Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: karmaonderzoek

De Tuin van Heden (8)

  

Wat begon als een beschouwing over mijn nieuwe tuin is uitgemond in een beschouwing over de anti-antroposofie. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Het plan was om te schrijven over het gras, de bomen, de bloemen, de frambozen. Ik wilde vertellen over mijn eerste ervaringen als tuinier, en daar ben ik ook mee begonnen. Maar het relaas over mijn tuin veranderde in een relaas over mijn leven, en dat veranderde op zijn beurt in een relaas over de antroposofie, très étonnés de se trouver ensemble. Of toch niet? De tuin in Scheldewindeke was me duidelijk toebedeeld door het lot. Hij verwees als vanzelf naar mijn levensloop en toen ik hem daarin probeerde te plaatsen, werd een patroon zichtbaar van zaken die zich, telkens in een andere vorm, herhaalden. Ik ontdekte het metamorfose-principe in mijn leven: er was een oerbeeld aan het werk dat voortdurend veranderde van gedaante. Ik herkende het pas toen ik uitkwam bij de anti-antroposofie: het was de slang in het paradijs. 

Voor iemand die uit Destelbergen komt – zijn steenweg, zijn autostrade, zijn lawaai – is een tuin in Scheldewindeke een paradijs, een geschenk uit de hemel. Aan het eind van mijn leven keer ik dus terug naar het begin, want is de kindertijd geen paradijs vergeleken bij het volwassen leven met al zijn drukte en lawaai? Is de wereld voor een kind niet één grote speeltuin? Maar in die tuin sluipt een slang binnen en verdrijft het kind uit zijn paradijs. De poorten van dat kinderparadijs vielen achter me dicht toen mijn verstand me influisterde dat religie onzin was. Gelukkig had ik intussen een nieuw paradijs ontdekt: de kunst. Daar kon ik opnieuw naar hartelust spelen, tot de slang opdook en mij ook uit deze speeltuin verdreef. Daarna herhaalde de geschiedenis zich nog een derde keer: ik ontdekte de antroposofie, een tuin van ideeën. Ook hier verscheen de slang weer, en opnieuw nam het paradijs een andere gedaante aan. Dit keer was het die van een echte tuin. De cirkel was rond.

Deze vier gedaanten van het paradijs – mijn kindertijd, de kunst, de antroposofie en mijn tuin – doen me onwillekeurig denken aan de vier torens van de Mechelse Winketbrug. Als de moderne versie van een middeleeuwse stadspoort markeerde ze het punt waar de Dijle vanuit het platteland de stad binnenstroomde. Ook hier weer het oerbeeld: de rivier verliet het paradijs en stroomde verder tussen louter stenen. Als een glinsterend lint van water had ze zich door het groene landschap geslingerd, maar in het zicht van de stad slonk ze tot een smerige beek die haar weg zocht tussen bergen slib. Ze veranderde in een open riool die uren in de wind stonk. Soms stroomde ze weer vol water, maar haar oppervlak verborg een heel andere wereld, een wereld van vuil, vies en vettig slijk. Dat dubbele gezicht maakte de Dijle gevaarlijk: wie erin viel, overleefde het niet. Maar ik was me als kind van geen gevaar bewust. Ik besefte niet dat ik opgroeide in de buurt van Lucifer, de grote verleider, de slang in het paradijs.

Samen met de Dijle verliet ik het platteland, ‘den bemd’, waar ik, ongestoord door ouderlijk gezag, zo vaak gespeeld had. Net als de rivier stroomde ik de stad binnen waar mijn leven zich als het ware splitste: het glanzende gezicht van Lucifer vond ik terug in de kunst, zijn slijkerige tronie in de wetenschap. Het leidde tot een spagaat die ik uiteindelijk niet meer kon volhouden. Volwassen geworden, koos ik de kant van de wetenschap. Het was een keuze die reeds tijdens mijn jeugd voorafgespiegeld werd, want als kind kende ik vooral de duistere zijde van de Dijle. Haar heldere zijde vertoonde ze op het platteland en dat was voor mij grotendeels onbereikbaar. Af en toe lichtte haar oude, glorieuze gezicht nog wel op, maar veel vertrouwder was de rottingsgeur van haar glimmende slib en de aanblik van haar akelige kloof die het landschap in twee deelde. Dat dagelijkse beeld bereidde me voor op wat nog komen moest: de verdrijving uit het paradijs, de tocht door de hel. 

In die hel – de afgrond van het wetenschappelijke materialisme – onderging de luciferische Dijle een transformatie: ze werd een innerlijke rivier die zich een weg baande naar de geest. Aanvankelijk was ze niet meer dan een beek die door een oosters landschap kronkelde – de astrologie, de makrobiotiek en Baghwan – maar uiteindelijk bereikte ze de westerse antroposofie. In vier stadia sloeg ze een brug tussen de materiële en de geestelijke wereld, en verving als het ware de Winketbrug uit mijn jeugd. Die stadia herhaalden zich in de antroposofie: De Filosofie der Vrijheid, de twee Jezuskinderen, het zielenthema en ten slotte het mysteriedrama. In mijn nieuwe tuin keren ze terug als de vier gezichten van lente, zomer, herfst en winter. Nu de oude Winketbrug met de vier torens haar vierde gedaante heeft aangenomen, verschijnt het beeld van een leven dat bestaat uit een reeks metamorfosen van een oerbeeld dat zo oud is als de mensheid. 

Als een bloem die opengaat, zo wordt opeens de verborgen harmonie in mijn leven zichtbaar. En dat komt als een grote verrassing, want ik heb dat leven altijd als bijzonder disharmonisch ervaren. Nooit ben ik erin geslaagd enige orde te scheppen in de chaos. Ik zwalpte maar wat rond, telkens botsend op obstakels die me dwongen een andere richting uit te gaan. Ik had het stuur van mijn leven niet in eigen handen, ik was overgeleverd aan de grillen van het lot. Niets ging zoals ik het wenste en ik ervoer mijn leven als een aaneenschakeling van mislukkingen. Mijn laatste poging om er iets van te maken, ondernam ik in Brugge, maar ook dat liep weer op niets uit. De manier waarop het mislukte wekte dit keer echter mijn aandacht. Het was alsof iets of iemand mij de weg versperde, en toen ik daarover begon na te denken kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me tegenhield. Ik begon te begrijpen dat hij me al die tijd begeleid had op mijn weg naar de bewustwording van mijn karma.

Niet lang daarna werd ik uitgenodigd om op de antroposofische zomeruniversiteit enkele voordrachten te geven over het zielenthema, het thema dat nauw verbonden is met het moment waarop Rudolf Steiner nadrukkelijk over Michaël begint te spreken. Dat leidde me dan weer naar de Lichtbaken-conferentie waar ik – bij wijze van spreken – Michaël zelf ontmoette. Niet alleen bespeurde ik duidelijk zijn inspiratie, zonder dewelke ik het nooit gewaagd zou hebben het thema van de conferentie te verbinden met mijn eigen leven, maar hij heette me ook op hartverwarmende wijze welkom in een wereld die ik nooit als verwelkomend had ervaren. De volgende winter las ik dan een uitspraak van Ita Wegman die me aan het denken zette over karmabewustzijn en over de uitsluitingen van 1935 toen de slang in de antroposofische tuin verscheen. Daarna begon ik aan de beschouwingen over mijn eigen tuin. Alles wees in dezelfde richting: karmaonderzoek, de studie van de eigen levensloop. 

In mijn geval stond die levensloop duidelijk in het teken van de strijd met de draak. Reeds als kind ontmoette ik die draak in de gedaante van de stinkende, slijkerige Dijle. Nadien leverde ik aan de academie innerlijke gevechten met de verleider die me influisterde te ‘zeuren’ bij het tekenen. Op school en aan de universiteit werd ik gedwongen in de huid van de draak te kruipen. Daar bevrijdde ik me weer uit door mijn leven aan de kunst te wijden en de strijd met de draak te hervatten. Die strijd was nu veel bewuster geworden en bracht me in botsing met de anti-kunst, een veel kwalijker vorm van de draak dan ik aan de academie of aan de universiteit had leren kennen. Ten slotte verscheen het oerbeeld van de strijd met de draak in het mysteriedrama dat ik halverwege mijn leven zag en dat ik op dezelfde intuïtieve manier herkende als ik De Filosofie der Vrijheid of het zielenthema herkend had. Het was een keerpunt, het begin van mijn karmaonderzoek, maar dat besefte ik toen nog niet.

Het mysteriedrama was het verhaal van een man die in de huid van de draak kruipt. Het was ook het verhaal van onze tijd, en dat verhaal bleek op een verrassende wijze toegankelijk voor het rationele denken. Het ontpopte zich tot een kristalheldere – maar door zijn complexiteit zeer duistere – gedachtenconstructie en de kunst bestond erin om in die duisternis het licht te ontwaren, om in de zintuiglijke beelden de bovenzintuiglijke gedachten te ontdekken. Rudolf Steiner noemde dat ‘de ware communie’ van de mens: het ontdekken van de idee in de werkelijkheid. Die communie had ik in het mysteriedrama gevoelsmatig beleefd en omdat ze zo onvergetelijk was, wilde ik ze opnieuw beleven. Daarvoor moest ik het drama echter bewust leren begrijpen en ik deed wat ik nooit eerder had gedaan: ik begon logisch na te denken over een kunstwerk. Dat had me altijd vreselijk tegen de borst gestoten, want ik wilde als een vis rondzwemmen in de beelden van de kunst, niet naar adem liggen happen op het droge. 

Daarom had Michaël me steeds weer verhinderd te blijven zwemmen in dat paradijselijke water van de kunst: eerst aan de academie, vervolgens toen ik voor de kunst koos en ten slotte in Brugge. Telkens weer had hij me de weg versperd en me aangespoord om aan land te gaan en de strijd met de draak op te nemen. Hij wist dat het paradijs van de kunst zou veranderen in een hel en dat ik het moest verlaten als ik niet in de greep van de anti-kunst wilde raken. Hij zette me op het spoor van een heel andere esoterische kunst, een kunst die ik voor het eerst zag oplichten in het mysteriedrama. Deze – waarlijk hedendaagse – kunst toonde me hoe de draak overwonnen werd. Ik was blij als een kind toen dit sprookje voor volwassenen me vertelde dat alles uiteindelijk goed zou komen. Ik zag en hoorde het niet alleen, ik beleefde het ook tot in het diepst van mijn wezen en juist die beleving gaf me de kracht om voor het eerst in mijn leven na te denken over een kunstwerk, dat wil zeggen over een paradijselijke beeldenwereld. 

Ik ontdekte nog meer ‘paradijselijke’ mysteriedrama’s en via deze kunstwerken breidde mijn denken zich geleidelijk uit tot de werkelijkheid waarin ik leefde. Ik leerde de wereld als een kunstwerk zien en zocht naar de oerbeelden die onder het oppervlak van de zintuiglijke werkelijkheid schuilgingen. Op die manier kwam ik uiteindelijk terecht bij mijn eigen leven. Denken en waarnemen, (objectieve) afstandelijkheid en (subjectieve) deelname bereikten hier hun grootste intensiteit. Nergens is de mens zo sterk bij betrokken als bij zijn eigen leven. Dat leven is het kunstwerk waar hij hart en ziel in legt, waar hij helemaal in opgaat. Dat maakt het voor hem zo moeilijk om er afstand van te nemen en er denkend tegenover te gaan staan. Dat ‘snijdt in het eigen vlees’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Karmaonderzoek is inderdaad een vorm van sterven, een loslaten van het eigen ik. Daarom roept het zoveel weerstand op, daarom is het noodzakelijkerwijs een strijd met de draak. 

De draak leeft in de weerstanden die de bewustwording van het karma oproept. Zo sterk zijn die weerstanden dat Rudolf Steiner tot het eind van zijn leven moest wachten om openlijk over karma te kunnen spreken. Slechts op het nippertje slaagde hij erin zijn eigen levensopdracht – de leer van karma en reïncarnatie – samen te persen in negen maanden. Onmiddellijk na zijn dood brak er ruzie uit tussen de wetenschappers en de kunstenaars in het nieuwe bestuur. De barst groeide uit tot een kloof die de hele antroposofische vereniging verdeelde en leidde tot de uitsluitingen van 1935. Kort daarna barstte de hel helemaal los. Dertig jaar later werden de plooien gladgestreken maar de weerstanden waren niet verdwenen. Tot op de huidige dag blijft de kern van het karmaonderzoek – de relatie tussen oude en jonge zielen – onbespreekbaar. Het taboe leidt zelfs tot regelrechte stellingnamen tegen Rudolf Steiner. En opnieuw, net als toen, verschijnt deze anti-antroposofie op het wereldtoneel. 

Karma, aldus Rudolf Steiner, reikt van de grootste geestelijke hoogten tot de intiemste diepten van de menselijke ziel. Wat zich afspeelt op de bodem van de ziel wordt weerspiegeld op het wereldtoneel. Die twee uitersten raken elkaar en wie tot echte zelfkennis wil komen, moet beide samen zien. Dat veronderstelt een kunstzinnige benadering van de werkelijkheid. Pas wanneer de afzonderlijke begrippen zich aaneensluiten tot beelden, komt het denken tot leven en kan het doordringen tot de geest. Daarom doet de draak er alles aan om een kunstzinnig denken te verhinderen. Hij heeft daartoe zelfs een alternatieve kunst in het leven geroepen die de mens ervan overtuigt dat er geen enkel wezenlijk verband is tussen beelden en ideeën. Hoe diep deze materialistische, anti-antroposofische overtuiging reeds is doorgedrongen in de moderne ziel ondervond ik na het zien van het mysteriedrama. Als een ondoordringbare muur stond de draak tussen de mens en de – karmische – kunst van zijn tijd. 

Advertenties

De Tuin van Heden (7)

  

Op het dieptepunt van mijn leven – tussen mijn 30ste en mijn 33ste levensjaar – vond ik eindelijk de toegang tot de antroposofie. Er was een lange worsteling aan voorafgegaan, maar de ‘intrede’ zelf verliep moeiteloos. Ze gebeurde in drie stappen, telkens door het lezen van een boek dat me toevallig in handen viel: De Filosofie der Vrijheid (denken), Tussen Bethlehem en de Jordaan (voelen) en Christussucher und Michaeldiener (willen). Alledrie waren het variaties op hetzelfde thema, het thema van de polariteit. Ik zette deze drie stappen in de antroposofie met groeiend enthousiasme. De Filosofie der Vrijheid bevrijdde me uit de gevangenis van het dualisme, het verhaal van de twee Jezuskinderen opende mijn hart weer voor de christelijke oerbeelden uit mijn jeugd, en met het thema van de oude en de jonge zielen kon ik zelf aan de slag, ik kon het verbinden met mijn eigen leven. Vooral dat laatste sprak me aan, het maakte van de antroposofie een persoonlijke zaak. 

Speelde De Filosofie der Vrijheid zich nog helemaal in de regionen van de geest af, de twee Jezuskinderen brachten die geest naar de aarde in de vorm van oerbeelden, en het zielenthema individualiseerde hem ten slotte. Stap voor stap kwam de antroposofie naar me toe, eerst als iets vreemds en onaantrekkelijks, dan als iets verhevens dat uit de hemel neerdaalde, en uiteindelijk als iets eenvoudigs, iets gewoon-menselijks. Zo werd het zielenthema door Rudolf Steiner ook voorgesteld: als iets heel gewoons, een kleinigheid die hij bijna terloops vermeldde. Maar die kleinigheid bracht hij wel in verband bracht met het allergrootste – het voortbestaan van de menselijke beschaving – en hij verbond ze bovendien met het persoonlijke lot van zijn toehoorders. Hoewel hij zijn best deed om een lichte toon aan te slaan, kon hij de ernst van de zaak toch niet verbergen. Zijn publiek deinsde dan ook terug, zoals het dat eerder al had gedaan toen hij over karma sprak. Maar dit keer zette hij door. 

Ook voor Rudolf Steiner was het zielenthema een persoonlijke aangelegenheid, want voor het eerst in zijn leven kon hij openlijk spreken over wat hem het nauwst aan het hart lag: zijn eigen levensopgave, karma en reïncarnatie. Tot nog toe had hij daarover moeten zwijgen omdat de weerstanden – uiterlijk zowel als innerlijk – te groot waren. Maar nu onthulde hij de ‘geïncarneerde’ versie van De Filosofie der Vrijheid. De relatie tussen waarnemen en denken was een relatie tussen mensen geworden, tussen oude en jonge zielen. Tijdens de Weihnachtstagung had Rudolf Steiner de antroposofische vereniging opnieuw opgericht. Hij begon als het ware helemaal opnieuw en hij deed dat met een metamorfose van De Filosofie der Vrijheid. Zoals dit boek de grondslag vormde voor de oude antroposofie, zo vormde het zielenthema de grondslag voor de nieuwe antroposofie. Het was de hoeksteen van het nieuwe (geestelijke) Goetheanum, van de nieuwe mysteriën. 

Het was een grote stap van de oude wijsheidsmysteriën naar de nieuwe wilsmysteriën, een stap van denken naar willen, een stap ook van de oude naar de jonge zielen. Reeds vóór de Weihnachtstagung had die overgang zware problemen veroorzaakt. De antroposofische vereniging was aanvankelijk een oude-zielenvereniging, een vereniging van mensen die de wijsheid van Rudolf Steiner opnamen en verzorgden. Na de eerste wereldoorlog stroomden echter talloze jonge zielen de vereniging binnen en dat waren mensen die iets wilden doen, die de wereld wilden veranderen. Daardoor botsten ze met de oude zielen, die gesteld waren op hun rust. De conflicten escaleerden en de verhitte gemoederen materialiseerden zich in de brand van het Goetheanum. Ze vernietigden de tot kunst geworden antroposofie, de brug tussen oud en nieuw stortte in. Rudolf Steiner zag zich genoopt de vereniging helemaal opnieuw op te richten, dit keer niet als een wijsheidsvereniging maar als een wilsvereniging.

De nieuwe wilsmysteriën waren openbare mysteriën. Esoterie en exoterie vielen samen, de vroegere (strenge) scheiding was opgeheven. In de karmavoordrachten sprak Rudolf Steiner openlijk over de vorige levens van zijn leerlingen. De Lohengrin-vraag (die niet gesteld mocht worden) was vervangen door de Parsifalvraag, de vraag naar het lijden van de antroposofie. Dat lijden werd veroorzaakt door de conflicten tussen oude en jonge zielen. De toehoorders kenden die – al te persoonlijke – conflicten uit eigen ervaring, maar nu werden ze gelieerd aan diepe esoterische waarheden, en daar schrokken ze van. De antroposofie kwam nu toch wel heel dichtbij. Moeten we daar echt over gaan nadenken? vroegen ze. Ja, antwoordde Rudolf Steiner, daar moeten jullie echt over nadenken, iedere antroposoof moet dat doen. Hij liet er geen twijfel over bestaan: de antroposofie moest een persoonlijke aangelegenheid worden. Daarin bestond de vernieuwing die hij tijdens de Weihnachtstagung had doorgevoerd.

Rudolf Steiner had de mysteriewijsheid ‘in de harten’ gelegd en daar leefde ze nu als de meest intieme beleving. Hij kreeg echter de kans niet om deze ‘menswording’ nader toe te lichten, want de tegenmachten reageerden furieus. Ze ontketenden reactionaire krachten die hem het leven kostten en de vereniging in twee scheurden. Honderd jaar later lijkt de wonde geheeld te zijn, maar het zielenthema blijft onbespreekbaar en de reactionaire krachten bestaan nog altijd. Nadenken over het eigen karma is not done. Het geldt nog altijd als ongepast om de antroposofie in verband te brengen met persoonlijke zaken. Ik kreeg dan ook het deksel op mijn neus met mijn enthousiasme over het zielenthema. Wat ik ook probeerde, ik botste op een muur van onverschilligheid. Pas toen ik een vooraanstaand antroposoof zijn publiek hoorde bezweren niet na te denken over dit thema, begon ik te vermoeden dat het om meer ging dan onverschilligheid alleen. Het was onwil, het was openlijk verzet tegen Rudolf Steiner zelf. 

Mijn stap in de wilswereld van de antroposofie, leidde tot de ontmoeting met de anti-antroposofie, de vijand-in-de-eigen-gelederen waar Rudolf Steiner meer dan eens over gesproken had. De nieuwe wilsmysteriën omvatten ook het mysterie van het kwaad, en met dat mysterie werd ik nu geconfronteerd. Dat gebeurde overigens niet alleen in de antroposofie, het gebeurde ook in de kunst. Ik ontmoette de anti-antroposofie op hetzelfde moment als de anti-kunst. Deze laatste was me al langer bekend, maar ik kwam er pas echt mee in contact nadat ik radicaal gekozen had voor de kunst. Deze gelijktijdigheid was geen toeval: anti-kunst en de anti-antroposofie werden bezield door één en dezelfde geest. Maar dat besefte ik toen nog niet. Het was me nog niet duidelijk wat kunst en antroposofie met elkaar te maken hadden. Dat begreep ik pas enkele jaren later toen ik de antroposofie onverwacht herkende in de kunst. Toevallig gebeurde dat vlakbij een brug over de Schelde …

Opnieuw weerspiegelde de buitenwereld wat er in mijn ziel gebeurde. Daar werd namelijk een brug geslagen tussen de wereld waarin ik leefde en de antroposofie (die zich voornamelijk in mijn gedachten en gevoelens afspeelde). De antroposofie verscheen hier niet voor een kleine groep uitverkorenen, maar voor het oog van de hele wereld en ze maakte miljoenen jonge mensen enthousiast. Ze deed dat in de vorm van een mysteriedrama dat enerzijds diep in de hedendaagse wereld wortelde en anderzijds reikte tot in de hoogste gebieden van de geest. Exoterie en esoterie vielen hier naadloos samen. Ik herkende de geest van de kunst, die ik gestorven waande en nu in een geheel nieuwe, eigentijdse vorm zag verrijzen. Maar ik herkende tegelijk ook de geest van de antroposofie, die nu pas echt tot leven kwam voor mij. En langzaam begon ik te begrijpen wat Rudolf Steiner bedoelde toen hij zei dat kunst en antroposofie dezelfde geest in de cultuur doen stromen. 

Voor de vierde keer op rij ontmoette ik het thema van de polariteit, dit keer niet in de vorm van een boek, maar in de vorm van een kunstzinnig drama. Nadat de antroposofie achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen had aangesproken, sprak ze nu rechtstreeks mijn Ik aan. Maar dit keer deed ze dat niet vanuit de antroposofische wereld maar – geheel onverwacht – vanuit de vijandige buitenwereld. Toch herkende ik in dit onwaarschijnlijke mysteriedrama meteen de geest die mij zo lief was, die uit mijn leven was verdwenen en die ik nergens meer terugvond: de geest van de kunst. Ik trof hem uitgerekend daar aan waar ik hem nooit had verwacht. Hetzelfde gold voor de geest van de antroposofie: ik zag hem verschijnen op een plek waar antroposofen hem nooit zouden zoeken. Nochtans zegt Rudolf Steiner dat het Ik van de mens van buitenaf op hem toekomt. Ik stelde vast dat het voor de antroposofie niet anders is: ik zag haar Ik vanuit de buitenwereld op haar toekomen. 

Ik beleefde dat Ik-wezen tot in de kern van mijn ziel, maar mijn denkende bewustzijn kon het nog niet bevatten. Daardoor was ik niet in staat de zaak uit te leggen aan mijn mede-antroposofen. Ze waren ervan overtuigd dat ik me maar wat inbeeldde. Sommigen vonden het zelfs blasfemisch dat ik de antroposofie in verband bracht met iets zo werelds en laag-bij-de-gronds als het drama waar ik hen op wees. Ik was op mijn beurt geschokt door zoveel gebrek aan kunstzinnig gevoel. Het grote struikelblok was dat de makers van dit moderne mysteriedrama geen antroposofen waren. Ze hadden geen antroposofische ideeën in hun werk gelegd en bijgevolg konden die ideeën daar ook niet in aanwezig zijn. Deze redenering druiste volkomen in tegen Rudolf Steiners opvattingen over kunst, maar dat wist ik toen nog niet. Ik kon de onverschilligen en verontwaardigden niet duidelijk maken hoe anti-antroposofisch hun houding wel was. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt. 

De dualistische leer van de twee werelden zit zo diep ingebakken in de ziel van de moderne mens dat zelfs de antroposofie daar niet tegenop kan. Antroposofen kunnen het monisme van De Filosofie der Vrijheid in theorie nog wel aanvaarden, maar zodra ze de grens met de wilswereld overschrijden en in de praktijk terechtkomen, vallen ze weer in het oude, dualistische spoor. Daarvan getuigt hun houding tegenover kunst. Ik had het hen vroeger al eens gevraagd: hoe komt het toch dat antroposofen op alle gebieden tegen de stroom inroeien, behalve op één gebied: dat van de kunst? Uitgerekend daar waar de tegenpolen (door een wilsdaad) met elkaar verbonden worden en het dualisme overwonnen wordt, roeien ze vrolijk met de stroom mee, de lof zingend van de hedendaagse kunst, dat toppunt van dualisme. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Net als het zielenthema is het thema kunst onbespreekbaar en wel om dezelfde reden: het confronteert antroposofen met hun dualisme, met hun anti-antroposofie. 

Ik heb nooit getwijfeld aan de goede wil van antroposofen (en doe dat nog altijd niet), maar in de loop der jaren is me steeds duidelijker geworden dat er in hun ziel ook een ‘slechte’ wil leeft, een wil die zich tegen de antroposofie keert. Ik leerde die anti-wil voor het eerst kennen in verband met het zielenthema. Toen ik een gerespecteerd antroposoof in dit verband dwars tegen Rudolf Steiner hoorde ingaan, viel ik van mijn stoel van verbazing. Die verbazing werd nog groter toen niemand bleek te protesteren tegen deze anti-antroposofie. En ze steeg ten top toen mijn – voorzichtige – vraag over dit ‘merkwaardige’ standpunt op verontwaardiging werd onthaald. Hoe durfde ik! Het was de omgekeerde wereld: ik nam het op voor Rudolf Steiner en ik werd beschouwd als een … anti-antroposoof. Aandringen had geen zin, want een gesprek was niet mogelijk. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik te maken had met een gevaarlijke vijand die je onmiddellijk met gelijke munt betaalde.

Niet alleen onder antroposofen zaaide hij twist en tweedracht, hij trok ook een muur op tussen antroposofen en de buitenwereld. Dat ondervond ik door de afwijzende reacties op het mysteriedrama waarin ik de antroposofie in kunstzinnige vorm had zien verschijnen. Ook hierover was geen gesprek mogelijk. Ik besloot er dan ook het zwijgen toe te doen, niet zozeer omdat ik mezelf onmogelijk maakte, maar vooral omdat ik de zaak zelf schade berokkende. En die zaak was dat dit mysteriedrama een brug sloeg naar miljoenen mensen over de hele wereld. Die (overwegend jonge) mensen waren enthousiast geworden over de antroposofie, maar ze beseften het niet, het moest hen verteld worden. Was dit geen uitgelezen kans om vele antroposofen-in-spe te bereiken door hen aan te spreken in een taal die zij begrepen? Was dat niet waar antroposofen naar streefden: aansluiting vinden bij de moderne wereld, de taal spreken van deze tijd? Dat was tenminste wat ze steeds weer beweerden.

Maar het was niet wat ze wilden. Ze toonden geen enkele belangstelling voor dit unieke kunstwerk. Ze haalden hun schouders op en zeiden: wat hebben wij daarmee te maken! Het klonk me in de oren als: wat hebben wij te maken met de wereld daarbuiten! Wat hebben wij te maken met al die jonge mensen die de antroposofie zoeken! Wat hebben wij te maken met … de antroposofie! Zoals ik het wezen van de antroposofie vanuit de buitenwereld op me toe had zien komen, zo zag ik nu het wezen van de anti-antroposofie vanuit de antroposofische wereld op me toe komen. En zo verrukt als ik was over het eerste, zo ontzet was ik over het tweede. Ik zou deze anti-antroposofische geest later nog twee keer zien verschijnen en telkens wekte hij een diepe afschuw en verontwaardiging in me op. Maar ik stond machteloos want telkens wekte ook ik diepe afschuw en verontwaardiging bij anderen op. Het was onmogelijk om deze anti-geest te confronteren zonder daar zelf het slachtoffer van te worden. 

De Tuin van Heden (6)

  

Op mijn 30ste verjaardag greep ik uit verveling een willekeurig boek vast. Het bleek De Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Sinds ik mijn vrouw zeven jaar geleden had leren kennen, worstelde ik met de antroposofie. Ik had voordien al een aantal boeken van Rudolf Steiner gelezen, maar was nooit verder geraakt dan halverwege. Hun inhoud sprak mij wel aan, maar de saaie ‘wetenschappelijke’ vorm maakte ze voor mij onverteerbaar. In antroposofische kringen was het dan weer de religieuze sfeer die me op de maag lag. Men sprak er over engelen, kabouters en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was. Hebben jullie wel eens een kabouter gezien? wilde ik weten. Neen, dat hadden ze niet. Dus jullie geloven gewoon dat ze bestaan? Dat wilden ze dan weer niet toegeven. De steinerschool had me door haar kunstzinnige karakter meteen overtuigd, maar wat moest ik met de antroposofie, een geloof dat pretendeerde wetenschap te zijn? Ik had voor geen van beide enige aanleg. 

Mijn vrouw daarentegen bleek er geen moeite mee te hebben en dat intrigeerde me. Hoe kon een nuchter en verstandig iemand zoals zij zich inlaten met mensen die geloofden in het bestaan van sprookjeswezens? Talloze gesprekken en dicussies hadden we daarover, maar het lukte haar niet me te overtuigen. Het water tussen mij en de antroposofie was te diep. Uiteindelijk vond ik dan toch een brug, een volkomen onverwachte brug nog wel. De Filosofie der Vrijheid was het meest onverteerbare boek van de hele antroposofie. Om redenen die ik nog altijd niet begrijp, las ik het in één ruk uit. Ik voelde me als ijzeren Hendrik nadat de prinses de kikker had gekust: de ijzeren banden rond mijn hart sprongen los. Ze waren gesmeed uit de overtuiging die de moderne wereld overheerst: wat zich afspeelt in het menselijk hart heeft niks te maken met de wereld daarbuiten. De onzichtbare muur tussen beide was voor mij realiteit, hij had me opgesloten een in een onzichtbare gevangenis.

Uit die gevangenis bevrijdde Rudolf Steiner me door uit te leggen dat die muur alleen in ons bewustzijn bestaat. De werkelijkheid is één, maar in ons bewustzijn verschijnt ze als gescheiden in waarneming en denken. We hebben die scheiding zelf veroorzaakt en we kunnen ze ook weer opheffen door een brug te slaan tussen waarneming en denken. Vermoedelijk herkende ik in de gortdroge uiteenzetting van Rudolf Steiner mijn eigen situatie. Zoals de scheiding tussen stad en platteland in mijn (uiterlijke) leven steeds groter was geworden, zo was in mijn ziel een steeds groter wordende kloof ontstaan tussen mijn waarnemingen en gedachten. Nergens was die kloof zo duidelijk als op school, in de lessen wiskunde. Ik had geen idee wat die abstracte wereld van cijfers en getallen te maken had met de zintuiglijke wereld waarin ik leefde en niemand kon het me uitleggen. Het werd als volkomen vanzelfsprekend beschouwd dat waarneming en denken niks met elkaar te maken hadden.

Aan de academie had ik een heel andere ervaring. Daar beleefde ik al tekenend de vanzelfsprekende eenheid van waarneming en denken. Het eerste wat ik er leerde was een assenstelsel op mijn blad te tekenen en aan de hand daarvan de plaats van punten bepalen. Die les duurde hooguit vijf minuten en het was de enige die ik ooit kreeg. Al de rest vloeide eruit voort. De lijnen en punten ontwikkelden zich tot een koffiepot, een plant, een dier, een mens. In iedere tekening ging ik de weg van de meest abstracte wiskunde naar de meest zintuiglijke werkelijkheid. Het een was een metamorfose van het ander, er was geen wezenlijke scheiding. Maar deze kunstzinnige ervaring van de eenheid der tegendelen moest het in mijn puberteit steeds meer afleggen tegen de wetenschappelijke ervaring van hun scheiding. En die scheiding werd totaal toen ik volwassen werd. Het bewustzijn van de eenheid verdween en tegenpolen vielen uit elkaar in twee werelden waartussen een diepe kloof gaapte. 

In die kloof vond ik De Filosofie der Vrijheid. Het boek toonde aan dat waarnemen en denken twee zijden van dezelfde medaille waren, dat ze allebei tot dezelfde werkelijkheid behoorden. In scherpe, wetenschappelijke begrippen legde Rudolf Steiner uit wat ik in de kunst telkens weer had beleefd: dat er slechts één werkelijkheid was, dat we ze op twee zeer verschillende manieren ervaren – als zintuiglijke waarneming en als abstract, meetkundig denken – en dat we die twee weer met elkaar kunnen verbinden. Hoe had mijn hart niet kunnen opspringen nu het in de kern van de wetenschap – in dit denken-over-het-denken – de kunst herkende? Die herkenning was een begrijpen-met-het-hart, ze was nog lang geen begrijpen-met-het-hoofd. Ik beleefde De Filosofie der Vrijheid als een ziele-aangelegenheid, niet als de oplossing van een filosofisch raadsel. Toen ik het later opnieuw las, begreep ik er niks meer van. De herkenning was een moment van genade geweest. 

In feite was De Filosofie der Vrijheid een herhaling van mijn eerste tekenles. Opnieuw toonde een leraar mij dat waarneming en denken één zijn. Opnieuw deed hij dat op een zeer zakelijke, nuchtere manier die ogenschijnlijk niks te maken had met de kunstzinnige, zintuiglijke wereld die eruit zou voortvloeien. Wie zou bij het lezen van dit droog-filosofische boek ooit kunnen denken dat de hele antroposofie eruit is voortkomen, die wonderbaarlijke wereld met zijn ontelbare beelden en praktische toepassingen! Ik had destijds ook nooit kunnen denken dat de hele wereld van de kunst, met zijn grenzeloze vormenrijkdom, voortkwam uit een simpel assenstelsel, een zuiver meetkundige constructie. Maar ik was een kind, ik deed gewoon wat de leraar zei en ondervond dat hij gelijk had. Zo verging het me ook met De Filosofie der Vrijheid. Rudolf Steiner gaf me opnieuw vertrouwen in mijn denken, en door dat denken te verbinden met mijn waarnemingen ondervond ik gaandeweg dat hij gelijk had. 

De gedachte is de vader van het gevoel, schreef hij in De Filosofie der Vrijheid. Dat werd algauw bewaarheid, want kort daarna las ik een boek dat rechtstreeks mijn gevoel aansprak. Ik aarzelde toen ik in de boekhandel Tussen Bethlehem en de Jordaan zag liggen, het boek van Emil Bock over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Wat moest ik met een boek over Jezus? Had ik de godsdienst en de bijbel niet al jaren geleden achter me gelaten? Maar ik dacht bij mezelf: wie A zegt, moet ook B zeggen. En ik kocht het boek. Al op de eerste bladzijden was ik verrukt over de kunstzinnige beschrijving van Palestina’s geografie en de diepe betekenissen die daarin verborgen lagen. Dit was een taal die ik begreep en ik las ook dit boek in één ruk uit. Ik had nog nooit gehoord over het bestaan van twee Jezuskinderen, maar het stoorde me niet, integendeel. Ik vond het buitengewoon kunstzinnig, vanzelfsprekend en zelfs onvermijdelijk. Mijn gevoel accepteerde het onmiddellijk.

In feite was het verhaal van de twee Jezuskinderen de kunstzinnige versie van De Filosofie der Vrijheid. Het ene Jezuskind was een uitgesproken denker, het andere was één en al waarneming. Maar hoe verschillend ze ook waren, ze herkenden in elkaar het Christuswezen dat boven hen zweefde en waarvan ze in zekere zin de twee menselijke verschijningsvormen waren. De wederzijdse herkenning bracht hen ertoe samen te smelten tot een menselijke schaal die de Christusgeest kon ontvangen. Rudolf Steiner had deze ‘schaalvorming’ in De Filosofie der Vrijheid denkend verwezenlijkt. In Tussen Bethlehem en de Jordaan beschreef Emil Bock datzelfde ‘smeltproces’ aan de hand van bijbelse oerbeelden. Na het denken, de waarneming. Wat zich tussen de twee Jezuskinderen afspeelde kon ik me veel beter voorstellen dan wat Rudolf Steiner in abstracte begrippen beschreef. Het was de tweede – kunstzinnige – stap in de overbrugging van de kloof tussen mezelf en de antroposofie. 

De derde stap volgde niet lang daarna, opnieuw in de vorm van een boek: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van een vriend die het op zijn beurt kado had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht. Het was alleen te krijgen in het Goetheanum, en dan nog alleen voor leden van de vereniging. Hoe groot was de kans dat ik het in handen zou krijgen? Maar daar lag het, gewoon op tafel. Ik had nooit een woord Duits geleerd, laat staan een Duitse tekst gelezen, maar toen ik het boek opensloeg, las ik het – net als beide vorige boeken – in één ruk uit, het woordenboek in de aanslag. Het was mijn eerste kennismaking met Rudolf Steiners karamaonderzoek en ik herkende mezelf meteen in zijn beschrijving van de oude zielen. Ik herkende ook mijn vrouw onmiddellijk als een jonge ziel, en dat verklaarde veel, heel veel. Dit was antroposofie naar mijn hart, ik was meteen verkocht.

Opnieuw was dit boek een variatie op hetzelfde thema. Na waarnemen en denken in De Filosofie der Vrijheid, en de twee Jezuskinderen in het boek van Emil Bock, ging het hier om oude en jonge zielen, of Christuszoekers en Michaëldienaars zoals Hans Peter van Manen ze noemde. Na het denken en het voelen was het nu de beurt aan het willen. En dat was een heel andere wereld, dat zou ik al vlug ondervinden. Ik betwijfel of veel mensen De Filosofie der Vrijheid gelezen hebben, maar er wordt alleszins veel gesproken en geschreven over dit boek. Er worden zelfs cursussen en conferenties over gehouden. Ondanks zijn onaantrekkelijkheid heeft het niet te klagen over de aandacht die het krijgt. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is in de antroposofische wereld welbekend. Maar ofschoon het boeiender en kleurrijker is dan De Filosofie der Vrijheid moet ik toch diep nadenken om me een boek voor de geest te halen dat dit onderwerp behandelt.

Dat is echter nog niets vergeleken bij het lot van het zielenthema. Bijna 40 jaar na zijn verschijnen is het boek van Hans Peter van Manen nog altijd het enige dat het onderwerp ernstig neemt. De eerste druk is nog steeds verkrijgbaar en de vertaling die ik er later van maakte, staat intussen in de ramsj, want de uitgever raakt het aan de straatstenen niet kwijt. Er is waarschijnlijk geen enkel ander antroposofisch onderwerp waar zo weinig over geschreven en gesproken wordt dan juist het zielenthema. In al die jaren heb ik er welgeteld één voordracht weten over houden, en die gaf dan nog de niet mis te verstane boodschap mee dat antroposofen zich verre moesten houden van het zielenthema. Dat dit de algemene houding is in antroposofische kringen heb ik meer dan eens mogen ondervinden. Ik was dan ook diep teleurgesteld toen niemand (behalve mijn vrouw, met wie ik talloze gesprekken over het onderwerp voerde) mijn enthousiasme bleek te delen. Het zielenthema was gewoon taboe.

Ik begreep het niet. Hoe konden antroposofen zo onverschillig blijven tegenover een thema waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk had op gelegd! Tijdens zijn karmavoordrachten had hij verklaard dat iedere antroposoof over dit onderwerp hoort na te denken. Honderd jaar later wordt in antroposofische kringen precies het tegenovergestelde verkondigd. Mijn kennismaking met het wilsgebied van de antroposofie, betekende tegelijk mijn ontmoeting met de anti-antroposofie. Tot mijn verbazing stuitte ik in de antroposofische wereld op een (onbewuste) wil die zich hardnekkig tegen de antroposofie verzette. Later zou ik vernemen dat Rudolf Steiner zelf had gezegd dat in de antroposofische vereniging de uitgesproken tendens  bestond om hem dood te zwijgen. Nu kon ik alleen maar vaststellen dat het waar was.  Hoe was zoiets mogelijk? Hoe konden mensen met evenveel overtuiging voor én tegen de antroposofie zijn? Hoe konden er twee tegengestelde ‘willen’ in hun ziel leven zonder dat ze het beseften?

De Tuin van Heden (5)

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

De Tuin van Heden (4)

  

Voor het eerst in mijn leven woon ik op het platteland, tussen de velden en weiden. Tevoren woonde ik altijd op de grens tussen stad en platteland. In Mechelen bijvoorbeeld, waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht, woonde ik tijdens mijn tweede zevenjaarsperiode net buiten de stad. Vijf minuten stappen in de ene richting en ik stond op de Grote Markt. Honderd meter de andere richting uit begon er een – in mijn kinderogen eindeloze – wereld van velden, bossen en rivieren. Het platteland kwam er nog tot vlak bij de stad. Om deze laatste te bereiken moest ik de Dijle oversteken via de Winketbrug. Met haar vier torens zag ze eruit als de metalen versie van een middeleeuwse stadspoort. Ik passeerde ze dagelijks op weg naar school, of op weg naar het spel. Tussen die twee polen pendelde ik als kind heen en weer. In de stad zat ik op school in de klas. Buiten de stad speelde ik in ‘den bemd’ of op straat, of ik zat thuis te tekenen of te lezen. 

School en spel lagen nog dicht bij elkaar, letterlijk en figuurlijk. Ik leerde spelenderwijs, het kostte me geen enkele moeite. Spelen, binnen of buiten, had dan weer regels die geleerd moesten te worden. In de Winketbrug – enerzijds een fraai staaltje techniek, anderzijds een kunstwerk in ijzer – werden beide polen symbolisch verenigd. Ook hemel en aarde kwamen hier samen. Als een schip met bouwmaterialen passeerde, stond ik vol ontzag te kijken hoe de brug omhoog werd getakeld aan de vier wielen in haar torens. Als een roekeloze motorrijder met een sierlijke boog in het water verdween, volgde ik ademloos de reddingspogingen van de brandweer. Het met slijk overdekte lijk dat ze ten slotte bovenhaalden, was de eerste dode die ik zag. Het was ook mijn eerste confrontatie met het gevaar dat verbonden is met het overschrijden van de grens tussen twee werelden. Maar geen van die onderbrekingen kon mij uit de droom halen. Het leven was nog een spel.

Toen mijn derde zevenjaarsperiode aanbrak, verhuisden we naar de andere kant van de stad. Opnieuw woonden we op de grens met het platteland, opnieuw moest ik een brug oversteken om de stad te bereiken. Maar dit keer duurde het wel een half uur voor ik in het centrum stond en ook de velden en weiden lagen heel wat verder weg. Het was niet langer de kronkelende, slijkerige Dijle die ik moest oversteken, maar de propere, kaarsrechte Leuvense vaart. Er lag ook geen monumentale Winketbrug meer over, maar een belachelijk kleine Colomabrug, die nog met de hand moest open- en dichtgedraaid worden en zo smal was dat ze slechts verkeer in één richting toeliet. Dat bemoeilijkte het oversteken van de grens tussen stad en platteland in aanzienlijke mate en ik moest soms lang staan wachten tot de auto’s uit de andere richting de gammele Colomabrug waren overgestoken. Het verkeer tussen beide werelden verliep nu met horten en stoten. Het leven had zijn speelse, dromerige karakter verloren. 

Die uiterlijke verandering weerspiegelde mijn zieleleven. Ik werd langzaam wakker. De puberteit – of ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt – begon. Zoals stad en platteland zich van elkaar verwijderden, zo verwijderden zich ook binnen- en buitenwereld van elkaar. Ik speelde niet langer op straat of in ‘den bemd’, maar had voor het eerst een eigen kamer waar ik me kon terugtrekken. Mijn gedachten en gevoelens gingen niet langer dromerig en organisch heen en weer, ze werden nu gescheiden door een strakke, rechte lijn en het verkeer tussen beide verliep moeizaam. Nu eens kregen verhitte emoties de voorrang, dan weer was het de beurt aan de kille ratio. Het evenwicht was zoek en de balans kantelde in de richting van de stad. Zoals het platteland verdween uit mijn leven, zo verdween ook de godsdienst. Van beide had ik slechts een laatste uitloper meegemaakt, en toen ik van mijn geloof afviel, gebeurde dat zoals een appel van de boom valt. Ik was rijp voor de aarde, rijp voor de stad.

Ik herinner me nog altijd het moment waarop het gebeurde. Ik zat in de zondagsmis te dromen, toen ik plots opkeek en dacht: wat doe ik hier? Ik realiseerde me opeens dat ik hier niet langer thuishoorde en in één klap viel het hele godsdienstige leven van me af, alsof het er nooit geweest was. Zelfs de straatnamen weerspiegelden die plotse overgang. Van de Bethaniënstraat (vanwaar we de Sint-Romboutstoren konden zien) waren we verhuisd naar de Voetbalstraat. De bijbel had plaats gemaakt voor de sport, de seculiere religie van onze tijd. Ik zat niet langer in de mis te dromen, maar supporterde in de Winkethal voor het legendarische Racing Mechelen. De appollinische terughouding van de godsdienst had plaats gemaakt voor de dionysische extase van de sport. Zo’n basketwedstrijd was een echte heksenketel, en als het afgelopen was, liep ik als op wolken, ik voelde me herboren, mijn ziel was gezuiverd. Zo’n katharsis had ik in de kerk nooit meegemaakt.

Hoe groot de stap van godsdienst naar sport was, ondervond ik aan den lijve. Tijdens een volleybalwedstrijd op school kwam ik ongelukkig op een bal terecht en mijn linkerknie ging aan flarden. Na drie operaties door de oude dokter Thoen (what’s in a name) hoorde ik zijn assistenten zeggen dat hij een mirakel had verricht. Het ongeval was een beeld van wat mijn ziel was overkomen: ze was uit de hemel op aarde gevallen en onderuit gegaan. In het ziekenhuis maakte ik kennis met lijden en dood. Mijn eigen revalidatie was lang en pijnlijk. Zij was een beeld van wat me te wachten stond. Ik was schijnbaar moeiteloos van mijn geloof afgevallen, maar diep in mijn ziel had zich precies hetzelfde afgespeeld als in de turnzaal. Mijn spelende leven was bruusk afgebroken, ik kwam met een smak terecht in een duistere wereld zonder zin of betekenis, een wereld vol pijn en kwellingen, een wereld die geregeerd werd door het blinde toeval. Mijn voyage au bout de l’enfer was begonnen. 

Wat ik in de mis had beleefd, beleefde ik nu op school. De wetenschap was – samen met de sport – de nieuwe religie en opnieuw had ik geen idee waarover het ging. Ik begreep niet wat de man vooraan stond te vertellen, het ging mijn ene oor in en het andere weer uit. Wat vroeger een spel was geweest, kostte me nu de grootste moeite. Mijn schoolresultaten, die altijd uitstekend waren geweest, gingen in vrije val. Alles leek te vallen toen mijn puberteit begon, mijn hele leven brak in stukken. Maar net als mijn knie werd mijn schoolcarrière – middels verschillende ‘operaties’ – op miraculeuze wijze gered. Die knie speelde daar trouwens een beslissende rol in. Na het ongeval had de turnleraar mij aan mijn lot overgelaten. Uiteindelijk was het de tekenleraar die me naar huis bracht en me daar voor de deur achterliet, want er was niemand thuis. Toen de ernst van de situatie tot de schoolleiding doordrong, voelde ze zich waarschijnlijk schuldig en besloot me terug te betalen. Dat jaar kreeg ik de examenvragen op voorhand. 

Na bijna een jaar afwezigheid was ik blij eindelijk weer naar de academie te kunnen gaan, het enige lichtpunt in mijn leven. Toen de leraar me weer zag verschijnen, barstte hij in woede uit. Waar had ik in godsnaam gezeten? Waarom had ik hem niets laten weten? Mijn hart sprong op: ik betekende iets voor die man, ik was belangrijk voor hem! Zijn woedeaanval was het grootste compliment dat ik ooit had gekregen. Vanaf dat moment werd hij mijn leraar, degene die me met vaste hand doorheen de steeds dieper wordende duisternis van mijn leven zou leiden. Terwijl ik op school leugen en bedrog leerde kennen, was hij een toonbeeld van integriteit en waarheidsliefde. Hij leerde mij de kunst kennen en zij werd mijn nieuwe religie, de bron van alles wat goed, waar en mooi was in mijn leven. Ondanks haar strikte regels liet ze me volkomen vrij, want de regels werden me niet van buitenaf opgelegd, ze spraken uit de zaak zelf, de zaak die ik boven alles liefhad. De kunst werd mijn nieuwe Winketbrug, ze verbond buiten en binnen, hemel en aarde. 

De academie was gehuisvest in een nieuw gebouw dat eruitzag als een ziekenhuis. Het was dan ook bedoeld om in tijden van oorlog dienst te kunnen doen als hospitaal. Dit ‘academische’ ziekenhuis bevond zich op de plek waar vroeger een minderbroedersklooster had gestaan. Aan de ene kant werd het geflankeerd door de Sint-Romboutskathedraal, aan de andere kant door het Scheppersinstituut waar ik school liep. Religie, kunst en wetenschap lagen er vlak naast elkaar, alsof ze samenhoorden, maar ze werden wel gescheiden door twee straten. Ofschoon godsdienst me volkomen onverschillig liet, passeerde ik de kathedraal nooit zonder even stil te staan en vol ontzag omhoog te kijken naar de indrukwekkende Sint-Romboutstoren. ’s Zondags strooide hij zijn beiaardklanken uit over de academie, als om haar te zegenen. In mijn beleving was er dan ook geen tegenstelling tussen beide. De kathedraal was een kunstwerk, tekenen was een eredienst, en aan beide beleefde ik grote vreugde. 

Heel anders was het aan de andere kant. Daar keek ik in een duistere diepte vol kwellingen. Ondanks haar naam was er op mijn school geen ruimte voor kunst, alles stond er in het teken van wiskunde en wetenschap. Dezelfde dubbelzinnigheid vertoonde de Melaan, de straat die het school en academie van elkaar scheidde. Vroeger, in de tijd toen Mechelen er nog uitzag als een Brugge-in-het-groot, liep hier een van de vele reien die de stad doorkruisten. De Melaan was dus in feite een brede brug, maar desondanks werd het (onzichtbare) water tussen kunst en wetenschap steeds dieper. Een voorval illustreerde dat. Toen we op een dag na de examens de tijd zaten te doden in de klas, zag ik door het raam hoe de leerlingen van de academie aan de overkant toestroomden voor de proclamatie. Vol verlangen vroeg ik de toezichthoudende leraar of ik de straat mocht oversteken om mijn getuigschrift (en de felicitaties van de jury) in ontvangst te nemen. Maar daar kon geen sprake van zijn. 

Toen mijn leraar aan de academie vernam dat ik naar de universiteit zou gaan, schoot hij in de lach. Hij vond het een kostelijke grap, maar zei er verder niets over. Vlak voor ik zou vertrekken, sprak hij echter voor het eerst over zijn eigen leraar, die toen net gestorven was en wiens werk in het museum van Antwerpen tentoongesteld werd. ‘Als je eens iemand wil zien die het tekenen tot de uiterste consequenties heeft doorgedreven …’ Meer zei hij niet. Ik had de naam Jos Hendrickx nog nooit gehoord en dacht er verder niet over na. Ik had wel andere dingen aan mijn hoofd. Op school zat ik in een rollercoaster die me deed duizelen. Sinds mijn ongeval had men mij op alle mogelijke manieren door de examens gesleurd. Ik had het spel meegespeeld, maar uiteindelijk werd het me teveel. Tijdens de laatste examenperiode deed ik mijn mond nauwelijks open, de meeste vragen beantwoordde ik met een schouderophalen. De Broeders van Liefde kenden echter geen genade, ze dwongen me de rit tot het bittere eind uit te zitten.

Ten slotte brak de dag des oordeels aan. Op de achterste rij van een overvolle schoolkapel zat ik samen met mijn ouders te wachten op mijn doodvonnis. Ik had het eens nagerekend: meer dan 20 percent van de punten kon ik onmogelijk behaald hebben. En ik had besloten naar de universiteit te gaan! Wat een farce! Toen hoorde ik in de verte de directeur opeens trots verklaren dat dit jaar iedereen geslaagd was- een unicum in de schoolgeschiedenis! Ik dacht: waar hééft die man het over? Pas toen iedereen iedereen begon te feliciteren drong het tot me door: ik was geslaagd! Ik begreep er helemaal niks meer van. Drie jaar later zou me dat in Leuven nog eens overkomen. Toen kreeg ik een lachbui waar geen eind aan kwam, maar nu was ik als verdoofd. De zinloosheid en absurditeit van mijn bestaan waren ten top gestegen. De tegenstelling tussen school en academie, tussen wetenschap en kunst, tussen plicht en spel was nooit groter geweest. 

Met een zucht van opluchting trok ik de schoolpoort achter me dicht, maar tegelijk overviel me het besef dat ik er nu alleen voor stond. Voortaan zou ik het moeten doen zonder de – ondanks alles – vertrouwde omhulling van de school. De universiteit was dan ook gewoon een nieuwe omhulling waar ik naartoe vluchtte. Maar op de valreep ging ik eerst kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in Antwerpen. Het werd een verpletterende ervaring. Als een Sint-Romboutstoren rees deze machtige scheppende geest voor me op. Zijn monumentale tekeningen waren als kathedralen vol heilige stilte. Toen ik weer buitenkwam, zag de wereld er anders uit. Ik bekeek hem nu met de ogen van deze geniale tekenaar. De volgende dag had ik hoge koorts. Nierontsteking, constateerde de dokter en hij schreef me platte rust en een streng dieet voor. Zo bracht ik mijn eerste week in Leuven door: liggend op bed, starend naar vier witte muren, levend op beschuit en appelsap. Ik was 18 en bevond me in het hol van de leeuw.

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Antroposofie en karmabewustzijn (12)

  

De wereld schreeuwt om karmabewustzijn. Zij heeft dit ‘ontwakende’ bewustzijn nodig om niet ten gronde te gaan aan de zelfvernietigende strijd tussen de tegenpolen. Geen wonder dat de tegenmachten onmiddellijk reageerden toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung dit nieuwe bewustzijn boven de doopvont hield. Na afloop werd hij ‘als door een zwaardhouw getroffen’, zoals Marie von Sivers het uitdrukte. De brand van het Goetheanum had hem al fel verzwakt, maar deze tweede aanslag op zijn krachten werd hem fataal. Een goed jaar later overleed hij, na een lange en pijnlijke ziekte. Meteen sloegen de tegenmachten een derde keer toe: de antroposofische beweging werd het toneel van een nietsontziende broederstrijd die daarna uitdeinde over Duitsland en ten slotte heel Europa in twee scheurde. Maar daarmee was het niet afgelopen. Vandaag laait die strijd opnieuw op en dit keer dreigt hij de hele menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ te brengen. 

Deze onheilspellende woorden gebruikte Rudolf Steiner toen hij sprak over oude en jonge zielen, het karmathema dat destijds hevige weerstanden opwekte, en dat vandaag nog altijd doet. Hoe pijnlijk deze weerstanden ook zijn in het licht van de wereldgebeurtenissen, ze openen tegelijk onvermoede perspectieven. Ze maken immers deel uit van de vernietigingskrachten die momenteel huishouden in de wereld en ons door hun enorme afmetingen verlammen. Dat ze de ontwikkeling van het karmabewustzijn in de antroposofische beweging saboteren is tragisch genoeg, maar ze hebben er wel niet langer dat overweldigende, apocalyptische karakter. En dat hebben we te danken aan de ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Hun ‘banale’ Urnenstreit ontwikkelde zich weliswaar tot een brand die antroposofische beweging (voor de tweede maal) in de as legde, maar ze klaarde tegelijk de lucht zodat we vandaag vrijer kunnen ademen en de vernietigingskrachten onder ogen zien. 

Ita Wegman was karmisch zeer sterk verbonden met Rudolf Steiner. Sinds oeroude tijden vormden deze twee zielen een onafscheidelijk duo. Aan het begin van de 20ste eeuw ontmoetten ze elkaar opnieuw, een ontmoeting die voor beiden van zeer grote betekenis was. Rudolf Steiner had echter het karma van Karl Julius Schröer overgenomen en zich verbonden met Marie von Sivers die 21 jaar lang zijn rechterhand zou zijn. Evenzovele jaren werd Ita Wegman verhinderd haar karmische band met Rudolf Steiner te vernieuwen. Men kan zich voorstellen wat dat in haar ziel teweeg heeft gebracht. En wat heeft het in de ziel van Marie von Sivers teweeg gebracht toen ze na 21 jaar de belangrijkste persoon in het leven van Rudolf Steiner te zijn geweest, plaats moest ruimen voor een andere vrouw? Het karma dat toen aan het werk was, vlocht intiem-persoonlijke en wereldhistorisch-bovenpersoonlijke elementen door elkaar en creëerde grote spanningen tussen beide vrouwen.

Marie von Sivers reageerde anders op die spanningen dan Ita Wegman, niet alleen omdat ze een ander temperament had, maar ook omdat ze een heel andere wereld vertegenwoordigde. Het is een hele opgave om de twee werelden die na de dood van Rudolf Steiner met elkaar in botsing kwamen in beeld te brengen, maar de eenvoudigste en veiligste manier om daarmee te beginnen is door ze te karakteriseren als een oude en een nieuwe wereld. Dat zijn natuurlijk verzamelbegrippen, zoals ook oude en jonge zielen dat zijn, maar ze vormen een aanzet, een eerste poging om karmisch licht te brengen in die toch wel zeer duistere periode tussen 1925 en 1935. Belangrijk om weten is dat Marie von Sivers en Ita Wegman zich uiteindelijk met elkaar verzoend hebben. Kort voor haar dood verklaarde Ita Wegman dat niets hun toekomstige samenwerking met Rudolf Steiner nog in de weg stond. En later zou Marie von Sivers erkennen dat de uitsluitingen een fout waren geweest. 

Als we de zusterstrijd die Marie von Sivers en Ita Wegman uitvochten vruchtbaar willen maken, dan moeten we hem in ons bewustzijn voortzetten. We moeten proberen het oerbeeld te begrijpen dat hun strijd zo diep in de antroposofische herinnering heeft gegrift. De sleutel tot dat oerbeeld heeft Rudolf Steiner ons gegeven toen hij in zijn karmavoordrachten het zielenthema onthulde. Hij wist heel goed welke spanningen er heersten tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, en wat de geestelijke achtergrond ervan was. Toen Ita Wegman hem op een keer vertelde dat ze weer eens van mening verschilde met Marie von Sivers, antwoordde hij lachend: ‘Let maar op dat ik jullie straks nog herken!’ Daarmee raakte hij iets heel wezenlijks aan en Ita Wegman voelde dat zijn grapje – zoals zo vaak – ernstig bedoeld was. Wie ooit een antroposofische ruzie heeft meegemaakt, weet dat het akeligste aspect van zo’n broederstrijd is dat mensen onherkenbaar worden, dat ze veranderen in volslagen vreemden. 

Rudolf Steiner moet heel goed geweten hebben wat er na zijn dood kon gebeuren, en hij heeft er in zijn karmavoordrachten op geanticipeerd. Toch waren deze voordrachten niet bedoeld voor zijn leerlingen van toen. Afgezien van het feit dat slechts weinigen ze hadden kunnen bijwonen, was er ook helemaal geen tijd geweest om hun inzichten te verwerken. Het karmabewustzijn had nauwelijks de kans gekregen om te ontluiken en kon dan ook geen vuist maken tegen de frontale aanval van de tegenmachten, een aanval die zowel van buiten als van binnen kwam. Nee, de karmavoordrachten waren voor ons bedoeld, voor degenen die vandaag kunnen terugkijken op de Grote Ruzie waarvan Rudolf Steiner wist dat ze hoe dan ook zou komen. Daarom had hij tijdens de Weihnachtstagung de gevolgen op zich geladen. Zonder zijn offer zou de antroposofische beweging vandaag niet meer bestaan. Ze zou ten onder zijn gegaan aan de vernietigende krachten die na zijn dood vrij spel kregen. 

Vandaag leeft de antroposofische beweging vanuit de opstandingskrachten die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen door zijn offerdood. Maar ze leeft slechts in de mate dat we ons die opstandingskrachten eigen maken, en dat doen we door inzicht te ontwikkelen in het sterven van de antroposofie. Wanneer we naar de antroposofische beweging kijken, dan zien een beweging die overmand is door doodskrachten. Een aantrekkelijk schouwspel is dat niet, zeker niet als men bezield wordt door vurige idealen, en de verleiding is dan ook groot om dit sterven te negeren. Maar wat we niet bewust onder ogen zien, werkt onbewust. Zonder het te beseffen spannen we ons voortdurend in om het naderende einde af te wenden, en het zijn juist die blinde, door angst ingegeven, pogingen die de broederstrijd opnieuw doen oplaaien, zoniet binnen de antroposofische beweging, dan toch erbuiten. Want de wereld betaalt een zware prijs voor ons onvermogen het eigen sterven onder ogen te zien.

We realiseren ons niet dat we, net als Parsifal, tegenover een zieke Visserkoning staan en verzuimen de vraag te stellen naar zijn lijden, het lijden van iemand die stervende is maar (dankzij de opstandingskrachten van de graal) toch in leven blijft. Het enige wat de zieke uit dit lijden kan verlossen, is inzicht in de aard en de oorsprong van dat lijden. Daarvoor moet de Visserkoning echter een Parsifal worden die tegenover zijn eigen lijden gaat staan en de verlossende (karma)vraag stelt. In de Visserkoning herkennen we niet alleen de ouder wordende mens die terugkijkt op zijn voorbije leven, maar ook de oude antroposofie die zich terugplooit op zichzelf. In Parsifal herkennen we diezelfde oude antroposofie die steeds objectiever tegenover zichzelf komt te staan en langzaam ontwaakt uit de droom. Daardoor wordt ze zich bewust van haar eigen ‘koninklijke’ aard, maar is daar aanvankelijk zo diep van onder de indruk dat ze niet ziet hoe zwaar gewond ze wel is. 

Datzelfde (oer)beeld kunnen we ook herkennen in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Frau Steiner was een Visserkoning(in), een ‘gewonde’ oude ziel die als het ware in twee gedeeld was: het ene moment warm en hartelijk, het volgende moment ijskoud en messcherp. Ita Wegman was eveneens een koninklijke oude ziel, maar ze was veel ‘gezonder’ dan Marie von Sivers, veel aardser, veel moderner ook. Terwijl Marie von Sivers zich van meet af ten dienste stelde van Rudolf Steiner en zelfs officieel zijn vrouw werd (aldus gehoorzamend aan de vormen van het verleden), ging Ita Wegman haar eigen, onafhankelijke weg. Pas toen ze helemaal op eigen benen stond, stelde ze zich ten dienste van Rudolf Steiner. Marie von Sivers had dat veel eerder gedaan, en wel uit bewondering voor de ‘koninklijke’ grootheid van Rudolf Steiner. Ita Wegman deed het uit medelijden met de mens Steiner, die zwaar gewond werd toen de brand het Goetheanum vernietigde.

Door dit medelijden werd haar karmabewustzijn geboren en kon ze de verlossende Parsifalvraag stellen, de vraag naar de nieuwe mysteriën, naar de wederopstanding van de (gestorven) antroposofie. Dankzij die vraag kon de Weihnachtstagung plaatsvinden en kon Rudolf Steiner – eindelijk – vrijuit spreken over het karma, zowel dat van de antroposofische beweging als dat van hemzelf en Ita Wegman. Ook Marie von Sivers had Rudolf Steiner destijds een verlossende vraag gesteld, de vraag die de geboorte van de antroposofie mogelijk maakte. Maar die vraag kwam (nog) niet voort uit karmabewustzijn, want daar wilde ze niks van weten. Telkens ze met Rudolf Steiner op doortocht was in Keulen, troonde hij haar mee naar het graf van Albertus Magnus, van wie hij wist dat het een van haar vroegere incarnaties was. Marie von Sivers – die het hart op de tong droeg – mopperde dan: weeral dat graf, hebben we dat nu nog niet genoeg gezien! Het kwam niet in haar op dat Rudolf Steiner haar iets wilde vertellen. Ze wilde het ook niet horen.  

Op een hoger niveau herkennen we in Rudolf Steiner de lijdende Visserkoning. Enerzijds was hij een koninklijke geest, de behoeder van de goddelijke graalgeheimen. Anderszijds was hij ‘een man van smarten’ die zwaar gebukt ging onder het lijden van de mensheid. Op datzelfde niveau herkennen we in Marie von Sivers en Ita Wegman twee stadia van de Parsifalweg. Marie von Sivers is de jonge Parsifal die onverwachts in de graalburcht terechtkomt en daar de Visserkoning ontmoet. Ze is zo onder de indruk van zijn grootheid dat ze zich, zoals het een ridder past, meteen in zijn dienst stelt. Omstreeks dezelfde tijd ontmoet ook Ita Wegman Rudolf Steiner, maar anders dan Marie von Sivers is ze niet onder de indruk en vervolgt haar eigen weg. Pas veel later komt ze terug in (antroposofische) graalburcht, maar ze is dan wel in staat de verlossende Parsifalvraag te stellen, omdat ze in de koninklijke Rudolf Steiner de lijdende mens herkent, haar metgezel, haar mensenbroeder. 

Dankzij dit oplichtende karmabewustzijn – dat in de mens zowel de ‘koning’ als de ‘broeder’ ziet – kan ze de fakkel van de stervende Rudolf Steiner overnemen en wordt ze de nieuwe ‘graalkoning’. Zo behandelt Rudolf Steiner haar ook: als ‘de leerling die hij liefhad’, als zijn opvolger. Maar deze kroning was tegelijk een kruisiging, dit hoogtepunt was tegelijk een nieuw begin. Ita Wegman, de oude ziel, wordt weer jong. Als een onstuimige Parsifal komt ze tegenover de oudere Marie von Sivers te staan. En ze faalt, ze verzuimt de vraag te stellen naar het lijden van deze koninklijke ziel. Als beide vrouwen met de auto terugkeren van de crematie van Rudolf Steiner – een wel zeer moderne versie van de graallegende – is Ita Wegman vol van de (koninklijke) taak die haar is toebedacht en ze heeft geen oog voor Marie von Sivers die door het sterven van Rudolf Steiner diep gewond is. Ze blijft blind voor het lijden van de ‘koningin’ en dat wekt verontwaardiging bij haar hofhouding: ze wordt zonder pardon uit de graalbrucht gezet.  

Zoals Ita Wegman destijds Rudolf Steiner niet herkende en daarvoor ‘gestraft’ werd met een eenzaam bestaan als dolende ridder, zo herkent ze nu ook Marie von Sivers niet en wordt andermaal ‘gestraft’ met een eenzaam bestaan buiten de antroposofische vereniging, veracht en bespuwd door de bewoners van deze graalburcht. Het is de herhaling van een oerbeeld, maar tegelijk de omkering ervan: de nieuwe graalkoningin had de oude van haar troon gestoten, maar ondergaat nu zelf dat lot. Dat maakt deel uit van haar nieuwe karmabewustzijn: ze wordt onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen van haar daden. Ze ondervindt aan den lijve wat het is om … Marie von Sivers te zijn en na een intense samenwerking met Rudolf Steiner aan de kant te worden geschoven. Maar ook Marie von Sivers beleeft nu wat het is om Ita Wegman te zijn en iemand ‘brutaal’ van zijn troon te stoten. Beide opponenten verwisselen als het ware van plaats en beleven de ander van binnenuit.

Wat beide vrouwen na de dood van Rudolf Steiner meemaken, is wat we na de dood allemaal meemaken. We beleven onszelf dan gezien door de ogen van de anderen. Wie zichzelf ooit ‘per ongeluk’ in de spiegel heeft gezien, zonder te beseffen dat hij naar zichzelf keek, weet hoe schokkend zo’n ervaring is. Na de dood van Rudolf Steiner hebben Marie von Sivers en Ita Wegman zichzelf gezien (en beleefd) met de ogen van de ander en dat moet hen diep geschokt hebben. Wat anders pas na de dood mogelijk wordt, onder leiding van ‘deskundige geesten’, moesten ze nu bij leven en op eigen kracht doormaken. Ita Wegman was zich van deze dimensie meer bewust dan Marie von Sivers. Ze reageerde dan ook niet op de vernietigende oordelen van deze laatste en haar hofhouding. Marie von Sivers had daar meer tijd voor nodig. Ita Wegman ‘worden’ moet voor haar een overrompelende ervaring zijn geweest. Maar ze overleefde het en stak uiteindelijk een verzoenende hand uit die Ita Wegman diep ontroerde. 

Wat zich tussen deze twee zielen heeft afgespeeld was een ‘openbare inwijding’, een moderne inwijding, een inwijding van de toekomst. Onder leiding van Rudolf Steiner hadden Marie von Sivers en Ita Wegman nog een oude inwijding ondergaan, want hoe modern de antroposofie ook was, ze bestond nog altijd bij de gratie van een grote ingewijde. In Rudolf Steiner dook het hele mysterieverleden van de mensheid in de openbaarheid op en werd er getransformeerd tot een mysterietoekomst. In die toekomst zullen mensen niet meer worden ingewijd door een ‘ster die uit de hemel is komen vallen’, ze zullen elkaar inwijden. Het oerbeeld daarvan zien we in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Alleen al het feit dat het allebei vrouwen zijn, geeft aan dat het oude ‘mannelijke’ inwijdingswezen een ingrijpende verandering heeft ondergaan. De intense dramatiek waarmee dat gepaard ging, geeft aan hoe ontzettend moeilijk het is om die stap van oud naar nieuw te zetten.

Toen men Ita Wegman eens vroeg hoe ze zo kalm kon blijven onder dat spervuur van beschuldigingen en scheldpartijen antwoordde ze: ach, dat is toch maar maya, op geestelijk niveau ziet het er allemaal heel anders uit. Wat we ons van de Grote Ruzie nog kunnen herinneren (via documenten en getuigenissen) ziet er op het eerste gezicht heel lelijk uit. Maar juist door die lelijkheid – de lelijkheid van de dood – onder ogen te zien en ons hart erdoor te laten beroeren (hoe pijnlijk en beschamend dat ook is) dringen we langzaam door tot de karmische dimensie van wat we liefst zouden vergeten. Er wordt dan een waarlijk ‘koninklijk’ oerbeeld zichtbaar: twee tegengestelde zielen die elkaar inwijden in de nieuwe mysteriën. En dat zijn karmamysteriën, openbare mysteriën die zich niet in de beslotenheid van een mysterietempel afspelen, maar in het dagelijks leven. Dat is het geheim van onze tijd: de hele wereld is een graalburcht geworden en wij zijn allemaal Visserkoningen en Parsifals, Marie von Siversen en Ita Wegmans. 

Antroposofie en karmabewustzijn (11)

  

Karma reikt van de hoogste geestelijke regionen tot de diepste aardse gebieden. Het is een kunstwerk dat de hele werkelijkheid omvat. Hoe begin je eraan om een onderwerp van die dimensies te bestuderen? Klein, heel klein. Rudolf Steiner maant ons aan het karma niet alleen met de grootst mogelijke eerbied te benaderen, maar ook onze aandacht te richten op wat hij ‘imponderabelen’ noemt: kleinigheden waar we geen gewicht aan toekennen. Laten we dat eens proberen met de gebeurtenissen na Steiners dood, want toen ontrolde zich een karma met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de antroposofische vereniging maar voor de hele wereld. Na de uitsluitingen van 1935 verklaarde Elisabeth Vreede dat de dam tegen het nationaalsocialisme nu was gebroken, en eerder al had Ita Wegman voorspeld dat Hitler aan de macht zou komen indien de antroposofen er niet in slaagden hun ruzies bij te leggen. Het loont dus de moeite om een blik te werpen op de karmische dimensie van deze noodlottige periode.

Het belang van wat zich tussen 1925 en 1935 afspeelde in de Antroposofische Vereniging kan moeilijk overschat worden, en toch moeten we de aandacht richten op details, op dingen die er schijnbaar niet toe doen. Zo’n detail was de ruzie waar het allemaal mee begon: Marie von Sivers en Ita Wegman kunnen het niet eens worden over de plaats waar de as van Rudolf Steiner moet komen. Banaler dan deze Urnenstreit kan het niet worden en toch was dit onnozele voorval het topje van een ijsberg die het antroposofische schip lek zou slaan. De kunst bestaat erin deze ijsberg – de karmische dimensie van het voorval – boven water te krijgen. Marie von Sivers wilde de as op haar kamer hebben, terwijl Ita Wegman vond dat ze voor iedereen toegankelijk moest zijn. De twee vrouwen benaderden de zaak respectievelijk vanuit een persoonlijk en bovenpersoonlijk standpunt. Karma verbindt beide standpunten, en dus kunnen we nu reeds concluderen dat de ruzie een gevolg was van gebrek aan karmabewustzijn. 

Marie von Sivers vertegenwoordigde het persoonlijke standpunt en deed dat op een persoonlijke manier. Ita Wegman vertegenwoordigde het bovenpersoonlijke standpunt, maar deed dat eveneens op een persoonlijke manier. Als zij zich werkelijk bewust was geweest van de karmische dimensie van het gebeuren, zou zij dan een ruzie geriskeerd hebben die zo’n verstrekkende gevolgen kon hebben? Zij moet toch, zoals iedereen, geweten hebben dat Marie von Sivers een emotionele, licht ontvlambare natuur had. Als ze haar de tijd had gegeven om de dood van haar echtgenoot te verwerken, dan zou ze na verloop van tijd zelf wel hebben ingezien dat de urne niet haar persoonlijke bezit kon blijven, en de fatale ruzie zou vermeden zijn. Maar dat deed Ita Wegman niet, ze volgde haar eigen natuur, zoals Marie von Sivers de hare volgde. Het resultaat was een botsing, niet alleen tussen twee zeer persoonlijke naturen, maar ook tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke. 

De urnen – merkwaardig genoeg waren het er twee – vormen een tweede imponderabele in deze geschiedenis. Ze kunnen beschouwd worden als een beeld van het verleden. Met dat verleden was Marie von Sivers veel sterker verbonden dan Ita Wegman. Ze was getrouwd geweest met Rudolf Steiner, ze had samen met hem aan de wieg gestaan van de antroposofie en ze had hun beider ‘kind’ gedurende 21 jaar zien opgroeien. Ita Wegman daarentegen was pas op het toneel verschenen toen het Goetheanum – de ‘samenvatting’ van het antroposofische verleden – in vlammen opging. Haar blik was op de toekomst gericht, zij stond aan de wieg van de nieuwe mysteriën die de plaats van de oude moesten innemen. Beide vrouwen belichaamden de grootst mogelijke tegenstellingen: persoonlijk en bovenpersoonlijk, verleden en toekomst, oude en nieuwe mysteriën, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung en de antroposofie van na de Weihnachtstagung. Er gaapte een diepe kloof tussen beiden. 

Een derde ‘imponderabele’ duikt tien jaar later op, wanneer Ita Wegman en Elisabeth Vreede uit de Vorstand worden gezet, vooral door toedoen van Marie von Sivers en Albert Steffen. Toevallig – of juist niet – zijn beide uitgeslotenen nuchtere, wetenschappelijke geesten (Wegman is arts en Vreede is wiskundige), terwijl de ‘uitsluiters’ kunstenaars zijn, gevoelige zielen (von Sivers is actrice en Steffen is dichter). De tegenstelling kunst-wetenschap die hier zichtbaar wordt, maakt het opnieuw een stuk begrijpelijker waarom zo’n banale ruzie zo’n enorme gevolgen kon hebben. Maar tegelijk maakt het de zaak ook een stuk complexer. Want het trekken van scherpe grenzen, het maken van onderscheid, het vasthouden aan de juiste methode, het uitzuiveren van een zaak, kortom al de factoren die zo’n grote rol speelden bij de uitsluitingen van 1935: horen die niet bij de wetenschappelijke geest? Toch treffen we ze hier aan bij de twee kunstenaars uit het bestuur. Hoe valt dat te verklaren?

De kloof tussen kunst en wetenschap maakt duidelijk dat het in deze kwestie om heel wat meer gaat dan een simpele tegenstelling. Het gaat om een polariteit. We komen er niet door alleen maar naar de verschillen te kijken, we moeten ook kijken naar wat beide partijen gemeen hadden. Marie von Sivers en Albert Steffen waren kunstenaars, maar ze gedroegen zich als wetenschappers, als mensen die het kaf van het koren scheiden. Ita Wegman en Elisabeth Vreede waren dan weer wetenschappers die zich gedroegen als kunstenaars: ze probeerden te verbinden, te verzoenen, te verenigen. Beide partijen droegen dus de polariteit kunst-wetenschap in zich, zij het op een geheel andere manier. Het was gebrek aan inzicht in de complexe relatie tussen kunst en wetenschap waardoor ze diametraal tegenover elkaar kwamen te staan. En dat was een gebrek aan karmabewustzijn, want karmabewustzijn is polariteitsbewustzijn: het impliceert niet alleen inzicht in wat de tegenpolen scheidt, maar ook in wat ze verbindt. 

Karmabewustzijn overstijgt het oude dualistische bewustzijn dat in louter tegenstellingen denkt. Maar dat betekent niet dat de tegenstellingen hun geldigheid verliezen, wel integendeel. Met de Weihnachtstagung roept Rudolf Steiner zelfs een nieuwe tegenstelling in het leven. Na afloop zegt hij dat iedereen ervan doordrongen moet zijn dat er een volledige heroprichting en vernieuwing van de Antroposofische Vereniging heeft plaatsgevonden. Er moet gebroken worden met oude gewoonten en er dient op een nieuwe manier te worden omgegaan met de antroposofische inhouden. Voortaan moet er ‘vanuit het hart tot het hart’ worden gesproken. Telkens weer komt Rudolf Steiner daar op terug. Hij laat er geen twijfel over bestaan: er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de oude antroposofie-van-het-hoofd en de nieuwe antroposofie-van-het-hart. Er kan dus geen sprake van zijn dat karmabewustzijn het denken-in-tegenstellingen afwijst. Het tegendeel is het geval.

Karmabewustzijn keert zich niet tegen het dualistische bewustzijn, het keert zich naar dat bewustzijn, als een pasgeboren kind naar zijn moeder. In de blik van dat kind ligt herkenning: het her-kent zijn moeder. Het dualistische bewustzijn waar het tot voor kort nog deel van uitmaakte, ziet het nu van aangezicht tot aangezicht, en het gaat er een intense relatie mee aan. Deze relatie doet de (door de moeder belichaamde) tegenstelling niet teniet, maar voegt er nog een tegenstelling aan toe: die tussen moeder en kind. Dat maakt van het karmabewustzijn een ‘driegeleed’ bewustzijn. We zouden ook kunnen zeggen dat het dualistische bewustzijn zich bewust wordt van zichzelf, het wordt wakker. Dat impliceert natuurlijk dat het in-tegenstellingen-denkende bewustzijn zoals we dat nu kennen, niet wakker is. Het ‘slaapt’ omdat het alleen de materiële wereld ziet en geen onderscheid maakt tussen materie en geest. Dat is de paradox van het dualisme: het maakt niet te veel maar te weinig onderscheid. 

Rudolf Steiner hamert er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Het grote probleem van onze tijd is dat we slapen, niet fysiek maar geestelijk: we nemen de geestelijke werkelijkheid niet waar. Dat komt doordat we de materiële werkelijkheid zo helder waarnemen, want beide waarnemingen – de materiële en de geestelijke – sluiten elkaar uit, zoals we ook niet tegelijk de zon en de sterren kunnen zien. Het is het een of het ander. Wakker worden, zoals Steiner het bedoelt, kan dus niet betekenen dat we ontwaken voor de (sterren)wereld van de geest en tegelijk inslapen voor de (zonne)wereld van de materie. Dat zou gewoon een omkering zijn en geen vooruitgang, wel integendeel. Wakker worden in de zin van Steiner, betekent dat we beide werelden tegelijk leren waarnemen, dat we ons bewust worden, niet van de geest naast de materie, maar van de geest in de materie. Karmabewustzijn is dus meer dan bewustzijn van de geest, het is bewustzijn van geest en materie. 

Juist omdat geest en materie elkaar in ons bewustzijn uitsluiten – wakker worden voor het één betekent inslapen voor het ander – is karmabewustzijn noodzakelijkerwijs een drieledig bewustzijn. Het kind dat na de geboorte tegenover zijn moeder komt te staan, neemt beide polen van haar wezen waar: de materiële (fysieke) pool en de geestelijke (innerlijke) pool. Maar die waarneming is nog in hoge mate dromerig. Zonder het te beseffen pendelt het kinderlijke bewustzijn tussen beide polen heen en weer, waardoor ze in elkaar vloeien. Het maakt nog geen echt onderscheid, noch tussen beide aspecten van zijn moeder, noch tussen zijn moeder en zichzelf. Naarmate dat onderscheidingsvermogen toeneemt, groeit ook zijn zelfbewustzijn. Wie zich bewust wordt van de tegenstellingen in de wereld, wordt zich ook bewust van de tegenstelling tussen zichzelf en de wereld. De mens dankt zijn ik-gevoel aan zijn dualistische bewustzijn, aan zijn vermogen om onderscheid te maken en zijn aandacht van de ene pool naar de andere te verplaatsen. Op die manier wordt hij wakker voor de wereld en voor zichzelf.

Het oerbeeld van dit vermogen om te (onder)scheiden is de geboorte: de mens maakt zich los van zijn moeder. Daardoor wordt hij een op zichzelf staand wezen. Het hele verleden van de mensheid kan gezien worden als één grote geboorte: het (ontzettend moeilijke en pijnlijke) zich losmaken uit het moederlichaam ofte de geestelijke wereld. Vandaag bevinden we ons op het keerpunt der tijden: de geboorte is voltooid en de mens moet opnieuw toenadering zoeken tot zijn geestelijke moeder, want geen enkele pasgeborene kan op eigen kracht overleven. Deze toenadering impliceert een enorme ommekeer: de krachten die moeder en kind gescheiden hebben, moeten plaatsmaken voor krachten die moeder en kind verbinden. Of nog: het hoofd, dat zich een weg gebaand heeft naar de vrijheid, moet plaats maken voor het hart dat verbinding zoekt. En dat gebeurt ook: op ieder gebied wordt vandaag verbeten naar verbinding gestreefd alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhangt.

En dat is ook zo: als de hoofdkrachten zich blijven verwijderen van de (moeder)geest dan gaat de mensheid ten gronde. Daarom zijn de verbindende krachten zo nietsontziend: het zijn blinde overlevingskrachten. Ze keren zich tegen datgene wat hun voortbestaan bedreigt: de (onder)scheidende hoofdkrachten die de mens tot een zelfzuchtig individu maken. Ze willen van de mens weer een groepswezen maken en leggen stelselmatig zijn vrijheid aan banden. Op fysiek vlak is dat een goede zaak, want daar hoort geen vrijheid te heersen. Maar de mens is ook een geestelijk wezen: zonder zin en betekenis kan hij niet leven. En die zin en betekenis liggen juist in zijn (geestelijke) vrijheid. Verdwijnt die vrijheid, dan heeft niet alleen zijn huidige bestaan geen zin meer maar ook zijn hele verleden. Al die tijd heeft de mens immers geleden omdat hij vrij wilde worden, en dat wil hij meer dan ooit. Daarom verzetten zijn (onderscheidende) hoofdkrachten zich uit alle macht tegen zijn (verbindende) hartkrachten: omdat ze allebei de mensheid willen redden.

Is dat niet precies waarom Marie von Sivers en Ita Wegman slaags raakten? Ze wilden allebei de antroposofische vereniging redden. Ze wilden precies hetzelfde, en ze beschikten over een buitengewoon sterke wil. Maar het was geen wakkere wil, ze waren zich onvoldoende bewust van de relatie tussen de onderscheidende krachten van het hoofd en de verbindende krachten van het hart. Het ontbrak hen met andere woorden aan onderscheidingsvermogen, niet het gewone onderscheidingsvermogen van het hoofd, maar een ‘hoger’ onderscheidingsvermogen van het hart dat zich bewust wordt van de relatie tussen beide. De ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman was een oerbeeld dat inmiddels de hele wereld in zijn greep heeft gekregen en als het ware schreeuwt om aandacht. Het drukt zich uit in vechtscheidingen op ieder gebied en vraagt steeds nadrukkelijker om toegang tot ons bewustzijn. Het klopt steeds luider aan onze deur. 

Antroposofie en karmabewustzijn (10)

  

Ik herinner me nog … Zo beginnen veel verhalen van oude mensen. Hun toekomst wordt steeds kleiner en daarom wenden ze zich naar het verleden. Paradoxaal genoeg is deze terugblik tegelijk een voorbereiding op de toekomst, want na hun dood zullen ze zich pas echt met hun voorbije leven gaan bezighouden. Ze zullen het helemaal opnieuw bekijken en beleven, maar dit keer als buitenstaander, als een kunstcriticus die een schilderij beoordeelt. Het is echter wel hun eigen ‘schilderij’ dat ze bekijken, hun eigen levenskunstwerk. Je kunt het vergelijken met het moment waarop een leerling een werkstuk voltooid heeft en de leraar zegt: laten we dat nu eens samen bekijken! Hij wijst de leerling op fouten waarvan hij zich geen rekenschap gaf, maar ook op kwaliteiten waarvan hij zich niet bewust was. Op die manier – onder deskundige leiding – vormt de mens zich na zijn dood langzaam een objectief oordeel over zijn leven. Tegelijk groeit in hem het verlangen om het opnieuw te proberen.

Voor jonge mensen is het heel moeilijk om naar hun eigen leven te kijken. Je kunt nu eenmaal niet kunstenaar en criticus tegelijk zijn. Het scherpe oordeelsvermogen van de criticus verlamt het scheppingsvermogen van de kunstenaar, en omgekeerd. Een kunstwerk kan pas beoordeeld worden wanneer het af is. Met het levenskunstwerk is dat pas het geval na de dood. De teerlingen zijn dan geworpen, er valt niks meer te veranderen, en de mens kan eindelijk afstand nemen van zijn leven. Maar dat alles kondigt zich reeds tijdens de ouderdom aan. Herinneringen duiken op en vragen om aandacht. Steeds weer schuiven ze aan het innerlijk oog voorbij en willen gezien worden. Zonder het te beseffen bereiden oude mensen zich voor op het grote karma-onderzoek dat hen ‘aan gene zijde’ te wachten staat. Ze zullen hun leven daar grondig analyseren, niet enkel met een scherp oordelend verstand, maar ook met een intens meelevend hart. Beide zullen daar tot één enkel vermogen worden. 

Dit post-mortemvermogen heeft de moderne mens steeds meer reeds tijdens zijn leven nodig. Het louter verstandelijke oordeelsvermogen is niet langer opgewassen tegen de complexe problemen van onze tijd, en het emotioneel reagerende hart spreekt zichzelf voortdurend tegen en veroorzaakt chaos en verwarring. Karma-onderzoek dringt zich op. Het is de enige manier waarop de mens nog kan voorkomen dat hij het noorden verliest, en dat is nu toch wel duidelijk aan het gebeuren. Je zou kunnen zeggen dat we terug naar de (menselijke) natuur moeten, maar dit keer op een veel bewustere manier. Het karmaonderzoek waar de ouderdom ons op een natuurlijke, instinctieve en dromerige manier toe brengt, moeten we wakker en doelbewust opnemen. Dat is trouwens waar Rudolf Steiner steeds weer toe oproept: wakker worden. Het is zeker geen toeval dat hij karmaonderzoek in verband brengt met het voortbestaan van de beschaving. Het gaat om de redding van de ziel …

Maar genoeg theorie, laat ik de daad eens bij het woord voegen. Ik herinner me nog … de voorstelling in Den Haag van de vertaling van Hans Peter van Manens Christussucher und Michaëldiener. We waren de stad binnengereden door onder een mastodontisch gebouw een tunnel in te duiken en ik had het gevoel opgeslokt te worden door een groot monster. Toen we weer bovenkwamen bleek Den Haag het toneel van een grote marathonloop en het was geen sinecure om de overkant van de straat te bereiken. Als ik daar nu aan terugdenk, waren het stuk voor stuk beelden die een aspect van het zielenthema illustreerden. Dit thema heeft veel weg van een marathon: er lijkt geen eind aan te komen. Tegelijk is het een ontmoeting met de dubbelganger: je zit in de ingewanden van een monster en zoekt de uitweg uit dat labyrint. En wie aan karmaonderzoek doet, probeert ‘de overkant’ te bereiken. Maar daar dacht ik toen allemaal niet aan. Ik keek vooruit. Mijn vertaling was net verschenen en ik was vol goede hoop.

IJdele hoop, zo zou blijken, en ik had het kunnen weten. Het grote, statige gebouw aan de Riouwstraat – het hoofdkwartier van de antroposofische vereniging in De Haag – maakte van binnen een uitgeleefde indruk. Nu ja, dat krijg je met gebouwen die echt gebruikt worden. Maar wat me pijnlijk trof, was dat ergens verloren in een donkere gang, op een sokkel die ieder moment omver kon worden gelopen, het bronzen portret stond van Willem Zeylmans van Emmichoven. Ik kende dat portret toevallig – in Gent hebben ze ook een exemplaar – anders had ik misschien niet geweten wie het voorstelde. Ik kende ook de maker, de Antwerpse beeldhouwer René Smits, die me wel eens verteld had over zijn gesprekken met Willem Zeylmans terwijl hij poseerde. Zeylmans was niet de eerste de beste: oprichter van de antroposofische vereniging in Nederland en naaste medewerker van Rudolf Steiner. Bovendien was hij een medestander van Ita Wegman en een onvermoeibaar propagandist van de Weihnachtstagung

Ik vond dat zo’n man beter verdiende. Nu ik eraan terugdenk komt de gedachte in me op dat de verwaarlozing van zijn portret wel eens een beeld zou kunnen geweest zijn van een veel grotere verwaarlozing: die van de Weihnachtstagung en het karmabewustzijn. Intussen heb ik vernomen dat het huis aan de Riouwstraat helemaal gerenoveerd is. Het heeft ook een nieuwe naam gekregen: het Elisabeth Vreedehuis. En in Dornach wordt geijverd voor de officiële rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Allemaal heel mooi, zij het wel rijkelijk laat, want binnenkort zal het 100 jaar geleden zijn dat beide (door Rudolf Steiner zelf gekozen) vrouwen uit de Vorstand werden gezet. Wat ik me echter afvraag: wat is er gebeurd met dat portret van Willem Zeylmans? Heeft het eindelijk de ereplaats gekregen die het verdient, of is het in de kelder terechtgekomen? Dat laatste zou wel een veeg teken zijn, want het is ook het lot van het karmabewustzijn. 

Die beelden zijn natuurlijk bijkomstigheden waar doorgaans geen aandacht wordt aan geschonken. Maar volgens Rudolf Steiner vormen juist die bijkomstigheden – imponderabiliën noemt hij het – de sleutel tot het karma. God verbergt zich in de details. Heeft men dit detail – het portret van Willem Zeylmans – over het hoofd gezien bij de herinrichting van het huis aan de Riouwstraat? Ik hoop van niet, maar ik vrees ervoor. Ik heb net een petitie getekend voor de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en het verbaasde me dat zoiets überhaupt nodig was. Spreekt het niet vanzelf dat men de fouten uit het verleden probeert te herstellen? Maar als de dubbelganger er zich mee moeit, is niets nog vanzelfsprekend. Wie hem eens aan het werk wil zien, moet het fameuze ‘Denkschrift’ lezen dat de inleiding vormde tot die uitsluitingen van 1935. Het is opgenomen in het 3de deel van ‘Wer war Ita Wegman‘, de inmiddels 25 jaar oude poging tot rehabilitatie van Ita Wegman door Emanuel Zeylmans, zoon van Willem Zeylmans. 

Dit ‘Denkschrift’ heeft zelfs iemand als Friedrich Rittelmeyer om de tuin geleid. Dubbelgangers zijn dan ook doortrapte wezens. Ze gaan ongeveer als volgt te werk. Hun doel is macht en dus beschuldigen ze mensen ervan … de macht te willen grijpen. Verdedigen die mensen zich en zeggen ze dat het precies omgekeerd is, dan reageert de dubbelganger verontwaardigd: ze willen de macht grijpen en wie zich daartegen verzet beschuldigen ze ervan … de macht te willen grijpen! Resultaat: twee partijen die elkaar van exact hetzelfde beschuldigen en niemand die nog weet wie gelijk heeft. Want hoe kom je achter de waarheid? Door de feiten te controleren. Maar wat als je die feiten niet kent en moet voortgaan op wat anderen vertellen? Hoe weet je of hun weergave van de feiten juist is? Dit is gewoonlijk het punt waarop men partij kiest voor de mensen die men persoonlijk kent. Toen het ‘Denkschrift’ verscheen kenden weinig mensen de ware toedracht van de zaak, en dus kozen ze partij. Zo raakte de antroposofische vereniging verdeeld in twee kampen.

Vandaag blijft er niemand meer over die de feiten uit eerste hand kent. We zijn helemaal aangewezen op geschreven verslagen, verhalen en getuigenissen. Emanuel Zeylmans heeft duizenden documenten bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat Ita Wegman ten onrechte gedemoniseerd werd. Maar hij is de zoon van Willem Zeylmans en die was een overtuigd medestander van Ita Wegman. Hoe kunnen we weten of hij zich daar niet door heeft laten beïnvloeden? En dan is er nog iets. Als hij gelijk heeft en Ita Wegman ten onrechte werd uitgesloten, dan betekent dat dat haar opponente, Marie von Sivers, ongelijk had en nog geen klein beetje. Wie leest hoe ze tekeer ging tegen Ita Wegman kan niet anders dan concluderen dat ze haar verstand verloren had. Maar ze was de vrouw van Rudolf Steiner! Bovendien was het ‘Denkschrift’ ondertekend door 12 vooraanstaande antroposofen en was er een overweldigende meerderheid vóór de uitsluitingen. Hadden al die mensen dan hun verstand verloren?

Als de dubbelganger in het spel is, ontstaat er een kluwen waar zelfs een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Waarheid en leugen vallen niet meer van elkaar te onderscheiden, tenzij door het hart. On ne voit bien qu’avec le coeur. Maar het moet dan wel een bijzonder sterk hart zijn, een hart dat zich niet laat verblinden door emoties en dat even helder kan onderscheiden als het hoofd. Om zo’n ‘wakker’ hart te ontwikkelen zijn er geen betere manieren dan kunst- en karmaonderzoek. Die twee komen trouwens op hetzelfde neer, want karma is een kunst, de grootste die er is. Er gaat dan ook veel tijd overheen om op dit gebied helderheid te krijgen. Ars longa vita brevis, en dat geldt zowel voor het scheppen als voor het beoordelen. Na bijna 100 jaar is nu wel duidelijk geworden dat de uitsluitingen van 1935 onterecht waren. Daar kunnen tal van argumenten voor aangevoerd worden, maar uiteindelijk is het toch het hart dat oordeelt: je voelt dat het ‘Denkschrift’ grondig fout zit, je voelt dat vader en zoon Zeylmans het bij het rechte eind hadden. 

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Tijd en karma hebben wel hun werk gedaan, maar het onze moet nog beginnen: we moeten dat karma leren begrijpen, we moeten voorkomen dat het zich herhaalt. Want dat laatste gebeurt nog altijd: er worden nog altijd mensen uitgesloten, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Waar zijn de miljoenen die volgens Rudolf Steiner voorbestemd waren om antroposoof te worden? Het aantal leden van de antroposofische vereniging blijft maar dalen, en de gemiddelde leeftijd blijft maar stijgen. Hoe kan zo’n ‘verschrompelende’ antroposofie iets betekenen voor de ontelbaren die nood hebben aan haar inzichten? Ze worden weggejaagd door de antroposofische dubbelganger, het onzichtbare wezen waarvan antroposofen zich niet (of veel te weinig) bewust zijn. Daarom is karmaonderzoek dringender dan ooit. Het eigen antroposofische karma moet onderzocht worden, met name dan het karma van de uitsluitingen van 1935, want toen dook de dubbelganger reuzengroot op.