Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: antroposofie

Stairway to heaven

  

Tussen Leuven en Diest, op de Vlooyberg in Tielt-Winge, stond lange tijd een houten uitkijktoren die een indrukwekkend uitzicht bood over het Brabantse Hageland. In 2013 werd hij vervangen door een roestige metalen trap ontworpen door architectenbureau Close to Bone, dat zich had laten inspireren door de uitspraak van Antoine de Saint-Exupéry dat de perfectie bereikt wordt wanneer je niets meer kunt weglaten. Moderne architecten staan bekend voor hun bescheidenheid. Het perfecte ontwerp werd bekroond door een jury die de Stairway to Heaven prees voor zijn spanning, zijn fantasie en zijn absurditeit. Ceci n’est pas un escalier. In werkelijkheid ging het, zoals zo vaak met hedendaagse kunst en architectuur, om een geval van landschapsvervuiling. Ik moest dan ook lachen toen ik in de krant las dat ‘vandalen’ het gedrocht in brand hadden gestoken. Ik genoot van de verontwaardiging van burgemeester Rudi Beeken, die geen idee had wat de daders bezield kon hebben. 

Burgemeesters hebben wel vaker geen idee. Zoals Johan Van de Lanotte, die in Oostende reusachtige oranje blikken op de zeedijk heeft laten neerpoten. Of Bart De Wever, die bovenop het Antwerpse havenhuis een monstrueus jacht heeft laten bouwen. Of Daniël Termont, die middenin het historische centrum van Gent een modernistische schapenstal heeft laten optrekken. Het lijkt wel of iedere burgemeester vandaag geschiedenis wil schrijven door een architecturale aanslag te plegen op zijn stad. De vraag is of het plegen van een aanslag op zo’n aanslag nog een aanslag genoemd kan worden. Is het diefstal wanneer je een dief berooft van wat hij je ontstolen heeft? De vandalen van Tielt-Winge hebben niets anders gedaan dan wat Natuurpunt al jaren doet, en waarvoor het luid geprezen wordt: het landschap in zijn oorspronkelijke staat herstellen. De herstellers van het Hageland riskeren echter zwaardere celstraffen dan wanneer ze iemand hadden doodgereden en vluchtmisdrijf gepleegd.

Het vernielen van de Vlooybergtrap is in mijn ogen een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid, een daad van verzet tegen instanties die je – in naam van kunst en vernieuwing – de grootste rotzooi door de strot duwen. Maar dat zal wel niet het motief van de daders zijn geweest, want het is absoluut not done om je te verzetten tegen hedendaagse kunst. Die geldt namelijk als een … verzetsdaad, een opgestoken vuist tegen reactionaire krachten die de vooruitgang willen tegenhouden. En een verzetsdaad tegen een verzetsdaad is natuurlijk geen verzetsdaad maar een misdaad. Dat bleek ook uit de reactie van de inwoners van Tielt-Winge die zich als één man achter hun burgervader schaarden die verklaarde dat ‘de kracht van de gemeenschap groter is dan dit soort terrorisme’. Onmiddellijk werd een crowdfunding gestart en een plaatselijke firma beloofde de nieuwe trap gratis te voorzien van zonnepanelen zodat hij ’s nachts verlicht kan worden. Nee, de aanslag op de Vlooybergtrap viel echt niet in goede aarde. 

Aan dit fait divers moest ik denken toen ik vernam dat er tijdens de recente jaarvergadering van de Antroposofische Vereniging in Dornach eveneens een ‘aanslag’ was gepleegd. Er zou gestemd worden over de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en over de verlenging van de ambtsperiode van Bodo von Plato en Paul Mackay. Zoals verwacht werden beide vrouwen in ere hersteld, maar de twee mannen moesten de aftocht blazen. En dat laatste had men niet verwacht. De diverse voorzitters en secretarissen-generaal waren het er juist roerend over eens geweest dat de samenwerking met Bodo von Plato en Paul Mackay moest voortgezet worden. Beiden waren steunpilaren van de grote vernieuwingsbeweging die in Dornach op gang is gekomen en die niet mag worden tegengehouden. Of zoals een Vlaams bestuurslid het uitdrukte: ‘Omdat het een tijd is van grote veranderingen wordt ervoor gekozen het bestuur niet te veranderen.’ 

Dat was echter zonder de (boze) waard gerekend. Net als de Vlooybergtrap werd het progressieve Dornachbestuur opgeblazen door een bende vandalen. En net als in Tielt-Winge was de verontwaardiging over deze wandaad groot. In Antroposofie Vandaag werd gesuggereerd dat er achter de schermen van de antroposofische vereniging rechts-conservatieve, populistische krachten aan het werk zijn die streven naar ontmenselijking. Ze willen een domper zetten op het enthousiasme waarmee in bestuurskringen gewerkt wordt aan een moderne, hedendaagse antroposofie. Want ja, ze zijn enthousiast, daar in de hogere antroposofische regionen. Het gaat goed met de antroposofie. Antroposofie lééft. Antroposofie is in opmars. Antroposofie wordt naar mensen van de hele wereld gebracht. Als je de bestuurders mag geloven, gaat alles uitstekend met de antroposofie. Geen vuiltje aan de lucht. Behalve dan de duistere krachten die dit jaar de kop opstaken tijdens de jaarvergadering in Dornach. 

Het toeval wil dat ik net op dit moment het verslag lees van een andere jaarvergadering, die van 1931 als ik me niet vergis. Voorzitter Albert Steffen drukt zijn tevredenheid uit over de nieuwe wind die door de vereniging waait. Alles verloopt naar wens en hij hoopt dat het goede werk zal voortgezet worden. Maar zijn woorden zijn nog niet koud of Elisabeth Vreede komt roet in het eten gooien. Volgens haar gaat het helemaal niet goed in de antroposofische vereniging. Met name de ‘juiste methode’, waar de vernieuwers zo sterk de nadruk op leggen, is volgens haar een splijtzwam die de vereniging verdeelt en mensen buitensluit. Albert Steffen antwoordt dat hij niet weet waarover ze het heeft en dat hij haar opmerkingen ongepast vindt. Hij wordt bijgevallen door tal van medestanders en Elisabeth Vreede moet afdruipen. Het vervolg is bekend: een paar jaar later wordt ze uit de vereniging gezet. De ironie wil dat ze vandaag officieel in ere wordt hersteld tijdens een jaarvergadering waarop … precies hetzelfde gebeurt als toen.  

Opnieuw is er een vernieuwingsbeweging actief, opnieuw is het bestuur enthousiast, en opnieuw komt iemand de vreugde vergallen. Dit keer is het geen moedige enkeling die zich verzet tegen de vernieuwers, maar een groep anonieme leden. Wie zijn ze? Waar komen ze vandaan? Wat bezielt hen? Ik heb geen idee. Wat ik echter wel weet is dat ze bestempeld worden als conservatief en dat Bodo von Plato zeer progressief was. Tijdens zijn – lange – ambtsperiode ijverde hij onverdroten om de antroposofie aansluiting te doen vinden bij de actuele tendenzen in de maatschappij, onder meer door de banden met de hedendaagse kunst aan te halen. Het was onder zijn bevoegdheid dat er in 2007 – bij wijze van kunst – bananenschillen werden gestrooid in het Goetheanum. Ik kan me moeilijk voorstellen dat iedereen daarover stond te juichen. Wat ik me wel kan voorstellen is dat degenen die dit een blasfemische daad vonden zich even machteloos voelden als Elisabeth Vreede destijds. 

Hebben de zogenaamde conservatieven gewacht op een kans om hun gram te halen zonder het het lot van Elisabeth Vreede te ondergaan? Best mogelijk. Wie zich vandaag openlijk verzet tegen de vernieuwingstendensen zoals ze leven in hedendaagse kunst en politieke correctheid, wordt zonder pardon uitgesloten. Dat die tendenzen ook in de antroposofische vereniging leven, daarover laat Antroposofie Vandaag weinig twijfel bestaan. Het verzet tegen Bodo von Plato en Paul Mackay wordt er bestempeld als rechts, populistisch en zelfs dehumaniserend. De boodschap is duidelijk: dit willen we niet in onze vereniging! Wat zich in de jaren ’30 van de vorige eeuw afspeelde in de antroposofische vereniging speelt zich met andere woorden ook vandaag weer af. Opnieuw zijn de vernieuwers er heilig van overtuigd de goede zaak te dienen, en opnieuw beschouwen ze ieder verzet tegen hun inspanningen als een vandalenstreek, een vorm van terrorisme, het werk van de duivel. 

Zullen ze het opnieuw zover drijven hun tegenstanders uit de vereniging te zetten? Die kans is klein. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Maar betekent dat dat de geschiedenis zich niet zal herhalen? Of betekent het alleen dat ze zich niet op dezelfde (openlijke) manier zal herhalen? Over de tweespalt die zichtbaar werd tijdens de afgelopen jaarvergadering, de tweespalt tussen een progressief bestuur en een conservatief verzet, schrijft de columnist van Antroposofie Vandaag bij wijze van besluit: moeten we daar wel onze energie in steken? Het is een verzuchting die doet vermoeden dat de vernieuwers zich niets zullen aantrekken van het ongenoegen dat ze opwekken. Waarschijnlijk zullen ze gewoon doorgaan zoals ze bezig zijn, in de stellige overtuiging dat hun Stairway to Heaven de enige juiste weg is. Misschien zullen ze hem bij wijze van statement nog wat hoger maken, zoals ze dat ook in Tielt-Winge van plan zijn, en verklaren dat de kracht van de antroposofische vereniging groter is dan dit soort terrorisme.

Is dit niet wat antroposofen al bijna 100 jaar doen: de kloof negeren die dwars door de vereniging loopt? Kort voor zijn dood drukte Rudolf Steiner hen op het hart dat ze zich kost wat kost bewust moesten worden van deze interne verdeeldheid. Het mocht niet baten. Tot op de huidige dag blijven ze oostindisch doof voor zijn laatste, dringende oproep. In plaats van de antroposofische oer-dualiteit onder ogen te zien, blijven ze blindelings streven naar eenheid en vrede, niet beseffend dat ze juist daardoor de kloof alleen maar groter maken. Ze doen daarmee net hetzelfde als de progressieven overal ter wereld, de hemelbestormers die al zoveel onheil over de mensheid hebben gebracht. Koppig blijven ze volharden in de boosheid en ieder verzet tegen hun inspanningen om een perfecte wereld te bouwen, doen ze af als het werk van de Satan. Het zou, net als de hele vaudeville rond de Vlooybergtrap, hilarisch zijn, ware het niet om te huilen. Want zijn antroposofen niet juist geroepen om het verschil te maken? 

Advertenties

De Rechtvaardige Rechters

  

Vijfhonderd jaar geleden bezocht Albrecht Dürer Vlaanderen en kuste in Gent het Lam Gods, volgens hem het mooiste schilderij ter wereld. Hij was niet de enige die dat vond, want geen enkel kunstwerk zou ooit meer gestolen worden. De bewogen geschiedenis het 15de eeuwse retabel doet een beetje denken aan de lotgevallen van die andere afbeelding van het Lam Gods, de lijkwade van Turijn. Het mag een wonder heten dat ze allebei de aanslagen overleefd hebben waarvan ze het doelwit waren. Wat het schilderij betreft, werd nog maar pas een tot dusver onbekende aanslag ontdekt. Tijdens de restauratie die momenteel aan de gang is, kwam aan het licht dat de kop van het oorspronkelijke lam overschilderd werd en dat we dus al eeuwenlang naar een vals lam kijken. Of hoe de kunst opnieuw de werkelijkheid weerspiegelt. Want is de Christus die we eeuwenlang vereerd hebben niet ook een vervalsing? Zit de echte Christus niet verborgen onder een dikke laag materialisme? 

Het metaforische karakter van de kunst in het algemeen, en het Lam Gods in het bijzonder, blijkt nog het meest uit de verdwijning van de Rechtvaardige Rechters, het paneel dat in 1934 gestolen werd en sindsdien spoorloos is. Van alle twaalf de panelen die het Lam Gods telt, blijft uitgerekend dat paneel onvindbaar waarop gepersonifieerd staat wat vandaag zo schrijnend ontbreekt, zowel in de kunstwereld als daarbuiten: het vermogen om een juist en rechtvaardig oordeel te vellen. Met het scheppende vermogen van de mens scheelt er niets. Het maakt deel uit van zijn eeuwige wezen en is als zodanig onaantastbaar. Maar dat laatste kan niet gezegd worden van het oordeelsvermogen. Dat is een eigenschap die de mens op aarde moet ontwikkelen en waarvoor hij zelf verantwoordelijk is. Albrecht Dürer had die eigenschap ontwikkeld. Hij oordeelde rechtvaardig over het Lam Gods en dat oordeel wekte de liefde en bewondering die hem het schilderij deden kussen. 

Tot zo’n rechtvaardig oordeel is de mens vandaag niet meer in staat. Hij ziet geen verschil meer tussen het Lam Gods en een hoop afval. Voor hem is het allemaal kunst en derhalve voorwerp van bewondering. Het lijkt misschien onschuldig om pispotten, conservenblikken en bananenschillen als kunst te beschouwen – en dat als een teken van ruimdenkendheid, progressiviteit en spiritualiteit te zien – maar het is een oordeel dat de kunst zwaar onrecht aandoet. Alles van waarde is immers weerloos. Ook de kunst levert zich over aan het oordeel van de mens en schenkt hem daardoor de mogelijkheid om vrij te oordelen. Is zijn oordeel rechtvaardig, dan komt de kunst tot bloei en is er ruimte voor vrijheid. Is zijn oordeel daarentegen onrechtvaardig dan wordt de kunst overwoekerd door het waardeloze en is er geen plaats meer voor vrijheid. Het is het oordeelsvermogen van de mens dat bepaalt in hoeverre zijn scheppingsvermogen zich kan ontplooien. Alleen wanneer zijn oordeel rechtvaardig is, kan er kunst ontstaan.

De hedendaagse kunstenaar produceert waardeloze rommel, niet omdat zijn scheppingsvermogen het laat afweten, maar omdat er over kunst onrechtvaardig geoordeeld wordt. De hedendaagse kunst weerspiegelt het onvermogen van de moderne mens om een anschauende Urteilskraft te ontwikkelen en kunst werkelijk te zien. Het waarnemen van kunst is altijd een oordelend waarnemen. Faalt het oordelen, dan is er ook geen zien. Het is deze blindheid die een grootschalige vervalsing van het scheppingsvermogen mogelijk maakt. Beroofd van zijn oordeelsvermogen maakt de mens afval in plaats van kunst, en hij ziet het niet. Deze blindheid verspreidt zich in toenemende mate ook buiten de kunst. Het valt de mens steeds moeilijker om rechtvaardig te oordelen, om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. En ook hier is het gevolg van zijn falende oordeelsvermogen dat alles vervalst wordt. Liefde verandert in haat, scheppen in vernietigen, waarheid in leugen, zonder dat men het merkt. 

De hedendaagse mens tast steeds meer in het duister. Het lukt hem niet meer zijn oordeelsvermogen weer aansluiting te doen vinden bij de waarheid. Ook dat maakt deel uit van de metafoor van de Rechtvaardige Rechters. Keer op keer duiken er mensen op die beweren te weten waar het gestolen paneel zich bevindt, maar telkens weer loopt het met een sisser af. Afgelopen maand was het de beurt aan jeugdschrijver Marc De Bel die er meteen een spannend boek over schreef. Volgens hem zou het vermiste paneel verborgen zitten onder de Gentse Kalandeberg, een pleintje op honderd meter afstand van de Sint-Baafskathedraal, de thuishaven van het Lam Gods. Toevallig is de Kalandeberg ook de plek waar Jacob Van Artevelde vermoord werd, dus dat biedt stof voor een kleurrijke roman. Maar of de fictie van Marc De Bel overeenkomt met de realiteit is zeer de vraag. Men heeft al zo vaak aangekondigd de schuilplaats van de Rechtvaardige Rechters ontdekt te hebben, en telkens opnieuw bleek het fake news te zijn. 

Hoe gaat men er zich trouwens van vergewissen dat het paneel zich werkelijk onder de Kalandeberg bevindt? Het plein is momenteel een trendy winkelwijk en de handelaars zullen wel niet staan springen om daar graafwerken te laten uitvoeren. Ook daarin schuilt weer een metafoor, want zijn het geen economische belangen waaronder het menselijke oordeelsvermogen bezweken is en die beletten dat het zich weer kan herstellen? We oordelen niet langer in functie van de waarheid, maar in functie van het materiële nut. De waarheid bestaat volgens ons niet en bijgevolg is het onmogelijk om tot een objectief – en rechtvaardig – oordeel te komen. Oordelen is voor ons niets anders dan een middel om materiële macht te verwerven. Op dat principe is ook de moderne wetenschap gebaseerd: kennis is macht. Waarheidsvinding en machtsverwerving zijn in onze ogen hetzelfde. Wil Marc De Bel de Rechtvaardige Rechters vinden, of is hij alleen maar uit op roem en geld? Waarschijnlijk weet hij het zelf niet. 

Daarmee houdt de metaforiek echter niet op. Aan de achterkant van de Rechtvaardige Rechters bevond zich het paneel waarop Johannes de Doper afgebeeld staat, de ziel die volgens Rudolf Steiner de grote voortrekker van de antroposofie is. En wat wil de antroposofie anders dan de moderne wetenschap weer verbinden met de waarheid, dat wil zeggen met het Lam Gods? Maar daarvoor zullen de Rechtvaardige Rechters – bij wijze van spreken – eerst weer verenigd moeten worden met Johannes de Doper, want het wordt met de dag duidelijker dat het oordeelsvermogen van de moderne mens zich zonder de inzichten van de antroposofie niet zal kunnen herstellen. Het zal verder wegrotten zoals dat waarschijnlijk ook het geval is met de Rechtvaardige Rechters. Als het paneel zich inderdaad onder de Kalandeberg bevindt, dan zit het al bijna 85 jaar in de (zeer vochtige) ondergrond van Gent en zal er niet veel meer van overblijven. Ook dat is weer een metafoor, want is het moderne oordeelsvermogen niet reeds zwaar aangetast door emoties en driften? 

Als Marc De Bel gelijk heeft en de Rechtvaardige Rechters worden teruggevonden, zal het paneel waarschijnlijk onherstelbaar beschadigd blijken te zijn. We zullen ons dan verder moeten behelpen met de kopie van Jan van der Veken, die al sinds jaar en dag het origineel vervangt. Wie ziet trouwens het verschil nog? Alles zal met andere woorden bij het oude blijven. Leveren eventuele graafwerken op de Gentse Kalandeberg daarentegen niks op dan blijft het raadsel onopgelost en zal men blijven zoeken. De mogelijkheid bestaat dan dat men vroeg of laat het beeldkarakter van dit mysterie ontdekt en dat de (materiële) zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters een (geestelijke) zoektocht wordt naar het vermiste oordeelsvermogen van de mens. Er is natuurlijk ook altijd nog de mogelijkheid dat het paneel in opdracht werd gestolen en nu deel uitmaakt van een of andere geheime privé-verzameling. In dat geval zal het wel nog in goede staat zijn en blijft de hoop bestaan dat het ooit weer boven water komt. 

Juist de diefstal van de Rechtvaardige Rechters vestigt onze aandacht op het mysterie van het Lam Gods. En dat is niet het mysterie van de verborgen metaforen in dit schilderij. Jan Van Eyck was geen esotericus, althans niet in de oude betekenis van het woord. Zijn werk was opvallend aards en zintuiglijk, zowel naar inhoud als naar vorm. Hij stond met één been nog in de mystieke middeleeuwen, maar met het andere stond hij reeds in de moderne tijd. Metaforen waren voor hem niet zozeer een brug naar de geestelijke wereld dan wel een rationeel spel met beelden en begrippen. Dit tegelijk mystieke en rationele karakter komt ook tot uitdrukking in de vermeende samenwerking met zijn broer Hubert. Van deze Hubert Van Eyck is geen enkel schilderij met zekerheid bekend en het is zeer de vraag of hij wel bestaan heeft. Dat twee geniale broers samen ‘het mooiste schilderij ter wereld’ geschilderd zouden hebben, klinkt in ieder geval meer als een metafoor dan als een historisch feit.

De ‘gebroeders Van Eyck’ zijn waarschijnlijk een beeld van de twee werelden die broederlijk samenwerkten in Jan van Eyck: een hemelse en een aardse, een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke. Deze samenwerking markeert het begin van een nieuw tijdperk: dat van de bewustzijnsziel. Het nieuwe zelfbewustzijn dat in de 15de eeuw ontstond, kwam tot uitdrukking in de nieuwe olieverftechniek die Jan Van Eyck zo meesterlijk beheerste. Zijn devies luidde: als ich can. Wat hij met olieverf kon was inderdaad fabelachtig en hij wist het. Zijn beroemde portret van de Arnolfini’s signeert hij midden op het schilderij, in calligrafische letters die op zich reeds een meesterwerk vormen. Ze getuigen van een scheppings- en oordeelsvermogen dat als uit het niets opduikt, want Jan Van Eyck is 42 jaar oud als hij het Lam Gods voltooit en het is het eerste schilderij dat we van hem kennen. Alsof hij nooit eerder geschilderd heeft, wat natuurlijk onmogelijk is. Maar wat is er dan gebeurd met de schilderijen uit de eerste 40 jaar van zijn leven? 

Het mysterie van het Lam Gods is het mysterie van een bijna bovenmenselijk kunnen. Het beroemde retabel is een werk van groot formaat, maar het is geschilderd met heel kleine penseelstreken. Jan Van Eyck was een miniatuurschilder, maar dan in het groot. De manier waarop hij erin slaagt het heel kleine te verbinden met het heel grote is zonder meer verbijsterend. Maar het mysterie van het Lam Gods spreekt niet alleen uit het schier bovenmenselijke kunnen van Jan Van Eyck, het spreekt ook uit het bovenmenselijke weten dat tot uitdrukking komt in wat we de ‘karmische metaforiek’ van dit werk zouden kunnen noemen. Jan Van Eyck kon onmogelijk weten dat de Rechtvaardige Rechters 500 jaar later gestolen zouden worden en dat op datzelfde moment ook het oordeelsvermogen van de mens ontvreemd zou worden. Dit was niet langer het spel met metaforen dat hij zo graag speelde. Hier speelde een kunstzinnige geest die de grenzen van tijd en ruimte overschreed, een bovenmenselijke geest. 

Het mysterie van het Lam Gods is het mysterie van een bovenmenselijk kunnen en een bovenmenselijk weten. Het kunnen manifesteert zich in de ruimte en spreekt ons gevoel aan. Het weten ontplooit zich in de tijd en spreekt ons denken aan. Maar noch de kunstzinnigheid noch de metaforiek van het Lam Gods kunnen bewezen worden, ze kunnen alleen ervaren worden. Hetzelfde geldt voor de antroposofie die – via de figuur van Johannes de Doper – deel uitmaakt van het mysterie van het Lam Gods. De geesteswetenschap laat zich niet bewijzen zoals de natuurwetenschap. Haar bewijs ligt in de beleving, in de ervaring. Zij is niet louter een kwestie van hoofd en lichaam zoals de moderne wetenschap. Zij is ook – en vooral – een kwestie van hart en ziel, zoals de kunst. Haar imaginatieve benadering van de werkelijkheid wortelt in de kunst en haar waarde en waarheid kan, net zoals die van de kunst, alleen ‘bewezen’ worden door de allerindividueelste beleving. 

Maar juist die individuele beleving werd de moderne mens ontstolen. In 1917, nog voor de diefstal van de Rechtvaardige Rechters, stelt Marcel Duchamp een pispot tentoon die zijn artistieke waarde louter en alleen ontleent aan zijn … metaforische karakter. Er verschijnt een kunst op het toneel die uit louter metaforen bestaat en die de mens ertoe aanzet om in beelden te denken. Op het eerste gezicht lijken de woorden van Rudolf Steiner bewaarheid te worden: ‘we zien hoe ook de kunst dezelfde geest in de cultuur laat instromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie.’ Maar de hedendaagse kunst is een vervalsing. De geest die ze in de moderne cultuur laat stromen, is niet dezelfde als die van de antroposofie. Het is een geest die geen enkel respect heeft voor onze individuele beleving. Hij laat ons niet de vrijheid om zelf een oordeel te vormen en op eigen kracht een imaginatief denken te ontwikkelen. Hij dwingt ons integendeel om blindelings te geloven wat ‘ingewijden’ ons vertellen. 

De hedendaagse kunst wekt in ons niet het vermogen om imaginatief te denken, zij verlamt het juist. We zijn als kijker niet in staat haar metaforen te begrijpen en op die manier door te dringen tot de bedoelingen en het wezen van de kunstenaar, laat staan tot het hogere bewustzijn dat hem inspireert. Willen we niet doorgaan voor meelijwekkende blinden en achterlijke cultuurbarbaren, dan moeten we dat bewustzijn, dat wezen en die bedoelingen veronderstellen, ook al kunnen we ze op geen enkele manier waarnemen. De hedendaagse kunst ontslaat ons van de inspanning ons oordeelsvermogen te ontwikkelen tot een zien. In ruil schenkt zij ons een overvloed aan kant-en-klare oordelen die we gewoon moeten overnemen. Ze brengt ons in de waan dat we een hogere, imaginatieve bewustzijnstrap bereikt hebben, maar in werkelijkheid zakken we weg op een lagere trap, omdat we geen moeite meer doen ons oordeelsvermogen te ontwikkelen, omdat we denken vervangen door geloven. 

‘Ich bin der Geist der stets das Böse will, und stets dat Gute schafft’, schrijft Goethe. De geest van de hedendaagse kunst wil de ontwikkeling van het imaginatieve denken lam leggen, maar juist daardoor vestigt hij de aandacht op het grote belang van dat denken. De geest die Arsène Goedertier bezielde, de vermoedelijke dief van de Rechtvaardige Rechters, had weinig goeds in de zin. En toch vestigt juist zijn diefstal de aandacht op het mysterie van het Lam Gods, op de nieuwe esoterie die daaruit spreekt, de esoterie van het zichtbare. We moeten die aandacht natuurlijk willen schenken. Het is veel gemakkelijker om ons de oude esoterie, de esoterie van het onzichtbare, te laten aanreiken door ingewijden. Het hangt dus van onszelf af of we deze stap van oud naar nieuw zetten en op de manier meewerken met de geest die het kwade steeds ten goede keert, de geest van het Lam Gods. Misschien kunnen we daar eens over nadenken wanneer we straks uitrusten op de Kalandeberg terwijl voor Sint Baafs de hel weer losbarst. 

De vervalsing van de mens (2)

  

In museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam (waar ik ooit een adembenemende Pieter Breughel zag) loopt momenteel een tentoonstelling die bestaat uit drie reusachtige drollen. Bezoekers krijgen de gelegenheid een handgemaakt naaktpak aan te trekken waarmee ze de kunstwerken kunnen bezichtigen en betasten. Of de drollen ook handgemaakt (dan wel darmgemaakt) zijn, weet het krantenbericht niet te vertellen. Wel komen we te weten dat de tentoonstelling door critici bejubeld wordt als taboedoorbrekend. 101 jaar nadat Marcel Duchamp een pispot als kunstwerk tentoonstelde, kan dat tellen als statement. Het vertelt ons dat de kunst al meer dan een eeuw in een kringetje ronddraait en dat deze stagnatie gezien wordt als grensverleggend. Hoe dieper de kunst wegzinkt in een sfeer van pis, kak en stront, des te beter. Dat lijkt het nieuwe ideaal te zijn in de wereld van kunst en cultuur: de grens steeds verder naar onder verleggen.

Reeds in 1961 stelde Piero Manzoni zijn eigen uitwerpselen tentoon, en sindsdien keert dat stront-thema steeds weer terug. Wim Delvoye werd wereldberoemd met zijn kak-machines, een ander Vlaams kunstenaar boetseerde een manshoog zelfportret uit zijn eigen darmproductie, en tijdens performances kunnen we kunstenaars letterlijk kunst zien schijten. Stront is – zoal niet letterlijk dan toch figuurlijk – de bruine draad die door de hedendaagse kunst loopt. Art is shit. Kunst bestaat vandaag uit afvalproducten waarmee men wil choqueren, weerzin oproepen en verontwaardiging wekken. Tenminste, dat was aanvankelijk de bedoeling. Marcel Duchamp en Piero Manzoni wilden tegen de schenen van het establishment schoppen en de goegemeente wakker schudden. Maar hedendaagse kunstenaars wekken al lang geen woede of ontzetting meer. Ze oogsten alleen nog bewondering en succes. De meest prestigieuze musea ter wereld ontvangen hen met open armen. Zelfs het Goetheanum in Dornach doet dat. 

Volgens Rudolf Steiner is kunst het hoogste wat de mens op aarde kan bereiken. Het is met andere woorden het doel van de mensheidsontwikkeling, het ideaal van de antroposofie. Welnu, de hedendaagse kunst is erin geslaagd dat doel in zijn tegendeel te keren. Ze heeft het allerhoogste vervangen door het allerlaagste en dat nieuwe ideaal maakt furore. De afgelopen 100 jaar is de moderne cultuur langzaam weggezonken in een beerput en ze blijft zinken. Niemand had in de tijd van Rudolf Steiner kunnen geloven dat er ooit stront zou tentoongesteld worden in de Europese musea voor schone kunsten of dat er bananenschillen zouden gestrooid worden in het Goetheanum in Dornach. Vandaag is dat echter de normaalste zaak van de wereld, niemand protesteert er nog tegen, wel integendeel. Wie zich verzet tegen deze rechtsomkeer van de beschaving wordt weggehoond als een cultuurbarbaar, een achterlijk en bekrompen mens, een slechte antroposoof.   

Wat in de wereld van de kunst gebeurt, gebeurt ook daarbuiten. Het wordt met de dag duidelijker dat kunst een pars pro toto is, een deel dat het geheel weerspiegelt. De hedendaagse kunst wordt geboren in 1917, wanneer Marcel Duchamp zijn fameuze pispot tentoonstelt. In datzelfde annus horribilis verschijnen Amerika en Rusland op het wereldtoneel en begint de ‘verscheuring’ van Europa. Zowel in de kunst als in de werkelijkheid steekt een kwaadaardige geest de kop op die het Europese mensheidsideaal in zijn tegendeel keert. De gevolgen zijn vreselijk. Opeens verandert de beschaafde mens in een roofdier dat zijn soortgenoten verscheurt en enorme bloedbaden aanricht, allemaal in dienst van het nieuwe ideaal. De menselijkheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en de kunst weerspiegelt dat. Van de menselijke figuur, die in de klassieke kunst centraal stond, is in de hedendaagse kunst geen spoor meer te bekennen, tenzij als voorwerp van spot, vernedering en verminking. 

Deze verdierlijkte mens groeit uit tot een wetenschapper die ervan overtuigd is een aap te zijn, een kunstenaar die trots poseert naast zijn uitwerpselen en een gelovige die geen verschil meer ziet tussen het zaaien van terreur en het dienen van God. Hij waant zich lid van een avant-garde die de mensheid uit de duisternis van het verleden naar het licht van de toekomst leidt. Gelukkig is niet iedereen zo idealistisch, vooruitstrevend en grensverleggend als deze elitetroepen. Het domme volk heeft geen boodschap aan een wetenschap die de mens tot dier degradeert, ze weigert gebreide naaktpakjes aan te trekken om drollen te betasten en ze verafschuwt terroristen die dodelijke haat verwarren met hemelse liefde. Maar de trage massa wordt onafgebroken bestookt in de media, het onderwijs, de politiek. Door middel van hoogdravende slogans en grove beschuldigingen wordt ze stap voor stap geïnfecteerd met het nieuwe ideaal. En die propaganda werpt vruchten af: steeds meer mensen maken rechtsomkeer, steeds meer mensen willen bij de elite horen. 

We kunnen nu reeds zien waar dat zal op uitdraaien. Kunst weerspiegelt immers ook de diepere lagen van de werkelijkheid, zij maakt zichtbaar wat reeds bestaat maar nog niet aan het licht is gekomen. In die zin heeft zij een voorspellend karakter en wat zij ons toont is een wereld waarin het nieuwe ideaal vanzelfsprekend is geworden en door niemand nog in vraag wordt gesteld. De weinigen die trouw proberen te blijven aan het oude, Europese ideaal bezwijken één voor één onder de immense druk. Of ze verdwijnen van het toneel en er wordt nooit meer van hen gehoord. Want zo gaat het in deze brave new world: ofwel doen we mee, ofwel liggen we eruit. Ofwel gaan alle deuren voor ons open en worden we opgenomen in een worldwide web dat al onze wensen in vervulling doet gaan, ofwel worden we uitgestoten, vernederd en gebroodroofd. De hedendaagse geest plaatst de mens voor een keuze, hij maakt hem an offer he can’t refuse. En dat aanbod wordt aanvaard. 

De geboorte van deze heerlijke nieuwe wereld is in volle gang. Het is een onderwereld waarin iedereen zijn ziel aan de duivel heeft verkocht en niemand nog weet wat een mens is. De enkelingen die dat wel nog weten, hebben de grootste moeite om te overleven in deze beerput. Het is een nachtmerrieachtig toekomstbeeld dat de hedendaagse kunst ons voorhoudt en we durven dan ook niet kijken in deze duistere spiegel. We registreren de drollen, de pispotten en de bananenschillen wel, maar we laten de betekenis ervan niet tot ons doordringen. We zien de materie, maar sluiten de ogen voor de geest die eruit spreekt. We verkopen onze ziel aan deze duivel omdat we hem niet willen zien. Ook al staat hij levensgroot voor ons en kunnen we niet meer naast hem kijken, we ontkennen zijn bestaan. En juist deze ontkenning, deze weigering om de geest in de materie waar te nemen, maakt ons tot slachtoffer van de Grote Vervalsing, de omwisseling van hoog en laag.

We lopen blindelings in de val. In goed vertrouwen geven we ons over aan een weerzinwekkende geest die zich vermomt als kunstenaar, die zich voordoet als de redder van de wereld, de belichaming van onze hoogste idealen, de vervulling onze diepste verlangens. En zo wordt in onze ziel een kind verwekt, een nieuwe mens die de oude zal vervangen en die als twee druppels water op zijn vader zal lijken: een wolf in een schaapsvacht, onschuldig en menselijk aan de buitenkant, kwaadaardig en onmenselijk aan de binnenkant. Dit duivelskind hebben we lief als een moeder: we zijn bereid er ons leven voor te geven. Dat is dan ook wat we doen: langzaam offeren we ons oude zelf op opdat het nieuwe zal leven, in de overtuiging dat we op die manier betere mensen zullen worden. Maar het tegendeel is waar. We verdierlijken, we veranderen stap voor stap in onmensen. En niemand kan ons van het tegendeel overtuigen want ons hart is vervuld van liefde, onvoorwaardelijke moederliefde.

Deze blinde moederliefde voor het koekoeksjong in onze ziel is het grootste gevaar dat ons bedreigt. Ze brengt er ons toe onszelf op te offeren en de oude mens in te ruilen voor een nieuwe. Maar anders dan de oude mens, die probeert zijn lagere zelf onder controle te krijgen en te veredelen, doet deze heerlijke nieuwe mens precies het omgekeerde: hij probeert zijn hogere Ik onder controle te brengen van zijn lagere zelf, hij zet het dier-in-zichzelf op de troon. Dat is wat de hedendaagse kunst ons al 100 jaar toont, maar we willen het niet zien, we zien het omgekeerde. Als Jan Fabre in zijn Mount Olympus acteurs met hun piemel laat zwaaien, pissen, zich in bloederige ingewanden wentelen en meer van dat fraais, dan reageren we niet met afschuw maar met enthousiasme. We worden zelfs euforisch, alsof we een blik werpen in de wereld der goden. En dat is ook zo. Alleen zijn het niet de oude olympische goden die we hier aan het werk zien, het is de onderwereld waarin we juichend afdalen. 

Wie denkt immuun te zijn voor deze omkering onderschat de god van de onderwereld, of beter: hij herkent hem niet. Want hij is een meester in het vermommen. Een treffend voorbeeld is Joseph Beuys, hedendaags kunstenaar én antroposoof. Wat hij maakt en doet, staat qua geest en uitzicht volkomen haaks op wat in de antroposofie gebruikelijk is, maar toch wordt hij voor tal van antroposofen beschouwd als een lichtend voorbeeld, een bron van inspiratie. Jeder Mensch ein Künstler, is zijn motto, een waarheid als een koe. Maar niemand vraagt zich af wat hij met die Künstler bedoelt. Is dat iemand die, zoals vroeger, zwijgend schoonheid schept, of is het iemand die, zoals Beuys, lelijke dingen maakt en ze vervolgens mooipraat? Wat is een kunstenaar? Wat is kunst?  Rudolf Steiner heeft die vragen uitvoerig beantwoord, maar niemand lijkt dat antwoord te kennen of ernstig te nemen, want Joseph Beuys keert het radicaal om zonder dat iemand het merkt.

De hele hedendaagse kunst berust op een omkering van Rudolf Steiners esthetica, een esthetica die gebaseerd is op het werk van Goethe. In het Duitse idealisme kwam de Europese cultuur tot bloei en werd ze een aardse afspiegeling van de bovenaardse Michaëlschool die op dat moment plaatsvond (en waaruit later de antroposofie zou voortkomen). Maar tezelfdertijd stichtte Ahriman een onderaardse school waar precies het omgekeerde werd onderwezen. Van daar uit sloop in datzelfde Duitse idealisme de kunstopvatting binnen die het hele Westerse denken over kunst zou gaan beheersen en vandaag consequent wordt toegepast in de hedendaagse kunst. De tragiek is dat deze kunst – de zichtbaar geworden anti-antroposofie – niet herkend wordt door antroposofen en zelfs doorgedrongen is tot in het hart van de antroposofische wereld. Dat is geen nieuw gegeven: reeds tijdens zijn leven waarschuwde Rudolf Steiner voor de anti-antroposofie die zich in de schoot van de antroposofische vereniging ontwikkelde, in zijn onmiddellijke nabijheid. 

Kende Rudolf Steiner de pispot van Marcel Duchamp? Dat is weinig waarschijnlijk. Het was destijds niet meer dan een morbide grap in een obscure New Yorkse kunstgalerie. De geest die erachter schuilging, kende hij echter maar al te goed. Hij wist dat dit ‘onschuldige lam’ de hele menselijke beschaving aan de rand van het graf zou brengen. Toen hij zelf al met één been in het graf stond, waarschuwde hij nadrukkelijk voor dit gevaar, zonder evenwel de hedendaagse geest bij naam te noemen. Het mocht niet baten. Onmiddellijk na zijn dood liet de Grote Vijand zijn gezicht zien. Hij scheurde de antroposofische vereniging in twee en even later onderging Europa hetzelfde lot. Dat de antroposofen zo massaal voor de bijl gingen, geeft een idee van het enorme misleidingsvermogen van deze geest. Degenen die hem doorzagen stonden machteloos, ze werden zonder pardon uit de vereniging gezet en beschouwd als ketters die de brandstapel verdienden.

Het zou bijna 100 jaar duren voor ze weer in ere werden hersteld, maar dat betekent geenszins dat de grote tegenstander van de antroposofie nu ontmaskerd is. Integendeel, men blijft onverminderd blind voor de nieuwe heerser van de wereld. Als het van de Beuys-fans afhangt, dan wordt hij zelfs de inspirator van de moderne antroposofie. We mogen bidden dat het nooit zover komt dat hij de plaats van Michaël inneemt, maar ondenkbaar is het zeker niet. Want het gaat snel, de macht van de hedendaagse geest breidt zich zienderogen uit. Wie tegen hem durft in te gaan riskeert nu reeds zijn reputatie, zijn broodwinning, zijn vrijheid en zelfs zijn leven. Juist daarom moeten we ons dringend de vraag stellen: hoe slaagt de hedendaagse geest erin om de antroposofie te vervalsen zonder dat we het merken? Als we niet zelf het slachtoffer willen worden van deze duivelse omkeringskunstenaar dan moeten we proberen een antwoord vinden op die vraag. 

De vervalsing van de mens

  

Na de vervalste Russische schilderijen in het museum van Gent is er opnieuw een schandaal in de kunstwereld. In het Franse dorpje Elne, aan de voet van de Pyreneeën, blijkt de collectie van het plaatselijke museum, gewijd aan de schilder Etienne Terrus, voor meer dan de helft te bestaan uit vervalsingen. Dat werd ontdekt door een bezoeker die vaststelde dat er op sommige schilderijen gebouwen waren afgebeeld die in de tijd van de schilder – Terrus stierf in 1922 – nog niet bestonden. Bovendien bleken sommige handtekeningen nog niet droog toen hij er met zijn vinger over wreef. Nadat het personeel gealarmeerd was, werd een onderzoek ingesteld en een team van experts kwam tot de conclusie dat niet minder dan 82 werken – allemaal aangekocht in de laatste 25 jaar – vervalsingen waren. De burgemeester van Elne spreekt over een ramp en de politie is een onderzoek gestart dat zich naar verluidt niet beperkt tot de schilderijen van Terrus. De schade tot nog toe bedraagt 160.000 euro.  

Het werk van Etienne Terrus, van wie ik nog nooit had gehoord, is verre van adembenemend maar het is degelijk en kleurrijk. Een afbeelding van een van de vervalsingen daarentegen toont een grauw doek van zo’n lamentabele kwaliteit dat niet te begrijpen valt hoe een museum ooit zo’n prul heeft kunnen kopen. Het onderzoek wijst bovendien uit dat de vervalsingen geschilderd zijn op een type katoen dat nog niet in productie was toen Terrus leefde. Dat maakt de zaak nog onbegrijpelijker, want in die tijd schilderde niemand op katoen. Dit minderwaardige kunstmateriaal is pas (veel) later in voege gekomen, toen jan en alleman begon te schilderen en er massaal goedkope doeken werden geproduceerd. Al die factoren samen – het kwaliteitsverschil tussen de originelen en de vervalsingen, het gebruik van katoen als ondergrond en de nog natte verf – leiden tot de conclusie dat de verantwoordelijken van het museum in Elne ofwel totaal geen verstand hadden van kunst ofwel zo corrupt waren als de neten. 

Ik zou niet weten wat het ergste is. Het een is ook niet mogelijk zonder het ander. Wie oog heeft voor de (artistieke) kwaliteit van een kunstwerk zal niet gauw bedrogen worden, en als het toch gebeurt, is de vervalsing zo goed dat ze hoe dan ook een aanwinst is. Wat een schilderij zijn waarde geeft is immers niet wie het gemaakt heeft maar zijn kunstzinnige kwaliteit. Kan men die kwaliteit echter niet meer onderscheiden, dan wordt de handtekening het belangrijkste onderdeel van een schilderij. De vervalsers van Elne hebben niet eens de moeite gedaan om de stijl van Terrus na te bootsen, ze hebben gewoon een schilderij genomen met onderwerpen uit de streek en er zijn handtekening onder gezet. Ze hebben zelfs niet gewacht tot die handtekening droog was, zo klein was blijkbaar de kans op ontdekking. Of was de vraag zo groot dat ze het niet konden bijhouden? Waarom anders zo’n risico lopen? Met de huidige siccatieven duurt het geen week voor een handtekening in olieverf droog is. 

Het doet me denken aan een uitspraak van mijn leraar. Er zijn, zo zei hij ooit, drie dingen waarmee je op korte tijd heel veel geld kunt verdienen: sex, drugs en kunst. De eerste twee zijn in handen van de georganiseerde misdaad, dus waarom zou dat ook niet het geval zijn met de kunst! Wie ziet welke gigantische bedragen er vandaag omgaan in de kunsthandel moet zich wel de vraag stellen: wie houdt hier de touwtjes in handen? Ik las ooit een interview met een (anonieme) schilderijenvervalser. Hij vertelde dat er tijdens de onderhandelingen met zijn opdrachtgevers altijd een pistool op tafel lag. Het waren met andere woorden gangsters. Hij beweerde ook dat een aanzienlijk percentage van alle schilderijen in musea vervalsingen zijn. Als dat klopt, dan zijn misdaad en vervalsing veel dieper in de kunstwereld doorgedrongen dan we durven vermoeden. Een recent krantenbericht lijkt dat te bevestigen: 2000 kunstwerken uit het bezit van de Vlaamse overheid zijn spoorloos verdwenen, niemand weet waar ze gebleven zijn. 

Ik kan niet zeggen dat het me verbaast. Meer dan eens heb in musea vastgesteld dat een meesterwerk waar ik regelmatig ging naar kijken er op een dag niet meer hing. Het was vervangen door een werk van veel mindere kwaliteit. Had men het uitgeleend? Moest het gerestaureerd worden? Was het tijd voor iets anders? Ik had er het raden naar. Misschien was het wel verpatst om recenter werk te kunnen aankopen. Ondenkbaar is dat niet. Klassieke musea zitten in moeilijke papieren. Ze krijgen veel minder subsidies dan hedendaagse musea en staan onder grote druk om hun collectie te ‘actualiseren’. Oude kunst moet langzaam maar zeker het veld ruimen voor nieuwe kunst, en dat opent tal van criminele mogelijkheden. De ‘vernieuwing’ van het kunstbezit is op zich reeds een vervalsing, en wel van het begrip ‘museum’. Een museum is een bewaarplaats van (de quintessens van) het verleden. Het is voor de cultuur wat de herinnering is voor de mens. Daarom is een museum voor hedendaagse kunst een contradictio in terminis

Er vindt in onze tijd een grootschalige vervalsing plaats, niet alleen van kunstwerken maar ook – en vooral – van het begrip kunst zelf. Dat kunstwerken ongemerkt vervangen worden door vervalsingen en musea stiekem ingeschakeld worden in de kunsthandel, is alleen mogelijk doordat de mens het wezen van de kunst – datgene wat iets tot kunst maakt – niet meer waarneemt. Hij is blind geworden voor de geestelijke dimensie van het kunstwerk. Hij kan een meesterwerk niet meer onderscheiden van een tweederangswerk, of een origineel van een vervalsing. Hij ziet het verschil in kwaliteit niet meer. Daardoor wordt hij het slachtoffer van vervalsers en heeft hij geen verhaal tegen intellectuelen die met veel vertoon van geleerdheid betogen dat ook een pispot kunst kan zijn. Deze kunstgeleerden maken hem wijs dat er niet zoiets bestaat als ‘artistieke kwaliteit’, maar dat het een waanbeeld is gecreëerd door witte mensen om gekleurde mensen te onderdrukken. 

Het materialisme heeft ons blind gemaakt voor de geestelijke wereld en dat komt tot uiting in de teloorgang de religie. Maar de teloorgang van de kunst toont aan dat het materialisme ons paradoxaal genoeg ook blind maakt voor de materiële wereld. Het schandaal van Elne illustreert dat duidelijk. De museumverantwoordelijken zagen geen verschil in artistieke kwaliteit tussen de originele schilderijen en de vervalsingen. Ze hadden met andere woorden geen oog voor de geestelijke kwaliteit van de schilderijen. Maar ze hadden evenmin oog voor hun materiële kwaliteiten: het feit dat ze op katoen waren geschilderd, het feit dat de verf nog nat was, het feit dat er gebouwen op afgebeeld waren die in de tijd van Terrus nog niet bestonden. Deze veronderstelde deskundigen waren met andere woorden dubbel blind: ze zagen noch de geest noch de materie van de kunstwerken. Ze registreerden (het bestaan van) die materie wel, maar ze besteedden er verder geen aandacht aan. 

Dat de moderne mens niet meer in staat is de geestelijke wereld waar te nemen, hoeft geen betoog. Wat hij echter veel minder beseft, is dat hij ook het vermogen begint te verliezen om de materiële wereld waar te nemen. Hij kan het nog wel, maar hij wil het niet meer. Waarnemen is een wilsactiviteit, het is iets wat de mens (bewust of onbewust) wil. En juist die wil-tot-waarnemen wordt zienderogen (sic) zwakker. Dat zien we vandaag overal, en lang niet alleen in de kunst. De verschillen tussen man en vrouw bijvoorbeeld, of de verschillen tussen rassen en volkeren, of tussen religies en culturen: de moderne mens wil ze niet meer zien. Hij verzet zich in toenemende mate tegen hun onderscheid. Zelfs de verschillen tussen mens en dier negeert hij. Hij wil dieren dezelfde rechten toekennen als mensen en baseert zich daarvoor op hun – onzichtbare -genetische gelijkenissen. De zichtbare verschillen daarentegen, hoe lachwekkend groot ook, zijn voor hem van geen tel meer. Hij doet alsof ze niet bestaan.

Hoe valt die onwil te verklaren? Waarom wil de mens de zintuiglijke werkelijkheid niet meer ondescheiden? Waarom sluit hij de ogen voor het – nochtans eclatante – verschil tussen man en vrouw, tussen mens en dier, tussen kunst en afval? De reden voor deze moedwillige blindheid ligt in zijn onbewuste verlangen naar de geest. Diep in zijn ziel weet de moderne mens hoeveel ervan afhangt dat hij weer contact maakt met de geestelijke wereld. Maar op datzelfde onbewuste niveau weet hij ook dat het waarnemen van de materiële wereld het waarnemen van de geest verhindert. Beide waarnemingen sluiten elkaar uit, op dezelfde manier als je niet tegelijk de nachtelijke sterrenhemel en de natuur overdag kunt zien. Daarom onderdrukt de moderne mens zijn zintuiglijke waarnemingen: om ruimte te scheppen voor bovenzintuiglijke waarnemingen. Het gevolg is echter dat les extrêmes se touchent: beide waarnemingen vermengen zich ongemerkt en vertroebelen zijn onderscheidingsvermogen. 

Twee grote onbewuste verlangens of driften leven in de ziel van de mens: het luciferische verlangen naar de geest (de Formtrieb) en het ahrimaanse verlangen naar de materie (de Stofftrieb). In de 19de eeuw leek Lucifer het loodje te leggen, want de materialistische Ahriman zegevierde op alle fronten. Maar toen het Duistere Tijdperk ten einde liep, maakte de spirituele Lucifer zijn comeback. Sindsdien woedt in de ziel van de mens een hevige strijd tussen beide driften. Verre van elkaar te compenseren en in evenwicht te brengen, zwepen ze elkaar op tot steeds grotere extremen. Onze tijd is heel wat spiritueler dan de 19de eeuw, maar hij is tegelijk ook nog een stuk materialistischer geworden. En die uitersten raken elkaar: luciferische spiritualiteit en ahrimaans materialisme vermengen zich tot een ‘materialistisch spiritualisme’ of een ‘spiritueel materialisme’. Dat heksenbrouwsel lijkt beide tegengestelde verlangens te bevredigen, maar in werkelijkheid maakt het de mens tot een speelbal van Lucifer en Ahriman. 

Als we willen voorkomen dat de strijd tussen Lucifer en Ahriman onze ziel verscheurt, dan moet we onze tegenstrijdige driften onder controle krijgen. Het luciferische verlangen naar de geest kunnen we niet beteugelen, want niet alleen wordt het steeds sterker, we hebben het ook nodig als tegengewicht voor het materialisme. De blindheid die het veroorzaakt door (onbewuste) bovenzintuiglijke waarnemingen te vermengen met onze zintuiglijke waarnemingen, kunnen we echter niet genezen door ons ahrimaanse verlangen naar materie en zintuiglijkheid (nog meer) aan te wakkeren. Dat doet de spanningen in onze ziel alleen maar hoger oplopen tot ze uiteindelijk ‘explodeert’. Als we dus onze ziel willen redden en voorkomen dat ze in stukken uit elkaar spat, moeten we een manier vinden om beide driften met elkaar te verzoenen. We moeten een verlangen ontwikkelen dat zowel zintuiglijk als bovenzintuiglijk is, een verlangen dat Formtrieb en Stofftrieb tegelijk is. Anders zijn we een vogel voor de kat.

Het goede nieuws is dat we zo’n verlangen reeds bezitten. De Spieltrieb, die op exemplarische wijze tot uitdrukking komt in de kunst, verbindt geest en materie. Een kunstwerk bestaat uit materie, maar wat het tot kunst maakt is geestelijk van aard. Het kan op geen enkele manier gemeten of bewezen worden, maar het kan wel worden waargenomen. Dat gebeurt op een dromerige, gevoelsmatige manier, want de waarneming van de materie dempt de waarneming van de geest en omgekeerd. In die subjectieve gevoelswaarneming tekent zich na verloop van tijd echter een objectieve kern af, een gevoel dat zich uitkristalliseert tot een zintuig waarmee we de zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van een kunstwerk even duidelijk kunnen waarnemen als de materiële kwaliteit. Wat een werk tot kunst maakt – wat het dus onderscheidt van een slecht of een vals werk – zien we dan in één oogopslag: het oordelen is een zien geworden, een anschauende Urteilskraft zoals Goethe het noemde.

Dit – in wezen morele – onderscheidingsvermogen hebben we nodig om onze verscheurde ziel te redden en te voorkomen dat ze helemaal desintegreert. Onze huidige moraliteit, die we te danken hebben aan de religie en die een onvrije, van bovenaf opgelegde moraliteit is, is daar niet toe in staat. Wel integendeel, ze brengt ons in toenemende mate in de problemen, denken we maar aan de islam en alles wat hij in de wereld teweegbrengt. Daarom is de vrije moraliteit die we in de kunst ontwikkelen – een moraliteit die we zelf scheppen en die niettemin universeel is – zo belangrijk. Maar nog belangrijker is dat we ons van die moraliteit bewust worden, anders kunnen we ze buiten de kunst niet gebruiken en gaat ze (in de kunst) verloren. We moeten het dromende zintuig waarmee we de artistieke, zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van kunst waarnemen wakker maken en deze gevoelsmatige waarneming ontwikkelen tot een helder zien. Dat was wat Rudolf Steiner deed toen hij Goethes anschauende Urteilskraft ontwikkelde tot de antroposofie. 

Dit ziende oordeelsvermogen is het zintuig waarmee we de ‘bloem’ van de kunst waarnemen, de zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit waarin haar wezen tot uitdrukking komt. Maar deze bloem moet bevrucht worden, ze moet doordrongen worden met denkend bewustzijn. Deze liefdesdaad werd voor het eerst door Rudolf Steiner gesteld en betekende een keerpunt in de mensheidgeschiedenis. Hij bevruchtte de kunst met de wetenschap en drong op die manier door tot het scheppende wezen van de mens. Dat bleek Christus te zijn, het grote mensheids-Ik waarvan alle menselijke Ikken deel uitmaken. Christus is degene die we in de spiegel van de kunst waarnemen en die zichtbaar wordt in de kunstzinnige, zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van een werk. Maar die kwaliteit moeten we willen waarnemen, want vanzelf gaat het niet meer. Ons oog voor kunst gaat alleen open als we er ons voor inspannen, en daarvoor moeten we geloven dat kunst kan bloeien, dat ze die unieke kwaliteit bezit en dat we ze kunnen waarnemen.

Dat geloof ontbreekt vandaag in hoge mate. Het wordt steeds meer vervangen door een (fanatiek) geloof in het tegendeel. Dit on-geloof heerst niet alleen in intellectuele kringen die artistieke kwaliteit beschouwen als een uitvinding waarmee de witte mens de wereld gekoloniseerd heeft. We treffen het aan bij zowat iedereen die enige belangstelling heeft voor kunst. Beweren dat de kunstzinnige waarde van een kunstwerk objectief kan worden vastgesteld, volstaat vandaag om bij tal van mensen verontwaardiging te wekken. Dat is een alarmerende situatie, want volgens Rudolf Steiner zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen als de wederkomst van Christus ‘verslapen’ wordt, en de spiegel van de kunst toont ons dat de hedendaagse mens de Christusgeest helemaal niet wil waarnemen. Niet alleen ontkent hij zijn bestaan met veel vertoon van geleerdheid, hij verzet er zich ook instinctief bijzonder heftig tegen. Nog liever aanbidt hij pispotten en kartonnen dozen dan dat hij bereid is in de spiegel van de kunst te kijken. 

Schandalen zoals in Gent en Elne vormen slechts het topje van een ijsberg. Vervalsingen zijn in de kunst waarschijnlijk veel talrijker dan we vermoeden. Maar daaronder gaat nog een veel groter schandaal schuil: de vervalsing van het kunstbegrip zelf, het vervangen van schilderijen en beelden door pispotten en kakmachines. Dat is op zijn beurt weer de spiegel van iets veel ergers: de vervalsing van de Christusgeest. Ieder mens voelt zich van nature aangetrokken door kunst in al zijn vormen. Wanneer hij zich echter gaat verzetten tegen de geest van de kunst en het geloof in (het bestaan van) die geest verontwaardiging bij hem wekt, dan is er in zijn ziel een wil werkzaam die niet van hem is. Door zich met deze wezensvreemde, anti-kunstzinnige wil te identificeren, neemt de mens in plaats van Christus diens tegenpool – de Antichrist – tot zijn grote voorbeeld, tot zijn morele kompas. En dat is de grootste vervalsing van allemaal, de oorzaak van het grootst mogelijke onheil: de vervalsing van de mens.

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Antroposofie en karmabewustzijn (12)

  

De wereld schreeuwt om karmabewustzijn. Zij heeft dit ‘ontwakende’ bewustzijn nodig om niet ten gronde te gaan aan de zelfvernietigende strijd tussen de tegenpolen. Geen wonder dat de tegenmachten onmiddellijk reageerden toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung dit nieuwe bewustzijn boven de doopvont hield. Na afloop werd hij ‘als door een zwaardhouw getroffen’, zoals Marie von Sivers het uitdrukte. De brand van het Goetheanum had hem al fel verzwakt, maar deze tweede aanslag op zijn krachten werd hem fataal. Een goed jaar later overleed hij, na een lange en pijnlijke ziekte. Meteen sloegen de tegenmachten een derde keer toe: de antroposofische beweging werd het toneel van een nietsontziende broederstrijd die daarna uitdeinde over Duitsland en ten slotte heel Europa in twee scheurde. Maar daarmee was het niet afgelopen. Vandaag laait die strijd opnieuw op en dit keer dreigt hij de hele menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ te brengen. 

Deze onheilspellende woorden gebruikte Rudolf Steiner toen hij sprak over oude en jonge zielen, het karmathema dat destijds hevige weerstanden opwekte, en dat vandaag nog altijd doet. Hoe pijnlijk deze weerstanden ook zijn in het licht van de wereldgebeurtenissen, ze openen tegelijk onvermoede perspectieven. Ze maken immers deel uit van de vernietigingskrachten die momenteel huishouden in de wereld en ons door hun enorme afmetingen verlammen. Dat ze de ontwikkeling van het karmabewustzijn in de antroposofische beweging saboteren is tragisch genoeg, maar ze hebben er wel niet langer dat overweldigende, apocalyptische karakter. En dat hebben we te danken aan de ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Hun ‘banale’ Urnenstreit ontwikkelde zich weliswaar tot een brand die antroposofische beweging (voor de tweede maal) in de as legde, maar ze klaarde tegelijk de lucht zodat we vandaag vrijer kunnen ademen en de vernietigingskrachten onder ogen zien. 

Ita Wegman was karmisch zeer sterk verbonden met Rudolf Steiner. Sinds oeroude tijden vormden deze twee zielen een onafscheidelijk duo. Aan het begin van de 20ste eeuw ontmoetten ze elkaar opnieuw, een ontmoeting die voor beiden van zeer grote betekenis was. Rudolf Steiner had echter het karma van Karl Julius Schröer overgenomen en zich verbonden met Marie von Sivers die 21 jaar lang zijn rechterhand zou zijn. Evenzovele jaren werd Ita Wegman verhinderd haar karmische band met Rudolf Steiner te vernieuwen. Men kan zich voorstellen wat dat in haar ziel teweeg heeft gebracht. En wat heeft het in de ziel van Marie von Sivers teweeg gebracht toen ze na 21 jaar de belangrijkste persoon in het leven van Rudolf Steiner te zijn geweest, plaats moest ruimen voor een andere vrouw? Het karma dat toen aan het werk was, vlocht intiem-persoonlijke en wereldhistorisch-bovenpersoonlijke elementen door elkaar en creëerde grote spanningen tussen beide vrouwen.

Marie von Sivers reageerde anders op die spanningen dan Ita Wegman, niet alleen omdat ze een ander temperament had, maar ook omdat ze een heel andere wereld vertegenwoordigde. Het is een hele opgave om de twee werelden die na de dood van Rudolf Steiner met elkaar in botsing kwamen in beeld te brengen, maar de eenvoudigste en veiligste manier om daarmee te beginnen is door ze te karakteriseren als een oude en een nieuwe wereld. Dat zijn natuurlijk verzamelbegrippen, zoals ook oude en jonge zielen dat zijn, maar ze vormen een aanzet, een eerste poging om karmisch licht te brengen in die toch wel zeer duistere periode tussen 1925 en 1935. Belangrijk om weten is dat Marie von Sivers en Ita Wegman zich uiteindelijk met elkaar verzoend hebben. Kort voor haar dood verklaarde Ita Wegman dat niets hun toekomstige samenwerking met Rudolf Steiner nog in de weg stond. En later zou Marie von Sivers erkennen dat de uitsluitingen een fout waren geweest. 

Als we de zusterstrijd die Marie von Sivers en Ita Wegman uitvochten vruchtbaar willen maken, dan moeten we hem in ons bewustzijn voortzetten. We moeten proberen het oerbeeld te begrijpen dat hun strijd zo diep in de antroposofische herinnering heeft gegrift. De sleutel tot dat oerbeeld heeft Rudolf Steiner ons gegeven toen hij in zijn karmavoordrachten het zielenthema onthulde. Hij wist heel goed welke spanningen er heersten tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, en wat de geestelijke achtergrond ervan was. Toen Ita Wegman hem op een keer vertelde dat ze weer eens van mening verschilde met Marie von Sivers, antwoordde hij lachend: ‘Let maar op dat ik jullie straks nog herken!’ Daarmee raakte hij iets heel wezenlijks aan en Ita Wegman voelde dat zijn grapje – zoals zo vaak – ernstig bedoeld was. Wie ooit een antroposofische ruzie heeft meegemaakt, weet dat het akeligste aspect van zo’n broederstrijd is dat mensen onherkenbaar worden, dat ze veranderen in volslagen vreemden. 

Rudolf Steiner moet heel goed geweten hebben wat er na zijn dood kon gebeuren, en hij heeft er in zijn karmavoordrachten op geanticipeerd. Toch waren deze voordrachten niet bedoeld voor zijn leerlingen van toen. Afgezien van het feit dat slechts weinigen ze hadden kunnen bijwonen, was er ook helemaal geen tijd geweest om hun inzichten te verwerken. Het karmabewustzijn had nauwelijks de kans gekregen om te ontluiken en kon dan ook geen vuist maken tegen de frontale aanval van de tegenmachten, een aanval die zowel van buiten als van binnen kwam. Nee, de karmavoordrachten waren voor ons bedoeld, voor degenen die vandaag kunnen terugkijken op de Grote Ruzie waarvan Rudolf Steiner wist dat ze hoe dan ook zou komen. Daarom had hij tijdens de Weihnachtstagung de gevolgen op zich geladen. Zonder zijn offer zou de antroposofische beweging vandaag niet meer bestaan. Ze zou ten onder zijn gegaan aan de vernietigende krachten die na zijn dood vrij spel kregen. 

Vandaag leeft de antroposofische beweging vanuit de opstandingskrachten die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen door zijn offerdood. Maar ze leeft slechts in de mate dat we ons die opstandingskrachten eigen maken, en dat doen we door inzicht te ontwikkelen in het sterven van de antroposofie. Wanneer we naar de antroposofische beweging kijken, dan zien een beweging die overmand is door doodskrachten. Een aantrekkelijk schouwspel is dat niet, zeker niet als men bezield wordt door vurige idealen, en de verleiding is dan ook groot om dit sterven te negeren. Maar wat we niet bewust onder ogen zien, werkt onbewust. Zonder het te beseffen spannen we ons voortdurend in om het naderende einde af te wenden, en het zijn juist die blinde, door angst ingegeven, pogingen die de broederstrijd opnieuw doen oplaaien, zoniet binnen de antroposofische beweging, dan toch erbuiten. Want de wereld betaalt een zware prijs voor ons onvermogen het eigen sterven onder ogen te zien.

We realiseren ons niet dat we, net als Parsifal, tegenover een zieke Visserkoning staan en verzuimen de vraag te stellen naar zijn lijden, het lijden van iemand die stervende is maar (dankzij de opstandingskrachten van de graal) toch in leven blijft. Het enige wat de zieke uit dit lijden kan verlossen, is inzicht in de aard en de oorsprong van dat lijden. Daarvoor moet de Visserkoning echter een Parsifal worden die tegenover zijn eigen lijden gaat staan en de verlossende (karma)vraag stelt. In de Visserkoning herkennen we niet alleen de ouder wordende mens die terugkijkt op zijn voorbije leven, maar ook de oude antroposofie die zich terugplooit op zichzelf. In Parsifal herkennen we diezelfde oude antroposofie die steeds objectiever tegenover zichzelf komt te staan en langzaam ontwaakt uit de droom. Daardoor wordt ze zich bewust van haar eigen ‘koninklijke’ aard, maar is daar aanvankelijk zo diep van onder de indruk dat ze niet ziet hoe zwaar gewond ze wel is. 

Datzelfde (oer)beeld kunnen we ook herkennen in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Frau Steiner was een Visserkoning(in), een ‘gewonde’ oude ziel die als het ware in twee gedeeld was: het ene moment warm en hartelijk, het volgende moment ijskoud en messcherp. Ita Wegman was eveneens een koninklijke oude ziel, maar ze was veel ‘gezonder’ dan Marie von Sivers, veel aardser, veel moderner ook. Terwijl Marie von Sivers zich van meet af ten dienste stelde van Rudolf Steiner en zelfs officieel zijn vrouw werd (aldus gehoorzamend aan de vormen van het verleden), ging Ita Wegman haar eigen, onafhankelijke weg. Pas toen ze helemaal op eigen benen stond, stelde ze zich ten dienste van Rudolf Steiner. Marie von Sivers had dat veel eerder gedaan, en wel uit bewondering voor de ‘koninklijke’ grootheid van Rudolf Steiner. Ita Wegman deed het uit medelijden met de mens Steiner, die zwaar gewond werd toen de brand het Goetheanum vernietigde.

Door dit medelijden werd haar karmabewustzijn geboren en kon ze de verlossende Parsifalvraag stellen, de vraag naar de nieuwe mysteriën, naar de wederopstanding van de (gestorven) antroposofie. Dankzij die vraag kon de Weihnachtstagung plaatsvinden en kon Rudolf Steiner – eindelijk – vrijuit spreken over het karma, zowel dat van de antroposofische beweging als dat van hemzelf en Ita Wegman. Ook Marie von Sivers had Rudolf Steiner destijds een verlossende vraag gesteld, de vraag die de geboorte van de antroposofie mogelijk maakte. Maar die vraag kwam (nog) niet voort uit karmabewustzijn, want daar wilde ze niks van weten. Telkens ze met Rudolf Steiner op doortocht was in Keulen, troonde hij haar mee naar het graf van Albertus Magnus, van wie hij wist dat het een van haar vroegere incarnaties was. Marie von Sivers – die het hart op de tong droeg – mopperde dan: weeral dat graf, hebben we dat nu nog niet genoeg gezien! Het kwam niet in haar op dat Rudolf Steiner haar iets wilde vertellen. Ze wilde het ook niet horen.  

Op een hoger niveau herkennen we in Rudolf Steiner de lijdende Visserkoning. Enerzijds was hij een koninklijke geest, de behoeder van de goddelijke graalgeheimen. Anderszijds was hij ‘een man van smarten’ die zwaar gebukt ging onder het lijden van de mensheid. Op datzelfde niveau herkennen we in Marie von Sivers en Ita Wegman twee stadia van de Parsifalweg. Marie von Sivers is de jonge Parsifal die onverwachts in de graalburcht terechtkomt en daar de Visserkoning ontmoet. Ze is zo onder de indruk van zijn grootheid dat ze zich, zoals het een ridder past, meteen in zijn dienst stelt. Omstreeks dezelfde tijd ontmoet ook Ita Wegman Rudolf Steiner, maar anders dan Marie von Sivers is ze niet onder de indruk en vervolgt haar eigen weg. Pas veel later komt ze terug in (antroposofische) graalburcht, maar ze is dan wel in staat de verlossende Parsifalvraag te stellen, omdat ze in de koninklijke Rudolf Steiner de lijdende mens herkent, haar metgezel, haar mensenbroeder. 

Dankzij dit oplichtende karmabewustzijn – dat in de mens zowel de ‘koning’ als de ‘broeder’ ziet – kan ze de fakkel van de stervende Rudolf Steiner overnemen en wordt ze de nieuwe ‘graalkoning’. Zo behandelt Rudolf Steiner haar ook: als ‘de leerling die hij liefhad’, als zijn opvolger. Maar deze kroning was tegelijk een kruisiging, dit hoogtepunt was tegelijk een nieuw begin. Ita Wegman, de oude ziel, wordt weer jong. Als een onstuimige Parsifal komt ze tegenover de oudere Marie von Sivers te staan. En ze faalt, ze verzuimt de vraag te stellen naar het lijden van deze koninklijke ziel. Als beide vrouwen met de auto terugkeren van de crematie van Rudolf Steiner – een wel zeer moderne versie van de graallegende – is Ita Wegman vol van de (koninklijke) taak die haar is toebedacht en ze heeft geen oog voor Marie von Sivers die door het sterven van Rudolf Steiner diep gewond is. Ze blijft blind voor het lijden van de ‘koningin’ en dat wekt verontwaardiging bij haar hofhouding: ze wordt zonder pardon uit de graalbrucht gezet.  

Zoals Ita Wegman destijds Rudolf Steiner niet herkende en daarvoor ‘gestraft’ werd met een eenzaam bestaan als dolende ridder, zo herkent ze nu ook Marie von Sivers niet en wordt andermaal ‘gestraft’ met een eenzaam bestaan buiten de antroposofische vereniging, veracht en bespuwd door de bewoners van deze graalburcht. Het is de herhaling van een oerbeeld, maar tegelijk de omkering ervan: de nieuwe graalkoningin had de oude van haar troon gestoten, maar ondergaat nu zelf dat lot. Dat maakt deel uit van haar nieuwe karmabewustzijn: ze wordt onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen van haar daden. Ze ondervindt aan den lijve wat het is om … Marie von Sivers te zijn en na een intense samenwerking met Rudolf Steiner aan de kant te worden geschoven. Maar ook Marie von Sivers beleeft nu wat het is om Ita Wegman te zijn en iemand ‘brutaal’ van zijn troon te stoten. Beide opponenten verwisselen als het ware van plaats en beleven de ander van binnenuit.

Wat beide vrouwen na de dood van Rudolf Steiner meemaken, is wat we na de dood allemaal meemaken. We beleven onszelf dan gezien door de ogen van de anderen. Wie zichzelf ooit ‘per ongeluk’ in de spiegel heeft gezien, zonder te beseffen dat hij naar zichzelf keek, weet hoe schokkend zo’n ervaring is. Na de dood van Rudolf Steiner hebben Marie von Sivers en Ita Wegman zichzelf gezien (en beleefd) met de ogen van de ander en dat moet hen diep geschokt hebben. Wat anders pas na de dood mogelijk wordt, onder leiding van ‘deskundige geesten’, moesten ze nu bij leven en op eigen kracht doormaken. Ita Wegman was zich van deze dimensie meer bewust dan Marie von Sivers. Ze reageerde dan ook niet op de vernietigende oordelen van deze laatste en haar hofhouding. Marie von Sivers had daar meer tijd voor nodig. Ita Wegman ‘worden’ moet voor haar een overrompelende ervaring zijn geweest. Maar ze overleefde het en stak uiteindelijk een verzoenende hand uit die Ita Wegman diep ontroerde. 

Wat zich tussen deze twee zielen heeft afgespeeld was een ‘openbare inwijding’, een moderne inwijding, een inwijding van de toekomst. Onder leiding van Rudolf Steiner hadden Marie von Sivers en Ita Wegman nog een oude inwijding ondergaan, want hoe modern de antroposofie ook was, ze bestond nog altijd bij de gratie van een grote ingewijde. In Rudolf Steiner dook het hele mysterieverleden van de mensheid in de openbaarheid op en werd er getransformeerd tot een mysterietoekomst. In die toekomst zullen mensen niet meer worden ingewijd door een ‘ster die uit de hemel is komen vallen’, ze zullen elkaar inwijden. Het oerbeeld daarvan zien we in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Alleen al het feit dat het allebei vrouwen zijn, geeft aan dat het oude ‘mannelijke’ inwijdingswezen een ingrijpende verandering heeft ondergaan. De intense dramatiek waarmee dat gepaard ging, geeft aan hoe ontzettend moeilijk het is om die stap van oud naar nieuw te zetten.

Toen men Ita Wegman eens vroeg hoe ze zo kalm kon blijven onder dat spervuur van beschuldigingen en scheldpartijen antwoordde ze: ach, dat is toch maar maya, op geestelijk niveau ziet het er allemaal heel anders uit. Wat we ons van de Grote Ruzie nog kunnen herinneren (via documenten en getuigenissen) ziet er op het eerste gezicht heel lelijk uit. Maar juist door die lelijkheid – de lelijkheid van de dood – onder ogen te zien en ons hart erdoor te laten beroeren (hoe pijnlijk en beschamend dat ook is) dringen we langzaam door tot de karmische dimensie van wat we liefst zouden vergeten. Er wordt dan een waarlijk ‘koninklijk’ oerbeeld zichtbaar: twee tegengestelde zielen die elkaar inwijden in de nieuwe mysteriën. En dat zijn karmamysteriën, openbare mysteriën die zich niet in de beslotenheid van een mysterietempel afspelen, maar in het dagelijks leven. Dat is het geheim van onze tijd: de hele wereld is een graalburcht geworden en wij zijn allemaal Visserkoningen en Parsifals, Marie von Siversen en Ita Wegmans. 

Antroposofie en karmabewustzijn (11)

  

Karma reikt van de hoogste geestelijke regionen tot de diepste aardse gebieden. Het is een kunstwerk dat de hele werkelijkheid omvat. Hoe begin je eraan om een onderwerp van die dimensies te bestuderen? Klein, heel klein. Rudolf Steiner maant ons aan het karma niet alleen met de grootst mogelijke eerbied te benaderen, maar ook onze aandacht te richten op wat hij ‘imponderabelen’ noemt: kleinigheden waar we geen gewicht aan toekennen. Laten we dat eens proberen met de gebeurtenissen na Steiners dood, want toen ontrolde zich een karma met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de antroposofische vereniging maar voor de hele wereld. Na de uitsluitingen van 1935 verklaarde Elisabeth Vreede dat de dam tegen het nationaalsocialisme nu was gebroken, en eerder al had Ita Wegman voorspeld dat Hitler aan de macht zou komen indien de antroposofen er niet in slaagden hun ruzies bij te leggen. Het loont dus de moeite om een blik te werpen op de karmische dimensie van deze noodlottige periode.

Het belang van wat zich tussen 1925 en 1935 afspeelde in de Antroposofische Vereniging kan moeilijk overschat worden, en toch moeten we de aandacht richten op details, op dingen die er schijnbaar niet toe doen. Zo’n detail was de ruzie waar het allemaal mee begon: Marie von Sivers en Ita Wegman kunnen het niet eens worden over de plaats waar de as van Rudolf Steiner moet komen. Banaler dan deze Urnenstreit kan het niet worden en toch was dit onnozele voorval het topje van een ijsberg die het antroposofische schip lek zou slaan. De kunst bestaat erin deze ijsberg – de karmische dimensie van het voorval – boven water te krijgen. Marie von Sivers wilde de as op haar kamer hebben, terwijl Ita Wegman vond dat ze voor iedereen toegankelijk moest zijn. De twee vrouwen benaderden de zaak respectievelijk vanuit een persoonlijk en bovenpersoonlijk standpunt. Karma verbindt beide standpunten, en dus kunnen we nu reeds concluderen dat de ruzie een gevolg was van gebrek aan karmabewustzijn. 

Marie von Sivers vertegenwoordigde het persoonlijke standpunt en deed dat op een persoonlijke manier. Ita Wegman vertegenwoordigde het bovenpersoonlijke standpunt, maar deed dat eveneens op een persoonlijke manier. Als zij zich werkelijk bewust was geweest van de karmische dimensie van het gebeuren, zou zij dan een ruzie geriskeerd hebben die zo’n verstrekkende gevolgen kon hebben? Zij moet toch, zoals iedereen, geweten hebben dat Marie von Sivers een emotionele, licht ontvlambare natuur had. Als ze haar de tijd had gegeven om de dood van haar echtgenoot te verwerken, dan zou ze na verloop van tijd zelf wel hebben ingezien dat de urne niet haar persoonlijke bezit kon blijven, en de fatale ruzie zou vermeden zijn. Maar dat deed Ita Wegman niet, ze volgde haar eigen natuur, zoals Marie von Sivers de hare volgde. Het resultaat was een botsing, niet alleen tussen twee zeer persoonlijke naturen, maar ook tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke. 

De urnen – merkwaardig genoeg waren het er twee – vormen een tweede imponderabele in deze geschiedenis. Ze kunnen beschouwd worden als een beeld van het verleden. Met dat verleden was Marie von Sivers veel sterker verbonden dan Ita Wegman. Ze was getrouwd geweest met Rudolf Steiner, ze had samen met hem aan de wieg gestaan van de antroposofie en ze had hun beider ‘kind’ gedurende 21 jaar zien opgroeien. Ita Wegman daarentegen was pas op het toneel verschenen toen het Goetheanum – de ‘samenvatting’ van het antroposofische verleden – in vlammen opging. Haar blik was op de toekomst gericht, zij stond aan de wieg van de nieuwe mysteriën die de plaats van de oude moesten innemen. Beide vrouwen belichaamden de grootst mogelijke tegenstellingen: persoonlijk en bovenpersoonlijk, verleden en toekomst, oude en nieuwe mysteriën, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung en de antroposofie van na de Weihnachtstagung. Er gaapte een diepe kloof tussen beiden. 

Een derde ‘imponderabele’ duikt tien jaar later op, wanneer Ita Wegman en Elisabeth Vreede uit de Vorstand worden gezet, vooral door toedoen van Marie von Sivers en Albert Steffen. Toevallig – of juist niet – zijn beide uitgeslotenen nuchtere, wetenschappelijke geesten (Wegman is arts en Vreede is wiskundige), terwijl de ‘uitsluiters’ kunstenaars zijn, gevoelige zielen (von Sivers is actrice en Steffen is dichter). De tegenstelling kunst-wetenschap die hier zichtbaar wordt, maakt het opnieuw een stuk begrijpelijker waarom zo’n banale ruzie zo’n enorme gevolgen kon hebben. Maar tegelijk maakt het de zaak ook een stuk complexer. Want het trekken van scherpe grenzen, het maken van onderscheid, het vasthouden aan de juiste methode, het uitzuiveren van een zaak, kortom al de factoren die zo’n grote rol speelden bij de uitsluitingen van 1935: horen die niet bij de wetenschappelijke geest? Toch treffen we ze hier aan bij de twee kunstenaars uit het bestuur. Hoe valt dat te verklaren?

De kloof tussen kunst en wetenschap maakt duidelijk dat het in deze kwestie om heel wat meer gaat dan een simpele tegenstelling. Het gaat om een polariteit. We komen er niet door alleen maar naar de verschillen te kijken, we moeten ook kijken naar wat beide partijen gemeen hadden. Marie von Sivers en Albert Steffen waren kunstenaars, maar ze gedroegen zich als wetenschappers, als mensen die het kaf van het koren scheiden. Ita Wegman en Elisabeth Vreede waren dan weer wetenschappers die zich gedroegen als kunstenaars: ze probeerden te verbinden, te verzoenen, te verenigen. Beide partijen droegen dus de polariteit kunst-wetenschap in zich, zij het op een geheel andere manier. Het was gebrek aan inzicht in de complexe relatie tussen kunst en wetenschap waardoor ze diametraal tegenover elkaar kwamen te staan. En dat was een gebrek aan karmabewustzijn, want karmabewustzijn is polariteitsbewustzijn: het impliceert niet alleen inzicht in wat de tegenpolen scheidt, maar ook in wat ze verbindt. 

Karmabewustzijn overstijgt het oude dualistische bewustzijn dat in louter tegenstellingen denkt. Maar dat betekent niet dat de tegenstellingen hun geldigheid verliezen, wel integendeel. Met de Weihnachtstagung roept Rudolf Steiner zelfs een nieuwe tegenstelling in het leven. Na afloop zegt hij dat iedereen ervan doordrongen moet zijn dat er een volledige heroprichting en vernieuwing van de Antroposofische Vereniging heeft plaatsgevonden. Er moet gebroken worden met oude gewoonten en er dient op een nieuwe manier te worden omgegaan met de antroposofische inhouden. Voortaan moet er ‘vanuit het hart tot het hart’ worden gesproken. Telkens weer komt Rudolf Steiner daar op terug. Hij laat er geen twijfel over bestaan: er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de oude antroposofie-van-het-hoofd en de nieuwe antroposofie-van-het-hart. Er kan dus geen sprake van zijn dat karmabewustzijn het denken-in-tegenstellingen afwijst. Het tegendeel is het geval.

Karmabewustzijn keert zich niet tegen het dualistische bewustzijn, het keert zich naar dat bewustzijn, als een pasgeboren kind naar zijn moeder. In de blik van dat kind ligt herkenning: het her-kent zijn moeder. Het dualistische bewustzijn waar het tot voor kort nog deel van uitmaakte, ziet het nu van aangezicht tot aangezicht, en het gaat er een intense relatie mee aan. Deze relatie doet de (door de moeder belichaamde) tegenstelling niet teniet, maar voegt er nog een tegenstelling aan toe: die tussen moeder en kind. Dat maakt van het karmabewustzijn een ‘driegeleed’ bewustzijn. We zouden ook kunnen zeggen dat het dualistische bewustzijn zich bewust wordt van zichzelf, het wordt wakker. Dat impliceert natuurlijk dat het in-tegenstellingen-denkende bewustzijn zoals we dat nu kennen, niet wakker is. Het ‘slaapt’ omdat het alleen de materiële wereld ziet en geen onderscheid maakt tussen materie en geest. Dat is de paradox van het dualisme: het maakt niet te veel maar te weinig onderscheid. 

Rudolf Steiner hamert er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Het grote probleem van onze tijd is dat we slapen, niet fysiek maar geestelijk: we nemen de geestelijke werkelijkheid niet waar. Dat komt doordat we de materiële werkelijkheid zo helder waarnemen, want beide waarnemingen – de materiële en de geestelijke – sluiten elkaar uit, zoals we ook niet tegelijk de zon en de sterren kunnen zien. Het is het een of het ander. Wakker worden, zoals Steiner het bedoelt, kan dus niet betekenen dat we ontwaken voor de (sterren)wereld van de geest en tegelijk inslapen voor de (zonne)wereld van de materie. Dat zou gewoon een omkering zijn en geen vooruitgang, wel integendeel. Wakker worden in de zin van Steiner, betekent dat we beide werelden tegelijk leren waarnemen, dat we ons bewust worden, niet van de geest naast de materie, maar van de geest in de materie. Karmabewustzijn is dus meer dan bewustzijn van de geest, het is bewustzijn van geest en materie. 

Juist omdat geest en materie elkaar in ons bewustzijn uitsluiten – wakker worden voor het één betekent inslapen voor het ander – is karmabewustzijn noodzakelijkerwijs een drieledig bewustzijn. Het kind dat na de geboorte tegenover zijn moeder komt te staan, neemt beide polen van haar wezen waar: de materiële (fysieke) pool en de geestelijke (innerlijke) pool. Maar die waarneming is nog in hoge mate dromerig. Zonder het te beseffen pendelt het kinderlijke bewustzijn tussen beide polen heen en weer, waardoor ze in elkaar vloeien. Het maakt nog geen echt onderscheid, noch tussen beide aspecten van zijn moeder, noch tussen zijn moeder en zichzelf. Naarmate dat onderscheidingsvermogen toeneemt, groeit ook zijn zelfbewustzijn. Wie zich bewust wordt van de tegenstellingen in de wereld, wordt zich ook bewust van de tegenstelling tussen zichzelf en de wereld. De mens dankt zijn ik-gevoel aan zijn dualistische bewustzijn, aan zijn vermogen om onderscheid te maken en zijn aandacht van de ene pool naar de andere te verplaatsen. Op die manier wordt hij wakker voor de wereld en voor zichzelf.

Het oerbeeld van dit vermogen om te (onder)scheiden is de geboorte: de mens maakt zich los van zijn moeder. Daardoor wordt hij een op zichzelf staand wezen. Het hele verleden van de mensheid kan gezien worden als één grote geboorte: het (ontzettend moeilijke en pijnlijke) zich losmaken uit het moederlichaam ofte de geestelijke wereld. Vandaag bevinden we ons op het keerpunt der tijden: de geboorte is voltooid en de mens moet opnieuw toenadering zoeken tot zijn geestelijke moeder, want geen enkele pasgeborene kan op eigen kracht overleven. Deze toenadering impliceert een enorme ommekeer: de krachten die moeder en kind gescheiden hebben, moeten plaatsmaken voor krachten die moeder en kind verbinden. Of nog: het hoofd, dat zich een weg gebaand heeft naar de vrijheid, moet plaats maken voor het hart dat verbinding zoekt. En dat gebeurt ook: op ieder gebied wordt vandaag verbeten naar verbinding gestreefd alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhangt.

En dat is ook zo: als de hoofdkrachten zich blijven verwijderen van de (moeder)geest dan gaat de mensheid ten gronde. Daarom zijn de verbindende krachten zo nietsontziend: het zijn blinde overlevingskrachten. Ze keren zich tegen datgene wat hun voortbestaan bedreigt: de (onder)scheidende hoofdkrachten die de mens tot een zelfzuchtig individu maken. Ze willen van de mens weer een groepswezen maken en leggen stelselmatig zijn vrijheid aan banden. Op fysiek vlak is dat een goede zaak, want daar hoort geen vrijheid te heersen. Maar de mens is ook een geestelijk wezen: zonder zin en betekenis kan hij niet leven. En die zin en betekenis liggen juist in zijn (geestelijke) vrijheid. Verdwijnt die vrijheid, dan heeft niet alleen zijn huidige bestaan geen zin meer maar ook zijn hele verleden. Al die tijd heeft de mens immers geleden omdat hij vrij wilde worden, en dat wil hij meer dan ooit. Daarom verzetten zijn (onderscheidende) hoofdkrachten zich uit alle macht tegen zijn (verbindende) hartkrachten: omdat ze allebei de mensheid willen redden.

Is dat niet precies waarom Marie von Sivers en Ita Wegman slaags raakten? Ze wilden allebei de antroposofische vereniging redden. Ze wilden precies hetzelfde, en ze beschikten over een buitengewoon sterke wil. Maar het was geen wakkere wil, ze waren zich onvoldoende bewust van de relatie tussen de onderscheidende krachten van het hoofd en de verbindende krachten van het hart. Het ontbrak hen met andere woorden aan onderscheidingsvermogen, niet het gewone onderscheidingsvermogen van het hoofd, maar een ‘hoger’ onderscheidingsvermogen van het hart dat zich bewust wordt van de relatie tussen beide. De ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman was een oerbeeld dat inmiddels de hele wereld in zijn greep heeft gekregen en als het ware schreeuwt om aandacht. Het drukt zich uit in vechtscheidingen op ieder gebied en vraagt steeds nadrukkelijker om toegang tot ons bewustzijn. Het klopt steeds luider aan onze deur. 

Antroposofie en karmabewustzijn (10)

  

Ik herinner me nog … Zo beginnen veel verhalen van oude mensen. Hun toekomst wordt steeds kleiner en daarom wenden ze zich naar het verleden. Paradoxaal genoeg is deze terugblik tegelijk een voorbereiding op de toekomst, want na hun dood zullen ze zich pas echt met hun voorbije leven gaan bezighouden. Ze zullen het helemaal opnieuw bekijken en beleven, maar dit keer als buitenstaander, als een kunstcriticus die een schilderij beoordeelt. Het is echter wel hun eigen ‘schilderij’ dat ze bekijken, hun eigen levenskunstwerk. Je kunt het vergelijken met het moment waarop een leerling een werkstuk voltooid heeft en de leraar zegt: laten we dat nu eens samen bekijken! Hij wijst de leerling op fouten waarvan hij zich geen rekenschap gaf, maar ook op kwaliteiten waarvan hij zich niet bewust was. Op die manier – onder deskundige leiding – vormt de mens zich na zijn dood langzaam een objectief oordeel over zijn leven. Tegelijk groeit in hem het verlangen om het opnieuw te proberen.

Voor jonge mensen is het heel moeilijk om naar hun eigen leven te kijken. Je kunt nu eenmaal niet kunstenaar en criticus tegelijk zijn. Het scherpe oordeelsvermogen van de criticus verlamt het scheppingsvermogen van de kunstenaar, en omgekeerd. Een kunstwerk kan pas beoordeeld worden wanneer het af is. Met het levenskunstwerk is dat pas het geval na de dood. De teerlingen zijn dan geworpen, er valt niks meer te veranderen, en de mens kan eindelijk afstand nemen van zijn leven. Maar dat alles kondigt zich reeds tijdens de ouderdom aan. Herinneringen duiken op en vragen om aandacht. Steeds weer schuiven ze aan het innerlijk oog voorbij en willen gezien worden. Zonder het te beseffen bereiden oude mensen zich voor op het grote karma-onderzoek dat hen ‘aan gene zijde’ te wachten staat. Ze zullen hun leven daar grondig analyseren, niet enkel met een scherp oordelend verstand, maar ook met een intens meelevend hart. Beide zullen daar tot één enkel vermogen worden. 

Dit post-mortemvermogen heeft de moderne mens steeds meer reeds tijdens zijn leven nodig. Het louter verstandelijke oordeelsvermogen is niet langer opgewassen tegen de complexe problemen van onze tijd, en het emotioneel reagerende hart spreekt zichzelf voortdurend tegen en veroorzaakt chaos en verwarring. Karma-onderzoek dringt zich op. Het is de enige manier waarop de mens nog kan voorkomen dat hij het noorden verliest, en dat is nu toch wel duidelijk aan het gebeuren. Je zou kunnen zeggen dat we terug naar de (menselijke) natuur moeten, maar dit keer op een veel bewustere manier. Het karmaonderzoek waar de ouderdom ons op een natuurlijke, instinctieve en dromerige manier toe brengt, moeten we wakker en doelbewust opnemen. Dat is trouwens waar Rudolf Steiner steeds weer toe oproept: wakker worden. Het is zeker geen toeval dat hij karmaonderzoek in verband brengt met het voortbestaan van de beschaving. Het gaat om de redding van de ziel …

Maar genoeg theorie, laat ik de daad eens bij het woord voegen. Ik herinner me nog … de voorstelling in Den Haag van de vertaling van Hans Peter van Manens Christussucher und Michaëldiener. We waren de stad binnengereden door onder een mastodontisch gebouw een tunnel in te duiken en ik had het gevoel opgeslokt te worden door een groot monster. Toen we weer bovenkwamen bleek Den Haag het toneel van een grote marathonloop en het was geen sinecure om de overkant van de straat te bereiken. Als ik daar nu aan terugdenk, waren het stuk voor stuk beelden die een aspect van het zielenthema illustreerden. Dit thema heeft veel weg van een marathon: er lijkt geen eind aan te komen. Tegelijk is het een ontmoeting met de dubbelganger: je zit in de ingewanden van een monster en zoekt de uitweg uit dat labyrint. En wie aan karmaonderzoek doet, probeert ‘de overkant’ te bereiken. Maar daar dacht ik toen allemaal niet aan. Ik keek vooruit. Mijn vertaling was net verschenen en ik was vol goede hoop.

IJdele hoop, zo zou blijken, en ik had het kunnen weten. Het grote, statige gebouw aan de Riouwstraat – het hoofdkwartier van de antroposofische vereniging in De Haag – maakte van binnen een uitgeleefde indruk. Nu ja, dat krijg je met gebouwen die echt gebruikt worden. Maar wat me pijnlijk trof, was dat ergens verloren in een donkere gang, op een sokkel die ieder moment omver kon worden gelopen, het bronzen portret stond van Willem Zeylmans van Emmichoven. Ik kende dat portret toevallig – in Gent hebben ze ook een exemplaar – anders had ik misschien niet geweten wie het voorstelde. Ik kende ook de maker, de Antwerpse beeldhouwer René Smits, die me wel eens verteld had over zijn gesprekken met Willem Zeylmans terwijl hij poseerde. Zeylmans was niet de eerste de beste: oprichter van de antroposofische vereniging in Nederland en naaste medewerker van Rudolf Steiner. Bovendien was hij een medestander van Ita Wegman en een onvermoeibaar propagandist van de Weihnachtstagung

Ik vond dat zo’n man beter verdiende. Nu ik eraan terugdenk komt de gedachte in me op dat de verwaarlozing van zijn portret wel eens een beeld zou kunnen geweest zijn van een veel grotere verwaarlozing: die van de Weihnachtstagung en het karmabewustzijn. Intussen heb ik vernomen dat het huis aan de Riouwstraat helemaal gerenoveerd is. Het heeft ook een nieuwe naam gekregen: het Elisabeth Vreedehuis. En in Dornach wordt geijverd voor de officiële rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Allemaal heel mooi, zij het wel rijkelijk laat, want binnenkort zal het 100 jaar geleden zijn dat beide (door Rudolf Steiner zelf gekozen) vrouwen uit de Vorstand werden gezet. Wat ik me echter afvraag: wat is er gebeurd met dat portret van Willem Zeylmans? Heeft het eindelijk de ereplaats gekregen die het verdient, of is het in de kelder terechtgekomen? Dat laatste zou wel een veeg teken zijn, want het is ook het lot van het karmabewustzijn. 

Die beelden zijn natuurlijk bijkomstigheden waar doorgaans geen aandacht wordt aan geschonken. Maar volgens Rudolf Steiner vormen juist die bijkomstigheden – imponderabiliën noemt hij het – de sleutel tot het karma. God verbergt zich in de details. Heeft men dit detail – het portret van Willem Zeylmans – over het hoofd gezien bij de herinrichting van het huis aan de Riouwstraat? Ik hoop van niet, maar ik vrees ervoor. Ik heb net een petitie getekend voor de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en het verbaasde me dat zoiets überhaupt nodig was. Spreekt het niet vanzelf dat men de fouten uit het verleden probeert te herstellen? Maar als de dubbelganger er zich mee moeit, is niets nog vanzelfsprekend. Wie hem eens aan het werk wil zien, moet het fameuze ‘Denkschrift’ lezen dat de inleiding vormde tot die uitsluitingen van 1935. Het is opgenomen in het 3de deel van ‘Wer war Ita Wegman‘, de inmiddels 25 jaar oude poging tot rehabilitatie van Ita Wegman door Emanuel Zeylmans, zoon van Willem Zeylmans. 

Dit ‘Denkschrift’ heeft zelfs iemand als Friedrich Rittelmeyer om de tuin geleid. Dubbelgangers zijn dan ook doortrapte wezens. Ze gaan ongeveer als volgt te werk. Hun doel is macht en dus beschuldigen ze mensen ervan … de macht te willen grijpen. Verdedigen die mensen zich en zeggen ze dat het precies omgekeerd is, dan reageert de dubbelganger verontwaardigd: ze willen de macht grijpen en wie zich daartegen verzet beschuldigen ze ervan … de macht te willen grijpen! Resultaat: twee partijen die elkaar van exact hetzelfde beschuldigen en niemand die nog weet wie gelijk heeft. Want hoe kom je achter de waarheid? Door de feiten te controleren. Maar wat als je die feiten niet kent en moet voortgaan op wat anderen vertellen? Hoe weet je of hun weergave van de feiten juist is? Dit is gewoonlijk het punt waarop men partij kiest voor de mensen die men persoonlijk kent. Toen het ‘Denkschrift’ verscheen kenden weinig mensen de ware toedracht van de zaak, en dus kozen ze partij. Zo raakte de antroposofische vereniging verdeeld in twee kampen.

Vandaag blijft er niemand meer over die de feiten uit eerste hand kent. We zijn helemaal aangewezen op geschreven verslagen, verhalen en getuigenissen. Emanuel Zeylmans heeft duizenden documenten bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat Ita Wegman ten onrechte gedemoniseerd werd. Maar hij is de zoon van Willem Zeylmans en die was een overtuigd medestander van Ita Wegman. Hoe kunnen we weten of hij zich daar niet door heeft laten beïnvloeden? En dan is er nog iets. Als hij gelijk heeft en Ita Wegman ten onrechte werd uitgesloten, dan betekent dat dat haar opponente, Marie von Sivers, ongelijk had en nog geen klein beetje. Wie leest hoe ze tekeer ging tegen Ita Wegman kan niet anders dan concluderen dat ze haar verstand verloren had. Maar ze was de vrouw van Rudolf Steiner! Bovendien was het ‘Denkschrift’ ondertekend door 12 vooraanstaande antroposofen en was er een overweldigende meerderheid vóór de uitsluitingen. Hadden al die mensen dan hun verstand verloren?

Als de dubbelganger in het spel is, ontstaat er een kluwen waar zelfs een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Waarheid en leugen vallen niet meer van elkaar te onderscheiden, tenzij door het hart. On ne voit bien qu’avec le coeur. Maar het moet dan wel een bijzonder sterk hart zijn, een hart dat zich niet laat verblinden door emoties en dat even helder kan onderscheiden als het hoofd. Om zo’n ‘wakker’ hart te ontwikkelen zijn er geen betere manieren dan kunst- en karmaonderzoek. Die twee komen trouwens op hetzelfde neer, want karma is een kunst, de grootste die er is. Er gaat dan ook veel tijd overheen om op dit gebied helderheid te krijgen. Ars longa vita brevis, en dat geldt zowel voor het scheppen als voor het beoordelen. Na bijna 100 jaar is nu wel duidelijk geworden dat de uitsluitingen van 1935 onterecht waren. Daar kunnen tal van argumenten voor aangevoerd worden, maar uiteindelijk is het toch het hart dat oordeelt: je voelt dat het ‘Denkschrift’ grondig fout zit, je voelt dat vader en zoon Zeylmans het bij het rechte eind hadden. 

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Tijd en karma hebben wel hun werk gedaan, maar het onze moet nog beginnen: we moeten dat karma leren begrijpen, we moeten voorkomen dat het zich herhaalt. Want dat laatste gebeurt nog altijd: er worden nog altijd mensen uitgesloten, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Waar zijn de miljoenen die volgens Rudolf Steiner voorbestemd waren om antroposoof te worden? Het aantal leden van de antroposofische vereniging blijft maar dalen, en de gemiddelde leeftijd blijft maar stijgen. Hoe kan zo’n ‘verschrompelende’ antroposofie iets betekenen voor de ontelbaren die nood hebben aan haar inzichten? Ze worden weggejaagd door de antroposofische dubbelganger, het onzichtbare wezen waarvan antroposofen zich niet (of veel te weinig) bewust zijn. Daarom is karmaonderzoek dringender dan ooit. Het eigen antroposofische karma moet onderzocht worden, met name dan het karma van de uitsluitingen van 1935, want toen dook de dubbelganger reuzengroot op. 

Antroposofie en karmabewustzijn (9)

  

Een lezer vroeg me onlangs waarom ik het thema van oude en jonge zielen zo belangrijk vind. Ik zette mijn argumenten nog eens op een rijtje. Maar hij vond mijn antwoord te lang, het moest korter en bondiger. Daar moest ik wel even om glimlachen. Hoe vaak krijg je als antroposoof niet de vraag: antroposofie, wat is dat eigenlijk, leg dat eens uit in een paar woorden! Dat lukt natuurlijk niet, en nu vroeg een antroposoof mij exact hetzelfde in verband met het zielenthema! Maar ik begreep hem wel. Als je doordringt tot de essentie van iets, kun je die essentie ook kernachtig formuleren (wat nog niet wil zeggen dat die formulering ook begrepen wordt). Ik kon dat niet. Ik kon niet in een paar woorden zeggen waarom het zielenthema in mijn ogen zo belangrijk is. De kern van de zaak heb ik nog steeds niet te pakken. Maar ik blijf proberen. Eén ding is alvast zeker: ik heb iets met oude en jonge zielen, ik ben er karmisch mee verbonden. Anders (en bondiger) gezegd: ik heb het zielenthema niet gekozen, het zielenthema heeft mij gekozen. 

Ook nu weer. Ik was helemaal niet van plan om opnieuw een reeks beschouwingen aan het zielenthema te wijden. Waarom zou ik ook? Het brengt geen aarde aan de dijk. Maar toen las ik in de biografie van Ludwig Polzer-Höditz (een vuistdik boek dat een bevriend antroposoof me had aangeraden) een zinnetje dat mijn belangstelling weer deed opleven. Het was een uitspraak van Ita Wegman die zei dat de golven van haat die haar na Rudolf Steiners dood overspoelden (en die tot haar afzetting als lid van de Vorstand zouden leiden) niet tegen haar persoonlijk waren gericht maar tegen het karmabewustzijn. Dat trof me, want het betekende dat de krachten die het zielenthema – volgens Rudolf Steiner toch de basis van het karmaonderzoek – verhinderen wortel te schieten in het antroposofische bewustzijn, dezelfde zijn die in de jaren 30 van de vorige eeuw geleid hebben tot de meest beschamende bladzijde in de geschiedenis van de antroposofie (en niet van de antroposofie alleen). 

De muur waar ik steeds weer tegenaan bots bij mijn pogingen om antroposofen warm te maken voor het zielenthema, bestaat dus niet alleen uit onverschilligheid. Er is veel meer in het spel. Ik heb te maken met een tegenstander die blinde haat opwekt en waar zelfs vooraanstaande leerlingen van Rudolf Steiner niet tegen opgewassen waren. Het begint me langzaam te dagen waarom antroposofen met een grote boog om dit thema heenlopen, waarom ze het zelfs zover drijven dat ze zich tegen Rudolf Steiner keren. Karmabewustzijn maakt machtige demonen wakker. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Het zielenthema leek me juist zo kinderlijk onschuldig: er bestaan twee soorten antroposofen, ze moeten elkaar leren kennen en ze moeten met elkaar leren samenwerken. Wat kon er eenvoudiger en vanzelfsprekender zijn! Het was een gemeenschappelijk uitgangspunt, een duidelijke richtlijn die voor iedereen gold. Daar kon ik iets mee! Maar blijkbaar dachten de tegenmachten precies hetzelfde …

Dat ene korte zinnetje in dat dikke boek over Ludwig Polzer deed het oude vuur weer oplaaien. Ik begon mezelf vragen te stellen. Waarom heeft het zielenthema mij ‘gekozen’? Waarom kiest het geen andere mensen uit? Wat is er tussen mij en dit thema? Waarom is het voor mij belangrijker dan andere antroposofische thema’s? Zeer persoonlijke vragen allemaal. Maar is het zielenthema niet juist een bovenpersoonlijk thema? Is het volgens Rudolf Steiner niet bedoeld voor alle antroposofen? Of heb ik dat verkeerd begrepen? Heeft mijn persoonlijke relatie met het onderwerp mij wellicht parten gespeeld en heb ik Steiners woorden ‘kreatief’ geïnterpreteerd zonder mij daarvan bewust te zijn? Maar geldt dat niet even goed voor antroposofen die dit thema zorgvuldig vermijden? Waarom zouden ook bij hen geen (onbewuste) persoonlijke motieven meespelen? Ik heb genoeg antroposofen gekend die ervan overtuigd waren zich te laten leiden door bovenpersoonlijke motieven, terwijl het in werkelijkheid omgekeerd was. 

Als er werkelijk zoiets als karma bestaat, dan wordt het leven van een mens bepaald door zaken waarvan hij zich totaal niet bewust is. En dat zijn zeer persoonlijke zaken, want geen twee levens zijn gelijk. Persoonlijker dan karma vind je niet. Je karma leren kennen is de hoogste vorm van zelfkennis, intiemer dan welke zelf-introspectie ook. En toch is dit uiterst persoonlijke karma onlosmakelijk verbonden met het uiterst persoonlijke karma van tal van andere mensen. Karma is een vereffening van oude relaties die gestalte krijgt in nieuwe relaties. Het veronderstelt een netwerk van relaties dat zich zowel in tijd als ruimte uitstrekt tot de hele mensheid, want via via is ieder mens verbonden met alle andere mensen op aarde. Dat maakt karma tot een duizelingwekkend gegeven. Het regelt niet alleen ieder afzonderlijk leven, het stemt al die afzonderlijke levens ook nog eens op elkaar af. Het is met andere woorden zowel persoonlijk als bovenpersoonlijk, en dat in de allerhoogste mate.

Voor de moderne mens, die zijn eigen leven niet eens op orde krijgt en ziet dat ook leiders, regeringen en overheden er een potje van maken, is het bestaan van een dergelijk wereldomspannend ordeningsprincipe volstrekt ongeloofwaardig. Daar zijn ze weer met hun God, denkt hij. Als die God werkelijk bestond, waarom laat hij de zaken dan zo in het honderd lopen! Waar de geërgerde materialist echter geen rekening mee houdt is zijn eigen vrije wil. Zonder die vrije wil zou God de zaken prima kunnen regelen, denk maar aan de natuur. Maar dat wil hij niet. Hij wil dat de mens een vrij wezen wordt en regelt de zaken daarom via het karma. Hij geeft de mens de kans om fouten maken en ze daarna te herstellen. Dat veronderstelt natuurlijk een afwisseling van leven en dood, want als de mens wist wat hem allemaal te wachten stond, zou hij zich nooit vrij kunnen voelen. Om vrijheid mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de mens (bij de geboorte) zijn levensplan ‘vergeet’.

Vroeger geloofde de mens rotsvast in God en onderwierp zich lijdzaam aan diens wil. Om vrij te kunnen worden, moest hij God echter ‘afschaffen’. Dat had tot gevolg dat zijn lijden opeens zinloos werd en daarom veel zwaarder om dragen. Tegen dat zinloze lijden revolteert de mens momenteel zo hevig. De zinloosheid kan hij niet opheffen en dus keert hij zich tegen het lijden zelf, met name tegen de bron van alle lijden: de dualiteit, de diepe kloof die het bestaan in twee deelt. Die wil hij uit de weg ruimen en hij gaat daar zeer ver in. Maar die dualiteit is tevens de grondslag van zijn vrijheid en dus keert hij zich (zonder het te beseffen) tegen zijn eigen vrijheid. Aangezien die vrijheid de zin is van zijn lijden, maakt hij zijn lijden nog zinlozer en ondraaglijker dan het al is en sluit hij zichzelf op in een vicieuze cirkel die hem – letterlijk – tot waanzin drijft. Het wordt met de dag duidelijker: de moderne mens die het recht opeist niet meer gekwetst te worden, verliest langzaam maar zeker zijn verstand.  

Terugkeren naar het oude Godsgeloof kan hij niet en wil hij niet, en dus is er maar één uitweg uit die zelfvernietigende vicieuze cirkel: karmabewustzijn. Zonder dat bewustzijn ervaart de mens zijn lot als iets wat hem van buitenaf wordt opgelegd, door God – of erger nog – door het toeval. Hij spant zich tot het uiterste in om de plaats van God en toeval in te nemen en zijn leven de richting uit te sturen die hij wil, maar hoe meer hij zich inspant, des te minder lukt het. Het gevecht tegen datgene wat hij niet wil, put hem uit en zijn wil begeeft het: hij wil niet meer, hij kan niet meer willen – het droeve lot van de hedendaagse mens. Wordt die uitgeputte, wanhopige mens zich echter bewust van zijn karma, dan begint hij te beseffen dat zijn ongewilde levenslot wel degelijk door hem gewild wordt. Het is niet zomaar een onpersoonlijke, willekeurige kooi waarin hij opgesloten wordt, het is een zeer persoonlijke constructie waar hij zelf voor gekozen heeft. In zijn bewustzijn beginnen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke langzaam naar elkaar toe te groeien …

Deze geleidelijke toenadering van de tegenpolen geeft zijn leven een geheel nieuwe zin zonder dat hij beroep moet doen op een God die vanuit onbereikbare hoogten zijn wil oplegt aan de mens en daardoor zijn vrijheid geweld aandoet. De mens die zijn karma leert kennen, ontdekt dat de vrijheid in dat karma ingebakken zit, en wel op twee manieren. Enerzijds heeft hij dat karma (voor zijn geboorte) zelf gevormd, weliswaar met de hulp van (veel verstandiger) geestelijke wezens maar toch met eigen instemming. Anderzijds stelt karma-inzicht hem in staat om nieuw karma te vormen, karma dat later niet hersteld moet worden (omdat het reeds rekening houdt met het bovenpersoonlijke). De paradox is dat de acceptatie van oud karma de wil versterkt en de mens in staat stelt om steeds vrijer te worden. Het omgekeerde – het uitzichtloze gevecht tegen het eigen karma – maakt de mens steeds onvrijer. Geen wonder dat de tegenmachten al hun duivels ontbinden om de ontwikkeling van karmabewustzijn te verhinderen.

Beter dan wie ook weten ze hoe belangrijk dit karmabewustzijn is. Zolang ze het kunnen verhinderen, maakt de mens geen kans. Hij raakt dan steeds meer in hun greep. Begint hij zijn aandacht echter te richten op het karma, dan dreigen ze hun greep te verliezen en slaan ze alarm. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de geschiedenis van de antroposofie. Het was Rudolf Steiners levensopdracht om de moderne mens tot karmabewustzijn te brengen, en vanaf het allereerste moment probeerden de tegenmachten dat te verhinderen. Het scheelde niet veel of het pasgeboren kind was doodgebloed. Daarna werd hij in het geboorteregister verkeerdelijk ingeschreven als Adolf Steiner, een wel zeer perfide streek. Toen hij Karl Julius Schröer ontmoette, werd hij ‘gedwongen’ om diens opgave – de ontwikkeling van de antroposofie – over te nemen. Daar moest hij zijn leven aan wijden en pogingen om het te combineren met karmaonderzoek stuitten op onoverkomelijke weerstanden, zowel uiterlijke als innerlijke. 

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de levenstaak van Schröer afsloot en eindelijk kon beginnen met zijn eigen taak, werd hij ‘als door een zwaardhouw’ getroffen. De tegenmachten wilden en zouden niet toestaan dat hij over karma zou spreken. In een uiterste krachtinspanning kon hij zijn leerlingen echter de basisprincipes van het karma meegeven, en dan vooral de eerste stap: het thema van de oude en de jonge zielen. Hij overwon in extremis de weerstanden waar hij zijn leven lang mee gevochten had, maar na zijn dood barstten ze in alle hevigheid los. Hoe antroposofen toen tekeer gingen tegen Ita Wegman valt alleen te verklaren door haar diepe (karmische) verbondenheid met de Weihnachtstagung en Rudolf Steiners eigen levensopgave. Reactionaire krachten wilden de stap van antroposofie naar karmabewustzijn ongedaan maken. Hoe ongemeen sterk ze waren – en nog altijd zijn – kan worden afgelezen aan het feit dat het zielenthema tot op de huidige dag niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn. 

Wie aan de slag wil met dit elementaire karma-thema krijgt te maken met de dubbelganger van de antroposofie. Als een wachter staat hij aan de drempel van het karmabewustzijn, dat in wezen een geestelijk bewustzijn is, een bewustzijn zoals de mens het ontwikkelt na de dood, aan gene zijde van de drempel. Als antroposoof ben je (karmisch) niet alleen verbonden met het wezen ‘antroposofie’ maar ook met haar dubbelganger. Die dubbelganger is in feite de dekadent en kwaadaardig geworden geest van de oude mysteriën, die een scherpe grens trokken tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, het materiële en het geestelijke. Men kreeg alleen toegang tot de mysteriën van de geest wanneer men het eigen Ik aan de kant schoof. Rudolf Steiner heeft daar een eind aan gemaakt door tijdens de Weihnachtstagung de ‘nieuwe mysteriën’ in te stellen, die juist uitgingen van het eigen Ik en het persoonlijke en bovenpersoonlijke tot een onlosmakelijke eenheid smeedden. 

We beseffen nog nauwelijks de impact en draagwijdte van die overgang van oud naar nieuw. Rudolf Steiner was er de man niet naar om dat met veel bombarie te doen. Alles speelde zich af tijdens een van de jaarlijkse kerstbijeenkomsten, en aangezien het Goetheanum was afgebrand vond alles plaats in een schuur. Het was een veelzeggend beeld: de schitterende oude mysteriën waren op rituele wijze in vlammen opgegaan, de nieuwe leken veel eenvoudiger en onaanzienlijker. Ze waren echter op een geheel nieuwe wijze esoterisch: hun spirituele karakter moest ontdekt worden, het was alleen zichtbaar voor het hart. Daarom legde Rudolf Steiner de grondsteen nadrukkelijk ‘in de harten van de aanwezigen’, niet in hun hoofd, want dat was iets van de oude tijd. In de karmavoordrachten die hij daarna hield, legde hij er de nadruk op dat er op een geheel nieuwe manier met de antroposofische inhouden moest worden omgegaan. Dat gold heel in het bijzonder voor het zielenthema: dat kon alleen met het hart worden begrepen.

Zo heb ik het thema van oude en jonge zielen ook altijd ervaren: als een hartsaangelegenheid. Ik wist helemaal niet waarom het me zo aansprak, en eigenlijk weet ik het nog altijd niet. Maar het inzicht groeit. Langzaam begin ik met mijn hoofd te begrijpen wat ik met mijn hart reeds begrijp. Dat is geen vervanging van het ene weten door het andere, maar een samengroeien van hoofd en hart, in wederzijds respect maar wel onder leiding van het hart. Dat is de grote omkering die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung doorvoerde: het hoofd stelt zich ten dienste van het hart. En hij voegde de daad bij het woord. Als hoofd van de (geestelijke) antroposofische beweging had hij altijd zorgvuldig afstand bewaard tot de (menselijke) antroposofische vereniging, maar nu stelde hij zich helemaal ten dienste van dit ‘hart’. Hij werd voorzitter van de vereniging, wat niet betekende dat hij haar ging leiden, maar dat hij de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor alles wat de leden deden (en niet deden). 

Heel wat antroposofen die erbij aanwezig waren, hebben de betekenis van de Weihnachtstagung met hun hart begrepen. Maar daarmee begrepen ze het nog niet met hun hoofd. Dat onbegrip – de kloof tussen hoofd en hart – heeft Rudolf Steiner het leven gekost. Maar dat wist hij. Hij kende de dubbelganger van de antroposofie maar al te goed. Toen hij zich verbond met de vereniging hing zijn lot af van de mate waarin zijn leerlingen in staat waren (via hun persoonlijke dubbelganger) de confrontatie met deze (bovenpersoonlijke) dubbelganger aan te gaan. Ze faalden deerlijk en Rudolf Steiner betaalde (vrijwillig) het gelag met zijn leven. Door deze offerdaad is de verbinding van hoofd en hart die hij belichaamde een geestelijk wezen geworden waarmee iedere antroposoof zich kan verbinden in de mate dat hij de confrontatie met zijn dubbelganger (en daarmee ook de dubbelganger van de antroposofie) aangaat. Dat is en blijft de opgave – het karma – van de antroposofische beweging. Hoe meer ze zich daar bewust van wordt, des te dichter zal ze de essentie van de antroposofische zaak kunnen benaderen.  

Antroposofie en karmabewustzijn (8)

  

Alle goede dingen bestaan uit drie. Geen antroposoof die het zal ontkennen, want de antroposofie is een tot in de details uitgewerkte driegelede wereldbeschouwing. Het kostte Rudolf Steiner naar eigen zeggen meer dan 30 jaar om die driegeleding op punt te stellen en hij kwam er voor het eerst mee naar buiten in 1917, op het moment dat Europa in twee werd gescheurd door de scherpste tegenstellingen. Met name de sociale driegeleding presenteerde hij als alternatief voor het (in zijn ogen verderfelijke) zelfbeschikkingsrecht der volkeren dat door de Amerikaanse president Woodrow Wilson als ideaal werd gepropageerd. Rudolf Steiner spande zich tot het uiterste in om de Midden-Europese leiders te overtuigen van zijn driegelede maatschappijmodel, maar ofschoon hij (via enkele leden van de antroposofische vereniging) toegang kreeg tot de hoogste regeringskringen, leverde dat niets op. De kloof tussen de sociale driegeleding en het Europese bewustzijn bleek al even groot als de kloof tussen de strijdende partijen.

Inmiddels zijn we honderd jaar verder en in wezen is er niets veranderd. Europa is nog altijd in een (voorlopig nog politieke) loopgravenoorlog verwikkeld en nog altijd gaat de strijd tussen links en rechts. Die interne verdeeldheid heeft Europa tot een Amerikaans wingewest gemaakt en van een Europese cultuur is geen sprake meer. Alleen de antroposofie komt daar nog voor in aanmerking, maar ze leidt een kwijnend bestaan. Ze is er niet in geslaagd de driegeleding ingang te doen vinden, noch in Europa noch in eigen gelederen. Er wordt in antroposofische kringen veel gedacht en er wordt ook hard gewerkt, maar tussen beide gebieden is nauwelijks contact. Een levendig middengebied waar denken en doen elkaar ontmoeten en bevruchten, is onbestaande. Verre van driegeleed te zijn, is de antroposofische beweging – net als de rest van de wereld – uitgesproken tweegeleed. Maar dat is niet haar grootste probleem, haar grootste probleem is dat ze het niet weet. Ze is zich niet bewust van haar eigen dualisme. 

Het roept een herinnering op. Ik zit in een aula van de Gentse universiteit en woon een van mijn allereerste antroposofische voordrachten bij. Ik heb me nog niet ‘bekeerd’, ik verken het terrein. De spreker is Mouringh Boeke, een vreemde snuiter die eruitziet als een kabouter, compleet met baard en pinnemuts. Vreemd is ook het onderwerp waarover hij spreekt: het gewaarborgd basisinkomen. Op dat moment weet ik nog niet dat Mouringh Boeke een van de leidende (of toch markante) figuren is van de driegeledingsbeweging. Met stijgende verbazing luister ik naar zijn uiteenzetting. Het is mijn eerste kennismaking met het in mijn oren utopisch klinkende idee van het basisinkomen. Na afloop van de voordracht doe ik iets wat ik anders nooit doe: ik steek mijn hand op. Meneer Boeke, vraag ik, mag ik u een persoonlijke vraag stellen? Gelooft u zelf dat dit mogelijk is? Het is een welgemeende vraag, maar hij reageert gepikeerd. Mogelijk, mogelijk, gromt hij, daar trek ik me niks van aan! Ik geloof in de zaak en dus zet ik me ervoor in!

Met dat kortaffe antwoord moet ik het doen. Maar het volstaat, het bevredigt me volkomen. De man heeft gelijk. Als iedereen zich zou afvragen of iets mogelijk is alvorens in actie te komen, dan leefden we vandaag nog in grotten. Wat ik echter niet begrijp is zijn ergernis. Misschien was mijn vraag wat persoonlijk, maar ik voel me dan ook persoonlijk geraakt door het onderwerp. Het gewaarborgd basisinkomen is de oplossing voor het prangendste probleem in mijn leven: de noodzaak om geld te verdienen. Die noodzaak is een kwelling voor mij, niet omdat ik niet wil werken, maar omdat ik alleen werk wil – en kan – verrichten waarvoor ik geschikt ben. Naar dat soort werk is echter geen vraag, dus is er ook geen geld voor, en dat betekent dat ik in feite geen recht van leven heb. Ik moet dat recht verdienen door slavenarbeid te verrichten. Vandaar mijn primaire levensgevoel: er is voor mij geen plaats op deze wereld. Voorwaar, het gewaarborgd basisinkomen raakt een gevoelige snaar in mijn ziel. 

Maar doet het dat alleen bij mij? Al sinds de zondeval moet de mens zijn brood verdienen ‘in het zweet zijns aanschijns’. Die plicht is zijn grootste kruis, de bron van eindeloos veel ellende. En nu zou daar opeens een eind kunnen aan komen? Een mens zou voor minder vragen gaan stellen. Toch reageert Mouringh Boeke geërgerd. Waarom? Ik begrijp het niet. Als je dergelijke revolutionaire ideeën verkondigt, kun je toch vragen verwachten, verbaasde vragen, kritische vragen, persoonlijke vragen. De vraag die ik hem stel, komt recht uit mijn hart en is ook direct aan zijn hart gericht. Ze komt voort uit een intense betrokkenheid bij het onderwerp en ik verwacht dat hij die betrokkenheid (h)erkent. Tenslotte ligt ze ook aan de basis van zijn streven: waarom zou je ijveren voor een gewaarborgd basisinkomen als het niet was om menselijk leed te lenigen! Maar Mouringh Boeke schuift mijn ‘hartekreet’ geërgerd aan de kant, alsof mijn hart er niet toe doet, alsof ik er niet toe doe. 

Nu ben ik op mijn beurt gepikeerd. Ik voel me miskend en afgewezen. Onbewust treft mij de contradictie: in theorie erkent Mouringh Boeke (door het basisinkomen te verdedigen) mijn recht op bestaan: ja, je hoort erbij! Maar in de praktijk ontkent hij het (door zijn geërgerd gedrag): nee, zoiets vraag je niet! Wie zijn hart laat spreken, hoort hier niet thuis! Die tegenstrijdigheid zal later typerend blijken voor veel antroposofen. Voortdurend vragen ze zich af: hoe kunnen we de buitenwereld bereiken, hoe kunnen we mensen warm maken voor de antroposofie? Maar wie het waagt een ‘fout’ antwoord te geven, wordt streng terechtgewezen: zoiets zeg je niet! Hoe vaak zal ik die woorden – uitgesproken of onuitgesproken – niet moeten horen uit de mond van antroposofen! En telkens gaat het om zaken die mij nauw aan het hart liggen en die mij diep raken, zoals het basisinkomen. Ik lijk als antroposoof alleen aanvaard te worden wanneer ik mijn hart het zwijgen opleg en mezelf aan de kant schuif.

In mijn kleine aanvaring met Mouringh Boeke manifesteert zich een oerbeeld waar ik later talloze keren mee geconfronteerd zal worden en dat als een onzichtbare muur is waar ik telkens weer tegenaan bots. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over ‘fort Europa’, maar er bestaat ook zoiets als ‘fort Antroposofie’. Zoals er vandaag miljoenen migranten richting Europa stromen, zo zijn er volgens Rudolf Steiner ook ontelbare mensen die de antroposofie zoeken. Maar ze vinden geen toegang, ze botsen op de muur die ik zo goed ken. Zo herinner ik me nog een ouderavond die de Gentse steinerschool speciaal had ingericht om nieuwe ouders te verwelkomen en wegwijs te maken. Verbaasd zag ik hoe de oude bekenden elkaar uitgebreid begroetten, terwijl de nieuwe ouders er verweesd bij zaten. Niemand keek naar hen om, niemand begroette hen, niemand heette hen welkom. Daar was de muur weer, en de antroposofen hadden er geen idee van, ze waren er volkomen blind voor. 

Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven: deze mensen deden precies het tegenovergestelde van wat ze beweerden te doen! Het zou lachwekkend zijn geweest als het niet zo pijnlijk was. En die ouderavond was geen uitzondering. Precies hetzelfde zou ik jaren later meemaken op een nieuwjaarsreceptie van de Antroposofische Vereniging. Ook daar verkeerde men in de mening nieuwe mensen gastvrij te onthalen, en ook daar werden ze aan hun lot overgelaten. Toen ik de organisatoren erover aansprak, verzekerden ze me er iets te zullen aan doen. Maar het drong niet tot hen door dat dit voorval slechts het topje van een ijsberg was, het symptoom van een dieperliggende kwaal. Antroposofen bouwen een onzichtbare muur om zich heen, ze trekken een scherpe grens waarmee ze de wereld in twee delen en mensen uitsluiten, maar ze beseffen het niet, ze zijn ervan overtuigd precies het tegenovergestelde te doen. Het is alsof ze uit twee verschillende personen bestaan die van elkaar niet afweten, alsof er zwei Seelen in hun borst wonen.

Maar is dat niet bij iedereen het geval? Maakt deze innerlijke gespletenheid geen deel uit van la condition humaine, het menselijk gebrek dat vandaag zo pijnlijk zichtbaar wordt? De hele wereld is verdeeld, overal worden grenzen getrokken, overal worden mensen uitgesloten. En toch is iedereen ervan overtuigd naar verbinding te streven, verdraagzaam te zijn en solidair. Het zijn ‘de anderen’ die polariseren, die haat zaaien en onverdraagzaam zijn. Bij niemand komt de gedachte op dat deze verdelende, dualistische krachten ook in zijn eigen ziel leven en dat hij zonder het te weten een onzichtbare muur om zich heen bouwt die hem belet te zien dat buitenwereld een spiegel is. Zolang de mens zich daar niet bewust van wordt, kan hij noch zichzelf noch de wereld leren kennen. En juist dit gebrek aan zelfkennis is het grootste probleem van onze tijd. Het wordt trouwens alsmaar groter, want we zien steeds duidelijker de verdeeldheid in de wereld om ons heen, maar we worden steeds blinder voor de verdeeldheid in onze eigen ziel. 

Hoe scherper we het kwaad buiten ons waarnemen, des te beter voelen we onszelf. Alsof het zien van andermans zonden onze eigen ziel witwast. Dit fenomeen heeft zelfs een naam gekregen: de politieke correctheid. Door anderen te beschuldigen, worden we zelf onschuldig. Het is een gevaarlijke waan, want onder dekking van onze vermeende morele superioriteit, sluipt een kwade geest onze ziel binnen en neemt het roer van ons over. We zijn ons niet bewust van deze geest, maar anderen reageren er vol afschuw op, wat bij ons dan weer verontwaardiging wekt. En zo vormt zich een vicieuze cirkel waar we niet meer uit raken. De oorzaak van dit verbijsterende verschijnsel is in de antroposofie bekend als ‘de ontmoeting met de dubbelganger’. Wanneer iemand over de drempel van de geestelijke wereld gaat – en dat doen we vandaag allemaal – dan ziet hij zijn schaduwzijde verschijnen in de vorm van een afschrikwekkend wezen waar hij ontzet voor terugdeinst. Maar dat hele gebeuren vindt in zijn onderbewuste plaats, hij heeft er geen weet van.

De moderne (materialistische) mens is niet voorbereid op de confrontatie met zijn (geestelijke) dubbelganger. Het besef dat dit ‘monster’ een spiegelbeeld is van zijn ziel, dreigt zijn nog prille Ik-besef te vernietigen en in een zelfbeschermende reflex ontkent hij iedere relatie tot dit wezen: hij projecteert het naar buiten. Daar betaalt hij echter een hoge prijs voor: dit collectieve projecteren verandert de wereld langzaam maar zeker in een slagveld vol ‘drakenridders’ die verwoed tegen hun spiegelbeeld vechten. Hoe dichter ze de geestelijke wereld naderen, des te heviger wordt hun strijd. Dat is de tragedie van de onbewuste drempeloverschrijding: de idealen die de geestelijke wereld in de mens opwekt, worden door zijn blindheid voor de dubbelganger omgezet in vernietigingskrachten. Antroposofen weten er alles van. Na de dood van Rudolf Steiner werden ze opeens geconfronteerd met hun dubbelganger en gingen elkaar te lijf als zagen ze het vleesgeworden kwaad voor zich.

Dit beschamende hoofdstuk in de antroposofische geschiedenis behoort inmiddels tot het verleden. De wonden zijn geheeld en de plooien gladgestreken. Maar onderhuids woekert de infectie voort. Nog altijd bouwen antroposofen muren, nog altijd sluiten ze mensen uit, nog altijd worden ze slachtoffer van hun dubbelganger. Mijn aanvaring met Mouringh Boeke was daar een (miniatuur)voorbeeld van. Hij was een overtuigd antroposoof, ik was het aan het worden. Hij zette zich in voor het basisinkomen, ik had dat basisinkomen nodig. Ik wees hem (onbewust) op de achillespees van zijn streven en ook hij had dat nodig. We streefden hetzelfde na, we vulden elkaar aan, en we hadden elkaar nodig. Maar toch kwam het niet tot samenwerking, integendeel. We werden gescheiden door ergernis, ergernis die gemakkelijk had kunnen uitgroeien tot een verontwaardigde strijd want de zaak raakte ons allebei diep. Tussen ons in stond – als een muur – het onzichtbare wezen dat al zoveel antroposofen heeft doen vechten in plaats van samenwerken: de dubbelganger. 

Waarom ergerde Mouringh Boeke zich aan mijn vraag? Omdat ze hem confronteerde met zijn onvermogen om de driegeledingsidee in werkelijkheid om te zetten. Alle antroposofische pogingen in die richting zijn mislukt en ze blijven mislukken. Voor een driegeleder is dat buitengewoon pijnlijk en als iemand die zere plek (per ongeluk) aanraakt, volgt er een afweerreactie. Waarom ergerde ik mij op mijn beurt aan Mouringh Boeke? Omdat het inkomensprobleem voor mij eveneens een bijzonder kwetsbare plek is. Zonder het te beseffen, hadden we dus elkaars ‘wonde’ aangeraakt, en in de grond was het dezelfde wonde, hetzelfde menselijk gebrek: het onvermogen om idee en werkelijkheid met elkaar te verzoenen. Sommige mensen voelen zich (meer) thuis in de wereld van de geest, maar weten niet hoe ze in de wereld van de materie kunnen leven zonder die geest op te geven. Anderen voelen zich (meer) thuis in de materie, en hebben geen idee hoe ze die wereld met de geest moeten verzoenen. Maar allebei lijden ze aan hetzelfde probleem. 

Het heeft me 40 jaar gekost om in te zien dat Mouringh Boekes ergernis niet mij gold, maar zijn dubbelganger. Hij sloot mij niet uit, hij sloot zijn dubbelganger uit. En ik, ik deed precies hetzelfde. Ons Ik was niet sterk genoeg om onze dubbelganger onder ogen te zien en dus projecteerden we hem op elkaar, waardoor hij als een muur tussen ons in kwam te staan. Die muur hadden we nodig omdat we anders niet verder konden met ons leven. Maar de dubbelgangersstrijd heeft intussen zo’n afmetingen aangenomen dat we evenmin nog verder kunnen. We dreigen eronder te bezwijken. Als we niet ten onder willen gaan aan de muur die we onbewust om ons heen bouwen, dan moeten we hem steen per steen afbreken, dan moeten onze dubbelganger stap voor stap weer integreren. We moeten met andere woorden onze ziel ‘helen’, want de kloof met onze dubbelganger is de moeder van alle strijd. Met het overbruggen van die kloof begint de vrede, met de bewustwording van onze dubbelganger begint de driegelede samenleving.