Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: antroposofie

Hemelvaart (4)

  

Wat gebeurde er tussen Hemelvaart en Pinksteren? Dat weten we niet, maar we kunnen er ons wel iets bij voorstellen. Na de dood van hun meester moeten de leerlingen diep geschokt zijn geweest. Hij had hen weliswaar voorspeld dat hij zou sterven, maar weten dat iets zal gebeuren is één ding, het zien gebeuren een ander. Toen Christus uit de doden verrees, waren ze ongetwijfeld vervuld van vreugde, maar dat betekende nog niet dat hun ziel geheeld was. Daarvoor was ze te diep ontredderd. Wel deed de aanwezigheid van de Verrezene hen tijdens de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart boven zichzelf uitstijgen. Ze raakten niet in extase zoals in oude tijden, maar ze werden toch opgetild. 

Toen Christus op Hemelvaart in de wolken verdween, vielen ze weer op zichzelf terug. Hun bewustzijn nam opnieuw zijn normale proporties aan en alle geschoktheid, verbijstering en verdriet kwamen terug. Iets dergelijks gebeurde ook na de dood van Rudolf Steiner. Zijn geweldige geest had zijn leerlingen boven zichzelf doen uitstijgen, hij had hun hoger Ik wakker gemaakt. Maar toen hij stierf, viel het weer in slaap. De gevolgen zijn bekend: er ontstond ruzie en de vereniging werd helemaal lam gelegd. Voor dit beschamende gedrag is maar één acceptabele uitleg: Steiners dood maakte de weg vrij voor de tegenmachten. Zonder zijn beschermende aanwezigheid konden ze een frontale aanval openen op zijn leerlingen.

Zou iets dergelijks ook niet gebeurd zijn tijdens de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren? De tegenmachten, die op Goede Vrijdag nog meenden gezegevierd te hebben, bleken met Pasen het pleit verloren te hebben. Dat moet hen woedend hebben gemaakt. Zolang Christus nog bij zijn leerlingen was, konden ze niks doen. Maar daarna hebben ze ongetwijfeld geprobeerd hun slag te slaan. Tussen Hemelvaart en Pinksteren werd het bewustzijn van de leerlingen verduisterd en opende zich in hun ziel een diepe kloof die ze slechts met de grootste inspanning konden overbruggen. Het was de kloof tussen de etherische wereld (waarin Christus verdwenen was) en hun eigen (ontredderde) astrale wereld, een kloof die met demonen was gevuld. 

Is dat ook niet de kloof waarvoor de moderne mens vandaag staat nu Christus spoorloos (uit de samenleving) is verdwenen? Zoder dat hij het beseft, is het leeg geworden in zijn ziel en verlangt hij hevig naar wat hij kwijt is geraakt. Maar hij kan de stille stem van Christus niet onderscheiden van de luide stemmen die uit de afgrond opklinken. Daarvoor ontbreekt het hem aan innerlijke rust en reflectie. Hij is steeds minder in staat om een weloverwogen oordeel te vormen en het kaf van het koren te scheiden. Ahriman bestookt hem met (materialistische) leugens, Lucifer doet hem keer op keer ‘ontploffen’, en samen zorgen ze ervoor dat de mens zijn evenwicht niet vindt en van het ene uiterste in het andere valt. 

Voor eenzelfde kloof kwam ik omstreeks Hemelvaart te staan. Dankzij het uitzonderlijk mooie weer had ik zowat de hele lente in mijn tuin kunnen werken en dat voelde aan als een staat van genade. Vroeger was ik altijd een machteloze toeschouwer bij de lente. Ik zag dan ook heel erg op tegen haar komst en dacht ieder jaar weer: laat deze kelk aan mij voorbijgaan! Maar dit jaar was het anders. Voor het eerst kon ik meewerken aan de ‘bevalling’ van de natuur: ik was niet enkel vader meer, ik was ook moeder geworden. Het deed behoorlijk pijn – met een rug als de mijne is werken in de tuin geen sinecure – maar ik had het er graag voor over. Liever (dit soort) fysieke pijn dan de zielepijn van de onvruchtbaarheid. 

Ik voelde me dus als uit de doden verrezen. Na de kwellingen van het jarenlange vergeefse zoeken naar een huis kwam Scheldewindeke als een verlossing. De maanden die volgden waren één lange paastijd: alles was nieuw. Eindelijk was het ook lente in mezelf! Er was een brug geslagen tussen mijn ziel en de wereld. Maar toen Hemelvaart kwam, stortte ze weer in. De ‘genade’ verdween. De eerste barsten waren reeds ontstaan toen ik netten moest spannen om de vogels te beletten mijn aardbeien en bessen op te eten. Ik gunde die vogels heus wel iets, maar men had me gewaarschuwd: ze laten niet één vrucht hangen! Dat wilde ik niet riskeren en dus begon het geworstel met die akelige plastic netten.

Het werd nog erger toen ik mij realiseerde dat ik, als ik wilde plukken, die netten telkens weer moest verwijderen en opnieuw aanbrengen. Daar had ik niet aan gedacht. Wat een hoogtepunt had moeten worden, werd daardoor een dieptepunt. En dat was slechts één aspect van de omslag die plaatsvond omstreeks Hemelvaart. Er steeg een soort weerzin tegen al dat tuinieren in me op. Opeens had ik er genoeg van. Het leek me dat er een cyclus afgelopen was, dat alles nu moest groeien en rijpen, en dat ik me moest beperken tot algemeen onderhoud. Als om dat te bevestigen, begon het onkruid overal wild op te schieten. De natuur gaf dus zelf aan wat er gedaan moest worden. Maar ik luisterde niet.

De oorzaak was een combinatie van enthousiasme en onwetendheid. Ik had me laten meeslepen door zaai- en kweekgenot. Als gevolg daarvan stond mijn serre vol met plantjes die ik wekenlang met moederlijke zorg omringd had. Die kon ik toch niet allemaal op de composthoop gooien? En dus ging ik in tegen het gevoel dat ik los moest laten, dat ik afstand moest nemen. Het veroorzaakte chaos in mijn ziel: ook daar begon het onkruid nu wild te woekeren en algauw zag ik er geen gat meer aan. Ik had de zaken niet langer onder controle. Ik begon me te ergeren aan het lawaai van spelende kinderen, van krassende kauwen, van ronkende landbouwmachines. Nee, dit was geen hemel op aarde meer. 

Tijdens dat omslagmoment nam ik de zomer-in-de-lente waar. Merkwaardig genoeg gebeurde dat tijdens een autorit op weg naar mijn ouders, die in zekere zin een ‘terugkeer naar de Vader’ was. Voor het eerst in mijn leven kon ik met mijn vader – een hartstochtelijk tuinier – een gesprek voeren over tomaten en aardbeien. In extremis raakten onze interesses elkaar. Als om die terugkeer te bekrachtigen, bleef de ‘zomer’ aanhouden. De hele week was het verstikkend warm. Geen weer om buiten te werken. En dus maakte ik van de gelegenheid gebruik om na te denken over mijn Hemelvaartwaarneming, want hoe onaanzielijk ze op het eerste gezicht ook leek, ze bleef in mijn bewustzijn hangen. 

Aanvankelijk ging het vrij vlot. Ik maakte een korte schets van christelijke en antroposofische opvattingen over Hemelvaart en vergeleek die met de gang van de seizoenen. Maar toen ik de zaak wilde omdraaien en niet van abstracte ideeën uitgaan maar van (de waarneming van) de natuur zelf, keerde het tij. De moed zonk me opeens in de schoenen. Het werd donker in mijn ziel en voor mij opende zich een afgrond waarvan ik dacht: hier kom ik nooit overheen! Het was een soort herhaling van wat ik net in de tuin had meegemaakt. Tot overmaat van ramp viel ook nog eens mijn iPad uit, mijn electronisch schrijfinstrument. Wat ik ook deed, op welk knopje ik ook drukte, het scherm bleef zwart.

Intussen was het Pinksteren geworden, maar van verlichting was geen sprake. Wel integendeel, de zomer veranderde opeens in herfst. Er stak een storm op. Als een bezetene rukte de wind aan alles wat boven de grond uitstak. De plastic serre die ik in de gauwte geïmproviseerd had voor mijn wachtende tomatenplantjes, werd in een oogwenk gesloopt. De onderdelen lagen over de tuin verspreid, samen met afgerukte takken en vruchten. Wat een tempeest! Zoals de ‘zomer’ een week had geduurd, zo bleef ook de wind dagenlang razen, zonder ook maar één moment te gaan liggen. Verbaasd keek ik naar al dat natuurgeweld. Wat was hier aan de hand? Dit was echt geen (Schelde)windeke meer.

Extreme hitte, stormwinden, hooikoortsaanvallen, iPad in panne, chaos in mijn ziel. Nadat ik (bij wijze van spreken) maandenlang één was geweest met de wereld om me heen, werd ik er nu helemaal van afgesloten. Ik viel als het ware terug in mijn vorig leven. Maar tegelijk ontstond in mezelf de verbeten wil om mijn beschouwingen over Hemelvaart voort te zetten. Vanuit de chaos – zowel buiten als binnenin mezelf – baande ik mij weer een weg naar boven, stap voor stap, dag na dag. Met veel moeite klom ik uit de kloof waarin ik zo onverwacht gevallen was. En toch had ik het gevoel dat ik ‘gedragen’ werd, dit keer niet door de natuur maar door de geest. Ik beleefde als het ware mijn eigen kleine Pinksteren. 

Daarmee ben ik aan het eind van deze beschouwingen gekomen. Ik heb ze geschreven op mijn oude iPad, die het nog altijd prima doet (en alleen de WordPress-app niet meer kan draaien). Toen hij me door het moeilijkste heen had geholpen, begon mijn nieuwe iPad als bij wonder opnieuw te werken én hield het buiten op met stormen. Alles keerde weer terug naar het oude, maar niet helemaal. Ik had Hemelvaart en Pinksteren, twee feesten die ik – net als de meeste mensen – al lang niet meer vier, op een nieuwe manier beleefd. Dat was deels een geschenk, deels het resultaat van mijn eigen inspanningen. En dat ervaar ik als een oerbeeld. Onze tijd heeft meer dan ooit nood aan de Heilige Geest. Maar hij komt niet vanzelf, toen niet en nu niet. 

Hemelvaart (3)

  

Hemelvaart volgt 40 dagen na Pasen. Die tijdspanne is enerzijds een concrete tijdsaanduiding van wat zich 2000 jaar geleden (op fysiek vlak) in Palestina heeft afgespeeld. Anderzijds heeft ze ook een oerbeeldkarakter: ze verwijst naar een geestelijke kwaliteit die zich uitdrukt in een bepaald ritme. Zo staat het getal 40 voor een cyclus die afgelopen is, een ontwikkeling die doorgemaakt is, een cirkel die rond is. Tenminste, dat las ik ergens toen ik aan het 40ste nummer van Het Vijgeblad was toegekomen. Dat was meer dan een abstract gegeven, het was ook – en vooral – iets wat ik ‘aan den lijve’ ondervond. Na 4 jaar had ik het gevoel dat ik mezelf begon te herhalen. Bovendien maakte mijn rug me pijnlijk duidelijk dat het geen goed idee was om voort te doen. Het was genoeg geweest. En dus zette ik er een punt achter.

Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Het is precies 4 jaar geleden dat ik begon met Vijgen na Pasen en opnieuw speelt mijn rug me hevig parten. Het gevoel mezelf te herhalen is er dit keer niet, wel het inzicht dat ik in de grond altijd over hetzelfde schrijf en dat het ook niet anders kan. Ieder mens heeft zijn specifieke taak in het leven en de mijne lijkt te zijn erachter te komen wat ik wil. Volgens Rudolf Steiner heeft een mens alles wat hem overkomt, zelf gewild. Je karma bestuderen, is dus proberen je eigen wil te doorgronden. Het is zoeken naar je eigen Ik, en daarmee ook naar Christus, het grote mensheids-Ik en tevens ‘heer van het karma’. Dat kan wel kloppen met het feit dat ik als oude ziel een ‘Christuszoeker’ ben. Mijn zoektocht is nog lang niet ten einde, maar er is wel opnieuw een cyclus afgelopen. 

Ook de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen was het eind van een cyclus: ze voerde me terug naar mijn jeugd, toen ik karikaturen begon te tekenen. Ook dat was een zoektocht naar het Ik: het Ik van andere mensen (dat ik in m’n tekeningen zichtbaar wilde maken), het eigen Ik (dat ik in het tekenen – en eigenlijk alleen daar – beleefde), en ten slotte het mensheids-Ik Christus (wiens aangezicht de grootste gemene deler was van al individuele gezichten). Daar was ik me nooit bewust van geweest, maar nu begon die driegeleding me opeens te dagen. Aan het eind van mijn leven zag ik onverwachts het begin weer opduiken. Het was wel nog niet helemaal het eind en ook niet helemaal het begin, maar er was toch onmiskenbaar een cirkel rond. De conferentie sloot een cyclus af met de bewustwording ervan. 

Er werden nog meer cyclussen afgesloten. Zoals een 7-jaarscyclus. Ik word dit jaar 63 en begin dus aan mijn 10de zevenjaarsperiode. Die leeftijd is, naar verluidt, het begin van de voorbereiding op de dood. Ik begrijp dat als een terugblikken op het leven, want dat is toch waar een mens na de dood mee bezig is: het herbeleven en doorgronden van zijn voorbije leven? Zelf ben ik daar al veel vroeger mee begonnen – een autist leeft sowieso een beetje als een dode – dus zoveel verschil zal het niet maken. Maar toch is er iets veranderd. Brugge was een laatste poging om iets nieuws te beginnen in mijn leven. Dat zit er nu niet meer in, dat voel ik duidelijk. De mislukking van mijn marktloopbaan was een eindpunt, het afsluiten van een levenscyclus. Het ‘scheppende’ deel van mijn leven is voorbij, nu begint het (terug)kijken en oordelen.

Uiteraard was dat kijken en oordelen er voordien al. Een kunstenaar neemt tijdens het scheppen regelmatig afstand van zijn werk, maar nooit zoveel dat hij er los van komt. Dat laatste gebeurt pas wanneer het klaar is: dan wordt de navelstreng doorgeknipt. Uiterlijk is dat een kleine stap, maar innerlijk verandert er heel veel. De kunstenaar wordt nu toeschouwer en begint fouten en gebreken te zien die hij voordien niet zag. Hij ontwaakt uit de droom en dat komt soms hard aan. Ieder mens is de schepper van zijn eigen leven en als hij aan zijn 10de zevenjaarsperiode begint, moet hij de omslag naar het toeschouwerschap maken. In mijn geval werd dat nog eens extra beklemtoond doordat ik met pensioen ging. Uiterlijk veranderde er niets – ik was al lang ‘gepensioneerd’ – maar innerlijk was het toch duidelijk voelbaar.

Voor de meeste mensen is met pensioen gaan wél een grote verandering. Dat was het voor mij ook toen ik 30 jaar geleden besloot mijn leven ‘aan de kunst te wijden’. Ik kwam in een parallel universum terecht: ik hoorde er niet meer bij. De volgende vijf jaar vulde ik – zoals zoveel gepensioneerden – met een frenetieke activiteit die op hard werken leek maar in werkelijkheid ‘compenserend gedrag’ was. Pas toen ik begon te schrijven, kwam ik een beetje tot rust, want ik deed wat een gepensioneerde hoort te doen: reflecteren, beginnen met het ‘herkauwen’ van mijn leven. Daar was ik nog veel te jong voor en ik bleef dan ook pendelen tussen scheppen en oordelen. Maar nu ik 63 word en officieel met pensioen ben, heb ik het gevoel dat er genoeg afstand is ontstaan om werkelijk reflecteren mogelijk te maken.

Tegelijk begint het mij ook te dagen dat de moderne mensheid als geheel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een scheppende cyclus is afgelopen en de tijd is gekomen om te reflecteren. Maar dat keerpunt wordt genegeerd. Men doet alsof er niks aan de hand is en het leven gewoon doorgaat. Het gevolg is dat scheppen verandert in vernietigen. Wat in de geest moet gebeuren – reflecteren is een vorm van vernietigen (van levenskrachten) – gebeurt in de materie. Dat zien we zowel in de kunst als in de werkelijkheid: er vindt een explosie van geweld plaats, geweld dat wordt toegejuicht als was het het ontstaan van een nieuwe wereld. Maar die nieuwe wereld kan er nooit komen als de mens niet tot bezinning komt over de voorbije 2000 jaar, als hij daarover niet gaat reflecteren en zich een beeld vormt van wat er in dat ‘voorbije leven’ is gebeurd. 

Wat ik vandaag (en eigenlijk al m’n hele leven) in het klein meemaak, maakt de mensheid ook in het groot mee: de omslag van scheppen naar reflecteren. Daarom spreekt Rudolf Steiner ook over het Keerpunt der Tijden, een uitdrukking die hij zowel gebruikt voor de gebeurtenissen in Palestina 2000 jaar geleden, als voor onze tijd. Wat destijds op fysiek gebied gebeurde, moet nu op etherisch gebied gebeuren: het sterven van de levenskrachten en het verrijzen van het inzicht. Het eerste keerpunt vond in de materie plaats, het tweede dient in de geest plaats te vinden, in het bewustzijn van de mens. Daar is het dat we Christus moeten navolgen en ‘sterven’: we moeten erkennen dat er na die 2000 jaar scheppend werk voorlopig niks nieuws meer zal komen. Een werk (of cyclus) is af en moet nu beoordeeld worden. 

Pas als we ontwaken uit onze scheppingsroes (die meer en meer een vernietigingsroes wordt), zal de nodige afstand ontstaan om te reflecteren over die voorbije beschavingscyclus, om er de essentie uit te puren en mee te nemen naar een volgende cyclus. We moeten leren ‘met pensioen’ te gaan in plaats van onszelf blindelings in een frenetieke activiteit te storten. Hoe beschamend is het niet dat we in een wereld die volgestouwd is met machines die het werk van de mens overnemen, alsmaar harder en langer moeten werken! We raken op ons 30ste al ‘opgebrand’ maar de pensioengerechtigde leeftijd blijft opschuiven. Die vorm van krankzinnigheid is het gevolg van het onvermogen om ‘het keerpunt’ onder ogen te zien, om te erkennen dat er een tijdperk voorbij is, een cyclus afgelopen.  

Het grote weerspiegelt het kleine, het algemene het persoonlijke. Dat maakt het des te boeiender om aandachtig te kijken naar wat ik momenteel meemaak bij deze ommekeer in mijn leven. De opvallendste omslag was de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke. Na 21 jaar autolawaai woon ik nu in de stilte van het platteland. Zowel die stilte als dat platteland zijn zeer relatief, maar het verschil met vroeger is toch groot. Het is hetzelfde verschil als tussen het scheppen (op aarde) en het reflecteren (na de dood). Is het moderne leven niet één lange autorit: druk, snel, stresserend en lawaaierig? En heerst na de dood niet de rust en de stilte van ‘de buiten’? Hier in Scheldewindeke heb ik mezelf ‘begraven’. Ik kom mijn huis niet meer uit en onderhoud alleen nog via deze blog contact met de wereld.  

Ik ben als het ware van de aardbodem verdwenen, maar tegelijk ben ik er meer mee verbonden dan ooit. Want ik ben nu tuinier. Mijn hele leven heb ik me beziggehouden met ‘geestelijke’ zaken, maar nu wroet ik in de grond, plant sla en aardappelen, prei en selder, tomaten en aardbeien. Zowat iedere dag van de afgelopen lente heb ik buiten in de zon doorgebracht. Mijn rug en knieën protesteren daar hevig tegen, maar mijn ziel ziet een langgekoesterde wens in vervulling gaan. Ofschoon ik met volle overtuiging voor de kunst heb gekozen en daar nooit één moment spijt van heb gehad, heb ik het werken in een tuin altijd als een gemis ervaren. Ik had me dan ook al voorgenomen om in een volgend leven tuinier te worden. En zie, ik krijg daar al een voorproefje van!

Eindelijk ben ik verlost van het autolawaai dat me 21 jaar gekweld heeft. Ik voel me bevrijd uit een onderwereld vol razende demonen. Dat is natuurlijk een dichterlijke overdrijving, maar Scheldewindeke is in menig opzicht toch een hemel vergeleken bij Destelbergen: de rust, de stilte, het groen, de zuivere lucht, het degelijke huis, de grote tuin, en last but not least: de zon. De afgelopen jaren zat ik rond deze tijd van het jaar te kleumen naast de brandende kachel terwijl buiten de auto’s voorbijraasden. Nu leef ik al maanden in het licht van de zon en de stilte van de natuur. Ik heb een figuurlijke Hemelvaart beleefd: ik ben teruggekeerd naar de Vader, naar de wereld van de eeuwige zomer, maar tegelijk heb ik me verbonden met de aarde, met haar leven, haar ritmen en seizoenen. 

Aanvankelijk verzuchtte ik: waren we hier maar vroeger komen wonen, alles zou dan heel anders zijn geweest! Dat laatste is zeker waar, maar zou ik het ook werkelijk gewild hebben? Als autist heb ik het leven op aarde altijd ervaren als een verblijf in de onderwereld (met gelukkig af en toe een paar vrije dagen). Maar in die ‘onderwereld’ heb ik wel veel geleerd: ik heb er leren tekenen en schrijven, en ik heb er de antroposofie leren kennen. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als ik van jongs af in Scheldewindeke had gewoond en in de tuin had kunnen werken. De natuur zou me dan (zoals ik dat nu ondervind) volledig in beslag hebben genomen. Ze laat weinig ruimte voor ‘geestelijke’ dingen. De geest moet veroverd worden op de natuur en dat houdt een doodsproces in, een doodsproces dat ik heb gewild, dat lijdt geen twijfel. 

Mijn bestaan op aarde was één lange leerschool, want werken heb ik nauwelijks gedaan. Leven ook niet. Ik heb (of ben) hoofdzakelijk ‘gestorven’. Dat geldt overigens niet alleen voor mij. Vroeger leefde de mens veel dichter bij de natuur en haar eeuwig terugkerende ritmen en seizoenen. Hij werd er nagenoeg volledig door in beslag genomen en tijd voor bewustwording was er nauwelijks. Dat is vandaag heel anders: de mens is vervreemd van de natuur, hij is veel bewuster maar ook veel ‘doder’ geworden. Een uitzondering ben ik dus niet, hoogstens een karikatuur. We zijn vandaag allemaal meer dood dan levend, en in die zin lijken we op de leerlingen 2000 jaar geleden. Ze hadden het sterven van Christus zo intens meebeleefd dat ze zelf nauwelijks nog leefden. Hun ziel was helemaal omgeploegd en daar zaaide de Verrezene zijn woorden in. 

Dat doet hij ook vandaag weer. Aan het eind van de 19de eeuw werd Christus opnieuw gekruisigd, dit keer door het materialisme. Daarna verrees hij weer en kwam terug om de mensheid te onderrichten. Rudolf Steiner was de eerste om zijn ‘woorden’ te horen en te vertalen in moderne begrippen. Sindsdien is het onze opgave om Steiners voorbeeld te volgen en te ‘luisteren’ naar de wedergekomen Christus. Alleen dan kan er een Pinksteren komen en kan de Heilige Geest ons bewustzijn verlichten zodat we zien wat we willen en begrijpen waarvoor we op aarde zijn gekomen. Dit weten-wat-we-willen zal ons vrij maken, want vrijheid betekent niet dat we doen wat we willen maar dat we weten wat we doen. Om dat weten te verwerven, moeten we ons inspannen. We moeten zelf Pinksteren tot stand brengen.

We moeten leren luisteren naar de woorden van de wedergekomen Christus, dat wil zeggen naar zijn Heilige Geest. Maar eerst moeten we zijn beelden leren zien: de eeuwige beelden die hij ons in de natuur voorhoudt en de tijdelijke beelden die hij ons in de menselijke wereld toont. Imaginatie komt voor inspiratie. Die volgorde is belangrijk, want we zien vandaag wat er gebeurt wanneer de eerste stap wordt overgeslagen. De politiek-correcte mens meent de stem van Christus te horen, maar is blind voor zijn beelden. Dat maakt hem tot een (geestelijke) terrorist die denkt dat hij een heilige is. Ahriman doet hem een essentiële stap overslaan en dat leidt tot een omgekeerd Pinksteren: in plaats dat het bewustzijn van de mens verlicht wordt door de Geest, wordt het verduisterd door het Beest. 

Hemelvaart (2)

  

De aanzet tot mijn beschouwingen over Hemelvaart was een ‘natuurobservatie’: op Hemelvaartsdag nam ik de specifiek zomerse kwaliteit waar die niet beter te typeren valt dan met het woordje ‘eeuwigheid’. In de zomer bereikt de zon haar hoogste punt en lijkt daar stil te houden. Ook beneden houdt alle beweging op: een loden hitte drukt op de wereld, de bladeren hangen roerloos aan de bomen, de straten liggen er verlaten bij, en de mensen zouden liefst van al helemaal niks meer doen. Over de aarde verbreidt zich een sfeer van tijdloosheid. Er treedt een andere dimensie in, een dimensie waar niets verandert, waar alles eeuwige herhaling is. Hoewel ik een uitgesproken herfstmens ben, heb ik de sterkste herinneringen aan die zinderende zomerdagen waarop de eeuwigheid zo dichtbij komt dat ze alle gedachten uit je hoofd verjaagt, alle verlangens uit je hart, en dat je alleen nog kunt zijn

Ik was verrast die ‘eeuwigheidskwaliteit’ waar te nemen op Hemelvaartsdag, dat wil zeggen in volle lente. We hadden al heel wat mooie dagen achter de rug – warme dagen, stralende dagen, betoverende dagen – maar het waren lentedagen, géén zomerdagen. Er was geen sprake van tijdloosheid of roerloosheid, wel integendeel. De zon was nog volop aan het klimmen en de natuur klom mee. Met niet aflatende inspanning verhief ze zich boven het aardoppervlak, één en al doelgerichtheid. Wie jong is, gaat helemaal op in de lente, hij is in zijn element en merkt haar niet op. Maar wie ouder wordt, neemt afstand en gaat bewuster kijken naarde lente. Althans, zo vergaat het mij. Ieder jaar valt het me meer op hoe hard de natuur moet werken om te … bevallen. Want zo heb ik de lente onbewust altijd beleefd en zo beleef ik haar steeds bewuster: als een zware bevalling.

Een bevalling is een volkomen natuurlijk proces dat vanzelf verloopt. Tegelijk is het een ongewoon dramatisch gebeuren dat inspanning en pijn kost. Het is dus geenszins tegennatuurlijk dat het christendom uitgerekend in de lente het kruis opricht, want de kruisdood van Christus was een bevalling, zijn verrijzenis een geboorte. Pas op Golgotha komt Christus werkelijk ter wereld. De drie jaren van zijn leven waren een zwangerschap die begon bij de doop in de Jordaan, toen een stem uit de hemel zei: Heden heb ik u verwekt. Christus werd dus niet met kerstmis geboren, hij werd zelfs niet ‘geconcipieerd’. Hij was toen nog de kosmische zaadcel die moeder Aarde binnendrong. En dat is meer dan beeldspraak, want er bestaat een diepe wezensverwantschap tussen de kosmisch-geestelijke menswording van Christus en de natuurlijk-aardse geboorte. Het christendom is veel ‘natuurlijker’ dan men denkt. 

Als de lente verwant is met de geboorte, dan is de winter verwant met de zwangerschap: er heerst een intense maar onzichtbare activiteit in ‘de schoot der aarde’. De zomer komt dan weer overeen met het eerste samenzijn van moeder en kind. Als vader besef je op dat moment: hier sta ik buiten, dit gaat alleen om moeder en kind. Bij die tweeëenheid kun je alleen maar toeschouwer zijn, de ‘heilige drieëenheid’ van het gezin is dan nog louter schijn. Maar juist als toeschouwer kun je je een beeld vormen van de relatie van moeder en kind. En dat beeld herken je in de zomer: de hoge berg is beklommen, het grote werk volbracht. Hemel en aarde, kind en moeder rusten in elkaar. Hun wensen zijn vervuld, de tijd bestaat niet meer. Maar net als de zomer blijft die ‘eeuwige rust’ niet duren. De herfst komt, het gewone leven eist zijn rechten weer op. Moeder en kind komen van hun berg en dalen af naar de begane grond.

De dramatiek van de pijnlijke scheiding tegenover de vrede van het eeuwige samenzijn: zo verhouden lente en zomer zich tot elkaar. Ze gaan als vanzelfsprekend in elkaar over, maar tegelijk vormen ze een scherpe tegenstelling. Het verbaasde mij die tegenstelling op Hemelvaartsdag overbrugd te zien. Nochtans is dit onverwachte opduiken van de zomer in de lente waarschijnlijk niet zo uitzonderlijk. Ook in de winter zijn er af en toe verrassend zachte dagen dat het net lijkt of het volgende seizoen er al is, en in de lente zal het wel niet anders zijn. Maar doordat het uiterlijke contrast tussen lente en zomer (warm tegenover warmer) veel kleiner is dan tussen lente en winter (warm tegenover koud), vallen die dagen veel minder op. Dit jaar viel Hemelvaart echter wél op. Niet alleen was het die dag onmiskenbaar zomer, het blééf ook zomer. De hele week was het verstikkend warm. Je kon er niet naast kijken. 

Die uitzonderlijke weersomstandigheden zetten me aan het denken. Zou het kunnen, vroeg ik me af, dat in dat samenvallen van lente en zomer iets tot uitdrukking komt van het wezen van Hemelvaart? Tenslotte wordt Christus die dag één met de Vader, dat wil zeggen met de eeuwige geest, de dimensie waar het altijd ‘zomer’ is. Tegelijk verbindt hij zich ook met aarde, waar het op dat moment volop lente is. Betekent dat niet dat de zomerse eeuwigheid van de Vader – via Christus – doordringt in de tijdelijkheid van de lente? Op Hemelvaart overbrugt Christus de (door de zondeval geslagen) kloof tussen hemel en aarde, tussen de geestelijke Vader en Moeder Aarde. Uiterlijk is daar natuurlijk niks van te zien – de aarde blijft precies zoals ze was – maar innerlijk is er wel degelijk iets veranderd: het zaad van een nieuwe wereld is gezaaid, een wereld waar Vader, Zoon en Moeder één zijn. 

Het zou zwaar overdreven zijn te beweren dat ik op Hemelvaartsdag het wezen van Hemelvaart waarnam, dat wil zeggen: Christus die zich verenigt met de Vader en met Moeder natuur. Het was beslist geen helderziende waarneming, en al helemaal niet van dat formaat. Maar een gewone zintuiglijke waarneming was het evenmin. Het was iets daartussenin: een aanvoelen van de fijnere, etherische dimensies van de natuur. Zo’n gevoelswaarneming is natuurlijk altijd subjectief, ze kan op geen enkele manier gemeten of bewezen worden. Maar toch was ze in dit geval geen projectie van christelijke beelden of antroposofische gedachten. Daarvoor trof het zomerse karakter van die lentedag me veel te onverwachts. Bovendien was ik er me slechts vaag van bewust dat het die dag Hemelvaart was. Nee, ik bekeek de natuur even onbevangen en verwonderd als ik dat altijd doe.

Die onbevangenheid heb ik me eigen gemaakt door de natuur als een kunstwerk te zien, door haar met een kunstzinnige blik te bekijken. In de kunst gaat het er namelijk om je geest leeg te maken en een kunstwerk zonder enig vooroordeel of vooropgezet idee te benaderen. Weliswaar doet men in de hedendaagse kunst precies het omgekeerde, maar volgens Rudolf Steiner (en iedereen die nog enig artistiek gevoel bezit) is dat een aberratie. Wie kunst op de normale, kunstzinnige manier benadert, kan ervaren dat een subjectieve waarneming – alle kunstzinnige waarnemingen zijn subjectief – tegelijk objectief kan zijn. In de (moderne) wetenschap is dat niet mogelijk, in de kunst wel. De kunst bezit het vermogen om tegenstellingen op te heffen. En dat vermogen kun je je ook als kijker eigen maken, door je waarneming te zuiveren van alle egoïsme, van alle verlangen, van alle streven, door ze met andere woorden ‘zomers’ te maken. 

Zo’n subjectief-objectieve waarneming spreekt niet alleen het gevoel aan, ze spreekt ook de wil aan. Ze wekt in de kijker dezelfde scheppende wil die ook het kunstwerk heeft doen ontstaan. Dat ondervond ik op Hemelvaartsdag: mijn ‘zomerse’ waarneming liet me niet los. Ik wilde dit ‘zaadje’ doen ontkiemen door erover na te denken. Aanvankelijk ging dat vrij vlot: het eerste deel van mijn beschouwingen stond al vlug op ‘papier’. Maar het was vrij algemeen en abstract. Ik wilde een concreter beeld van Hemelvaart ontwikkelen, (enkel) uitgaand van mijn natuurwaarneming. Gewoonlijk gebeurt het omgekeerde: je probeert christelijke of antroposofische inzichten te herkennen in de werkelijkheid. Daar is op zich niks mis mee, maar het houdt wel het gevaar in dat je de werkelijkheid geweld aandoet, dat je haar onbewust onderwerpt aan je ideeën. Met name de kunst is op die manier een speeltuin geworden voor intellectuelen die hun ideeën weerspiegeld willen zien.

De egoïstische, narcistische wil van de intellectueel heeft de kunst – en de hele werkelijkheid – onderworpen en tot slaaf gemaakt van abstracte ideeën. De moderne mens denkt dat hij de dingen ziet zoals ze zijn, maar hij ziet ze alleen zoals hij wil dat ze zijn. Hij kijkt met een blik vol machtswellust en is zich daar niet van bewust. Nochtans wordt zijn machtsstreven al vlug zichtbaar wanneer hij geconfronteerd wordt met een andere visie: hij wordt dan onverdraagzaam en zelfs agressief. Deze onbewuste machtswellust is vandaag zo sterk dat niemand er vrij van blijft. Ook wie de wereld christelijk of antroposofisch bekijkt, wordt al vlug gemakzuchtig: hij meent zijn ideeën bevestigd te zien door de werkelijkheid en kijkt niet meer verder. Daardoor worden (of blijven) zijn opvattingen een geloof, een verzameling abstracte inzichten die wel genot verschaffen maar de mens in zichzelf opsluiten en blind maken voor de werkelijkheid. 

Daarom wilde ik de zaak omkeren: ik wilde niet uitgaan van ideeën die ik onbewust aan de werkelijkheid opdrong, maar van de onbevangen waarneming van de natuur. Dat was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, want voor de intellectualistische mens (die we allemaal in meer of mindere mate geworden zijn) is onbegonnen werk om zijn overvolle brein leeg te maken. Dat kan ook de bedoeling niet zijn, want aan dat brein heeft de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken. Als hij die opgeeft, komt hij van de regen in de drop terecht. De ahrimaanse machtswellust maakt dan plaats voor luciferische onderwerping, en die maakt hem eveneens blind voor de werkelijkheid. Nee, de weg van de mens is die van Odysseus: zorgvuldig laverend tussen de ‘verblindende’ uitersten, geduldig zoekend naar het gulden midden.

Het is tevens de weg van de kunst, die ritmisch pendelend langzaam ruimte schept tussen Lucifer en Ahriman. In die – moeizaam veroverde – vrije ruimte lichten af en toe flitsen op van de ware, ongedeelde werkelijkheid. Mijn Hemelvaartswaarneming was zo’n ‘flits’ die even de kloof tussen mezelf en de wereld overbrugde. Tegelijk opende zich echter een andere kloof: die tussen mijn waarneming en mijn denken. Want zo’n Hemelvaartswaarneming, hoe wonderlijk ook, werkt verwarrend: je kunt ze niet meteen een plaats geven in je leven. Volgens Rudolf Steiner worden dit soort ‘bovenzintuiglijke’ waarnemingen steeds talrijker. De moderne mens raakt dan ook steeds meer in de war en veroorzaakt chaos in de wereld. Het is dus van het grootste belang dat de mens ook deze ‘tweede kloof’ overbrugt en inzicht krijgt in zijn onbewuste ‘Hemelvaartswaarnemingen’. 

We beleven vandaag de Wederkomst van Christus en dat is een soort omgekeerde Hemelvaart. Zoals de leerlingen Christus zagen verdwijnen, zo zien wij Christus weer verschijnen: in de wolken, dat wil zeggen in de etherische sfeer van de aarde. Het resultaat is in beide gevallen echter hetzelfde: verwarring. Zoals de leerlingen na die 40 dagen met de Verrezene als uit een droom ontwaakten, zo wordt ons wakkere bewustzijn vandaag beneveld door onze onbewuste waarnemingen van Christus. Net als 2000 jaar geleden staan we voor de (Pinkster)opgave om beide vormen van bewustzijn – het wakkere en het dromerige – met elkaar te verbinden, want als we daar niet in slagen zal de verwarring alsmaar groter worden. De leerlingen van Christus hadden geen keuze: door wat ze de afgelopen drie jaar hadden meegemaakt, waren ze andere mensen geworden. Ze konden niet doen alsof er niets gebeurd was, ze moésten wel tot een nieuw begrip komen. 

Vandaag hebben we echter wel een keuze. De etherische wereld waarin Christus verschijnt, is een ritmische wereld waarin dezelfde processen steeds weer herhaald worden. Christus verschijnt als het ware in golven, zoals een kind tijdens een geboorte. We krijgen met andere woorden steeds nieuwe kansen om hem te leren kennen, maar tegelijk neemt ook de verwarring toe en dreigen we ons bewustzijn te verliezen. We hebben dus de vrijheid om de wedergekomen Christus te negeren en het noodzakelijke uit te stellen. Maar we betalen er een hoge prijs voor. Vroeg of laat zullen we de werkelijkheid onder ogen moeten zien, en dat is een werkelijkheid waarin de zomer alsmaar meer in de lente doordringt, waarin de geest zich steeds duidelijker manifesteert in de materie. Hoe langer we ermee wachten om ons bewustzijn daarop af te stemmen, hoe moeilijker het zal worden.  

Hemelvaart (1)

  

Verleden week was het Hemelvaartsdag, Ons-Heer-Hemelvaart zoals het vroeger in Vlaanderen werd genoemd. Terwijl de ramadan met alle mogelijke egards wordt behandeld, is het bon ton geworden om de draak te steken met de christelijke feestdagen: hoe stom en onnozel waren de mensen vroeger toch! Bij het lezen van die spottende commentaren – op Facebook wemelt het ervan – moet ik mezelf geweld aandoen om niet denken: hoe stom en onnozel zijn de mensen vandaag toch! Wees blij, zeg ik dan tegen mezelf, dat je de antroposofie hebt leren kennen, anders zou je wellicht net zo stom en onnozel zijn. Maar dat is toch een brug te ver. Ook zonder de antroposofie zou ik niet de spot hebben gedreven met de christelijke feestdagen. Wel zou ik er de schouders voor hebben opgehaald omdat ik niet begreep hoe mensen geloof kunnen hechten aan dergelijke dingen. Maar ik zou nooit vergeten zijn wat het christendom betekend heeft voor de kunst. Hoe zou dat ook kunnen! De hedendaagse kunst herinnert me dagelijks aan de gevolgen van het verdwijnen van de christelijke inspiratie. Nee, ik ben me te zeer bewust van de leegte en de geestloosheid van onze moderne tijd, dan dat ik ooit het koor der spotters-met-het-christendom zou vervoegd hebben. 

Dat neemt niet weg dat de christelijke feestdagen langzaam maar zeker uit mijn bewustzijn verdwenen zouden zijn. Zonder de antroposofie zou ik bijvoorbeeld nooit nagedacht hebben over Hemelvaartsdag. Toch volstaat de antroposofie alleen niet om me daartoe te bewegen. Ik mag graag lezen wat antroposofen (Emil Bock bijvoorbeeld) schrijven over het christendom. Maar er zelf over nadenken, op eigen initiatief? Nee, daarvoor is de kloof te groot. Gelukkig bestaat er een tussenstap die de afstand tussen de christelijke feesten en moderne tijd kleiner maakt, en dat is de beeldtaal van de natuur, vooral dan de gang van de vier seizoenen. Hoe ouder ik word, des te sterker beleef ik de kunstzinnigheid van het vierledige jaarverloop. Die wonderlijke metamorfose, dat jaarlijkse Stirb und Werde in slow motion: ik vind het mateloos fascinerend. Mijn jongste dochter zit regelmatig in Afrika – ze heeft daar een liefje – en wat ze ginder het meest mist, zijn de seizoenen. In Ghana kennen ze geen lente, zomer, herfst of winter. Ze weten ook niet wat een zonsondergang is. ’s Avonds wordt het opeens donker, alsof iemand het licht uitdoet. En ’s morgens gaat het weer aan. Dat is het enige (natuurlijke) ritme dat ze kennen: aan/uit, aan/uit, het hele jaar door. Zonder overgangen, zonder tussenstappen. 

In Europa kent de dag geen twee maar vier bedrijven, net als het jaar. Er is de ochtend (lente), de middag (zomer), de avond (herfst) en de nacht (winter). Die vier dagdelen hebben, net als de vier seizoenen, hun eigen karakter. Zelf hou ik het meest van de avond, zoals ik ook het meest van de herfst hou. Nochtans kan ik ook de andere drie heel erg appreciëren. Stel je voor dat er geen nacht was! Wat een nachtmerrie (sic) zou dat niet zijn! En de ochtendstond heeft nog altijd goud in de mond. Maar de avond blijft toch mijn favoriet. Misschien komt dat wel omdat hij er in onze tijd het meest bij inschiet. ’s Ochtends staan we op en gaan aan de slag, ’s middags draaien we op volle toeren, en ’s nachts slapen we. Net als de zon. Maar ’s avonds komen we niet tot rust, zoals de natuur dat doet. We gaan gewoon door, ook als de zon reeds aan het zakken is. Stoppen we ten slotte met werken, dan staat ons vaak nog een trein- of autorit in de moordende drukte van het spitsuur te wachten. Thuisgekomen duurt het nog een hele poos voor ons adrenalinepeil weer gezakt is en de natuurlijke avond is grotendeels voorbij wanneer we aan onze persoonlijke avond beginnen. Nee, het moderne leven staat nergens haakser op het kunstzinnige ritme van de natuur dan tijdens de avonduren, wanneer de zon ondergaat. 

Wat Europa onderscheidt van (onder meer) Afrika zijn de kunstzinnige overgangen: de ochtenden en de avonden. Maar vooral de avonden. ’s Avonds verzamelt de zon de vruchten van de voorbije dag en neemt ze met zich mee, de nacht in, terwijl ze ’s ochtends uitdeelt wat ze tijdens de nacht verzameld heeft. De ondergaande zon is dus vervuld van de kwaliteiten van het wakker-zijn. Misschien noemt men Europa daarom wel het Avondland: de heldere ratio is er tot ontwikkeling gekomen, maar ook het christendom, de religie waarin God sterft. Is Christus niet als de ondergaande zon? Hij verzamelt de ervaringen van het mensenleven en neemt ze mee naar de Vader. Hij is de overgang tussen (aardse) dag en (hemelse) nacht, de brug tussen mens en God, tussen materie en geest. Wat het christendom gemeen heeft met de Europese natuur is zijn kunstzinnigheid, zijn beeldenrijkdom, zijn kleurrijke zintuiglijkheid. Zoals in Europa het eentonige dag- en nachtritme (zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen in Afrika) verlevendigd wordt door de ochtenden en de avonden, zo wordt in het christendom de abstracte relatie tussen God en mens (zoals we die bijvoorbeeld vinden in de islam) aanschouwelijk gemaakt door de beelden van het leven van Christus.

Eén van de redenen waarom vandaag zo ongeremd de spot wordt gedreven met het christendom is dat de moderne mens vervreemd is van de natuur. Wie met de natuur leeft, zoals onze voorouders dat deden, gaat slapen met een ziel die vervuld is van natuurbeelden. Als die beelden ook nog eens zo kunstzinnig zijn als in Europa, met zijn vier seizoenen en zijn vierdelige dag, dan vormen ze een vruchtbare bodem voor het christendom. In de christelijke beelden herkenden onze voorouders intuïtief de ‘vermenselijking’ van de natuur die hen zo vertrouwd was. Het is bekend dat het jonge christendom de oude, heidense natuurfeesten niet zomaar aan de kant schoof, maar ze ‘kerstende’. Dat wordt vaak aangevoerd als bewijs dat het christendom niets nieuws bracht maar het oude alleen in een nieuw kleedje stak. Maar als Christus werkelijk was wie hij verondersteld werd te zijn – de schepper van de wereld – dan was die kerstening niets anders dan het zichtbaar maken van het wezen van die natuurfeesten. De christelijke feesten haalden bij wijze van spreken de kunstenaar uit zijn kunstwerk tevoorschijn. Dat ze zo nauw aansloten bij het natuurlijke jaarverloop was geen gevolg van kerkelijke machtspolitiek, maar een uitdrukking van het wezen van het christendom zelf.  

De vier grote christelijke jaarfeesten (zoals de antroposofie ze onderscheidt) komen overeen met de vier seizoenen en de vier delen van de dag. Pasen staat voor de lente (of de ochtend), St.Jan voor de zomer (of de middag), Michaël voor de herfst (of de avond) en kerstmis voor de winter (of de nacht). De overeenkomst tussen feest en natuur is geenszins programmatisch of bedacht, maar wezenlijk en mysterieus. Op het eerste gezicht is er zelfs eerder sprake van een tegenstelling dan van een overeenkomst, want hoe valt bijvoorbeeld de geboorte van een kind (kerstmis) te rijmen met de winter of de nacht? En hoe kan de dood aan het kruis herkend worden in de stralende lente? Daar ben je niet gauw klaar mee. Maar dankzij het pionierswerk van Rudolf Steiner hebben we vandaag een denkkader dat ons in staat stelt aan de slag te gaan met die beelden en een brug te slaan tussen het christendom en de tijd waarin we leven. Dat wil ik hier eens proberen met Hemelvaartsdag. Ik kan nu toch niet in de tuin werken, het hooikoortsseizoen is begonnen. Bovendien past het wel bij Pinksteren om zelf enig licht te werpen op de zaak, in plaats van alleen maar het (weliswaar veel stralender) licht van Rudolf Steiner te weerkaatsen. 

Wat ‘vieren’ we met Hemelvaart? De ten-hemel-opneming van de verrezen Christus. Moeilijk is het niet om daar de spot mee te drijven, want niet alleen gelooft de moderne mens niet meer in het bestaan van een hemel, hij gelooft nog minder in de mogelijkheid dat iemand uit de dood zou kunnen opstaan. Daar komt nog eens bij dat Hemelvaart de vraag doet rijzen waarom Christus pas 40 dagen na zijn dood naar de hemel ging en niet onmiddellijk erna, zoals iedereen? Het lijkt wel alsof hij iets vergeten was en vlug even uit de dood verrees om het in orde te kunnen brengen en daarna voorgoed te verdwijnen. Maar zo banaal kan de betekenis van de verrijzenis natuurlijk niet zijn. De opstanding is de essentie van het christendom. Als Christus niet was verrezen, schrijft Paulus, zou ons geloof geen zin hebben. Daar moeten we rekening mee houden als we denken aan Hemelvaart. Zonder Pasen zou Hemelvaart niks bijzonders zijn, want iederéén wordt ‘ten hemel opgenomen’ na zijn dood. Maar Christus keerde niet terug naar de geestelijke wereld als een dode, dat wil zeggen als een geest-zonder-lichaam, hij keerde terug als een levende, als een geest-met-een-lichaam. Dat is wat Hemelvaart tot Hemelvaart maakt: het was een lichaam dat ten hemel steeg.    

Zoiets was natuurlijk alleen mogelijk omdat het lichaam van Christus vergeestelijkt was. Juist die vergeestelijking van het (fysieke) lichaam is de kern van het christendom. Ook in andere religies keert de mens na de dood terug naar zijn geestelijke oorsprong, maar zijn lichaam moet hij achterlaten: de kloof tussen geest en materie blijft bestaan. Christus overbrugt die kloof. Hij schept een lichaam dat zowel geestelijk als fysiek is. Van de Verrezene wordt gezegd dat hij at en dronk, en hij gaf de ongelovige Thomas zelfs toestemming om zijn wonden te betasten. Toch stijgt Christus met dat lichaam ten hemel en voegt daarmee een nieuw element toe aan de geestelijke wereld. Tegelijk doet hij dat ook met de aardse, fysieke wereld: hij plant er de kiem van een toekomstige wereld, van een vergeestelijkte aarde. Want zijn opstandingslichaam stelt hem in staat in twee werelden tegelijk te leven. En dat is wat hij doet op Hemelvaartsdag: hij keert terug naar de geestelijke wereld en verbindt zich tegelijk met de aarde. Daarom kan hij zeggen: zie, ik blijf bij u, alle dagen tot het einde van de wereld. Hemelvaart betekent dus geen scheiding maar een verbinding. Het wordt door de leerlingen alleen als een afscheid ervaren omdat ze nog niet in staat zijn die verbinding waar te nemen. Dat gebeurt pas met Pinksteren.

Het leven van Christus is een oerbeeld. We kunnen het overal in herkennen. Zo kunnen we de voorbije 2000 jaar zien als een uitvergroting van de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart. Zoals Christus zijn leerlingen onderrichtte, zo heeft ook de kerk (die het lichaam van Christus wordt genoemd) dat gedaan. Vandaag is haar onderricht afgelopen, ze heeft de mensheid niks meer te vertellen. We beleven dan ook een soort Hemelvaart: het christendom lijkt te verdwijnen, maar in feite is het aanweziger dan ooit. Dezelfde mensen die de spot drijven met het christendom worden sterker dan ooit bezield door de christelijke idealen. Christus is weliswaar uit hun bewustzijn verdwenen, maar hij is deel geworden van hun lichaam, met name dan hun etherische lichaam, hun gewoontelichaam. Ze gedragen zich christelijk zonder zich daar bewust van te zijn. Hoe kwalijk dat gebrek aan bewustzijn is, toont de politieke-correctheid iedere dag. Rudolf Steiner noemt het verslapen van de wederkomst van Christus (in de etherische wereld) het ergste wat de mensheid kan overkomen. Er is dus nood aan een tweede Pinksteren: de mens moet zich bewust worden van de werkzaamheid van Christus in zijn etherische gewoontelichaam, anders zal dat tot rampen leiden. 

Pinksteren vieren betekent Hemelvaart begrijpen. Het betekent bewust worden van de etherische levenssfeer, waar het fysieke tegelijk geestelijk is en omgekeerd. Om een dergelijk Pinksterbewustzijn te verwerven moeten we ons verzetten tegen twee diepgewortelde gewoonten: de (ahrimaans-wetenschappelijk) gewoonte om alles te verklaren vanuit de dode materie, en de (luciferisch-religieuze) gewoonte om de geest te zoeken in dode abstracties. Met name in onze tijd worden die twee ‘gewoonten’ door Lucifer en Ahriman opgezweept tot driften die de mens niet meer onder controle heeft en die hem verhinderen een (christelijk-kunstzinnig) bewustzijn te ontwikkelen van de levenssfeer. Dat komt zowel tot uiting in de kunstwereld, die ten prooi lijkt aan krankzinnigheid, als in de gewone wereld waar we in the clash of civilisations twee driften frontaal op elkaar zien botsen. Door al dat geweld verliest de mens zijn bezinning en is niet meer in staat de nodige afstand te bewaren om beelden te kunnen lezen die nu ontstaan. Gelukkig is er altijd nog de natuur waar de tegenpolen op harmonische wijze in elkaar overgaan. Met name door de aandacht te richten op de overgangen in die natuur kunnen we iets opvangen van de ‘heilige’ geest die daar werkzaam in is en waar we in onze tijd zo’n nood aan hebben. 

Lichtbaken (19)

  

Ik herinner mij nog altijd het moment dat mijn leraar me op de karikatuur wees. Ik moet een jaar of 15 zijn geweest. Hij had gezien dat ik in een doodlopend straatje was terechtgekomen en greep in. Je tekent uitstekend, zei hij, maar het blijft allemaal nogal braaf, er ontbreekt ‘leven’ aan. Je zou eens moeten proberen om het specifieke van iemand naar voor te halen, zoals dat in een karikatuur gebeurt. En hij tekende een vierkant, een cirkel en een driehoek waarin hij vervolgens een gezicht tekende: drie smiley’s avant la lettre. Snap je? zei hij. Ik snapte het. Meer hoefde hij niet te vertellen. Vanaf dat moment begon ik karikaturen te tekenen met een hartstocht waarvan hij later (monkelend) zou zeggen: had ik dát geweten …! Het was alsof hij olie had aangeboord: het spoot eruit, er was geen tegenhouden aan. Maar het werkte: door karikaturen te tekenen ontwikkelde ik de beweeglijkheid, de levendigheid en de expressiekracht die in mijn ‘ernstige’ tekeningen ontbraken. Tekenen werd een spel, en de brandstof was … pure vernietigingskracht. Uit de diepten van mijn wil kwam iets naar boven dat zwart was als de nacht.  

Ik nam het mensen vreselijk kwalijk dat ze zo lelijk waren, dat ze zo diep ‘gevallen’ waren (uiterlijk gezien dan). Mijn autistische bewustzijn bevond zich meer buiten dan in mijn lichaam en daardoor had ik een sterkere beleving van het Ik (van anderen) dan normaal. Volgens Rudolf Steiner leeft het Ik immers niet in maar rondom de mens. Zonder het te beseffen, werd ik het enorme verschil gewaar tussen het geestelijke wezen van de mens en diens fysieke verschijning. En die tegenstelling kon ik niet verteren. Ze een diepe weerzin in me , een woede waarvan ik me niet bewust was en die ik instinctief onderdrukte. Samen met die woede onderdrukte ik echter ook mezelf: ik kon niet zijn wie ik was, ik wist niet eens wie ik was. Door karikaturen te tekenen werd die ban gebroken: ik had een manier gevonden om uiting te geven aan mijn weerzin en tegelijk ook aan mezelf. In mijn tekeningen kon ik mijn afschuw botvieren want ze werd in toom gehouden door mijn tekentechniek. Dat moest wel, want het had geen zin om mensen af te beelden als monsters als ze niet op die monsters leken. 

Wat ik wilde, was mensen confronteren met hun dubbelganger en dat lukte alleen als ze er zichzelf in herkenden. Het was niet moeilijk om monsters te tekenen, maar dubbelgangers werden het pas als mensen niet anders konden dan toegeven: ja, dat ben ik! En dat was precies wat ik beoogde. Ik wilde hen als het ware dwingen hun ‘gevallen’ toestand onder ogen te zien. Of juister: mijn eigen dubbelganger wilde dat. Hij was het die mensen in het stof wilde zien kruipen en erkennen dat ze afzichtelijke wezens waren. Maar ik hield hem in toom. Ik gebruikte mijn tekeningen nooit om mensen te vernederen of te choqueren. Ik tekende hen stiekem en liet het resultaat alleen zien als ze erom vroegen. Ik was me maar al te zeer bewust van mijn eigen aandeel in de zaak: als ik mensen (een glimp van) hún dubbelganger liet zien, liet ik hen tegelijk ook de mijne zien, en daar schaamde ik me voor. Maar het belette me niet om – in mijn eentje – volop te genieten van het ‘vernietigen’ van mensen, van het uitoefenen van macht over hun Ik (waar ik me, als autist, zo zwaar door geïntimideerd voelde).

Ik gaf mijn dubbelganger dus de vrije teugel. Hij kon – binnen de grenzen van mijn tekening – razen en tekeer gaan zoveel hij wilde. Ik legde hem geen strobreed in de weg. Dit botvieren van mijn laagste driften was echter niet de reden waarom ik karikaturen tekende. Het was slechts een middel om mijn doel te bereiken, en dat was: betere tekeningen maken. Dat is trouwens altijd het doel van de kunstenaar: beter worden. Wie niet langer probeert beter te worden, houdt op kunstenaar te zijn. Hij houdt ook op mens te zijn, want is dit onophoudelijke streven om zich te verbeteren niet juist wat een mens tot mens maakt? Toen enkele jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze hic et nunc konden doen, antwoordde hij: doe wat je doet, en probeer het beter te doen! Bondiger heeft hij het (kunstzinnige) wezen van de antroposofie nooit uitgedrukt. De antroposofie is geen doel op zich, ze is slechts een middel om beter mens te worden. En centraal in dat middel staat momenteel de confrontatie met de dubbelganger, de omgang met het kwaad. Dat is de grote opgave van de mens van deze tijd.

Je zou dan ook kunnen zeggen dat de hele antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op deze confrontatie met het kwaad, een voorbereiding op de beslissende geestelijke strijd die vandaag aan de gang is en het hele wereldgebeuren bepaalt. Rudolf Steiner vertelde aan het eind van zijn leven dat de hele antroposofische arbeid niets anders was dan een voorbereiding op het eind van de 20ste eeuw. Dan zouden, zei hij, de grote platonici voor het eerst sinds eeuwen weer op aarde zijn en moesten ze samenwerken met de aristotelische antroposofen. Wat hij er niet bij vertelde (maar wat je uit andere uitspraken kon opmaken) was dat op datzelfde moment het Beest uit de duistere diepten van de aarde zou oprijzen. De confrontatie met dit apocalyptische kwaad zou de mens alleen aankunnen als hij erop voorbereid was en daarvoor moest de antroposofie zorgen. Het kloppende hart van die voorbereiding was de samenwerking tussen oude en jonge zielen, tussen platonici en aristotelici. Zij moest het kader vormen waarbinnen het Beest zijn duivels kon ontbinden zonder (al te) veel schade aan te richten.

Toen ik karikaturen begon tekenen, ging ik de confrontatie aan met het beest in mezelf. Ik was daar goed op voorbereid want ik had leren tekenen onder leiding van een man die met zijn nuchtere, bijna wetenschappelijke aanpak zowat de tegenpool was van de dromerige oude ziel die ik zelf was. Zijn ‘aristotelische’ manier van werken was me vreemd, maar ik gedijde in de sfeer van helderheid en vrijheid die in zijn klas heerste. Binnen het strikte kader dat hij creërde liet hij me vrij mijn gang gaan en toen hij merkte dat er verstarring optrad, stimuleerde hij mijn Spieltrieb door me op de karikatuur te wijzen. Dat hij tevens duistere krachten in me aanboorde, kon hij niet vermoeden. Hij deed alleen wat noodzakelijk was om van mij een betere tekenaar te maken. Daar ging het om, de rest was niet belangrijk. In de kunst wordt alles ondergeschikt gemaakt aan de kunst, ook duistere krachten van het kwaad. De kunst gebruikt alles wat ze aantreft – zowel wat onder de luciferische Formtrieb valt als wat onder de ahrimaanse Stofftrieb valt – en zelf laat ze zich nergens door gebruiken. 

De vormkrachten die ik aan de academie ontwikkeld had (door nauwgezet en gedisciplineerd dode vormen te tekenen) bleken bestand tegen het geweld van de vernietigingskrachten die in me ‘ontketend’ werden: de ‘monsters’ die ik tekende waren gelijkend. De ontketende vernietigingskrachten spoorden me op hun beurt aan om mijn vormkrachten verder te ontwikkelen, want hoe meer ruimte die duistere krachten kregen, des te sterker werden ze. Er school – zeker voor een autist – een intens genot in het gevoel van macht dat de karikatuur me verleende, en daar wilde ik steeds meer van: alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit. Op die manier – door het (gecontroleerde) wisselspel tussen Lucifer en Ahriman – werden mijn karikaturen langzaam beter, werd ik een betere tekenaar. Hoewel het hard werk bleef – ik kreeg er altijd grote honger van – werd tekenen steeds meer een spel. En zo hoort het ook: kunst is in wezen een spel, een ernstig spel. Uiteindelijk ging het om de kunstzinnige kwaliteit van mijn karikaturen. De vreugde die ik daaraan beleefde deed het genot van macht en vernietiging verbleken. 

Dit streven naar (de vreugde van de) verbetering bracht ongemerkt een transformatie op gang. Door de jarenlange ‘training’ werden mijn vormkrachten sterk en beweeglijk genoeg om op een gegeven moment de stap te zetten naar het tekenen (van karikaturen) om den brode. Dat diende in het openbaar te gebeuren want ik had (en heb) er een ontzettende hekel aan om naar foto’s te werken. Ik moest me dus blootstellen aan de oordelende blikken (of woorden) van de omstaanders, en dat waren opnieuw ‘vernietigende’ krachten. Maar ik bleek ertegen bestand (en voor een autist wil dat heel wat zeggen). Terwijl mijn vormkrachten opschoven in de richting van het spel, deden mijn vernietigingskrachten precies hetzelfde. Mede door het feit dat ik alleen mensen tekende die dat echt wilden en alles dus in een sfeer van vrijheid plaatsvond, verloor mijn dubbelganger (en ook die van mijn model) zijn grimmigheid en kreeg hij amusementswaarde. Men moest er hartelijk om lachen, zoals men ook moet lachen om een klein kind dat zich verschrikkelijk kwaad maakt en wiens engelengezicht verandert in een duivelstronie. 

Noch ikzelf noch de toeschouwers beseften dat door het zichtbaar maken van het dierlijke-in-de-mens ook het geestelijke-in-de-mens zichtbaar wordt en een sfeer van kinderlijke onschuld verspreidt. Die onschuld ontwapent de dubbelganger en maakt hem tot een bron van vreugde. Hoe reëel die ‘ontwapening’ van mijn vernietigingskrachten was, ondervond ik toen kinderen mij om een karikatuur begonnen te vragen. Aanvankelijk weigerde ik dat. Zoiets deed je niet, vond ik. Je bracht het onschuldige wezen van een kind niet in contact met het monsterlijke wezen van de dubbelganger. Bovendien was het, louter tekenkundig, heel moeilijk om niet te zeggen onmogelijk, om de zachtheid van een kindergezicht te bewaren als je er een karikatuur van maakte. Karikaturen verdierlijken én verouderen de mens. Een kind houdt op een kind te zijn als je er een karikatuur van tekent. Was dat niet juist wat me zo kwelde: dat het engelachtige Ik-wezen van de mens ‘viel’ en harde, dierlijke trekken kreeg? En nu zou ik die ‘zondeval’ zelf tot stand brengen? Nee, dat wilde ik niet.

Maar dat was zonder de kinderen gerekend. Ze bleven aandringen. Wil je dan niet liever een gewoon portret? vroeg ik hen. Neenee, het moest zo’n tekening zijn – ze konden het woord ‘karikatuur’ niet eens uitspreken. Tegen kinderen is geen kruid gewassen en dus gaf ik toe: ik begon karikaturen van kinderen te tekenen. Daarmee voorzag ik duidelijk in een behoefte, want algauw zag ik me op feestjes, kermissen, markten en andere plaatsen waar ik mijn kunsten vertoonde, omringd door kinderen die getekend wilden worden en geduldig hun beurt afwachtten, desnoods urenlang. Ik stond ervan te kijken hoe stil en rustig ze waren. Het was alsof deze woelwaters voelden dat er iets bijzonders te gebeuren stond. En eigenlijk was dat ook zo. Als ik een kind tekende, zag ik – of voelde ik – hun Ik tevoorschijn komen als een bloem die openbloeide. Dat was tenminste de indruk die deze ‘bovenzintuiglijke waarneming’ op me maakte. Ik zag dat ook wel bij volwassenen, maar in veel, veel mindere mate. Het was een wonderlijk gebeuren dat me diep ontroerde en dat (af te lezen aan hun gedrag) ook door de kinderen zelf werd waargenomen. 

Als de karikatuur dan klaar was en ik ze toonde, knikten ze heftig maar durfden nauwelijks te kijken. Ze waren nog niet bestand tegen een confrontatie met hun dubbelganger, maar ze hadden wel behoefte aan een beeld van hun Ik. Als ze er zich sterk genoeg voor voelden – zo stelde ik mij voor – zouden ze de tekening uit de omslag halen en een blik werpen in een spiegel die ze nergens anders vonden. Want waar konden ze een waarheidsgetrouw beeld vinden van zichzelf? Wie vertelde hen wie ze werkelijk waren? Aan de ene kant werden ze verwend zoals moderne kinderen verwend worden: alsof het engeltjes waren. Aan de andere kant leerden ze op school dat de mens eigenlijk een dier is en tot duivelse dingen in staat. Hoe moesten ze die twee uitersten aan elkaar knopen? De karikatuur die ik van hen had gemaakt, zou hen – tenminste dat wilde ik graag geloven – tonen dat zoiets mogelijk is, dat de mens zowel een engel als een dier is. Dat hadden ze trouwens tijdens het tekenen reeds ondervonden: ze poseerden als engeltjes, om daarna weer te veranderen in kwajongens en -meisjes. 

De transformatie van duivel(tje) tot engel werd bewerkstelligd door mijn geconcentreerde aandacht. Dat was zeker niet de ‘liefdevolle’ (luciferische) aandacht die ze gewoon waren en evenmin het harde (ahrimaanse) oordeel waaraan ze onderworpen werden. Het was de volstrekt nuchtere, ‘technische’ aandacht voor hun zintuiglijke verschijning, met voorbijgaan aan hun engelachtige aard. Ja, met die verleidelijke engel moest ik het gevecht aangaan, want het is heel moeilijk om afstand te nemen van het kinderlijke, om je er niet aan over te geven. Zonder afstand kun je echter niemand tekenen en dus moest ik al mijn vernietigende krachten inschakelen om die afstand te creëren. Het gevecht met de (luciferische) engel bracht me echter in contact met het Ik van het kind. Het deed dat Ik (even) openbloeien, maar werkte ook in de andere richting. De voortdurende inspanning van mijn vernietigende krachten putte die krachten langzaam maar zeker uit. Door jarenlang karikaturen te tekenen van kinderen verloor ik gaandeweg de behoefte om mensen in monsters te veranderen. 

Mijn dubbelganger beet zich bij wijze van spreken zijn tanden stuk op … kinderen. Tientallen jaren had hij zijn vernietigende krachten kunnen botvieren, zonder dat ik hem ook maar één beperking – tenzij de gelijkenis – had opgelegd. En het resultaat was dat hij onschadelijk werd. Ik liet me bij het tekenen van mensen (nog altijd) volledig gaan, maar dat leverde in toenemende mate tekeningen op die nauwelijks nog karikaturen genoemd konden worden. Het waren gewoon levendige, sprekende portretten geworden. Dubbelganger en Ik waren – zowel in de tekening als in de tekenaar – samengesmolten, en in plaats dat de dubbelganger het Ik had doen ‘vallen’, had hij precies het omgekeerde gedaan: hij had zich door het Ik laten ‘verheffen’, hij had er zich dienstbaar aan gemaakt en het zijn kracht en levendigheid ter beschikking gesteld. Door me op de karikatuur te wijzen had mijn leraar destijds (ongewild) een doos van Pandora geopend. Maar hij had het omwille van de kunst gedaan, en daardoor was die doos veranderd in een schatkist waaruit ik naar believen kon putten. 

Lichtbaken (18)

  

De karikatuur doet ons lachen omdat we (zonder ons dat echt te realiseren) de discrepantie waarnemen tussen het Ik van de geportretteerde en zijn fysieke uiterlijk. Je zou het kunnen vergelijken met een peuter die zijn voetjes in de schoenen van zijn vader of moeder steekt en ermee door het huis klost. Het tafereel is onweerstaanbaar humoristisch omdat het contrast tussen die kinderlijke voetjes en die volwassen schoenen zo groot is. De vergelijking is trouwens treffender dan ze lijkt, want het Ik van de mens verhoudt zich tot diens fysieke lichaam inderdaad als een peuter tot een volwassene. Het fysieke lichaam is het oudste (en meest volmaakte) deel van het menselijk wezen, terwijl het Ik de allerjongste (en nog zeer onvolmaakte) telg is. Dit nog piepjonge Ik draagt geweldige mogelijkheden in zich (die de mens vroeger niet bezat) maar het moet die nog ontwikkelen, het moet nog een verhouding vinden tot dat veel oudere (en veel wijzere) lichaam. De karikatuur maakt deze wanverhouding tussen Ik en lichaam zichtbaar en brengt ons daardoor aan het lachen. Het is een bevrijdende lach omdat we herinnerd worden aan het feit dat we een geestelijk wezen zijn. De karikatuur doorprikt de (in wezen deprimerende) materialistische illusie dat we louter lichaam zijn. 

Maar niet iedereen kan lachen met een karikatuur. Heel wat mensen zijn er als de dood voor en willen onder geen beding getekend worden. Dat kan natuurlijk een kwestie van ijdelheid zijn – niemand wordt graag geconfronteerd met zijn tekortkomingen – maar net als bij het lachen speelt ook hier nog iets anders mee. Doordat de karikatuur een wig drijft in onze waarneming worden twee zaken zichtbaar die we anders nooit te zien krijgen: ons geestelijke wezen en ons aardse wezen. In normale omstandigheden zien we alleen hun mengvorm en daarin zijn geen van beide samenstellende delen nog terug te vinden. Dat is maar best ook, want zo aantrekkelijk als ons geestelijke wezen is, zo onaantrekkelijk is ons aardse, fysieke wezen. Het is namelijk dierlijk van aard. De karikatuur maakt dit (anders onzichtbare) dierlijke wezen zichtbaar en dat is niet meer dan logisch want dieren zijn karikaturen van mensen. Lang geleden zijn ze ontstaan uit eigenschappen die van de mens werden afgesplitst teneinde diens (nog ongeboren) Ik meer ruimte te geven. Die afgesplitste menselijke eigenschappen ontwikkelden zich tot zelfstandige wezens: de dieren. Het dierenrijk zoals we dat nu kennen, is dus een extreme uitvergroting of karikatuur van de mens.

Volgens de moderne wetenschap waren gedomesticeerde dieren (zoals we die bijvoorbeeld op een boerderij aantreffen) in oorsprong wilde dieren die in de loop der tijden door de mens getemd en dienstbaar gemaakt werden. Volgens de antroposofie is het precies omgekeerd. Paarden, koeien, schapen, enzovoort zijn dieren die nog iets bewaard hebben van hun oorspronkelijke vreedzame, aan de mens verwante aard, terwijl de andere dieren verwilderd zijn en zich ver van de mens verwijderd hebben. Als we dat verwilderde dierenrijk konden samenvatten in één enkel dier, dan zouden we een beeld hebben van het dierlijke wezen van de mens. Dat monsterlijke dier maakt deel uit van de mens, want destijds werd slechts een overmaat aan ‘dierlijkheid’ afgesplitst. Er bleef nog genoeg over om de mens parten te spelen en dat ‘overschot’ ontwikkelde zich als een schaduw, een negatief, een dubbelganger van het Ik. Hoe meer dat Ik zich losmaakte uit het geestelijke (moeder)verband, des te meer verwilderde het dierlijke dubbelgangerswezen. Goethe drukte dat lapidair uit: hoe groter geest, hoe groter beest. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend het meest ontwikkelde volk ter wereld – het Duitse – in de vorige eeuw ten prooi viel aan zijn dubbelganger en zich te buiten ging aan beestachtig gedrag.

Het is ook geen toeval dat diezelfde Duitsers vandaag het tegenovergestelde doen en vluchtelingen, migranten en gelukszoekers uit de hele wereld welkom heten in hun land. Dit ‘heilige’ gedrag is een spiegelbeeld van het vroegere ‘beestachtige’ gedrag (en zal waarschijnlijk al even rampzalig blijken te zijn). De Duitsers vormen met dit ‘spiegelgedrag’ trouwens geen uitzondering: meer dan ooit staat de mens voor de opgave om een gulden middenweg te vinden tussen zijn dierlijke en zijn geestelijke wezen. Het eerste is als het ware de bodem waarop hij leeft, het tweede is de kosmos die daarop inwerkt, en de mens is de ‘tuinman’ die beide in een vruchtbaar evenwicht moet houden. Maar om dat evenwicht tot stand te kunnen brengen, moet hij beide tegenspelers eerst van elkaar kunnen onderscheiden, en daar ligt het grote probleem. Niet alleen ziet de moderne, materialistische mens enkel nog hun mengvorm, hij weet ook niet meer dat het een mengvorm is. Onderscheid maken is dus het laatst van zijn gedachten, het druist in tegen zijn beleving van de werkelijkheid die hij als één (want louter materieel) en zeker niet als dubbel ervaart. Dat wordt weerspiegeld door zijn instinctieve verzet tegen alles wat de wereld verdeelt in tegenpolen. 

Dit verzet maakt de moderne mens blind voor de realiteit en dat is in de eerste plaats de realiteit van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt weer contact met de geestelijke wereld. Ze ondergaat een inwijding en ontmoet daarbij zowel haar (hogere) geestelijke wezen als haar (lagere) dierlijke wezen. Op wereldschaal is dat geestelijke wezen Christus, het mensheids-Ik, en het dierlijke wezen is het Beest, de dubbelganger van de mensheid. De ontmoeting met deze twee (kosmische) wezens vormt de achtergrond van alles wat vandaag in de wereld gebeurt. En de tragiek is dat de moderne mens niets van deze ontmoeting af weet: ze vindt plaats in zijn onderbewuste. Als gevolg daarvan worden de krachten die van beide grote tegenpolen uitgaan niet onderscheiden en vermengen ze zich ongemerkt. Het gevolg is een toenemende chaotisering van denken, voelen en willen. We herkennen die chaos in de drie grote kwalen van onze tijd: de politieke correctheid, de islam en de hedendaagse kunst. Ze hebben met elkaar gemeen dat de mens de wereld wil redden, maar hem – door gebrek aan onderscheidingsvermogen – de afgrond in jaagt. Hij is enerzijds verblind door (het luciferische beeld van) het hogere Ik en anderzijds wendt hij de blik af van de (ahrimaanse) duisternis van de dubbelganger.

Beide vormen van blindheid – te veel licht, te veel duisternis – herkennen we in de tegengestelde reacties op de karikatuur. De lachers zien vooral het (opwekkende) Ik van de mens, maar verliezen de (dreigende) dubbelganger uit het oog. De afkerigen zien vooral het dierlijke wezen van de mens en vergeten in hun ontzetting dat de mens ook een hoger Ik heeft. Ze bekijken de karikatuur vanuit een diametraal tegenovergesteld standpunt en hebben in die zin allebei gelijk en ongelijk. Het lachen met een karikatuur heeft iets oppervlakkigs in die zin dat de lachers slechts een beeld van het hoger Ik waarnemen, een weerspiegeling ervan in het fysieke lichaam. Het plezier dat ze aan de karikatuur beleven, vormt tegelijk een scherm dat het eigenlijke geestelijke wezen van de mens aan het oog onttrekt. Het is een kortstondig luciferisch genot, een oplichten en weer uitdoven. De afkeer voor een karikatuur heeft dan weer iets ahrimaans: het is een verlammende emotie die de mens belet de dubbelganger nuchter onder ogen te zien. Beide reacties – plezier en afkeer, sympathie en antipathie – zijn gevoelsmatig en als zodanig reeds een vorm van bewustwording, maar tot de eigenlijke waarheid dringen we pas door wanneer we een ‘hoger’ standpunt innemen vanwaar we hun polariteit kunnen zien. 

Maar dan moeten we wel de confrontatie met de dubbelganger aangaan. Het is niet moeilijk om onszelf te herkennen in (het luciferische spiegelbeeld van) ons hoger Ik. We geloven maar al te graag dat we vervuld zijn van liefde en goede wil. Het is echter bijzonder moeilijk om ons ook te herkennen in het dierlijke wezen van onze dubbelganger en in te zien dat er veel meer haat dan liefde in ons leeft (volgens Rudolf Steiner wel honderd keer meer). Er bestaan in de dierenwereld heel wat monsterlijke vormen die ons doen griezelen. Maar omdat we heel goed weten dat we met die gedrochten niks te maken hebben, schuilt er ook genot in dat griezelen. In het geval van onze dubbelganger is er echter geen sprake van genot, wel integendeel. Juist omdat we niet anders kunnen dan toegeven ‘ja, dat ben ik!’, worden we diep geschokt door de ontmoeting met ons dierlijke wezen (dat we in normale omstandigheden nooit te zien krijgen). We zijn daar eigenlijk niet tegen bestand en verdringen deze ontmoeting dan ook uit alle macht. Maar ze is een realiteit, want ieder mens gaat vandaag ‘over de drempel’ en ontmoet daarbij zijn dubbelganger. We kunnen zijn bestaan (gevoelsmatig) niet ontkennen, maar we kunnen het evenmin (bewust) erkennen, en dus projecteren we onze dubbelganger buiten onszelf. 

Niets kenmerkt onze ‘drempeloverschrijdingstijd’ meer dan de vicieuze cirkels die ontstaan wanneer mensen hun dubbelganger op elkaar projecteren. Dit (onbewuste) projecteren is bijzonder besmettelijk, want wie onverhoeds het slachtoffer wordt van zo’n projectie en ervan beschuldigd wordt kwaadaardig te zijn, kan er maar moeilijk aan ontsnappen de beschuldigers op zijn beurt te verdenken van kwade wil. De ene dubbelganger maakt met andere woorden de andere wakker. En wanneer twee dubbelgangers met elkaar in de clinch raken, is de mens tot machteloosheid gedoemd want hij is niet opgewassen tegen de dierlijke kracht en sluwheid van deze schaduwwezens. De vicieuze cirkels die ze creëren omvatten niet alleen individuele mensen, maar ook groepen van mensen, volkeren, rassen en zelfs geslachten. De hele wereld wordt langzaam herschapen in één grote vicieuze cirkel, een wereldwijde draaikolk die mensheid naar beneden zuigt. Het enige wat we kunnen doen, is proberen het hoofd boven water te houden, want tegen ontketende dubbelgangers is geen kruid gewassen. We kunnen alleen proberen hen onder ogen te zien, want als we er niet in slagen tegenover onze dubbelganger te gaan staan, maakt hij ons tot slaaf en doet met ons wat hij wil. 

Onze dubbelganger maakt deel uit van ons wezen. We komen er nooit los van, want we zijn dit wilde dier. We zitten er als het ware samen mee in een kooi. Als we sterven worden we daar even uit verlost, maar als we opnieuw geboren worden, moeten we weer in de kooi. Dat is een harde waarheid, maar gelukkig hebben we de kunst om de waarheid te overleven (Nietzsche). In de kunst – zowel het maken als het bekijken – gaan we de confrontatie met de dubbelganger aan. Ja, kunst is het resultaat van die confrontatie. We maken het Ik even los van het dier-in-ons en verbinden beide opnieuw met elkaar. Het is telkens een kleine inwijding, een klein sterven-en-opnieuw-geboren-worden. Op die manier verlossen we stap voor stap onze dubbelganger en ‘domesticeren’ onze verwilderde dierlijkheid, zonder dat het rechtstreekse gevolgen heeft, want alles speelt zich af in de wereld van de beelden, in de wereld van de schijn. Die schijn is echter ware schijn: we kunnen eraan aflezen hoe we de dubbelganger moeten aanpakken, we kunnen ook beleven wat dat inhoudt. Maar dan moeten we de schijn van de kunst wel ernstig nemen en er niet alleen om lachen of huilen. Dat geldt heel in het bijzonder voor de karikatuur, die het hele proces overdrijft en daardoor zichtbaar maakt.    

Lichtbaken (17)

  

Ik vrees dat ik in de vorige afleveringen van mijn Lichtbaken-feuilleton het slachtoffer ben geworden van één van mijn ondeugden: de neiging om uit te weiden, om ieder weggetje in te slaan dat zich aandient. Daardoor ben ik de draad van mijn verhaal (een beetje) kwijtgeraakt. Ik ben in de valstrik van Ahriman getrapt: ik heb teveel toegegeven aan de zintuiglijkheid. Ik heb me verloren in details met als resultaat dat het leven uit mijn tekst verdween. Paradoxaal genoeg is die ‘doodsheid’ een gevolg van het onvermogen om te sterven. Want om de grote lijnen vast te houden, moet je ontelbare kleine lijnen negeren. Je moet telkens tegen jezelf zeggen: hier zou ik me graag in verdiepen, maar het kan niet want dan raak ik de weg kwijt. Je moet bij wijze van spreken van je hart een steen maken en dat voelt als doodgaan. Goethe zou zeggen: leven is derven, derven, derven. Je kunt daar natuurlijk ook weer in overdrijven en te streng zijn. Dan trap je in de tegenovergestelde valstrik: je geeft toe aan Lucifer, volgt keurig de hoofdweg en vermijdt alle dwaal- en zijwegen. Het resultaat is hetzelfde: doodsheid. Je kunt het vergelijken met naturalistische en abstracte kunst: ze zijn allebei dood, maar op een tegengestelde manier. In het eerste geval overweegt de ahrimaanse Stofftrieb, in het laatste de luciferische Formtrieb. Het levende of het kunstzinnige ligt echter in het midden: in de Spieltrieb die zich speels en dansend beweegt tussen beide uitersten. 

Deze Spieltrieb komt op exemplarische wijze tot uitdrukking in de karikatuur. Karikaturen tekenen is een spel: je amuseert er jezelf én anderen mee. Niemand neemt het echt ernstig, het is gewoon iets om te lachen. Maar humor en ernst sluiten elkaar niet uit, wel integendeel. Wie zei ook alweer dat je een mens zonder humor niet ernstig kunt nemen? En van Rudolf Steiner is de uitspraak dat men zonder humor de geestelijke wereld niet binnenkomt. De Spieltrieb is met andere woorden een zeer ernstige zaak. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend de speelse karikatuur ons confronteert met het feit dat de mens een geestelijk wezen is. Want hoe valt anders te verklaren dat iemands fysieke uiterlijk op groteske wijze vervormd wordt en hij toch herkenbaar blijft? Het feit dat hij zelfs nog herkenbaarder wordt, ‘bewijst’ dat de mens niet samenvalt met zijn fysieke lichaam. Zijn (geestelijk) Ik en zijn lichaam behoren tot twee zeer verschillende werelden. Ze vormen een extreme tegenstelling. Tegelijk luistert het zo ontzettend nauw om een gelijkend portret (en dus ook een karikatuur) te maken, dat er geen twijfel kan over bestaan dat Ik en lichaam een hechte eenheid vormen. Dat is een nog groter mysterie dan het feit dat de mens (ook) een geestelijk wezen is, want hoe kunnen twee zo tegengestelde werelden – de geestelijke en de materiële – zo naadloos samenvallen dat we maar één wereld zien? Met dat mysterie confronteert de karikatuur ons, zonder dat we het beseffen.

Ze doet dat door een wig te drijven tussen onze zintuiglijke en onze bovenzintuiglijke waarneming. In feite doet ieder kunstwerk dat, want het toont ons zowel de zintuiglijke als de bovenzintuiglijke dimensie van de werkelijkheid. Een (echt) kunstwerk is nooit een loutere kopie van de zichtbare werkelijkheid, ook al lijkt het dat soms te zijn. Het volstaat om het naast een modern hyperrealistisch werk te leggen en het verschil springt in het oog. Zo’n fotografische kopie is ‘dood’ en wekt bij de kijker een gevoel van afkeer op, tenminste wanneer hij nog enig gevoel voor kunst heeft. En dat is steeds minder het geval: de moderne kijker kan dat mysterieuze samengaan van zintuiglijk en bovenzintuiglijk – dat verantwoordelijk is voor het ‘leven’ van een kunstwerk – nauwelijks nog waarnemen. Ofwel laat hij zich om de tuin leiden door het zintuiglijke (of figuratieve) aspect, ofwel door het bovenzintuiglijke aspect (de abstracte ideeën die met het kunstwerk verbonden worden), maar voor het wezenlijk kunstzinnige, dat juist in die coïncidentia oppositorum ligt, is hij in hoge mate blind geworden. Dat bewijst het succes van de hedendaagse kunst, waar het samenvallen van de tegenpolen schittert door zijn afwezigheid, een afwezigheid die niet eens opgemerkt wordt. Een en ander is natuurlijk een gevolg van het materialisme. Aangezien (de moderne mens ervan overtuigd is dat) de geest niet bestaat, kan hij niet samenvallen met de materie en er bijgevolg ook niet van onderscheiden worden. 

Om deze materialistische muur – deze blindheid voor het onderscheid tussen geest en materie – te doorbreken, is er in toenemende mate geweld nodig. De karikatuur gebruikt dat geweld, of beter: ze overdrijft het. Want iedere kunstenaar gebruikt in wezen ‘geweld’ wanneer hij het zintuiglijke van het bovenzintuiglijke scheidt door de geest uit zijn onderwerp haalt en het dus te ‘doden’. Daarna brengt hij het weer tot leven door beide ‘delen’ samen te voegen alsof er niets gebeurd was. Er is echter wel degelijk iets gebeurd: de ‘geweldpleging’ heeft de geest in de materie (een beetje) zichtbaar(der) gemaakt. Zoals gezegd moet men daar oog voor hebben: men moet als kijker hetzelfde proces van Stirb und Werde kunnen of willen doorlopen. En daar wringt het schoentje: de moderne mens is niet meer bereid om te sterven. Zijn hele zijn is zo sterk verweven met het zintuiglijke leven dat hij er zich niet meer kan of wil van losmaken. Ahriman heeft hem stevig in zijn greep. Hij belet de mens nochtans niet om spiritueel te zijn, integendeel. Zolang er maar geen verband is tussen geest en materie, zolang het spirituele maar abstract en luciferisch blijft, zolang er niet hoeft ‘gestorven’ te worden tussen beide tegenpolen. Daarom is de hedendaagse kunst zo’n onweerstaanbare verleiding: ze stelt de moderne mens in staat om zich spiritueel en kunstzinnig te wanen zonder een greintje pijn, zonder dat hij zichzelf geweld moet aandoen, zonder dat hij zijn zintuiglijke verslaving moet overwinnen.  

De karikatuur daarentegen helpt de verslaafde mens. Ze maakt het ‘geweld’ duidelijk zichtbaar en brengt daardoor ook bij de kijker het ‘sterven’ op gang dat wezenlijk is voor iedere kunstbeleving of -beoefening. Het onderscheid tussen geest (het Ik) en materie (het fysieke uiterlijk) valt in een karikatuur namelijk niet te ontkennen, de kijker hoeft de geportretteerde niet eens te kennen. Maar vreemd genoeg wekt dit gewelddadige uit-elkaar-trekken van geest en materie bij de kijker geen afweerreactie op en sluit hij er zich innerlijk niet voor af teneinde de pijn van het sterven te ontlopen. Nee, hij … barst in lachen uit, hij beleeft plezier aan dit geweld. Op een speelse, onnadrukkelijke manier brengt de karikatuur hem in contact met het mysterie van het Ik, dat tegelijk ook het mysterie van de kunst is, want de activiteit van het menselijke Ik is scheiden en verbinden, Stirb und Werde. In de karikatuur gebeurt dat spelenderwijs: vóórdat de kijker beseft wat er gebeurt, heeft hij zijn vrees voor het sterven overwonnen en beleeft hij de vreugde van het verrijzen. Die vrees voor het sterven is tegelijk ook de vrees voor de geest, en de vreugde van het verrijzen is tegelijk de vreugde van de geest. De paradox is inderdaad dat de moderne mens vreselijk bang is voor datgene wat hem de grootste vreugde bereidt: de geest. Want tussen hem en de geest staat de dood, staat het sterven, staat Ahriman. 

Ik ben geen kunsthistoricus, maar ik maak me sterk dat de karikatuur samen met het materialisme is opgedoken in de kunst, als een soort geneesmiddel dat de ziekte vergezelt. Vandaag maken we iets vergelijkbaars mee met de stand up comedians die overal als paddestoelen uit de grond schieten. Hun humor wordt mogelijk gemaakt door de afstand die het materialisme schept, maar tegelijk is hij ook een remedie voor die afstandelijkheid: hij maakt de kwellingen ervan draaglijk. Humor doet ons een ogenblik lang de vreugde beleven van het overstijgen van de kloof tussen geest en materie. Hij verbindt beide tegenpolen op een hoger (want bewuster) niveau, en hij doet dat niet alleen in de karikatuur (of het vertellen van moppen), maar in de kunst tout court. Volgens Rudolf Steiner wordt het artistieke proces van doden en weer tot leven wekken voltrokken door middel van humor. De kunstenaar, schrijft hij, moet in staat zijn zoveel humor op te brengen dat hij weer tot leven brengt wat hij eerst gedood heeft. De (vele ‘lijken’ producerende) naturalistische kunst lijdt in zijn ogen dan ook aan gebrek aan humor. Steiner gebruikt de term ‘humor’ met andere woorden om de kracht aan te duiden waarmee de kunstenaar het dode weer tot leven wekt. En het gebrek aan humor noemt hij een ziekte. Dat is, me dunkt, niet niks. Het zou ons moeten doen nadenken over de rol die de humor speelt, want hij is de (kunstzinnige) remedie bij uitstek waarmee we de ziekte van het materialisme kunnen genezen. 

Achter het lachen waarin de karikatuur ons doet uitbarsten, gaat dus een hele wereld schuil, een bevrijdende, levenwekkende wereld die we wel spontaan beleven, maar waar we ons niet bewust van zijn. We staan immers nooit stil bij dit ludieke randverschijnsel uit de wereld van de kunst. Zelf heb ik dat ook nooit gedaan, hoewel ik een half leven lang karikaturen getekend heb. Het plezier dat je daaraan beleeft (en ook anderen doet beleven) heeft aan zichzelf genoeg. De vreugde die je aan kunst beleeft hoeft niet verklaard te worden, tenzij … deze kunst dreigt te verdwijnen. Want de kloof die het materialisme slaat tussen geest en materie wordt steeds groter. Ze ontstaat nu ook tussen de mens en zijn kunst, en ze vraagt dringender dan ooit om overbrugd te worden, want de kunst is ons laatste echte contact met de wereld van de geest. Ik zou zelf nooit over de karikatuur zijn gaan nadenken als ik niet zo direct met die kloof was geconfronteerd, als ik niet aan den lijve had ondervonden hoe de (materiële en materialistische) omstandigheden mij het tekenen van karikaturen onmogelijk hebben gemaakt. Ik heb uitvoerig beschreven hoe daar enkele jaren geleden in Brugge brutaal een eind werd aan gemaakt en hoe ik dat ervaren heb als een pijnlijk sterven. Ik had werkelijk geen idee waarom datgene wat ik het liefst deed – mensen tekenen – uit mijn leven moest verdwijnen. Pas toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen (en daar werd voorgesteld als karikaturist) begon me iets te dagen. 

Het feit dat ik niet langer karikaturen kan tekenen, is geen louter persoonlijke ervaring. De karikatuur is nagenoeg verdwenen uit onze cultuur. Vroeger verschenen in kranten en tijdschriften regelmatig karikaturen van politici en andere bekende figuren. Het mooiste voorbeeld zijn ongetwijfeld de karikaturen van David Levine, die zijn leven lang voor de New York Times heeft getekend. In De Standaard heeft nog een tijdje een epigoon van hem getekend (Julius), maar dat is alweer jaren geleden. Ik kan me niet herinneren sindsdien nog een echte karikatuur in krant of tijdschrift te hebben gezien. Het genre is als het ware opgeslokt door de kartoen. De meeste mensen denken dan ook niet aan portretten wanneer het over karikaturen gaat, maar aan striptekeningen. En daarin is het beeld niet meer dan een illustratie bij een grappig idee. Het slaat niet langer de brug naar de geest of de levende idee (zoals in een karikatuur), want het is ondergeschikt gemaakt aan een dode, abstracte idee. Het beeld is ‘geïslamiseerd’ zou je kunnen zeggen: zijn ‘vorm van de (levende) idee’ wordt verborgen onder de chadors, hijabs en boerka’s van de dode idee. Zo groot is de macht van Ahriman dat niet alleen de woorden maar ook de beelden ontdaan worden van hun geestelijke dimensie. De onderwerping van de karikatuur aan de kartoen is daar een sprekend voorbeeld van. Het is een alarmerend verschijnsel, want het weerspiegelt de dreigende ‘ontgeestelijking’ van de mens. 

Toen ik in Brugge onverwacht tegen een ‘muur’ aanbotste, betekende dat het einde van mijn artistieke activiteit. Nu heb ik altijd gedacht: als ik niet meer kan tekenen, ga ik dood. En zo beleefde ik het inderdaad. Een paar jaar later volgde dan – al even onverwacht – de vraag om op de Lichtbaken-conferentie te komen spreken. Ik heb dat geïnterpreteerd als een vraag om de karikatuur op een hoger vlak te tillen, om van potloodlijnen begrippen te maken en mij op die manier bewust worden van haar genezende krachten, van het Stirb und Werde dat ze op zo’n speelse en humoristische manier in beeld en praktijk brengt. Wat ik vroeger onbewust beleefde tijdens het tekenen van talloze karikaturen, beleef ik nu een stuk bewuster tijdens deze (nogal dramatische) fase in mijn leven. Ik onderga de metamorfose van een proces dat zich eerst alleen op artistiek gebied afspeelde, maar dat zich nu verruimt tot mijn hele leven. Nog altijd ben ik sterk doordrongen van het ‘sterven’ – Brugge heeft zich diep in mijn ziel gegrift – maar het feit dat ik nu in Scheldewindeke woon en daar tijdens een zeldzaam mooie lente al vele dagen in de tuin heb gewerkt, is als een uiterlijk beeld van de opstandingskrachten die aan het werk zijn. Misschien maak ik het nog mee dat ik mijn hele leven als een karikatuur leer zien en dat ik er hartelijk kan om lachen – maar dat zal nog niet voor morgen zijn. 

De ontkenning van de Zoon

  

Op Goede Vrijdag werden vroeger in de kerk de kruisbeelden bedekt met purperen doeken. Als kind begreep ik niks van dat ritueel, maar het maakte wel indruk op me. Het had iets mysterieus. Twee dagen later was het dan Pasen: de klokken beierden, de narcissen bloeiden en de vogeltjes floten. Alles was weer normaal. De duistere mysteries in het schemerdonker van de kerk waren vergeten, de zon scheen stralend, het leven had de dood overwonnen. Het was ook het einde van de vasten, je mocht weer snoepen en er lagen paaseieren in de tuin. Ja, Pasen was een feest, een vrolijk feest en het was niet eens moeilijk om het te vieren, want de natuur vierde ook. Je hoefde alleen maar mee te doen.  

De natuur viert nog altijd. Dit jaar viert ze zelfs uitbundiger dan ooit. We hebben al meer mooie lentedagen achter de rug dan anders op Sint Jan (al was het uitgerekend op Goede Vrijdag heel wat minder). Maar een mooie lente volstaat niet meer om van Pasen een feest te maken. Zelfs de middenstand, waaraan we het te danken hebben dat kerstmis nog gevierd wordt, slaagt er niet meer in om Pasen feestelijk te maken. Vroeger bezegelden paaseieren het einde van de vasten, maar vandaag eten we – letterlijk en figuurlijk – het hele jaar door chocolade. Nee, Pasen is geen feest meer. Hier en daar verschijnt nog wel een sentimenteel gelegenheidsartikel, maar vaker wordt de spot gedreven met het kruisbeeld en de hele christelijke beeldenwereld.

Spotten met de man aan het kruis gaat vandaag door voor verlicht, humanistisch en zelfs kunstzinnig. Mij vervult het van plaatsvervangende schaamte, want het is niet alleen barbaars, het is ook ongelooflijk dom. Want er wordt niet alleen gelachen met de man aan het kruis maar ook – en vooral – met degenen die hem vereren, de gelovige christenen. En die gelovige christenen mogen vandaag dan misschien niet veel meer voorstellen, in het verleden hebben ze wel de beschaving opgebouwd waarin de spotters vandaag ongestraft kunnen spotten. Deze laatsten zagen dus lachend de tak af waarop ze zitten en ze zijn er nog trots op ook. Dat is van een domheid die je het hoofd doet schudden. 

Waarschijnlijk zullen de spotters zeggen dat hun vrijheid niets te maken heeft met (de verering voor) de man aan het kruis. Maar niets is minder waar. In de 9de eeuw ontstond het fameuze filioque-dispuut: men was het oneens over één woordje in de christelijke geloofsbelijdenis. Als gevolg daarvan werd het christendom opgesplitst in een westers-katholieke en een oosters-orthodoxe kerk. Het Westen ontwikkelde het wetenschappelijk denken en de vrije samenleving, het Oosten werd veroverd door de islam. En die duldt geen spot. Enkele dagen geleden nog werd in Pakistan iemand gelyncht omdat hij iets oneerbiedigs over de Profeet zou hebben gezegd. En hij werd niet vermoord door primitieve barbaren, maar door intellectuelen, universiteitsstudenten. 

Dit tragische voorval – één van de vele – zou de spotters-met-het-kruisbeeld tot nadenken moeten stemmen. Het feit dat ze ongestraft kunnen spotten, hebben ze wel degelijk te danken aan de verering voor de man-aan-het-kruis. Want het was heus geen olie of gas die de katholieken in de 9de eeuw deed vechten voor het woordje filioque. De strijd ging om de Zoon en zijn relatie met de Geest. Volgens het orthodoxe Oosten ging die Geest alleen uit van de Vader, terwijl men in het katholieke Westen vond dat hij ook van de Zoon uitging. Vandaar filioque: en uit de zoon. Dit ene woordje vertegenwoordigde een hele wereld, want de Zoon stond voor beweging, verandering, groei. Door de Geest (ook) aan hem te koppelen, kon het menselijk denken zich ontwikkelen.

In de islam kon dat niet, want Allah heeft daar helemaal geen zoon. Hij heeft alleen een profeet die zijn geest heeft overgebracht in de vorm van de koran. Daarin staat alles wat de mens moet weten. Nadenken hoeft hij niet, alleen gehoorzamen. En dat is wat moslims doen, tot op de huidige dag. De islam kent dan ook geen ontwikkeling. Als er in moslimlanden iets verandert, komt door andere culturen, in de eerste plaats de (onderworpen) christelijke cultuur. Zelf bezit de islam geen cultuurscheppende kracht, en dat is een gevolg van het ontkennen van de Zoon en diens relatie met de Geest. Eigenlijk is de islam het beste bewijs dat de Vader wél een Zoon heeft en dat de Geest ook van hem – filioque – uitgaat. 

De huidige clash of civilisations tussen de islam en het Westen is in wezen een herhaling van de grote botsing uit de 9de eeuw. Het verschil is dat de moderne Europeaan dit keer niet de zijde van de Zoon heeft gekozen, maar die van de Zoon-ontkennende islam. Dat kunnen we onder meer opmaken uit de politieke correctheid, die de islam niet alleen een hand boven het hoofd houdt, maar de moderne mens ook niet langer in staat acht om op eigen kracht (door zijn denken te ontwikkelen) achter de waarheid te komen. Die waarheid moet hem van bovenaf meegedeeld en opgelegd worden door mensen die zichzelf moreel superieur achten en een directe lijn menen te hebben met de bron van de waarheid (de voor hen enkel bij de Vader rust).

We kunnen die moderne Zoon-vijandigheid ook aflezen aan de kunst, waar ze al veel vroeger aan het licht kwam. In de hedendaagse kunst, die precies 100 jaar geleden op het toneel verscheen, wordt de Zoon op de meest radicale en brutale wijze ontkend. De Zoon belichaamt namelijk de relatie tussen de Vader (het onveranderlijke kunstwerk) en de Geest (de betekenis van het kunstwerk), en in de hedendaagse kunst is die relatie niet langer toegankelijk voor de kijker. Hij kan de betekenis van een kunstwerk niet meer zelf aflezen aan het kunstwerk. Hij moet ze vernemen uit de mond van kunstpausen en andere profeten, die de Geest op hun beurt uit de mond van de Vader vernomen hebben, of dat althans beweren.  

Uiteraard spreken deze kunstprofeten niet in termen van Vader en Zoon, maar ze gedragen er zich wel naar. In de hedendaagse kunst heerst een ‘islamitische’ sfeer van onderwerping: kritiek wordt niet geduld. Wie dat toch waagt, wordt geestelijk gelyncht. Hij wordt stante pede verwijderd uit de ‘umma’ der weldenkende lieden en voor de rest van zijn leven gebrandmerkt als een afvallige, een cultuurbarbaar, een inferieure mens. Hoe anders was het in de oude ‘christelijke’ kunst, die zich in de loop der eeuwen losmaakte van het religieuze gezag en op die manier herhaalde wat de Zoon had gedaan door mens te worden. Daardoor werden het vrije scheppen en het vrije oordelen mogelijk, die de kern vormen van de Europese beschaving.

De scherpe tegenstelling – zowel geestelijk als materieel – tussen de oude en de nieuwe kunst wordt evenwel niet waargenomen, evenmin trouwens als de tegenstelling tussen christendom en islam. Want het verschil tussen beide ligt niet in de Vader en de Geest, maar in de Zoon, en die Zoon wil de moderne mens niet waarnemen. Hij sluit er zo krampachtig de ogen voor dat de vraag rijst: waarom? Waarom verzet de moderne mens – die voortgekomen is uit een christelijke beschaving – zich zo hardnekkig tegen de Zoon dat hij bereid is de hele vrije samenleving en de hele vrije kunst en cultuur eraan te geven? Liever nog bekeert hij zich tot de islam dan dat hij het wezen van het christendom onder ogen ziet.

De reden voor dit even heftige als irrationele verzet moet in het wezen van de Zoon gezocht worden. Dat wezen is wording, groei, ontwikkeling. De mensheid is momenteel op een keerpunt gekomen: ze kan zich niet meer ontwikkelen als ze zich niet ‘omkeert’ en weer contact maakt met de geest. Ze moet met andere woorden ‘over de drempel’ gaan en dat houdt een ‘sterven’ in. Diep van binnen weet de hedendaagse mens dat zijn voortbestaan van dit sterven afhangt, en hij streeft er dan ook uit alle macht naar. Dat zien we in de islam, waar mensen zich blindelings in de armen van de dood storten, we zien het in de politieke correctheid die onbewust op bloedvergieten aanstuurt, en we zien het in de hedendaagse kunst die louter wil vernietigen. 

Maar dat is natuurlijk niet de drempeloverschrijding waardoor de mens zich verder kan ontwikkelen. Deze terugkeer naar oude, fysieke inwijdingswijzen brengt de mens in de greep van de onderwereld en dat is het tegendeel van ontwikkeling. De drempeloverschrijding die de mens vooruithelpt, veronderstelt een bewust en vrijwillig contact maken met de geest, en dat houdt een innerlijk sterven in. Dit innerlijk sterven herkent de moderne mens (onbewust) in het kruisbeeld en daarom spot hij er ook mee, in een poging om het van zich af te zetten. Want hij is als de dood (sic) voor het sterven van dat enorme ego van hem. Hij voelt zich een superieur wezen, een God in ’t diepst van zijn gedachten, en die God moet nu een smadelijke dood sterven. 

Dat het hierom gaat, blijkt eigenlijk reeds uit het feit dat de moderne mens hardnekkig het beeldkarakter van het christendom ontkent. Het kruisbeeld ziet hij niet als een metafoor voor het sterven dat hij zelf moet ondergaan, hij ziet het als een bloot feit, dat net als de andere feiten uit het leven van Christus hoogstwaarschijnlijk op fantasie berust en dus niet ernstig te nemen is. Dat mensen die fantasieën ooit hebben kunnen geloven, vindt hij lachwekkend. Hij beseft echter niet hoe lachwekkend hem dat zelf maakt. Want in de kunst ziet hij pispotten als diepzinnige metaforen, en in werkelijkheid doet hij precies hetzelfde: hij reduceert alles tot beelden waaraan hij betekenissen toekent die heftige emoties in hem wakker roepen.

De moderne mens is iemand die in een metaforische wereld leeft waarin beelden belangrijker zijn dan de concrete, fysieke werkelijkheid. En toch spot hij met mensen die het kruisbeeld vereren, een beeld dat onvergelijkelijk veel diepzinniger en spiritueler is dan de pispotten, lange baarden en hoofddoeken waar de moderne mens zo emotioneel kan over worden. Die reactie is zo onwaarschijnlijk dom dat ze bijna een bewijs is van de realiteit van dat kruisbeeld. Het kruisbeeld is een spiegel waarin de moderne mens (onbewust) zichzelf herkent. Het spiegelbeeld doet hem terugdeinzen en brengt hem ertoe zichzelf (metaforisch) aan het kruis te nagelen, dat wil zeggen: bespottelijk, beschamend en zelfvernietigend gedrag te vertonen. 

De moderne mens doet er alles aan om de Zoon te verloochenen, om zichzelf niet te herkennen in het kruisbeeld, maar juist daardoor wordt hij zelf een gekruisigde, iemand die (innerlijk, maar in toenemende mate ook uiterlijk) een vernederende dood sterft. Er is met andere woorden geen ontsnappen aan het kruis. De hedendaagse kunst, de politieke correctheid en de islam – deze infernale triniteit – zijn groteske pogingen om de Zoon te ontkennen. Maar juist die pogingen doen ons het lot van de Zoon ondergaan en brengen ons dichter bij hem. De tragiek is echter dat ze de opstanding verhinderen, want die komt er alleen wanneer we ons bewust en vrijwillig verenigen met de Zoon. Pas dan wordt het sterven een Goede Vrijdag en volgt er een Pasen op. 

Lichtbaken (16)

  

Met dat alles is nog steeds de vraag niet beantwoord hoe het komt dat een kleine verandering aan het fysieke lichaam (de neus!) volstaat om een mens onherkenbaar te maken, terwijl we nochtans het Ik van die mens – datgene wat we herkennen – niet aflezen aan zijn fysieke lichaam, maar het rechtstreeks, bovenzintuiglijk waarnemen. Groter tegenstelling dan tussen het (geestelijke) Ik en het (materiële) lichaam is niet mogelijk, en toch drukt het Ik zich volgens Rudolf Steiner juist in dat fysieke lichaam het duidelijkst uit, veel duidelijker dan in het karakter of het innerlijk. Dat is ook mijn ervaring als portrettist. Om een sprekend portret te tekenen, een portret waarin het Ik van de betrokken mens tot uitdrukking komt, concentreer ik me enkel en alleen op het fysieke lichaam. Daarvoor moet ik de mens ‘doden’, ik moet abstractie maken van alles wat levend aan hem is. Met zijn karakter of innerlijk hou ik geen rekening. En zo ondervind ik dat zijn Ik niet samenvalt met zijn innerlijk, dat het er zelfs tegengesteld kan aan zijn. Het innerlijk is dus onbetrouwbaarder dan het het fysieke uiterlijk – op voorwaarde dat dit laatste nauwkeurig en objectief wordt waargenomen, zoals een portrettist dat doet.  

De paradox is inderdaad dat het Ik pas zichtbaar wordt wanneer je de mens doodt, wanneer je alles elimineert wat hem tot een subject maakt en hem herleidt tot een louter materieel ding. Doordat je het fysiek lichaam isoleert en het (in gedachten) losmaakt van het etherisch lichaam, het astraal lichaam en het Ik, wordt het een spiegel voor dat Ik. Want dat is wat materie in wezen doet: de geest weerspiegelen. Dankzij de spiegel van de materie kunnen we ons bewust worden van de geest. Zolang er alleen maar geest is – en we deel uitmaken van die geest – is dat niet mogelijk. Wat die bewustwording echter zo moeilijk maakt, is dat de materiële wereld leeft: hij is nog altijd opgenomen in de geest, hij is vermengd met geest. Daardoor wordt hij tot een onbetrouwbare spiegel, want een spiegel mag niet leven. Hij moet hard en transparant zijn als glas, hij mag geen enkele gelijkenis meer vertonen met datgene wat hij weerspiegelt. In feite is dat het verhaal van de mens: de wereld waarin hij leeft, sterft langzaam, hij wordt stap voor stap ‘ontgeestelijkt’ en ‘gematerialiseerd’ waardoor hij tot een spiegel wordt van de geest. Op die manier kan de mens zich bewust worden van de geest, hij kan ertegenover gaan staan en vrij worden.

In dat stervens- en bewustwordingsproces hebben we vandaag een kritiek punt bereikt. De wereld is meer dan ooit een spiegel van de geest, maar we kijken niet in die spiegel, we kijken naar de spiegel. We maken met andere woorden geen onderscheid tussen spiegel en spiegelbeeld. We denken dat het beeld (van de geest) deel uitmaakt van de spiegel en dat de geest dus een aspect van de materie is. Hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen spiegel en spiegelbeeld ondervinden we wanneer we in een vijver de wolken en de blauwe hemel weerspiegeld zien. De vijver zelf zien we dan niet meer. Zien we echter onder het wateroppervlak de vissen zwemmen, dan merken we weer niks van de weerspiegelde wolken. Het is onmogelijk om ze allebei te zien, de vissen én de wolken. Het is zelfs buitengewoon moeilijk om de blik van de spiegel naar het spiegelbeeld te verplaatsen. We kunnen eigenlijk zelf niet bepalen wat we zien: de vissen of de wolken. We hebben daar geen greep op, onze blik is als het ware gevangen en we kunnen hem niet losmaken van datgene wat we toevallig zien. Verandert onze blik toch van richting, dan gebeurt dat per ongeluk, zonder dat we weten hoe het gebeurt. 

We kunnen de vijver zien als een metafoor van het menselijk lichaam: dat lichaam weerspiegelt het Ik (de wolken), maar om dat Ik te kunnen zien moeten we de blik afwenden van alles wat leeft in dat lichaam (de vissen). En dat lukt ons niet want onze blik gehoorzaamt niet aan onze wil. Hij zit als het ware vast aan zijn onderwerp, of dat nu het (geestelijke) Ik is of het (fysieke) lichaam. Als gevolg daarvan kunnen we die twee niet onderscheiden, want daarvoor moeten we de blik afwisselend van de een op de ander richten. Wanneer we tegenover een mens staan, nemen we zijn Ik wel waar, maar niet bewust, want we onderscheiden het niet van wat we waarnemen aan zijn lichaam. Zien we in een vijver de vissen rondzwemmen, dan wordt onze blik vertroebeld door onze onbewuste waarneming van de weerspiegelde wolken, en omgekeerd. We zien dus nooit de hele werkelijkheid (of de hele mens), en de ‘halve’ werkelijkheid zien we ook nog eens troebel. Er is trouwens nog iets anders dat aan ons bewustzijn ontsnapt: zowel de wolken als de vissen verschijnen aan ons in het wateroppervlak. We zien met andere woorden slechts een beeld van beide werelden, nooit de vissen en de wolken (of het lichaam en het Ik) zelf. 

Het kost ons een behoorlijke denkinspanning om in te zien dat de wereld waarin we leven in wezen drieledig is en dat hij – metaforisch gesproken – bestaat uit wolken, vissen en een wateroppervlak dat beide scheidt. Dat wateroppervlak is een essentiële factor, want bij de minste rimpeling verdwijnen zowel de wolken als de vissen uit beeld en zien we alleen nog het water zelf. In feite is dat spiegelende oppervlak het meest ongrijpbare en mysterieuze element in die drieledigheid. Je kunt het vergelijken met het fysieke uiterlijk van een mens. Diens lichaam is een ongelooflijk complexe wereld waarvan we in normale omstandigheden alleen maar het oppervlak zien: de huid met alles wat erbij hoort. Dat oppervlak weerspiegelt zowel het lichaam eronder als het Ik erboven – volgens Rudolf Steiner komt het Ik van buitenaf op ons toe – maar daar merken we nauwelijks iets van omdat ons moderne bewustzijn zo star en onbeweeglijk is geworden dat het slechts een troebele vermenging van beide waarneemt. Dit troebele mengsel beschouwen we momenteel als dé werkelijkheid, een werkelijkheid waarvan we overtuigd zijn dat we ze helder en objectief waarnemen. 

We leven in de illusie dat we de wereld – eindelijk – zien zoals hij is, terwijl onze waarneming in werkelijkheid steeds troebeler en verwarder wordt. We zijn ons weliswaar scherp bewust van de materiële wereld en we worden ons langzaam ook weer bewust van de geestelijke wereld, maar doordat ons bewustzijn niet in staat is zich tussen die twee werelden te bewegen (en ze daardoor ook niet kan onderscheiden) raken ze In toenemende mate vermengd en stompen ze ons bewustzijn af. We zijn dus op een keerpunt gekomen: als we ons bewustzijn niet in beweging krijgen, dan zal het degenereren. Dat proces is trouwens reeds volop bezig. De wetenschap (die onze waarneming van de materiële wereld vertegenwoordigt) raakt in toenemende mate vermengd met ideologische en zelfs religieuze elementen, en verliest daardoor haar objectiviteit. De religie van haar kant (die zich bezighoudt met onze waarneming van de geest) is verworden tot een stel abstracte wetten en formules die geen ruimte meer laten voor de (subjectieve) mens. Maar het grootste slachtoffer is wel de kunst, die geest en materie, subject en object met elkaar verbindt en het beweeglijke spel tussen beide belichaamt. 

De kunst is uitdrukking van het fysieke uiterlijk van de mens (als grens tussen binnen en buiten), van het spiegelende wateroppervlak (als grens tussen vissen en wolken), van de natuur (als grens tussen aarde en kosmos). Zij is een middengebied dat de tegenpolen verbindt én scheidt. Haar voornaamste eigenschap is dan ook beweging, een uiterst complexe, ritmische beweging. Wat is een portret anders dan het resultaat van een hele reeks bewegingen? De tekenaar beweegt zijn potlood over het papier in een ingewikkeld patroon dat uiteindelijk een beeld van een mens oplevert. De fysieke bewegingen die hij maakt, spiegelen de bewegingen die zijn bewustzijn maakt, want iedere beweging van zijn hand is een bewuste beweging (of hoort dat te zijn). Die bewustzijnsbewegingen zijn op hun beurt een weerspiegeling van de Ik-bewegingen die geleid hebben tot het ontstaan van het gezicht dat getekend wordt (want het is het Ik van de mens dat zijn lichaam schept). Uiteindelijk is dat wat de portrettist beoogt: zichzelf ter beschikking stellen van het Ik van de geportretteerde zodat dit als het ware zichzelf kan tekenen. Maar dit samenwerken van twee Ikken vergt een grote beweeglijkheid, een grote Ik-inspanning. 

Als we ons bewustzijn – en daarmee ook ons menszijn – willen redden, dan moeten we het weer in beweging krijgen. Ons Ik moet weer greep krijgen op dat verstarde bewustzijn dat niet in staat is zijn aandacht te verplaatsen van de vissen naar de wolken of omgekeerd. De grote vraag daarbij is natuurlijk hoe dat moet gebeuren. Hoe kunnen we weer meester worden in een bewustzijn dat in de ban is van (de spirituele) Lucifer en/of (de materialistische) Ahriman? Het antwoord ligt in de kunst, het antwoord is de kunst. Want kunst is beweging, geestelijke beweging tussen twee tegenpolen. Die beweging kan niet uitgedrukt worden in wetten omdat ze bij iedere mens anders is. Geen twee mensen bewegen op dezelfde manier, noch geestelijk, noch fysiek. En toch hebben al die bewegingen iets gemeenschappelijks, ze hebben deel aan dezelfde oerbeweging, hetzelfde scheppende wereldwoord. Hoe meer de persoonlijke beweging van de kunstenaar deel heeft aan deze ‘wereldbeweging’, des te groter is zijn kunst. En omgekeerd: hoe groter zijn kunst is, des te persoonlijker is ze ook. Dat is het wonder van de kunst: het samen bewegen van het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, als in een dans. 

Datzelfde wonder treffen we ook aan in het paradoxale samengaan van Ik en fysiek lichaam. Ieder menselijk Ik is uniek en toch drukt het zich uit in een lichaam dat voor iedereen hetzelfde is: een hoofd, twee armen, twee benen, enzovoort. Op dit thema – het menselijk lichaam – bestaan er miljarden variaties die we feilloos uit elkaar kunnen houden. Het plastisch vermogen van dit lichaam is verbijsterend, en het duidelijkst komt dat tot uiting in het hoofd, waar het Ik zich het duidelijkst in uitdrukt. Dat maakt het tekenen van portretten zo ongemeen boeiend: ieder mens is totaal anders, ieder portret is volkomen nieuw. Het vergt echter een grote beweeglijkheid om het basismateriaal – het gezicht met zijn neus, mond, twee ogen en oren – zodanig te kneden dat het telkens weer uitdrukking wordt van een ander Ik, dat het telkens weer de vorm krijgt van een uniek ‘idee’ en tegelijk ook van de ‘wereldidee’, want die twee gaan altijd samen. Maar die beweeglijkheid kan iedereen zich eigen maken, iedereen kan leren tekenen en zijn bewustzijn in beweging brengen, te beginnen met de meest starre en dode vormen, de rechte lijnen van de meetkunde. Daar is geen talent voor nodig, alleen de wil. 

Lichtbaken (15)

  

Het Ik van de mens, zijn geestelijke kern dus, is niet hetzelfde als zijn karakter of zijn innerlijk. Dat laatste kun je, mits enig inlevingsvermogen, aflezen aan zijn fysieke verschijning. Het Ik daarentegen is zintuiglijk niet waarneembaar, het is geestelijk van aard en behoort tot een andere wereld waarvan je je pas bewust wordt wanneer je de zintuiglijke wereld (bijvoorbeeld al tekenend of schilderend) ‘doodt’. Het Ik wordt dan uit het fysieke lichaam bevrijd, zoals dat ook gebeurt wanneer iemand sterft. Ook dan kun je het Ik van een mens gewaarworden, wanneer je tenminste kijkt met een kunstzinnig oog. Rudolf Steiner beschrijft hoe de geest van de gestorvene zich geleidelijk uitbreidt en steeds groter wordt: de hele wereld wordt zijn ‘lichaam’. En in dat nieuwe lichaam kun je hem soms herkennen, bijvoorbeeld tijdens begrafenissen. De gestorvene manifesteert zich dan in de omgeving, door middel van sprekende beelden. Zo herinner ik mij de begrafenis van mijn leraar op Schoonselhof in Antwerpen, een prachtige plek overigens. Het was een ietwat sombere, bewolkte dag, maar exact op het moment dat zijn assen werden uitgestrooid, brak de zon door en zette de bomen, waar hij zo van hield, in volle luister. Hoe groot was de kans dat die twee zaken – het vallen van de assen en het verschijnen van de bomenpracht – niet alleen samenvielen, maar ook nog eens tekenend (sic) waren voor de dode? Ik twijfelde er niet aan: hij was daar. Ik werd zijn geest gewaar, niet rechtstreeks maar in een beeld, in ‘de vorm van de idee’. 

In een dergelijke imaginatieve sfeer maakt het Ik van de mens zich kenbaar. Het is een sfeer die ontstaat wanneer de fysieke, materiële sfeer vernietigd wordt, wanneer een mens sterft of wanneer hij door een portrettist ‘gedood’ wordt. De bovenzintuiglijke sfeer is sowieso een kunstzinnige sfeer. Aan een dood lichaam is niets kunstzinnigs: het valt uiteen, het gaat tot ontbinding over, het stinkt en het is lelijk. Daarom begraven of verbranden we het ook. Toch is deze akelige, dode sfeer onlosmakelijk verbonden met de levende, geestelijke sfeer, want zonder haar vernietigingsprocessen kan er nooit kunst ontstaan. De kunstenaar moet doden om nieuw leven te creëren. Dat geldt zowel in de cultuur als in de natuur. De dood, schreef Goethe, is een kunstgreep van de natuur om meer leven te hebben. Kunst is een ars moriendi. De kunst van het scheppen is altijd ook de kunst van het doden. 

Uiteraard doodt de kunstenaar niet de levende werkelijkheid zelf. Wat hij doodt, is zijn gehechtheid eraan, het zintuiglijke genot dat hij eraan beleeft. Want de (beeldende) kunstenaar is per definitie een zinnelijk mens. Hij geniet intens van de zintuiglijke vormen van de werkelijkheid. Hij beleeft die als het ware in en met zijn eigen lichaam, het lichaam waardoor hij deel uitmaakt van de aardse, fysieke werkelijkheid. Van die werkelijkheid moet hij zich losmaken als hij haar wil tekenen. Hij moet zijn zinnelijk genot overwinnen. En dat voelt aan als een sterven, een sterven waardoor zijn eigen Ik zich kan bevrijden en scheppend actief worden. 

Dat is dan ook wat ik als leerling aan de academie geleerd heb: sterven, zintuiglijk genot overwinnen. En dat vergde een hevige strijd, want hoe meer je gehecht bent aan de fysieke, zinnelijke wereld, des te meer moeite kost het om je daarvan los te maken. Maar juist om die inspanning gaat het: hoe heviger de ‘doodsstrijd’, des te groter de scheppende krachten die vrijkomen. Niet voor niets zegt de volksmond dat een kunstenaar moet lijden. Maar een kunstenaar lijdt niet om te lijden. Net zoals ieder mens – en door zijn zinnelijke aard wellicht nog meer – verafschuwt hij het lijden, deze tegenpool van zinnelijk genot. Maar hoe intens zijn afschuw van lijden en dood ook is, de vreugde die hij beleeft aan de scheppingskracht die erdoor vrij komt, is groter. 

Ik heb als leerling aan de academie hevige (innerlijke) gevechten geleverd met mijn Stofftrieb (mijn zinnelijke verlangen om vol genot te zwelgen in de vormen die ik tekende) omdat ik wist dat het slechte tekeningen zou opleveren. Voortdurend moest ik de strijd aangaan met de geest die me toefluisterde: kom nou, zo nauw steekt het heus niet, je zal het verschil niet merken! Maar ik had al ondervonden dat ik het verschil wél zou merken. Mijn tekening zou simpelweg niet lijken op de werkelijkheid, ze zou niet kloppen, ze zou een lachwekkend gedrocht zijn. Was dat vooruitzicht niet sterk genoeg, kon ik niet weerstaan aan de fluisterende stem van de verleider, dan was er altijd nog mijn leraar. Hij verstond de kunst om op het juiste moment te verschijnen en te zeggen: geef me je pluim eens! Ik wist dan al hoe laat het was. Zonder een woord te zeggen, veegde hij met enkele krachtige bewegingen m’n hele tekening uit. Vervolgens trok hij – na zorgvuldig gemeten te hebben – enkele rechte lijnen op m’n blad en zei: doe nu maar verder! 

Zo’n ingreep deed mijn hart in elkaar krimpen: uren van ingespannen werk in één handomdraai vernietigd! Maar ik wist dat mijn leraar deed wat gedaan moest worden als je een goede tekening wilde maken. Hij deed wat ik zelf ook wilde, maar – door die fluisterende stem – niet altijd kon. Dan stak hij een handje toe, dan hielp hij me sterven. En ik accepteerde zijn hardhandige ingrepen, want ik wist dat het niet anders kon. ‘De stem’ in me schreeuwde moord en brand om zoveel gebrek aan respect. Maar ik leerde onderscheid maken tussen mijn hogere zelf (mijn Ik) dat wist dat er moest gestorven worden, en mijn lagere zelf (mijn ego) dat alleen maar wilde leven en genieten. Ik had ondervonden dat (innerlijk) toegeven aan dat genotvolle, zinnelijke leven alleen maar dode tekeningen opleverde, terwijl uit het pijnlijke, moeizame sterven levende tekeningen geboren werden. 

Over kunst leerde ik niets aan de academie. Daar hield mijn leraar zich niet mee bezig. Zijn taak was om mij te leren sterven, om mij te helpen mijn ego te vernietigen. Dan kwamen de scheppende krachten van mijn Ik – als die er waren – vanzelf wel vrij, en daar moeide hij zich niet mee. Met je lagere zelf veegde hij de vloer aan, maar voor je hogere Ik toonde hij een scrupuleus respect. Daarom kon ik in zijn klas mezelf zijn, daarom voelde ik mij vrij – een ongekende ervaring voor een jongen die zich tijdens de week gebonden zag door regels en plichten waar hij niets van begreep. De regels die ik aan de academie moest gehoorzamen waren niet minder streng maar ik begreep ze tenminste. Ze kwamen voort uit de zaak zelf en die zaak wilde ik met hart en ziel. Daarom ‘stierf’ ik ook met hart en ziel. Ik leverde in mijn ziel de ene veldslag na de andere. Soms won ik, soms verloor ik, maar dan begon ik met verdubbelde kracht opnieuw. Want ik wist: dit is de weg, er is er geen andere! 

Mijn leraar gaf me niet alleen morele steun bij dat sterven, hij vertelde me ook hoe ik moest sterven. Drie dingen waren daarvoor nodig: meten, meten en nog eens meten. Tekenen was pure meetkunde. Een tekening was een wiskundige constructie, een volkomen dood en abstract bouwsel. Niets zintuiglijks mocht van het onderwerp overblijven, het moest herleid worden tot louter rechte lijnen. Het ‘doden’ moest grondig gebeuren, er mocht geen greintje leven overblijven. Want leven was ondoorzichtig en een tekening moest inzichtelijk en transparant zijn: alles wat op je blad verscheen diende begrepen te zijn. Daarom werkten we ook naar (gipsen afgietsels van) antieke beelden. Ze leken de fysieke mens na te bootsen, maar in werkelijkheid waren het zuiver wiskundige composities die alleen maar op de levende, zintuiglijke werkelijkheid leken omdat ze zo complex waren. Zo ging het ook als je tekende: als je dat meetkundige bouwen volhield tot op het eind, dan verscheen er een tekening die de zintuiglijke werkelijkheid volkomen recht deed. Het dode bouwsel diende niet tot leven te worden gewekt, het werd vanzelf levend.  

Dat was eigenlijk het grote mysterie waarin ik stelselmatig werd ingewijd: het mysterie van dood en wederopstanding. Uit het dode werd het levende geboren. Wat ik aan de academie leerde, was Stirb und Werde. Geen tegenstelling was groter dan tussen sterven en geboren worden, en toch waren ze één. Als je tekende, moest je niet eerst alles dood maken en vervolgens wachten tot het – op wonderbaarlijke wijze – weer levend werd. Nee, het sterven was tegelijk een verrijzen. Het herleiden van je (levende) onderwerp tot dode vormen, was tegelijk het bouwen aan een levende tekening. Beide vielen samen. Daarom realiseerde je je niet hoe wonderlijk dit was. En als je het toch opmerkte, dacht je er niet over na. Waarom zou je ook? Je had deel aan dat mysterie en je kon er niet genoeg van krijgen. Het was het mooiste wat je kende.