dat er uit hun eenwording een nieuw gezicht ontstaat dat straalt als een lente-zon.
Maar ze kunnen ook op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat er een heel ander gezicht ontstaat: het gezicht dat ons toegrijnst in de ‘hedendaagse’ kunst.
Naast de tegenstelling tussen passief denken en actief denken, verschijnt nu een heel andere tegenstelling: die tussen het michaëlische denken en het drake-denken.
Het is de tegenstelling tussen het dode maan-denken dat door zijn vereniging met het zonne-denken weer tot leven komt, en datzelfde maan-denken waar het laatste restje leven wordt uitgeperst en dat zich vervolgens voordoet als een verblindend zonne-denken.

Toen ik ’s ochtends over mijn droom vertelde en er begon over na te denken, was ik veel wakkerder dan toen ik dat ’s nachts probeerde. Toch was ik nog omgeven door de nachtelijke sfeer van mijn droom. Daardoor konden dag- en nachtsfeer elkaar bevruchten en samen brachten ze een stroom van onverwachte gedachten op gang. Er ontstond een ‘zonne-denken’, een actief denken dat probleemloos doordrong in mijn droom en hem bij wijze van spreken deed open bloeien.
Gaandeweg loste de nachtsfeer echter op en bleef alleen het gewone dagelijkse maan-denken over.
Mijn pas ontwaakte ‘zonne-denken’ begon te sputteren en ik kreeg het steeds moeilijker om nog door te dringen in mijn droom. De deuren tussen dag en nacht sloten zich en ik stond weer buiten, in de gewone dagelijkse werkelijkheid waar dromen bedrog zijn.

Maar ik had genoeg van de binnenkant van mijn droom gezien om te beseffen dat hij géén bedrog was.
En wat ik ook zag, was dat mijn ‘zonne-denken’ nog lang niet helder was. De resultaten ervan waren … rommelig. Het ontbrak nog aan de helderheid van het maan-denken. Dat moest duidelijk nog versterkt worden. Beide ‘gezichten’ van het denken waren nog lang niet harmonisch met elkaar verbonden. Het was slechts een begin, een ontwaken. Het michaëlische denken, het levende zonne-denken, lag nog in de luiers.

(wordt vervolgd)